Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
16 février 2015 1 16 /02 /février /2015 02:11

 

Dan Dada

Dan Dada doe uw werk!, de bloemlezing uit de avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen, samengesteld door Hubert van den Berg & Geert Buelens (Nijmegen, Vantilt, 2014, 248 p.), wordt besproken door Matthijs de Ridder. Heel veel verrassingen levert de bloemlezing niet op, maar de samenstellers ontrukken wel enkele auteurs aan de vergetelheid. ('Avant-gardistisch' verwijst hier wel naar de historische avant-garde.) “De bloemlezing slaagt er zeer goed in om de Nederlandstalige avant-garde in haar volledige breedte en verscheidenheid te portretteren”, aldus Matthijs de Ridder. (Ter verduidelijking, het gaat hier om de historische avant-garde.)

Maud Vanhauwaert en Lies Van Gasse werpen hun licht op Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen (Bezige Bij, 2014, 194 p.), de neerslag van de “literaire bedevaart” die Koen Broucke, Pascal Verbeken, Koen Peeters en Peter Holvoet-Hanssen in de voetsporen van Van Ostaijen ondernamen.

Beide boeken zullen nog ruim aan bod, niet noodzakelijk op deze blog, maar wel in volgende afleveringen van het tijdschrift Mededelingen van het CDR.

*

Charles Ducal brengt een tussentijds bilan: “Is het Dichterschap des Vaderlands na één jaar een levensvatbaar initiatief gebleken? Ik denk het wel, al is er geen reden om naast onze schoenen te lopen. Kinderschoenen. Ik ben tenslotte de eerste dichter van dit project, en mijn opdrachtgevers weten zo goed als ik dat de belangstelling in Wallonië nog wat mag aandikken.”

Bart Vonck vraagt aandacht voor de jongste bundel essays van Stefaan van den Brempt, De oude wereld moe. Over vernieuwers en voortzetters in de literatuur (Haarlem, In de Knipscheer, 2013, 327 p.).

*

Een jaar lang zal Anneke Brassinga in haar column 'Crudités' schrijven over wat haar raakt in de poëzie(actualiteit). In de eerste aflevering, 'Tafel vol ooft' stelt zij met zoveel woorden: “Poëzie, ik houd er niet van; ze is meestal ongevaarlijk maar hinderlijk, als een wolk muggen die het zicht verduistert”. Een gewaarschuwde lezer telt voor twee.

Marc Kregting publiceert twee columnachtige bijdragen 'bij Le salon des dépendents' [sic] en 'bij: In courtesy of the unknown'. Waar die 'verklarende' ondertitels ook naar mogen wijzen blijft mij een raadsel.

*

Worden besproken: vertalingen van werk van Charles Bukowski en Dylan Thomas alsmede dichtbundels van Ghayath Almadhoun, Annemieke Gerrist, Yahya Hassan, Krijn Peter Hesselink, Marc van der Holst, Arthur Lava, Jan van Meenen, Saskia Stehouwer, Peter Theuninck en Benne van der Velde.

Henri-Floris JESPERS

Poëziekrant verschijnt 6 x per jaar. Abonnement: 40 €. Nederland en EU-landen: 46 €. Andere: 85 €. Los nummer: 12,50 € (inclusief verzendkosten). Nederland: 15 €. Andere 19,50 €.

Poëziekrant wordt uitgegeven met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren, de Provincie Oost-Vlaanderen en de Stad Gent.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
15 février 2015 7 15 /02 /février /2015 18:54

 

MAELEcat2.jpg

Marcel van Maele (1931-2009 kwam vorig jaar sterk in de belangstelling dank zij een tentoonstelling in het Gezelle museum te Brugge, een colloquium in het Letterenhuis te Antwerpen en, vooral, twee in alle opzichten aanbevelenswaardige publicaties: Vuurtaalspuwen en Marcel van Maele in Meervoud. Johan Pas, Yves T'Sjoen en Els Van Damme verdienen alle lof.

Zie o.m.:

http://mededelingen.over-blog.com/article-marcel-van-maele-gecanoniseerd-124730296.html

Elke Brems bespreekt beide boekwerken. Gelet op “de ondoordringbare veelheid aan gedichten” meent zij Vuurtaal spuwen (Brussel, ASP, 508 p.) te moeten bestempelen als “haast onleesbaar maar als object wel aantrekkelijk” (!). Haar conclusie luidt onomwonden: “Is Van Maele nu tot het establishment toegetreden? Bijlange niet, hij blijft in de marge en daar zit hij goed.” Welke marge? Marcel was al vroeg een cultfiguur, kreeg de Sinjaalprijs, de Arkprijs van het Vrije Woord en de Prijs van De Vlaamse Gids.

*

Hee hoor mij Ho simultaan simultaan op de brandtorens, de nieuwe uitgave van de verzamelde gedichten (Bezige Bij, 2014, 1800 p.) van H.H. Ter Balkt (° 1938) wordt besproken door Hans Vandevoorde (° 1960).

*

Roger de Neef is een boom van een dichter” – zo luidt de laatste regel van 'Al die vogels in mijn keel', de bespreking door Anneleen de Coux (°1978) van zijn jongste bundel, Som van tijd (PoëzieCentrum Gent, 2014), “waarin hij zichzelf en zijn thema's volledig trouw blijft”.

De bundel werd hier gesignaleerd:

http://mededelingen.over-blog.com/article-som-van-tijd-125250761.html

*

Jooris van Hulle (° 1948) focust op de jongste twee bundels van Jo Gisekin (° 1942), Dooitijd (2012) en De witte pauw / Le paon blanc (2014), beide verschenen bij het PoëzieCentrum, Gent. Als conclusie van een nogal oppervlakkige bespreking van Souvenirs (Leuven, P, 142 p.) typeert hij de herinneringen van Lucienne Stassaert als “een door en door eerlijk boek”. Tja, is daar is dan alles mee gezegd zeker? Ondertussen werkt Stassaert aan het vervolg op haar markante Souvenirs.

Lucienne Stassaert (° 1936) vertaalde poëzie van Sylvia Plath en Emily Dickinson en hertaalde een selectie uit de Mengeldichten en Strofische gedichten van Hadewijch. Poëziekrant publiceert haar vertaling van enkele gedichten van Andrée Chedid (1920-2011) Bij de onvolprezen Uitgeverij P zal dit jaar haar vertaling van Chedid verschijnen: Bestaan is een zegen voor mij.

*

Traditiegetrouw worden in Poëziekrant gedichten opgenomen, zowel van gevestigde dichters (Erik Spinoy, Claude Van de Berge, Lans Stroeve) als van beloftevolle debutanten en worden recente publicaties besproken.

Nog meer over Poëziekrant in een volgende post.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
14 février 2015 6 14 /02 /février /2015 22:51

 

Poeziekrantjanuari15.jpg

In de jongste Poëziekrant publiceert prof. dr. Lars Bernaerts een interview met Ilja Leonard Pfeijffer (° 1968) over het poëzieweekgeschenk van de Stichting CPNB, Giro giro tondo, een obsessie, vijftien sonnetten die met elkaar verbonden zijn via het rijgsnoer van de eerste en laatste regels. De eerste regel van elk nieuw gedicht is een herhaling van de laatste regel van het vorige. Het vijftiende sonnet bevat de veertien beginverzen van de voorgaande sonnetten. Ilja Leonard Pfeijffer licht de sonnettenkrans toe, verduidelijkt zijn poëtica en kondigt een nieuwe bundel aan: Idyllen.  Hier dan een terloopse uitspraak die ik ten volle onderschrijf:

'Als er iets is wat me nu ergert in de Nederlandse poëzie, dan is het een soort van algehele risicoloosheid, vooral bij jonge dichters. Ze schrijven poëzie die op poëzie lijkt. Er zijn dichters die dat soort gedichten schrijven omdat ze erbij willen horen.

Was het nou maar eens echt slecht, dan heb je er nog iets aan, maar het is echt slaapverwekkende middelmatigheid.'

*

Huub Beurskens, Jan Lauwereyns, Luuk Gruwez, Charles Ducal, Lies van Gasse, Michaël Vandebril, Paul Demets, Robert Anker, Marleen de Crée, Gwy Mandelinck en Piet Gerbrandy schreven gedichten naar aanleiding van de tentoonstelling “Berlinde De Bruyckere. Sculpture & Drawings” die in het Gemeentemuseum Den Haag van 28 februari tot 23 mei loopt. De gedichten werden in Poëziekrant in een treffend geïllustreerde special opgenomen.

Over Berlinde De Bruyckere op deze blog, zie o.m. de bijdragen van Guido Lauwaert:

http://mededelingen.over-blog.com/article-berlinde-de-bruyckere-romeu-my-deer-124984108.html

http://mededelingen.over-blog.com/article-met-tere-huid-berlinde-de-bruyckere-in-londen-125111006.html

*

De bundel Eigen terrein (Leuven, WEL, 2013, 142 p.) waarin Bert Bevers (° 1954) zijn gedichten 1998-2013 verzamelde, wordt deskundig besproken door Hedwig Speliers (° 1935), die zijn waardering niet onder stoelen of banken steekt:

'Alleen al om de bundel Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld gun ik Bert Bevers een voorname plaats in mijn anthologie der Nederlandse letteren. […] De bundel Arrondissementen is representatief voor Bert Bevers' dichtkunst. Intellectuele glans, originele metaforen en klankrijkdom zorgen voor een bijzondere uitstraling. Ja, wat graag ruim ik in mijn virtuele anthologie een voorname plaats in voor een dichter die te lang heeft in de luwte van het Nederlandstalige poëzielandschap.'

Op deze blog introduceerde Bert Bevers een aantal rubrieken: 'Dichter op het stadsplan', 'De tafel van 1', 'Cinema trivia', 'De onbewoond Eilandkeuze' en, zopas, 'De Passage'.

Uiteraard werd Eigen terrein hier gesignaleerd:

http://mededelingen.over-blog.com/article-bert-bevers-41-jaar-feilloos-dichterschap-121533286.html

*

Poëziekrant, (hoofdredacteur Carl De Strycker, °1981) is gewoon onmisbaar! Meer in een volgende post.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
14 février 2015 6 14 /02 /février /2015 02:44

 

LesPlusBeaux.jpg

Dichter, novellist en essayist Francis Cromphout (° 1947) debuteerde zopas met de autofictionele roman in het Frans, Les plus beaux. Hij is romanist, doceerde Frans, Spaans en didactiek. Als journalist (o.a. voor Knack) focuste hij op het Zuid-Amerikaanse continent. Met grote regelmaat publiceerde hij gedichten en essays in literaire tijdschriften. De dichtbundel Als een pas vernielde stad verscheen in de Yang poëziereeks (1978). Het kortverhaal El Susto werd in 2007 bekroond met de Premio Internacional Mosaico de narración breve.

FrancisCromphout.jpg

Francis Cromphout zelf typeert zijn sterk autobiografische roman als “een soort initiatieke ontdekkingstocht”. Toneelregisseur, journalist, acteur, schrijver en organisator Freek Neirynck (°1949), die ik hierna aan het woord laat, twijfelt er niet aan dat hoofdpersonage Merle samenvalt met de auteur.

'Met sprongen van soms wel eens enkele tientallen jaren komt Merle, o.a. op de Expo 85 in Brussel terecht en later aan de Gentse unief waar hij zijn rebellie leert ontdekken, maar ook filosoof Schopenhauer, Zappa en het hippie/ bohemienleven; en vervolgens ook in Peru waar hij zijn passie voor het avontuur volop beleeft… om tenslotte terug naar Gent te komen en er te settelen. Hij verdiept er zich onder andere in de jazzmuziek, gaande van Sidney Bechet tot Steve Lacy en wordt saxofonist bij de Fanfare van de Lo[o]chte Genteneers.

In Gent ontluikt zijn schrijverschap en hij wordt daardoor opgenomen in het bloeiende en warme artistieke wereldje van de Stroppenstad en neemt er onder andere deel aan (ludieke) literaire manifestaties, zoals die met Daniël Van Rijsel, Pjeroo Roobjee, wijlen Ludwig Aleene… en ondergetekende. Op een nacht gingen ze met zijn allen poëzie sluikplakken op blanke gevels en pissijnen. Tot hun grote treurnis werden ze evenwel niet opgepakt.

Op een dag besluit de volwassen en inmiddels ook latinojazzmuzikant geworden Merle op zoek te gaan naar zijn natuurlijke moeder… En dan schrijft men in filmtermen: Vervolg Op Het Doek! In dit geval: Boek, een pil van net geen 280 bladzijden.'

Francis Cromphout signeert zijn boek op 28 februari op de Brusselse Foire du Livre (Tour&Taxis, stand 415).

*

Les plus beaux  heb ik nog niet in de boekhandel gevonden, maar kon nog net op tijd de publicatie vermelden tijdens mijn lezing over Fransschrijvende Vlamingen, 29 januari op de Antwerpse campus van de KU Leuven.

(Zie hier: http://mededelingen.over-blog.com/article-de-taal-gans-het-volk-125461903.html)

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
13 février 2015 5 13 /02 /février /2015 16:23

 

Peniskoker.jpg

Daar moet je nu 57 jaar voor geworden zijn! Normaal vult een bijna-zestiger zijn vrije tijd met een potje biljarten of een partijtje jeu de boules. De stramsten houden het bij bingo of monopolie of halen het ganzenspel van de zolder. Sommigen gaan tangolessen volgen, anderen doen aan nordicwalking. Er zijn er zelfs die er eindelijk komaf mee maken om hun verzamelde postzegels te sorteren of die aan het stillevenschilderen of karamellendichten gaan. O, een waaier van mogelijkheden gaat open om de derde leeftijd op een zinvolle wijze in te vullen. Fitness, taichi, amateurtoneel, palingvissen, kleurenwiezen of zwartepieten, museumbezoek, of gewoon achter het raam zitten en de auto's tellen die voorbijrijden. Maar nee, voor een kwikstaart als Marcel Vanthilt volstaat dat niet. Marcel laat zich niet zomaar uit het medialandschap wegdrummen, zie je, hij huppelt nog altijd als een twen over het scherm, steeds op zoek naar iets waar pit in zit. En ditmaal had hij weer zo'n pittig item gevonden, iets om duimen en vingeren van af te likken. Nadat hij voor 'Ook getest op mensen' een ganse dag had rondgelopen met aan beide kanten een nepborst van 1000 gram (teneinde de ongemakken van een zware boezem aan den lijve te ondervinden), wijdde hij zijn aandacht aan… de lengte van de Vlaamse penis. Een voorwaar considerabel, maar door iedereen vergeten topic die dringend aan nader onderzoek toe was. Hup met de fluit! moet Marcel gedacht hebben, ik zal daar eens werk van maken, zie, ik zal die koe eens bij de horens pakken. En hij ritste zijn broek open, nam een meetlat (geen lintmeter! verwittigde hij ons) en begon zijn zelfstandigheid te meten. 17,5 cm! Nou ja, Marcel leek danig in zijn nopjes toen hij dat op MNM in de ether kwam gooien. Hoewel… als je eventjes naar de peniskoker van een pygmee (en dan is dat nog maar een pygmee!) gluurt, dan is 17,5 niet direct een cijfer om op je hoed te plakken. (Wordt een paling van nog geen 20 cm. ook niet sowieso terug in het water gekieperd?) Maar nee, voor Marcel was 17,5 een superprestatie, waarmee hij wat graag uitpakte. En tegelijk inviteerde hij zijn publiek – en voor een dergelijke materie zal dat wis en zeker niet ontbreken! – om eveneens de lat te hanteren. Daartoe reserveerde hij zelfs een gratis telefoonlijn waarlangs het resultaat van de toetsingen kon worden meegedeeld. En zo kwam hij tot de verrassende bevinding dat de doorsnee Vlaamse hatsieflatsie in wakkere toestand slechts 14,8 cm zou scoren. Nou, dat deed de hippe jongen met 'kop en schouders' boven het gemiddelde uitsteken. Op basis van dat overwicht verwierf hij ontegenzeglijk een A-attest, dat hem een prominent plaatsje verzekerde in de galerij der Vlaamse Groten. O, wat waren wij opgelucht! En wat krulde onze neus omdat we in Vlaanderland dan toch nog iemand vonden die met de essentialia van het leven bezig is – want voor het knelpuntberoep van falloloog zijn de kandidaturen eerder zeldzaam. Danke, Marcel, danke dat u de Vlaamsche Mensch alweer op een hoger niveau hebt getild. Wij hebben aan uw wetenschappelijk onderzoek niets toe te voegen. Tenzij misschien deze kleine hint: waarom bij gelegenheid eens geen 'diepgaande' research verrichten omtrent de ideale dimensies van het parallelle vrouwelijke bestanddeel? Want dat moet toch ook aan bepaalde proportionele eisen voldoen, dachten we…

Frans DEPEUTER

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
12 février 2015 4 12 /02 /février /2015 22:44

Peter-De-Voecht--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers

 

 

Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
12 février 2015 4 12 /02 /février /2015 01:41

Op een nacht kwam ik mezelf tegen. ’t Is te zeggen, de meest arrogante van mijn neven, want elke mens bestaat uit meerdere neven, zoals u ongetwijfeld weet. Het aantal neven hangt af van de verbeelding die elke mens bij zijn geboorte heeft meegekregen. Ik ben de neef met groene vingers, en die ook, ik ben er zo fier op dat ik het niet kan laten het te vermelden, de kunst van het schaken is toevertrouwd. In wat ik u vandaag te vertellen heb, speelt dit echter geen rol, we stappen er dus snel overheen. Ik vroeg hem wat hij de laatste maanden had uitgespookt. Het leek wel of hij van de aardbodem was verdwenen.
‘Ik ben voor het eerst in mijn leven enkel met een bepaald project bezig geweest,‘ antwoordde hij bits. ‘Ik had zelfs geen tijd om me wat dan ook aan te trekken van de overige personages en waar ze mee bezig waren. Net zo min interesseerden ze mij als alle andere mensen, behalve de wens om ze
neer te schieten, op een paar vrouwen na. Vrouwen die elke avond mijn voeten wassen, terwijl ik een boek lees, en op zondag tussen het middageten en het obligate dutje liederen van Mahler zingen, tot meerdere eer en glorie van mijn slecht karakter. Een componist die het zwartste in de mens bovenhaalt. Heerlijk.’
Ik wilde protesteren maar ik kreeg de kans niet.
‘De aarde zou er wel bij varen, bij de dood van alle andere mensen, en ook ik, en onze overige neven. Het neerschieten van hen, en jij, ja ook jij, zou ik ook wel willen maar al schiet je er op los het heeft geen zin. Al de neven zijn onsterfelijk zolang ik leef. Wat mij wel verheugd is het simpele feit dat zij met mij sterven. Gelukkig is er geen leven na de dood zodat we elkaar niet opnieuw ontmoeten. Het is een troostende gedachte.’
‘En waar was je dan mee bezig?’ vroeg ik, ik… het personage van mezelf dat het hele jaar door in de weer is om andere mensen te helpen, en daarom arm blijft.
‘Met het schrijven van mijn memoires,’ snauwde mijn arrogante neef. ‘Drie vrienden – dat mag je misschien verbazen maar ik heb ook vrienden, weet je – drie vrienden hebben er voor gezorgd dat ik gedurende een paar maanden een professorenkamer kreeg in Maison Biermans-Lapôtre in Parijs, het Belgisch-Luxemburgse huis dat deel uitmaakt van La Cité Internationale Universitaire.’
‘Een paar maanden,’ zei ik verwonderd. ‘Was dat niet wat kort om wat je in zeventig jaar hebt meegemaakt uit te schrijven?’
‘Natuurlijk is dat veel te kort. Om dat project tot een goed einde te brengen heb ik au moins drie jaar nodig.’
‘Dat moeten die vrienden toch ook geweten hebben,’ zei ik.
‘Ja, natuurlijk weten ze dat. Maar ik heb ze gezegd dat ik, als ze dan toch per se willen dat ik mijn memoires schrijf, een gedetailleerd grondplan wilde opstellen en daarvoor is afzondering noodzakelijk. Een plek waar ik door geen mens gestoord kan worden.’
‘En dat heb je dan gedaan?’
‘Wat?’
‘Een grondplan opgesteld.’

Geen haar op mijn hoofd dat er aan dacht het te doen. Net zomin, als het schrijven van mijn memoires. Ik ging gewoon mee in hun wens.’
‘Je hebt je vrienden bedrogen!’
‘Wat is daar fout aan? Ik wilde gewoon weg uit dit land, onder meer om eens van mijn zeurende vrouw verlost te zijn. Een goed mens, daar niet van, een pracht van een mens zelfs, een veel beter mens dan ik, een groter verschil tussen een slecht en een goed mens bestaat er niet, maar ze wil om de paar weken mijn haren knippen, zodat ik er deftig voorkom. Net wat ik niet wil. Ik wil niet dat de mensen door dat deftig voorkomen gaan denken dat ik een beter mens ben geworden, een mens waarmee te praten valt.’
‘Wat heb je dan al die tijd in Parijs gedaan? Musea bezocht, naar het theater geweest, een filmpje meegepikt?’
‘Ben je bedonderd. Gelezen! De hele Proust doorworsteld. Het werd tijd. Hier in huis komt het er niet van. Je wordt voortdurend gestoord door lelijke mensen die aanbellen en je een kaart onder de neus duwen: “Geen werk. Ik honger hebben. Een klein beetje geld a.u.b.” Doe ik nooit! Ze werk geven, en zeker geen geld. Je wordt by the way voor die dingen niet beloond. Toen ik eens een bedelaar verzocht even te wachten haalde ik het half brood dat ik makkelijk kan missen en hield het hem voor. Hij wilde het niet aannemen en wees met gestrekte vinger meermaals op de tekst van het kaartje. “Maar je hebt honger”, zei ik. “Wil je er misschien een pot chocopasta bij”, en maakte aanstalten om die te halen. Al maanden stond er een waarvan de smaak mij niet bevalt; die kon ik dus makkelijk missen. Nog maar een kwart gedraaid of hij begon me uit te schelden. Wat hij zei weet ik niet. Het was in een taal die ergens in Oost-Europa gesproken wordt. Is het jou trouwens al opgevallen dat de meeste zwervers, bedelaars, vluchtelingen en wat er aan tuig nog rondloopt flink in het vet zitten. Waar halen ze dat?’
‘Proust dus,’ zei ik, het personage dat sneller schrijft dan zijn schaduw.
‘Ja, Proust,’ zei hij. ‘Hooguit eens de boulevard overgestoken om een wandeling te maken door Parc Montsouris. Kwestie om te bekomen van Prousts ellenlange uitweidingen waarvan de helft boeiend is, en de andere helft de slaap verwekt als je hem niet nodig hebt. Veel trimmers in het park, maar niemand die een blik, een woord tot je richt. Een pracht van een park. Glooiend. Engelse stijl. Eind negentiende eeuw. Op het hoogste punt staat een toren. Lijkt op een vuurtoren maar is het niet. Het is een toren van het weerkundig instituut. Verder artificiële rotspartijen en een riviertje met watervallen. Het water stroomt aan een gezapig tempo. Elke dag. Niet ’s nachts. Dan draait de parkwachter de knop om en valt de motor stil, al reutelend. Waarop hij een laatste ronde maakt om te kijken of alle wandelaars en trimmers uitgewandeld en leeggetrimd zijn, sluit de poorten en gaat naar huis. Enkel de eenden blijven over, en wat zwervers. Wat mij naast de schoonheid van het park vooral bijgebleven is, is de goudvis in een van de kunstmatige vijvers. Een kolossaal groot exemplaar, zeer oud, zat nog weinig goud aan. Waarschijnlijk jaren geleden daar gedropt door iemand die hem beu was. Telkens ik passeerde kwam de oude goudvis aan de oppervlakte en keek mij aan. Hij opende en sloot zijn mond voortdurend. Het leek alsof hij iets wilde zeggen. Ik begreep echter wel wat hij wilde. Kruimels brood. Nu een schepsel mijn brood wel lustte had ik er geen bij. Toen hij begreep dat ik een gierigaard was, wat ik ook werkelijk ben, keerde hij zich om en zwom langzaam weg, zijn staart als roer gebruikend. Of was het om mij duidelijk te maken dat ik moest ophoepelen?’
‘Maar je hebt je memoires niet geschreven,’ zei ik. ‘Niet eens aanstalten gemaakt om er aan te beginnen.’
‘Waarom zou ik? Mijn belevenissen zijn wat mij betreft saai. Of anderen dat ook vinden interesseert mij niet. Als de schrijver niet met dol enthousiasme aan het werk gaat, staat de lezer twaalf jaar onafgebroken verveling te wachten.’
‘Twaalf jaar! Stel dat je toch je memoires schrijft, zijn die dan goed voor een dozijn jaar lezen?’
‘Zo lang ja. Met tussenposen, zoals ik door het lezen van de roman van onze vriend en collega Proust af en toe de deur uit moest voor een rustkuur. Die je op adem laat komen, zonder echter de verveling te verliezen. Dat lukt gelukkig niet. Met geen middelen. De verveling is niet beïnvloedbaar. Het is een volkomen zelfstandig iets. Geen greep op te krijgen. Hij komt en gaat naar eigen wil en wens.’
‘Weten jouw vrienden dat je geen letter op papier hebt gezet, en dat ook niet van plan was?’
‘Ben je gek! Ze hebben mij moed ingesproken. De dag voor ik vertrok een laatste mail gestuurd met de hoop dat het een vruchtbare periode zou worden. Mijn tijd moest nemen. Ik een formule zou vinden, zo eigen aan mijn karakter dat het de lezer zou boeien. Een vernieuwing zou betekenen van de hedendaagse Vlaamse literatuur. En meer van dat. Ik was het met hen eens, heb geantwoord dat ze verbaasd zouden staan, er in mijn hoofd wat broedde. Het zal een ei zijn waar zelfs Columbus geen raad mee wist. Al die jonge snaken met hun grote smoelen en vette pretentie zouden jaloers zijn. Ik wist al wat ze zouden zeggen: Dat het eindelijk eens tijd werd dat ik iets leesbaar had geschreven. Zoiets, en alle varianten erop, kan natuurlijk maar gezegd worden door ezels. En je weet, waarde neef, wat ezels het beste kunnen.’
Ik keek hem aan maar hield mijn mond. Hij verzon al zeventig jaar een fraaiere versie van je mening.
‘Wat zij het beste kunnen is balken. Naargelang de wind waait is het een variatie op hun bij de geboorte meegekregen lied.’
‘Hebben zij niet gevraagd, toen je weer in het land was, naar het resultaat van je werkbeurs?’
‘Natuurlijk hebben zij dat gevraagd,’ riep hij uit.
O, dit gesprek mocht niet lang meer duren. Ik kan mijn mond niet houden maar hij houdt van korte dialogen, al is hij niet vies van een monoloog, zoals de aandachtige lezers, een uitstervende soort, al vermoedde, mag ik veronderstellen.
‘Een bankier met een leesverslaving, een directeur van een culturele instelling en de hoofdarchivaris van het Letterenhuis. Twee mannen en een vrouw. Ik heb haar een netjes gelumbeckt boek gegeven, A4-formaat, ruim 300 bladzijden, met de vraag om het na lezing door te geven aan de andere leden van het triumviraat.’
‘Dus heb je toch wat geschreven!’ riep ik uit.
‘Nee!’ schreeuwde hij. ’Ik heb geen letter op papier gezet.’
‘Maar wat staat er dan in dat pak papier?’
‘Niets, man. Niets!’
Mijn mond viel open, en na een tijd had ik moeite hem weer dicht te krijgen. Met het ouder worden, is het eerste waar je last van hebt de scharnieren van je botten.
‘Kijk, ik zal het je uitleggen. Hoewel je een neef van mij bent, een naaste verwant, heb je blijkbaar moeite mijn spelletjes te begrijpen, hoewel we elkaar al zeventig jaar kennen. Wat een sukkel ben jij toch! Jij, de bekendste neef van ons bijeengescharrelde en verzamelde en geordende en gebundelde en toch ongrijpbare ik.’
Hij had gelijk, maar dat hoefde hij niet te weten. Daarom dat ik geen krimp gaf. Het beste was wachten op zijn uitleg. Het werd beloond. En hoe!
‘Ik heb haar, de hoofdarchivaris – kan je nog volgen? – gezegd dat ik het eerste deel, mijn jeugdjaren, tot ik naar de lagere school ging heb uitgeschreven.’
‘Geschreven! Wie schrijft er nu nog? Iedereen heeft een laptop.’
‘Die heb ik ook. Het leek mij na heel wat gepeins echter beter, heb ik haar gezegd, te schrijven. Met de vulpen. Dan ga je rustiger te keer. Komen er, door het langzame tempo, meer details bovendrijven. Ga je voorvallen en mensen beter plaatsen en helderder verklaren.’
‘Je hebt met de pen geschreven maar waar zijn dan de letters gebleven?’
Mijn traagheid van begrip begon hem blijkbaar op de zenuwen te werken. Zijn stem werd zwaarder en hij sprak langzamer.
‘Kluns. Ik heb haar gezegd dat ik met onzichtbare inkt heb geschreven.’
‘Onzichtbare inkt! Had je daar in Parijs een scheikundedoos mee?’
Mijn sneer zakte naar de bodem van de luchtzee tussen ons.
‘Zij doorbladerde de bundel, zag niets dan blanco bladzijden en zei langzaam “Onzichtbare inkt”, op een wijze waaruit duidelijk op te maken viel dat ze me niet geloofde. En toch heb ik haar overtuigd.’
‘Je hebt haar overtuigd!?’
‘Ja. Je weet toch, of je zou althans moeten weten, dat ik, eenmaal op dreef, iedereen kan overtuigen, welk verhaal ik ook opdis.’
‘En wat was dan het vervolg van het verhaal waardoor zij toch geloofde dat de bundel het verhaal van je eerste zeven jaar bevat?’
‘Dat het onzichtbare inkt is die door een bevriend professor van de Gentse universiteit werd gemaakt. Hij hoefde die niet eens uit te vinden. Hij had die inkt al geruime tijd geleden ontwikkeld voor de spionagedienst van Buitenlandse Zaken. Zeer geheim. Hij had beloofd er met niemand over te spreken, maar voor mij maakte hij een uitzondering. Voor alles moet er een uitzondering zijn, heb ik haar gezegd, en zij was het met mij eens. “Pas na mijn dood zal jij een brief ontvangen, mevrouw, in bewaring gegeven bij mijn vrouw, waarin de formule staat hoe de tekst zichtbaar te maken.”’
‘En daar liep zij mee weg?’
‘Volgens mij wel, want zij vroeg of er geen gevaar op vernietiging bestond als zij alvast de tekst zou scannen. – Ja, dat weet ik niet, zei ik haar. Het beste lijkt me geduld te hebben. Zolang zal ik niet meer leven. Ik voel mijn krachten afnemen. Hooguit een paar jaar, en kan u dan zichtbaar maken wat nu onzichtbaar is.’
‘De twee anderen… hoe reageerden zij? Ik kan niet geloven dat geen van hen je verhaal heeft geslikt.’
‘Wat kan mij dat schelen, man! De bankier heeft de bundel naar verluidt diagonaal bekeken, hem aan het labo van zijn bank gegeven met het verzoek de zaak te onderzoeken en een verslag op te stellen. Daar staat in, naar ik vernam, dat de kans dat er niets in staat even groot is dan dat er wel iets in staat. En als er iets instaat dat elke bladzijde goed gevuld is, zo goed dat er geen randen meer zijn. Het geschrift, indien dat er is, minuscuul is. Zeer moeilijk te lezen zal zijn. Het is een verslag van een tiental bladzijden. De eindconclusie luidt dat een definitief oordeel pas geveld kan worden na verder onderzoek, dat wel eens heel wat tijd en energie in beslag zou kunnen nemen, door een team dat uitgebreid wordt, en de aangezochte wetenschappers zullen gaan lopen met een flinke hap van het budget.’
‘En de derde man? Ik bedoel de tweede man van het trio?’
‘Die heeft de bundel van de bankier gekregen, nadat hij tot het besluit was gekomen dat hij belazerd werd door zijn laboranten. De directeur van de culturele instelling heeft, vernam ik van de hoofdconservator, ziekteverlof genomen en zit heelder dagen in zijn bed naar de pagina’s te staren. Zijn vrouw is ongerust. Staren is een gevaarlijke bezigheid. Ze heeft er al een bevriende psychiater bijgehaald. Hij schudde zijn hoofd, hoorde ik van een kennis die zijn mond niet kan houden.’
Ik was werkelijk met de kerel begaan. Hij heeft me al vaak gesteund. ‘Zou je de arme man niet uit zijn lijden verlossen. En als jij het niet doet, doe ik het.’
‘Jij vertelt hem niets. Hij is gelukkig, daar ben ik zeker van. Wordt hij helemaal gek, zal hij heel gelukkig zijn. In welke mate weet ik niet. Wat ik wel weet is dat hij veel gelukkiger zal zijn dan de meeste mensen. Ze wenden slechts voor dat ze gelukkig zijn. Ze normale mensen zijn. Wel, dat soort mensen zit opgescheept met de last en de miserie van het leven. Begrepen!’
Mijn arrogante neef sprong opzij en bleef de dagen daarop uit mijn buurt. Soms dacht ik hem in de verte te zien, met zijn rug naar me toe. Eenmaal moet hij zijn hoofd omgedraaid hebben, om naar mij te lachen. Vorige nacht zag ik hem weer. Hij passeerde me, al pratend met een andere neef van mij. ‘Hallo,’ riep ik. ‘Ik ben het.’
‘Laat mij met rust,’ mompelde mijn arrogante neef zonder zijn stap te vertragen.
‘Het komt in orde… maak je niet ongerust,’ zei mijn neef die immer tussen alle neven bemiddelt bij familietwisten. Kleine of grote. Hij doet niets liever. Hij kijkt er naar uit. Gretig, gulzig. Samen liepen beide neven de ochtend tegemoet.
‘Doe wat je niet laten kunt,’ riep mijn neef, de diplomaat, me na, terwijl hij het eerste gore daglicht binnendrong.
En dat is wat ik heb gedaan. Wat moeilijker was dan ik dacht. Schrijven is namelijk een andere neef toevertrouwd. Komt hij te weten dat ik, de groene jongen, deze belevenis heb geschreven zal hij me negeren. Me straal voorbijlopen. Tenzij. Tenzij ik hem het verhaal vertel en vraag het uit te schrijven. De eerstvolgende maal dat ik mijn neef bedreven in de kunst van het bemiddelen ontmoet, zal ik dit idee aan hem voorleggen.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
9 février 2015 1 09 /02 /février /2015 15:14

HendrikTafel.JPG Op woensdag 4 februari was de dichter Hendrik Carette (° Brugge, 1946) te gast bij ExLibris. De uitnodiging vermeldde met zoveel woorden dat hij een afdoend antwoord ging trachten te geven op de vraag: 'Hendrik Carette, een Vlaamse poète maudit?'

Ik was ongetwijfeld de enige niet om heel benieuwd te zijn naar het 'afdoende antwoord' op een vraag die niemand zich stelt.

DSC00337.JPG

Ludo Simons, Toon Brees, Maria Brocatus en Jo Gisekin

Tussen neus en lippen omschreef Carette de “poète maudit” als “een verboden dichter als kwaad gezelschap of stoorzender”. Is dat wel van toepassing op Prosper van Langendonck en Albrecht Rodenbach? Terloops wees Hendrik op de bloemlezing Gedoemde dichters (ondertitel: “Les poètes maudits”, 1957) samengesteld en scherpzinnig ingeleid door Paul Rodenko, een publicatie die blijkbaar grote indruk op hem maakte. Hij vernoemde even “de vermaledijde” Marcel van Maele. (Vermaledijd, vervloekt, verwenst? Marcel was al vroeg een cultfiguur, kreeg de Sinjaalprijs, de Arkprijs van het Vrije Woord en de Prijs van De Vlaamse Gids). Carette beschouwt “poète maudit” als een “geuzennaam”, een “eretitel” waar hij blijkbaar impliciet aanspraak op maakt. Waarom blijft mij een raadsel, ook na zijn lezing. Kortom, ik blijf op mijn honger zitten.

*

Gelukkig maar, het optreden van Carette bestond vooral uit de even plechtstatige als gedreven lezing uit eigen werk. Hij volgde voordrachtkunst aan het Koninklijk Conservatorium in Gent bij Ast Fonteyne. Kennelijk met vrucht.

Carette nam wel de gelegenheid te baat om ook zijn (lange) “Brief aan de dichteres Jo Gisekin” integraal voor te lezen. (1)

*

Onder de aanwezigen o.m. Bert Bevers, Maria Brocatus, Toon Brees, Frank De Vos, Richard Foqué, Rita Heeb, dr. Paul Hoffbauer, Dirk Maeyens, Jan Parez, prof. em. Ludo Simons, prof. em. Walter Simons, Jan Vaes, Joke van den Brandt, Frank Ivo van Damme, Willem Vandereyken, Mieke Van Dessel, Jos Vervloet en Gert Vingeroets.

Foto's: Frank Ivo van Damme

*

Op 4 maart spreekt Jo Gisekin (°1942) over haar nieuw werk.

Dooitijd.jpgJo GISEKIN, Dooitijd, Gent, PoëzieCentrum, 2012, 70 p. Beeld omslag en frontispice: Karel Dierickx (1940-2014), Nocturne, 2012

Zoals gewoonlijk is iedereen al vanaf 19.30 uur welkom in het ExLibris-lokaal: Taverne Rochus, Sint-Rochusstraat 67 te Deurne.

HFJ

(1) Cf. Zo, denk ik, wordt liefde weer nieuw. Over de poëzie van Jo Gisekin, Leuven, P, 2008, pp. 118-123.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
8 février 2015 7 08 /02 /février /2015 23:00

 

 

Aansluitend bij “Een schouderklopje voor het Belgisch-Nederlands ?”, de door vele lezers gesmaakte bijdrage van Luc Pay van 6 februari, reageert nu ook Lukas De Vos op "De Standaard Folie"...

http://mededelingen.over-blog.com/article-een-schouderklopje-voor-het-belgisch-nederlands-125495677.html

De Pezewevers (of Zemelknopers) van de Moedertaal

 

Twee woordenboeken staan altijd binnen handbereik aan mijn werktafel. Ze zijn allebei opgemaakt en geschreven door Jozef Vercoullie (1857-1937), toen hij nog leefde “Professor in de Nederlandsche Philologie te Gent”. Het ene heet Beknopt Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal (derde verbeterde en zeer vermeerderde uitgave), gepubliceerd in 1925 door Van Rysselberghe & Rombaut, Gent, Kouter 1, 547 blz. Het tweede vermeldt geen jaar van uitgave. Ik heb het opgezocht, het verscheen in 1927. Het Groot Nederlandsch en Fransch Woordenboek/Grand Dictionnaire français et néerlandais beslaat 741 blz., werd eveneens in Gent uitgebracht, nu door de N.V. v/h Vanderpoorten & C°, Pollepelstraat 18. Voor een geboren West-Vlaming uit Oostende was dat geen kleine prestatie.

 

Waarom ik ze koester, is niet ver te zoeken. Ze hebben me een ongebreidelde liefde voor de taal bijgebracht, in haar ontwikkelingsgang en in haar verscheidenheid. Zonder Vercoullie zou ik nooit het woord “kauwoerde” geleerd hebben, dat nu nuffig en gemeenzaam als “courgette” in de winkel ligt, maar veel juister door Vercoullie als “courge” en “cucurbite” wordt omgezet. Alleen striptekenaar E.P. Jacobs van Mortimer & Blake zou dat laatste woord nog in de mond durven nemen hebben (zoals ik bij hem dan weer het woordje “olibrius” ontdekt hebt, “pochhans” of “blaaskaak” volgens Vercoullie. En Willy Vandersteen). Zonder Vercoullie zou ik nooit geweten hebben dat “aubergine” een “melanzaanappel” is, helemaal naar het Italiaans geboetseerd. Beide naslagwerken eindigen op “zwoerd” (dat wij “zwos” noemen). Ik heb dergelijke woorden vaak bewust gebruikt, ook voor radio, om mensen wakker te schudden dat het Nederlands één van de rijkste talen ter wereld is, zeker wat woordenschat betreft. Wie mij niet gelooft leze de 400.000 trefwoorden uit het 43-delige Woordenboek der Nederlandsche Taal (1851-1998). Een wereldrecord.

 

Vercoullie werd algemeen geprezen in Vlaanderen én Nederland. Voor zijn oorspronkelijk Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal uit 1890 kende de Académie royale de Belgique (toen nog een eentalig gremium) hem een De Keynprijs toe. Het leverde hem een jaar later het lidmaatschap op van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in Leiden. (Hij werd ook nog doctor honoris causa in Utrecht in 1927). Nederland was zeer onder de indruk van een man die het allereerste woordenboek, dat de wortels van onze taal natrok, had uitgewerkt, Martinus Nijhoff (Den Haag) was niet te beroerd om het samen met Julius Vuylsteke (Gent) uit te geven. Een man die ook een hoogwaardige spraakkunst uitbracht, en nog Gotisch doceerde.

 

Vercoullie zette de toon voor een sterke samenhang tussen de aanpak aan de vier toen bestaande universiteiten. Alle hoogleraars waren zijn leerlingen geweest, Scharpé, Mandion, Verdeyen, Duflou, Blancquaert, zelfs Willem Pée. Blancquaert schreef nog ontroerende woorden over hem: hij was geen particularist zoals Gezelle. “Hij erkende het feit dat het algemeen beschaafd vooral in het Noorden een levende taal was, en dat de Vlamingen zich daarnaar hadden te richten. (…) Zijn theorieën over de vroege Germaanse kolonisatie in onze gewesten hebben nog lang niet uitgedaan. (…) Ook in de Vlaamse taalstrijd liet hij zich niet onbetuigd en gaf soms in lastige omstandigheden blijk van een rotsvaste overtuiging. (…) De geleerde, de professor en de flamingant Vercoullie vormden een harmonisch geheel”.

 

O Tempora, o Mores. Het is fout gegaan toen de zedenprekers (de ”agogen”) het laken naar zich toe trokken. Meer bepaald moet het zo rond 1967 geweest zijn dat het domineedom de spellingshervorming van Willem Pée en Wesseling genadeloos de grond inboorde. Traditie moest boven logica gaan, en met de meest populistische middelen (de pijnlijke omzetting van bastaardwoorden, waarvan men zich maar één enkel herinnert: “odeklonje” – waar Keuls water een bestaande niet-merknaam was) werd de frisse benadering van de hoogleraren de grond in geboord. Van Kollewijn, die al in 1891 komaf wou maken met de achterhaalde spelling van De Vries en Te Winkel (zie zijn “Onze lastige spelling” in Nieuws van den Dag, 1891), zijn ten minste de belangrijkste vereenvoudigingen overgenomen. De klok is helaas na Pée-Wesseling fors teruggedraaid, helemaal in de stijl van een samenleving die met de jaren opnieuw naar rechts opschoof. Vooruitstrevend Nederland en Vlaanderen gebruikten veelal de toegelaten progressieve spelling, maar in 1996 beslisten enkele duffe achterdeurtjes om terug te keren naar de “kostschoolse gewaden” (denk aan de midden-n, aan de -isch uitgang, aan de anglofiele schrijfwijze van eigennamen, aan de c die de kappa vervangt, en zo meer). De linkse uitgeverij Sun in Nijmegen was de laatste die weerstand bood, en consequent “konsekwent” schreef, de -ies uitgang zoals Van Ostaijen in ere herstelde, en gruwde van germanismen en anglicismen. Maar de notarissen zwaaien weer de plak: het nieuwe Groene Boekje van 2015 herziet zelfs geen enkele spelling.

 

Want dat is de eigenlijke oorzaak van de klachten over het taalonderwijs, en de verspilling van tijd én inzichtelijkheid in de logische regels van de schrijfwijze. In plaats van de c, de x en de y te lozen, is men op sluipende wijze veel verder aan de taal gaan sleutelen dan ooit de bedoeling van de Taalunie was. De gruwelijkste bedenksels van de nooit aanvaarde Blauwe Boekjes. Eentje wou de schrijfwijze vastleggen van aardrijkskundige namen. Het kwam uit de koker van volkomen geflipte eindredacteurs bij het persagentschap ANP: Schrijfwijze van Buitenlandse Namen (1987). Je kwam tot de meest waanzinnige beelden: je moest Bayruth schrijven als gewoon Beiroet werd bedoeld. Of Kuwayt waar de gewone mens over Koeweit sprak. Gewone, sinds lang met ons vergroeide benamingen als Gotenburg of Celebes mochten in één klap niet meer. (Zodat Hollanders ook zonder enige schroom of schaamte rustig Ixelles begonnen te schrijven, en het was niet de brouwerij met die naam in Brussel, die gewoon XL heette). Veel erger is het imitatie-Engels dat sindsdien steevast wordt toegepast op namen als Soedan, Honoloeloe, Kongo, Kairo en dies meer (Sudan, Honolulu, Congo, Cairo); Hollanders gruwen voor de eigen taal en voor het Duits, hoewel. Geen jaar later maakten Onze Taal enNederlands van Nu brandhout van dat groepje wereldvreemde kinkels dat graag zijn eigen kennis van het buitenland wou etaleren, maar niet eens ordentelijk zijn eigen taalschat kon beheren. Marlies Philippa had nochtans in Neerlandia zonder omwegen al dat soort dwaze experimenten naar de vuilnisbak (“vuilbak” volgens het BIVV) verwezen. Ze bleef met bedenkingen zitten. We zijn niet erg blij, schreef ze in 1993 (!) met “Kenya, Tokyo en Qatar. Waarom niet gewoon Kenia, Tokio en Katar. Saudi-Arabië heeft als hoofdstad Riyad, terwijl we liever Saoedi-Arabië met Riaad hadden gezien. Ingeburgerde spellingen als Rwanda en Hercegovina zijn vervangen door Ruanda en Herzegowina”. Ja, waarom ? Zelfs de Rwandezen schrijven Rwanda, en de Kongolezen noemen zichzelf Bakongo. De Duitsers schrijven de v met een w, de c kan in het Nederlands nooit de uitspraak ts hebben (wel tsj als in cello, maar dat kun je zonder c makkelijk oplossen).

 

Een totaal gebrek aan taalfierheid, dat is het. En een voor politiek correct en verdraagzaam gehouden slordigheid, even goed in de schabouwelijke twittertaal als in de uitspraak. Een spraakgebrek als de huig-r is opgevijzeld tot standaardnorm, en zelfs afgezwakt tot een valse w, het Engels achterna, alweer. Adieu conservatorium. Het tweede Blauwe Boekje was een parodie op al dat samenzwammen. Kennislink maakte op 1 april 2006 de wereld kond dat eindelijk een spellinggids door LOT, de Landelijke Onderzoeksschool Taalwetenschap, was ontworpen voor computergebruikers. “De blauwe spelling is een alternatieve spelling voor Internet-gebruikers”, verluidde het. “Net zoals iedereen zijn eigen politieke voorkeur heeft, kiest straks iedereen ook de spelling van zijn voorkeur, aldus de directeur van LOT”, Martin Everaert. Die Middeleeuwse pirouette werd domweg geslikt door een flink deel van de Noord-Nederlandse goegemeente.

 

Beide Blauwe Boekjes hebben één ding gemeen: het zijn amateurs die een eigen spelling in elkaar flansen. Het zijn dilettanten die een eigen norm uittekenen. Bij gebrek aan een toezichtsorgaan als de Académie française, is het zeer de vraag wie zich het recht mag toeëigenen te bepalen wie welke woorden mag gebruiken en hoe hij of zij ze moet schrijven. Noorwegen mag best richtinggevend zijn. Daar bestaat geen standaardtaal. Finland mag richtinggevend staan. Daar is elke schrijfwijze volstrekt fonetisch. Alleen in het Nederlandse taalgebied is de roep om dirigisme een stuk luider dan die om verscheidenheid. Niemand heeft zich ooit gestoord aan de volkstaal van Simon Stevin of Jan van Boendale, niemand heeft de taal meer verrijkt dan Koot & Bie, Marten Toonder of Drs. P. De beunhazen van managers gieten, gewoontegetrouw, alles in een lijstje en gaan dan swaffelen.

 

Nog zo'n lijstjesvreters zijn samenstellers Ludo Permentier (anders nochtans geen taalheidene) en Rik Schutz van “de taal van De Standaard”. Het is net als gratis bijlage geleverd bij de krant. Wat bevreemdend is, want zelfs in de krant van 6 februari schrijven zij nadrukkelijk: “Dit boekje is een werkinstrument voor de redactie”. Waarom dan argeloze lezers lastigvallen met een interne nota, en een probleem waar ze zich compleet niet bewust van waren ? Het bevat “1.000 Belgisch-Nederlandse Woorden”, met de retorische vraag: Hoe Vlaams mag uw Nederlands zijn ? De vraag stellen is een bevestiging zoeken voor het zelf gegeven antwoord: als wij bepalen dat het algemeen gangbaar is in onze kolommen, dan is het prima. Als Het Laatste Nieuws of De Tijd die vaak kromme woordenschat of regelrechte gallicismen niet gebruiken, dan zijn het ouwerwetse kneusjes. Het uitgangspunt is voor nogal wat tegenspraak vatbaar. Het gaat wel over “Belgisch” Nederlands, hetzelfde euvel dat de laatste Dikke Van Dales ook al invoerden: een staat verwarren met een volksgemeenschap. Maar tegelijk zijn het “de Vlamingen” die van flinksheid moeten getuigen. Want “Vlaanderen heeft behoefte aan een taalnorm, maar een die realistisch is en ruimte geeft aan woorden en uitdrukkingen die 'beschaafd sprekende Vlamingen' voortdurend in de mond nemen”. Permentier en Schutz bedoelen: de fouten die onze redacteurs geregeld maken zijn best verschoonbaar. Want zij hebben de norm op zijn kop gezet. Jeroen Brouwers had overschot van gelijk toen hij, naar het woord van Zijlstra, betoogde: “Vlaamse auteurs beheersen de Nederlandse taal niet of nauwelijks en profiteren bij voortduring van een culturele integratie waar Nederland geen enkele baat bij heeft”. Dat klopt. Wie niet op de hoogte is van de norm kan er niet bewust van afwijken en verzaakt aan levende taalverrijking. Jeroen Brouwers toonde zich ook van zijn smalste kant omdat hij die “culturele integratie” bekeek als een zakelijke uitwisseling. Want zonder Vlamingen, geen Statenbijbel. Zonder Vlamingen, geen wiskunde. Zonder Vlamingen, geen biologie. Zonder Vlamingen, geen boekhoudkundig taalgebruik. Zonder Vlamingen, geen oorspronkelijke aardrijkskunde. Nederland profiteert hooghartig van al die vaak dwaas, vaak goed, vaak inspirerend bedoelde bijdragen van Vlamingen die hun cultureel netwerk én opwaarderen én een spiegel van benepenheid voorhouden.

 

Maar ik maak niet het proces van Brouwers, die kan schrijven. Ik maak wel het proces van De Standaard, die hoogst onzorgvuldig mag schrijven. (Uit goedertierendheid zwijg ik over De Morgen, die nergens een sterk werkwoord kent, de West-Vlaamse onwetendheid over het betrekkelijk voornaamwoord 'dat' veralgemeent, de Waaslandidiotie van 'noemen' met 'heten' te verwarren bestendigt, en zich verbergt achter taalkliederaars die zogenaamde “opinies” afscheiden).

 

Want volgens Permentier en Schutz (Abbott en Costello, P&S) is het feit dat “de” Vlaming de “beschaafd sprekende Vlaming” niet hoogacht en volgt, debet aan de heersende onzekerheid over zijn taalgebruik. Een hindernis die pakweg Rik Coppens of Wannes Van de Velde of Robbe De Hert spelenderwijs als ware het een molshoop namen. P&S bezondigen zich aan drie wezenlijke misstappen. Ze stellen zich, in goeie Van Severentraditie, elitair op. Taal moet voor hen van boven naar beneden worden opgelegd, het na te volgen voorbeeld, zoals de tafelongemanierdheid van de Franse koningen. Ze scheppen een machtspiramide die meer belaagde groepen brandmerkt. De Vlamingen van het genaaste gebied in Noord-Frankrijk, bij voorbeeld, behelpen zich zo goed als ze kunnen, onder de hooghartige druk van een centralistisch bewind in Parijs, in en met hun eigen taal. Dat ze hiaten opvullen met leenwoorden begrijp ik uitstekend, zoals de schepen (o jee, de wethouder) (de Saksische wetgeving spreekt trouwens van 'scapine', en heeft dus eerstegeboorterecht) van Sint-Winoksbergen mij zonder omwegen of terughoudendheid liet verstaan. Dat ze “onbeholpen” schrijven in hun plaatselijk dialect moet eerder bron zijn van waardering dan van neerbuigendheid. Ik heb zo een klasje van oudere vrijwilligers bijgewoond in Godewaersvelde, en ik was zeer onder de indruk van de bijna kinderlijke gehechtheid aan een idioom waarvan ze weten dat dat hen onvermijdelijk zal ontglippen. De derde verwerpelijke implicatie is van politieke aard. Juist door de elitaire opstelling versterken P&S de zwenking naar een controlegericht taalgebruik. Ik kan het niet genoeg herhalen: lees het nawoord over Nieuwspraak bij George Orwell (1984), pas dan besef je waaraan een taal kapot gaat.

 

Zeker niet onder het mom van “alles wat leeft, vernieuwt zichzelf, waarbij ze (d.i. de standaardtaal) tegelijk haar identiteit weet te bewaren”. P&S zien allicht geen verband met het kortstondige optreden van ITS in het Europees Parlement (2007). Een fractie onder leiding van japanoloog Bruno Gollnich (Front National, op Wikipedia al even onzorgvuldig bij AS gekazerneerd), met onder meer de Bulgaarse knokploeg Ataka (nomen est omen), de irredentisten van de Partij Groot-Roemenië, de neofasciste Alessandra Mussolini van Alternative Sociale (AS), en het Vlaams Belang. ITS stond voor Identiteit, Traditie, Soevereiniteit. Dat spreekt boekdelen en voor zichzelf. Het hele identiteitsdebat van vandaag (dat door Marine Le Pen alweer is omgetoverd tot 'soevereinisme') is niet meer dan een besmuikte voorhang die de ware redenen van uiterst rechts moet verbergen: Inspraakverwerping, Toegeeflijkheidsafwijzing, Sterk Bewind. ITS, inderdaad. Ik verdenk P&S er niet van dat ze zich bewust inschrijven in dat programma. Wel dat ze hooguit als “nuttige idioten” of “objectieve hulpverleners” dienen voor dat soort verwerpelijk denken.

 

Ik overdrijf ? In genen dele. Zij hebben zich uitdrukkelijk gekeerd tegen de grijze zone (die nochtans het vruchtwater van een levende taal is), en de duizend woorden “zorgvuldig gewogen en waar nodig knopen doorgehakt”. Met welk gezag ? Met welke motivering ? Met welk beroep op (rechts)geldigheid ? Niemand ligt er wakker van dat Jeroen Meus “look” gebruikt (wel van zijn pleonastische toevoeging “ik lust dat graag”) en de onbestaande keukenpieten van de Achterhoek “knoflook”. Dat ik mijn “lief” graag zie, en Jan Decleir alleen zijn “geliefde”. Dat mijn vrouw haar eten opwarmt in de “microgolf”, en Joke Van Leeuwen in de “magnetron”. De hageprekers van de zestiende eeuw stoorden zich evenmin aan al die plaatselijke verschillen en begrepen maar al te goed van elkaar waar de afgodsbeelden aan diggelen moesten geslagen worden. Maar dat “mazout” stookolie is, gaat er bij mij niet in. Ik heb in elk geval genoeg mazout in mijn leven gedronken om te weten dat er geen teer of aardolie in mijn glas zat. Voor hetzelfde geld, mocht ik voor De Standaard schrijven, kan ik met recht en reden hun aanpak “labbernottig” noemen, want zo zeggen ze dat “bij ons”. Onachtzaam dus, slordig, slonzig, onaandachtzaam.

 

Er staan ook onbedoelde grapjes in dat woordenlijstje. “Parking” hoort Vlaams te zijn, klaarblijkelijk. Ik heb nog nooit anders gehoord, in Utrecht niet, in Groningen niet, in Breda niet, in Vaals niet, in Amsterdam niet (want parking is daar niet). Het doet me altijd denken aan de bedillerigheid van de Académie française, die parfors dat Angelsaksische woord wou uitbannen en “parcage” invoerde. Voorwaar een schoon alternatief. Dat niemand ooit gebruikt. (Was het niet Hooft die “vernufteling” lanceerde om het lelijke “ingenieur” uit te bannen ?) Dan toch maar liever de Ijslanders, die àlle bastaardwoorden weren, en eensgezind in de media een gelijkwaardig (let op, ik gebruik nooit het germanisme “evenwaardig”) woord bedenken voor een vreemde invloed. Zelfs “computer” heet er niet “computer”, zelfs niet “ordinateur”, maar gewoon “tölva”, een berekeningsapparaat dus.

 

Mijn grootste probleem met dat soort schoolmeesterdespotisme (achter het mombakkes van begrijpelijkheid) is het onuitgesprokene. Dat bij kwaadwillige taalpuristen, bij bedenkelijke 'managers', bij gelovigen in de onaantastbaarheid van Het Woord, onvermijdelijk leidt naar omzwachtelend, verhullend, leugenachtig taalgebruik. Ik zit naar het afgrijselijke quizprogramma in het Brabants bargoens van Ben Crabbe (de é laat ik weg, want dat was een burgerlijke opeising van een hogere stand die de familie nooit had) te kijken. Ik hoor een “logistiek goederenbeheerder” (een man met een vorklift in de loods van Ikea) het opnemen tegen een “sanitair coördinator” (een WC-dame). Ik doe een poging de beleidsnota te doorgronden van de Vlaamse minister voor onderwijs, die niet aflaat haar minderwaardig (“secundair”) onderwijs aan te prijzen. Ik lees het ontwerp voor de vernieuwing van Canvas, en zie de rooie oortjes van de eigenste Raad van Bestuur – een collega van me gebruikt de tekst nu in het Hoger Onderwijs om uit te leggen hoe je in géén geval moet schrijven, argumenteren of overtuigen.

 

Taal is een speeltuin. Mijn speeltuin. Jouw speeltuin. Taal is mijn boetseerklei. Vorm en afval. Waarin ik eigenzinnig beelden uitteken, onderdelen aan elkaar knoop, luister naar het ritme en de klankrijkdom, en vooral de vooronderstelde normen naar eigen believen ombuig. “Kakofonie is nefast voor een krant”, stelt hoofdredacteur Karel Verhoeven in zijn voorwoord. Maar met al die idiosyncratische afwijkingen die als voorbeeld worden gegeven lijkt het er meer op dat er geen eindredactie meer gebeurt. Bij geen enkele van onze kranten, en ternauwernood bij de VRT. Entertainment is belangrijker geworden dan de precisie van het meegedeelde. Zorgvuldigheid is opzijgezet voor hypes. En dan lees ik in de woordenlijst dat “nevel” gelijkgesteld wordt met mist, in Vlaanderen, volgens de samenstellers toch. Je zou willen dat ze ongemerkt oplossen in de nevelen van de historische taalkunde, verdwijnen met blozende kaken (ik zeg dus niet: wangen) in de vergeetput van de taalijveraars.

 

Geen enkele taalgebruiker is een oen. “The competence of the native speaker”, die Chomsky als deus ex machina in zijn TGG moest inwerken, staat rechter dan ooit. Het échte probleem is gedwongen aanpassing. Is taalmimicry naar het model van medemensen van wie vermoed wordt dat ze tot een hogere categorie, en dus een beter onderlegde groep behoren. Die laatsten laten zich dat met graagte welgevallen. Ze spuien mist (geen nevel, die hangt boven de grachten en de beemden) over hun vermeende alwetendheid met als enig doel een mentaal overwicht uit te oefenen. Het gaat zoals met de verfransing: langs de geldbeugel (Jeroen Brouwers' baten) en langs de maatschappelijke ambitie; langs middenstand en vrouwen om dus. Het resultaat is gortdroge ontaal. Zo staat op bladzijde 85 een onuitwisbaar embleem voor alle pretenties waarmee dit boekje meent te mogen pronken. Het woord “poepen” (zeer gangbaar bij Claus, Boon en de jonge mooie goden). Uiteraard is dit “informeel” taalgebruik, zoals het verplichte icoontje meteen aangeeft. Poepen is neuken staat er. Volgt “extra informatie”. Ik citeer volledig. “Eigenlijk in beide aangebrande betekenissen te vulgair voor gebruik in de krant, al komt de defecatiebetekenis (hier houden we het beschaafd) nog wel eens voor in een citaat. In Nederland is de cohabitatiebetekenis onbekend”.

 

Dat zegt alles over de schijnheilige opzet van dit soort overbodige boekjes. Woorden als “stront” en “gezeik” en “in de zeik nemen” en “te kakken zetten” zijn allicht ingeburgerd genoeg, om – niet zonder even betekenisvol met de ogen te rollen – doordeweeks te gebruiken. Maar dat brave woordje “poepen” (wat verder langs de weg ligt bij ons een bordeel met snolletjes dat Poepemie's heet, uiteraard met een spellingfout), dat moet “defeceren” worden. Daar heb ik het schijt aan. Vogelen moet “cohabiteren” worden. Daar heeft mijn flurk een broertje aan dood. Maar “wij zijn toch beschaafd” klinkt het in het Standaardboekje. Biechtstoelopenheid. Als je ze laat voortdoen moeten de Engelsen straks hun “poop” achteraan het schip laten wijzigen in iets als “derrière”. Zelfs bij Vercoullie staan de scheten (zie blz. 299 en 302) – zelf zou hij allicht veesten (zie blz. 362-3) gezegd hebben – hoog op het lijstje: “poepelderij, v., met epenthet. dvan dial. Poepelen + Hdd. puppeln: frequent. Van poepen. Vergel. Fr. Pétiller van peter”. En “poepen ono. w. + Mndl. pûpen, Eng. to pop: onomat. Van hier het verbaalabstr. poepin alle bet.”. In alle bet.

 

Voetstoots nemen P&S de onwrikbaarheid aan van de taalkringen, die altijd gekoppeld zijn aan sociale lagen. Nog even, en ook bij ons wordt de vieze Amerikaanse, puriteinse gewoonte overgenomen om f*** te schrijven, of in een film de “fuck” te overbiepen (zou dit wel Nederlands zijn ? En wie heeft dit niet begrepen ?) Het is trouwens al begonnen, ik las ettelijke artikels in De Morgen die zich zediger willen opstellen dan de Vatikaanse curie (moeilijk is dat niet), en wel voluit de namen geven van beschuldigden (niet: veroordeelden) maar geen oerdegelijk Vlaams woord durven uit te schrijven. Kijk, daar moet ik een bolus van draaien. Ik zal maar naar het gemak gaan, om te verhinderen dat ik nog “w.c.” moet uitleggen. Of “koer”. Of “gents”. Ik krijg echt heimwee naar Lanseloet van Denemerken die zonder omwegen meedeelt: “Nu is hi met haer in die camere geweest”. Zonder bakerpraatjes. En vooral zonder zielenzorgers.

 

De Vlaamse beweging is nog lang niet uit haar onderpastoorstijdperk gegroeid. En de Taalunie kan ik maar één raad geven. Schrap in alle woordenboeken al die denigrerende afkortingen bij de opgenomen woorden. Taalverrijking gebeurt alleen als men er ook kennis wil van nemen. Aandacht. En verwondering. Staat daar een onbevlekte Hollander naast me bij het ontbijt in een Ramadahotel. “Platte kaas ? Is dat Belgisch ?” Ik leg hem het verschil tussen uit tussen kwark en platte kaas. En blij toe, tussen kop, hoofdkaas en kipkap. Hij heeft uiteindelijk een krakeling gegeten. En ik een kadetje. Samen dronken we koffie. Die was niet verkeerd.

Lukas DE VOS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
6 février 2015 5 06 /02 /février /2015 13:59

 

Veel reacties op het boekje “Hoe Vlaams mag uw Nederlands zijn?", een bijlage van De Standaard.

Luc Pay schreef een grondige bijdrage over het “Gele Boekje”.

*

Vandaag in De Standaard (pp. 42-43):

  • Hans Vandevoorde (docent aan de VUB) houdt een hartstochtelijk pleidooi tegen een eigen Belgisch Nederlands:

  • Dirk Caluwé (Taaltelefoon, Vlaamse overheid) dient de critici op de lijst van antwoord;

  • Auteurs Ludo Permentier en Rik Schutz vatten (mede namens de eindredactie van De Standaard) de “spelregels” van de lijst nog eens samen.

(HFJ)

 

*

 

De Standaard publiceerde zonet, als bijlage, het boekje Hoe Vlaams mag uw Nederlands zijn?, samengesteld door Ludo Permentier en Rik Schutz en met een inleiding door hoofdredacteur Karel Verhoeven (1). Het boekje beoogt klaarheid te scheppen over de vraag of bepaalde Vlaamse woorden en wendingen al dan niet aanvaardbaar zijn: "Van de ruim 4.000 woorden die in Van Dale als 'Belgisch' worden gemarkeerd, selecteerden wij er 1.000. Omdat ze vaak gebruikt worden, veel discussie uitlokken, of omdat ze kleurrijk zijn." (p. 4). De geselecteerde woorden worden netjes alfabetisch van A tot Z opgelijst, zoals het een handig lexicon betaamt; een facebook-achtig icoontje (duimpje omhoog of omlaag) maakt de beoordeling duidelijk, en die is in zowat een kwart van de gevallen negatief.

 

Het basisprincipe luidt: "Het Algemeen Nederlands, dat ook in Nederland wordt begrepen, blijft het ideaal. Maar dat ideaal moet niet ten koste gaan van interessante woorden en uitdrukkingen die bij ons zijn ontstaan," aldus de samenstellers in hun verantwoording (p. 5). Knopen werden doorgehakt bij woorden "die in het grijze gebied liggen tussen regionalisme en standaardtaal" (p. 5). Daarnaast worden een aantal woorden die duidelijk behoren tot een informeel dan wel een erg formeel register voorzien van andere plezierige icoontjes, resp. een teenslipper (slipper, badslipper, hoe noem je dat?) of een stropdasje. Om tot een verantwoord oordeel te komen, werd een beroep gedaan op <taaladvies.net>, de adviseurs van de Taaltelefoon, Van Dale (online) en het Prisma Handwoordenboek Nederlands. Werden niet of in zeer beperkte mate opgenomen: dialectwoorden, platte woorden, vaktaal en overheidstermen, want "het gaat voornamelijk over mediataal" (p. 6). Elk lemma wordt gevolgd door een citaat uit dS-kranten van 2014, en soms – veel te weinig naar mijn smaak – door een verdere toelichting.

Moeten we nu zo'n publicatie toejuichen, er gelukkig om (mee) zijn? Ik zal proberen deze vraag genuanceerd te beantwoorden, maar alvast toch twee bedenkingen.

 

Er is inderdaad geen enkele reden om woorden of uitdrukkingen als 'containerpark' of 'uit de biecht klappen' uit het woordenboek te weren, en er zijn nog veel voorbeelden in het boekje die ik zonder meer toejuich. Maar hoe je het ook draait of keert (AN?), de lexicale items die hier worden goedgekeurd zijn en blijven gemarkeerd als 'Belgisch-Nederlands' (BN) of als 'standaardtaal in België', lees: dus niet in Nederland. Of nog: "we verbreden het Standaardnederlands met taal die in Vlaanderen [...] als deugdelijk ervaren wordt" (p. 4). Die laatste omschrijving klinkt me het sympathiekst in de oren. Het valt nu maar af te wachten of in een volgende editie van Van Dale (VD) die beperkende labels "Belgisch-Nederlands" of "in België" eindelijk definitief zullen verdwijnen. Want wat gemarkeerd wordt, is nooit langer neutraal, valt uit de toon, wijkt, altijd en onvermijdelijk, om welke reden dan ook af van iets dat als norm, maatstaf, richtsnoer of duimstok wordt aangevoeld. Pas wanneer die labels verdwijnen, zullen ook Vlamingen zich eindelijk helemaal makkelijk 'in hun pen en tong' voelen en zullen boekjes als dat van dS misschien niet meer hoeven te verschijnen. Laten we dus voorlopig hopen dat bij die labels alleen de macht van het getal speelt: Nederland (NL) nagenoeg 17 miljoen, Vlaanderen (VL) zowat 6,5 miljoen – en niet een vorm van misprijzen. Ik kom erop terug.

 

Ten tweede: het gaat in het boekje – althans in principe, zie verder – alleen maar om louter lexicale verschillen tussen VL en NL, en dus zonder meer om dezelfde taal, het Nederlands. Taal is immers veel meer dan alleen maar woordenschat. Tot de kern van een taalsysteem behoren het klanksysteem (fonologie), de morfologie (woord-) en de syntaxis (zinsvorming), en die lijken me voorlopig in het hele taalgebied alsnog behoorlijk congruent. Tot nader order spreken en schrijven we boven en onder de Moerdijk dus in essentie dezelfde taal, al kunnen b.v. de gesproken (fonetische) realisaties van het fonologische systeem vaak danig van elkaar verschillen, net zoals de woordenschat.

Maar laten we eerst enkele voorbeelden uit dit 'Standaard lexicon van het Belgisch-Nederlands' bekijken.

 

Consequent, overbodig, foutief?

 

1. "24 urenstaking" of "40 urenweek" (p. 9) blijken correct. Nog afgezien van die onzinnige spelling (24 en 40 verwijzen hier immers naar 'staking' resp. 'week'), lijkt het me onbegrijpelijk dat het mv. "uren" in deze samenstellingen wél kan, maar niet in een zin als "De film duurde drie uren". Want op <taaladvies.net> lezen we de bekende regel: "Uitzonderingen op de algemene regel vormen de zelfstandige naamwoorden kwartieruur en jaar. Die hebben in de genoemde combinaties [nl. met een bep. telw.] gewoonlijk de enkelvoudsvorm." Goed, dit worden dus twee uitzonderingen op de uitzonderingen, nl. in combinaties met 'staking' of 'week'. Merkwaardig: in dS van 19 oktober 2007, bijlage 5 Woordenlijst, p. 2, staat als correcte vorm (en in een aanvaardbare spelling) nog "de 40-urige werkweek". Tja, zo snel verandert taal, zeker als taalrechters haar nog sneller willen doen veranderen.

 

2. In het voorbeeldcitaat bij het lemma "aanzien als" (p. 10) lees ik: "... die wereldwijd wordt aanzien als...". Altijd gedacht dat het deelwoord 'aangezien' was. Dat lijkt echter niet meer belangrijk want het gaat om de keuze tussen 'voor' of 'als'. Iets verderop merken we ook op: "de illusie wordt doorprikt" (p. 31), dat als correct gemarkeerd wordt naast "doorgeprikt". Als deze, andermaal grammaticale (en niet: lexicale) wijzigingen nu aanvaard worden, waarom dan toch nog "kloeg" (p. 55) naar de prullenmand verwijzen en vervangen door "klaagde"?

 

3. "Bijhebben"en "bijhouden" (p. 10) vormen vanaf nu geen probleem meer in zinnen als: "Hij had een wapen bij." Toch blijf ik dan zitten met de vraag: bij wie of bij wat?

 

4. "De trein is afgeschaft" (p. 11), luidt een in VL (en NL?) dagelijks al te vaak gehoorde en gelezen mededeling, die ook in dit boekje als correct wordt beschouwd. Mijns inziens betekent 'afschaffen' nog altijd iets anders. Maar goed, ik behoor wellicht niet tot de groep 'modale taalgebruikers' die, althans volgens de samenstellers, in dit lexicon de knopen hebben doorgehakt, dus geen probleem. Vergelijk nu met 'bedelen' (p. 15), b.v. 'de post bedelen', dat je bij ons in de betekenis 'verspreiden, verdelen' ook heel vaak hoort maar dat dan wél wordt afgekeurd.

 

5. "Afkuisen" (p. 11), "kuisen" en "kuisvrouw" (beide p. 59) moeten eruit, maar "droogkuis" (p. 32) mag erin blijven. Tja: "wij taalgebruikers" beslissen, vermoed ik, en vraag dus niet naar enige logica want taal is sowieso niet logisch, en vooral: taal evolueert, toch?

 

6. "Ardeens" (p. 13) moet vervangen worden door "Ardens"; terecht, omdat het grondwoord 'Ardennen' is. Maar waarom keurt VRT-Taalnet 'Kempisch' dan wél goed naast 'Kempens' (de 'Kempen')?

 

7. "Beginnen lopen" (p. 16) is fout, maar "durven zeggen" (zonder 'te') (p. 33) mag wél.

 

8. Het germanisme 'bemerking' (p. 16) is nu plotseling goed. Gevolg: 'opmerking' en vooral dat o zo moeilijke onderscheid met 'aanmerking' mogen we voortaan gewoon vergeten. Maar waarom dient "gans de wereld" (p. 40), ook een fraai germanisme, dan gemeden te worden? Omdat het al te duidelijk Duits klinkt?

 

9. "Bijkomend" (als bw., p. 19) dient, zeer terecht, vervangen te worden door b.v. 'daarnaast'. Maar waarom het wél goedgekeurd wordt als adjectief lijkt me een raadsel (het klinkt natuurlijk veel vlotter en 'normaler' naast een substantief).

 

10. "Brossen" (p. 23) is niet toegestaan, maar een "buis" halen en "buizen" (p. 23) mogen wel. Als dat onze leerlingen en studenten maar niet in verwarring brengt terwijl ze, heu... 'blokken' misschien toch?

 

11. "Charcuterie" (p. 25) blijkt standaardtaal in België maar, vreemd genoeg, "chauffage" (p. 25) niet.

 

12. "Cutter" en "cuttermes" (p. 27) worden tot de Vlaamse standaardtaal gerekend, al heb ik zelf gedurende zowat 40 jaar die woorden nooit gehoord bij de tientallen jonge en enthousiaste gebruikers van een 'breekmes' die ik jaarlijks onder mijn hoede kreeg.

 

13. "Délégué" en "député" (p. 28, 29) zijn te mijden (al hoor je zeker dat eerste woord hier heel vaak) maar "parlementair" (p. 81) mag wél? "Depannage" mag niet maar 'depanneren' wél (p. 29)? En "de foor" (p. 38) moet 'de kermis' worden, maar met "foorkramer" (p. 38) is er geen vuiltje aan de lucht? Toe nou, heren! Het spijt me, maar daar begrijp ik echt niks meer van.

 

14. We mogen "er geen doekjes meer rond winden" (p. 30), wel "om winden". "De straten errond" (p. 36) is dan weer oké.

 

15. Tot mijn verbazing wordt het lichtjes infantiele purisme "duimspijker" (p. 33) – een voorwerp dat immers, gelukkig maar, weinig op een doorsnee spijker lijkt – voortaan standaardfähig, met als motiverende commentaar: "een mooie nieuwvorming die onze taal verrijkt". Mooi. Andere suggesties ter meerdere verrijking dan maar: 'stortbad', 'regenscherm' en 'geldbeugel'. Maar... dat laatste woord wordt op p. 41, en wel tot mijn verbijstering nu, als foutief beschouwd; 'geldbuidel' of '(geld)beurs' dan maar?

 

16. "Het feest is gedaan", "de wedstrijd is gedaan" (p. 40) worden aanvaardbaar geacht, en dus onvermijdelijk ook 'de school is gedaan'. Wellicht omdat het de voltooide passiefvormen zijn van 'een feest doen', 'een wedstrijd doen', en... 'de school doen'?

 

17. "Iets mooi/moois" (p. 49): dit is geen lexicaal, maar een grammaticaal probleem (nog beter: een grammaticale fout, want flectie – een soort partitieve genitief – na 'iets' ontbreekt).

 

18. "Je kat sturen" en "de kat komt op de koord" (p. 52, 53) worden goedgekeurd, zij het in een informeel register. Akkoord, uiteraard, zeker nu we gewend zijn aan "Dat is geen kattenpis." Maar, begrijpe wie het kan, "een kat een kat noemen" (p. 53), eveneens informele taal, moet vervangen worden door b.v. het (Noord-) Nederlandse "het beestje bij zijn naam noemen". Sorry, heren, maar ik hou van mijn poes en dus blijft ze spinnen, ook in de laatste uitdrukking, naar analogie van de andere twee.

 

19. We mogen voortaan "iemand de les spellen" (p. 62). Ik vrees dat zulks nu veel langer gaat duren dan wanneer je ze gewoon blijft 'lezen'.

 

20. Ik kan begrijpen dat "lopend water" (p. 64) een ietwat mank lopende metafoor is voor "stromend water". Maar waarom die "meter" dan wél mag blijven "lopen" (p.64), althans in VL, is mij volstrekt een raadsel.

 

21. 'Onderlijnen' (p. 75) is opnieuw de bon ton. Leve onze gallicismen! Mogen we dan ook dat 'eau courante' terug a.u.b.?

 

22. "Zich verwachten aan" (p. 114) wordt afgekeurd, hoewel in een recente peiling dit (inderdaad) misplaatste gallicisme door 75 procent van de respondenten, m.a.w. de modale taalgebruiker, aanvaardbaar werd geacht (http://www.vrt.be/nieuws/ 2014/11/meer-tolerantie-voor-vlaamse-woorden). Hoezo? Karel Verhoeven poneerde in zijn inleiding als normerende instantie toch "wij taalgebruikers" (wij allemaal dus, neem ik aan, en al zeker spontane respondenten op een enquête)?

 

Het boekje blijkt dus te veel dubbelzinnige, inconsequente of gewoon onbegrijpelijke (want m.i. foutieve of onlogische) beoordelingen te bevatten, maar mijn lijstje is al lang genoeg. Als het taalgebruik dan toch nog altijd beregeld moet worden, dan lijkt een minimum aan interne logica en consistentie mij het minste wat je van taalregulatoren mag verwachten.

 

En wat is er mis met deze zwarte schaapjes?

 

1. Weg met onze Vlaamse "ajuin"(p. 12)! Van Dale (mijn editie, 1984) labelt dit woord echter niet eens als 'Belgisch' en noemt het een "oude en gewestelijk zeer verbreide naam voor ui". 'Ui' is trouwens een latere Hollands-Utrechtse nevenvorm van 'ajuin' die zonder meer ook teruggaat op het Latijnse origineel (zij het dan, ik geef het toe, niet via het Frans) zodat de afkeuring op basis van een etymologisch criterium mij hier vrij irrelevant lijkt. Of misschien zijn er in VL regio's waar men 'uien' koopt?

 

2. "Alleszins" (p. 12): ook de (volgens dit boekje blijkbaar louter Vlaamse) betekenis 'ja zeker' wordt door VD ongemarkeerd behandeld. Liever het toch zo populaire (en vaak verkeerd gespelde) 'sowieso' dan maar, al is dat een germanisme – wat slechts weinigen blijken te weten.

 

3. "Autostrade" (p. 13): blijkbaar een verwerpelijk italianisme en nu eens geen gallicisme, al wordt dat niet vermeld. De Fransen rijden immers liever over 'une autoroute' omdat ze de uit het Italiaans geleende 'autostrade' als archaïsch ervaren. Goed, italianismen eruit dus, maar we mogen wél gallicismen bewaren zoals: (het m.i. foutieve) 'categoriek', (het afschuwelijke) 'certitude', (het uiteindelijk overbodige) 'impressionant' of (de onzinnige samenkoppeling) 'grootwarenhuis'. Dat laatste woord is voor mij altijd taboe geweest, namelijk als een banale calque van 'grand magasin' waarbij slechts het al te duidelijk naar het Frans verwijzende 'magazijn' vervangen werd door 'warenhuis', dat exact hetzelfde betekent. Bovendien: sinds wanneer is in VL een 'grootwarenhuis' hetzelfde als een 'supermarkt'?

 

4. "Beenhouwer" (p. 15): ik vraag me af of elke Vlaming vanaf nu 'slager' zal gebruiken; idem voor het woord 'luster': in de modale Vlaamse huiskamers hangen dus voortaan 'kroonluchters'?

 

5. Het prachtige "betonneren" (p. 18) moet eruit. Voor VD is het in de betekenis van 'met een dun laagje beton bedekken' wél perfect aanvaardbaar terwijl de betekenis 'beton storten' als 'niet algemeen' wordt gelabeld. In 1984 had VD helaas nog geen weet van de figuurlijke betekenis 'definitief vastleggen, verankeren'. En dus ook vandaag nog geen standaardtaal in VL? Jammer.

 

6. Het zinnenstrelende "goesting" (p. 44), ooit tot het 'mooiste Vlaamse woord' verkozen, is helaas uit den boze, net zoals het leuke "plezant" (p. 84). Waarvan akte. Maar het zou misschien toch zinvoller zijn om het verschil tussen 'zin' en 'trek' (nog maar eens) duidelijk te maken, want die worden, ook en vooral door medialui, nog steeds op één hoopje gegooid.

 

Zo zijn er waarschijnlijk verderop in het boekje nog een aantal bannelingen die ik veel liever opgenomen had gezien. Maar opnieuw: de lijst zou al te lang worden.

 

Herwaardering?

 

"Wij verbreden het Standaardnederlands," stelt Verhoeven (p. 4). Dat is ongetwijfeld zo, en daar zijn we dankbaar voor, daar zijn we zelfs fier op. Want we weten nu eindelijk, zwart op wit, dat o.m. volgende pareltjes schaamteloos gebruikt mogen worden: "confituur, debardeur, fier, hesp, koersfiets, koffiekoek, koninginnenhapje, levensduurte [perfect logisch trouwens], pompelmoes (i.p.v. dat in het Nederlands idioot klinkende 'grapefruit'), proper, schotelvod, stoverij" of het al genoemde "containerpark", naast vele andere. En zo hoort het maar net, want we mogen dan goede buren en zelfs taalbroeders zijn, onze geschiedenis en cultuur vallen nu eenmaal niet helemaal samen.

 

Ten tweede: "Meer woordenschat betekent alleen maar winst" [inderdaad, en dus hoe meer hoe liever, n.v.d.a.], zoals dS kopte bij het dubbelinterview (2) met samenstellers Permentier & Schutz – op voorwaarde evenwel dat daarmee geen grammaticaal foutieve vormen zoals aanzien of doorprikt op de markt worden gegooid.

En toch. Verhoeven stelt in het boekje: "We blijven binnen de normen van het Standaardnederlands, hetzelfde Nederlands dat in Nederland als correct geldt." (p. 4) Dat laatste is dus absoluut niet waar. Want ik herhaal: waarom dan toch mordicus dat label "Belgisch-Nederlands (BN)" blijven hanteren? Ongetwijfeld kunnen, omgekeerd, heel wat woorden als "Nederlands Nederlands (NN)" gelabeld worden omdat ze evenmin "in het hele taalgebied" gebruikelijk zijn en dus in VL onbekend. De enige oplossing zou dus, nogmaals, zijn: ofwel een VD brengen met twee labels (BN en NN, de ongemarkeerde woorden rekenen we dan wel tot het AN), ofwel een VD simpelweg zonder enige beperkende, stigmatiserende precisering.

 

Samensteller Rik Schutz suste goedmoedig in het reeds genoemde interview zijn Vlaamse interviewster, die hem "opde trein en inhet station" had gezocht: "Wij Nederlanders zitten in de trein en zoeken elkaar op het station. Maar er is natuurlijk geen enkel argument om te stellen dat het ene voorzetsel correcter is dan het andere. Dus jullie moeten ons vooral niet nadoen, vind ik." Oef... Schutz was vroeger medewerker bij Van Dale Lexicografie en is nu projectleider spelling bij de Nederlandse Taalunie.

En Permentier? Die aait het Vlaamse ego in het interview al evenzeer: "Van Dale en Prisma hebben in hun nieuwste edities al veel meer Belgisch-Nederlands ontdaan van het labeltje 'niet algemeen'". Deze voormalige dS-journalist werkte (werkt?) mee aan de redactie van VD, schreef een leidraad voor het Groene Boekje (2005), is projectleider bij de Nederlandse Taalunie en jurylid van het Groot Dictee.

Het Belgisch-Nederlands krijgt met dit woordenboekje een flinke schouderklop en wordt dus aangemoedigd. Maar het wordt, wellicht duidelijker dan ooit door zo'n aparte oplijsting, hoe dan ook tegelijk door twee eminente vertegenwoordigers van grote baas Taalunie, l'œil de La Haye (waar nog steeds met de vermelding "port payé" gefrankeerd wordt), als zodanig gekenmerkt: een dubbelzinnigheid die een bitter nasmaakje nalaat temidden van zo veel zoets. Zo van: je mag die dingen voortaan gebruiken, maar we weten best waar je vandaan komt! Ach, hoe dan ook een flink duwtje in de rug van onze Vlaamse 'identiteit'.

 

"De taalgebruiker beslist over wat standaardtaal is of niet": dat is tegenwoordig zowat het nefaste uitgangspunt voor alle taalbeschouwers, taalpolitici of taaltuiniers. Permentier: "Standaardtaal kun je alleen zien als datgene wat mensen gebruiken en aanvoelen als standaardtaal." (3)

Of Karel Verhoeven: "Correcte taal is wat wij als correcte taal ervaren en aanvaarden. Wij taalgebruikers. De taalgebruikers volgen het woordenboek, maar ook omgekeerd, het woordenboek volgt gewilliger de taalgebruikers." (p. 3) "Wij taalgebruikers" dus.

 

Welnu, ten eerste: ik mag hopen dat zulks écht niet het geval is. Want dan zou ik voortaan, net zoals zelfs vele BV's van divers pluimage, zijnde toch dé tafelspringende en schermvullende spraakmakers par excellence, voortaan 'omwille van' en 'wegens/als gevolg van' op één hoop moeten gooien; dan zou ik 'letterlijk' en 'figuurlijk' of 'efficiënt' en 'effectief' voortdurend verkeerd moeten gebruiken; de vervoeging van 'slaan' en 'slagen' door elkaar moeten haspelen net zoals 'niet het minst' en 'niet in het minst' of 'over' en 'binnen' als tijdsaanduiders; dan zou ik het woord 'media' met een werkwoord in het enkelvoud moeten gebruiken of, zoals het sommige leraren en docenten tegenwoordig wel meer overkomt, foutieve werkwoordsuitgangen op het bord of in de cursus moeten noteren; dan zou ik voorbij moeten gaan aan het verschil tussen 'over/in het algemeen' of romans uitgeven die bol staan van de taalfouten. En dan heb ik het niet eens over de soms aan mentale retardatie of vulgariteit grenzende dictie van bepaalde BV'S. Maar ja, laten we ons vooral niet meer al te 'normatief' opstellen, dat is vandaag de mantra, en niet alleen in de linguïstiek. 'Democratisering' alom. Je kan er ook zot van worden.

 

Ten tweede: zijn het echt al die Vlaamse winkeliers, de modale taalgebruikers, die gevraagd hebben om 'solden' eindelijk te autoriseren – een vraag die me overigens best gerechtvaardigd lijkt, daar niet van? Nee, natuurlijk niet, het zijn de taaladviseurs die ogen in hun kop hebben en dat woord in heel Vlaanderen tegen de etalages (oeps...?) of in kranten en 'boekskes' zien prijken, die op grond van rationele argumenten en gezien hun expertise een gemotiveerde beslissing nemen met het oog op de redactie van b.v. woordenboeken, leerboeken of kranten. Waarom anders zo'n boekje als dit überhaupt nog publiceren? Waarom dan nog een 'taalnet', een 'taaltelefoon' of een 'vrttaal.net' in stand houden? Omdat, zoals het in dit boekje zélf duidelijk gesteld wordt, "Vlaanderen behoefte [heeft] aan een taalnorm" (p. 5). Nederland heeft daar ook behoefte aan, misschien in mindere mate en op andere taalniveaus, maar Nederland weet dat niet, wil dat niet weten of staat er gewoonweg onverschillig tegenover zoals je wel vaker leest. Dat is het enige verschil.

 

In een Woordenboek van belgicismen uit 1930, dat, gezien de hachelijke toestand en positie van het 'Vlaamsch' op dat moment, nochtans heel sterk het primaat van het Noord-Nederlands beklemtoont en de gallicismen genadeloos bestrijdt, lees ik op het einde van het 'Inleidend woord': "Wij wenschen daarbij geenszins alle specifiek Zuidnederlandsch uit den booze te verklaren, wèl uitsluitend het beslist verkeerde. Overigens willen wij feitelijk zoo weinig mogelijk afkeurend, doch veeleer constateerend en inlichtend te werk gaan en den gebruiker zelf de keus overlaten tusschen Vlaamsch en algemeen Nederlandsch, naar gelang van het doel dat hij beoogt. Dr. W. De Vreese heeft immers in dit opzicht gezegd [...]: 'Eenheid van taal voor Noord en Zuid is zeker gewenscht, maar ze moet vòòr alles bestaan in eenheid van bouw, van syntaxis, veeleer dan in eenheid van woordenschat. Dit laatste wordt door de Hollanders zelf niet meer verlangd [...]'". (4) Er is dus blijkbaar niet zo veel veranderd na 85 jaar: uiteindelijk dezelfde bekommernis, hetzelfde fundamentele doel en dezelfde basiskeuzes als in het hedendaagse werkje van Permentier & Schutz, die er nu echter wel veel verzachtende doekjes om dienen te winden.

 

Tot slot, wat de gesproken taal betreft, het volgende. Eind jaren zestig en nog iets later, jaren zeventig en misschien zelfs nog tachtig, luisterde ik geregeld naar het nieuws op een Nederlandse tv-zender of bekeek en beluisterde ik programma's van de VPRO, en dat wel degelijk met van bewondering blozende oortjes. Als ik nu naar een Nederlands programma luister, en zeker naar een praatprogramma als DWDD of het spannende (!) Opsporing verzocht, dan wordt het soms heel lastig om het gepraat probleemloos te volgen. Verhoeven mag dan al beklemtonen dat het Standaard-woordenboekje geen afscheuring van Nederland beoogt (p. 4), toch groeit tussen beide taalgebieden onherroepelijk een zeer diepe, hoorbare kloof die ook op andere terreinen voelbaar is en die ik ten zeerste betreur (literatuur, media, wederzijdse belangstelling en uitwisseling etc.). Het wordt m.i. heel dringend tijd om elkaar opnieuw te leren kennen (5). Velen van mijn generatie namen destijds een (taal-) voorbeeld aan monumentale virtuozen als Toon Hermans, Fons Jansen, Wim Sonneveld of een Herman Van Veen, om maar enkelen te noemen. Vlaanderen heeft hen ondertussen meer dan bijgebeend, zonder enige twijfel, daar bestaan vandaag schitterende voorbeelden van. Helaas bestaan er echter ook al te veel bedroevende symptomen van het feit dat Vlaanderen en Nederland van elkaar wegdrijven.

 

Wat een overheerlijk feest, bijvoorbeeld, om nog te kunnen luisteren naar de causerieën van of interviews met die andere schitterende taalvirtuoos, Godfried Bomans. Toen Jan Van Rompaey hem ooit voor de camera vroeg: "Wij praten Nederlands. Praat ik anders dan u?" antwoordde Bomans met die hem zo typerende guitigheid in de loensende ogen en zalige ironie op/om de lippen: "O, enorm anders, maar dat weet u niet. Kijk, weet u wat? Onze [de Noord-Nederlandse, n.v.d.a.] taal constateert. Het is dus een taal die vaststelt, en als je de Vlaamse grens over gaat dan hoor je diezelfde taal opeens zingen. De tekst blijft Nederlands, de melodie wordt Frans. Dat is heel opmerkelijk, en ik geloof niet dat u dat in de gaten hebt omdat u het de hele dag doet. Maar u hebt de zang van het Frans; de noten zijn Gallisch, de tekst is Diets, en die combinatie is voor ons hartveroverend. Wij vinden het enig als wij plots onze taal horen zingen, terwijl wij altijd koel daarmee hebben vastgesteld." (6)

 

Dit lexicon roept bij mij ambivalente gevoelens op. Aan de ene kant vreugde en dankbaarheid om de opgeviste 'vlaamsismen', anderzijds ontgoocheling wegens de arbitraire en soms slordige, onlogische behandeling ervan. Hoe ook, laten we ons maar niet te erg opsluiten, ieder aan zijn kant van de grens, in de splendid isolation van onze eigen efemere taalmaniertjes. Noemde Bomans ons niet, terecht, op andere momenten 'broeders' en 'een verkwikkend tegendeel'? Die broeders mogen dus best, en kùnnen het best, wederzijds begrijpbaar blijven. Onze gedeelde belangen, onze gemeenschappelijke literatuur, onze gedeelde taal zijn daar immers mooi en belangrijk genoeg voor.

 

Luc PAY

 

 

(1) Ludo Permentier & Rik Schutz [samenst. en red.], Hoe Vlaams mag uw Nederlands zijn? 1000 Belgisch-Nederlandse woorden. Een woordenlijst van De Standaard. De Standaard, januari 2015, 125 p.

(Wordt nu al het 'Gele Boekje' genoemd; het valt in ieder geval beter te pruimen dan het Groene.)

 

(2) Interview door Dorien Knockaert, in De Standaard, 31-01 en 01-02 2015, p. 24-25.

 

(3) Interview door Knockaert, p. 25, kolom 1.

 

(4) Const. H. Peeters, Nederlandsche taalgids. Woordenboek van belgicismen. Met verklaring, en opgave van de overeenkomende woorden en uitdrukkingen in het algemeen Nederlandsch. Met een inleidend woord van Prof. dr. J. Vercoullie, De Sikkel, Antwerpen 1930, p. 23.

(Cursivering zoals in het origineel. Merk ook op dat deze auteur 85 jaar geleden 'naargelang van' correct gebruikt, mét het voorzetsel, een combinatie die ondertussen alweer danig onbekend lijkt. Het irriteert me trouwens mateloos dat over dit soort zaken een zalvende permissiviteit, een grenzeloos vergoelijkend relativisme bestaat vooral bij mensen die gezien hun opleiding en/of ervaring deze zaken zelf wél perfect beheersen: een verfoeilijk want schadelijk, beknottend, omgekeerd paternalisme dat alleen maar contra-emancipatorisch en anti-democratisch werkt. Ik heb me altijd afgevraagd waarom de Taalunie zich nooit zelf bekommerd heeft om een handleiding bij correct taalgebruik, die dan zou kunnen gelden voor het hele taalgebied en periodiek bijgesteld zou kunnen worden zodat we eindelijk Galle, Florquin, Renkema, Talpaert & Buyse, Gillaerts, Theissen & Debrabandere, Heidbüchel, Van Nierop, Bruffaerts & Du Mong en nog enkele anderen mogen vergeten want ze raken stilaan (erg) verouderd (ik wacht ook nog altijd op de opvolger van De Conincks Groot uitspraakwoordenboek van de Nederlandse taal). Tot ik de invectieven van Benno Barnard tegen de Taalunie las, zowel in Knack (16-02-2008) als op nrc.nl (04-03-2008). Een mens vraagt zich af wat ze daar in La Haye, waar le port duidelijk heel duur payé wordt, eigenlijk uitrichten. Op de thee gaan in Suriname misschien, zoals het heren van de thee past? Of de op jarenlange studie gebaseerde én schitterende voorstellen van de eerste spellingcommissie in de prullenbak gooien, wat de belastingbetalers in VL en NL miljoenen gekost moet hebben, om ten slotte een andere spelling op te leggen waar iedereen een punthoofd van krijgt. Maar nu hebben we tenminste een spannend Groot Dictee.

 

(5) Elkaar leren kennen. Het 'Gele Boekje' legitimeert alvast heel wat typisch Vlaamse woorden en wendingen, en dat is goed: onze noordelijke vrienden zullen die leren kennen, maar of ze die ook gaan gebruiken is een andere vraag; dat hoeft trouwens volstrekt niet! Een omgekeerd voorbeeld. In het interview verzucht Permentier: "Ik zou het geweldig vinden als Vlamingen de uitdrukking er komt een dominee voorbij leren kennen." (p. 24). Blij dit gelezen te hebben, want ik kende die (mooie) zegswijze niet, met alles wat ze impliceert aan sociologische impact van kerken of gezindten. Maar of ik ze nu ook zal gebruiken? Want kijk, mijnheer Permentier, u weet misschien nog wel dat hier in Vlaanderen heel weinig dominees passeren. Vele jongeren op de schoolbanken weten niet eens wat een dominee is of wat die vertegenwoordigt. Maar in het Frans bestaat de prachtige uitdrukking "un ange passe/passa", en ik ben er nagenoeg zeker van dat die Nederlandse dominee daar een vertalende aanpassing van is. Voor de Vlamingen stel ik dus voor: een engel kwam voorbij. Die engeltjes passen trouwens ook beter bij onze barokke katholieke gebedshuizen. En weet u wat? Zet beide zegswijzen dan a.u.b./s.v.p. in de volgende VD, het liefst zonder markering. (Wees gerust: op die manier zal de Taalunie u niet op de vingers tikken en mag u bij het spectaculaire Groot Dictee probleemloos verder blijven jureren.)

 

(6) In het BRT-televisieprogramma Echo, 18 november 1967. (http://cobra.be/cm/cobra/videozone/dagopdag2014/november%2B2014/1.2144642)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche