Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
23 mai 2010 7 23 /05 /mai /2010 00:39

Op het KUNSTENFESTIVALDESARTS van vorig jaar stond Frankenstein-project van de Hongaarse acteur, regisseur en scenarioschrijver Kornél Mundruczó. Deze productie werd verfilmd en staat op het programma van het filmfestival Cannes 2010. De productie moet zulke lovende reacties hebben uitgelokt dat onze Hongaar opnieuw werd uitgenodigd. Hij greep die kans met beide handen aan en Brussel kreeg daardoor het voorrecht de première mee te maken van zijn nieuwste productie Hard to be a God.

 

De toneeltekst is gebaseerd op de gelijknamige sciencefictionroman van de Russische gebroeders Boris en Arkady Strugatsky. Een paar van hun romans zijn verfilmd, Roadside Picnic in 1977 door Andrei Tarkovsky onder de titel Stalker. Geen onaardige referenties en toch, toch slaat iedereen de bal al eens mis. Hard to be a God is een vervelende voorstelling, door het eindeloos herhalen van zinnen (Heb je kokend water op haar gekiept? – Nee – Je hebt kokend water op haar gekiept! – Nee! – Toch wel. Beken het maar! – Je hebt het gedaan. Kokend water! – Ze heeft het zelf gedaan. - Je liegt! Als je eerlijk bent zou je bekennen dat jij het gedaan hebt! Kokend water op haar gekiept!), de zwakke verhaallijn en een acteren waar alleen blinde volgelingen voor blijven zitten. En recensenten.

 

Mundruczó heeft het romangegeven geactualiseerd, maar die actualiteit is achterhaald door de actualiteit van de televisie, die met duidings- en undercoverprogramma’s het thema al zo sterk hebben uitgemolken dat zelfs sociaal overgeëngageerde mensen naar de zapper grijpen nog voor de inleider is uitgesproken.

Twee camions op een parking, in de Brusselse enscenering een leegstaand depot van Tour en Taxis. In de vrachtruimte zitten Hongaren, op weg naar de vleespotten van het Wilde Westen van Europa. Voornamelijk jonge vrouwen als werktuig voor bordelen. Ze worden verkracht, gemarteld, er is een abortus met een paraplubalein. Eentje wordt voor de lol en ter verdrijving van de verveling levend begraven, maar dat sadistisch spelletje loopt verkeerd af. Ze stikt. Na ruim twee uur, die een nacht moet veronderstellen, besluiten de truckers terug te keren naar Hongarije. Met lijk en halflijken, henzelf inclusief, want de marteling heeft zelfs de beulen geestelijk aangetast. Al beseffen ze dat niet. Het is enkel uit simpelheid van geest dat ze niet weten hoe het verder moet.

 

Tussen de migranten zit een verrader. Een infiltrant. Hij symboliseert God die naar de aarde is weergekeerd om te zien wat er van zijn schepping geworden is en of de mensen wat hebben bijgeleerd, sinds ze de appelcompote hebben uitgevonden. Wie die God in mensengedaante is, is niet helemaal duidelijk, maar wat wel duidelijk is, is dat de truc ontleend is aan hoofdstuk V van De gebroeders Karamazov van Fjodor Dostojewski. In De Groot-Inquisiteur wordt Jezus, op bevel van God, die het gezaag van Maria om de mensen de zondeval te vergeven, niet langer kan verdragen. Hun zoon moet eens gaan piepen of de mensen zich gedragen naar de basis van het geloof, de Tien Geboden, door Mozes in zijn vrije tijd zo kunstig op twee stenen tabletten gebeiteld.

 

En God zag dat het niet goed is. Maar ook de toeschouwer. Om hem in de rol van God te duwen wordt een oude truc gebruikt. Een speler begeeft zich tussen het publiek en vraagt een vrijwilliger, een vrouwelijke, want alle beschikbare prostituees zijn uitgemolken. Verwacht wordt dat het publiek, of althans toch een paar mensen, in opstand komen. Wat niet gebeurt. Het weigert te interveniëren. Net als God. Hij ziet de verloedering van zijn schepping aan en haalt zijn schouders op. Besluit: God is een lafaard, en zijn meesterwerk, de mens, is dat ook. Niet God, maar de auteurs van de roman en de regisseur van de producties wijten de lafheid aan het feit dat een ingreep een interferentie zou betekenen in de natuurlijke vooruitgang van de geschiedenis.

 

Krommer heb ik het niet geweten. Dat zulk theater aanslaat in voormalige Oostbloklanden kan ik begrijpen. Maar met zulke lulkoek moet je in deze contreien niet meer uitpakken. In een poging dit misbaksel toch smaak en temperatuur te geven werd gekozen voor een sterk realisme. De geestelijke wreedheid tegenover de jonge vrouwen én de beulen zelf ligt er echter zo dik op dat ze dun wordt.

 

De roman dateert van 1964. Werd dus geschreven toen de Sovjets de macht nog stevig in handen hadden. Dat de roman de censuurcommissie passeerde, zonder kommaneuken, is logisch. God wordt veroordeeld. In een regime waar God werd afgeschaft is dat niet verwonderlijk. Toch valt het op, niet alleen in deze roman, maar bij vele uit het Sovjettijdperk, hoe vaak God een belangrijke nevenrol te vervullen krijgt. De reden hiervoor is simpel. Als er geen kritiek op de goden van het communistisch pandemonium mogelijk was, moest een andere god, uit de meest gehate religie, het ontgelden. Maar, welbeschouwd blijft de christelijke God, in Russisch-Orthodoxe gedaante, een rechter van wie verwacht wordt dat hij de schepping redt, desnoods door haar te vernietigen. Hij blijft dus, hoe Luther en Lenin ook preekten, de allerhoogste rechter en beul.

 

Het is allemaal duidelijk. Wat al te duidelijk. Het grote mankement is de overdrijving, cliché op cliché, en het ontbreken van een vermomming waardoor de toeschouwer andere aspecten van zichzelf ontdekt die hij nog niet kende. Met deze productie heeft het KUNSTENFESTIVALDESARTS aangetoond hoe gevaarlijk het is zelfs gerenommeerde theatermakers carte blanche te geven. De productie wordt in het programmaboekje aangekondigd als ‘Niet voor gevoelige kijkers’. Dat klopt. Ze vallen er van in slaap.


Guido LAUWAERT

HARD TO BE A GOD – Kornél Mundruczó – nog tot 25 mei in Tour & Taxis – Brussel – www.kfda.be

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
21 mai 2010 5 21 /05 /mai /2010 05:03

Ramon.jpg

Renaat Ramon exposeert sculpturen, grafiek en visuele poëzie in X-L-Ent Art Galerie te Oostende. Vernissage op 4 juni om 19 uur. De galerist vraagt wel een seintje voor de aansluitende receptie (051/21 15 48 of jempymail@gmail.com).

Naar aanleiding van de publicatie, vorig jaar, van twee bundels van Ramon, Zichtbare stem en Lingua franca, 13 empirical poems, publiceert Jaak Fontier in de jongste aflevering van Poëziekrant een indringende beschouwing over de dichter-beeldhouwer. Hij stelt daarbij vast:

Dubbeltalenten die schrijven en beeldhouwen, schilderen of tekenen, beoefenen meestal de disciplines van het woord en de beeldende kunsten niet even intensief. Zij munten ook niet in dezelfde mate als uit als schrijver en als beeldend kunstenaar. Renaat Ramon lijkt het juiste evenwicht tussen beide disciplines te hebben gevonden. R + R = Renaat + Ramon = beeldend kunstenaar + dichter = dubbeltalent.

[…]

Over de interactie van beeldende kunst en literatuur, de combinatie van visuele en semantische elementen zijn in de loop van tachtig jaar talloze studies verschenen. Theoretici hebben vele indelingen en namen bedacht: concrete poëzie, visie-poëzie, objectieve poëzie, mechanische poëzie, conceptuele poëzie, intermediaire poëzie. Wat schrijft en beeldt Ramon? Het is van enkele belang: termen en theorieën worden volkomen vergeten door de bezitter en genieter van Zichtbare stem.

RamonSTEM

Renaat Ramon neemt ook deel aan het Festival Constructivisme in de Art Gallery den Heeck te Hingene-Bornem. Vernissage op 30 mei om 15 uur.

In 1983 publiceerde Jaak Fontier een monografie over Ramon, de beeldhouwer. Hij onderstreept terecht de aan het transcendente grenzende dimensie van het toen al indrukwekkende œuvre van de Bruggeling:

Hoe verder men vordert in de contemplatie van deze tot hun naaktste essentie gereduceerde structuren, hoe meer men zich realiseert dat de relaties van vlakke en lijnen onderling en tot de ruimte de concretisering zijn van een gedachte die, naar het woord van Max Bill, “bis an die Grenzen des Ungeklärten führt”. En weer stuiten wij op de paradox dat wat rationeel berekend leek, zich openbaart als drager van een aan de transcendentie rakend verschijnsel.

Geheel in de traditie van het constructivistisch streven hecht Renaat Ramon een bijzonder belang aan de materialen die hem voor de uitvoering van zijn, werk ten dienste staan. De realisatie van wat hij zelf eens genoemd heeft “mathematische tekeningen in de ruimte” eist smetteloze, “onthechte” materialen zoals staal en brons, arduin en verchroomd metaal, en nu ook plexiglas, van alle materialen, wellicht het minst materiële.

Renaat Ramon maakte inderdaad eerst naam als beeldend kunstenaar. Het programma van de constructieve, al dan niet in de architectuur geïntegreerde sculpturen van Ramon mag dan wortelen in de historische avant-garde, het getuigt altijd van een hardnekkige en eigenzinnige bezinning over de mathematische grondslagen van de zuivere abstractie. Hendrik Carette typeerde hem ooit als “wiskunstenaar”...

(HFJ)


X-L-Ent Gallery, Leopold II-laan 4, Oostende. De tentoonstelling is van 5 tot en met 25 juni dagelijks toegankelijk van 10 tot 17 uur.

Art Gallery den Heeck, Louis de Baerdemaekerstraat 52-54, Hingene-Bornem. Van 1 juni tot 8 augustus is de galerie elke zaterdag en zondag van 14 tot 19 uur open.

Jaak FONTIER, 'Sober en cool. Dubbeltalent', in: Poëziekrant, jg. 34, nr. 2, maart-april 2010, pp. 63-66.

Jaak FONTIER, Ramon, Brussel, Le Décagone, 1983, 141 p.

Over Ramon, zie de blog van 7 januari 2010:

http://mededelingen.over-blog.com/article-renaat-ramon-veelzijdigheid-concentratie-42490054.html

Over poesia visiva:

http://mededelingen.over-blog.com/article-poesia-visiva--henri-floris-jespers---luc-fierens-in-gierik-

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
21 mai 2010 5 21 /05 /mai /2010 00:27

De festivaljury maakte haar selectie bekend. Het lijkt eerder op een kermisprogramma dan op een theaterprogramma.

Vandaag werden de kermisattracties van het Theaterfestival 2010 bekendgemaakt. We ontkennen niet dat de jury geen aandacht had voor experimenterende jongelingen of getalenteerde ‘multiculturele’ theaterkunstenaars. Maar veeleer dan een ijzerbrekende visie op het landschap te poneren, reflecteert deze selectie de door vriendjespolitiek besmeurde evenwichtsoefening die een theaterfestivalselectie geworden is.

Opvallend is bijvoorbeeld de afwezigheid van de drie stadstheaters. Voor de KVS is dat misschien nog het minst verwonderlijk (ook al zorgde Gielens’ Bezette Stad voor een moment de gloire). Maar Toneelhuis en NTGent maakten wél producties die ver boven attracties uitstijgen.

Twee zaken worden duidelijk. De jury, bestaande uit Manja Topper [actrice Dood Paard], Bernard Van Eeghem [theatermaker] en Karel Vanhaesebrouck [journalist rekto:verso en docent], beledigt met deze selectie zowel NTGent als het Toneelhuis en de juryleden tonen aan dat hun (psychologische) kennis van wat theater is en hoort te zijn, héél klein is.

Een voorstelling als Onder de vulkaan van Toneelhuis zou een logische keuze geweest zijn. In die creatie haalt Josse De Pauw de zich dooddrinkende consul helemaal naar zich toe en, wonderbaarlijk, behoudt toch de geestelijke kronkels van Malcolm Lowry in het oorspronkelijke tijdsbeeld.

De keuze van Gif van het NTGent, tekst van Lot Vekemans in een regie van Johan Simons, zou ook een pluim op de hoed van de jury zijn geweest. Het intimistische karakter van de voorstelling zal de uitverkiezing helaas de das hebben omgedaan. Want dat is wat Elsie de Brauw en Steven Watermeulen, samen met altzanger Steve Dujardin, voor elkaar brachten. Ze maakten een voorstelling waarin je een goedaardige voyeur wordt. De overige toeschouwers verdwijnen.

Hetzelfde geldt overigens voor Godses, een productie van Campo, Toneelgroep Ceremonia en Unie der Zorgelozen. Een monoloog jazeker, maar door zijn opzet is het een monoloog met figuranten geworden, zijnde de toeschouwers. Deze worden zo intens betrokken bij de geschiedenisles van de onderwijzer, dat aangevoeld wordt hoe schoolkinderen zich hadden te gedragen en werden geïndoctrineerd. Door er dorpsvetes van tijdens en na de Tweede Wereldoorlog tussen te wringen wordt de sterkte van deze voorstelling onderstreept.

Maar deze jury koos jammerlijk voor spektakel. En ‘spektakel’ mag u in de meest brede zin van het woord begrijpen. Van onversneden entertainment (Snorro van Ro Theater), over geslaagd locatietheater (Rail Gourmet van Wunderbaum, bijvoorbeeld) tot uitdagende performance die twijfelt tussen theater, beeldende kunst en lezing (denk aan Miet Warlops Springville). Kortom, het implosieve moest de duimen leggen tegen het explosieve.

De enige echte uitzondering op de regel is de keuze voor Bakchai. Het koppelgezelschap Bloet van Jan Decorte, i.s.m. De Roovers en met dank aan de kassa van het Kaaitheater, heeft een voorstelling gemaakt waar niet naast kan worden gekeken. Dat heeft de jury – wellicht om niet als een stel idioten te worden bestempeld – ingezien. Afgevraagd mag worden of het juiste inzicht de doorslag gaf. Bij het ter perse gaan, was het juryrapport nog niet beschikbaar. Mijns inziens heeft het komische aspect het gehaald. De sterkte van deze voorstelling ligt in werkelijkheid elders. Meer en beter dan in vorige producties heeft Jan Decorte bewezen dat hij een repertoirestuk kan fileren, zonder het skelet van de oorspronkelijke auteur, Euripides, te schenden. En hij toont tevens dat hij met moderne middelen toch een voorstelling kan maken ‘op z’n Grieks’. Deze voorstelling zou nog sterker tot zijn recht komen in een amfitheater.

Aan deze selectie ziet men hoe de jury zich er met een Jantje van Leiden heeft van afgemaakt. De juryleden hebben onderling geen broederband en, wat het allerbelangrijkste is, deze jury mist een uitgesproken stijl en klasse. Jammer genoeg is deze jury hiermee géén uitzondering op een klaarblijkelijk ongeschreven ‘Theaterfestivalregel’. Want jaar na jaar wordt aan de waarde van het Theaterfestival geknabbeld door dergelijke non-jury’s. Muizen zijn het. Die vrienden een extraatje willen gunnen. De voorstellingen lijken voor hen van minder groot belang te zijn dan het behagen van ‘het wereldje’.

Het juryrapport, dat op de valreep dan toch arriveerde, spreekt van ‘mee-kijken, mee-denken, mee-begrijpen. Wat verder lezen we ‘alle gekozen voorstellingen schuwen valse toneelmatigheid – het is hardcore theatre, live as hell. Vanuit de buik, maar steeds ook in het hoofd.’ Tot slot spreekt het rapport over de essentie van het medium: ‘het voorrecht bij d’eerste te zijn.’

Zulke zever is al zo vaak herhaald dat we dachten dat zelfs tweedeplans er zich voor zouden hoeden. Neen dus. Er blijkt zelfs nog een lagere categorie te bestaan, veel lager dan de figuranten. Och arme, kunstencentrum én festivalcentrum DeSingel. Het verdient beter dan groot huisvuil. Want veel meer dan dat is deze selectie eigenlijk niet.  

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
19 mai 2010 3 19 /05 /mai /2010 19:34

JanFabreIn de reeks theaterboeken van Jan Fabre is onlangs een nieuw deel verschenen. Het omvat niet enkel de derde monoloog van Trilogie van de schoonheid, maar ook Another sleepy, dusty, delta day, Requiem voor een metamorfose en De vroedvrouw.

Een lezing geeft een andere kijk op de boodschap dan een voorstelling. Door de enscenering leidt een voorstelling de toeschouwer vaak naar een andere interpretatie. Want ensceneringen nemen de vorm aan van een camouflagepak. In geval van Fabre is een lezing daarom een extra element om te begrijpen wat hij werkelijk wil zeggen. Wie bovendien weet dat zijn vader hem aan de jazz bracht – de muziekvorm van eeuwigdurende verbeelding, tot in het uitvoerend proces toe –, en zijn moeder uit een Franstalig burgerlijk milieu stamde waarin de liefde voor de taal de taal van de liefde was, heeft een stapje voor bij het doorgronden van Fabre’s sterk symbolisch opgezette toneeltaal.

De eerste indruk die bij de lezing ontstaat is dat het theater van Jan Fabre zich in zijn hoofd afspeelt. De voorstelling is [maar] een verdere uitwerking van een filosofische spielerei in zijn hoofd. Uiteraard is de enscenering belangrijk, Fabre verwent graag zijn publiek, maar bronmatig komt ze voor hem maar op de tweede plaats.

Een tweede indruk is dat hij zich eerder een schrijvende acteur dan een acterende schrijver voelt. Een acteur is namelijk een ridder, want tilt hij de tekst van de schrijver niet naar een hoogedel niveau? Hij is onontbeerlijk ten bate van de verheerlijking van de kunst der kunsten, de letterkunde. In het titelverhaal valt dat vaak tussen de lijnen door te lezen. En om die stelling extra te benadrukken, gebruikt hij een Brabants sloebertaaltje. Het situeert ook zijn positie in dit land. Vlamingen zijn vertaalde Fransen met Germaanse gnomen in hun stem.

Uit die twee indrukken ontstaat een derde: Fabre stelt zijn positie in vraag. Hij is zeker van zijn zaak, maar gezond voor zijn kunstenaarschap is het om voortdurend een analyse te maken of hij de titel van kunstenaar wel verdient. In de titel zit al het vertrekpunt van de analyse: de dienstbaarheid. Waarmee niks mis mee is. Dienaars zijn de filosofen, psychologen en ideologen van de machthebbers. Met andere woorden: zonder kracht geen macht. Fabre wijst daar ook op. Door op een gegeven moment de dienaar als manipulator af te schilderen. Hij gebruikt daarvoor de omweg van het theater, met alles erop en eraan, maar het is slechts een schijnmanoeuvre. Al wordt die ook met alle egards behandeld.

De dienaar van de schoonheid is een ode aan het theater en een dankgebed voor wie en wat hij in werkelijkheid is. En bijzonder teder wordt bij de lezing duidelijk dat de vierde wand in wezen een spiegel is zonder een zwarte achterwand. Een spiegel zoals winkeliers hebben om hun klanten te beloeren.

Requiem voor een metamorfose is geheel anders van aard. Het theatrale gaat vóór het literaire. Als hij echter bekeken wordt als Fabre’s eigenste zwarte mis, is hij helemaal niet moeilijk te begrijpen. Zijn requiem concentreert zich op de twee zwaarste miseries van deze wereld, oorlog en ramp. Een natuurramp mag dan niet de schuld van de mensheid zijn, maar hij verstoort de handel en wandel en daarom is hij een miserie van formaat. De uitbarsting van de vulkaan op IJsland heeft dit weer eens krachtig aangetoond. Het juweel in de kroon van deze theatertekst is de kleinering van God, de stamvader van de Westerse religie: ‘Gezegend ben je niet, God / Want je snapt niets van gedichten.’ Het citaat is de aanzet van het Benedictus, in de Roomse mis het dankwoord. Leuk om weten bovendien is dat paus Benedictus XII de bouwheer was van de pausenbrug van Avignon, een stad die Fabre zo dierbaar en dankbaar is.

Another Sleepy, dusty, delta day is een liefdesbrief aan een sterdanseres van zijn gezelschap, verpakt als monoloog. De vroedvrouw tot slot is een indirecte liefdesbrief. Hij is geschreven voor Pina Bausch, na een nacht met Pina in een Antwerps restaurant. Pina wordt tot vroedvrouw van het moderne danstheater verheven. Zij eet perziken, de vrucht waarvan de zaden uit de pit gebruikt worden in bepaalde soorten parfums. De boog van parfum naar Pina is de monoloog. Naar mijn oordeel de mooiste van het boek.

Guido LAUWAERT

Jan FABRE, De dienaar van de schoonheid en andere theaterteksten, Antwerpen, Meulenhoff / Manteau, 128 p., 19,95 €.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
17 mai 2010 1 17 /05 /mai /2010 16:44

 

In de versie zoals Macbeth door Theater Zuidpool gepresenteerd wordt, zijn Macbeth en de Lady niet meer dan de singers of the band.

m.beth--55-.JPGNa de dood van de kinderloze koningin Elisabeth I, besteeg een Schot de Engelse troon. De zoon van de Schotse koningin, Mary Stuart, die Elisabeth had laten doden omdat zij voortdurend trachtte Bettie van de troon te stoten om van Engeland weer een Rooms land te maken. Jacobus I was geen groot vorst. Hij miste charisma en hield meer van droom dan van daad. Het occulte en demonische was zijn geliefde speelterrein. Maar hij was nu eenmaal koning en kort na zijn troonsbestijging in 1603 schreef de Engelse bard een stuk om de koning te behagen. Dat gebeurde meer. Om de positie van het gezelschap te vrijwaren en in de gunst van de koning te komen. Shake zette daartoe alle middelen in. Macbeth speelt zich af in Schotland, is een worsteling tussen goed en kwaad, licht en duisternis. Dit alles opgejaagd door de geperverteerde eerzucht van een niet te bevredigen Lady Macbeth, die dankbaar gebruik maakt van de onderbewuste wensen van haar vaak naïeve man.

In geen enkel ander stuk van de Engelse bard naderen we zo dicht de botsing tussen de emoties. Blijven die in andere tragedies, zoals Hamlet en King Lear, onderhuids en dus enkel voorstelbaar voor het publiek, in Macbeth spatten ze de zaal in. Shakespeare maakt dat realistisch door een supersnelle opeenvolging van machtsspelletjes en boosaardige energie. De theatrale middelen versterken zijn bedoeling. De meeste tonelen spelen zich af in schemering, duisternis of mist. Het weinige licht dat er is brengt geen helderheid, maar versterkt juist de opgeroepen griezelbeelden en spookachtige sfeer. De poëzie is geheel in overeenstemming met die wilde vaart. De taal is heftig. De beeldspraak wordt koortsig. Tot de waanzin toeslaat. Waartegen geen remedie bestand is. Dat zegt de dokter ook, die uitgehoord door Macbeth over de geestelijke toestand van zijn vrouw, niets anders weet te zeggen dan: ‘Daarvan moet de zieke zichzelf genezen, sire. We doen wat we kunnen, ik verzeker u…’ Ja, Freud en zijn ligbank zijn nog lang niet in zicht.

Klap op de vuurpijl is de verwaarlozing van de nevenfiguren. Zij komen even aan bod maar krijgen geen diepte. Zelfs over koning Duncan, die door Macbeth op aansporen van de Lady in eigen huis vermoordt wordt om zelf de troon te bestijgen, komt het publiek weinig te weten. Ook de beste vriend van Macbeth, Banquo, passeert maar zijdelings. Het enige wat benadrukt wordt is dat hij een zoon heeft. Fleance mag even zijn gezicht tonen, maar ontsnapt aan een moordaanslag. Dat gebeurt enkel in functie van het aaien van koning Jacobus, die zich een afstammeling waande van de legendarische Banquo. Want niet vergeten mag worden dat Macbeth werkelijk heeft bestaan. Het stuk werd voor het eerst opgevoerd in 1606. Shakespeare, zoals zo vaak, baseerde zich voor zijn stuk op de Chronicles van Raphaël Holinshed, een consciëntieus verzamelaar van historische gegevens. Macbeth maakte zich meester van de troon nadat hij Duncan in 1040 op het slagveld had verslagen en gedood. Hij regeerde tot in 1057. Sterf niet in zijn kasteel, zoals Shakespeare laat uitschijnen, maar te velde.

m.beth--74-.JPGHeel wat in het stuk klopt dus niet met de werkelijkheid, maar daar maalt Shake niet om. Het stuk speelt zich voornamelijk ten huize Macbeth af. Het bevordert de geconcentreerde eenheid. Handeling en expressie vloeien in elkaar over tot één flitsend gebeuren, gebaseerd op drie elementen: jeugd, ambitie en geweld. Het stuk valt extra op door een tweede driehoek, die al in de eerste claus van de tweede scène uit de mond rolt van koning Duncan, die een sergeant tegen het lijf loopt. Een man die geen tijd heeft gehad om een douche te nemen of langs Spoed te gaan. De hoeken van de driehoek zet ik met opzet vetjes: ‘What bloody man is that? He can report, / As seemeth by his plight, of the revolt / The newest state.’ Bloed, wonden en oproer, dáár draait het om. Voortkomend dus uit de jeugd, ambitie en geweld van een koppel. Wat zij creëren gebeurt nog dagelijks in de wereld. Ver moet hiervoor niet gezocht worden. In de richting kijken van Anderlecht is voldoende. Daar ook komt de jeugd in opstand uit ambitie om een job, en als het niet goedschiks lukt dan maar met geweld: bloed, wonden en oproer. Kortom, dit meest klassieke drama van Shakespeare is blijvend actueel.

m.beth--91-.JPGVan al die wonderlijke toestanden, in zo’n gebald stuk samengebracht en tot één geheel verweven, is in het concept van Theater Zuidpool nauwelijks iets te merken. De voorstelling is een voordracht met muziek. De acteurs moeten schreeuwen. In microfoons!

De spreektaal is Engels, maar gelukkig is er Nederlandstalige boventiteling. Sofie Decleir als Lady Macbeth, is bijzonder slordig in haar uitspraak. Voor dictie gebuisd en de poëtische taal van Shake klinkt noch swingt. Ze paradeert eerder dan acteren en waant zich Madonna of Flanders. Ook Macbeth slaat er met de pet naar. De weinige keren dat er iets van het gezicht van Jorgen Cassier te lezen valt, lijkt hij eerder op een bengel die iets mispeuterd heeft, dan op een man die zich van geen kwaad bewust toch ten gronde weet gaan. De enige geloofwaardige acteur is Tijs Delbeke die Banquo speelt, en een paar nevenrollen op zich neemt. Hij schept een vermoeden van wat Shakespeare voor ogen stond.

De productie wordt gepresenteerd als concertante voorstelling. Geen bezwaar, het theater is dé plaats waar alles kan en mag, zolang er respect is voor de auteur, de handeling, de krochten van het stuk en de plaats van de protagonisten. In de versie zoals Macbeth door Theater Zuidpool gepresenteerd wordt, zijn Macbeth en de Lady niet meer dan de singers of te band. De muziek, daar draait het om. Mauro Pawlowski zag zijn kans schoon en wist van geen ophouden. Het gevolg is dat hij zijn eigen muziek vernedert. Had hij de wijsheid gehad om paar maal een pauze in te lassen, had hij een spanning gevonden die het stuk vereist.

Door de terreur van de muziek, de foute invulling van de rollen, de slordigheid van het opzet en het behoud van het eigen karakter, is de productie een parade voor de acteurs en muzikanten en een cavalcade voor wie gekomen is voor Shakespeare, Macbeth en de visie van de regisseur. Trouwens, waar was die? O, die zat in elk van de deelnemers! Begrijpelijk dat het een zootje is geworden. Het enige fraaie in deze ratjetoe is de belichting. Schemering en veel rood licht. Zoals het hoort.

Guido LAUWAERT

Macbeth – Theater Zuidpool – tot 26 mei in eigen huis – www.zuidpool.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
16 mai 2010 7 16 /05 /mai /2010 22:57

De Antwerpse stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen beschouwt kennelijk zijn ambt als een full-time job. Dinsdag 11 mei trad hij als gastheer op in Rood/Wit – het Berchemse cultuurcafé (Generaal Drubbelstraat 42, 2600 Berchem) waar ik het voorrecht had hem jaren geleden persoonlijk te mogen leren kennen.

In 2004 hield ik in Rood/Wit een lezing over 'Paul van Ostaijen, jazz & Chopin', die achteraf hier gepubliceerd werd. Tot ieders verbazing zong ik toen een aantal liederen waarvan Van Ostaijen een aantal fragmenten citeerde of verwerkte in Bezette stad. In Rood/Wit had ik ook een aantal verhelderende gesprekken met Joris Gerits.

Naar versleten iconen als Kristien Hemmerechts of Leonard Nolens ging ik niet luisteren (waarom zou ik ook?) maar 'Hoe de vis de zee verloor', ja, dat trok mij wel aan, ook al (of misschien: vooral) omdat Peter Holvoet-Hanssen daar uitdrukkelijk mijn aandacht op gevestigd had.

Ik was er dus bij dinsdag, met Pruts Lantsoght en Luc Neuhuys, toen Flor Vandekerckhove, Geert Cyriel Tavernier en Marnix Verleene zeewaardige verhalen, gedichten en beelden uit Oostende brachten: “Hoe de vis de zee verloor”. Vrijblijvend was het allerminst (en wie had dat gedacht, wanneer Peter Holvoet zich engageert?).

Onderhuids thema was immers de teloorgang van de vrije visserij, wat fel tot uitdrukking kwam in het gedicht van Schipper-Odysseus Marnix Verleene, Ridder van het Kapersnet, een hulde aan zijn vriend Jean Deley, “de laatste visser”.

Flor Vandekerckhove, de zeer merkwaardige hoofdredacteur van Het Visserijblad (door Peter Holvoet-Hanssen ingeleid als 'de laatste trotskist' – maar de 'kaper' vergist zich, het zij hem voor een keer vergeven...) las (veel te snel) een zonder meer schitterend hoofdstuk uit een te verschijnen roman, waar ik van nu af naar uitkijk. Geert Cyriel Tavernier bracht een sterk gedicht, helaas al te 'voordrachtkunstenaarachtig' vertolkt.

En bij wijze van verrassing werden de aanwezigen nog getrakteerd op een sterk optreden van Bruno Deneckere (wellicht bij wijze van Gents verbingsteken tussen Oostende en Antwerpen...).

Achteraf had ik nog boeiende gesprekken, o. m. met de talentvollke en scherpzinnige Leïla Boukhelif en Leo Reijnders (de plastische kunstenaar die bij Radio Centraal elke maandag 'De wolkenbreiers' verzorgt).

*

Café 'RoodWit' bestaat al een eeuwigheid. Het is een van de weinige authentieke buurtkroegen die Berchem (Antwerpen) nog rijk is. De naam RoodWit komt overigens van de kleuren van de biljartballen, die op de biljarttafel liggen die centraal staat in het café.

Eind vorige eeuw nam Peter Melis samen met een vriend en zijn vrouw de de zaak over. Met als eerste bedoeling de plek en haar buurtfunctie voor de ondergang te vrijwaren. Hoe dat kon, werd met veel intuïtie en creativiteit stap voor stap uitgezocht en opgebouwd. De jukebox werd vervangen door een piano. De speelkast door een boekenrek. Er kwam een 'boekje' op elke tafel te liggen met nieuwtjes uit eigen kring maar ook een maandelijkse boekbespreking, doordenkers en andere verhaaltjes. RoodWit werd het startpunt van buurt- en straatfeesten, vergaderplek van talloze wijkcomités, thuishaven van biljart-, bak- en voetbalsupporterclubs, schaaktoernooien en biljart- en djembélessen.

En sinds een drietal jaren is er, in de schoot van RoodWit, 'De Boog'.

Poëzie, literatuur, theater, muziek en dans - kunst in het algemeen dus - wordt al te vaak opgesloten in cultuurtempels met een hoge drempel. De Boog wil lezingen, theater- en dansvoorstellingen, voordrachten, concerten... organiseren die dicht bij het publiek staan. De toegangsprijs wordt laag gehouden (5 €). De Boog-activiteiten gaan door - in principe - elke tweede dinsdag van de maand, telkens om 20u30 in café RoodWit. Initiatiefnemers zijn Geerdt Magiels, Peter Holvoet-Hanssen, Jo Roets en Kris Verellen: een (tegendraadse) wetenschapsjournalist, een eigenzinnige dichter en performer wiens talent door enkele critici meteen gewaardeerd werd en het dan toch o zo terecht tot Antwerpse stadsdichter bracht, een bevlogen toneelman en een dichter die honderden verzen uit de Nederlandse literatuur uit het hoofd citeert. Voeg er nog Peter bij, de uitbater die Majakowski in het Russisch declameert. Het zal dan ook wel aan hem te danken zijn dat de activiteiten van De Boog plaatsvinden onder een motto van Velimir Chlebnikov: “Godverdomme goden, Dat gij ons maakte om te sterven. Wel daarom richten wij omhoog deze door treurnis giftige pijlen, ziehier de boog”.

Henri-Floris JESPERS

www.boog.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
16 mai 2010 7 16 /05 /mai /2010 21:58

Tijdens de tweede editie van kalmkunstfestival In de luwte werd in Roosdaal hulde gebracht aan de op 13 oktober 2009 overleden ereburger Bert Decorte.

Volgende verzen van de dichter werden in steen gebeiteld:


Werd er niets blijvends uit mij geboren?

Versneeuwt het tot vlokschuim?

Waait het verloren?

Of zou het verduren tot duurzaam graniet?

Zie In memoriam Bert Decorte

http://mededelingen.over-blog.com/article-bert-decorte-overleden-wonderkind-in-de-

 


Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
15 mai 2010 6 15 /05 /mai /2010 18:45

Nietzsche wees bij herhaling op het labyrint, een doolhof “waarin alles ingestort is en waarin men poogt zich in te richten of op te richten”. In Zarathustra IV speelt het hol een grote rol. Leopold Flam stipt aan

in zulk labyrint schijnt Jozef K. uit Het Proces van Kafka geraakt te zijn. In de tribulaties van ons bestaan zijn er ongetwijfeld zulke labyrinten, waarin elke uitweg versperd schijnt te zijn en het onmogelijk wordt nog iets te zeggen. Alles is ingestort en we bewegen ons tussen de puinen. 1

De labyrintische mens komt al vroeg ter sprake, zo bijvoorbeeld bij Adrianus Poirters SJ, de voorvechter van de Contra-Reformatie: “Men vindter in once tijden die segghen dat het Herte vanden mensch is eenen dool-hof”.2

Slaan we er woordenboeken op na, dan vinden we “doolhof” als volgt gedefinieerd:

a) tuin, die uit een aantal herhaaldelijk ombuigende en door heggen gescheiden paden bestaat, zo aangelegd, dat het zeer moeilijk is het middelpunt te bereiken of vandaar de uitgang te vinden. Vervolgens ook in toepassing op bouwwerken, die op soortgelijke wijze zijn ingericht;

b) een geheel van omstandigheden of aangelegenheden, of een zeer samengestelde zaak waarin het moeilijk is de weg te vinden, waaruit het moeilijk is wijs te worden;

c) een omgeving of een toestand, waarin of waardoor men licht op dwaalwegen komt, in geestelijke of zedelijke zin.

Wie in een doolhof geraakt dwaalt of doolt. Ook die werkwoorden zijn polyvalent: voortgaan buiten de juiste weg, zonder de juiste weg te kennen; zonder doel voortgaan of zwerven; zich in telkens wisselende richtingen voortbewegen; zich vergissen, het mis hebben, de waarheid niet kennen, verkeerde denkbeelden aanhangen; buiten zichzelf zijn door aandoening of opwinding; ijlen; in een toestand tussen slapen en waken zijn; niet in het volle bezit van zijn geestvermogens zijn, zinneloos zijn of razen.

In de XVIde eeuw vinden we 'dwalen' in de betekenis van: het afleggen, niet slagen, falen.

In verband met 'Irrweg, Irrgarten' en 'Irre' wijst Paolo Santarcangeli er in zijn grondleggende Libro dei labirinti op dat 'Irre'

è poi uguale a pazzo, all'uomo il cui spirito è caduto nella confusione, che si è perduto per sempre; ma è anche per noi 'die Irrfahrten des Odysseus' sono l'errare, gli errori, le avventura di Ulisse.3

 

De zwerftochten, de dwalingen, het avontuur van Ulysses – ook de taal weerspiegelt de dubbele polariteit van de doolhof.

Het oudste labyrint waarvan sprake in geschreven bronnen is een verder onbekend Egyptisch labyrint met volgens de overlevering drieduizend kamers. De mythe kristalliseert zich zich pas in het Kretenzische labyrint van Minos, gebouwd door Daidalos. De strijd van Theseus tegen de Minotaurus, de stier-mens, weerspiegelt de confrontatie van de lichtbrengende filosofische held met de duistere wereld van de mythe: “Toro-uomo segno di forze ctonie che tentano una ultima rivolta contro l'uomo ordinatore”.4 De Minotaurus5 symboliseert de aardse, chtonische, tellurische krachten van de duisternis, Theseus de ordescheppende, lichtgevende, ordescheppende en zingevende mens.

Het oorspronkelijke, mythische labyrint biedt altijd een uitweg en vertoont minstens één kernruimte, een bevrijdende “oercel”6. De verwarring en het avontuur, de 'dwaling', vormen een waarachtige queeste, een initiatieproces, een iter mysticum.7 Psychoanalytisch wordt er gewezen op het verband tussen het labyrint en de 'Wiederholungstrieb' (de drang naar herhaling, nogmaals hetzelfde te doen), terwijl de dooltocht in het labyrint gelijk staat met een “ricerca del seno materno”, een zoektocht naar de moederschoot.8

Wie het labyrint betreedt, treedt in een vrijwillige eenzaamheid die de tijd opheft.9 De dooltocht door het labyrint heeft een cathartische uitwerking. De labyrintganger weet niet wat hem te wachten staat. Hij wordt genadeloos geconfronteerd met de persoonlijke, subjectieve monsters die hem bewonen, hij staat helemaal alleen, oog in oog met zijn objectief geprojecteerde subjectieve obsessies (en angtsmotieven). De tocht door het labyrint is aldus een inwijding, een initiatie, een begin en illustreert de symbolische keten dood-kennis-hergeboorte. In de kernkamer wordt de confrontatie beslissend. “Vi troveremo un tresore? Le prenderemo. Vi troveremo un monstro? Lo occideremo.”10 Vinden we daar een schat? We zullen hem meenemen. Vinden we een monster? We zullen het doden...

De labyrintganger ervaart dat de omweg naar het middelpunt voert, dat alleen de omweg naar volkomenheid leidt.

“Beato chi, come Teseo potra uscire dal suo Labirinto personale, une volta per sempre.”11

Wee echter wie dat geluk niet te beurt valt, wie de weg naar de kernkamer niet vindt of het gevecht met de Minotaurus ontwijkt. Hij blijft verstrikt in het labyrint en verliest het (geestelijke, evenwichtige) leven. Romeinse mozaïeken en middeleeuwse manuscripten die een labyrint voorstellen, dragen vaak als verklarend opschrift: “Hic inclusus vitam perdit” – wie hier ingesloten is, verliest het leven. Wie eens op een dwaalspoor is, raakt almaar verder van de weg. De enkeling die verdwaald blijft in het labyrint verzaakt de queeste en de dooltocht wordt een zinloze en aftakelende lijdensweg.

Het labyrint heeft vandaag de dimensies aangenomen van de globale, totalitaire maatschappij waarin de mens niet langer ordenend en zingevend optreedt, maar waarin hij integendeel slechts het product is van uit zichzelf voortwoekerende, dominerende structuren. Het labyrint verliest aldus zijn stralende dimensie: van polyvalent symbool van de overwinning van de concentratie op de (innerlijke) chaos verwordt het tot eenduidige allegorie van de Kerker van de Wereld.

Henri-Floris JESPERS

ClericiFabrizio CLERICI, De Minotaurus klaagt zijn moeder openbaar aan


1L. FLAM, Zelfvervreemding en zelfzijn, Amsterdam / Antwerpen, Wereldbibliotheek, 1966, pp. 7-8; p.74.

2A. POIRTERS, Het Heylich Herte vereert aen alle godt-vruchtige Herten voor eenen Niew-Jaer, Antwerpen, 1659.

3P. SANTARCANGELI, Il libro dei labirinti. Storia di un mito e di un simbolo, Firenze, Vallecchi editore, 1967, p. 73.

4P. SANTARCANGELI, o.c., p. 15.

5De Minotaurus werd eerst gezoogd door zijn moeder. Maar na verloop van tijd werd hij te sterk en te agressief voor een reguliere kooi. Daarom werd de Minotaurus opgesloten in een door Daidalos ontworpen doolhof, zo ingewikkeld, dat de uitgang niet te vinden was.

6G.R. HOCKE, Die Welt als Labyrinth, Hamburg, Rowohlt, 1957, p.98.

7P. SANTARCANGELI, o.c., p. 168.

8Met betrekking tot het labyrint als woonruimte en zijn fysiologische, organische metamorfosen, cf. Gilbert DURAND, Les structures anthropologiques de l'imaginaire, Paris, Presses Universitaires de France, 1963, pp. 118, 120, 221, 259, 263-64, 344, 372.

9P. SANTARCANGELI, o.c., p. 356.

10Ib., p. 356.

11Ib., p. 356.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
15 mai 2010 6 15 /05 /mai /2010 17:36

Eind juni geeft Johan Simons de fakkel als artistiek leider van het NTGent door aan Wim Opbrouck. De voorbije maanden heeft Wim, samen met zijn team, een nieuwe koers uitgestippeld. Er komt een nieuwe baseline, Een Huis van Spelers. Maar wat echter bijzonder opvalt is het verschil in visie. Johan Simons concentreerde zich op maatschappelijke thema’s met een internationale link. Voor Wim Opbrouck zal het spelplezier centraal staan, geboren uit historische gebeurtenissen. Dat Opbrouck vooral een speler is en de geschiedenis belangrijk vindt, zal hier niet vreemd aan zijn. Voor de eerste productie is die combinatie van spelplezier en geschiedenis al zo laat.

In samenwerking met het Festival van Vlaanderen zal een opera vertoneeld worden, Aida, van Guiseppe Verdi. Er zal niet alleen gesproken maar ook gezongen worden. En een Gentse harmonie zal een prominente rol spelen.

Egypte, november 1869. In Port Said wordt op feestelijke wijze het Suezkanaal geopend: de verbinding tussen de Middellandse Zee en de Rode Zee. De realisatie van dit huzarenstuk is in handen van een Franse ondernemer: Ferdinand de Lesseps. Hij slaagde erin om een enorme liquiditeitsstroom op gang te trekken. Meer dan 25.000 particulieren beleggen hun geld in het prestigieuze project: vanuit een heilig geloof in de vooruitgang die zich aankondigt als een wereldwijde vrije markt. Hij is Lernout en Hauspie tegelijk, want een aantal jaren later wil hij de zaak overdoen in Panama maar mislukt jammerlijk. Hij gaat failliet en alle investeerders zijn hun geld kwijt.

Verdi wordt gevraagd om voor de inhuldiging van het Suezkanaal een opera te schrijven. Hij weigert aanvankelijk, maar twee jaar later heeft hij dan toch een nieuwe compositie klaar: Aida, over de tragische liefde tussen een Ethiopische prinses en een Egyptische veldheer. Het is het verhaal van een onmogelijke romance die eindigt in het graf, de enige plek waar de twee geliefden echt samen kunnen zijn. Maar veel meer dan van het libretto is Aida vandaag bekend als een opera waarin de trompetten triomfantelijk schallen. De melodie van deze blijde intocht staat in het collectieve geheugen gegrift als het leidmotief bij uitstek van de overwinningsroes.

In de Aida van NTGent zien we de welsprekende ondernemer op scène, als dirigent van een gelegenheidskoor dat bestaat uit zingende acteurs en figuranten. Ook het publiek in de zaal wordt aangemoedigd om deel te nemen: de vooruitgang is een droom die gerealiseerd kan worden, mits iedereen voldoende investeert. Participeren is de boodschap. En optimisme een must.

Mits enige verbeelding kan deze productie symbool staan voor de nieuwe koers die het NTGent voor ogen staat. Ook voor de laatste productie van het nieuwe seizoen zal de combinatie van spelplezier en geschiedenis opvallen: Wim Opbrouck als Nero, neerkijkend op een immens grote maquette van Rome. Aan het eind zal Nero een lucifer afstrijken. Artistieke leiding en veiligheid zitten voorlopig nog dagelijks aan tafel om te zien hoe ze niet alleen de schouwburg kunnen behoeden voor Wims vuurzee, maar ook Gent.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Théâtre
commenter cet article
13 mai 2010 4 13 /05 /mai /2010 18:24

 

De Ark van het Vrije Woord had zijn jaarlijkse poetsbeurt gekregen en was dus klaar om getoond te worden. Voorafgaand aan de ceremonie op woensdag 12 mei in de Antwerpse galerie De Zwarte Panter, van de eeuwig galante en charmante gastheer Adriaan Raemdonck, was in het voetstuk de naam gegrift van de 60ste laureaat, Geert Buelens.

Mon Detrez, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Verbond van de Arkprijs, heette het talrijk opgekomen publiek welkom. In tegenstelling tot andere jaren was dat echter niet zo talrijk. De reden hiervoor zal het verlengde weekend geweest zijn. Toch moet dat niet de enige reden zijn, maar hierover later meer. In de voorlaatste alinea.

Mon Detrez begon zijn welkomstwoord met het aflezen van de namen van de bestuursleden en notabelen die zich schriftelijk hadden verontschuldigd. Het herhalen van hun namen zou de leesbaarheid van dit stuk danig ondermijnen. Eén naam wil ik wel vernoemen, Karel Anthierens. Hij zit weliswaar in het bestuur, maar heeft weinig goesting het gebeuren met zijn aanwezigheid te verfraaien, omdat hij vindt dat de hoogst gegadigde, de man met de meest vrije stem en pen van Vlaanderen, de prijs nooit gekregen heeft. Johan Anthierens. Mijns inziens is de reden hiervoor dat Johan niet alleen smaldenkers maar ook breeddenkers wanneer hij dat nodig vond, ongenadig wist te kapittelen. Vaak ten onrechte, maar het was zijn mening, en ieders mening is een vrije mening.

De aanwezigen waren de usual suspects. Een ruwe greep: Tom Lanoye, Marc Ruyters, Christine van Broeckhoven, André van Halewijck, Simon Korteweg, Luc Coorevits, Roger de Neef, Nelly Maes, Walter Soethoudt, Luc Huyse, Cyriel Van Tilborgh, Lucas De Vos, Paul Goossens, Jan Vanriet. Ook aanwezig was Fred Bervoets. Hij stond niet vóór de communiebank maar bleef aan de toog in de sacristie hangen.

Samen met een beperkt aantal sympathisanten luisterden de arkbroeders vooreerst naar de ontstaansgeschiedenis van de Arkprijs en alle gevolgen vandien. Eigenlijk een belediging voor de aanwezigen, want ik denk dat niet één dat niet al lang wist. Op z’n minst hebben ze het al dertig maal gehoord, want het publiek was niet van de jongste. Na de verantwoording werden de mensen bedankt die vooral bedrijvig zijn achter de schermen, en dus met alle miserie beladen worden. Zulke slachtoffers doen me denken aan de klerk van de notaris uit De Verlossing van Willem Elsschot, waarover de schrijver zegt: ‘Mertens was zijn eerste klerk, een man die gebruikt werd als getuige bij akten, als strooman bij verkoopingen en als zondebok bij knoeierijen.’

Na een kwartier was het tijd om aan de laureaat te denken. Mon Detrez wist te vertellen dat de jury Geert Buelens huldigt als dichter, essayist, academicus en onafhankelijk denker, die het maatschappelijk debat over de verantwoordelijkheid van de media breed heeft opengetrokken. ‘Door zich consequent kritisch uit te laten over de kwalijke ontwikkelingen binnen de media, heeft hij de cultureel-politieke wereld uitgedaagd tot permanente zelfkritiek.’ Einde citaat. De laatste zin kwam mij nogal vreemd over omdat voortdurend met geparfumeerde stem de namen vielen van De Morgen en De Standaard, onze twee zelfbenoemde kwaliteitskranten die de laatste tijd een nogal kwalijke ontwikkeling hebben ondergaan, de eerste sinds het aantreden van Klaus Van Isacker, en de tweede door het halfverdoken schrikbewind van Peter Vermeersch.

Mon Detrez deed een stap opzij en David van Reybrouck een voorwaarts. Zijn laudatio ging de verhalende toer op met een terugkeer naar Vlaanderen dat er als vanouds vredig bijlag, in de schaduw van de kerktoren en met in de kale boom eksters die nu en dan krasten, naar de sneeuw, naar de stilte, naar de bejaarde dames die met hun plastic kapjes schuifelen van nergens naar nergens. Zo iets horend weet ik dat de spreker zichzelf graag hoort spreken en ook graag lang aan het woord is. Geert Buelens werd, in het tweede kwartier, enkele keren genoemd, maar duidelijk was dat het Van Reybrouck enkel te doen was om de eigen literaire kwaliteiten te demonstreren en te bewijzen dat ook hij grote woorden kon verwerken in een kanselpraatje.

Daarmee wil ik geen afbreuk doen aan het wetenschappelijk en literair talent van de laureaat. Geert Buelens heeft prachtig werk geleverd. Wat mij wel stoort is dat sprekers al te vaak de neiging hebben om misbruik te maken van de gelegenheid. De gevierde is een werktuig in handen van zoekers naar voetstukken. Een paar aanwezigen keken tijdens de lofzang op lage toon, mijn richting uit. Iemand haalde de wenkbrauwen op, een andere bootste een spinnende kettingzaag na. Maar allen applaudisseerden, kort nadat Van Reybrouck wees op het feit dat

‘Hij [Geert Buelens] niet langer reageert op Don DeLillo’s argwaan met gedichten die zwoegend een kleine ruimte voor het zinvolle spreken menen gevonden te hebben, maar inmiddels ook met steeds stelliger essays en opiniestukken op steeds grotere fora, omdat de hysterie van het heden, de macht van het geld, de verharding van het spreken en de waanzin van het geweld hem wel dwingen tot interventie. Dat is zijn antwoord op de new age of responsibility, want vraag niet wat democratie en rechtvaardigheid voor jou betekenen, maar wat jij voor de democratie en rechtvaardigheid kunt betekenen'

en Buelens tot slot prees

‘voor de manier waarop je de politieke dimensie van de poëzie ontleedt.’

Het applaus na de onvoorwaardelijke Duitse capitulatie op 7 mei 1945 was een maatje kleiner.

Wie dacht dat hij verlost was van de academische terreur kwam bedrogen uit. Het dankwoord van Geert Buelens was een referaat over zijn eigen positie als wetenschapper en kunde als literator. Nogmaals, ik heb zeer veel waardering voor Geert Buelens, maar dankwoorden moeten kort en krachtig zijn. Hooguit mogen ze vijf minuten duren, dus niet meer dan één vel A-4 met anderhalve regelafstand beslaan.

De jaarlijkse uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord is verworden tot een pronkgebeuren van arkbroeders en –zusters. Het is een braaf gebeuren dat vooral aantoont wat het in oorsprong wilde belijden, desnoods met de vuist op de tong: het vrije woord. Want als één ding duidelijk is, is dat de Arkprijs enkel oog en gravering heeft voor wie in zijn kraam past. Wie bevestigt wat al gedacht is. Wie opbouwt door af te breken. Voor een feest van de zelfverheerlijking is geen jonge mens te vangen. Dàt is de voornaamste reden dat de opkomst aan de lage kant lag.

Ik geloof dat met dit artikel ik voor eens en voor goed de kans heb verkeken op een plaats op de Ark. Gelukkig heb ik al jaren mijn eigen bootje. Dat er verdomd nog stevig uit ziet. Ondanks de vele stormen.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche