In Schakel, het jaarboek
van het Sint-Michielscollege te Brasschaat (jg. 60, 2008, pp. 192-197) bracht Luc Pay een postume hulde aan Jozef Cauberghe (1894-1977) die in het geheugen van de lexicografische en linguïstische
wereld ongetwijfeld een plaats verdient. Met dank aan de auteur wordt dit artikel gepubliceerd in een volgende aflevering van de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie &
Reëvaluatie. Ondertussen is het artikel uitzonderlijk op het Net te lezen.
Info over abonnementen op de Mededelingen: hfj@skynet.be
Een vergeten bladzijde uit de vlaamse lexicografie en
taalkunde:
Jozef
Cauberghe
Vrij lang geleden reeds maakte een collega mij attent op het feit dat één van
onze alleroudste leken-leraars (in die tijd was een ‘leek’ op het college inderdaad nog een merkwaardige verschijning), een zekere Jozef Cauberghe, een woordenboek ‘bewerkt’ of ‘geschreven’ zou
hebben, meer bepaald het Brepols Engelsch Woordenboek – misschien het eerste Engels-Nederlands vertaalwoordenboek in Vlaanderen (wat nagegaan zou moeten worden).
Ik noteerde deze uiterst interessante informatie onmiddellijk in mijn
Onder Gulden Vleugels [ed. 1] naast de foto van de leraar-lexicograaf in kwestie, waar ze echter bleef sluimeren... tot zowat een tweetal jaren geleden Dirk Nagels mij opnieuw op deze
naam attent maakte, dit keer met een fotokopie van de titelpagina van Fransch Woordenboek, een titel gevolgd door de vermelding: door J. Cauberghe, Oud-Leeraar aan het St.
Michielscollege te Brasschaat (Turnhout, Brepols, 1942). Gezien de zeer expliciete ondertitel van dit werk besloot ik nu definitief de zaak na te pluizen en erover te berichten in
Schakel.
Lexicografie, de praktijk van het schrijven van woordenboeken (in de ruimste
zin van dat woord), is een gruwelijk interessant maar tegelijk erg ondankbaar vak (Johan Hendrik van Dale noemde het zelfs “een verdrietig werk”). Zowat iedereen bezit thuis wel een of ander
woordenboek, een lexicon of zelfs een encyclopedie, maar niemand die zich ooit de moeite getroost om iets te vernemen over de interne systematiek van zo’n werk (daar dienen de inleidingen in dat
soort boeken voor, maar wie leest die?), laat staan over de auteur(s) ervan.
Slechts enkele vakcollega’s (germanisten, neerlandici) beseffen zelfs dat er
zoiets bestaat als het Woordenboek der Nederlandsche Taal (kortweg ‘WNT’; deel 1 werd gepubliceerd in 1864, het laatste in 1995; het geheel telt ruim 40 kloeke boekdelen) dat in zijn
omvang en grondigheid/uitvoerigheid zelfs de Franse, Duitse en Engelse equivalenten overtrof (en misschien nog steeds overtreft). Nog vreemder is het geval-Van Dale, want hier gaat het
om een tamelijk populair en bekend verklarend woordenboek dat heel wat Nederlandstaligen geregeld raadplegen. Maar wie kent de historische afbakening (‘selectie’) van het trefwoordenmateriaal in
‘de’ Van Dale – om maar iets te noemen? En dan te bedenken dat deze mijnheer Van Dale net zoals Vondel of Stevin eigenlijk een Vlaming was - of toch had moeten zijn, en dat zijn naam
voortleeft als titel van het woordenboek zélf en als naam van de uitgever en van het redactieteam (‘Van Dale Lexicografie’).
Wie op het net gaat zoeken naar Jozef (Josephus Rumoldus Sebastianus)
Cauberghe vindt wel een aantal van zijn publicaties terug, in bibliotheken of antiquariaten (b.v. in de Albertina te Brussel, bij de Nederlandse Taalunie en ook in buitenlandse
universiteitscatalogi) maar komt verder nagenoeg niets te weten over de man zelf, die zowat drie jaar les heeft gegeven aan onze school. Enig licht op de zaak kwam, zij het beknopt, uit het
college-archief. Ook oud-rector pater Herman De Clerck, wiens fenomenale geheugen al meer dan eens een rijke informatiebron bleek te vormen i.v.m. de collegegeschiedenis, kon enkele persoonlijke
herinneringen aan Cauberghe ophalen - daarover straks meer.
Ontgoochelend was het contact met uitgeverij Brepols, destijds uitgever van
veel van Cauberghes werk. Uit een telefonisch gesprek bleek dat daar geen archieven bewaard bleven – als ze al bewaard wérden. Uiteindelijk plaatste ik een ‘zoekertje’ in De Standaard.
Daarop reageerden drie correspondenten met biografische en vooral bibliografische info via mail of per brief. Maar het mooiste resultaat van mijn oproep waren de twee uitvoerige brieven van
mevrouw Andrea Joosten-Cauberghe, niemand minder dan de dochter van onze oud-collega zélf. Een tiental pagina’s in een sierlijk en helder handschrift, bovendien aangevuld met een uitvoerige,
uitgetikte bibliografie, leverden een mooi en interessant portret op van haar vader.
Jozef Cauberghe werd geboren op 20 januari 1894 te Zoutleeuw en volgde lager
onderwijs te Sint-Gillis-Waas. Secundair onderwijs (uiteraard oude humaniora) volgde hij aan het Klein Seminarie te Hoogstraten, waar hij intern was. Er werd les gegeven in het Frans maar op de
speelplaats was men verplicht de ene dag Frans, de andere Nederlands te spreken. Als oudste zoon was hij min of meer voorbestemd om priester te worden, vandaar het seminarie. Seculier priester
wou hij echter niet worden; wel heeft hij lang nagedacht over intrede in een kloosterorde, maar uiteindelijk bleef hij ‘in de wereld’.
Vermits hij de oudste zoon van een groot gezin was, werd hij vrijgesteld van
dienstplicht (althans zolang de oorlogsdreiging niet heel dwingend werd) zodat hij probleemloos verder kon studeren en wel – merkwaardigerwijze – in Nederland. Mevrouw Cauberghe merkt in haar
eerste brief hierbij op: “misschien vanwege de Groot-Nederlandse gedachte?” In een tweede brief stelt ze echter het volgende (als gevolg van mijn verbazing hierover): “Naar Nederland gaan was
echt niet zò ongewoon. Hoogstraten ligt vlak tegen de Nederlandse grens. Er gingen echt wel meer studenten naar Nederland. Vooral met de oorlog die dreigde gingen sommigen naar Nederland om geen
soldaat te moeten zijn. [...] Mijn vader was zo iemand die geen vlieg kwaad zou doen en hij kon absoluut geen bloed zien, dus ik kan me voorstellen dat hij geen soldaat wou zijn.” En verder:
“Mijn vader was ook voorstander van de vernederlandsing van het onderwijs, dit vanuit een sociaal voelende bekommernis. Dat kon heel goed samen gaan met een liefde voor de Franse taal en
letterkunde. Maar mijn vader is nooit lid geweest van enige vereniging of partij. Daar was hij te individualistisch voor – en hij vond dat er in verenigingen te veel gepraat en gekibbeld werd.
Wel volgde hij de politieke en culturele ontwikkelingen van België, Nederland en Frankrijk met veel interesse via dagbladen en radio.” Een man naar mijn hart...
Cauberghe was achttien jaar oud in 1912 maar zijn vertrek naar Nederland kan
ook in 1913 gesitueerd worden. Hoe ook, aan de universiteit van Utrecht werd hij romanist maar hij volgde er tevens, wellicht als vrije student, de cursussen geschiedenis. Een specifieke
Franstalige achtergrond had hij niet, wél een talenknobbel; hij kende even grondig Engels en Duits en had zelfs een beetje Russisch geleerd.
Na de studies vestigde hij zich in Den Haag, waar hij huwde met Johanna
Cornelia Van Vlijmen (°09/08/1901) en zowat tien jaar verbleef i. Hij gaf er les aan aspirant-leraars Frans. In
Nederland bestond destijds immers geen onderwijs van het niveau ‘regentaat’ zoals bij ons; wie leraar wilde worden, moest zich bekwamen via privé leraars. Ook verscheidene diplomaten volgden
privé les bij Cauberghe; de Japanse gezant echter, een zekere heer Minegawa, wenste door zijn tutor in het Romeinse recht ingewijd te worden... via de originele Latijnse
teksten.
Op een bepaald moment werd in Nederland het examenstelsel volledig hervormd,
en toen besloot Jozef Cauberghe terug te keren naar België – waarschijnlijk in 1935 of begin 1936. Hij werd leraar aan ons college met ingang van 21 september 1936 en gaf bij ons les tot 1 juli
1939.
Tijdens de oorlog werd dochter Andrea geboren (1942) en werkte vader Cauberghe
aan de woordenboeken, maar de papierschaarste maakte publicatie van langsom problematischer. Uitgeverij Brepols stelde hem dan voor – ook om een behoorlijk pensioen te kunnen opbouwen – te
verhuizen naar Turnhout en op de uitgeverij zelf te komen werken, wat hij tot aan zijn pensionering heeft gedaan. Dochter Andrea getuigt: “Hij was daar zeer tegen zijn zin. De sfeer was daar niet
aangenaam.”
Jozef Cauberghe bleef heel lang veel plannen voor boeken koesteren maar werd
reeds enkele maanden na zijn pensionering getroffen door een hersenbloeding, in 1958 of 1959. Zijn fysieke toestand maakte verder taalkundig werk onmogelijk. Hij overleed op 1 december
1977.
Reeds als kind bleek hij erg ondernemend en reislustig. Tijdens de
schoolvakanties trok hij het hele land (en wijde omgeving) door en overnachtte in kloosters, waar hij vele vrienden telde. Zijn lievelingssteden waren Antwerpen, Den Haag en Luzern. Hij reisde
meermaals per jaar naar Den Haag om er een dag in de bibliotheek opzoekingen te doen. Van een studax gesproken!
Andrea Cauberghe schreef dat haar vader “graag les gaf en altijd heel
bekommerd was dat iedereen goed studeerde en ijverig was.” In haar tweede brief voegde ze daaraan toe: “Ijverig zijn stond bij mijn vader wel op de eerste plaats. Hij beoordeelde mensen nooit
naar hun beroep of inkomen, maar alleen of ze hun werk goed deden, of ze ijverig waren. Van luie mensen moest hij niet veel weten, ongeacht wie het was.”
En ook dit: “Zakelijk talent had mijn vader niet in het minst. Alleen het
schrijven van het boek interesseerde hem, niet het verkopen.”
De bibliografie van Cauberghe is ronduit indrukwekkend. Hij verzorgde
didactische schooluitgaven van (nu totaal onbekende) Franse auteurs; maakte handleidingen voor leerlingen en studenten ter voorbereiding van hun examens Frans (rond idiomatische uitdrukkingen of
handelsjargon) of een apart boekje over de vervoeging van Franse werkwoorden (waarvan de 17de druk verscheen in 1981!); een boek over Franse fonetiek (onder pseudoniem Delacre) en één over Franse
grammatica; bloemlezingen van (vooral katholieke) literatuur, zowel van proza als poëzie; en zelfs een ‘repetitieboek’ voor aardrijkskunde met het oog op het ‘kweekschool- en
onderwijzersexamen’.
Verder nog enkele zeer merkwaardige publicaties: een
Nederlands spreekwoordenboek (meer dan één trouwens); een Muzikaal woordenboek (ook in het Frans vertaald) onder pseudoniem
C. Werda ii; en een ‘folkloristisch calendarium’ onder de titel Vroomheid en volksgeloof in Vlaanderen (Hasselt Heideland, 1967).
De magna opera blijven, wat mij betreft: Groot Engels Woordenboek en
Groot Frans Woordenboek (herdrukt als Brepols Frans Woordenboek), twee vertaalwoordenboeken die wellicht nog in vele Vlaamse gezinnen gebruikt worden; en daarnaast een werk
getiteld Nederlandse Taalschat bestaande uit vier delen: ‘Spreekwoorden’, ‘Spreekwijzen’, ‘Synoniemen’, ‘Citaten’ – aanvankelijk als vier afzonderlijke delen verschenen, later als één
lijvig boekwerk.
Ik prijs mij gelukkig ondertussen Cauberghes Muzikaal woordenboek
antiquarisch te hebben kunnen kopen via het internet. Maar ik blijf danig jaloers op al diegenen die nog een Nederlandse Taalschat op zolder hebben liggen (à bon
entendeur!)...
Hoger werd reeds even vermeld dat een aantal werken verscheen onder
pseudoniem, schuilnamen die als volgt door dochter Andrea opgelost werden: “ ‘Delacre’ was om zijn toen juist overleden moeder te eren. Ze heette Van Acker. ‘Froimomt’ (en ‘Dumont’) is de
vertaling van ‘Cauberghe’. De oorsprong van ‘Werda’ weet ik niet meer.”
Ik durf aan mevr. Cauberghe volgende suggestie doen: ‘Werda’ lijkt mij gewoon
de contractie van het Duitse ‘Wer da?’ te zijn – ‘Wie is daar?’ Ik meen niet zo ver naast de waarheid te zitten ten eerste omdat Jozef Cauberghe blijkbaar ook het Duits behoorlijk machtig was; en
ten tweede gezien die andere mededeling van mevr. Cauberghe in haar brief: “Het Muzikaal woordenboek werd op verzoek van de uitgever onder pseudoniem uitgegeven, omdat men niet zou
geloven dat een taalkundige ook verstand had van muziek.” Dat die uitgever zo redeneerde, daar kan ik enigszins inkomen; maar ik kan mij ook goed voorstellen dat de auteur op deze manier,
ironisch maar misschien ook ietwat verbitterd, de uitgever een verdekte loer heeft willen draaien met als pseudoniem de vraag ‘Wie zit hier achter? Wie is daar?’ – misschien zelfs in navolging
van het typische gebrul van de Duitse politie-agenten (Feldwebels en anderen van dat kaliber) tijdens WO2 – zo van “Wer da?” als ze in de verte voetstappen hoorden aankomen of
een verdacht geritsel meenden waar te nemen.
Maar waar past het college nu eigenlijk in dit globale
portretplaatje?
In de door rector Taeymans (met de hand) geschreven Kroniek van ’t
Sint-Michielscollege Brasschaat lees ik op datum van ‘21 Sept ‘36’: “Hr. Cauberge [sic] werd prof. voor Fransch in Lat. kl (6de 5de en 4de)”. En op datum van ‘1 Juli ‘39’: “Ontslag v. Hr
Cauberghe”.
Twee vragen duiken hierbij onmiddellijk op: hoe belandde Cauberghe op het
college; en waarom nam hij na zo’n korte ambtsperiode reeds ontslag? Maar die twee vragen zijn m.i. direct gekoppeld aan een andere die in deze context relevant is maar die ik moeilijk definitief
kan oplossen: waarom ging Cauberghe na zijn secundaire studies te Hoogstraten überhaupt in Nederland studeren? Andrea Cauberghe suggereerde als antwoord op die laatste vraag twee mogelijkheden,
zij het heel tentatief: ten eerste, gezien zijn Vlaamse overtuiging (de Groot-Nederlandse gedachte); of, ten tweede, om op die manier zijn dienstplicht te ontwijken.
Dat Cauberghe een overtuigd, diep-gelovig katholiek was, staat m.i. buiten
kijf; daarvan getuigen zijn leerjaren aan het Klein Seminarie van Hoogstraten, zijn vakantie-stops in abdijen en tevens het voorwoord van Remi Ghesquiere, katholiek én flamingant, in
zijn Muzikaal woordenboek (zie voetnoot 2). Ook het getuigenis van een van mijn correspondenten over zijn echtgenote wijst in dezelfde richting
(zie voetnoot 1). En ten slotte vermelden we in deze context ook dat Cauberghe als getuige is opgeroepen tijdens het voorbereidende onderzoek voor de zaligverklaring van Broeder Isidoor, die zijn
klasgenoot was geweest in de lagere school van Sint-Gillis-Waas iii.
Wat zijn ‘flamingantisme’ (misschien een té sterk begrip in zijn geval?)
betreft, daarover getuigde zijn dochter ook vrij ondubbelzinnig, in die zin dat vader Cauberghe voorstander was van de vernederlandsing van het onderwijs (zie hoger). In ieder geval was het Klein
Seminarie, ondanks de heel strenge en repressieve regels voor het taalgebruik (regels die zelfs voor de dagelijkse en informele omgang van leraars en internen golden) een broeihaard van
‘vlaamslievendheid’: er was een ‘Vlaamsgezinde Kring’ en er verscheen een flamingantisch tijdschrift, De Student. Enkele leraars zetten zich vanaf 1906 in voor het ‘Nederlands taaleigen’
en ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’. Bovendien was er een clandestiene Vlaamse Beweging actief onder leiding van Emiel Diels en Remi Bosselaers, precies in de periode dat Cauberghe er zijn
humaniora voltooide (nl. de periode 1911-1914 – voor verdere informatie zie Encyclopedie van de Vlaamse Beweging). Dat Cauberghe in dat klimaat het flamingantisme of althans de
‘vlaamslievendheid’ vlotjes ingelepeld kreeg, en wel gedurende zijn meest ontvankelijke adolescentenjaren, lijkt me logisch. En dan wordt ook zijn stap naar hogere studies ‘over de schreve’ –
maar dan wel in noordelijke richting – wellicht iets begrijpelijker.
Blijft nog steeds de vraag: wat met het college? Oud-collega dr. historicus
Herman De Kuyffer schreef in zijn historische schets in Onder Gulden Vleugels [ed. 1] het volgende over de beginjaren van het college en meer bepaald over de “principiële vraag naar
voertaal, structuur en programma van de nieuwe onderwijsinstelling”:
“De
vernederlandsing van het lager en middelbaar onderwijs was dan wel een druk besproken politiek probleem in deze jaren, maar ze werd pas wettelijk geregeld in 1932. Het nieuwe college zou echter
reeds in 1931 zijn eerste schooljaar beginnen en dus rees het probleem van de onderwijstaal. [...] De keuze ging tussen volledig Vlaams onderwijs, zoals in het nieuwe Sint-Lievenscollege, of een
college met twee afdelingen, een Vlaamse en een Franse, zoals in het Sint-Jan Berchmanskollege te Antwerpen. Eisende partijen waren vlaamsgezinde burgers, verenigd in de ‘Katolieke Vlaamse
Schoolbond’ te Kapellen, en de Franssprekende bourgeoisie, adel en militairen, vooral uit Brasschaat. [...] Uiteindelijk moest rector Taeymans de knoop doorhakken: de nieuwe inrichting zou een
volledig Vlaams college zijn. Wel werden enige toegevingen gedaan aan de Franssprekenden: in het lager onderwijs zou het Frans onderwezen worden in ‘verplichte bijklassen’ en in de humaniora zou
‘een Waals regent die vijf jaar te Parijs verbleef’ instaan voor de taal van Molière. Dit laatste bleef wel een belofte, maar men wilde toch de rekruteringsbasis van het nieuwe college niet
verzwakken; zo zou er ook in de Franstalige pers worden geadverteerd. Toch was de beslissing voor rector Taeymans zeer belangrijk. In het Sint-Michielscollege te Brasschaat zal altijd een geest
van strijdend flamingantisme levendig blijven.” iv
Het lijkt me dus al bij al niet zo vreemd dat het college destijds Cauberghe
rekruteerde: zijn geloofsovertuiging was voldoende geattesteerd; zijn gevoeligheid voor het Nederlands en inzonderheid zijn vlaamslievendheid zullen ook wel overduidelijk gebleken zijn uit zijn
curriculum (Hoogstraten én Nederland); en ten slotte bezat hij een universitair diploma romanistiek, wat in die tijd veeleer een uitzondering genoemd mag worden en wat, gezien in het licht van de
‘inspanningen’ van het college ten aanzien van Franstaligen, niets anders dan een pluspunt betekend kan hebben.
Rest de vraag: waarom zo snel reeds het ontslag?
Uit de bewaarde correspondentie van en met een bepaalde ouder (daterend van
het voorjaar 1938) blijkt dat leraar Cauberghe ernstig in conflict kwam met een (Franstalige!) leerling en diens ouders, en wel om ‘disciplinaire redenen’ – of om wat wij nu zouden noemen
‘tuchtredenen’ – gekoppeld aan slechte examencijfers. De uitermate ernstige en degelijke leraar-studax die Cauberghe was, nam blijkbaar in de klas een nogal stroeve en principiële houding aan die
zelfs reeds in die dagen scherpe reacties bij de ouders opriep.
Cauberghes brief aan rector Taeymans dd. “30 mai 1938” was een antwoord op de
klacht van die Franstalige ouder. Uit Cauberghes antwoord het volgende:
“Quant à
l’égalité des élèves, on doit être bien borné pour ne pas comprendre que la conduite des élèves en classe doit nécessairement influencer les concours: je pose les questions de manière que ceux-là
seuls qui ont bien fait attention en classe, puissent y répondre [...] pour pouvoir réussir, on doit toujours faire attention – donc: bien se conduire en classe.”
Hij wijst de rector overigens – boudweg en in extenso – op enkele taalfouten
tegen het Frans die de boze vader in zijn klachtenbrief had gemaakt. En iets verder, nog steeds in hetzelfde antwoord:
“Une autre
raison pour laquelle on doit bien faire attention en classe, c’est que je suis bien souvent obligé de signaler les fautes qui se trouvent – très nombreuses – dans tous les livres classiques
publiés en Belgique”. Cauberghe voegt overigens aan zijn brief een bijlage toe waarin hij een overzicht geeft van flagrante fouten tegen het Frans in veel gebruikte
schooluitgaven.
Uiteindelijk kreeg het conflict regelrechte ‘communautaire’ allures en werden
de (Franstalige) kinderen van het gezin in kwestie resoluut van het college weggehaald. Men bedenke daarbij wel dat het epitheton ‘communautair’ in de jaren dertig wel net iets andere of iets
meer implicaties of connotaties had dan vandaag het geval is.
Conclusie? L’histoire se répète. Of: nil novi sub sole. Maar ik betwijfel of
dit conflict de rechtstreekse oorzaak is geweest van het vertrek van onze collega; hij begon immers in september 1938 nog aan een nieuw schooljaar. Waarschijnlijk moeten we hier denken aan een
combinatie van factoren.
Dochter Andrea schrijft hierover: “Waarom hij daar [= het college] weggegaan
is weet ik niet” maar ze vermeldt als mogelijke verklaring ernstige medische problemen bij zijn echtgenote – inderdaad in 1939 – die hem misschien hebben doen besluiten om voortaan thuis te
blijven om in haar nabijheid te kunnen werken.
Anderzijds is er het getuigenis van pater Herman De Clerck, die als kind op
het college kwam in 1938. Al had pater Herman nooit zelf les van Cauberghe, toch herinnert hij zich nog goed dat deze leraar niet altijd even ernstig genomen werd door de leerlingen, o.m. gezien
zijn opvallend korte en gezette lichaamsbouw (die typische Zeitgeist: fysieke kenmerken van leraars betekenden inderdaad voor leerlingen vaak een bron van soms bijtende spot en leverden niet
zelden erg expressieve en zelfs pijnlijke bijnamen op).
Het belangrijkste aspect lijkt mij echter de houding, de didactische
filosofie, de klassikale aanpak van Cauberghe zoals die blijken uit de getuigenissen van zijn dochter en uit het ‘conflictdossiertje’ in het college-archief. Ik vermeldde hoger reeds het feit dat
Cauberghe altijd zo sterk het aspect ‘ijver’ beklemtoonde, zowel binnen als buiten de klas. Hij lijkt mij inderdaad een over-ijverige en hyper-correcte man te zijn geweest die niet aarzelde
overal op fouten of onvolkomenheden te wijzen – zelfs fouten in een boze brief van een ouder, of, in de klas, in de door de leerlingen gebruikte leerboeken. Andrea Cauberghe schreef b.v. ook:
“Werklustig als hij was” – of: “Hij zat altijd aan zijn bureau te werken. ‘Mijn werk is mijn hobby’, zei hij altijd. De enige andere hobby die hij had was postzegels
verzamelen.”
En uit haar tweede brief: “Mijn vader was wel te vergelijken met een
middeleeuwse monnik: altijd ijverig aan het schrijven en opzoeken. Hij heeft alles met pen en inkt geschreven zoals dat toen gebruikelijk was, maar dat is niet meer voor te stellen in deze tijd.”
En tot slot: “Mijn vader heeft nooit in de belangstelling willen staan.”
Ik stel hem mij dus voor als een erg degelijke, correcte, nauwgezette,
introverte en streng-ernstige man, die heel sterk begaan was met zijn vak, zijn kennis en kunde op linguïstisch gebied. Als ietwat wereldvreemd kluizenaar-taalkundige miste hij wellicht gewoon de
souplesse en het relativeringsvermogen om het jonge geweld, het kinderlijke onbegrip en onwetendheid, de speelsheid en het gejoel op gepaste wijze te counteren. Laten we ook niet vergeten dat
deze collega in Nederland privé-onderwijs had gegeven aan erg gemotiveerde leerlingen, onder wie eerbiedwaardige diplomaten; bovendien was hij reeds 42 jaar toen hij zijn intrede deed in het
college – en nog wel bij ‘de klein mannen’ van de ‘lagere cyclus’, niet bij de oudsten die tegenwoordig de derde graad bevolken; in dat laatste geval zou zijn schoolcarrière, denk ik, er ietwat
anders hebben kunnen uitzien.
Wat er ook van zij: gedurende drie jaar heeft het levenspad van deze knappe en
productieve lexicograaf en taalkundige de geschiedenis van het college gekruist. Voldoende, dacht ik, voor een oprechte zij het postume hommage – een hommage die, wat mij betreft, ook in het
geheugen van de lexicografische en linguïstische wereld een plaats verdient.
Luc PAY