Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
28 novembre 2014 5 28 /11 /novembre /2014 14:53

 

 

PEETERSpvo.jpg

Jozef Peeters (1895-1960), “Aquarelle II”. Aquarel en potlood. Gemonogrammeerd en gedateerd, november 1924

Donderdag 4 december wordt om 20 uur in het Veilinghuis Bernaerts een deel van het kunstbezit van Paul van Ostaijen geveild (werken op papier). Een in alle opzichten uitzonderlijk aanbod, met werk van Alex Allemand, Heinrich Campendonk, Pere Creixam, Walter Dexel, Paul Joostens, Auguste Mambour, Franz Marc, Jozef Peeters, Emil Orlik, Ferdinand Schirren, Arnold Topp en Nele van de Velde.

SCHIRRENpvo.jpg

Ferdinand Schirren (1872-1944), “Winterlandschap”. Aquarel op karton

DEXELpvo.jpg

Walter Dexel (1890-1973), “Sternenbrücke”. Houtsnede op fijn Japans papier. Met handgeschreven opdracht: “Für van Ostaijen / mit herzl. Neujahrgrüss, 20 december 1920"

JOOSTENSpvo.jpg

Paul Joostens (1889-1960), “De geestelijke op het dorp” (1919). Potlood en Oost-Indische inkt


Van Ostaijen, kunsthandelaar

Voor de veilingcatalogus schreef ik een louter informatieve notitie, waarvan de tekst hier volgt:


Kunsthandelaar Geert Van Bruaene opende in 1925 een galerie in de Naamsestraat 70 te Brussel, “À la Vierge poupine”. Hij kende toen al Paul van Ostaijen en het was wellicht door diens toedoen dat Floris Jespers en Auguste Mambour van 16 mei tot 8 juni 1925 in de nieuwe galerie exposeerden. Wat er ook van zij, Van Bruaene sloot een akkoord met Van Ostaijen, wiens compagnonschap formeel geregeld werd op 1 oktober 1925. Tot 1 april 1926 trad Van Ostaijen op als codirecteur van de kunsthandel, waar hij ook zijn intrek nam.

Op 16 december 1925 meldt Van Ostaijen aan zijn vriend Stuckenberg: “Seit 1.Oktober bin ich was man Direktor einer Kunstgalerie zu nennen pflegt. Det Jeschäft blüht nicht. Man hält zich aufrecht so gut und schlecht wie’s geht. (…) Standpunkt? – Los vom reinen Konstruktivismus, dessen Möglichkeiten vorläufig erschöpft sind. – Los von der Lyrik Kandinsky’s.” Hij is op dat ogenblik nog geen twee maanden bezig, doch heeft reeds vijf tentoonstellingen georganiseerd of mede-georganiseerd

Uit de bewaard gebleven (deels ongepubliceerde) briefwisseling kan trouwens afgeleid worden dat hij vooral met eigen relaties voor eigen rekening zaken deed.(Hij beschikte over werken van Heinrich Campendonck, Gust De Smet, Prosper De Troyer, James Ensor, Max Ernst, Lyonel Feininger, Floris Jespers, Paul Joostens, Oskar Kokoschka Irène Lagut, René Magritte, Georges Minne, Joan Miro, Pablo Picasso, Frits Stuckenberg,)

Van Ostaijens gezondheidstoestand was toen al zorgelijk, het mededirecteurschap van de galerie slorpte te veel energie op en nam zijn tijd al te zeer in beslag. Materieel werd hij er tenslotte niet beter van. In die omstandigheden kon hij even goed “marchand en chambre” blijven. 0p 6 mei resumeerde hij de toestand ter attentie van zijn vriend Stuckenberg: “Seit 1.4.26 bin ich wieder ‘Direktor’ ab; ich bin nicht mehr tätig in brüsseler Kunsthandel, sondern ich treibe, jetzt wie vorher, die Geschäfte ‘en chambre’ wie man das, nach Pariser Terminologie, heißt. Es geht nicht gut, - zu gut um ganz zum Teufel zu gehen. Und zu schlecht zu existieren.”

Op 15 maart 1926 ondertekende Van Ostaijen een overeenkomst met Fernand Schirren (1872-1944), van wie hij een aantal werken verwierf. De maandelijkse afbetaling bedroeg 500 Frank.

In de zomer van 1927 verbleef Van Ostaijen afwisselend op het land en te Antwerpen. Begin juni nam hij in Viersel zijn intrek in Hotel De Scheepvaart, gelegen bij een kleine aanlegplaats voor binnenschepen aan de Kempische Vaart (thans Albertkanaal). Schirren kwam hem opzoeken en logeerde daar van 8 op 9 juni. Hun briefwisseling is deels onuitgegeven.

Enkele werken van Schirren uit Van Ostaijens bezit kwamen terecht bij Oscar Jespers, een ander deel vindt hier voor het eerst zijn werk naar een groter publiek.

*

De aangeboden werken kunnen op zaterdag 29 en zondag 30 november bezichtigd worden in het veilinghuis Bernaerts, Verlatstraat 16-22 / Museumstraat 25 te 2000 Antwerpen. Het zal wellicht de laatste keer zijn dat die werken in globo bekeken kunnen worden. Tevens de gelegenheid om meteen een exemplaar te verwerven van de fraai vormgegeven catalogus (later wordt dit wel problematischer...). Een absolute must voor alle PvO-connoisseurs.

Henri-Floris JESPERS


PVOcollectieBernaerts.jpgCover catalogus: Arnold Topp (1887-1945), “Porträt Paul van Ostayen” (Oost-Indische inkt op fijn Japans papier, detail, 1920).Dit portret diende als frontispice in De Trust der Vaderlandsliefde (De Driehoek, 1925).

Partager cet article
Repost0
27 novembre 2014 4 27 /11 /novembre /2014 22:50

 

Ballustrada.jpg

En daar is weer een Ballustrada bij de post, nummer 3-4 van reeds de 28stejaargang. Ruim honderd bladzijden poëzie en proza in een mooie vormgeving, in boekvorm haast. Veel lezenswaardigs. En leerrijks. Zo leert Kees Torn ons in zijn vers Lichtvoetig werk dat redactieleden tot de blijsten (rijmend op boekverkoperslijsten) horen.

Laaglandse Poëzie, het thematische portfolio van het tijdschrift, beleeft hier de 18deaflevering. Ze is samengesteld door Cees van der Pluijm rond light verse. Een wonderlijk genre, waarvoor volgens Van der Pluijm in het Nederlands niet eens een goede term bestaat: “Lichte poëzie? Maar hoe licht is lichte poëzie? Wat kenmerkt de lichte poëzie? Veelal rekent men direct begrijpelijke poëzie tot lichte poëzie. Het werk van Rutger Kopland, Jean-Pierre Rawie, Judith Herzberg, Gerrit Komrij en veel gedichten van Vasalis passen moeiteloos in deze categorie. Toch zal niemand hen light verse-dichters noemen.” Drs. P, die graag rept van plezierdichten, is in het genre natuurlijk een grootheid. Uiteraard nam Van der Pluijm ook werk van hem op. Voorts in Laaglandse Poëzie bijdragen van Jaap van den Born, Daan de Ligt, Coenraedt van Meerenburgh, Ko de Laat, Arjan Keene, Judy Elfferich, Martijn Breeman, Frans Woortmeijer, Rob Boudestein, Hans Mooi, Frits Criens, Bram den Herder, Niels Blomberg en Bas Boekelo. Als voorbeeld van het genre Beste Cees (= Buddingh’, ook Frans Mink zaliger nagedachtenis speelde regelmatig met ’s mans oeuvre – hij zou zeker thuis hebben gehoord in deze collectie) van Rob Boudestein:

 

vanavond na het diner

ontdekte ik, door mijn nieuwsgierigheid,

dat de inhoud van een flesje pils

(het 30 cl. formaat)

royaal past in een lege wijnfles

 

natuurlijk heb ik toen meteen geprobeerd

of de inhoud van een wijnfles

ook in het pilsflesje paste

 

maar nee hoor: dat paste niet

 

Voorts in deze Ballustrada aardig proza van onder meer Kees Klok, Jan J.B. Kuipers, Rien Vroegindeweij en Carina van der Walt.

Jabik-Veenbaas--foto-Bert-Bevers-.JPG

Jabik Veenbaas (foto: Bert Bevers)

Van de gedichten bevielen me vooral die van het jonge talent Tijs van Bragt (Vertrekpunt paars) en van twee gelouterde dichters van wie in zowat elk nummer wel iets verschijnt: Hendrik Carette (Vierde brief uit Brugge aan zee) en Jabik Veenbaas (uit diens Liefdeslied  het slot: jij en ik lief niets zijn we dan ijle / glazen engelen bij de minste aanreking / breken we).

Bert BEVERS

 

Een los nummer van Ballustradakost € 12,50, maar voor een abonnement op dit aangename literaire periodiek betaal je (4 nummers, nota bene inclusief porto) slechts € 19. Redactieadres: André van der Veeke, Oranjestraat 24a, 4532 BS Terneuzen, telefoon 0031 115 69 67 60 (avdveeke@zeelandnet.nl)

www.ballustrada.eu

Partager cet article
Repost0
26 novembre 2014 3 26 /11 /novembre /2014 20:19

 

Ed-van-Hinte.jpg

Ed van Hinte

Binnenkort reikt de Rotterdamse Kunststichting haar tweejaarlijkse Pierre Bayleprijs voor kunstkritiek uit aan de Haagse designcriticus Ed van Hinte en aan architectuurcriticus Wouter Vanstiphout.

Ed van Hinte doet in zijn publicaties recht aan de geest van Bayle (cultuurkritiek waarin het ambachtelijke en het filosofische hand in hand gaan).

In het opmerkelijke artikel Voorstel voor een nieuw accent   (dit jaar gepubliceerd op de architectuursite ArchiNed) onderzocht de laureaat de subtiele, maar geniepige, verweving van design en commercie.

In 2006 initieerde Van Hinte de Ligthness Studios. De studio richt zich op het ‘gewoon maken’ van lichtheid. Zo kunnen het besparen op energie en het ontzien van het milieu een belangrijke rol spelen in het lichtbouwen.

 De bouw kent zeer veel transport, duurt lang en produceert bergen afval. De lichtheidsstrategie van Van Hinte kan op het gebied van constructie, materiaalkeuze en ontwerp van machinerieën veel uitmaken.

Prijsuitreiking op maandag 1 december 2014 in Het Nieuwe Instituut te Rotterdam.

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-begeleid-verlof-123351708.html

 

http://www.archined.nl/opinie/2014/voorstel-voor-een-nieuw-accent/

Erick KILA

Partager cet article
Repost0
26 novembre 2014 3 26 /11 /novembre /2014 11:04

 

HertmansTerprentijn.jpg

Zowat een half jaar geleden is Stefan Hertmans met zijn roman Oorlog en terpentijnnipt ontkomen aan de Gouden Boekenuil. Dat fel gegeerde beest ging toen nestelen in een van de hoge torens van het noorden, bij Joost de Vries. Ofschoon ik dezes bekroonde werk, De republiek, niet gelezen heb, neem ik op gezag van de juryaan dat ook dát wel een sterke roman zal zijn. Toch lijkt me een prijs die toegekend wordt door een vakjury, hoe getiteld de leden ook mogen zijn, nog altijd minder beduidend en minder belangrijk dan een publieksprijs, waarover 100 willekeurige lezers beslissen. Afgezien van het financiële plaatje natuurlijk. Want tegenover de 25 000 euro én een kunstwerk van Philip Aguirre, die aan de vakkundige bekroning kleven, bedraagt de prijs van de lezersjury amper één tiende. En dát is het wat Hertmans in april in ontvangst mocht nemen voor zijn Oorlog en terpentijn: 2 500 euro en… een pen van Montblanc.

Maar niet getreurd. Naast de Boekenuil zijn er nog andere superhoge loten te winnen: de Librisprijs ter waarde van 65 000 euro en de AKO-prijs van 50 000 euro plus een beeld van Eugène Peters. Helaas, ook de Librisprijs zag de reeds geshortliste Hertmans aan zijn keurig gestileerde, maar toch al grijzende baardje voorbijgaan: ditmaal gaf de juryde voorkeur aan La Superba  van Ilja Leonard Pfeijffer, die "met de lezer een superieur spel van werkelijkheid en literaire verbeelding" heet te spelen Maar alle goede dingen bestaan uit drie, zegden onze vroede vaderen al, en zie, de laatste grote pot heeft Stefan nu toch mogen leegmaken.

En terecht. Een legitiemere bekroning had de juryniet kunnen bedenken. De roman is, zoals iedereen al weet, een op dagboeken gebaseerde hommage aan Hertmans' grootvader, wiens leven getekend werd door zijn armoedige kinderjaren in het Gent rond 1900 (deel 1), door de vreselijke ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog (deel 2) en door een jonggestorven grote liefde (deel 3). In dat leven speelt de schilderkunst ("terpentijn") een kapitale rol: voor frontsoldaat en amateurschilder Urbain Joseph Emile Martien is het een troost en een houvast bij het verwerken van alle ellende en verdriet die hij heeft doorgemaakt.

Ik aarzel niet om het te zeggen: Oorlog en terpentijn is geschreven in een zo sublieme stijl als ik nog in geen enkele Nederlandstalige roman heb mogen ervaren. De originele beelden wervelen je zo om de oren, het sierlijke ritme voert je mee zonder haperen of hotsen, de sprankelende taalvondsten spatten uiteen. Al even bewonderenswaardig is de kundigheidwaarmee de auteur de ontzaglijke hoeveelheid feiten en gegevens tot een sterke, aldoor zwierige structurele eenheid heeft weten te bundelen en de thema's oorlog, liefde en kunst in balans heeft weten te brengen. In het inpassen van de kleine geschiedenis van het kwetsbare individu in het grote tijdsbeeld, of zal ik zeggen: in het 'om'passen van de grote geschiedenis om het kleine mensbeeld, toont Hertmans zich al evenzeer een grootmeester.

Het boek, dat nu al de status van 'klassieker' heeft verworven, steekt met kop en schouders uit boven menig tot een of andere shortlist opgetilde of als klassiek bestempelde Vlaamse roman. Alle superlatieven die erover geformuleerd werden, beaam ik volmondig. 'Fantastische beschrijvingen', 'eerbiedige sfeer', 'beheerste techniek', jaja, het is er allemaal. Evenzeer als 'authentiek', 'aangrijpend', 'fascinerend', 'vlot leesbaar'. Niet alleen door het boeiende verhaal wordt de lezer meegesleept, maar ook door de briljante taal die zo soepel en spontaan verloopt dat de lectuur onontkoombaar de adem van het boek gaat overnemen. En, wat zelden gebeurt in een roman, Hertmans beschrijft de scènes zo zintuiglijk dat de lezer erbij is, ernaast staat, eraan deelneemt en zelf alles smaakt, voelt, hoort, ziet, ruikt.

Ja, zo schitterend is alles dat de glans die over de ellende en gruwel wordt gelegd, aan de werkelijkheid bijna iets onwezenlijks geeft.En juist dat wekt mijn verwondering op: buiten Arnon Grunberg (NRC, 28.03.14)heeft geen enkele jurylezer of criticus zich enige vraag gesteld nopens de morele implicaties daarvan. Een van de lezersjuryleden, ene Marleen Claes, reikt nochtans het probleem aan wanneer ze schrijft: "Mijn allergrootste waardering om uit zoveel ellende en modder een schitterende diamant te toveren".

Deze zinsnede plaatst ons midden in de problematiek 'ethica versus esthetica'. Het is ook hierop dat het betwiste artikel van Arnon Grunberg omtrent het feit of we al dan niet met een falsificatie te maken hebben, grotendeels berust. Zijn bewering dat Oorlog en terpentijn "literair pas werkelijk interessant wordt als we de theorie hanteren dat we met een vervalsing te maken hebben", gaat uit van de overtuiging dat wie geweld esthetiseert – in dit geval dat van WOI –, het gevaar loopt dat geweld te verheerlijken. "Stel dat Hertmans de dagboeken van zijn grootvader zelf verzonnen heeft," presumeert Grunberg, "dan is dat probleem op geniale wijze omzeild. () Door te doen alsof hij slechts de indrukken van een ooggetuige kopieert, kan Hertmans het obscene tonen zonder zelf obsceen te worden."

De redenering van Grunberg, dat de esthetisering van geweld en ellende iets amoreels zo niet immoreels heeft, snijdt wel enigszins hout. Ook ik heb het wel eens moeilijk met het 'schoon geweld' van pakweg de films van Sam Peckinpah (The Wild Bunch, Straw Dogs, The Osterman Weekend…), die hoe boeiend en filmografisch mooi ook (o.m. sterven in slow motion), me doen genieten én gruwen tegelijk. Voor heel wat oorlogsfotografie geldt hetzelfde: hoe gruwelijker, hoe 'mooier'. Ook in de literatuur is de kunstige uitbeelding van het negatieve een hachelijke zaak. Denken we maar aan geweldorgiën als A Clockwork Orange (Boze jongens) van Anthony Burgess of het onlangs vertaalde In The Rogue Blood (Schurkenbloed) van James Carlos Blake. Ook de lectuur van Oorlog en terpentijn heeft in mij nu en dan, zij het in heel wat mindere mate, de vraag opgeroepen: hoe is het mogelijk om zo 'schoon' te schrijven over zo lelijke dingen? Want lelijke werkelijkheid, verpakt in schitterende taal, is toch het hoofdbestanddeel van (vooral het tweede deel van) het boek.

De vraag omtrent het lelijke – zowel door Grunberg als door Hertmans ook het 'obscene' genoemd – in de kunst is niet zo eenduidig te beantwoorden: ofwel kies je voor de visie van Hegel, die in zijn Ästhetik  (1835-1838) stelde dat al wat lelijk is, niet tot het domein van de kunst en literatuur behoort, ofwel onderschrijf je de opinie van Karl Rosenkranz, die in zijn Ästhetik des Häßlichen  (1853) stelt dat het lelijke net wél tot de kunst en de literatuur behoort – iets wat Filippo Marinetti, zij het ietwat minder radicaal, herhaalde in zijn eerste Futurist Manifesto (1909). Moeten we in deze futuristische zin ook interpreteren wat Hertmans in zijn essayboek Het bedenkelijke. Over het obscene in de cultuur (1999) schreef: "Waar het geweld en de schoonheid versmelten, ontstaat die vreemde indruk van het heilige, het verhevene."?

Wat er ook van zij, Oorlog en terpentijn blijft voor mij zijn vijf sterren en het etiket 'klassieker' behouden! Meteen is het ook de waardigste en indringendste van alle eerbetuigingen die dit jaar aan de kleine helden en slachtoffers van WOI gegeven werden. Chapeau dus – of moet ik zeggen: casquette? – voor de kleinzoon van Urbain Joseph Emile 'Marsjèn' (zoals Martien door de francofone legeroversten steevast werd genoemd)! Alleen zou ik in de titel niet enkel 'Oorlog' maar ook 'terpentijn' met een majuskel schrijven. Gelijk in de eerste Engelstalige uitgave van Oorlog en Vrede beide nevengeschikte woorden gehoofdletterd werden. Zoals in het boek van Tolstoï beide begrippen even belangrijk zijn, zo is in het (verhaal over het) leven van Hertmans' grootvader de schilderkunst even bepalend als de oorlog. Of die kapitaal er oorspronkelijk was, is op de cover niet controleerbaar, maar op de titelpagina (pag. 3) stellen we vast dat 'terpentijn' toch maar een minuskel krijgt. Een onnauwkeurigheid van de grafisch ontwerper? Of een gemist symboliekje van de auteur?

Frans DEPEUTER

1De jury voor de Gouden Uil 2014 bestond uit Friedl' Lesage (voorzitter), Vicky Vanhoutte, Bart Vanegeren, Marja Pruis, Tim de Gier en Danny Theuwis.

 

2De jury van de Librisprijs 2014 bestond uit Paul Witteman (voorzitter), Hugo Brems, Arjen Fortuin, Gemma Nefkens en Marjolijn Pouw.

 

3De jury voor de AKO-prijs 2014 bestond uit Job Cohen (voorzitter), Veerle Vanden Bosch, Karl van den Broeck, Toef Jaeger, Daniëlle Serdijn en Joost de Vries.

 

Partager cet article
Repost0
25 novembre 2014 2 25 /11 /novembre /2014 20:24

 

CrisisUitgeverijen.jpg

De uitgevers janken, de auteurs panikeren, de boekhandelaren klagen stenen uit de grond. De media brengen het prachtig in beeld, in de krant, op de radio en de televisie. De tegenslag gaat echter veel verder dan de ellende van de uitgevers en de auteurs. De auteurs en de uitgevers zijn de vedetten, maar ook de mensen in de luwte van het boekenvak, zij die helpen de auteurs en de uitgevers op een voetstuk te zetten, dreigen in de miserie terecht te komen. De crisis in het boekenvak beslaat dus een veel breder veld.

Er gaat geen week voorbij of mails belanden in mijn box met hulpkreten. Concernbonzen klagen dat er te veel boeken worden uitgegeven. Alsof dat de schuld is van de uitgevers. De laatste jaren is het personeel van de uitgeverijen tot een minimum herleid. Auteurs moeten hun eigen boeken in een ruwe basisversie van de vormgeving gieten. Eindredacteuren zijn er enkel nog voor de auteurs waarvan een afzet van 10.000 exemplaren gegarandeerd is. Promotie wordt niet meer gemaakt. Een jaar geleden vroeg de vrouw van een auteur met een nieuwe roman [het had twee jaar op de redactie in Amsterdam gelegen], of de marketingafdeling een financiële bijdrage zou leveren om een feestelijke presentatie te organiseren. ‘We hebben al wat gedaan,’ zei de verantwoordelijke. ‘O ja, wat?’ vroeg de vrouw. Zijn antwoord was kort: ‘We hebben het uitgegeven.’ En dan zijn ze verbaasd dat er maar 34 van worden verkocht.

Auteurs klitten samen in clubjes. Wie zich niet schikt naar hun leiders, worden gedumpt. Ik ga geen namen noemen. Vijanden raken me niet, maar verraders worden niet vergeten. Als ik een gunstig artikel schrijf over een boek, een literair initiatief word ik met lof overladen. Ben ik kritisch heb ik de boot gemist, kijk ik scheel en ben altijd een sukkel geweest. O, ik begrijp ze wel. Ze dolen uit paniek. De concernbonzen zijn de ware schuldigen van de crisis. Zij zijn bang hun baan te verliezen en schuiven alle schuld af op hun personeel en de auteurs. Dat weten die clubleiders ook wel, zo dom zijn ze niet, maar ze houden ze te vriend in de hoop hun eigen boeken uitgegeven te krijgen. De vriendenkring rond Harold Polis bleek niet zo stevig te zijn als hij dacht. De eerste dagen werd tegen zijn degradatie geprotesteerd, niet omdat ze met hem inzaten, maar omdat zijn vernedering media-aandacht voor hen opleverde. Een maand later en van de vriendenkring blijft nauwelijks iemand over.

De Nederlandse uitgevers loeren naar de Vlaamse markt. Heel wat minder omzet dan de Nederlandse, maar toch voldoende om de omzet een flinke boost te geven. Uitbuiters zijn het, plunderaars. Met het opdoeken van De Bezige Bij Antwerpen bewijst WPG dat alle winst naar, alle werkgelegenheid in de Nederlandse kassa terecht moet komen. Zelfs Vlaamse vormgevers, en niet van de minste, worden gedumpt. Hij wordt slechts getolereerd, niet geaccepteerd, als hij de vormgever is van een gegarandeerde bestsellerauteur.

Het boekenwereldje dat zich groot waant maar heel klein is doet mij walgen. Ik, mij en mezelf – dat is de Heilige Drievuldigheid. De weinige mensen die nog werkelijk begaan zijn met het boekenvak moeten zelf opdraaien voor hun inspanningen ten gunste van de auteur en zijn boek. Openbare knieval en luidruchtige aanbidding zijn de sleutelwoorden van de uitgevers die huizen in het grootste dorp van de wereld, Amsterdam.

Ondertussen dreigen de echte dichters, met een originele pen en die de taalkundige uitdaging zoeken gekoppeld aan nieuwe horizonten in hun gemoed, vergeten te worden. Verkommeren in de vergeethoek. Omdat ze hun eigenste weg willen gaan, die soms bizar is, en waar de klassieke collega’s zich wel lijken voor te schamen. Op z’n minst hun schouders ophalen als hun naam valt. Zoals Johan Joos, Peter Holvoet-Hanssen. Als hun poëzie niet wat heet ‘beschaafd’ kan voorgelezen worden, mogen ze de grammofoon van de publiciteit vergeten, de collegialiteit. Delphine Lecompte zal zich nog mogen reppen om niet in de gracht van de marginaliteit terecht te komen. Na vijf dichtbundels van het zotte om ter gekst is men haar gewend. Kijk maar wat Fritzi Harmsen van Beek is overkomen. Geniaal maar te weinig familiaal, en daarom maar goed genoeg voor een bloemlezing. Na haar dood is haar Verzameld Werk verschenen. Omzet: een paar honderd exemplaren, waarvan een tiental in Vlaanderen.

Hoe hou je het in godsnaam vol, vraagt mijn vrouw me regelmatig, als ik weer eens een truc bedenk om een auteur of een boek de belangstelling in te zwieren. Iemand met lef en los van clichés, die steun verdient om beter te worden, zijn talent te ontwikkelen. Als een haast zeventigjarige om hulp geroepen wordt door jongeren moet het, geef toe, toch erg gesteld zijn. Dramatisch, rampzalig.
Maar je blijft volhouden, omdat het boek je lief is, de auteur je na aan het hart ligt, wie hij of zij ook is. Je blijft volhouden terwijl naast jou je vrienden wegvallen. Vorige week Eric Antonis, een dezer dagen de schilder Karel Dierickx, die op de palliatieve ligt met een hersentumor. Je wilt hem nog eens gaan zeggen hoe veel je van hem hield, van wat hij deed, voor zijn werk de grootste achting had, maar gaat een bezoek hem meer pijn doen dan mij? Waar begint het vergeten en eindigt het weten van het sterven… in de herfst van je leven?

Op zulke momenten zoek ik vergetelheid in poëzie bij stilte en een schemerlamp. Zij brengt troost en rust. Voldoende om na een korte nacht weer de lange weg van de liefde voor de auteur en het boek, of het nu een roman, dichtbundel, biografie of essay is, in te slaan. En om de verraders te zien als zwakkelingen en hun valsheid en verraad als kinderziektes te zien.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
24 novembre 2014 1 24 /11 /novembre /2014 14:28

 

Els-Witte.png

Elk nationalisme, van welke natiestaat of beweging ook, zal zich steeds met het verleden trachten te legitimeren. Op elke politieke agenda is het de bepotelde zo niet de verkrachte dienstmeid. Gelukkig is geschiedschrijving een wetenschap die steeds in beweging is, die na ernstig onderzoek de mythes ontkracht, perceptie en verdichting bijstelt.

Het-Verloren-Koninkrijk.jpg

Van professor emeritus geschiedenis Els Witte ( Borgerhout 1941), oud-rector van de Vrije Universiteit Brussel verscheen Het Verloren Koninkrijk, Het harde verzet van Belgische Orangisten tegen de revolutie 1828-1850’.  Dit  indrukwekkende werk met liefst twintig bladzijden bronvermelding van nauwelijks onderzochte archieven, van documenten dikwijls in geheimtaal, is de neerslag van een jarenlang onderzoek naar een beweging die voor de Belgische ‘vaderlandse’ geschiedenis onbelangrijk was. Ik denk hier nu even aan de reeks ’s Lands Glorie  die mijn moeder met zuinig gespaarde punten van Artis-Historia voor mij verzamelde.

Na de nederlaag van Napoleon (Waterloo 1815) kwamen de Europese geallieerden tijdens het Congres van Wenen (1814-1815) overeen om met de sinds de zestiendeeeuw gescheiden noordelijke en zuidelijke Nederlanden een bufferstaat tegen het Frans expansionisme op te richten. Willem I van het huis Oranje-Nassau werd tot koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uitgeroepen.

In het zuiden was op het vlak van godsdienst, taal en fiscus een onvrede gegroeid. Tegen de politiek van de Koning werden petities georganiseerd. Ook in het Noorden krijgt de autoritaire Willem I kritiek op zijn gevoerde beleid Ofschoon de staatsschuld die voor 90 procent door het noorden werd veroorzaakt maar voor de helft door het zuiden werd gedragen, voor het noorden was de industriële ontwikkeling van het zuiden en de expansie van de Antwerpse haven een doorn in het oog.

In een slecht economisch omgevingsklimaat en met een vanuit Frankrijk, na de Parijse Julirevolutie gefinancierde agitatie brak de Belgische revolutie van 1830 uit . Het vuur aan de lont was de opera De Stomme van Portici  op 25 augustus waarna rellen en collectief (betaald) geweld werden georganiseerd. Het ‘Voorlopig Bewind’ roept op 4 oktober de onafhankelijkheid uit waarop een harde en brutale epuratie in de overheidsadministratie en justitie volgt. De Belgische revolutie is dan ook veel gewelddadiger dan nu toe werd voorgehouden. Gedurende twintig jaar zal het Orangisme tegen het jonge België blijven ageren en trachten om het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I te herstellen.

 

Els Witte komt tot een aantal opmerkelijke conclusie.

Het orangisme is helemaal geen kleine beweging. Deze is stevig verankerd in een grote zuidelijke elite die tevreden is over het beleid van Willem I. Zij is hem bijzonder trouw en kende duizenden aanhangers niet alleen in de elite maar eveneens in andere sociale groepen zoals de commercieel georiënteerde middenklasse en de burgerij. Een volks orangisme is evenmin geheel afwezig. In steden als Gent, Luik en Antwerpen is er sprake van een zeker arbeidersorangisme omdat de beloften van de revolutionairen niet uitkomen, de recessie aanhoudt en de lonen dalen.

Het orangistische verzet is niet alleen een zaak van Vlaanderen die afwezig blijft in Wallonië. Belangrijke centra vinden we eveneens in Brussel en Wallonië terug. De beweging is overwegend Franstalig, de taal van de verfranste elite. Dit verklaart voor een deel de geringe contacten met de ontluikende Vlaamse beweging. Deze maakt nauwelijks deel uit van de orangistische organisatie en is dus helemaal geen steunpilaar. Het orangisme blijft een Franstalige aangelegenheid, de banden met de taalminnaren zijn beperkt.

Het orangisme bestaat niet alleen uit antiklerikale liberalen. Een flinke actieve minderheid van gelovige katholieken steunen de beweging en aanvaarden de religieuze politiek van Willem I. Niettemin hebben zij het niet gemakkelijk wegens de repressie van het episcopaat. Na de oprichting van België zien we dat de laïcisering gevoelig wordt teruggeschroefd en verwerft het katholicisme een voorkeurspositie. Op vrij geruisloze wijze integreren de katholieke orangisten zich dan in het Belgisch unionisme.

Jarenlang vormt het orangisme voor de nieuwe staat een bedreiging. Zo is er de bijna geslaagde coup van maart 1831 waaraan generaals en vooraanstaande uit Belgische regeringskringen deelnemen. Er is ook de Tiendaagse Veldtocht van begin augustus 1831 waarbij officieren uit het Belgische leger steun bieden. De overwinning van het Nederlandse leger wordt echter door een Franse interventie verijdeld. In 1832, in 1839 en in 1841 volgen nog contrarevolutionaire pogingen. In het noorden is er veel weerstand tegen de politiek van Willem I en het zal het zuiden uiteindelijk afstoten.

In haar epiloog beschrijft Els Witte de tragiek van een elite die op bestuurs- en politiek vlak werd geëlimineerd, met geweld werden de orangisten aan de kant geschoven en tot verliezers gemaakt. De impact van dat geweld blijkt van fundamenteel belang te zijn geweest:

'geweld tegen het regeringsapparaat en vooral tegen het juridisch en fiscaal apparaat, geweld tegen fabrieksmachines en hun eigenaars, geweld bij de gevechten en de bombardementen, geweld bij de verovering van de regeringsmachine, geweld bij de uitbarsting van de volkswoede en van de meestal georganiseerde volksrepressie. Vijf lange jaren worden de orangisten er met de regelmaat van de klok mee geconfronteerd en ook nadien flakkert dit geweld op.'

De angst voor dit geweld veroorzaken trauma’s die de slachtoffers hun leven lang meedragen. Velen wijken naar het noorden uit waar ze niet echt welkom zijn. Het parlement en de publieke opinie keert zich tegen hen. Ondanks kritiek laat het Nederlands koningshuis hen echter niet in de steek. Via deels geheime en eigen fondsen ontvangen zij financiële steun. In de diaspora vinden we bannelingen in Parijs, Pruisen, Rijsel en zelfs Latijns-Amerika.

« Je rêve toujours de mon beau royaume », schrijft orangist Marchot in 1848

De uitdoving van het orangisme is een pijnlijk proces. Door de afkondiging van de anti-orangistische repressiewet in 1834 wordt het orangisme een misdrijf en worden zij als criminelen behandeld. In 1838 komt het Verdrag van de 24 Artikelen tot stand. De verzoening tussen Willem II en Leopold I in 1848 en het aantreden van Willem III en de erfeniskwestie in 1849 betekent het definitieve nekschot. Orangisten verliezen veel:“hun posities, hun carrières, hun bezittingen, hun maatschappelijk prestige hun eergevoel en in meer dan één geval hun leven”. Hun drijfveer was het geloof in het beginsel van de legitimiteit en in het herstel van de koning. Hieraan gaven zij het beste van hun krachten. Teleurstellingen stapelden zich op.

Ingebed in een permanente rouwverwerking bleef weemoed over – een nostalgisch verlangen naar hun verloren koninkrijk”, aldus Els Witte.

Frank DE VOS

Els WITTE, Het Verloren Koninkrijk. Het harde verzet van Belgische Orangisten tegen de revolutie 1828-1850’,De Bezige Bij Antwerpen, 496 p., 39.99 € .

Partager cet article
Repost0
23 novembre 2014 7 23 /11 /novembre /2014 17:50

 

VmaeleExpo.jpg

Expo “Een vreemde ontmoeting” Marcel van Maele. Tot 7 december. Openingsuren: donderdag tot zondag, 14-18 u. Bij Troebel Neyntje, Paardenmarkt 8, 2000 Antwerpen.

*

Galerie Troebel Neyntje is ook de/een thuishaven van Bert Lezy (° 1970), die Vrije Grafiek volgde te Sint-Lucas waar hij afstudeerde in 1993. Hieraan koppelde hij zijn vervolmaking in het atelier van Cornel Campo (Academie Berchem). Hij doet met kunst wat kunst moet doen, een a-politieke kritiek leveren op de samenleving. Doormiddel van deconstructie toont hij aan dat het absurde nooit veraf is. Hij heeft een broertje dood aan misplaatste ernst en heeft de humor als wapen om de banaliteit van het alledaagse te lijf te gaan. Bert Lezy werkt altijd en overal en rijgt zo de creatieve uitingen aan elkaar, van live schildergedrag tot een cut up-radioprogramma, genaamd blaastaal. De speeltijd is nooit voorbij.

*..

DePlu.jpg

'Poverty And Her Flesh': bij Galerie Jan Dhaese exposeert Jennifer de Plu (° 1977). Opening 23 november. Tot 28 december. Openingsuren: donderdag tot zondag, 14-18 uur. Zondag: 11-14 uur.

Partager cet article
Repost0
22 novembre 2014 6 22 /11 /novembre /2014 16:30

 

Depeutereen.jpg

In mijn artikel 'Nooit meer oorlog' of 'Nooit méér oorlog'? van 6 november haalde ik de luizenkam door het bos van activiteiten en manifestaties rond de herdenking van WOI. Het jaar 2014 moest een eeuwfeest worden, en ja, een 'feest' heeft men er ook van gemaakt. Met een tsunami van muziekfestivals, autozoektochten, tentoonstellingen, gedichten en romans, dansprogramma's, theatervoorstellingen, zanguitvoeringen en oogverblindende klank- & lichtspektakels, waaronder de zeldzame mooie en waardige evenementen dreigden te verzuipen. Gelukkig maar dat de doden niet uit hun graf kunnen opstaan.

Maar veel erger(lijker) nog dan de culturele commerce is de platte, puur op geldgewin gerichte exploitatie van de 'herdenking'. Evenmin als in Scherpenheuvel de plaasteren madonna's, de kaarsjes, de zilveren medaljons, de vlaggetjes en molentjes, de noppen en pepernoten, de babbelutten en cuberdons (neuzekes) iets te maken hebben met de devotie van de bedevaarders, hebben de memorabilia die in de Ieperse souvenirswinkels geëtaleerd zijn, iets te maken met het eerbetoon aan de doden van WOI. Of wat dacht je bij voorbeeld van een koekendoos waarop staat "14-18 one hundred years of memory"? Of van een T-shirt met "Ik ben een relikwie van het slagveld"erop gedrukt?. Of van een koffiemok met "2014-2018 Flanders Fields", een wielertruitje of handtas in klaproosuitvoering, een teddybeer met een legerhelm op, een doos truffels waarop een zakuurwerk, een paar soldatenfoto's, een tweedekkervliegtuig en de onvermijdelijke klaprozen zijn afgebeeld?

Depeuterdrie.jpg

En jawel, België zou België niet zijn als er ook geen lekker nieuw bier bij zou worden gebrouwen. The great beer Passchendaele, "een heerlijke, blonde dorstlesser van hoge gisting, die zijn pittige afdronk dankt aan een blend van geselecteerde Belgische hop, gekweekt in de frontstreek zelf", wordt aan de man gebracht met leuzen als "Keeping the memory alive", "Remembering one does with taste", "1 minute of silence, 50 cl of respect". Op het etiket staat te lezen: “When opening a bottle of Passchendaele, please hold a minute of silence to commemorate those who fell on the battlefield”. En zo dus, al drinkend herinnert de Belg zich dat in 1917 de ‘Slag om Passendale’ plaats vond, waarin in 100 dagen tijd maar liefst 500.000 militairen het leven lieten voor een terreinwinst van amper 8 kilometer. Ook de Passchendaele-kurkentrekker en het dito glas helpen hem om deze hel te herdenken.

Depeutertwee.jpg

Het hele assortiment dat in Ieper te verkrijgen is, doet me een beetje denken, op een ander niveau dan, aan de Landelijke herberg & Eetcafé 't Hof van Commerce, dat eveneens gelegen is in de Westhoek, in het dorp Stavele (Alveringem), en een mooi zicht biedt op de IJzer. Het Breughelbuffet van dat etablissement biedt je ook "alles van het varken, van aan de neus tot aan de staart", zoals "paté, rillettes, gehaktballetjes, bloedworst, witte worst, ham, schelle van de zeuge, noem maar op".

Ook in Ieper is zowat alles te verkrijgen, "van de neus tot de staart". Een koehandel, waarbij ik niet de enige ben om misselijk van te worden. Ook de freelance journalist Chris Haslam, die naar Ieper kwam om de sfeer op te snuiven van de honderdjarige herdenking, drukt zijn degout uit. In BBC News Magazine (09.11.2014) stelt hij de vraag "Does the WW1 tourist trade exploit the memory of the fallen?" En hij eindigt het artikel met de staalharde conclusie: "Few of us understand what they died for, but we can be sure of one thing: it wasn't for chocolate poppies."

Frans DEPEUTER

Zie:'Nooit meer oorlog' of 'Nooit méér oorlog'? (6 november)

http://mededelingen.over-blog.com/article-frans-depeuter-nooit-meer-oorlog-of-nooit-meer-oorlog-124948504.html

Partager cet article
Repost0
21 novembre 2014 5 21 /11 /novembre /2014 22:48

 

Oktober14-0866.JPG

Op het podum, van l. naar r.: Ramsy Irani, Maria de Blieck, Tony Rombouts en Renée Van Hekken

(foto: Bert Bevers)

 Renee-Van-Hekken.JPG

Renée Van Hekken (foto: Bert Bevers)

In een goed gevuld literair café Den Hopsack aan de Grote Pieter Potstraat in Antwerpen werd donderdagavond de dichtbundel Anais  van Renée Van Hekken voorgesteld.

Dat is, na De hoed van Hortense en Valentina, het derde deel van een ‘vrouwenreeks’ die zij enkele jaren geleden aanvatte.

TonySpreeltRenee.jpg

Tony Rombouts (foto: Joseph Laureys)

Tony Rombouts, voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, leidde Anais in. De bundel is gewijd aan de gelijknamige pop die Van Hekken in de vijftiger jaren van haar vader kreeg, een cadeau uit Venetië. Ze is een levenslange ‘vriendin’ gebleken.

ANAIS.jpg

Anais

Gitarist Ramsy Irani verzorgde de muzikale intermezzo’s. Renée Van Hekken zelf en actrice Maria de Blieck lazen elk vijf teksten uit het boek voor.

Tussen de aanwezigen: Janien (The Sausage Machine) Benaets; Bert Bevers, Beatrijs van Craenenbroeck, Frank De Vos, Henri-Floris Jespers en Joseph Laureys.

RENEEhfjen-Beatrijs.JPG

Vooraan: Henri-Floris Jespers en Beatrijs van Craenenbroeck (foto: Joseph Laureys)

De tekst van Tony Rombouts' inleiding verschijnt in de eerstvolgende aflevering van de Mededelingen van het CDR (nr. 241, 30 november).

Zie ook het bericht van 12 november:

http://mededelingen.over-blog.com/article-renee-van-hekken-van-ouwe-poppen-tot-modepoppen-124989078.html

Partager cet article
Repost0
21 novembre 2014 5 21 /11 /novembre /2014 16:08

 

BartVonck.jpg

In het Poëziecentrum te Gent presenteert Renaat Ramon op 28 november de zevende dichtbundel van Bart Vonck (°1957), Teloor, zalig. De dichter heeft zij naam en faam vooral gevestigd met zijn alom geprezen vertalingen van o.a. Lorca, Neruda, Gamoneda en Vallejo... In samenwerking met het Instituto Cervantes publiceerde hij een vierdelige bloemlezing van de hedendaagse Spaanse poëzie, De tuin der Muzen (uitgeverij P). Uit het Frans vertaalde hij meesterlijk de poëzie van Guy Vaes (1927-2012).

Vrijdag 28 november, 20 uur, Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, Gent.

Bart VONCK, Teloor, zalig, Leuven, P, 64 p., 16 €.

WANNES.jpg

Bij uitgeverij P verschijnt Over zingen, het laatste manuscript dat Wannes Van de Velde (1937-2008) voltooide. Geen autobiografie, maar een wellustige terugblik van een geniaal artiest die zich gewoon bescheiden zanger noemt. Hij legt 'de lijnen van een lotsbestemming' bloot, zonder te willen verklaren, om uiteindelijk te komen tot 'het vlechtwerk dat mijn naam draagt: Wannes Van de Velde'.

Bij dit mooi in linnen gebonden boek met talrijke illustraties hoort ook een geluidsopname van een privé-interview dat Guy Van Looy midden 2000 van Wannes afnam.

Wannes VAN DE VELDE, Over zingen, Leuven, P, 96 p., 18,95 €.

HFJ

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche