Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
15 août 2012 3 15 /08 /août /2012 17:45

 

GuidoCohen

Zaterdag 11 augustus. Na de ochtendthee slenter ik naar mijn bibliotheek en kies een dichtbundel. Een uitgave van Penguin: Book of Longing. 230 pagina’s met gedichten en tekeningen van Leonard Cohen. Publicatie: 2006. Opgedragen aan Irving Layton, een collega dichter en schrijver, overleden op 4 januari van datzelfde jaar.

 

Irving Layton werd in 1981 genomineerd voor de Nobelprijs Literatuur, maar Elias Canetti ging met de buit lopen ‘voor werken,’ om de centrale zin uit het juryrapport te plukken, ‘die gekenmerkt zijn door ruimdenkendheid, vindingrijkheid en artistieke kracht.’ Bol, dat wel, maar hol. De jury heeft nooit uitgeblonken in sterke standpunten. De rapporten geven tevens aan waarom auteurs als James Joyce, Robert Musil, Virginia Woolf, Franz Kafka en Vladimir Nabokov niet tot de laureaten behoren. Bijkomende factoren als politiek en neutraliteit waren voor de jury altijd belangrijker dan sociaal engagement en seksuele openhartigheid, vaak op een bedje van een vette laag satire. Elementen die ook de poëzie kenmerken van Leonard Cohen, al is zijn satire verborgen onder de doorschijnende blouse van relativering en tederheid.

 

De bundel verdwijnt in een envelop, ik stop een poëzieposter in een koker, en meld me wat later aan bij de balie van het hotel waar hij logeert. Drie gekostumeerde baliebedienden staren mij aan als ik de koker, de envelop en mijn kaartje in hun richting duw. ‘Wij mogen niets aanvaarden,’ zegt de middelste van het drietal. Ik dring aan. Stijve stilte, blanke blik.

Goed, dan zijn wij uitgepraat, vermoed ik?’ Ik draai mij om, ga zitten in de lobby en bestel een café latte. Op dat moment passeert Leonard Cohen. ‘Good morning, mister Cohen,’ zeg ik. ‘Please, will you sign your book of poems?’ Sure,’ antwoordt hij zonder aarzeling. ‘Where is it?’ Hij signeert op de gesloten vleugel de bundel op de pagina met een van mijn favoriete gedichten.

Terwijl hij letter voor letter op het opdikkend papier eerder schildert dan schrijft, haal ik de poster uit de koker en rol hem open.

 

O, beautiful,’ zegt hij met een breekbare stem. ‘More a statement than a verse,’ zeg ik. ‘I’m not a poet but rather a promoter. And that brings you in a lost moment to put your feelings on paper.’ Cohen grinnikt. ‘You only need two words for poetry. And a sense of warmth.’ Hij zet het poëtisch statement van het Frans om in het Engels: ‘GAND… nobody… have you… never… told of your taste… than your tables. - Indeed, that’s the soul of the silent power of Ghent.’ Hij heeft gesigneerd op een pagina met een van mijn favoriete gedichten. Hij ziet twee met potlood onderstreepte versregels. Een vinger gaat naar het blad. ‘Why these lines?’ – ‘I find them strong.’ – ‘O, I prefer the next two.’ Ik lees ze. ‘Yes, indeed, they are stronger. But the stronger ones need to draw attention to the weaker.’

 

 

Are you coming to the concert?’ – ‘I will, sure, but it’s sold out, I hear. Full house.’ Hij wenkt een struise man die vanuit de verte toekijkt. ‘Give Guido a ticket,’ zegt hij. En zich naar mij wendend. ‘One or two?’ Voorzichtig opper ik dat het morgen de verjaardag is van mijn partner. ‘It would be a nice birthday present.’ – ‘Make it two,’ zegt hij tegen de kerel. ‘Which day? – ‘Tuesday?’

 

Hij maakt aanstalten om te vertrekken maar wordt opgehouden door een koppel. De man vraagt om een foto. Cohen, een frêle man en naast hem een Amerikaan, mooi in het vet. Een foto vragen was ik niet van plan, maar de lef van de man verdrijft mijn aarzeling. De balieman wordt erbij geroepen. Hij maakt met mijn eenvoudig mobiel toestel een foto. ‘And a second one.’

 

Nice stay in Ghent,’ zeg ik ten afscheid. Handen worden geschud. ‘Thank you, Guido.’

Aanvankelijk was het niet de bedoeling het gesprek openbaar te maken, maar een gedachte kreeg beeld. A tribute to the most gently man I ever met… en waar de stijl en de klasse onmerkbaar van af druipt. Moet kunnen. Mocht niet verloren gaan.

 

Dinsdag 14 augustus. Stipt om acht uur, onder een lichtbewolkte hemel en in een zoete warmte zoeken de muzikanten en drie sirenen hun plek. Leonard Cohen sluit de rij en begint meteen aan zijn eerste lied, Dance me. Het is het begin van een vier uur durende performance. De 78-jarige dichter en zanger lijkt de hele duur van het concert 50 jaar jonger. Wat me ook opvalt is een totaal gebrek aan valse gevoelens. De klassieker The Partisan, wordt gebracht alsof hij even voordien de bezetter omzeilde en verslag uitbrengt bij de leiding, het gemoed nog geschonden door het verlies van strijdmakkers en de dood van de oude vrouw die hen verborg, she died whithout a whisper.

Derde sterkte: Cohen geeft de muzikanten en de zangeressen, ruimte om te soleren, terwijl hij opzij gezeten de vinger op de pols houdt. Zijn eeuwige hoed zet hij af als zij de hoofdrol overnemen. De opbouw van de belichting sluit naadloos aan bij het breken van het licht. Natuur en cultuur versmelten. Na anderhalf uur sluit hij het eerste deel af met Anthem. Een pauze van een half uur. Achtduizend mensen zoeken wat ze willen vinden. Het toilet, een drankje, een broodje. Bekende ontmoet vreemde. Ze worden vrienden. Praten met elkaar. Ieren, Engelsen, Nederlanders, Duitsers, Belgen uit de negen hoeken van het land verliezen hun nationaliteit maar niet hun identiteit. Idealisme wint het van provincialisme.

 

Het tweededeel start met een lied, waarvan het als indringendste vers luidt: ‘I said to Hank Williams: how lonely does it get? / Hank Williams hasn't answered yet / But I hear him coughing all night long / A hundred floors above me / In the Tower of Song.

Het is intussen nacht geworden. Toch blijft het brandend braambos jong licht uitstralen. De tussenteksten lijken wel vredesboodschappen, zonder een spoor van cliché, de geur van paté. Cohen is een diplomaat zonder jezuïetenstreken. En het gaat maar door. Het hele palet van moderne muziekvormen komt aan bod. Elke golf is verschillend en toch vormen ze een hechte vloed. Even over elf uur volgt Take this Waltz. De ideale afsluiter. Maar het applaus is nauwelijks begonnen of hij begint aan de bisnummers. Zeven! Het publiek mompelt de tekst mee van MarianneenClosing time. Als hij I tried to leave youinzet, een monkel om de mond, begint het publiek te lachen. Een breekbare lach. Want langzaam maar zeker is het concert een vredesmanifestatie geworden, een pleidooi voor meer democratie met minder politiek. Cohen heeft alle muren gesloopt… en iedereen begrijpt de reden waarom hij, 78 jaar oud, keer op keer de barrikaden opklimt 'Cause don't forget who's taking you home / And in whose arms you're gonna be / So darling, save the last dance for me / Save the last dance for me / Save the last dance for me…’


Bij het verlaten van het Sint-Pietersplein ontmoet ik de Israëlische ambassadeur. Hij is met politiebegeleiding voor en achter zijn wagen gearriveerd, maar staat rustig en eenzaam tussen het publiek. ‘It was even high-minded as a classic concert,’ zeg ik. Hij vervolgt, een trekje van zijn pijp nemend en starend naar het verlaten maar niet lege podium: ‘It was a synagogue.’


Leonard Cohen: The man, his songs and poems are one.


Guido LAUWAERT

Leonard Cohen – Gent - tot en met zaterdag – er zijn nog toegangskaarten aan de ingang: www.sherpa.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Concert
commenter cet article
14 août 2012 2 14 /08 /août /2012 16:30

JUNI2012-6575_2-copie-1.jpg

Veel belangstelling op de vernissage, 8 augustus, van de internationale groepstentoonstelling met werk van Marcel Joosen, Carole Leriche, Diannora Niccolini, Matteo Pugliese, Jan Scheirs en Vera Siccard.

DSCN3082_2.jpg

Galeriehouder Patrick Declerck had meer dan een kwart eeuw jaar ervaring als gespecialiseerd antiquair in empire-stijl toen hij in 2010 een karaktervol handelspand met een 17de eeuwse achterbouw kocht aan de Wolstraat te Antwerpen. De doorgedreven renovatie van dit pand maken van deze galerie een klassezaak, waarin antiek en hedendaagse kunst hand in hand gaan.

Wo-Men In Fine Art staat voor gesofisticeerde schoonheid en sublieme verleiding van het mannelijk en vrouwenlichaam in alle kunstvormen door de eeuwen heen”, aldus Hendrik De Clerck.

Tussen de genodigden: acteur Axel Daeseleire; schilder Joseph Laureys; schrijvers Mieke de Loof, Renée Van Hekken en René Broens; stadsgids Inez Dechamps, bestuursleden van de World Outgames III: voorzitter Bart Abeel en dr. Hein Knapen, John Waumans, Jeroen van Bergen; modeontwerpers Tim van Streenbergen en Brecht Callewaert; fotografe Kika D; architect Marc Lauwers en Michael Bruynseels, Wim de Bock en Karel Heeren.

DSCN3068_2.jpg

Van l. naar r.: René Broens, Jan Scheirs en Mieke de Loof

De tentoonstelling loopt tot 19 augustus.

Wolstraat 45, 2000 Antwerpen.

Dagelijks open van 14 tot 18 uur, gesloten op dinsdag en woensdag.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
14 août 2012 2 14 /08 /août /2012 10:00

 

Bart-Van-Peer--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
13 août 2012 1 13 /08 /août /2012 01:31

 

alb1-002.jpg

Edward Albee in 1962

 

Who’s afraid of Virginia Woolf is dit najaar een halve eeuw oud. Is het een gecamoufleerd toneelstuk over twee homokoppels, zoals vaak gedacht, of is er een diepere betekenis te achterhalen?

 

DE TWEE beroemdste toneelstukken van de twintigste eeuw zijn keurig verdeeld over de twee belangrijkste continenten van de Westerse wereld, Amerika en Europa. Het eerste dateert van 1953 en is van de hand van de Ierse schrijver Samuel Beckett, En attendant Godot. Het tweede werd niet veel later werd geschreven door Edward Albee, Who’s Afraid of Virginia Woolf. De première van Who’s Afraid vond plaats in het Billy Rose Teater op 13 oktober 1962. Op enkele maanden na is het grootste scheldstuk aller tijden een halve eeuw oud.

Ging Godot  moeizaam van start, Who’s Afraid  was ondanks de negatieve kritieken vanaf de eerste opvoering een knaller. Duizenden versies zijn er sinds 1962 van gemaakt, de meest beruchte blijft waarschijnlijk de verfilming met het beroemdste filmkoppel van Hollywood, Elisabeth Taylor en Richard Burton.

Vrij snel maakten de critici een halve draai. In 1963 werd het stuk bekroond met de Tony Award en de New York Drama Critics’ Circle Award. Het haalde de shortlist voor de Pulitzer Prize for Drama. Helaas, een lid van het bestuur vond het stuk godslasterlijk, stoorde zich aan de seksuele scènes en insinuaties, en floot de jury terug. Maar geen enkel ander stuk voldeed aan de kwaliteitseisen van zowel het bestuur als de jury en dus werd dat jaar geen dramaprijs uitgereikt.

De grofgebektheid van de personages was logisch voor de lagere sociale klasse, maar dat ook de hogere even grof uit de hoek kon komen dan het campingvolk, was wel geweten maar nooit vertoond. Who’s afraid  speelde echter in het universitaire milieu waar de critici toe behoorden. Hoofdpersonage Martha is de dochter van de rector. Haar man George is professor Geschiedenis. Na het traditionele zaterdagavondfeestje ten huize van de rector komt het koppel rond 2 uur thuis. Na wat gekissebis blijkt dat Martha een jong koppel voor een nadrink heeft uitgenodigd, tegen de zin van George. Hij geeft zich echter gewonnen nadat ze duidelijk hebben afgesproken hoe ver ze die nacht zullen gaan in hun verbale boksmatch: tot aan hun zoon, die dezelfde dag achttien jaar wordt. De afspraak wordt bezegeld met een nieuwe drink. En daar luidt de bel. De intrede van het jonge koppel, zijnde Nick, professor Biologie, en zijn huisvrouwtje Honey. Vanaf dat moment ontspint zich een spel van schelden en onthullingen uit de privaatsfeer, waarbij er aan een razend tempo gedronken wordt. Gaandeweg verschuift de boksmatch en wordt het jonge koppel knock-out geslagen. Drie uur na aankomst, de dag rukt op, vertrekt het jonge koppel, beladen met schuldgevoelens over hun valse liefde.

De titel van het stuk is een parodie op het liedje Who’s Afraid of the Big Bad Wolf, een kinderliedje uit de animatiefilm van Walt Disney, The Three Little Pigs. De omzetting heeft een simpele oorsprong. Albee was een man die, zoals de hele artistieke bourgeoisie van New York, op vrijdagavond recepties afschuimde. Laat op de avond, als de bezoekers flink gedronken hadden, viel bij velen, diep in de blessuretijd, het beschavingspak van de schouders. Liedjes uit musicals, jazzsongs, maar ook varianten op kinderliedjes vlogen in het rond. Dat Who’s Afraid hoog op de ladder stond, kwam doordat een bevriend koppel van Leonard en Virginia Woolf regelmatige gasten waren.

Albee heeft nooit opening van zaken over de titel gegeven. Ook over de naamgeving is hij vaag gebleven. Nu eens zei hij dat de namen slaan op het ‘eerste koppel’ van Amerika, George en Martha Washington. Een andere keer dat George stond voor de ridder vechtend tegen de draak. Iedereen die geïnteresseerd is in de catacomben van Who’s Afraid, kan de muurschilderingen achterhalen. Maar, er is een onderschildering die alle schilderingen in de schaduw stelt. Een onderschildering waaruit duidelijk wordt dat Who’s Afraid  een inkt zwarte requiemmis is. Voor een kind nog wel. De eerste aanwijzing van de misviering zit al in de openingsscène en in de drie eerste clausen.

MARTHA: Jesus…

GEORGE: … Shhhhhhh…

MARTHA: …H. Christ…

De scène, duurtijd 10 minuten, is de periode in de sacristie. George schenkt de glazen vol en Martha ruimt op. En, zoals eerder gezegd, regels en regeleindes worden afgesproken. Eenmaal zo ver zijn gaat de bel. Maar de bel is geen gewone huisbel, maar een deurklok. Ze rinkelt namelijk niet, maar ze luidt. Net zoals in de kerk, als de priester zich naar het altaar begeeft. Tot tweemaal toe: 1 -Door-bells chimes. 2 – Door chime again. Wanneer George na herhaald aandringen van Martha de deur opent met een ruk, schreeuwt Martha: SCREW YOU! De kreet heeft vele betekenissen, maar de enige juiste, in het raam van het stuk, is: Hoepel op! Ogenschijnlijk is de schreeuw voor George bedoeld, maar in werkelijkheid voor het jonge koppel. Verdwijn, want je weet niet wat je te wachten staat. Het koppel aarzelt. Net voldoende lang om Martha het jonge stel over te halen binnen te treden. Wat het doet. De mis kan beginnen. Priester en misdienaar zijn klaar, de kerkgangers gearriveerd. Introibo ad altare Dei.

 

VANAF DE intrede van Nick en Honey is het ritueel van de mis duidelijk te volgen. De eigenlijke mis bestaat uit drie delen: de Offerande, de Consecratie en de Nuttiging, ook genoemd de Communie. Ze worden voorafgegaan door de Voormis. In het stuk van Edward Albee heet dit bedrijf, het eerste, Fun and Games.  Het is de kennismakingsronde waarin door Martha en George het parcours wordt uitgezet. De tekst nauwkeurig lezend herkent men het Introïtus, het Kyrie, het Gloria, oftewel de ophemeling door Martha van de rector, haar vader en dus God, de Collecta, het Dies Irae en het Evangelie, of het verhaal van haar American Broken Dream, te weten George als rector van een universiteit in New Engeland, eenmaal haar vader de fakkel wil doorgeven. Einde van de voormis.

Het tweede en het derde bedrijf, Walpurgisnacht  en The Exorcism,omvatten het hoofdgedeelte. Hij begint met de preek en gaat over een dramatische gebeurtenis. George heeft er een schuldgevoel aan overgehouden, en wie goed leest, of luistert, begrijpt waarom George zich heeft gebarricadeerd in zijn geschiedenisdepartement, geen rector wil worden, ja, niet eens decaan. Aansluitend weet George Nick te laten bekennen waarom hij met Honey getrouwd is. Liefde was er maar haar vette erfenis en al de voordelen eraan verbonden waren belangrijker. Of zoals George ze samenvat: ‘de bijkomende factoren.’

Al de binnenverhalen worden aan elkaar gebreid door het kind, de zoon van Martha en George, al dan niet toevallig ter sprake te brengen. Het kind dat in het derde bedrijf meer en meer op de voorgrond treedt, om uiteindelijk geslacht te worden. Maar het begin is allerliefst. George en Martha hebben elkaar de grofste verwijten naar het hoofd geslingerd. In hun tactiek van de verschroeide aarde ook nog het jonge koppel meegesleurd. Martha is met Nick naar bed getrokken, om hem na de vrijpartij te verwijten dat hij een dekhengst is maar geen minnaar. Het jonge vrouwtje is afgedaan als een tante Nonneke.

George was even de tuin ingelopen. Hij duikt weer op met een bos veldbloemen, die hij Martha opdringt, uitroepend ‘Flores; flores para los muertos. Flores.’ Het is het begin van het laatste duel, met hun zoon als inzet. George geeft de aanzet van de Prefatie: ‘Do you want to talk about him, Martha, or shall I?’

Martha pareert en gaat meteen voluit in de aanval. Luider en luider en luider zingt zij de lof van hun zoon, ondanks een sukkel van een vader, een mislukkeling op alle gebied. Terwijl zij oreert, haalt George een boek te voorschijn. En wat leest hij voor? Het Responsorium uit de begrafenismis, ‘Libera me, Domine, de morte aeterna in die illa tremenda.’ Hij dwingt haar nog luider te schreeuwen, zodat zij in extase haar kind transformeert tot slachtoffer en het heilig verklaart, kind van God, het Lam Gods (‘I carried the poor lamb’). Wat George aanzet tot het declameren van het Antifoon: ‘In paradisum deducant te Angeli.’ Een laatste maal slaat zij toe, ongenadig, terwijl George zijn Latijnse lezing verder zet en grinnikt wanneer zij uitgeput in een fauteuil neerzakt. Zijn zege wordt omgezet in het driemaal zegenen van de aanwezigen, onderwijl biddend: ‘Kyrie, eleison. Christe, eleison. Kyrie, eleison’. Honey en Nick, die het duel als beëindigd beschouwen, vergissen zich, want George heeft nog een verrassing, omdat ‘I’M RUNNING THIS SHOW!’ Martha voelend wat haar te wachten staat, wil hem op andere gedachten brengen, maar hij is onvermurwbaar. ‘… you bore him… AND I HAVE KILLED HIM!’ - wat hij vervolgens doet met een verhaal dat de dramatische gebeurtenis uit zijn jeugd als grondlaag heeft.

Op dat moment gaat bij het jonge koppel een licht op. Ze hebben helemaal geen kind! Nick: ‘Jesus Christ I think I understand this.’ Na een kort pingpongspel die de kinderloosheid nader toelicht, zegt George: ‘You two go now.’ Naar het Latijn vertaalt: ‘Ite, missa est.’ Eenmaal het jonge koppel verdwenen valt het gevecht definitief stil. George en Martha ruimen op, verbaal. In overwegend monosyllaben. Het definitieve slot verschilt hemelsbreed met wat er gedurende een kleine drie uur gebeurd is. Het vertellen weegt niet op tegen wat Albee geschreven heeft.

GEORGE [put his hand gently on her shoulder; she puts her head back and he sings te her, very softly]: Who’s afraid of Virginia Woolf / Virginia Woolf / Virginia Woolf,

MARTHA: I… am… George…

GEORGE: Who’s afraid of Virginia Woolf. …

MARTHA: I… am… George… I… am. …

 

 

OF WHO’S Afraid een stuk voor twee homokoppels is, heeft altijd de ronde gedaan. Edward Albee is een homo. Sommige passages ruiken er ook naar, maar de toneelauteur heeft daar nooit een woord over gelost. Het kan evengoed gaan over een heterokoppel dat geen kinderen kan krijgen. Maar waar een heteroseksueel echtpaar een kind kon adopteren, was dat voor een homoseksueel stel in de VS in de vorige eeuw onmogelijk. Wilden ze een kind moesten ze er dus een verzinnen. Dat is wat Martha doet. Ze baart verbaal een kind.

Toen ik in de jaren tachtig in New York was, ongevraagd bij de auteur aanbelde en tot mijn verbazing zijn loft mocht betreden, bracht ik, na een half uur de onderliggende schildering ter sprake. Hij werd op slag onrustig, maar hij wuifde mijn veronderstelling niet van tafel. Mijn opmerking dat de Roomse religie en homoseksualiteit blijkbaar elkaar door de maskerade makkelijk vinden, maakte hem kregelig. Ik schakelde over naar andere aspecten van het stuk. Albee verloor zich in warrige antwoorden. De sfeer was beschadigd. Vrij snel wist ik wat mij te doen stond. Gesprek afronden. Glas uitdrinken. Even later stond ik op straat.

Is de vraag homo/hetero een probleem voor de voorstelling? Integendeel. Het ontbreken van het antwoord maakt juist deel uit van de kracht van het stuk. Dat geldt voor de beroemdste en de sterkste stukken uit het toneelrepertoire. Van Medea, over Hamlet, Woyzeck, The Caretaker, teveel om allemaal op te noemen, tot En attendant Godot en Who’s Afraid of Virginia Woolf?  Wat er werkelijk toe doet is dat ze allemaal naast een ijzersterk verhaal een machtige inspiratiebron hebben. Voor Godot  van Samuel Beckett was dat een schilderij van Caspar David Friedrich. Voor Who’s Afraid van Edward Albee het Lam Gods, als offer ter verzachting van een trauma opgelopen in zijn kinderjaren.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
12 août 2012 7 12 /08 /août /2012 12:00

Ik raak nooit voorbij het marktje met snuisterijen en tweedehandboeken aan de Sint-Jansvliet te Antwerpen. In mijn ’t Half Soeke bestelde ik met de lieflijkste pepsodent-lach een blond abdijbier. Meteen voldoende alcohol om het na vijf minuten ‘in mijn nek’ te voelen . Leentje is het gewoon om me sloten thee, schijfjes citroen en de nodige zakjes zoetstof voor te zetten. Mijn afwijking deed haar wenkbrauwen fronsen, bezorgd keek ze me aan.

Biecht.jpg

Vandaag is er veel in de vergetelheid verwaaid. Zo is er amper nog aandacht voor het indrukwekkende en veelzijdige oeuvre van Marnix Gijsen, pseudoniem voor Jan-Albert Goris (1899-1984).

Biecht van een heiden is een toespraak uit 1963 die hij hield voor een groep jonge Dominicanen te Leuven. Het verscheen in 1971. Zijn kritiek op geloof is zakelijk en ontdaan van alle pathetiek:

 

Ik ben van oordeel dat godsdiensten meer misère en malheur hebben verwekt dan goeds, omdat ze haast alle verzeilen in een dogmatisme zonder genade, omdat zij door hun collusie met de wereldlijke machten aanleiding hebben gegeven tot oorlogen en vervolgingen, omdat zij ofwel als staatsreligie ofwel als aanhangers van de staatsraison verantwoordelijk zijn geweest voor eindeloze en idiote wreedheden.'


Gijsen begint en eindigt met excuses voor het feit dat hij mogelijk mensen zou kwetsen. Dat is begrijpelijk natuurlijk, zeker in 1963. Maar begrijpen is iets anders dan voor iets begrip opbrengen. In verband met geloof blijven de lange tenen van velen mij verwonderen. Men kan over van alles en nog wat van mening verschillen: over wasmachines, voetbal, vibrators, politiek enz. Eens je geloof en hun instituten op de pijnbank van de geschiedenis legt, ben je respectloos, hatelijk en beledigend.

 

Ik vraag me af wat die jonge Dominicanen in 1963 hebben gedacht en hoe zij op hun verleden terug kijken. Dezen werden in de middeleeuwen ‘Gods honden’ (Domini-canes) genoemd, een geuzennaam die zij op prijs stelden. Tijdens de kruistochten tegen de Katharen in de dertiende eeuw kreeg de Inquisitie haar definitieve vorm en werd ze aan deze orde toevertrouwd. Vandaag is de instelling nog steeds actief onder de naam ‘Congregatie voor de geloofsleer’. Hans Kung, bevrijdingstheoloog Leonardo Boff en ‘onze’ pater Schillebeeckx met zijn Jezus, het verhaal van een levende zijn enkelen van de velen die ervaring hebben met deze ‘denktank’. Joseph Ratzinger of Benedictus XVI was er tot zijn pausverkiezing de prefect van. Benedictus is overigens een opmerkelijke naamkeuze. Zijn illustere voorganger Jacques Fournier, de latere Benedictus XII was als bisschop een ijverige inquisiteur in de Languedoc. In Montaillou van Leroy-Ladurie kan je er alles over lezen. Bij monde van Johannes-Paulus II werden er verontschuldigingen uitgesproken voor de excessen van ‘sommigen’, nooit voor de instelling als dusdanig. In het Vaticaan hangt blijkbaar geen ‘Spiegel Historiael’ om in te kijken. Dogmatisme vertroebelt elk zicht.

 

Onlangs las ik ook Ketters, heksen en andere zondebokken van Robert Ian Moore.

De andere zondebokken waren joden, homo’s, prostituees en melaatsen.

Met dit werk schrijft deze historicus zich in het pantheon van de grote mediëvisten zoals Jacques Le Goff en Georges Duby. Hij beschrijft hoe de vervolging van anders denkenden werd geïnstitutionaliseerd en een systeem werd dat van boven af de massa stuurde en niet andersom.
Over hoe dit in de twintigste eeuw gebeurde leze men Erger dan oorlog  van Daniêl Goldhagen, de auteur van Hitler’s gewillige beulen.

 

Nu door het woestijnzand van het Nabije Oosten en een wollig cultuurrelativisme onze seculiere samenleving opnieuw wordt bedreigd, zijn de woorden van Marnix Gijsen brandend actueel. ‘ Biecht van een heiden’ is een helder kleinood om van te houden. Richard Dawkins had dit best ook gelezen. Het had ons een drammerig en gezwollen ‘The God Delusion’ bespaard en ook vele bomen. Dawkins is een missionaris van het andere soort en aan zendelingen van welk –isme ook, heb ik geen boodschap.

Uw goddeloze,

Frank De Vos

 

Marnix GIJSEN, Biecht van een heiden, Utrecht-Antwerpen, A.W. Bruna & Zoon, 1971, 56 p. ISBN 90-6005-119-X

Robert Ian MOORE, Ketters, heksen en andere zondebokken, Amsterdam, Ambo, 1988,

158 p. ISBN 902630868X

Daniel Jonah GOLDHAGEN, Erger dan oorlog, Antwerpen, Manteau / Bezige Bij, 2009, 717 p. ISBN 9789076682389 717

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
11 août 2012 6 11 /08 /août /2012 23:00

 

Parade

ReusMas.jpg

Vandaag marcheerde de Roze Reus mee tijdens de Antwerp pride op de kaaien.

Scheirshaaltgoud.jpg

Van l. naar r.: John Waumans (WOGA), schilder Jan Scheirs en Jeroen van Bergen (WOGA)

TRio.jpg

Van l. naar r.: Jan Scheirs, Philip Heylen en Tom Feyt, een van de beste vrienden en oud-klasgenoot van de Schepen

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
11 août 2012 6 11 /08 /août /2012 19:55

 

Luik.png

Dat de provincie een geheimzinnige bestuurslaag is waarvan elk weldenkend mens zich het nut afvraagt is bekend. Vroeger had ze misschien nog enige zin, maar tegenwoordig lijkt ze me toch een eerder te passeren station. Een provincie kan ook op het beeldscherm echter uiterst verwarrend werken. “Nou ja, het kan ook niet allemaal even betrouwbaar zijn als Google,” dacht ik toen ik op Wikipedia Trooz had opgezocht. Ik wilde me er van vergewissen waar in de Ardennen dat dorpje precies ligt. Wikipedia geeft, wist ik uit ervaring, namelijk in een oogopslag uiterst inzichtelijk praktische gegevens als coördinaten, inwoneraantallen, vlaggen en de plaats van dorp of stad in kwestie in arrondissement en/of provincie. Uiterst inzichtelijk? Bij Trooz kwam ik steeds ergens tussen Mechelen en Brussel uit. Ik begreep er helemaal niets van. Trooz ligt ook helemaal niet zo centraal, maar oostelijker. Onder Luik ergens. En ja, toen zag ik ineens waardoor ik in verwarring was geraakt: de provincie Luik lijkt, grensdetails daargelaten natuurlijk, voor een niet-Luikenaar in eerste instantie als twee druppels water op België!

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Politique
commenter cet article
10 août 2012 5 10 /08 /août /2012 23:02

 

ReusVolledig.jpg

In 1398 verschenen de eerste stadsreuzen in Antwerpen, in 1424 te Barcelona en in 1447 te Bergen op Zoom. Thans zijn er in Europa duizenden reuzen, het merendeel in Spanje en Vlaanderen. In Vlaanderen alleen zijn er meer dan 1700 reuzen.

De World Outgames willen een bijdrage leveren aan de Antwerpse reuzentraditie. Morgen marcheert de Roze Reus mee tussen 14 en 18 uur tijdens de eerste parade van Antwerp pride op de kaaien.

Reuzen worden beschouwd als volwaardige inwoners van de stad. Volgende week wordt de Roze Reus dan ook in het bevolkingsregister ingeschreven.

De Roze Reus is de eerste holebi reus in het Antwerpse en werd door ervaren reuzenbouwers vervaardigd. Lieve Lieckens en Christiaan Ketele, beeldhouwer Michael Bracke, schilder Jan Scheirs en costumières Suzanne Van Well en Viviane Couberghs verleenden hieraan hun medewerking. De reus heeft uiteraard een dubbel gezicht...

KopReus.jpg

ScheirsKop.jpg

Jan Scheirs aan het werk. Tussen haakjes: Oudegem, deelgemeente van Dendermonde, herbergt sinds 2008 de reus Jef Scheirs, auteur van De Filosoof van Hagem...

*

De derde editie van de World Outgames vindt in augustus 2013 plaats in Antwerpen. De holebi-spelen, zoals het evenement vroeger werd genoemd, worden gesteund door de stad en de provincie. De organisatoren hopen op zo’n 12 000 actieve deelnemers en 250 000 bezoekers.

Antwerpen is in 2013 ook sporthoofdstad van Europa.

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
9 août 2012 4 09 /08 /août /2012 23:28

 

AFFICHE-165.jpg

Onder gespannen aandacht las vanavond plastisch kunstenaar Frank F. Castelyns gedichten voor in het literair-artistiek café Den Hopsack, waar hij als gastdichter uitgenodigd was voor de 165ste editie van de Muzeval. Hij werd ingeleid door de onvermoeibare Bart van Peer. Tussen het publiek: Jo van Cauwenberge, Paul Ilegems, Henri-Floris Jespers, Pruts Lantsoght, Christel de Loos en Jan van Veen.

De dichter droeg zijn lezing op aan de nagedachtenis van zijn onlangs overleden moeder, Rosa 'Rozeke' Dralans. 'Zij was protestants en protesteerde, wat haar in het katholieke Vlaanderen niet altijd in dank afgenomen werd”. (zie: http://mededelingen.over-blog.com/article-afscheid-van-rosa-anna-rozeke-dralans-107032938.html)

Ziehier een gedicht van Frank Castelyns dat ik niet aarzel te bestempelen als 'constructivistisch' of 'serieel'.

 

vierkante tuinen

langs het achterraam

hebben me steeds verhinderd te verhuizen

omdat die vierkante ramen aan mijn achterraam

pasten in de vierkante tuinen

 

waar zouden zo nog tuinen in mijn ramen passen

zonder dat ik eigenhandig de ramen of de tuinen zou aanleggen

waarvoor de zin mij ontbrak

 

de reden dus

dat ik vastgeankerd ben

aan mijn optrek

als vastgepind met ijzeren pinnen

is van estetisch-geometrische aard

vandaar mijn waanzin

 

doordat de tuinen

toevallig in mijn ramen pasten

het opzet van derden was

vreesaanjagend

 

doordat ze de lijnen

van de ramen met die van de tuinen deden samenvallen

of die van de tuinen met die van de ramen

 

op het kadaster deed ik nooit navraag

wat er eerst was de tuinen of de ramen

daardoor woon ik er nog steeds

 

in eeuwigdurende verwondering

*

Frank F. Castelyns (°4 november 1942) studeerde even fysica aan de RUG en volgde les aan de Academie voor Schone Kunsten te Gent en Antwerpen. In 1968 hielp hij professor Van Esbroeck bij de restauratie van de St.-Pauluskerk te Antwerpen. Vanaf 1969 onderneemt hij lange zwerftochten door Zuid-Europa, Frankrijk, Corsica, Italië en Sardinië. Hij overleeft er door het maken van krijttekeningen op de stoep, portrettekeningen en souvenirtekeningen. Hij verricht er ook seizoenarbeid en is er visser op de Middellandse Zee. In 1971 stichtte hij in de bergen van Corsica een hippie-commune in het verlaten dorp Muna. Daar werd hem via séances het einde van de wereld voorspeld in 1975. Frank keert er terug in 1975 met Ria Pacquée om gered te worden....

Vanaf 1980 exposeert hij geregeld in binnen- en buitenland.Hij krijgt beurzen van het ministerie van Cultuur en geeft gastcolleges aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en aan de Académie des Beaux Arts te Luik ('Sculptures a travers les matériaux de récupération'). Tot een gebouw opgestapelde containers maken deel uit vaan de permanente collectie van de onvolprezen Verbeke Arts Foundation te Kemzeke.

*

De Muzeval wordt georganiseerd door de vzw Pipelines in samenwerking met het Masereelfonds Anwerpen. Het initiatief wordt (meer dan terecht) gesteund door Antwerpen Boekenstad, onder leiding van de onvolprezen dichter Michaël Vandebril. (Tussen haakjes: Stad Antwerpen heeft al altijd veel gedaan om dode schrijvers te herdenken. Nooit werd er echter meer gedaan om de levende literatuur te bevorderen dan onder het beleid van schepen van Cultuur Philip Heylen.)

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
9 août 2012 4 09 /08 /août /2012 10:00

 

Mieke-De-Loof--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche