Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
28 octobre 2010 4 28 /10 /octobre /2010 04:37

 

hcpWvdB

In Mijn en mijn zoons leven stelt tante Lène minimaliserend dat Charles Wouters “culturele flarden” meegaf aan zijn zoon; zij vermeldt met name Baudelaire en Rilke – maar voegt er meteen kleinerend aan toe dat Hugues' vader “vooral met hun naam koketteerde”. Dat is beslist onrechtvaardig. Ik heb zowat tien jaar een vertrouwelijke relatie met Pernath gehad en kan alvast getuigen dat hij er bij herhaling op wees dat zijn francofiele vader hem niet alleen maar op Baudelaire en Rilke wees, maar ook zijn aandacht wekte voor de surrealisten.

*

Walter van den Broeck getuigt nogal elliptisch:

De eerste jaren na de scheiding bezocht Huug zijn moeder zelden of nooit. Zij had niet alleen zijn vader maar ook hem in de steek gelaten, verraden. Op latere leeftijd liep hij al eens vaker bij aan. Zwijgend aanhoorde hij haar scheldtirades, en als hij weer wegging tekende ze hem een kruisje op het voorhoofd en mompelde: 'Vuile hond!' of iets van die strekking. (Het land van Pernath, p. 15.)

Op latere leeftijd” is een erg rekbaar begrip. Vanaf Pernaths huwelijk op 4 april 1959 met Adrienne Daelemans (1934-1970, pseudoniem: Yen Pernath), kostuumontwerpster bij de KNS en docente aan Studio Herman Teirlinck, zou Grace van den Broeck de vaste toevluchtsoord worden telkens wanneer Hugues problemen had met zijn (eerste) huwelijk en later met zijn relaties – en of dat vaak het geval was... Pernaths moeder moest dan het (ook juridische en financiële) puin opruimen, wat ze al te graag deed

In Mijn en mijn zoons leven (die de periode tot de tweede helft van 1944 behelst, ik kan er niet genoeg op wijzen) stelt Grace van den Broeck dat het alleszins vaststaat dat haar man haar “aanzag als een boerinneke uit Herentals [...] in de ogen van zijn [Pernaths] vader was ik te min en dat heeft mijn zoontje heel erg beïnvloed. (Vroeger natuurlijk). (p. 32)

De vermelding tussen haakjes “vroeger natuurlijk” wijst er mijns inziens op dat de versie van Mijn en mijn zoons leven die thans gepubliceerd wordt, de resultante is van (dagboek-?)aantekeningen die pas achteraf, in verschillende fases, in de vorm gegoten werden die we thans kennen, dank zij de inzet van Walter van den Broeck.

Ik kan mij zwaar vergissen, maar het blijft voorlopig mijn stellige overtuiging dat die tekst ook geschreven werd bij wijze van oratio pro domo ter attentie van Jan Jacobs, Grace's tweede echtgenoot.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
27 octobre 2010 3 27 /10 /octobre /2010 03:19

 

Walter-Van-den-Broeck.jpg

De jonge Pernath heeft geleden onder de scheiding van zijn ouders, maar “zijn angsten, zijn somberheid, zijn misantropie” kunnen echter niet alleen daaraan toegeschreven worden, de oorzaak ligt dieper, aldus Walter van den Broeck.

Ik denk dat we de oorzaak verder in de tijd moeten gaan zoeken. Daarom lijkt me het moment aangebroken om een bezoek te brengen aan het belangrijkste deel van het land van Pernath: het ouderlijke nest. En wie kan ons daar beter doorheen gidsen dan mijn tante Lène, Huugs moeder zelf. (Het land van Pernath, p. 18).

Vandaar dat de uiteraard verhelderende, bijwijlen onthutsende getuigenis van Grace Helen van den Broeck zowat de helft van de tekst van neef Walter in beslag neemt. Uiteraard wordt in Mijn en mijn zoons leven (een 'zelfverweer', dixit Joris Gerits) een onvermijdelijk eenzijdig beeld opgehangen, waarin het zelfportret van tante Lène als verwaarloosde en vernederde echtgenote centraal staat.

Het portret dat Pernaths moeder van haar eerste echtgenoot (en van haar schoonouders) ophangt, is allesbehalve hartverheffend – maar dat lag wel voor de hand. Ook wanneer zij als “mater dolorosa” aan het woord komt, wordt vader Charles Wouters er meteen bij betrokken:

Heel veel liefde of vriendschap kon hij [HCP] mij niet geven. Hij was heel erg beïnvloed door zijn vader die mij aanzag als een boerinneke uit Herentals. Maar in de ogen van zijn vader was ik te min en dat heeft mijn zoontje heel erg beïnvloed. (Vroeger natuurlijk). (p. 32)

Of het ouderlijke nest inderdaad “het belangrijkste deel van het land van Pernath is”, en of tante Lène de beste gids is om dat land te verkennen, laat ik hier in het midden. Het land van Pernath telt vele provinciën en het oprechte verhaal van zijn moeder, hoe aangrijpend ook, is uitermate subjectief – en juist daarom bijzonder revelerend.

Het belang van de gestoorde moeder-zoon relatie kan moeilijk onderschat worden, maar Pernath onderstreept zelf in een interview, opgetekend door Michel Bartosik, dat hij meer over de moeder schrijft omdat die figuur voor hem ook “vreemder” was, “maar de vader is overal aanwezig”.

Walter van den Broeck stelt terecht “aanvankelijk probeerde hij [Pernath] uit het puin van zijn jeugd een ik samen ter rapen”. Al te vaak laat Walter van den Broeck zich echter (onbewust) leiden door de visie van de moederlijke clan:

Culturele flarden had hij meegrekregen van zijn vader, die dweepte met Baudelaire en Rilke, maar van wie aangenomen mag worden dat hij vooral met hun namen koketteerde, om serieus te worden genomen, vooral door het schone vrouwvolk. (p. 14)

Van wie mag aangenomen worden ? Culturele flarden ? Dwepen ? Met namen kokketeren om serieus genomen te worden door het schone vrouwvolk ?

Net alsof het “schone vrouwvolk” rond Charles Wouters op de naam Rilke viel...

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
23 octobre 2010 6 23 /10 /octobre /2010 00:37

 

In ‘Boven de wet’, het Antwerpse eetcafé met de toepasselijke naam (gelegen in de schaduw van het Justitie- alias Vlinderpaleis), werd dinsdag de nieuwe thriller van Bob Mendes  voorgesteld. Uitgever Wim Verheije verwelkomde de genodigden als volgt:

Verheije.jpg

Wim Verheije leidt in (foto: Kris vdS)


Ditmaal geen groot episch verhaal dat zich afspeelt op verre continenten en over een lange tijdspanne, maar meer een eerder korte Antwerpse roman die wat setting en omvang betreft aansluit bij
Overspel. Ging het in Overspelom de farmaceutische wereld en in Vuil geld over de rol van de maffia in de Vlaamse samenleving, in Scherprechtergaat het wel over een heel brandend actueel thema: justitie.

Dezer dagen konden we nog in de pers lezen dat vooraanstaande magistraten in Brussel verhoord werden i.v.m. hun rol in de Fortisgate. Wat was en is daarbij de rol van Ghislain Londers, de hoogtste magistraat van België die met zijn brief aan de voorzitter van het parlement de regering ten val bracht. Staat hij boven de wet, maar ging hij toch zijn boekje te buiten? Wij zijn hier in het cafe Boven de wet, maar wij plaatsen ons hoop ik niet boven de wet. Sommige magistraten doen dat wellicht wel omdat ze vanuit hun ivoren toren het zicht op de maatschappij hebben verloren.

Bob Mendes, de grote man van de faction thriller, brengt met deze Scherprechter weer een gruwelijk actueel thema aan. Hij heeft er een neus voor om steeds die onderwerpen te kiezen die op het ogenblik dat het boek verschijnt brandend actueel zijn. Ondanks zijn hoge leeftijd is Bob nog steeds supergemotiveerd om boeken te schrijven die geïnspireerd zijn op de werkelijkheid.
Het plezierige van Scherprechter is bovendien dat Bob private eye Sam Keyzer weer ten tonele voert en dat was al even geleden.

Scherprechter is ook een heel persoonlijk boek geworden, want zoals wellicht elke schrijver zijn personage ent op echten mensen van vlees en bloed, zo heeft ook Bob zich bij het neerzetten van de protagonisten laten inspireren door mensen die hij gekend heeft.

MiekeMendes.jpg

Thrillerschrijfster Mieke de Loof belichtte Mendes' nieuw boek.

 

Kunst is de leugen die ons toelaat de waarheid te ontsluieren.”Als we deze uitspraak van Pablo Picasso toepassen op Scherprechter, de nieuwe, heel spannende Sam Keizer-roman van Bob Mendes, dan wordt dit: Scherprechter is een verzonnen verhaal dat Bob Mendes toelaat de waarheid over de Belgische justitie aan het licht te brengen.

Scherp, kritisch, goed gedocumenteerd en met veel zin voor nuance, legt Bob de zwakke plekken van de Belgische justitie bloot en hij doet dat met zoveel naturel dat je niet eens opmerkt hoe vernuftig hij feiten in fictie weeft. Als schrijver kan ik alleen maar met bewondering naar dit vakmanschap kijken: naar de heldere, klare plotlijnen, naar de perfecte spanningsboog, naar de manier waarop hij de lezer bespeelt, verleidt en op het verkeerde been zet en naar de subtiele technieken die hij gebruikt om kritisch commentaar op de actualiteit te geven – op de Fortiszaak, de guerre des juges, de Operatie Kelk, de installatie van de Hoge Raad voor Justitie. Nooit cynisch, wel sociaal bevlogen.
Die morele verontwaardiging is een constante in Mendes’ oeuvre. In een interview in de boeiende Mendesmonografie
Bob Mendes, Meester in Misdaad van Henri-Floris Jespers, verwoordt Bob het zo: ‘… Ik heb ondervonden hoe de kleine man af en toe slachtoffer werd van bestuursbeslissingen in multinationale ondernemingen. Ik kon daar niets tegen ondernemen. Misschien verklaart dat waarom ik nu een wereldverbeteraar ben geworden, nu ik als schrijver een stem heb om onrecht aan te klagen.’
Scherprechter is het zevende verhaal in de Sam Keizer-reeks, een internationaal gewaardeerde serie rond de hoofdfiguur Samuela, Sam, een avontuurlijke, joodse privédetective met een heel eigen erecode, die op eigengereide wijze naar waarheid zoekt.

Sams’ kantoor in de Vestingstraat 16 is het vertrekpunt van zoektochten in allerhande milieus. In Scherprechter bezoeken we deze keer niet de Hollandse synagoge aan de Bouwmeesterstraat maar trekken we naar een luxebordeel waar politici, captains of industry, modekoningen, mannequins, filmregisseurs en topcriminelen elkaar treffen. We leren dat ‘Yab Yum’ Sanskriet is voor ‘neuken’ en horen Sam in het Pomphuis zeggen hoe jammer ze het vindt dat de Lange Wapper-brug is weggestemd. We vangen zelfs een glimp op van cultuurschepen Philippe Heylen, die, als cameo, op een receptie in het MAS (het Museum aan de Stroom) opduikt. Kortom, de Antwerpse couleur locale weet Bob als geen ander op te roepen. Dat doet hij ook, heel subtiel, door Sams vader schijnbaar achteloos Jiddische uitdrukkingen, wijsheden of woorden te laten rondstrooien. Tedere, talige strelingen waarmee hij zijn liefde voor zijn dochter uitdrukt. ‘Bist vorsight’ of ‘shoyn forgessen’ drukken meer uit dan een ellenlange liefdesverklaring.

Scherprechter begint in medias res, midden in de actie, en aan de beginzin herkennen we de hand van de meester: ‘De eerste keer dat ik Danny Stein in levenden lijve te zien kreeg, lag hij naakt op zijn rug en in diepe slaap op een bed, met naast zich een al even naakte, slapende Perzische schone.’ Sam maakt daar kennis met Danny Stein, een infiltrant, die zijn opdracht blijkbaar nogal letterlijk neemt. De scène is perfect gesneden en perfect gemonteerd. Daarna bouwt Bob twee verhaallijnen rustig op die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben. In de ene verhaallijn zoekt Sam naar de persoon die de voorzitter van de correctionele rechtbank van Antwerpen met de dood bedreigt en in de andere helpt ze haar vriendin, die wanhopig toekijkt hoe haar minnaar, na een zware beroerte, verandert in een gekwetst dier dat wild om zich heen slaat. Bob vervlecht de twee verhalen steeds vaster met elkaar tot ze in een apocalyptische, zeer filmische eindscène, volledig in elkaar overvloeien.
Volgens Van Dale is een scherprechter zowel iemand die het vonnis uitspreekt als de beul, die het vonnis uitvoert. Zonder al te veel van de plot prijs te geven kan ik zeggen dat de beide betekenissen in
Scherprechter aan bod komen. Meer nog, de gelaagdheid van dit ogenschijnlijk eenvoudige, knap opgebouwde misdaadverhaal, zorgt ervoor dat we ook de auteur, met zijn intelligente en kritische commentaar op de samenleving, als scherprechter kunnen zien. Een van de dominante thema’s in Bobs werk is, zo lezen we bij Henri-Floris Jespers, ‘ … de ambivalentie van de macht die ten kwade en ten goede aangewend kan worden; de ambivalentie ook van de machtsdenker die in eigen ogen eerlijk en consequent handelt, en geheel blind blijft voor de perversie van zijn drijfveren en de verdorvenheid van zijn handelingen.’ Scherprechter is hier een prachtige illustratie van. Daarbij komt nog dat Bob ook heel interessante, morele vragen stelt. Vragen die bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre stelt in Les mains sales: Of het mogelijk is onkreukbaar te blijven in een systeem dat aangetast is door corruptie, partijpolitieke spelletjes en vriendjespolitiek. Of je het recht in eigen handen mag nemen als je weet dat een crimineel, die nog veel onschuldige slachtoffers zal maken, vrijuit zal gaan. Of je een systeem moet tolereren waarin machthebbers zichzelf controleren. Of je een weerloos slachtoffer van zo’n systeem bent. Uitdagende, actuele vragen die Bob in Scherprechter, zijn beste Sam Keizer-verhaal tot nu toe, niet uit de weg gaat.

Scherprechter is spannend, maatschappijkritisch maar zit ook vol humor. Ik citeer weer uit de monografie van Henri-Floris Jespers: ‘ … Het is soms of hij de personages en situaties vaste vorm laat aannemen in een droom, of in een nachtmerrie. Groots opgezette taferelen hebben niet zelden een Jeroen Bosch-achtige connotatie.’ In Scherprechter gaat het niet zozeer om groots opgezette taferelen maar om beklijvende close-ups van bijvoorbeeld een aftakelende sportgod, die zijn laatste missie tot een goed einde wil brengen. Inderdaad, surrealistische, Bosch-achtige taferelen.

Ik wil eindigen met een vraag: Zou Sam het vrouwelijke alter ego van Bob Mendes kunnen zijn? Dat Bobs romans diep geworteld zijn in de eigen emotionele ervaring, staat buiten kijf. Dat is zo bij iedere goede schrijver. In Henri-Floris Jespers’ monografie zegt Bob: ‘Ik schrijf het allemaal niet van me af, maar weer naar me toe.’ Bobs queeste naar zijn joodse identiteit, zijn moedige zoektocht naar het uiteindelijke lot van zijn vader in de aangrijpende Canvasdocumentaire, zijn verbeelding als kunstenaar die verdriet, gemis en schuldgevoelens weet om te zetten in gelaagde misdaadromans, bevestigen deze uitspraak. David Grossman eindigde zijn aanvaardingsspeech van de Duitse Vredesprijs met de bedenking dat hij, na het rouwen om zijn zoon Uri, die op het einde van de tweede Libanon-oorlog sneuvelde, opnieuw begon te schrijven en met een soort verbazing de vreugde van het schrijven weer ontdekte. ‘Opnieuw ontdekte ik dat schrijven voor mij de beste manier is om te vechten tegen alle soorten willekeur en tegen het gevoel dat ik er het weerloze slachtoffer van ben. Soms is dat ook de manier waarop een mens kan ophouden met slachtoffer te zijn.’ Of, vertaald voor Scherprechter: door een protagonist op te voeren zoals Sam, die een diepgeworteld gevoel voor rechtvaardigheid heeft en geen slachtoffer maar een ‘winner’ is, creëert Bob Mendes een fascinerend personage dat in staat is om verborgen wensdromen te verwerkelijken. De zijne en de onze.

 

Naast (golf)vrienden en famileleden (...en Bobs eerste klant), woonden ook o.a. René Broens, Stan Lauryssens, Leen Lever, Kris van der Sande en Gert Vingerhoets de presentatie bij.

Scherprechter

 

Bob MENDES, Scherprechter, Antwerpen, Manteau / Standaard, 224 p., 21,95 €, ISBN 978-90-223-2565-0.

 

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
22 octobre 2010 5 22 /10 /octobre /2010 21:08

 

De mens als kunstwerk of voorwerp

Gideon-Kiefer--Obesitas--gouache--potlood--balpen-en-stabil.jpg

Gideon Kiefer, Obesitas,

gouache, potlood, balpen op boekenkaft, 2009. Courtesy Galerie De Buck, Gent.

 

Alsof je een theater binnenstapt en een voorstelling meemaakt. Die indruk overvalt je telkens je naar een tentoonstelling gaat. Over de opbouw is door Patrick Allegaert, directeur van het Gentse Museum Dr. Guislain, en zijn team goed nagedacht. Er wordt vanuit twee richtingen gewerkt: de logica van de totaliteit van het onderwerp en de evolutie van de nieuwsgierigheid van de bezoeker, de toeschouwer. Haakt hij niet voortijdig af? Kan hij aan het eind van het parcours het begin nog zien? Elke tentoonstelling moet een verhaal hebben, een theatrale expositie zijn. Dat blijkt weer eens bij 'Het gewichtige lichaam Over dik, dun, perfect of gestoord'.

 

Als langste hongertijd had zijn impresario veertig dagen vastgesteld, langer liet hij nooit hongeren, ook in de wereldsteden niet, en daar waren gegronde reden voor.


 

Voor deze tentoonstelling zijn de samenstellers afgeweken van hun vaste startplaats, het brein van de mens. De uiterlijke verschijning is het uitgangspunt en de rode draad, in zijn extreme vorm. Anorexia en boulimia zijn echter geen modeverschijnselen, maar fenomenen van alle tijden. Dat zij meer dan ooit in de belangstelling staan, en dus een tentoonstelling waard, komt echter omdat de media als gieren er rondjes boven draaien. Te dik of te dun, het zijn beide kassabellen. Na een paar generaties panlatten schaven, is het weer karaffen geblazen. Maar niet in extreme vorm. Eenmaal boven het soortelijk gewicht van de teneur van het blad, schuift de karafmens naar voor, richting cover. En het publiek volgt mee. Nu er geen ideologieën meer zijn, telt meer dan ooit het uiterlijk.


 

Hij had het nog lang, eindeloos lang kunnen uithouden; waarom nu juist ophouden, terwijl hij in zijn beste, ja nog niet eens echt in zijn beste vorm van hongeren was?

 

Dat elke zender, hij zij openbaar of commercieel, een kookprogramma heeft, bewijst dat de schijn het heeft gehaald op het zijn. De wereld draait rond kledij, auto, horloge, interieur van woon- en werkomgeving, tuin, vakantieparadijzen en restaurants. Je plaats in de maatschappij wordt bepaald door een mix van de luxe. Dat was al zo in de oertijd van het Christendom zo, de Renaissance, de reformatie, het industriële tijdperk, het interbellum, de Koude Oorlog als het Hete Oosten van de laatste twintig jaar.

 

Het felle licht stoorde hem totaal niet, slapen kon hij toch helemaal niet en een beetje wegdommelen kon hij altijd wel, bij elke belichting en op elk uur, ook in een overvolle lawaaierige zaal.

 

Maar status is niet gebonden aan welstand. Status kan ook armoede zijn. En vanuit de armoede worden gezocht naar een status in de maatschappij. Een omgekeerde beweging. Dat is ook een verschijnsel dat aan bod komt in de tentoonstelling. Hoe kan ik mijn armoede zo aanwenden dat ik rijk word? Je staat soms verbaasd hoe een arme sukkel de media om zijn vinger wint en er garen bij spint tot hij – bij wijze van spreken – een bouwheer wordt en bankier. Le refrain se répète après chaque couplet. Toujours et partout. Elke generatie heeft zijn bedriegers. Mensen die verdunnen door een afwijking en zich tonen voor geld, maar in den duik eten en drinken, of verdikken. Honger- of vetkunstenaars strijden tegen elkaar, ook dat doet zich voor. Hij/zij is oprecht, de concurrent is een bedrieger.

 

Zo leefde hij met regelmatige kleine rustperioden vele jaren, in schijnbare glorie, geëerd door de wereld maar intussen toch meestal in een sombere stemming, die maar somberder werd door het feit dat niemand zijn hongerkunst serieus nam.

 

Fascinerend in deze tentoonstelling is hoe ideologieën vaak mager- of vetzucht niet alleen hebben beïnvloed maar ook bevorderd. Elke cultus heeft zijn ideale mens. Die model stond voor zijn succes. En waar mee geparadeerd werd om stemmen te winnen. Het blote bovenlijf van zowel mannen als vrouwen is altijd en voor elk bidhuis en stadion een propagandamiddel geweest. Politieke partijen maakten er gebruik van, maar ook vakbonden, het onderwijs als de cultuur. Het ideologisch perfecte lichaam was een belangrijk aspect te bate van het bereiken van de zuiverheid en de gestrengheid van de leer.

 

Hij alleen wist namelijk, verder wisten ook ingewijden dat niet, hoe gemakkelijk het hongeren was. Het was de gemakkelijkste zaak van de wereld.

 

Magerheid en obesitas kunnen echter ook vleesgeworden obsessies zijn. Een mens kan zich laten sterven of een dwangvoorstelling kweken die leidt naar stigmatisering. Wat de beweegredenen ook mogen zijn, de wetenschappers zijn er nog niet uit. En zullen er nooit uit zijn. De geest danst op de maat van de tijd maar niet op de vorm van de wet. De obsessies vormen het derde deel en hoogtepunt van deze tentoonstelling. De mens ziet zijn lichaam als een kunstwerk of een voorwerp. Daarom belandt de ene geobsedeerde van die gedachte in een kunstencentrum en de andere in een ziekenhuis. Maar wat is hun verwantschap en is er een grens te trekken? Hoeveel kunstenaars belanden niet ten onrechte in een krankzinnigengesticht en hoeveel gekken niet te rechte in een museum.

 

Probeer maar eens iemand de kunst van het hongeren uit te leggen! Voor iemand die het niet aanvoelt kun je het niet begrijpelijk maken.

 

De details van deze prachtige voorstelling staan in de als vanouds verzorgde catalogus. De wetenschappelijke artikels schetsen op bevattelijke wijze het beeld uit van de talrijke tableaux vivants, waartussen de bezoeker zich een figurant voelt. De talrijke illustraties zijn raak en scherp. De waarheid komt altijd aan het licht via de pen, het penseel, de beitel en de lens.

Een tekort dat telkens weer opduikt is de afgelegen cafetaria. Wie wil napraten voelt niet de aandrang er zich naartoe te reppen. En dat is nochtans nodig. Na elke voorstelling wil de goede toeschouwer even op adem komen. Ter plekke. Een tweede mankement is het ontbreken in deze tentoonstelling van tekeningen van Roland Topor. Seks stond weliswaar centraal in zijn beeldend en literair werk, maar alles vertrok en eindigde bij hem vanuit de darmen.

En zijn zij niet de wezenlijke slachtoffers van vetlaag en pluimgewicht? Gezien vanuit het belang van het evenwichtig functioneren van het denken.

 

Dat waren zijn laatste woorden, maar zelfs toen zijn ogen al braken lag er dezelfde vaste, zij het niet meer trotse, overtuiging in dat hij doorhongerde.

 

Guido LAUWAERT

Claude-Ambroise-Seurat--ingekleurde-gravure--Wellcome-Colle.jpg

Claude Ambroise Seurat, ingekleurde gravure, Wellcome Collection, Londen.

L-unite-de-la-force--prentbriefkaart--s.d.-Amsab-ISG--Gent.jpg

L'unité fait la force, prentbriefkaart, s.d., Amsab-ISG, Gent.

 

Het gewichtige lichaam. Over dik, dun, perfect of gestoord –Museum Dr. Guislain, Gent – van 8 oktober tot 8 mei 2011 – www.museumdrguislain.be

 

De cursieve teksten zijn geplukt uit Een hongerkunstenaar van Franz Kafka.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
17 octobre 2010 7 17 /10 /octobre /2010 04:35

 

hcpWvdB.jpg

Het belang van de bijdrage tot de biografie van Pernath door Walter van den Broeck (°1941) kan niet genoeg benadrukt worden. Op 8 oktober hield hij de vijfde Hugues C. Pernathlezing, Het Land van Pernath.In mijn blog van 6 oktober onderstreepte ik dat de neef van de dichter aankondigde letterlijk een boekje op te doen óver en ván Pernaths moeder, Grace Helen van den Broeck, “tante Lène” (1911-1996).

Mijn FB-vriendin Miki (die in Frankrijk woont) reageerde kernachtig maar niet minder voorbarig (vond ik toch): “Is dit echt nodig na zoveel jaar, vind het een beetje misplaatst, maar ja als het zijn geweten geruststelt...” Wat er ook van zij, de verwachting waren hoog gespannen. Walter van den Broeck had immers onthullingen uit het familie-archief nadrukkelijk in het vooruitzicht gesteld.

Jammer genoeg kon ik de lezing niet bijwonen – maar des te rustig de tekst tot mij nemen. De dichter Jean Emile Driessens – sinds de prille jaren zeventig een onvoorwaardelijke bewonderaar van Pernaths poëzie – wist mij immers te vertellen dat de toehoorders zwaar onder de indruk waren van de (lange) lezing en bezorgde mij een exemplaar van de brochure.

In contrast met de vorige Pernathlezingen, die gekenmerkt waren door een objectiverende en thematische aanpak, koos Walter van den Broeck duidelijk voor een persoonlijke getuigenis. Hij schetste zijn familiale banden met Pernath en bekende daarbij dat hij thuis nooit met enige sympathie over “Huug” heeft horen praten. Uit het familiearchief haalde hij brieven aan waarin de spot gedreven wordt met “de dichter”. Hij verwees discreet naar zijn aanvankelijk schaarse contacten met Pernath (1931-1975), die hij pas na 1972 vaker te zien kreeg. Een tekst van “tante Lène” nam zowat de helft van de lezing in beslag – te oordelen aan de brochure.

Een paar jaar voor haar dood in 1996 belde Pernaths moeder Walter op: “Ze had haar levensverhaal opgeschreven en of ze dat eens mocht opsturen”. Zo kwam hij in het bezit van een gekopieerd manuscript met als titel Mijn en mijn zoons leven. Walter en zijn vrouw hebben er vele uren over gedaan om de oertekst tot een leestekst om te werken, “die zo dicht mogelijk bij het origineel blijft”. Die verkorte versie werd voorgelezen en gepubliceerd.

De vlag dekt echter de lading niet. De tekst eindigt immers abrupt in 1944.

Had ze niet meer te vertellen? Ontbrak haar de moed of de kracht om haar ambitieuze plan helemaal ten uitvoer te brengen? Of beschouwde ze haar opdracht als volbracht? Onwaarschijnlijk is dat niet. Toen ze mij belde zei ze niet dat het maar om een fragment ging. Ze was duidelijk. Ze had Mijn en mijns zoons leven geschreven. Over haar leven hebben we heel wat vernomen, over dat van haar zoon tamelijk weinig. Het lijkt wel alsof zijn leven eindigt in 1944, in een opklapbed, gelegen tussen zijn vader en zijn moeder. (Het Land van Pernath, p. 35)

In de eerste Pernathlezing, op 10 oktober 2002, heeft Joris Gerits (°1943), die in 1980 promoveerde op een proefschrift over Pernath, dit document humain bestempeld als “een aanzet tot een autobiografie”, geschreven “met een uitgesproken bedoeling van zelfverweer”. Dat Pernaths moeder belang aan die tekst gehecht heeft, “blijkt uit de verschillende met de hand geschreven versies ervan en uit het feit fat ze er ook een kopie van gemaakt heeft”. Haar aantekeningen “vormden blijkbaar haar tot archief gestolde herinneringen, een bron waaruit ze kon putten als haar daarom gevraagd werd”. (1) Dat kon ik zelf bij herhaling vaststellen.

Het zou verhelderend zijn te vernemen wanneer Grace van den Broeck die aantekeningen optekende en in hoeverre de verschillende versies al dan niet betekenisvolle discrepanties vertonen. Gaat het om een dagboek (zoals in de aankondiging van de lezing geponeerd werd), om een terugblik post festum, om een mengeling van beide? Wat er ook van zij, Mijn en mijn zoons leven is een pakkend, schrijnend document, waarin een eenvoudige en subjectief ongetwijfeld oprechte vrouw haar uiterst navrante verhaal (tot 1944) openhartig prijsgeeft. In haar aanzet tot een autobiografie wordt haar echtgenoot Charles Wouters uiteraard beladen met alle zonden van Israël. Op geen enkel moment weet ze enige afstand van zichzelf te nemen. Niets kan haar grote gelijk aantasten.

Merkwaardig genoeg wordt niets vernomen over haar latere toch wel heel bijzondere verhouding met haar zoon. Dat versterkt mij in de mening dat de datum van ontstaan van de tekst kapitaal is om hem contextueel ten gronde te evalueren. (Ik hou daarover een werkbare en onthullende hypothese in petto.)

Ik heb zowel Grace van den Broeck als haar tweede echtgenoot (2), Charles Wouters en zijn tweede vrouw / gezellin goed gekend. Vanaf 1966 behoorde ik tot de beperkte kring intimi van Pernath. Hij sprak mij vaak over zijn vader, zelden over zijn moeder, die nochtans vaak zijn soelaas was (om niet meer te zeggen...) wanneer hij met materiële zorgen of acute relatieproblemen worstelde. Ik durf dus gerust te stellen dat het document dat nu aan de openbaarheid prijsgegeven wordt kritisch gelezen moet worden: het zegt meer over Grace van den Broeck dan over (de jonge) Pernath.

Walter van den Broeck heeft er zich niet toe beperkt die tekst aan de openbaarheid prijs te geven. Hij doorspekte zijn lezing ook met persoonlijke op- en aanmerkingen over Pernath en zijn oeuvre. In dat verband ben ik het veelal met hem oneens. Meer daarover in een volgende aflevering.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)


(1)Joris GERITS, Over een soldaat, 2002, pp. 6-7. “In Aantekeningen van een stambewaarder (1977) vermeldt Walter van den Broeck feiten over en verwoordt hij gevoelens van zijn tante Hélène […], die bijna woordelijk terug te vinden zijn in haar autobiografisch kladje. Ook in het lange gesprek dat Frank Albers met haar had, gepubliceerd in De Morgen van 22-1-1993, vertelt ze ervaringen uit haar leven in dezelfde of soortgelijke bewoordingen als in haar schets van 'mijn en mijn zoons leven'.”

(2) Architect Jan Jaak JACOBS (1909-1991), treffend geportretteerd door Paul SNOEK in zijn autobiografische roman Een hondsdolle tijd, Brussel / Den Haag, Manteau, 1978, p. 41.

Het Hugues C. Pernath Fonds publiceerde eerder:

Joris GERITS, Over een soldaat, 2002, 32 blz.

Stefan HERTMANS, Volleerd als maagd, 2004, 23 blz.

Henri-Floris JESPERS, De maskers van Melpomene.Pernath en het theater, 2006, 64 blz.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
12 octobre 2010 2 12 /10 /octobre /2010 06:08

Moderne critici zijn het erover eens dat Hamletde as vormt van Shakespeares werk, waar de andere toneelstukken als spaken omheen draaien,’ schrijft John Carroll in De teloorgang van de Westerse cultuur. Maar Hamletis meer dan dat. Het is een van de literaire kunstwerken die aan de wieg staan van het humanisme. Niet verwonderlijk daarom dat Luk Perceval ooit het stuk zou regisseren. Dat hij het nu pas heeft gedaan, op 53-jarige leeftijd, komt omdat hij, naar eigen zeggen, er nog niet rijp voor was. Eerst moest hij een lange weg afleggen.

Perceval.jpgLuc Perceval

De geest van Shakespeare, bij monde van Hamlet, staat centraal in de regie van Perceval, de leider van het Thalia Theater Hamburg. Veel meer dan alle andere stukken is Hamleteen gedachtestroom van Shakespeare. Hamlets vader ligt als een dood edelhert centraal op het toneel, met een koord om de nek. Klaar om opgehesen te worden, gevild en geslacht. Iedereen draait er omheen, ook Hamlet, zonder het te zien. Niet verwonderlijk dat Perceval gekozen heeft voor het hert als symbool. Shakespeare was geen stadsjongen. Zijn stukken zitten vol gezegden ontleend aan de natuur en het boeren- en dorpsleven.

Daarenboven haalde Shakespeare het gegeven bij een oude saga van Deense komaf, dat Amleth heette. Naast het Deense edeldier heeft Perceval rekening gehouden met de afkomst van het verhaal. Op het kaft van het programmaboekje staat de titel van het stuk op twee regels: H / amlet. Achteraf bekeken kan Percevals regie van Hamletmaar tot één conclusie leiden: alle glans is eraf. Niet alleen de regisseur heeft dat gedaan, maar ook de auteur. Hij geeft dat subtiel weer in een zin die een tussendoortje is, maar waarin de titelfiguur zegt dat hij in Wittenberg gestudeerd heeft. Het is de stad waar in 1517 Luther zijn stellingen aan de poort van de Schlosskirche spijkerde. Ook voor Luther moest de glans van de Roomse Leer en Werken eraf.

De eerste glanslaag die Perceval eraf haalde is de geest van Hamlets vader. Hij verschijnt niet, nooit, maar is er wel. In het hoofd van Hamlet. Vanuit zijn geest spreekt hij met twee tongen. Perceval verbeeldt dat door Hamlet, die niet als mooie jonge man verschijnt maar als massieve volwassen man van de tweede leeftijd, een kind te laten baren. Een jongeman die zich van geen kwaad bewust de wereld inblikt. Soms geeft het kind een aanzet op een uitspraak van de volwassene om even later een reactie te geven. Hamlet is volwassene noch kind. Hij is dé denkende mens.

De geboorte gebeurt terwijl Hamlets moeder Gertrude wulps draait rond zijn oom Claudius. Het is een overrompelend begin. Claudius is net tot koning gekroond na de dood van Hamlets vader en goed twee weken ver of Gertrude en Claudius zitten al meer in bed dan op de troon. Waar is de rouw? De etiquette? Door Hamlets hoofd en dat van het publiek spookt de kreet ‘Le roi est mort, vive le roi!’ Dat Claudius Hamlets vader heeft vermoord staat ook nergens zwart op wit. Het blijft een vermoeden. Dat wordt zo sterk dat het Hamlet tot waanzin drijft.

Ophelia wordt er haast gek van, maar ze wordt niet gek. Ze kiest voor de verdrinkingsdood. Want de gek heeft in zijn gekte een vrije wil, en die heeft Ophelia niet. Zij is wanhopig. Gekken plegen trouwens geen zelfmoord. Is Ophelia’s dood de schuld van Hamlet? Alle andere mensen rond haar zijn medeschuldig, door haar voortdurend te zeggen dat zij de ideale vrouw voor hem is. Daarom spoort haar vader Polonius, zowel als het koningspaar haar aan Hamlet te bespioneren. Niet enkel om te weten wat hij doet, maar ook om haar in zijn armen te drijven.

Een tweede glanslaag die Perceval verwijderd heeft is de twee vrienden van Hamlet, Rosencrantz en Guildenstern, door een en dezelfde persoon te laten spelen. Het zijn geen echte vrienden maar hangen aaneen van spottend geslijm, de basisspecie van hypocrisie. Hypocrieten verschillen niet van elkaar. Net als doodgravers. Wat de ene zegt kan evengoed door de andere worden gezegd. Ook daarom worden ze door en dezelfde acteur gespeeld. Hij heeft zich gekroond met een doodshoofd. Die geen wartaal uitslaat maar boerenwijsheid, gevonden in wat rest van ‘s mensenmest.

Het denken van Hamlet wordt door de mensen uit zijn omgeving gemarteld. Valsheid vecht met verraad en vermoeden met verwijt. Droom wordt doem. Aan het eind vloeit er geen bloed, is er geen dode. Bloed en dood zijn ingebeelde materie en denkmacht. In plaats van doden verschijnen een dozijn kinderen. Allemaal zijn het kleine Hamletjes. Ze lachen en wuiven naar het publiek, spontaan. Met toestemming ongetwijfeld van Perceval. Ze reciteren samen met de oudere Hamlet de slotregels. De betekenis van deze regiestunt? Ook zij moeten op een dag creperen, als zij het denken boven het zappen verkiezen. Hoe zullen zij dat doen? moet Perceval gedacht hebben.

Voor Perceval is het humanisme mislukt. Slechts het Bhoeddisme kan nog eerbied hebben voor het menselijk individu, de maatschappij, de natuur en de cultuur. Met dat besef voor ogen was hij klaar voor ‘zijn’ Hamlet. Hij heeft de dark side van het stuk in kaart gebracht. Letterlijk en figuurlijk. Van de belangrijkste [halve] zin uit het stuk, To be, or not to be, heeft Perceval – bij monde van zijn tekstbewerkers - drie zinnen gemaakt. To be. / Or. /Not to be. // Sein. / Oder. / Nicht sein; // Naar mijn mening is de juiste betekenis: Zijn. / Hetzij. / Niet Zijn; //

Hamlet2.jpg

De achterwand is gevuld met kostuums. Net als in een kleerkast. Kostuums van Skakespeares tijd tot nu. De hele wand wiegt wanneer acteurs er doorheen stappen. Want de kwestie van alle tijden wiegt op de politiek van de dag.

Hamlet/Perceval is een beeldverhaal om stil van te worden. En pas de juiste woorden te vinden om een mening te vormen na een nacht woelen, een dag dolen en na een tweede nacht op adem komen.

Guido LAUWAERT

 

HAMLET. Regie: Luk Perceval. Productie: Thalia Theater Hamburg.Gezien op 9 oktober in de Rabozaal van de stadsschouwburg van Amsterdam. www.thalia-theater.de

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
11 octobre 2010 1 11 /10 /octobre /2010 21:55

Het themanummer 'Bedrijvig in kunst' van Kunsttijdschrift Vlaanderen, samengesteld door Geert Swaenepoel en Emmanuel Van Lierde, besteedt aandacht aan bedrijven die instaan voor het kunstmecenaat, waarbij vooral gefocust werd op verzamelaars die vanuit hun passie voor kunst bewust met hun collectie naar buiten komen.

Foundation.jpgInhoud:

Kunst in beweging – De dynamiek van de Verbeke Foundation in Kemzeke (Geert Swaenepoel);

Kunst vormt tegengif voor autistische bedrijfscultuur – Würths gigantische kunstcollectie doet Europese vestigingen aan (Emmanuel Van Lierde);

Decorateur, entrepreneur, collectioneur – Zin en onzin van de Vanmoerkerke Collection (Sara Weyns);

Van mecenaat naar partnerschap – Op zoek naar een nieuwe relatie tussen kunst en economie (Emmanuel Van Lierde);

'Disorder in the house' – Vanhaerents Art Collection (Patrick Auwelaert);

Ruimte geven aan creatieve eigenheid – De coöperatieve aanpak van Cera (Lies Daenen);

Kunst ondergronds (Geert Swaenepoel);

Een museum dat meer museum wil worden – De kunstcollectie van de Provincie West-Vlaanderen en de Stad Oostende (Patrick Auwelaert);

Kunst siert luchthaven (Emmanuel Van Lierde).

*

'Bedrijvig in kunst' wordt gepresenteerd op woensdag 13 oktober om 18 uur in de Verbeke Foundation, Westakker, 9190 Kemzeke (Stekene).

Bij die gelegenheid vindt een uniek panelgesprek plaats met als deelnemers Geert Verbeke (Verbeke Foundation), Vincent Verbist (Vanhaerents Art Collection) en Michel en Julie Espeel-Vandenbroucke (Constructies Espeel en Arteconomy). Moderator: Emmanuel Van Lierde.

De presentatie wordt afgerond door een rondleiding in de Verbeke Foundation, waarna er kans is tot napraten bij een drankje.

Over Verbeke Foundation:

http://mededelingen.over-blog.com/article-21598465.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
10 octobre 2010 7 10 /10 /octobre /2010 03:59

 

trofee4.jpg

Op 31 oktober worden de nominaties voor De Diamanten Kogel 2010 bekendgemaakt tijdens een feestelijke bijeenkomst op de Antwerpse Boekenbeurs.

De Diamanten Kogel bekroont jaarlijks het beste, "spannende" oorspronkelijk Nederlandstalige boek. De bekroonde schrijver ontvangt als trofee een boksbeugel van 500 gr. sterlingzilver met vier diamanten van 0.35 ct elk, een oorspronkelijk kunstwerk van de internationaal gerenommeerde conceptuele kunstenaar Wim Delvoye.

De jury van DDK 2010 bestaat uit Frank van den Auwelant, Ineke van den Bergen, Jos van Cann, Eric Diepvens, Henri-Floris Jespers (voorzitter), Kris Kenis, Alain Sohier, Geert Swaenepoel en Magali Uytterhaegen, en buigt zich over 67 inzendingen:

 

  1. Belinda AEBI, Dubbelspel, Manteau, 2010

  2. René APPEL, Van twee kanten, Anthos, 2010

  3. Willem ASMAN, Koninginnedag, Cargo, 2010

  4. ASPE, De cel, Manteau, 2009

  5. ASPE, De vijand, Manteau, 2010

  6. BAANTJER & DE WAAL, Een lijk in de kast, Lebowski, 2010

  7. Piet BAETE, Wacht maar tot ik wakker word, Manteau, 2010

  8. Aster BERKHOF, Dodelijk papier, Houtekiet, 2010

  9. Danny BEYENS, Het spoor van de jakhals, Kramat, 2010

  10. BOGAERTS, Pervers, Houtekiet, 2010.

  11. MPO BOOKS, De blikvanger, De Leeskamer, 2010

  12. Nico de BRAECKELEER, Het enigma van 8, Kramat, 2010.

  13. Patrick de BRUYN, Dodelijk verlangen, Manteau, 2010

  14. Arend Cornelis van CAMPEN, Probo Koala, Ellessy, 2009

  15. Jo CLAES, Dood in december, Houtekiet, 2010.

  16. Christian de CONINCK, Het München syndroom, Houtekiet, 2010.

  17. Toni COPPERS, De geheime tuin, Manteau, 2010

  18. DEFLO, Schimmen, Manteau, 2010

  19. DEFLO, Jaloezie, Manteau, 2010

  20. Bavo DHOOGE, Sioux blues, Manteau, 2010

  21. Ruben van DIJK, Graan, Bruna, 2010

  22. Lieneke DIJKZEUL, De geur van regen, Anthos, 2009

  23. Piet DUTHOIT, Wie vermoordde Darwin? Houtekiet, 2010

  24. Guido EEKHAUT, Wolven, Manteau, 2010

  25. Alex van GALEN, Duivelssonate, Bruna, 2010

  26. Nanne HARKEMA, Buitenspel, Ellessy, 2010

  27. Joost HEYINK, Het experiment, Anthos, 2010

  28. Ellen den HOLLANDER, Door het vuur, Querido, 2009

  29. Jan van HOUT, Eindspel, Ellessy, 2010

  30. Paul JACOBS, De laatste grap, Houtekiet, 2010.

  31. Annet de JONG, Levend bewijs, Querido, 2010

  32. Carla de JONG, Serpent, Archipel, 2009

  33. Martine KAMPHUIS, Ziek, De Arbeiderspers, 2009

  34. KISLING & VERHUYCK, De duim van Alva, De Arbeiderspers, 2010

  35. Martin KOOMEN, D-trein uit Warschau, Ellessy, 2010.

  36. Geert-Jan Alexander KNOOPS, Advocaat van de president, Bruna, 2010

  37. Bob van LAERHOVEN, Terug naar Hiroshima, Houtekiet, 2010

  38. Stan LAURYSSENS, Rijker dan rijk, Manteau, 2010

  39. Mieke de LOOF, Wrede schoonheid, De Geus, 2010

  40. Marthe MAEREN, Schedelkraker, Manteau, 2010

  41. Nellie MANDEL, Rode aarde, Manteau, 2009

  42. Ariane MEIJER, Zwart zaad, Sirene, 2009

  43. Kim MOELANDS, Weerloos, The House of Books, 2010

  44. Tupla MOURITS, Meer dood dan levend, De Arbeiderspers, 2010

  45. Ingrid MULDER, De boogschutter, Ellessy, 2009

  46. Gerard NANNE, De man van Imelda, Ellessy, 2009

  47. Heleen NIELE, Vals, Cargo, 2010

  48. Elma NOE, Game, set & match, Archipel, 2010

  49. Almar OTTEN, Lied van de angst, ArtNik, 2009

  50. Marion PAUW, Zondaarskind, Anthos, 2009

  51. Jos PIERREUX, Crisis in Lippensville, Houtekiet, 2010.

  52. Tomas ROSS, Het meisje van Buenos Aires, Cargo, 2009

  53. Matthias ROZEMOND, Enkele reis Sicilië, Querido, 2010

  54. Gerry SAJET, Schone schijn, Ellessy, 2009.

  55. Jonathan SONNST, Mevrouw de dictator, Manteau, 2009

  56. Anita TERPSTRA, Nachtvlucht, Cargo, 2009

  57. Charles den TEX, Wachtwoord, De Geus, 2010

  58. Roel THIJSSEN, Broederbloed, Marmer, 2010.

  59. TOES & HOEPS, Het leugenarchief, De Geus, 2009

  60. Bert van der VEER, De meisjeskijker, Baarn, Marmer, 2009

  61. Herman VEMDE, Dame Blanche, Ellessy, 2009

  62. Lydia VERBEECK, Duivelsgesel, Manteau, 2010

  63. Suzanne VERMEER, Cruise, Bruna, 2010.

  64. Koen VERSTRAETEN, Het Ibrahim-comité, Houtekiet, 2010

  65. Simone van der VLUGT, Op klaarlichte dag, Anthos, 2010

  66. Jacob VIS, De erfgename, Ellessy, 2010

  67. Peter de ZWAAN, Een zaak van vrouwen, Cargo, 2009

*

Volgende auteurs ontvingen de trofee:

 

2002: Benny Baudewyns, De Emerson locomotief.

2003: Jef Geeraerts, Dossier K.

2004: Bob Mendes, Medeschuldig.

2005: Esther Verhoef, Onder druk.

2006: Felix Thijssen, Het diepe water.

2007: Patrick Conrad, Starr.

2008: Simon de Waal, Pentito.

2009: Bavo Dhooge, Stiletto Libretto.

 

http://diamantenkogel.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
10 octobre 2010 7 10 /10 /octobre /2010 02:08

 

Het eerste exemplaar van het fotoboek De tijd stil zetten omheen Louis Paul Boon werd op 18 september in het Belfort te Aalst overhandigd aan fotograaf Paul van den Abeele, die zowat als de lijffotograaf van Boon (1912-1979) beschouwd kan worden. De afgebeelde foto's vormen slechts een zeer kleine selectie uit het rijke en overvolle archief van de fotograaf.

LPBvdAPaul van den Abeele (°1929) was vanaf 1947 fotograaf-verslaggever bij de Standaard-groep. In een vorig leven zag ik hem wel af en toe. Ik bewaar de herinnering aan een man met veel zin voor humor, begiftigd met een scherp observatievermogen. Hij was overal, heeft iedereen gekend, maar zijn vermogen tot verwondering en zijn kwikzilverachtige aandacht waren bestand tegen alle vormen van slijtage. Zijn bescheidenheid en zin voor relativering trof me telkens opnieuw. Het is beslist niet vermetel hem te typeren als een van de beste Vlaamse persfotografen ooit, maar hij stelde droogjes dat “goede fotojournalisten rusteloze kereltjes zijn die van hot naar her hollen om de dramatiek van het eenmalige moment vast te leggen”.

Het voorwoord van het fotoboek is van de hand van Willem M. Roggeman (°1935). Hij benadrukt:

De belangrijkste activiteit van Louis Paul Boon werd echter niet gefotografeerd. We zien hem niet op de momenten van grote innerlijke spanning, wanneer hij weer een nieuwe scène schreef in één van zijn romans, ook niet op de momenten van geluk en bevrijding wanneer hij weer een roman heeft voltooid, noch op de momenten van aangename ontspanning, toen hij werkte aan een houtskooltekening, een schilderij of één van zijn kastjes. Al deze momenten blijven voor eenieder verborgen. Daar duldde Boon geen getuige bij, ook geen fotograaf, zelfs Paul Van den Abeele niet. […] Wel zoen we in dit boekje Louis Paul Boon op de momenten waarop vele anderen hem zagen. Deze foto's tonen de publieke figuur Louis Paul Boon tijdens vieringen, tijdens zijn bekroning met de Staatsprijs voor een schrijversloopbaan, als inleider van tentoonstellingen, op straat tijdens carnaval. Maar er zijn ook wat intiemere foto's, genomen in zijn woning […]. Hier zien we hem dan in de woonkamer, aan de telefoon, alleen met zijn vrouw Jeanneke, of met een fototoestel in de hand, of alleen zittend op de bank, mijmerend met een sigaret tussen de vingers, het bezoek vergetend, misschien alweer denkend aan wat hij straks zal schrijven, wanneer de bezoekers eindelijk vertrokken zijn.

Het boekje bevat 29 zwart-wit foto's. Het werd samengesteld, ingeleid en van onderschriften voorzien door Willem M. Roggeman en ten behoeve van het Louis Paul Boon Genootschap uitgegeven door Stichting Isengrinus te Utrecht.

HFJ

Leden en nieuwe leden van het Louis Paul Boon Genootschap ontvangen een exemplaar van de uitgave als geschenk. Voorwaarde is dat zij hun contributie 2010 hebben voldaan.

Leden krijgen onder meer gratis toegang tot alle bijeenkomsten en evenementen van het Genootschap; ontvangen driemaal per jaar het tijdschrift Boelvaar Poef (w.o. een dubbelnummer) alsmede de tweemaandelijkse Boonberichten.

Het lidmaatschap bedraagt 40 € (2010). U kunt zich op diverse manieren aanmelden als lid:

telefonisch contact opnemen met een van de secretarissen;

Secretaris België: John Jacobs, Peutie. Tel. +32 (0)22512291.

Secretaris Nederland: André Dumont, Nijmegen. Tel. +31 (0)243565019.

een e-mail sturen naar mail@lpboon.net met de vermelding 'Aanmelding nieuw lidmaatschap';

de lidmaatschapsbijdrage direct naar een van de hieronder genoemde bankrekeningen m.v.v. 'Nieuw lid':

België: 068 – 2004947 – 81 t.n.v. L.P. Boon Genootschap, Aalst.

Nederland: 5685885 t.n.v. L.P. Boon Genootschap, Nijmegen.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
6 octobre 2010 3 06 /10 /octobre /2010 04:15

Hugues2.jpg

Hugues C. Pernath

De vijfde Pernath-lezing wordt gehouden door Walter van den Broeck (°1941), neef van de dichter. Hij belooft letterlijk een boekje open te doen óver en ván Pernaths moeder, Grace van den Broeck.

De lezing vindt plaats op vrijdag 8 oktober in het Antwerpse AMVC / Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22, en is gratis toegankelijk. Na afloop is er een receptie en krijgen de aanwezigen eveneens gratis een brochure aangeboden met Van den Broecks onthullingen uit het familie-archief.

Hugues' francofiele vader Charles Wouters keek nauwelijks om naar echtgenote Grace van den Broeck en zoon. Pernaths moeder werd depressief maar hield wel een dagboek bij over haar moeilijke relatie met haar echtgenoot en met de zoon-dichter. Walter van den Broeck zal uit dit nagelaten journaal putten om de maskerade in Pernaths poëzie van een mogelijke sleutel te voorzien. Pernath leed wel degelijk onder de gespannen familiale situatie. De sporen van die fatale familiale driehoek – Pernath was enig kind - zijn in Pernaths stugge omgang én in zijn maniëristische poëzie duidelijk aanwezig, zo Van den Broeck.

Hugues C. Pernath, de eerste gouverneur van Pink Poets, overleed in de Antwerpse privé-club V.E.C.U. op 43-jarige leeftijd in 1975.


hfjhcp.jpg

Het Hugues C. Pernath Fonds publiceerde eerder:

Joris GERITS, Over een soldaat, 2002, 32 blz.

Stefan HERTMANS, Volleerd als maagd, 2004, 23 blz.

Henri-Floris JESPERS, De maskers van Melpomene, 2006, 64 blz.

*

In de voorbije jaren verschenen op het blog van het CDR talrijke bijdragen over Pernath en zijn kring.

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche