Mardi 7 juillet 2009

Paul Neuhuys & Henri-Floris Jespers (1967)


In de reeks literaire tv-uitzendingen “Moeder Vlaanderen en haar Franstalige kinderen”, gelanceerd door producer Dirk Christiaens, zond de BRT op 25 september 1985 “Dada Tristesse” uit van Patrick Conrad, die aangetrokken was als occasioneel regisseur en als scenarioschrijver. Conrad combineerde op een eigenzinnige manier een poëtische fictie met fragmenten van een interview met Paul Neuhuys (1897-1984). Het interview werd opgenomen in de zomer van 1984 naar aanleiding van de tentoonstelling “Paul Neuhuys et les Éditions Ça ira” in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel (thans jammerlijk verbeulemanst tot “Bozar”). Door deze mix van feiten en fictie werd “Dada Tristesse” een creatief buitenbeentje in die merkwaardige serie documentaires. Het werd bekroond met de Bert Leysenprijs en heruitgezonden op 5 maart 1987.

*

Rik Sauwen schreef het interview van Paul van Neuhuys uit dat zopas verscheen in de 38ste aflevering van het Bulletin de la Fondation Ça ira.

Hij getuigt in zijn inleiding:

L'état physique de Paul Neuhuys est loin d'être brillant, mais il accepte la gageure. Heureusement ses fils Luc et Thierry sont là pour l'assister. Ils le véhiculent dans sa chaise roulante, le long des panneaux explicatifs et des vitrines, soutiennent sa mémoire défaillante, sollicitent les anecdotes qu'ils connaissent presqu'aussi bien que lui. [...] Pour faciliter les choses, ce sont eux qui font l'interview. On sent leur inquiétude, mais aussi leur joie lorsque la mémoire se dégrippe et les souvenirs reprennent un peu de leur éclat. […] Paul Neuhuys est mort le 16 septembre 1984, un peu plus de deux mois après l'exposition. L'interview dont nous vous soumettons la transcription intégrale est donc la dernière qui existe de lui. Elle nous montre un Paul Neuhuys, affaibli certes, se perdant dans les dédales du souvenir, mais se resaisissant, car il veut témoigner.

Sauwen koos er bewust voor de tekst integraal te publiceren en slechts heel vluchtig af te stoffen. In een gesprek met de redactie van Mededelingen van het CDR verduidelijkt hij:

Het oppoetsen is een delicate zaak. Ik denk dat wij het hortende, de aarzelingen, de misverstanden er zeker in moeten laten. Toch laten voelen dat het opleggen van een nieuwe bobijn of klankband tot een klein chaosmoment leidt; die dingen dus. Inderdaad, je voelt Neuhuys af en toe afdrijven, maar het is des te mooier wanner hij dan opnieuw heel to the point een gevat antwoord geeft.

Het interview wordt ook ingeleid door een serene en evenwichtige beschouwing van Thierry Neuhuys onder de veelzeggende titel: “25 ans après: à publier ou pas?” Hij onderstreept terecht:

Les redites, les coqs à l'âne, les trous de mémoire, les confusions, les lapsus, les balbutiements, sautent aux yeux quand on les lit plus qu'aux oreilles quand on les entend. […] Ce qui ressort le plus de cette interview est l'attachement de Paul Neuhuys à Dada.

Dat blijkt eens te meer uit het laatste antwoord van een gedreven Paul Neuhuys:

Dada, c'est indéfinissable, absolument indéfinissable; mais c'est une révélation, c'est une révélation. C'est-à-dire que l'on ne vit pas pour voir des choses indéfinissables. Nous sommes, nous sommes sur terre pour justement être à la disposition de n'importe quelle façon de penser. Et jamais une façon de penser intéressée. On ne pense pas pour gagner de l'argent; ce n'est plus penser, c'est faire la bête.

Van een lucide antwoord to the point gesproken...

*

Met de publicatie van “Dada Tristesse et l'interview dernière” brengt Rik Sauwen een “document humain” waarin hij impliciet hulde brengt aan Neuhuys, die hij naar het einde van de jaren zestig van vorige eeuw leerde kennen. Hij publiceerde in de loop der jaren verhelderende en beslissende bijdragen over Clément Pansaers, Paul Joostens en Geert van Bruaene, die alle drie het pad van Neuhuys hebben gekruist. In het Bulletin de la Fondation Ça ira werd eerder een essay van Sauwen opgenomen over de Antwerpse jeugdjaren van Michel Seuphor (nr. 34, november 2008).

Henri-Floris JESPERS

Bulletin de la Fondation Ça ira, No 38, juin 2009,, 64 p., ill.

Abonnement (4 nrs per jaar): 25 €. Een instellingsabonnement kost 35 €.

Te storten op rek. Dexia bank 068-2287225 ten name van Fondation Ça ira.

IBAN: BE45 0682 2872 2589 & BIC: GKCCBEBB.

Administratief adres: 50 Chaussée de Vleurgat, 1050 Bruxelles.

E-mail: ca.ira@skynet.be

Redactioneel adres: Henri-Floris Jespers, Marialei 40, B 2018 Antwerpen.

E-mail: hfj@skynet.be

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : histoire de la littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Mardi 7 juillet 2009


Een gedreven Philip Heylen bij ExLibris


Na afloop van de bijzonder gesmaakte lezing van de Antwerpse Cultuurschepen Philip Heylen op 1 juli (zie een vorig bericht) werd uiteraard ook druk gespeculeerd over de bibliofiele editie die op 22 juli gepresenteerd wordt bij de viering van twintig jaar ExLibris.

Zoals hier reeds bekendgemaakt belicht Joke van den Brandt de rol “achter de schermen” van Joanna Bel (°1925), terwijl Henri-Floris Jespers bibliofiel, vriend en ExLibris-bezieler John Bel (1925-2008) ten voeten uit portretteert. Frank-Ivo van Damme sneed een houtgravure met als thema “Lezen” bij een gedicht van Yuan Mei (1716-1797) gekalligrafeerd door Joke van den Brandt. De volledige lijst van de activiteiten van ExLibris wordt gepubliceerd. Hieruit blijkt nogmaals hoezeer John Bel er door zijn innemende persoonlijkheid al die jaren in slaagde telkens opnieuw de meest uiteenlopende sprekers te verleiden om uit pure sympathie een lezing te komen geven.

Hierna, in primeur, een minder gekend aspect van Johns persoonlijkheid, belicht door Henri-Floris Jespers.

*

John publiceerde af en toe een recensie in Tijdingen, een tijdschrift van en voor het personeel van Financiën.

'Het gebeurt dat iemand me op de schouder tikt om te zeggen dat hij niet alleen mijn boekbespreking heeft gelezen, maar ook het boek waar die over ging en dat hij er zelfs van heeft genoten. Dat doet deugd natuurlijk. Bezig zijn met boeken, maakt me gelukkig.'

John las te gretig om veel te schrijven, maar de enkele besprekingen van zijn hand die ik las zeggen veel over zijn persoonlijkheid.

De avonden (1947) van Simon van het Reve (later Gerard Kornelis van het Reve en uiteindelijk Reve tout court, 1923-2006) was zijns inziens 'een klassieker uit de Nederlandse literatuur. Een boek om te lezen en te herlezen'. Hij nam het Marnix Gijsen, ('een uitstekende poëziecriticus') kwalijk dat hij De avonden bestempeld had als een 'monument van onbenulligheid'.

Het gebrek aan belangstelling voor de laatste romans van Hubert Lampo (1920-2006) vond hij onbegrijpelijk. Over De geheime academie (1994) noteerde hij nuchter:

'Dat het boek niet door iedereen wordt geprezen, bleek uit een minder gunstige bespreking in de Gazet van Antwerpen. Smaken verschillen en misschien maar goed ook; maar doorgaans wordt een gevestigde auteur, van wie de werken regelmatig herdrukt worden, strenger beoordeeld dan normaal. Het laatste woord blijkt daarentegen bij de lezer die zal oordelen of een boek van een auteur de onverbiddelijke tijd zal trotseren. Ik verkies de oerdegelijke Lampo boven sommige jongeren die nu over het paard getild worden, prijzen en onderscheidingen ontvangen, maar waarvan de bekroonde werken voor vele lezers ongenietbaar zijn.'

Toen Monika van Paemel in de adelstand verheven werd noteerde John terecht:

Niet dat deze titel van barones haar niet gegund is maar in het spoor van haar illustere voorgangers Marnix Gijsen en Gerard Walschap waren er nog andere kandidaten o.m. Karel Jonckheere en Hubert Lampo, die reeds langer dan vijftig jaar publiceren.

Dat John Bel de Vlaamse literatuur onbevooroordeeld op de voet volgde blijkt eens te meer uit zijn bespreking van Kartonnen dozen van Tom Lanoye:

'De auteur van Een slagerszoon met een brilletje heeft reeds voldoende bewezen dat hij boeiend kan vertellen en dat hij over een rijke verbeelding beschikt. Na zijn eerste roman Alles moet weg is Kartonnen dozen de bevestiging dat hij tot een van de meest talentvolle jonge Vlaamse auteurs behoort.'

Dat John een recensie zou schrijven van De fraudejagers (1991) lag nogal voor de hand. Het viel hem op dat Bob Mendes niet veel goeds te vertellen heeft over het uiterlijk van het personeel der Belastingen.

'Hij vindt ze zeker niet moeders mooisten. In het boek is er sprake van hangwangen, rimpels, kaalheid, vollemaansgezicht, cynische ogen, een glazige blik enz... De Directeur die er aanvankelijk nog het best voorkwam en beschreven werd als een middelgrote man met een weelderige zilverkleurige haardos, blijkt achteraf dan toch een vals haarstukje te dragen. […] Erger is dat de B.B.I. In een slecht daglicht wordt gesteld. De uitgever stelde het boek voor als een faction-thriller, dus een vermenging van “fact en fiction”. Het is te hopen dat de lezers in staat zullen zijn het onderscheid te maken.'

Tussen haakjes, John Bel stond model voor Jan Belmans, in de roman dienstleider van het Centraal Taxatiekantoor te Antwerpen, 'een grote, breedgeschouderde man, met een hoog gerimpeld voorhoofd, hangwangen en een permanente glimlach. Hij had altijd al een merkwaardig geheugen gehad voor details'.

John sloot zijn recensie af met de vaststelling dat er niet zoveel romans geschreven werden waarin de administratie van de belastingen centraal staat.

'In het Nederlands taalgebied is er o.a. Het Orakel van Lode Teunen en in vertaling las ik In de greep van de verleiding van Max Ehrlich en Vals Akkoord van Nino Palumbo. Vooral het boek van Palumbo brengt het ontroerende verhaal van een kleine belastingambtenaar die, wegens voortdurende tegenslagen in zijn gezin, zich tenslotte laat omkopen door een sluwe advokaat. Een vergelijking met de roman van Bob Mendes kan bezwaarlijk gemaakt worden omdat in zijn “thriller” de actie centraal staat. De andere geciteerde werken besteden meer aandacht aan de menselijke beweegredenen. Revolverzwaaiende Directeurs van de Belastingen zijn daar niet bij.'

Henri-Floris JESPERS

*

Exemplaren van 20 jaar ExLibris kunnen per e-mail of per post besteld worden bij de secretaris van ExLibris:

Gert Vingeroets, Streepstraat 17, 2950 Kapellen

 

gert.vingeroets@scarlet.be


Stortingen op op bankrekening 779-5989513-88 t.n.v. Ex-Libris.

*

Ziehier alvast de gedetailleerde beschrijving:

40 blz. Met 60 archieffoto's.

170 mm x 240 mm,

Garenloos gebonden.

Kaft : Chagall 260 gr, kleur: fragola.

Binnenwerk: Maco satiné 200 gr, kleur: wit.

Druk: Kaft : recto zilver; binnen: recto/verso quadri.

Oplage: 200 ex. met de hand genummerd.

Buiten reeks: 50 ex. genummerd van I tot L.

Prijs: 18 € + 2 € verzendkosten

Bij een tekst van Yuan Mei met als thema ‘Lezen’ maakte Frank Ivo van Damme

een houtgravure.

De tekst werd gekalligrafeerd door Joke van den Brandt.

Prijs boek en prent samen : 28 € + 2 € verzendkosten

Prijs prent en kalligrafie : 12 € + 1 € verzendkosten


Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Vendredi 3 juillet 2009


In Schakel, het jaarboek van het Sint-Michielscollege te Brasschaat (jg. 60, 2008, pp. 192-197) bracht Luc Pay een postume hulde aan Jozef Cauberghe (1894-1977) die in het geheugen van de lexicografische en linguïstische wereld ongetwijfeld een plaats verdient. Met dank aan de auteur wordt dit artikel gepubliceerd in een volgende aflevering van de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie. Ondertussen is het artikel uitzonderlijk op het Net te lezen.

Info over abonnementen op de Mededelingen: hfj@skynet.be

 

Een vergeten bladzijde uit de vlaamse lexicografie en taalkunde:

Jozef Cauberghe

Vrij lang geleden reeds maakte een collega mij attent op het feit dat één van onze alleroudste leken-leraars (in die tijd was een ‘leek’ op het college inderdaad nog een merkwaardige verschijning), een zekere Jozef Cauberghe, een woordenboek ‘bewerkt’ of ‘geschreven’ zou hebben, meer bepaald het Brepols Engelsch Woordenboek – misschien het eerste Engels-Nederlands vertaalwoordenboek in Vlaanderen (wat nagegaan zou moeten worden).

Ik noteerde deze uiterst interessante informatie onmiddellijk in mijn Onder Gulden Vleugels [ed. 1] naast de foto van de leraar-lexicograaf in kwestie, waar ze echter bleef sluimeren... tot zowat een tweetal jaren geleden Dirk Nagels mij opnieuw op deze naam attent maakte, dit keer met een fotokopie van de titelpagina van Fransch Woordenboek, een titel gevolgd door de vermelding: door J. Cauberghe, Oud-Leeraar aan het St. Michielscollege te Brasschaat (Turnhout, Brepols, 1942). Gezien de zeer expliciete ondertitel van dit werk besloot ik nu definitief de zaak na te pluizen en erover te berichten in Schakel.

Lexicografie, de praktijk van het schrijven van woordenboeken (in de ruimste zin van dat woord), is een gruwelijk interessant maar tegelijk erg ondankbaar vak (Johan Hendrik van Dale noemde het zelfs “een verdrietig werk”). Zowat iedereen bezit thuis wel een of ander woordenboek, een lexicon of zelfs een encyclopedie, maar niemand die zich ooit de moeite getroost om iets te vernemen over de interne systematiek van zo’n werk (daar dienen de inleidingen in dat soort boeken voor, maar wie leest die?), laat staan over de auteur(s) ervan.

Slechts enkele vakcollega’s (germanisten, neerlandici) beseffen zelfs dat er zoiets bestaat als het Woordenboek der Nederlandsche Taal (kortweg ‘WNT’; deel 1 werd gepubliceerd in 1864, het laatste in 1995; het geheel telt ruim 40 kloeke boekdelen) dat in zijn omvang en grondigheid/uitvoerigheid zelfs de Franse, Duitse en Engelse equivalenten overtrof (en misschien nog steeds overtreft). Nog vreemder is het geval-Van Dale, want hier gaat het om een tamelijk populair en bekend verklarend woordenboek dat heel wat Nederlandstaligen geregeld raadplegen. Maar wie kent de historische afbakening (‘selectie’) van het trefwoordenmateriaal in ‘de’ Van Dale ­– om maar iets te noemen? En dan te bedenken dat deze mijnheer Van Dale net zoals Vondel of Stevin eigenlijk een Vlaming was - of toch had moeten zijn, en dat zijn naam voortleeft als titel van het woordenboek zélf en als naam van de uitgever en van het redactieteam (‘Van Dale Lexicografie’).

Wie op het net gaat zoeken naar Jozef (Josephus Rumoldus Sebastianus) Cauberghe vindt wel een aantal van zijn publicaties terug, in bibliotheken of antiquariaten (b.v. in de Albertina te Brussel, bij de Nederlandse Taalunie en ook in buitenlandse universiteitscatalogi) maar komt verder nagenoeg niets te weten over de man zelf, die zowat drie jaar les heeft gegeven aan onze school. Enig licht op de zaak kwam, zij het beknopt, uit het college-archief. Ook oud-rector pater Herman De Clerck, wiens fenomenale geheugen al meer dan eens een rijke informatiebron bleek te vormen i.v.m. de collegegeschiedenis, kon enkele persoonlijke herinneringen aan Cauberghe ophalen - daarover straks meer.

Ontgoochelend was het contact met uitgeverij Brepols, destijds uitgever van veel van Cauberghes werk. Uit een telefonisch gesprek bleek dat daar geen archieven bewaard bleven – als ze al bewaard wérden. Uiteindelijk plaatste ik een ‘zoekertje’ in De Standaard. Daarop reageerden drie correspondenten met biografische en vooral bibliografische info via mail of per brief. Maar het mooiste resultaat van mijn oproep waren de twee uitvoerige brieven van mevrouw Andrea Joosten-Cauberghe, niemand minder dan de dochter van onze oud-collega zélf. Een tiental pagina’s in een sierlijk en helder handschrift, bovendien aangevuld met een uitvoerige, uitgetikte bibliografie, leverden een mooi en interessant portret op van haar vader.

Jozef Cauberghe werd geboren op 20 januari 1894 te Zoutleeuw en volgde lager onderwijs te Sint-Gillis-Waas. Secundair onderwijs (uiteraard oude humaniora) volgde hij aan het Klein Seminarie te Hoogstraten, waar hij intern was. Er werd les gegeven in het Frans maar op de speelplaats was men verplicht de ene dag Frans, de andere Nederlands te spreken. Als oudste zoon was hij min of meer voorbestemd om priester te worden, vandaar het seminarie. Seculier priester wou hij echter niet worden; wel heeft hij lang nagedacht over intrede in een kloosterorde, maar uiteindelijk bleef hij ‘in de wereld’.

Vermits hij de oudste zoon van een groot gezin was, werd hij vrijgesteld van dienstplicht (althans zolang de oorlogsdreiging niet heel dwingend werd) zodat hij probleemloos verder kon studeren en wel – merkwaardigerwijze – in Nederland. Mevrouw Cauberghe merkt in haar eerste brief hierbij op: “misschien vanwege de Groot-Nederlandse gedachte?” In een tweede brief stelt ze echter het volgende (als gevolg van mijn verbazing hierover): “Naar Nederland gaan was echt niet zò ongewoon. Hoogstraten ligt vlak tegen de Nederlandse grens. Er gingen echt wel meer studenten naar Nederland. Vooral met de oorlog die dreigde gingen sommigen naar Nederland om geen soldaat te moeten zijn. [...] Mijn vader was zo iemand die geen vlieg kwaad zou doen en hij kon absoluut geen bloed zien, dus ik kan me voorstellen dat hij geen soldaat wou zijn.” En verder: “Mijn vader was ook voorstander van de vernederlandsing van het onderwijs, dit vanuit een sociaal voelende bekommernis. Dat kon heel goed samen gaan met een liefde voor de Franse taal en letterkunde. Maar mijn vader is nooit lid geweest van enige vereniging of partij. Daar was hij te individualistisch voor – en hij vond dat er in verenigingen te veel gepraat en gekibbeld werd. Wel volgde hij de politieke en culturele ontwikkelingen van België, Nederland en Frankrijk met veel interesse via dagbladen en radio.” Een man naar mijn hart...

Cauberghe was achttien jaar oud in 1912 maar zijn vertrek naar Nederland kan ook in 1913 gesitueerd worden. Hoe ook, aan de universiteit van Utrecht werd hij romanist maar hij volgde er tevens, wellicht als vrije student, de cursussen geschiedenis. Een specifieke Franstalige achtergrond had hij niet, wél een talenknobbel; hij kende even grondig Engels en Duits en had zelfs een beetje Russisch geleerd.

Na de studies vestigde hij zich in Den Haag, waar hij huwde met Johanna Cornelia Van Vlijmen (°09/08/1901) en zowat tien jaar verbleef i. Hij gaf er les aan aspirant-leraars Frans. In Nederland bestond destijds immers geen onderwijs van het niveau ‘regentaat’ zoals bij ons; wie leraar wilde worden, moest zich bekwamen via privé leraars. Ook verscheidene diplomaten volgden privé les bij Cauberghe; de Japanse gezant echter, een zekere heer Minegawa, wenste door zijn tutor in het Romeinse recht ingewijd te worden... via de originele Latijnse teksten.

Op een bepaald moment werd in Nederland het examenstelsel volledig hervormd, en toen besloot Jozef Cauberghe terug te keren naar België – waarschijnlijk in 1935 of begin 1936. Hij werd leraar aan ons college met ingang van 21 september 1936 en gaf bij ons les tot 1 juli 1939.

Tijdens de oorlog werd dochter Andrea geboren (1942) en werkte vader Cauberghe aan de woordenboeken, maar de papierschaarste maakte publicatie van langsom problematischer. Uitgeverij Brepols stelde hem dan voor – ook om een behoorlijk pensioen te kunnen opbouwen – te verhuizen naar Turnhout en op de uitgeverij zelf te komen werken, wat hij tot aan zijn pensionering heeft gedaan. Dochter Andrea getuigt: “Hij was daar zeer tegen zijn zin. De sfeer was daar niet aangenaam.”

Jozef Cauberghe bleef heel lang veel plannen voor boeken koesteren maar werd reeds enkele maanden na zijn pensionering getroffen door een hersenbloeding, in 1958 of 1959. Zijn fysieke toestand maakte verder taalkundig werk onmogelijk. Hij overleed op 1 december 1977.

Reeds als kind bleek hij erg ondernemend en reislustig. Tijdens de schoolvakanties trok hij het hele land (en wijde omgeving) door en overnachtte in kloosters, waar hij vele vrienden telde. Zijn lievelingssteden waren Antwerpen, Den Haag en Luzern. Hij reisde meermaals per jaar naar Den Haag om er een dag in de bibliotheek opzoekingen te doen. Van een studax gesproken!

Andrea Cauberghe schreef dat haar vader “graag les gaf en altijd heel bekommerd was dat iedereen goed studeerde en ijverig was.” In haar tweede brief voegde ze daaraan toe: “Ijverig zijn stond bij mijn vader wel op de eerste plaats. Hij beoordeelde mensen nooit naar hun beroep of inkomen, maar alleen of ze hun werk goed deden, of ze ijverig waren. Van luie mensen moest hij niet veel weten, ongeacht wie het was.”

En ook dit: “Zakelijk talent had mijn vader niet in het minst. Alleen het schrijven van het boek interesseerde hem, niet het verkopen.”

De bibliografie van Cauberghe is ronduit indrukwekkend. Hij verzorgde didactische schooluitgaven van (nu totaal onbekende) Franse auteurs; maakte handleidingen voor leerlingen en studenten ter voorbereiding van hun examens Frans (rond idiomatische uitdrukkingen of handelsjargon) of een apart boekje over de vervoeging van Franse werkwoorden (waarvan de 17de druk verscheen in 1981!); een boek over Franse fonetiek (onder pseudoniem Delacre) en één over Franse grammatica; bloemlezingen van (vooral katholieke) literatuur, zowel van proza als poëzie; en zelfs een ‘repetitieboek’ voor aardrijkskunde met het oog op het ‘kweekschool- en onderwijzersexamen’.

Verder nog enkele zeer merkwaardige publicaties: een Nederlands spreekwoordenboek (meer dan één trouwens); een Muzikaal woordenboek (ook in het Frans vertaald) onder pseudoniem C. Werda ii; en een ‘folkloristisch calendarium’ onder de titel Vroomheid en volksgeloof in Vlaanderen (Hasselt Heideland, 1967).

De magna opera blijven, wat mij betreft: Groot Engels Woordenboek en Groot Frans Woordenboek (herdrukt als Brepols Frans Woordenboek), twee vertaalwoordenboeken die wellicht nog in vele Vlaamse gezinnen gebruikt worden; en daarnaast een werk getiteld Nederlandse Taalschat bestaande uit vier delen: ‘Spreekwoorden’, ‘Spreekwijzen’, ‘Synoniemen’, ‘Citaten’ – aanvankelijk als vier afzonderlijke delen verschenen, later als één lijvig boekwerk.

Ik prijs mij gelukkig ondertussen Cauberghes Muzikaal woordenboek antiquarisch te hebben kunnen kopen via het internet. Maar ik blijf danig jaloers op al diegenen die nog een Nederlandse Taalschat op zolder hebben liggen (à bon entendeur!)...


Hoger werd reeds even vermeld dat een aantal werken verscheen onder pseudoniem, schuilnamen die als volgt door dochter Andrea opgelost werden: “ ‘Delacre’ was om zijn toen juist overleden moeder te eren. Ze heette Van Acker. ‘Froimomt’ (en ‘Dumont’) is de vertaling van ‘Cauberghe’. De oorsprong van ‘Werda’ weet ik niet meer.”

Ik durf aan mevr. Cauberghe volgende suggestie doen: ‘Werda’ lijkt mij gewoon de contractie van het Duitse ‘Wer da?’ te zijn – ‘Wie is daar?’ Ik meen niet zo ver naast de waarheid te zitten ten eerste omdat Jozef Cauberghe blijkbaar ook het Duits behoorlijk machtig was; en ten tweede gezien die andere mededeling van mevr. Cauberghe in haar brief: “Het Muzikaal woordenboek werd op verzoek van de uitgever onder pseudoniem uitgegeven, omdat men niet zou geloven dat een taalkundige ook verstand had van muziek.” Dat die uitgever zo redeneerde, daar kan ik enigszins inkomen; maar ik kan mij ook goed voorstellen dat de auteur op deze manier, ironisch maar misschien ook ietwat verbitterd, de uitgever een verdekte loer heeft willen draaien met als pseudoniem de vraag ‘Wie zit hier achter? Wie is daar?’ – misschien zelfs in navolging van het typische gebrul van de Duitse politie-agenten (Feldwebels en anderen van dat kaliber) tijdens WO2 – zo van “Wer da?” als ze in de verte voetstappen hoorden aankomen of een verdacht geritsel meenden waar te nemen.

Maar waar past het college nu eigenlijk in dit globale portretplaatje?

In de door rector Taeymans (met de hand) geschreven Kroniek van ’t Sint-Michielscollege Brasschaat lees ik op datum van ‘21 Sept ‘36’: “Hr. Cauberge [sic] werd prof. voor Fransch in Lat. kl (6de 5de en 4de)”. En op datum van ‘1 Juli ‘39’: “Ontslag v. Hr Cauberghe”.

Twee vragen duiken hierbij onmiddellijk op: hoe belandde Cauberghe op het college; en waarom nam hij na zo’n korte ambtsperiode reeds ontslag? Maar die twee vragen zijn m.i. direct gekoppeld aan een andere die in deze context relevant is maar die ik moeilijk definitief kan oplossen: waarom ging Cauberghe na zijn secundaire studies te Hoogstraten überhaupt in Nederland studeren? Andrea Cauberghe suggereerde als antwoord op die laatste vraag twee mogelijkheden, zij het heel tentatief: ten eerste, gezien zijn Vlaamse overtuiging (de Groot-Nederlandse gedachte); of, ten tweede, om op die manier zijn dienstplicht te ontwijken.

Dat Cauberghe een overtuigd, diep-gelovig katholiek was, staat m.i. buiten kijf; daarvan getuigen zijn leerjaren aan het Klein Seminarie van Hoogstraten, zijn vakantie-stops in abdijen en tevens het voorwoord van Remi Ghesquiere, katholiek én flamingant, in zijn Muzikaal woordenboek (zie voetnoot 2). Ook het getuigenis van een van mijn correspondenten over zijn echtgenote wijst in dezelfde richting (zie voetnoot 1). En ten slotte vermelden we in deze context ook dat Cauberghe als getuige is opgeroepen tijdens het voorbereidende onderzoek voor de zaligverklaring van Broeder Isidoor, die zijn klasgenoot was geweest in de lagere school van Sint-Gillis-Waas iii.

Wat zijn ‘flamingantisme’ (misschien een té sterk begrip in zijn geval?) betreft, daarover getuigde zijn dochter ook vrij ondubbelzinnig, in die zin dat vader Cauberghe voorstander was van de vernederlandsing van het onderwijs (zie hoger). In ieder geval was het Klein Seminarie, ondanks de heel strenge en repressieve regels voor het taalgebruik (regels die zelfs voor de dagelijkse en informele omgang van leraars en internen golden) een broeihaard van ‘vlaamslievendheid’: er was een ‘Vlaamsgezinde Kring’ en er verscheen een flamingantisch tijdschrift, De Student. Enkele leraars zetten zich vanaf 1906 in voor het ‘Nederlands taaleigen’ en ‘Algemeen Beschaafd Nederlands’. Bovendien was er een clandestiene Vlaamse Beweging actief onder leiding van Emiel Diels en Remi Bosselaers, precies in de periode dat Cauberghe er zijn humaniora voltooide (nl. de periode 1911-1914 – voor verdere informatie zie Encyclopedie van de Vlaamse Beweging). Dat Cauberghe in dat klimaat het flamingantisme of althans de ‘vlaamslievendheid’ vlotjes ingelepeld kreeg, en wel gedurende zijn meest ontvankelijke adolescentenjaren, lijkt me logisch. En dan wordt ook zijn stap naar hogere studies ‘over de schreve’ – maar dan wel in noordelijke richting – wellicht iets begrijpelijker.

Blijft nog steeds de vraag: wat met het college? Oud-collega dr. historicus Herman De Kuyffer schreef in zijn historische schets in Onder Gulden Vleugels [ed. 1] het volgende over de beginjaren van het college en meer bepaald over de “principiële vraag naar voertaal, structuur en programma van de nieuwe onderwijsinstelling”:

De vernederlandsing van het lager en middelbaar onderwijs was dan wel een druk besproken politiek probleem in deze jaren, maar ze werd pas wettelijk geregeld in 1932. Het nieuwe college zou echter reeds in 1931 zijn eerste schooljaar beginnen en dus rees het probleem van de onderwijstaal. [...] De keuze ging tussen volledig Vlaams onderwijs, zoals in het nieuwe Sint-Lievenscollege, of een college met twee afdelingen, een Vlaamse en een Franse, zoals in het Sint-Jan Berchmanskollege te Antwerpen. Eisende partijen waren vlaamsgezinde burgers, verenigd in de ‘Katolieke Vlaamse Schoolbond’ te Kapellen, en de Franssprekende bourgeoisie, adel en militairen, vooral uit Brasschaat. [...] Uiteindelijk moest rector Taeymans de knoop doorhakken: de nieuwe inrichting zou een volledig Vlaams college zijn. Wel werden enige toegevingen gedaan aan de Franssprekenden: in het lager onderwijs zou het Frans onderwezen worden in ‘verplichte bijklassen’ en in de humaniora zou ‘een Waals regent die vijf jaar te Parijs verbleef’ instaan voor de taal van Molière. Dit laatste bleef wel een belofte, maar men wilde toch de rekruteringsbasis van het nieuwe college niet verzwakken; zo zou er ook in de Franstalige pers worden geadverteerd. Toch was de beslissing voor rector Taeymans zeer belangrijk. In het Sint-Michielscollege te Brasschaat zal altijd een geest van strijdend flamingantisme levendig blijven.” iv

Het lijkt me dus al bij al niet zo vreemd dat het college destijds Cauberghe rekruteerde: zijn geloofsovertuiging was voldoende geattesteerd; zijn gevoeligheid voor het Nederlands en inzonderheid zijn vlaamslievendheid zullen ook wel overduidelijk gebleken zijn uit zijn curriculum (Hoogstraten én Nederland); en ten slotte bezat hij een universitair diploma romanistiek, wat in die tijd veeleer een uitzondering genoemd mag worden en wat, gezien in het licht van de ‘inspanningen’ van het college ten aanzien van Franstaligen, niets anders dan een pluspunt betekend kan hebben.

Rest de vraag: waarom zo snel reeds het ontslag?

Uit de bewaarde correspondentie van en met een bepaalde ouder (daterend van het voorjaar 1938) blijkt dat leraar Cauberghe ernstig in conflict kwam met een (Franstalige!) leerling en diens ouders, en wel om ‘disciplinaire redenen’ – of om wat wij nu zouden noemen ‘tuchtredenen’ – gekoppeld aan slechte examencijfers. De uitermate ernstige en degelijke leraar-studax die Cauberghe was, nam blijkbaar in de klas een nogal stroeve en principiële houding aan die zelfs reeds in die dagen scherpe reacties bij de ouders opriep.

Cauberghes brief aan rector Taeymans dd. “30 mai 1938” was een antwoord op de klacht van die Franstalige ouder. Uit Cauberghes antwoord het volgende:

Quant à l’égalité des élèves, on doit être bien borné pour ne pas comprendre que la conduite des élèves en classe doit nécessairement influencer les concours: je pose les questions de manière que ceux-là seuls qui ont bien fait attention en classe, puissent y répondre [...] pour pouvoir réussir, on doit toujours faire attention – donc: bien se conduire en classe.”

Hij wijst de rector overigens – boudweg en in extenso – op enkele taalfouten tegen het Frans die de boze vader in zijn klachtenbrief had gemaakt. En iets verder, nog steeds in hetzelfde antwoord:

Une autre raison pour laquelle on doit bien faire attention en classe, c’est que je suis bien souvent obligé de signaler les fautes qui se trouvent – très nombreuses – dans tous les livres classiques publiés en Belgique”. Cauberghe voegt overigens aan zijn brief een bijlage toe waarin hij een overzicht geeft van flagrante fouten tegen het Frans in veel gebruikte schooluitgaven.

Uiteindelijk kreeg het conflict regelrechte ‘communautaire’ allures en werden de (Franstalige) kinderen van het gezin in kwestie resoluut van het college weggehaald. Men bedenke daarbij wel dat het epitheton ‘communautair’ in de jaren dertig wel net iets andere of iets meer implicaties of connotaties had dan vandaag het geval is.

Conclusie? L’histoire se répète. Of: nil novi sub sole. Maar ik betwijfel of dit conflict de rechtstreekse oorzaak is geweest van het vertrek van onze collega; hij begon immers in september 1938 nog aan een nieuw schooljaar. Waarschijnlijk moeten we hier denken aan een combinatie van factoren.

Dochter Andrea schrijft hierover: “Waarom hij daar [= het college] weggegaan is weet ik niet” maar ze vermeldt als mogelijke verklaring ernstige medische problemen bij zijn echtgenote – inderdaad in 1939 – die hem misschien hebben doen besluiten om voortaan thuis te blijven om in haar nabijheid te kunnen werken.

Anderzijds is er het getuigenis van pater Herman De Clerck, die als kind op het college kwam in 1938. Al had pater Herman nooit zelf les van Cauberghe, toch herinnert hij zich nog goed dat deze leraar niet altijd even ernstig genomen werd door de leerlingen, o.m. gezien zijn opvallend korte en gezette lichaamsbouw (die typische Zeitgeist: fysieke kenmerken van leraars betekenden inderdaad voor leerlingen vaak een bron van soms bijtende spot en leverden niet zelden erg expressieve en zelfs pijnlijke bijnamen op).

Het belangrijkste aspect lijkt mij echter de houding, de didactische filosofie, de klassikale aanpak van Cauberghe zoals die blijken uit de getuigenissen van zijn dochter en uit het ‘conflictdossiertje’ in het college-archief. Ik vermeldde hoger reeds het feit dat Cauberghe altijd zo sterk het aspect ‘ijver’ beklemtoonde, zowel binnen als buiten de klas. Hij lijkt mij inderdaad een over-ijverige en hyper-correcte man te zijn geweest die niet aarzelde overal op fouten of onvolkomenheden te wijzen – zelfs fouten in een boze brief van een ouder, of, in de klas, in de door de leerlingen gebruikte leerboeken. Andrea Cauberghe schreef b.v. ook: “Werklustig als hij was” – of: “Hij zat altijd aan zijn bureau te werken. ‘Mijn werk is mijn hobby’, zei hij altijd. De enige andere hobby die hij had was postzegels verzamelen.”

En uit haar tweede brief: “Mijn vader was wel te vergelijken met een middeleeuwse monnik: altijd ijverig aan het schrijven en opzoeken. Hij heeft alles met pen en inkt geschreven zoals dat toen gebruikelijk was, maar dat is niet meer voor te stellen in deze tijd.” En tot slot: “Mijn vader heeft nooit in de belangstelling willen staan.”

Ik stel hem mij dus voor als een erg degelijke, correcte, nauwgezette, introverte en streng-ernstige man, die heel sterk begaan was met zijn vak, zijn kennis en kunde op linguïstisch gebied. Als ietwat wereldvreemd kluizenaar-taalkundige miste hij wellicht gewoon de souplesse en het relativeringsvermogen om het jonge geweld, het kinderlijke onbegrip en onwetendheid, de speelsheid en het gejoel op gepaste wijze te counteren. Laten we ook niet vergeten dat deze collega in Nederland privé-onderwijs had gegeven aan erg gemotiveerde leerlingen, onder wie eerbiedwaardige diplomaten; bovendien was hij reeds 42 jaar toen hij zijn intrede deed in het college – en nog wel bij ‘de klein mannen’ van de ‘lagere cyclus’, niet bij de oudsten die tegenwoordig de derde graad bevolken; in dat laatste geval zou zijn schoolcarrière, denk ik, er ietwat anders hebben kunnen uitzien.

Wat er ook van zij: gedurende drie jaar heeft het levenspad van deze knappe en productieve lexicograaf en taalkundige de geschiedenis van het college gekruist. Voldoende, dacht ik, voor een oprechte zij het postume hommage – een hommage die, wat mij betreft, ook in het geheugen van de lexicografische en linguïstische wereld een plaats verdient.

Luc PAY


I Over de echtgenote van Jozef Cauberghe schrijft één van mijn informanten: “Ik herinner mij (ik was toen hoogstens 10 jaar) mevrouw Cauberghe als een typische Hollandse dame, die beduidend groter was dan haar echtgenoot (zelfs met zijn bruine, vilten hoed). Mevr. Cauberghe kwam meermaals bij ons aan huis en meer bepaald op bezoek bij mijn moeder. Om welke reden weet ik niet, maar ik vermoed dat zulks verband hield met de parochie.”

II Dit muzikaal woordenboek biedt opheldering van muzikale terminologie en de namen van componisten. Het bevat een ‘inleidend woord’ van een zekere “R. Ghesquiere”; ik heb een aan zekerheid grenzend vermoeden dat het hier gaat om Remi Ghesquiere, Vlaams organist, toondichter én flamingant (1866-1964). Zijn meest populaire compositie is De trommel slaat, en we kennen van hem ook nog O Maria die daar staat. Hij werd in 2002 gehuldigd in Geluwe met o.m. de onthulling van een gedenkplaat.

III De twee onderzoekingen voorafgaande aan de zaligverklaring vonden plaats in Vlaanderen in respectievelijk 1950-1951 en 1961-1963. De eigenlijke zaligverklaring gebeurde te Rome op 30-09-1984, zodat Cauberghe die niet meer heeft mogen beleven.

IV In: Onder gulden vleugels. Sint-Michielskollege Brasschaat 1931-1981, blz. 25-26.


Par CDR-Mededelingen - Publié dans : littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Mercredi 1 juillet 2009

Op uitnodiging van de kring ExLibris hield de Antwerpse schepen van Cultuur vanavond een uitermate boeiende uiteenzetting over het MAS (Museum aan de Stroom) en de Red Star Line. Hij werd ingeleid door Gert Vingeroets.

Philip Heylen improviseerde ex abundantia over die twee thema's die hem na aan het hart liggen. In zijn voortreffelijk verhaal betrok hij moeiteloos Fred Astaire en Albert Einstein, Irving Berlins White Christmas en Sigmund Freud en uiteraard Eugeen van Mieghem.

Schepen Heylen werd maanden geleden door John Bel uitgenodigd om in ExLibris te komen spreken. Vandaag besefte hij plots dat een van de architecten van het MAS... John Bell heet. Voer voor een verhaal à la Hubert Lampo?

Op vraag van dokter Paul Hoffbauer lichtte de schepen toe hoe de vermaarde collectie precolumbiaanse kunst van Dora en Paul Janssen uiteindelijk in het MAS terechtkomt.


Frank-Ivo van Damme ontwierp een ex-libris voor Philip Heylen. Om de naam van de kring eer aan te doen onderwierp de schepen de houtgravure van F.-I. Van Damme aan een speelse exegese. De symbolen zullen voor de meeste Antwerpenaren wel geen geheim hebben, behalve misschien de Hippopotamus amphibius?

Philip Heylen heeft iets met nijlpaarden, zo eenvoudig is het.


Tussen het aandachtige publiek: Joke van den Brandt, Willy de Bleser, Frank-Ivo van Damme, Maria Houthoofd, Henri-Floris Jespers, Karel Moers, Jan en Margriet van Oostende, Guido de Sutter, Jan Vaes en Erik Verstraete.

Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Dimanche 28 juin 2009

Van l. naar r.: Henri-Floris Jespers & John Bel


Op 1 juli 2009 bestaat de culturele kring ‘Ex-Libris’ 20 jaar. Wijlen voorzitter John Bel keek reeds lang uit naar deze datum. Als eerbetoon wordt de bibliofiele uitgave 20 Jaar Ex-Libris uitgegeven zoals hij ze zelf nog gepland heeft.

Joke van den Brandt en Henri-Floris Jespers evoceren bibliofiel, vriend en ExLibris-bezieler John Bel. Frank-Ivo van Damme sneed een houtgravure met als thema “Lezen” bij een gedicht van Yuan Mei gekalligrafeerd door Joke van den Brandt. In bijlage wordt de volledige lijst van de activiteiten van ExLibris gepubliceerd, waaruit nogmaals blijkt hoezeer John Bel er al die jaren in slaagde de meest uiteenlopende sprekers te verleiden om uit pure sympathie een lezing te komen geven.

*

20 jaar Ex-Libris (170 mm x 240 mm, 4-kleurendruk, garenloos gebonden) is rijkelijk geïllustreerd met kleurenfoto's.

De houtgravure van Frank-Ivo van Damme is ook afzonderlijk te verkrijgen.

Exemplaren kunnen per e-mail of per post besteld worden bij Gert Vingeroets:

Gert Vingeroets, Streepstraat 17, 2950 Kapellen

gert.vingeroets@scarlet.be

*

20 jaar Ex-Libris: 18 €.

20 jaar Ex-Libris mét houtgravure: 28 €.

Gravure & kalligrafie afzonderlijk: 12 €.

Verzendkosten: 2 € (vanaf 3 ex. verzendkosten gratis).

Te storten op bankrekening 779-5989513-88 t.n.v. Ex-Libris.

*

20 jaar Ex-Libris wordt in het lokaal van ExLibris gepresenteerd op woensdag 22 juli in Taverne Rochus, Sint-Rochusstraat 67 te Deurne.

 

Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Mercredi 24 juin 2009

Jos van Cann en Henri-Floris Jespers publiceren een column als reactie op het artikel van Tomas Ross voor Ezzulia over onder andere de Maand van het spannende boek, de Gouden strop en de Schaduwprijs:

Hij schoffelt nogal wat (eigen) initiatieven onderuit en veegt ze daartoe op een hoop: prijzen, media, marketingactiviteiten, promotionele acties, publicaties en activiteiten. En, last but not least, de kwaliteit van dit alles en van de Nederlandstalige misdaadromans. “

Jos van Cann is jurylid van De Diamanten Kogel en bestuurslid van het Genootschap Nederlandse Misdaadauteurs. Henri-Floris Jespers is juryvoorzitter van De Diamanten Kogel. Ze zijn de samenstellers van het vorig jaar verschenen Thriller versus Roman. Met bijdragen van René Appel, Jim Madison Davis, Jooris van Hulle, Jan Lampo, Mieke de Loof, Elvin Post, Matthijs de Ridder, Charles den Tex en Felix Thijssen werd de vraag of misdaadromans wel of niet een onderdeel zijn van de literatuur tegen het licht gehouden.



Jos van CANN en Henri-Floris JESPERS (Red.), Thriller versus roman, Garant, Antwerpen / Apeldoorn, 2008, 142 p., 15,90 €. [Reeks Literatuur in veelvloud, nr. 21] ISBN 978-90-441-2363-1

 

http://www.ezzulia.nl/columns/column-129.html

Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Mercredi 24 juin 2009

Jos van Cann

Vuil geld, de pas verschenen roman van Bob Mendes (zie eerdere berichten) wordt op Ezzulia uitvoerig besproken door Jos van Cann. Zijn conclusie luidt:

Mendes is in Vuil geld ouderwets goed op dreef. Vaart, spanning, goede karakters, strak plot en geloofwaardige ongeloofwaardigheid, ofwel het oude spreekwoord ‘de realiteit is vaak onwerkelijker dan fictie’(truth is stranger than fiction). Vuil geld is een voorbeeld van een boek waarom het genre zo succesvol is, vele lezers kent en ook nog eens de vinger op zere plekken legt (en daarom door het maatschappelijk establishment argwanend wordt gevolgd).

 

Bob MENDES, Vuil geld, Antwerpen, Manteau, 2009, 400 blz., pb, 21,95 €.

 

http://www.ezzulia.nl/recensies/auteurs/mendes/vuilgeld.html

Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Mercredi 17 juin 2009

Floris Jespers (1889-1965) werkte graag met De Wieuw. Hij had vertrouwen in het vakmanschap van die lijstenmakers die op een lange traditie konden bogen. Ik herinner mij nog levendig een telefoongesprek van grootvader, gevoerd vanuit zijn atelier aan de Sint-Jansvliet, thans 'Huize Floris Jespers', met een van de medewerkers van De Wieuw, die hij kennelijk goed kende en bij de voornaam aansprak (ik zal maar zeggen: Jos...). De man had hem gebeld om hem te wijzen op het feit dat één van de in te lijsten doeken niet ondertekend was. Waarop Floris Jespers zei: “Jos, da's niet de eerste keer, signeer maar zelf, ge kunt da goe, doe maar”.

*

Nu hebben Karel en Guy De Wieuw (zesde en zevende generatie) de winkel in de Antwerpse Scheldestraat 59 spectaculair uitgebreid tot een winkeloppervlakte van 2000 m2 , waar meer dan 25.000 producten voor de kunstschilder, beeldhouwer, etser, keramiek- of papierkunstenaar, fotograaf of architect aangeboden worden. Lijstenmakerij De Wieuw wordt daarmee, naar eigen zeggen, de grootste kunstenaarswinkel in de Benelux.

Bovendien installeerde de familie De Wieuw een een bookschop, een cafetaria, een workshopruimte en een 'Open Gallery'.

Om de Open Gallery feestelijk te openen werd jong talent opgeroepen om één kunstwerk in te sturen. Niet minder dan 55 inzendingen werden door een professionele vakjury

beoordeeld. Bij de opening maakte schepen van Cultuur Philip Heylen de drie winnaars bekend: Frederik Cornelis (fotografie), Magda Denissen (schilderwerk) en Sarah van Larcke (fotografie). NAMEN

Jan Scheirs, die zopas een tentoonstelling in Gent en Brussel achter de rug heeft, zond een recent werk in, The Black Woman.

Ik ben regisseur van en acteur op mijn schilderijen. Mijn werken zijn niet alleen maar een theater, je kijkt ook naar jezelf zoals je dat doet bij psychoanalyse. Vandaar de mise en scène met een personage boven een kleine theater. Door de interactie krijgt de patiënt of de toeschouwer naar zichzelf. Er ontstaat een dialoog.”

 

In het mei-nummer van Connexion. Revue d''art et de littérature, publiceerde Robin de Salle in het Nederlands en in Franse vertaling de neerslag van een uitvoerig gesprek met Jan Scheirs.

Henri-Floris JESPERS


Par CDR-Mededelingen
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Samedi 13 juin 2009

Annmarie Sauer recenseerde de bundel 57 van François Vermeulen voor Schoon Schip:

http://users.telenet.be/francois.vermeulen1/%2757%27.htm

Roger Nupie schreef voor De Auteur een bijdrage over het tijdschrift Stroom:

http://users.telenet.be/francois.vermeulen1/Stroom.htm

 

François Vermeulen recenseerde de bundel De smaak van wol van Xtine Mässer:

 

http://geletterdemens.blogspot.com/

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : littérature
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander
Vendredi 12 juin 2009

De Peruviaanse regering heeft wetgeving doorgedrukt die toelaat dat winningsbedrijven en grootschalige landbouwbedrijven hun Amazone regenwoud snel mogen vernietigen.
Inheemse mensen hebben twee maanden vreedzaam geprotesteerd voor hun wetmatige inspraak in decreten die zullen bijdragen aan de verwoesting van de ecologie en bevolking van het Amazonewoud, en rampzalig zijn voor het wereldwijde klimaat. Maar vorig weekeinde reageerde President Garcia: door speciale troepen te sturen om de protesten te onderdrukken met geweld, en door de betogers als terroristen te bestempelen.
Deze inheemse groepen staan op de frontlinie bij de strijd om onze aarde te beschermen -- Laten we met hen meedoen en President Alan Garcia (waarvan alom bekend is dat hij gevoelig is voor zijn internationale reputatie) vragen om onmiddellijk het geweld te stoppen en een dialoog te openen. Klik hierna om snel de wereldwijde petitie te tekenen en een vooraanstaand, zeer geacht Latijns-Amerikaanse politicus zal ze in onze naam overhandigen aan de regering.

http://www.avaaz.org/nl/peru_stop_violence

Meer dan 70 procent van het Peruviaanse Amazone-woud ligt nu voor het grijpen. Reusachtige olie- en gasbedrijven, zoals het Engels-Franse Perenco en het Noord Amerikaanse ConocoPhilips en Talisman Energy, hebben al toegezegd meerdere miljarden te investeren in die regio. Deze winningsindustrieën hebben een zeer slecht verleden in het ervoor zorgen dat ook de plaatselijke bevolking profiteert en het behoud van het milieu in ontwikkelingslanden - reden waarom de inheemse groepen internationaal erkende rechten van raadpleging rond nieuwe wetten vragen.

Al tientallen jaren hebben de wereld en inheemse bevolkingen toegekeken terwijl winningsindustrieën het regenwoud verwoesten, dat voor sommigen hun een thuis is en een cruciale rijkdom voor ons allemaal (sommige klimaat wetenschappers noemen het Amazonegebied de "longen van de aarde" - door de opname van koolstof, oorzaak voor de opwarming van de aarde, en door het aanmaken van zuurstof).

De protesten in Peru zijn de grootste en meest wanhopige ooit, We kunnen het ons niet veroorloven om hen te laten mislukken. Teken de petitie, en moedig je vrienden en familie aan om met ons mee te doen, zodat we gerechtigheid kunnen helpen brengen voor de inheemse bevolking van Peru en verdere gewelddaden kunnen voorkomen van alle betrokkenen.

http://www.avaaz.org/nl/peru_stop_violence

In solidariteit,
Luis, Paula, Alice, Ricken, Graziela, Ben, Brett, Iain, Pascal, Raj, Taren en het volledige Avaaz team.
Bronnen:

Par CDR-Mededelingen - Publié dans : Actualité
Ecrire un commentaire - Voir les 0 commentaires - Recommander

Pages

Présentation

Créer un Blog

Recherche

Calendrier

Juillet 2009
L M M J V S D
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
<< < > >>
Créer un blog sur over-blog.com - Contact - C.G.U. - Rémunération en droits d'auteur - Signaler un abus