Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
18 septembre 2010 6 18 /09 /septembre /2010 18:39

 

Donderdag 16 september werd in AMVC-Letterenhuis te Antwerpen de hernieuwde druk van De komst van Joachim Stillervoorgesteld. De eerste druk verscheen een halve eeuw geleden.

Voor een beperkt maar select publiek, waaronder Vlaamse en Nederlandse leden van het Hubert Lampo Genootschap, leidde Jan Lampo de beide gastsprekers in: Rob Molin, essayist en biograaf die werkt aan een boek over Lampo en Johan Vanhecke, Letterenhuis-medewerker en auteur van het boek Het Antwerpen van Hubert Lampo.

16-september-10-019.jpg

Rob Molin

Rob Molin gaf een analytische kijk op dit belangrijke boek van Lampo waarbij hij het bekeek vanuit een verrassende invalshoek.

16-september-10-025.jpgJohan Vanhecke

Johan Vanhecke belichtte een aspect uit de vroege jaren van als journalist bij

Volksgazet,  waar hij in zijn rubriek boekbesprekingen een polemiek aanging met het vooruitstrevende (gestencilde) tijdschriftje Taptoe. Dat hij hierbij vaak al te voortvarend uit de hoek kwam bleek uit een uitspraak over de redactie van Taptoe die hij vergeleek met een kinderspeelkamer, waar men tewerk gaat : “zoals mijn dochtertje Leentje met de poppen speelt”! Bleek dat tussen de medewerkers de namen de namen voorkwamen Louis-Paul Boon, Adriaan Morriën, Hugo Claus...

16-september-10-139.jpg

Leentje Lampo

Na deze amusante lezing van Vanhecke werden de aanwezigen getracteerd op een drankje en een uitgebreid hapjesbuffet.

16-september-10-036.jpg

Van l. Naar r.: Heiko ter Horst, voorzitter Hubert Lampo Genootschap, Marc Somers (Letterenhuis) en Joke van den Brandt

Dat deze zoveelste editie zinvol is bleek uit een geprek dat ik na afloop had met enkele jonge mensen die nog nooit een boek van Lampo gelezen hadden, terwijl dit in onze schooltijd verplichtte lectuur was. Ik heb hun de lectuur van dit kleine meesterwerk van Hubert Lampo van harte aanbevolen.

16-september-10-009.jpgJohan Vanhecke (r.) in gesprek met Kris Landuyt (antiquariaat De Slegte);

op de achtergrond, Jan Lampo

16-september-10-144.jpg

Van l.naar r.: Christian Rom, Marc Somers en Frank-Ivo van Damme

JVDB

Partager cet article
Repost0
18 septembre 2010 6 18 /09 /septembre /2010 18:10

 

Egypte, november 1869. In Port Said wordt op feestelijke wijze het Suezkanaal geopend: de verbinding tussen de Middellandse Zee en de Rode Zee. De realisatie van dit huzarenstuk is in handen van een Franse ondernemer, Ferdinand de Lesseps. Hij slaagde erin om een enorme liquiditeitsstroom op gang te trekken. Meer dan 25.000 particulieren beleggen hun geld in het prestigieuze project.

Guisseppe Verdi wordt gevraagd om voor de gelegenheid een opera te schrijven. Hij weigert maar een exorbitant honorarium doet wonderen en twee jaar later heeft hij een nieuwe compositie klaar, Aïda. De opera gaat over de tragische liefde tussen een Ethiopische prinses en de Egyptische veldheer Radames, die liefde voorwendt voor de dochter van de farao om zelf koning, keizer, kardinaal te kunnen worden. Pourquoi pas? La Seine où le Nil, ici où là, partout il y a des ménages à trois [Verdi woonde ten tijde van de compositie in de Franse hoofdstad].

Het libretto was gebaseerd op een verhaal van de Franse Egyptoloog Auguste Mariette [hij werd begraven in een sarcofaag], en werd geschreven door Antonio Ghislanzoni. Maar veel meer dan van het sprookjesachtig libretto is Aïda vandaag bekend als een opera waarin de trompetten triomfantelijk schallen.

Ondanks het wereldwijd bekende trompeteer mag het belang van het libretto niet onderschat worden. De correspondentie tussen Verdi en Ghislanzoni vormt een belangrijke bron over de waarde die de componist hechtte aan de ‘parola scenica’, de toneeltaal. Hij moest ten dienste staan van de scherpte en de precisie van de muzikale situaties in de opera. Samengevoegd zorgden zij voor een optimaal dramatisch effect. En dát, het dramatisch effect, is waarschijnlijk de spreekwoordelijke druppel die Wim Opbrouck heeft doen kiezen voor de vertoneling van de opera. Want laat ons wel wezen, de kwaliteiten van acteur, entertainer, zanger, tekenaar van de nieuwe intendant van het NTGent zijn gebouwd op één centraal artistiek gevoel, genaamd: pompeus.

Pompeus is niet denigrerend bedoeld, integendeel. Het motto van het herdoopte huisgezelschap van de Gentse schouwburg is Een huis van spelers. Gedaan met de dominantie van de regisseur. Terug naar de fundamenten die aan de basis lagen van de toneelschool van Herman Teirlinck, in de volksmond bekend als ‘de Studio’, momenteel bezet door de Villaneziërs van doge Marc Verstappen. De klemtoon leggen op de spelers is een welgemeende pompeuze koppigheid, en iedereen weet dat zonder koppigheid geen grootse daden worden verricht. En grootse daden wil Opbrouck en zijn beleidsteam stellen. De uitnodiging voor de première is in dat opzicht al te helder: ‘NTGent nodigt u uit op de première van AIDA* - een grootse ensemblevoorstelling naar de opera van Guiseppe Verdi en de geschriften van Ferdinand De Lesseps’.

Asterisk en ‘grootse’ vormen het kloppend hart van het nieuwe beleid met als kransslagaders optimisme en monumentalisme. Voor de eerste productie van het nieuwe team werden daarom alle registers opengetrokken. Geen toneelvoorstelling moest het worden, maar een theaterproductie op het randje van de revue. Om dat doel te bereiken hebben Christoph Homberger, Wim Opbrouck en Frank Van Laecke - zijnde de goden van Muziek, Woord en Beeld – alle personeelsleden en medewerkers opgetrommeld. Niet alleen de acteurs staan op het toneel, maar in zoverre het mogelijk was ook het administratief en technisch personeel, en de vaste vrijwilligers en sympathisanten.

Die laatste dubbele groep scheelt een hap op de begroting, maar wil vooral een bewijs zijn van het nieuwe beleid: een theater waar niet alleen toneel wordt gespeeld, maar dat ook een centrum is waar door elke fan, externe als interne, dag en nacht over de functie van een schouwburg en zijn politieke plaats in de maatschappij gesproken kan worden. Even geëngageerd is deze filosofie als de filosofie van Ferdinand de Lesseps. Want hij wilde niet alleen geld ophalen, maar het betrekken van de bevolking bij zijn Suezproject was een sociaal maatschappelijke daad. Wie wat spaargeld had, moest investeerder worden. Het zou iedereen welvaart brengen, en voor wat hoort wat.

Tot zover de drijfveren van De Lesseps, Verdi en het goddelijk triumviraat. Tijd om oog en oor op de voorstelling te richten. Een bewerking van de opera is hij niet. Eerder een mix van muziekfragmenten uit de opera en de geschriften van De Lesseps. Die dubbelgreep koppelt kunst aan geschiedenis, en verklaart op speelse wijze hoe de situatie in het Midden Oosten is ontstaan, en waartoe die tot op de dag van vandaag heeft geleid. Want alle goede voornemens van De Lesseps ten spijt, was de aanleg van het kanaal een daad waar vooral Frankrijk en Groot-Brittannië politieke en economische munt uit zouden slaan. Tot the Arabs het beu waren, de Egyptenaren op kop. Remember, remember, the crisis of the Suez in 1956. Daarom is de theaterproductie Aida* en de film Lawrence of Arabia naast elkaar plaatsen vreemd maar niet misplaatst.

Van het sprookje rest vijf procent en de geschiedenis komt maar zijdelings ter sprake. Snel na een muzikaal nummer gebracht door de vaste spelerskern, komt Ferdinand de Lesseps [Steven van Watermeulen] op. Een kerel met meer macht op de tong dan in de hand, want het kost hem moeite een projectietoestel en een scherm te installeren. Na de projectie van een paar dia’s springt de lamp en wachtend op assistentie dommelt hij in slaap. Wat volgt is een droom. In nu eens bizarre en dan weer burleske scènes worden de populaire deuntjes gepompomd, gefloten en geneuriet, muzikaal ondersteund door toetsenisten en een heuse fanfare. Oud-Egyptische kledij in combinatie met spullen uit oma’s kast zorgen voor kleur. Even verschijnt een olifant. Wim Opbrouck is de publieksmenner van dienst.

Als na een uur De Lesseps bruusk ontwaakt wil hij een toespraak houden. Op dat moment valt de verlichting uit. Bij noodlicht en met behulp van een mijnwerkerslamp kan hij alsnog tegenover de aandeelhouders [het publiek] kond doen van zijn heilig geloof. Het kanaal betekent een grote sprong voorwaarts voor de wereldwijde vrije markt. Net als Lawrence blijkt De Lesseps een idealist te zijn. Na de laatste zin verdwijnt hij al dolend over het toneel. Tijdens zijn aftocht klinkt uit de gangen van het gebouw echomuziek. Het verbeeldt het slot van een Oosters sprookje dat droef eindigt. In rouwstemming valt – figuurlijk althans - het doek.

Frank Van Laecke tekende voor het beeld van de voorstelling. Hij is er de geknikte man voor. De Cecil B. De Mille van Vlaanderen. Met behulp van de twee andere leden van het triumviraat heeft hij een zangstonde georganiseerd, inclusief vendelgezwaai. De NTGent-versie van de beroemde opera was een kapstok voor een avondje Pomp and Circumstance. De muziek is van Verdi, al dagen bij momenten Nino Rota en Edward Elgar in de verte op. Rota was de vaste componist van cineast Fellini en Elgars muziek symboliseerde Groot-Brittanië als wereldmacht. Door de combine van de drie componisten en de interieurarchitectuur van Van Laecke is Aida* een waardige opening van het nieuwe seizoen geworden. Luchtig en kluchtig voor het podium, verrassend en verbazend voor de zaal. Een streling voor oog en oor die blijft nazinderen op weg naar het eigen nest.

Guido LAUWAERT

AIDA* - NTGent, i.s.m Festival van Vlaanderen - Gezien op 15 september. Nog tot 11 oktober in eigen huis – www.ntg.be

Partager cet article
Repost0
16 septembre 2010 4 16 /09 /septembre /2010 04:45

 

Veel belangstelling, gisteren, in Het Goudblommeke in papier, waar ik mijn monografie over Geert van Bruaene signeerde. Naast de bedrijvige ploeg van vzw Geert Van Bruaene / asbl Le petit Gérard en een aantal mij onbekende belangstellenden, mocht ik mij verheugen op de aanwezigheid van: Ray van Asten (schoonzoon van Wout Hoeboer, die thans opnieuw in de belangstelling staat dank zij een beslist niet te missen tentoonstelling in Verbeke Foundation te Kemzeke); Reinaert de vos-kenner René Broens, Marie-Jeanne Dypréau (wandelende encyclopedie én geheugen van de moderne kunst); acteur-verteller Gaëtan Faik; tekenaar Christian Van Haesendonck; celbiologe prof. dr. Emmy van Kerkhove (die mijn belangstelling voor Hubert Lampo en het magisch-realisme deelt); uitgever en galerist Jean Marchetti; mijn FaceBook-vriend Jurgen Masure, essayist (en model); de dichters Jan Struelens (auteur van een fascinerend en onthutsend boek over Harry Mulisch en Dan Brown) en Rody Vanrijkel; zonder natuurlijk Pruts Lantsoght te vergeten, ça ira-medeplichtige Luc Neuhuys, de schilder Jan Scheirs (wiens imposante wandschildering aan de Sint-Aldegondiskaai opgenomen werd in de vijfde editie van Antwerp Artwalk) en mijn stamgenoten Rina Stevenin en Isabelle Jespers.

Ik mocht er Jean-Marie Aendekerk eindelijk persoonlijk leren kennen, de drijvende kracht achter de stichting Marthe Donas (die in 1926 exposeerde in Van Bruaenes galerie La Vierge poupine aan de Louisalaan), alsmede Bert de Keiser, wiens foliantformaat kunstboekwerk Aardse zekerheden (vijftien liefdesgedichten van Simon Vinkenoog) op zaterdag 25 september bij Demian in Antwerpen voorgesteld wordt.

Hans Rombaut, redactiesecretaris van het Nationaal Biografisch Woordenboek was verhinderd, maar heeft me bevestigd dat een biografisch lemma Geert van Bruaene nog altijd op de werklijst blijft. Guido Lauwaert diende de première bij te wonen van Aida* in het NTGent, Frank de Crits lag in bed geteisterd door artrose, Lukas de Vos kwam pas thuis, gewoon van valies veranderen om alweer te vertrekken.

En uitgever Robin de Salle? Hij bediende de kassa en was verguld met de onverhoopt vlotte verkoop. Dat is ook meegenomen...

HFJ

Partager cet article
Repost0
15 septembre 2010 3 15 /09 /septembre /2010 15:22

 

De imposante wandschildering (4 m op 18) van Jean Scheirs aan de Sint-Aldegondiskaai is uiteraard opgenomen in de reisroute van de vijfde editie van Antwerp Artwalk, waarbij 't Eilandje centraal staat.

mai2010-4542.jpg

Dit is een uitstekende gelegenheid om persoonlijk kennis te maken met de kunstenaar. Belangstellenden zijn donderdag 16 september vanaf 20u30 van harte welkom voor een gezellig samenzijn, op het terras (of, mochten de weergoden ons niet al te gunstig zijn, in de tent), vlak voor Restaurant Bar Lux, Sint-Aldegondiskaai aan het Bonapartedok.

Ik zal u daar graag de hand drukken.

Jan Scheirs behoort tot een generatie die vooral beïnvloed is door de taal van het Imperium en heeft het dus over een “mural”(“any piece of artwork painted directly on a wall, ceiling or other large permanent surface”), een woord dat hij echter niet op z'n Engels uitspreekt, maar wel degelijk op z'n Vlaams: “Muur al”. Van het adjectief “muraal” (“met betrekking tot de wand”) maakt hij taalcreatief een zelfstandig naamwoord. Waarvan akte.

In Café Storm,het café van het MAS, het Museum aan de Stroom, worden 22 werken van Jan Scheirs geëxposeerd.

Henri-Floris JESPERS

mai2010-4543-copie-1.jpg

Partager cet article
Repost0
14 septembre 2010 2 14 /09 /septembre /2010 23:53

Morgen zitten Bart de Wever en Elio di Rupo opnieuw samen aan tafel...

LAUREL-EN-HARDY.jpg

Partager cet article
Repost0
13 septembre 2010 1 13 /09 /septembre /2010 18:09

 

DangreBoek.jpg

Zopas binnengekregen, geleverd door het Centraal Boekhuis: het debuut van de Y. M. Dangre, Vulkaanvrucht (Meulenhoff /Manteau).

"Met dit romandebuut op 22-jarige leeftijd kondigt hij zich aan als een van de grote talenten in de Nederlandse literatuur", zo staat op de flaptekst te lezen.

Uitgever Harold Polis heeft flair. Bovendien werd het boek mij meer dan warm aanbevolen door CDR-medewerker Luc Pay. (zie eerdere blogs).

Ik ben meer dan benieuwd...

HFJ

Partager cet article
Repost0
12 septembre 2010 7 12 /09 /septembre /2010 04:12

 

hermanbrusselmans3.jpg

De nieuwe roman van Herman Brusselmans bespreken is onbegonnen werk. Niet dat Trager dan de snelheid een slecht geschreven boek is. Het plot is gewoon te dun. Brusselmans heeft zich, zijn oeuvre is het grote bewijs, nooit echt bekommerd om de verhaallijn. Een goede openingszin vinden is een groter zorg. In zijn 52ste roman luidt hij: ‘De vrouw van Louis Tinner, Zoë Konvoie, had in de jaren negentig gestudeerd aan de modeacademie.’ De andere zinnen volgen automatisch de eerste. In ganzenmars. Binnen de driehoek tafel, bed en toog. Het enige wat Brusselmans in wezen tijdens het schrijven nieuwsgierig maakt, is of de slotzin hem moeite zal kosten. Die wil hij nog wel eens om en om draaien, wat met de andere niet het geval is. Ieder zijn taak. De eindredacteur moet ook zijn werk hebben, the poor boy. Maar de slotzin is dus eigen kweek. Hij vat in zijn nieuwe roman het probleem samen waar Brusselmans al een kwart eeuw mee worstelt: ‘Ik zal altijd een man met een missie zijn, dacht Louis Tinner, en in deze nacht van betekenis sloot hij zijn harde ogen.’

Het juweel in de kroon is het voorlaatste woord, harde. Dat had de pientere lezer al meteen gemerkt, mag verondersteld worden. Maar verlaten wij thans de zaak van de eerste en de laatste zin, om ons even te verpozen bij het overige binnenwerk. Brusselmans is stilaan overtuigd dat hij kan schrijven. Dat heeft een voordeel en een nadeel. Het voordeel is de leesbaarheid van het boek. Zelfs als er niets gebeurt en de hoofdpersoon maar wat voor zich uit zit te peinzen, is er geen sprake van verveling. Het nadeel is het uitrekken van zinnen. Zoals pagina 35 wanneer hij de vloer aanveegt met prinses Diana, wegens het bedriegen van haar man met een islamiet: ‘Dan ben je niet alleen een slet, maar ook een dom wijf, een zéér dom wijf.’ Het laatste stuk had er beter niet gestaan, want zulke toevoegingen leiden maar tot irritatie.

Wanneer Brus de moed zou hebben die extraatjes te schrappen, zou de spanning aan kracht winnen en zou de kans bestaan dat hij definitief in het pantheon van de Vlaamse literatuur bijgezet zou worden. Want laat ons wel wezen, Brusselmans is de Grunberg van Vlaanderen. Hun speelveld is nagenoeg gelijk. Beiden bewegen zich in een sociale klasse. Het enige verschil is dat de sociale klasse van Grunberg in de tweede klasse speelt en die van Brusselmans in de derde. O, het is zo gemakkelijk Brus en zijn boeken van het literaire veld te sturen. Heeft ooit iemand zich de vraag gesteld waarom Brus schrijft zoals hij schrijft en waarom hij in derde klasse speelt? Om een aanzet te geven op het tweede deel van de vraag, omdat de derde klasse van onze maatschappij denkt dat het in tweede klasse speelt met uitzicht op eerste.

Brusselmans heeft een grondige hekel aan pose. Die beantwoordt hij in zijn boeken, en ook in zijn openbare optredens via de media, met een spel van uitdaging en vernedering. Dezelfde soort uitdaging waar ook Gerard Reve zijn maatschappelijke ergernis mee dacht te kunnen stillen. Het spel van de vernedering van Brus dan weer is ingegeven door zijn afkeer voor het wentelen van stand-upcomedians in hun statusbadje. Voorbeeld. ‘Monsieur Hulot wilde helemaal niet grappig zijn, die wás grappig, in tegenstelling tot Vlaamse pseudokomieken als Joost Vandecasteele, Xander Derycke, Piv Huvluv, Wouter Deprez en ongeveer álle winnaars van de Comedy Club. … We kunnen de humor niet anders zoeken dan in vroeger tijden, toen komieken als Jacques Tati, Laurel en Hardy, Buster Keaton, Michel Hoover, Herman Finkers, André van Duin of desnoods Gaston en Leo en Urbanus de dienst uitmaakten. En Seinfeld natuurlijk, en Curb Your Enthusiasm, en Californication. En Monty Python. Gelukkig kan mijn zoon ook lachen om zulke dingen, anders had ik hem al lang verkocht aan de zigeuners.’

De academische literaire kliekjes zullen het volmondig met Brus’ oordeel eens zijn, maar willen het niet toegeven. Net zomin ze kunnen toegeven dat de humor van Geert Hoste platvloers is, wegens gebouwd op leedvermaak. Het is verbazend hoe stil de literaire kliekjes zich houden over de komieken uit de stal of daaromtrent van Woestijnvis. Je weet het al jaren maar was het beu dat aan te kaarten. Vechten tegen de bierkaai. Dankzij Brusselmans echter krijg je opnieuw de moed het oude liedje nogmaals te zingen. Als Brus 25 jaar geleden had beslist naar Hollywood te verkassen, was hij al 15 jaar een gevierd schrijver van humoristische televisieseries. Wie Californication kent zal veel van de stijl van die serie terugvinden in Trager dan de snelheid. Maar Brus is geen reiziger en zal het nooit worden, zijn karakter kennende. Hij is dus veroordeeld tot steniging door de literaire kliekjes, telkens er een roman van hem verschijnt.

 

In plaats van keien te zoeken, zouden de zelfgecroonde critici eens moeten kijken naar de psychologische evolutie in zijn boeken. Met de jaren heeft zijn vrolijkheid aan kracht ingeboet. De jongeman van weleer, met neus en roede op zoek naar de kanalen van Aalst, is gaandeweg verworden tot een man van de tweede leeftijd, teleurgesteld in zijn compagnons de route. Hij zegt het omfloerst. Verbergt de teleurstelling in een potje seks. Halverwege het boek blijkt dat het hoofdpersonage al maanden geen seksuele betrekkingen met zijn vrouw meer heeft, en de weinige keren dat hij vreemd ging, het uitdraaide op een vals genot. ‘Louis frommelde z’n halfstijve in haar kut’. Pagina 122.

Het hoofdpersonage, Louis Tinner, is in tegenstelling tot wat men zou denken, niet Brusselmans’ alter ego. Het is de man [van zijn leeftijd] naast de deur. De man die hij zou geworden zijn, als hij geen schrijver was geworden. Zo bekeken is Louis Tinner toch wel, naar nieren en klieren, een beetje Herman Brusselmans. Maar dat is onvermijdelijk. Elke roman heeft een onvermijdelijke autobiografische diaboliek.

Brus schrijft de boeken met als hoofdpersonage Louis Tinner, maar ook alle andere, vanuit een medische roeping. Hij is een dokter zonder kabinet of academisch hoekje. Hij perst zijn analyses niet in studies maar in romans. Paperbacks voor de pocket. Een gebruiksvoorwerp met beperkte duur. Net als een pakje sigaretten. Hij zou een steengoede roman kunnen schrijven, ruikend naar Zola of Boon. Helaas heeft hij er het geduld niet voor. Al bekruipt hem soms de goesting. Dat valt op te maken uit de voorlaatste zin van Trager dan de snelheid. ‘Hij staarde naar de lichtzwarte hemel en besloot om ooit, op een verloren dag, zijn zegeningen voor de eerste en de laatste keer te tellen en ze te vatten in de juiste woorden.’

Met dat alles ben ik vergeten te vertellen waar het boek om gaat. Dat ga ik nu eens niet doen. Trouwens, het plot is makkelijk te vinden voor wie regelmatig op bezoek gaat bij nonkel Google en tante Wikipedia. En om de clou te verraden ben ik niet ingehuurd.

Guido LAUWAERT

Herman BRUSSELMANS, Trager dan de snelheid, Amsterdam, Prometheus,

2010, 240 p., 17,95 €.

Partager cet article
Repost0
12 septembre 2010 7 12 /09 /septembre /2010 03:43

11637-recensie-infiniti-door-frank-de-vos.jpg

 

Benno Barnard heeft een zalige, scherpe pen. Hij is gezegend met de kracht van de ironie en me dunkt Anglicaan, lid van de Engelse staatskerk. Ik lees hem graag. Ik ben dol op deze oranje medemens. Elke week kijk ik uit naar zijn strapatsen op zijn Knackblog. De grootse verwezenlijkingen van onze Joods-Christelijke cultuur krijgen bij hem altijd voorrang op andere, de Islam in het bijzonder. Weerom geloof, altijd dat geloof met zijn grote gelijk. Nooit mag geloof aan kritiek worden onderworpen want dan toon je geen respect. Dan ben je beledigend. Mannen kunnen/ mogen van mening verschillen over auto’s, voetbal en politiek. Vrouwen kunnen/ mogen van mening verschillen over wasmachines, vibrators en lingerie. Maar over geloof doe je best geen uitspraken. Een gelovige blijft onaantastbaar en mag niet op de vraagbank worden gelegd. Onder de mom van ‘vrijheid – blijheid’ is deze hybris van alle tijden….

Zij werd 21 jaar oud maar door omstandigheden is het altijd een kind van 7 jaar gebleven; een guitig, vrolijk zorgenkind dat meer dan 10 operaties onderging.

Deze week was ik op de uitvaart van dit jonge leven en behoorlijk onder de indruk van de woorden van haar oom die netjes in een pak met das gestoken de aanwezigen toesprak. Ofschoon ik een Rooms product ben van een Latijn-Grieks internaat van een Eucharistisch college, ontsnapt me al jaren de gang van zaken tijdens een uitvaartdienst. Voor mij is dit zinledig en ik heb vooral rondgekeken naar al de aanwezigen. Ik moest denken aan de terechte woorden van Barnard die hij een tijdje terug optekende onder de titel ‘Vorm is de mal van menselijkheid’:

Iemand die in vrijetijdskleding op een begrafenis verschijnt, propageert het dogma dat alles wat lekker is ook goed is. Daartegenover staat de zelfbeheersing van de bourgeois, misschien een varken, zoals Brel keelt, maar deze spleethoevige is tenminste aangekleed. Hij krabt niet in zijn kruis, ook al jeukt het. Hij spuugt niet op de grond en hij vreet niet met zijn handen. Allemaal kleine symbolische gebaren die zeggen: ik sla jou niet op je gezicht, zelfs niet als ik er zin in heb. Burgerlijk fatsoen drukt het tegenovergestelde van moordlust uit. Daarom heb ik zoveel waardering voor mensen die in een gestreken hemd rondlopen, een punt waarop ikzelf helaas een hopeloos Boheems falen tentoonspreid. Het afschaffen van de zelfbeheersing… maar laat ik niet op het stokpaard geheten mei ‘68 klimmen. Ik zeg enkel dat dictaturen floreren als de talentlozen in plaats van zich te moeten beheersen hun rancune mogen uitleven.

Op deze uitvaart streelden de witte Nike’s, de blue jeans, shorts en andere makkelijke, veelkleurige hedendaagsheden mijn oogleden. Ik heb nu het succes van Coca Cola, Pizzahutten, Mc Donalds enz. begrepen. Zij zijn er in geslaagd om onze smaakpapillen weg te slijpen tot een makkelijk te kauwen en door te spoelen geheel. Nog enkele jaren en bij warm weer verschijnen de strings en monokini’s op slippers, de mannen met toonbaar borsthaar in boxershort, of in een overall die op een drafje komen aanlopen.

Op mijn doodsbrief, mijn laatste faire-part komt een dwingend verzoek: ‘Gelieve ingetogen, aangepaste kledij te dragen’. Toen ik vijftig werd heb ik al enkele epitafen bij elkaar geschreven. Uit de drie onderstaande zal ik er ooit een kiezen:

GRAFSCHRIFT 1

HIER LIGT FRANK DE VOS

BIJ LEVEN EEN TEGENLEVER

GESTORVEN AAN TEVEEL GEZEVER

 

GRAFSCHRIFT 2

 

HIER LIGT FRANK DE VOS

HIJ LIGT HIER DOOD TE LIJKEN

OM DE FISCUS TE ONTWIJKEN

 

GRAFSCHRIFT 3

 

HIER LIGT FRANK DE VOS

BIJ LEVEN ONTZETTEND NUKKIG

NU LIGT HIJ HIER DOODGELUKKIG


 

Wat ben ik dus graag een bourgeois. Zo een aftandse, oubollige zeveraar, te links bij rechts, te rechts bij links, de religieuze atheïst, de feminist bij seksisten, de seksist bij feministen, politiek een hopeloze dakloze, meer en meer onaangepast in deze tijden van powerpoints, IPods, beamers en al dat lekkers in modern Nederlands.

4d42b6da471772eddf00fc1797c91ff1.jpg

Gelet op mijn slecht karakter kan ik het niet laten om bij deze column een foto te plaatsen van een Afghaans kind, zwaar verminkt door een clusterbom dat met de zegen van onze rijke Joods-Christelijke cultuur door de adepten van de Anglicaanse kerk zoals een Tony Blair werd uitgestrooid. Zijn biografie is deze week met veel trommelgeroffel verschenen. Weliswaar met pijn in zijn hart sluit deze gelovige medemens een oorlog tegen Iran niet uit. Wedden dat weerom de missen ten hemel zullen schreien.

Ik blijf het uitschreeuwen.

Frank DE VOS

Partager cet article
Repost0
11 septembre 2010 6 11 /09 /septembre /2010 23:25

 

BoudewijnWEB.jpg

 

De vijfde koning van België was naar buiten toe een heilige, maar in werkelijkheid een schurk. Boudewijn mocht dan een mooie jongen zijn, zijn karakter was zo giftig dat alle regeringen tijdens zijn bewind er het zuur van hebben gekregen. Hij was een bemoeial, een nukkig man, rancuneus, gevoelloos en wraakzuchtig. Had Shakespeare nog geleefd, hij had een stuk geschreven waarbij zijn bloedigste koningsdrama, Richard III, van de eerste naar de tweede plaats zou zijn verhuisd. Bovendien was Boudewijn niet de slimste jongen van de klas. Wijsheid heeft geen van de Coburgs ooit in pacht gehad. Ook Leopold II niet. Het is niet omdat hij Congo beetje bij beetje kocht, dat hij een intelligente jongen was. Hij was een man met een boerenverstand. Grond brengt altijd op. Je hoeft er je handen niet voor uit je zakken te halen.

Kunst en cultuur waren Boudewijn een gruwel. Buiten kasboeken, jaarverslagen en strips van Hergé heeft hij geen enkel serieus boek gelezen. Hij liet de boeken waarin hij, het land en de politieke wereld prominent aan bod kwamen door anderen lezen en een samenvatting maken op een wat toen nog heette kwartovel. Zijn beste vriend was Armand Pien. Samen zaten ze op een plat dak van Laken naar de sterren te staren. Armand gaf tekst en uitleg over de kosmos, Boudewijn over de hemel. Verder reikte zijn interpretatief draagvermogen niet.

De enige leden van de koninklijke familie met een onsje verstand zijn aangetrouwd. Op kop koningin Elisabeth. Zij wist dat geschiedenis niet zonder kunst kan, en omgekeerd. Dat je wijsheid niet bij directe medewerkers haalt, want die misbruiken zowel de baas [de koning] als het werkvolk [de regering]. Koningin Paola weet welke vaas bij een ruiker hoort. Prinses Mathilde is diplomatisch, kan discreet maar stevig aan de mouw van prins Filip trekken. Zij kan goed luisteren en vooral onthouden wat anderen haar op papier hebben voorgekauwd.

Tot zover de mening van uw dienaar. Ik heb het van ingewijden. Dezelfde ingewijden ongetwijfeld die ook Thierry Debels hebben gevoed. Parallel aan de ingewijden heeft Debels een knipselmap bijgehouden over Boudewijn. Thierry Debels is bedrijfseconoom en publiceerde onder meer De ondergang van Fortisen Het verloren geld van de Coburgs.Deze boeken wisten echter niet meer te vertellen dan wat algemeen al geweten was. Koning Boudewijn. Een biografieis in hetzelfde bedje ziek. Debels heeft een collage gemaakt van wat er in zijn knipselmap zat. De lijm perste hij uit de gossip. De ontleding van toestanden door Boudewijn georchestreerd, geboycot en opgezet krijgen geen diepere laag. Op wat platitudes na komt de lezer wel te weten wieBoudewijn was, maar niet hoe hij was. Daar heb ik met mijn schets in de eerste drie alinea meer kleur aan gegeven. Dat zou ik niet zeggen als de biografie niet triestiger is dan le roi tristeooit triestig is geweest.

Een al te vroeg ontvallen moeder, een vader die zijn job verliest, een schuinmarsjerende broer, een halfbroer met een paar verkeersdoden op zijn geweten, een lichtgestoorde neef, een plattelandsnicht en een tweede neef met een hondenbrein, allemaal goed en wel, maar wat is de oorzaak van de paranoia waaraan Boudewijn leed, een waanzin die hem tot een speelbal van Opus Dei maakte? Tot een diepere analyse van een koning zonder nar, vriend of vijand, van een man die in wezen zo eenzaam was dat hij in paniek dagelijks naar God belde, was de auteur niet in staat. Waarom was Fabiola meer moeder dan echtgenote? Meer verpleegster en non dan heidens altaar [merci, Claus]. Hoe komt het dat Boudewijn een voorkeur had voor dictators? Een gierigaard was? Die voor het behoud van het familiefortuin meer vertrouwen had in de kluizen van Fort Knox, en voor de Brusselse societybanken enkel wat zakgeld over had? In tal van louche zaken was verwikkeld? Aanzetten genoeg maar geen antwoorden. Althans, geen antwoorden voor hel en gevangenis.

Frans Verleyen, Herman Liebaers, zelfs kardinaal Suenens, proberen Boudewijn wat realiteitszin, kunstinzicht en sociaal gevoel bij te brengen. Allemaal boter aan de galg. Voor de groeiende populariteit van de vorst heeft Thierry Debels al evenmin een zinnige verklaring. Terwijl de reden, mijns inziens, juist in een misbruik van zijn karakter, een gebrek aan persoonlijkheid en een overdaad aan robotmachinerie is. Iemand die niemand vertrouwde, enkel een spel van charme en attentie speelde. Een masker opzette voor de buitenwereld. Een extreem egocentrische figuur was. Zelfs voor zijn hartkwaal week hij uit naar Parijs. De Belgische chirurgen en ziekenhuizen waren hem te min. In wezen had hij een afkeer van het land, zijn leiders en het volk, is zowat het enige dat afgeleid kan worden uit deze biografie, waarvan je je afvraagt: waar is de snijkant?

Koning Boudewijn, een biografietot slot is slecht geschreven. Thierry Debels heeft een schrijfstijl waarvan je onwel wordt. De zinnen zijn saai en al te kaal. Zelfs een biografie mag geen nuchtere taal hebben. Er moet engagement uit spreken, liefde voor het onderwerp, een speelsheid hebben met een vleugje droge humor hier en een natte tragiek daar. Tientallen passages zitten ook fout in elkaar. Een voorbeeld, de middelste alinea pagina 167, naar aanleiding van de Chinareis van koningin Elisabeth in 1961: ‘Nu is het genoeg geweest!’ roept hij zijn grootmoeder toe. ‘U moet ermee ophouden propaganda voor het Oostblok te maken.’ Veel indruk maakt hij niet op zijn oma. Als ze terugkomt wordt de koningin onmiddellijk in een auto gestopt. Ze had journalisten op de terugreis verzekerd dat ze de waarheid over China zou vertellen, maar Boudewijn muilkorft zijn grootmoeder. Einde citaat. Hoe kan hij haar dat hebben toegesnauwd als ze nog in China zat? Over de telefoon! Ja, dat zou kunnen maar staat er niet. Details, daar is een opvallend gebrek aan. Terwijl het precies details zijn die verklaringen kostumeren.

Dit boek is waardeloos, deze biografie nutteloos. Koning Boudewijn. Een biografieis een must voor royaltyliefhebbers en iedereen die in de Belgische geschiedenis geïnteresseerd is, staat er op de achterflap. Dat is niet waar. Het is hard om te zeggen, maar liever Dag Allemaaldan dit prul.

Guido LAUWAERT

Thierry DEBELS, Koning Boudewijn. Een biografie, Antwerpen / Utrecht, Houtekiet, 2010, 400 p., hardcover, ill., 29,95 €.

Partager cet article
Repost0
11 septembre 2010 6 11 /09 /septembre /2010 23:18

 

Het Paleis heeft niet de gewoonte te reageren op roddels betreffende het privéleven van de koninklijke familie. Dat gebeurde wel naar aanleiding van Het verloren geld van de Coburgs (Antwerpen, Houtekiet, 2010, 150 p., pb, 17,95 €), waarin Thierry Debels de rijkdom van de Belgische dynastie onderzocht. In het communiqué van het Paleis stond te lezen dat de informatie die door Debels wordt verspreid over het persoonlijke fortuin van Albert II de vrucht is van een rijke fantasie. In het persbericht wordt één miljard euro een “totaal uit de lucht gegrepen bedrag” genoemd.

Nu pakt Thierry Debels uit met een biografie van koning Boudewijn, door Marc Reynebeau getypeerd als “een samenraapsel van wat eerder al over Boudewijn is gepubliceerd, doorspekt met anekdoten, geruchten, roddels en halve waarheden, soms van anonieme bronnen, soms uit obscure publicaties, soms van een of andere toverkol, maar meestal zonder enige bronvermelding.”

 

Overtuigende bewijzen ontbreken, historische kritiek op de bronnen evenzeer. Dat en de vele detailfouten maken dit boek zeer ongeloofwaardig, zelfs in de passages waar het interessant had kunnen zijn. Tot overmaat van ramp blijkt Debels maar weinig benul te hebben van de historische en politieke context, zelfs als het gaat over de Koningskwestie, die de eerste helft van Boudewijns koningschap overschaduwde, de verhouding met Congo, of de federalisering, die Boudewijn zo bekommerde. […]

Wat dan rest van deze biografie is eerder een verzameling verdachtmakingen. Boudewijn, zo lijkt Debels te willen betogen, was geen minzame, ascetische mensenvriend, zoals de mythe het wil, maar sluw, kil, autoritair en hypocriet. En hij bestond het zelfs om eens bij het dessert een tweede portie te vragen!

Ongetwijfeld valt veel af te dingen van het heiligenbeeldje dat rond de vorige koning is gecreëerd. Maar dat zal toch het werk van een ernstiger auteur dan Thierry Debels moeten zijn.

(Marc REYNEBEAU,'Kreetjes en gefluister over koning Boudewijn', in: De Standaard, 16 augustus 2010)

*

Thierry Debels (°1968) studeerde Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Daarna werkte hij drie jaar als beleggingsadviseur bij ING België, als wetenschappelijk medewerker aan de Money & Finance Research Group van de Vrije Universiteit Brussel en als docent bank- en beurswezen aan de Katholieke Hogeschool Leuven. Hij werkte halftijds in dienst van de parlementaire fractie van Lijst De Decker. Hij schreef verscheidene boeken over economische onderwerpen, waaronder de bestseller Encyclopedie van fraude, zwendel en bedrog (Van Halewijck, Leuven, 2007, 240 p., 6,90 €).

Debels kwam prominent in het nieuws met zijn terecht fel omstreden boek over financiële stromen bij NGO's (niet-gouvernementele organisaties) Hoe goed is het goede doel? (Gent, Borgerhoff en Lamberigts, 2007, 224 p.), waarin hij de effectiviteit en de efficiëntie van de caritatieve sector in ons land scherp aan de kaak stelde. Dat resulteerde in een rechtszaak. Bij het raadplegen van de website van de uitgever kan vastgesteld worden dat het boek kennelijk niet langer in het fonds figureert.

In De ondergang van Fortis (Antwerpen, Houtekiet, 2009, 184 p., 17,50 €) waarin hij probeert “de échte waarheid” te achterhalen. Hij baseert zich daarbij “onder meer op tientallen gesprekken met de hoofdrolspelers en geheime documenten”. Zijn tijdelijke inzet voor LDD leverde alweer een resem “revelaties” op: Mijn jaar bij Jean-Marie Dedecker (Antwerpen, Houtekiet, 2009, 207 p., 18,95 €).

Debels vergeleek zelf De ondergang van Fortismet een literaire thriller... Hij heeft zonder meer gelijk. Vertrouwelijke gesprekken met anonieme informanten, ontmoetingen met actoren en / of ingewijden, “geheime” documenten, recyclage van geruchten en roddels vakkundig overgoten met een vleugje zorgvuldig gedoseerde complottheorietjes, dit alles verleent aan Thierry Debels' “dossiers” een hoog fictiegehalte...

In de volgende aflevering wordt Boudewijns' biografie besproken door Guido Lauwaert.

 HFJ

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche