Geregeld erger ik mij aan walgelijke verschijnselen en aan immorele en schijnheilige
mensen in onze hedendaags zo verwarrende samenleving.
Schrijven hierover is een hopeloze taak, maar zwijgen is niet altijd goud
waard.
Eigenlijk onvoorstelbaar!
Blijkbaar hebben ze om de meest uiteenlopende redenen nood aan een bovenzinnelijk
opperwezen. Ze kunnen niet aanvaarden dat de dood het einde betekent van elke vorm van leven.
Een agnosticus, zoals ik, zou op de duur nog de atheïsten benijden.
Maar toch zijn de mensen erin geslaagd een boeiende, merkwaardige en interessante wereld
tot stand te brengen.
Dat ik besta is een onloochenbaar feit. Daarom ben ik ook existentialist, met een
voorliefde voor zinnebeelden.
Symbolen zijn waardevoller dan woorden. Ze kunnen alles uitdrukken en doen bestendig een
beroep op de verbeelding.
Ze zeggen het onzegbare en tonen wat niet zichtbaar is.
De filosoof en auteur Jean-Paul Sartre schreef dat de mens is 'veroordeeld tot
vrijheid'. Dat is zijn existentie en dat lijkt mij juist.
Mijn vriend Johan Daisne, de magisch-realistische kunstenaar, beweerde dat het toeval
soms de dingen goed doet en dat is ook juist.
De mens blijft evenwel mijn maatstaf. Ik geloof derhalve in het humanisme, de
vrijzinnigheid en de vrijmetselarij.
Toch blijf ik er rotsvast van overtuigd dat de mens er nooit zal in slagen de kosmos en
zijn eigen wezen volledig te begrijpen.
Mens en heelal zullen altijd gedeeltelijk een raadsel blijven!
Rik LANCKROCK
april 2011
Coda
Rik Lanckrock (° Gent, 16 juli 1923) publiceert geregeld in Mededelingen van het CDR. Niet
niet alleen gedichten, maar ook proza, o.m. 'Vreemd
verhaal' (nr. 54, 19 september 2005); 'Vervreemding' (nr. 56, 18 oktober 2005); 'Wat betekent de
vrijmetselarij voor mij' (nr. 57, 31 oktober 2005); 'Mediteren over mediteren' (nr. 68, 5 april 2006); 'Zelfportret' (nr. 76, 16 augustus 2006); 'Leven in de wereld van Kafka en Willink' (nr. 82,
20 november 2006); 'Zelfhaat' (nr. 86, 18 januari 2007); 'Zoektocht' (nr. 90, 26 maart 2007); 'Aan Daan Hugaert'(nr. 98, 31 juli 2007) en 'Interview met mezelf' (nr. 106, 3 december
2007).
*
Inleiding tot het Magisch-Realisme van Rik Lanckrock (Antwerpen, Ontwikkeling, 1952) werd door
Hubert Lampo grondig
gerecenseerd in Volksgazet (7 mei 1953), een artikel dat als verhelderende bijdrage tot de Lampo-studie in de Mededelingen opgenomen werd in de literair-historische rubriek 'Achteruitkijkspiegel' (nr. 63, 1 februari 2006). In 1988
zou Lanckrock een tweede boeiende studie aan het onderwerp
wijden: Het magisch-realisme in de
kunst (70 + 6 blz., Gent,
in eigen beheer).
Rik Lanckrocks bespreking
in Vooruit (4 februari 1964) van de opvoering van Het drama van de Fukuryu Maru van Gabriel Cousin, in de vertaling en bewerking van Hugues C. Pernath en Walter Tillemans werd eveneens in Mededelingen
opgenomen (nr. 72, 16 juni
2006). Over die gedenkwaardige Antwerpse voorstelling
van Het drama van de Fukuryu Maru, cf. Henri-Floris JESPERS, De maskers van Melpomene, Antwerpen, Hugues C. Pernathfonds, 2006, pp. 9-11.
*
Rik Lanckrock debuteerde in 1944 in het
tijdschriftKlaverendrie(waar het vierde jaarboek van het Studiecentrum Johan Daisne geheel aan gewijd is). In 1945 was
hij medeoprichter en, vanaf de derde jaargang, hoofdredacteur van het merkwaardige, pluralistische of misschien juister neutrale tijdschriftArsenaal, waarin hij poëzie en proza publiceerde, maar (net als Erik van Ruysbeek en Jan Walravens) vooral ook kritische artikels. Na 48 afleveringen en voltooiing van de zesde
jaargang hield het tijdschrift in 1950 op te bestaan. Twee afleveringen vormen zelfstandige publicaties met eigen paginering, nl. Confrontatie Urbain van de Voorde-Marnix Gijsen door Rik Lanckrock (1946)
en Karel Jonckheere als dichter door Erik van Ruysbeek (1947).
Van 1947 tot in de jaren zeventig was Lanckrock
medewerker aan de cultuurbladzijde van Vooruit en dan van De
Morgen (na 1991 werkte hij bij gelegenheid mee
aan De Standaard - de krant waarin hij
in 1948 zo zwaar aangepakt was geweest door dr. Karel Elebaers wegens zijn lof op Gijsens Het boek van Joachim van
Babylon).Van 1974 tot 1990 was hij lid van de Commissie
letterkunde van de provincie Oost-Vlaanderen, evenals van de interprovinciale commissie, en zetelde aldus in tal van jury’s. In 1992 nam Lanckrock het initiatief tot de oprichting van het
Studiecentrum Johan Daisne, waarvan hij de eerste voorzitter werd.
Vooral in de toneelwereld was Lanckrock zonder
meer “incontournable”. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het NTG (Nederlands Toneel Gent), dat hij mede hielp oprichten en waarvan hij van 1965 tot 1989 lid (en ondervoorzitter) van de
raad van bestuur was. Hij zetelde in de Hoge Raad voor Nederlandstalige dramatische kunst (1963-1975), en oefende een rits bestuursmandaten uit: lid van raad van bestuur van het
Documentatiecentrum voor dramatische kunst (1972), van de Toneelcommissie van de provincie Oost-Vlaanderen (1977), van de raad van bestuur van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen (1984) en van
de consultatieve commissie van de KNS-Gent – om hier slechts de belangrijkste te noemen.
Van 1959 tot 1965 was hij redactiesecretaris
van Podium, het tijdschrift van de Gentse Multatulikring die een prominente rol speelde bij de introductie van Brecht in Vlaanderen en tussen 1955 en 1965 op het toppunt van haar
kunnen stond. (Cf.
Dieter VAN DE PUTTE,De socialistische beweging en politiek theater (1960-1980). Scriptie voor het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis, RUG, academisch jaar
2003-2004. Promotor: prof. dr. G. Deneckere).
De opstandigheid van Rik Lanckrock tegenover “la
condition humaine” vindt men terug in alle genres die hij beoefent: poëzie, aforismen, kritiek, essay en vooral in zijn honderden “praatjes van een humanist”, die in 1961 bekroond werden met de
Letterkundige Prijs van de Stad Gent.
Vrijblijvende stellingnamen zijn hem wel vreemd.
Zo nam hij in 1965 actief deel aan de organisatie van de opvoering van Rolf Hochhuths Der
Stellvertreter en nam hij deel aan het geruchtmakende televisiedebat over dit zo fel betwist (en in Antwerpen
verboden) toneelstuk. Hij speelde niet alleen een belangrijke rol in de reactie op het verbod van Fernando Arrabals En ook de bloemen werden geboeid door Teater Arena in 1971, maar trad ook een jaar later op als deskundige in het proces voor de correctionele rechtbank te Gent tegen de
medewerkers aan de productie.
*
Jacques Vandersichel (http://www.literair.gent.be) onderstreept dat Lanckrock, die voor het Gents toneelleven in al zijn aspecten niet weg te denken was, als criticus algemeen
gewaardeerd werd in toneelkringen, als een man die een opvoering 'scherp en precies kon doorgronden en beoordelen met gezag, mildheid en eerbied voor de auteur van het
stuk'.
Verder was er geen enkele
theaterinstantie in Vlaanderen, geen enkele toneeljury of geen enkele toezichtcommissie, noch voor beroeps-, noch voor amateurstheater, waarvan hij geen lid was, aldus Vandersichel. Tenslotte was
hij de grote pleitbezorger van het Gentse volkstoneel, belichaamd door Romain Deconinck. Hij fulmineerde in de hem eigen stijl tegen de “intelligentsia” die dit soort toneel als minderwaardig
beschouwde. Samen met John Bultinck en plastisch kunstenaar Etienne Hublau richtte hij de vzw Gents Volkstoneel op. Dank zij hun publicaties en hun intellectueel gezag slaagden zij erin dit
waardevolle toneelgenre voor alle geledingen van de samenleving acceptabel te maken. In het essay Romain Deconinck en het Gents Volkstoneel(1972) geeft hij uitvoerig en doorwrocht zijn visie op dit unieke theatergenre.
Henri-Floris
JESPERS