Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
6 février 2015 5 06 /02 /février /2015 00:23

 

Wegens een lange afwezigheid de heibel rond het schilderij van Luc Tuymans gemist. Maar weer in het land blijft de goesting plakken ook mijn mening in de verbale arena los te laten.

Rond de afkomst van de Engelsman Charlie Chaplin bestaan veel onzekerheden. Zeker is evenwel dat hij het circusleven van kindsbeen af kende, en na zijn emigratie naar Amerika emplooi vond bij vaudevilletheaters, alvorens naar Hollywood te verkassen en van daaruit internationale faam te verwerven. Die hij te danken heeft aan een sterk sociale ingesteldheid en in de eerste plaats aan zijn leermeesters, de oudere clowns. Hij maakte van hun grappen sterkere versies. Neem bijvoorbeeld het hoofddeksel. De pet staat symbool voor de arme, de hoge hoed voor de rijke en de bolhoed voor de mens die zich rijker wil voordoen dan hij is. Chaplin heeft de bolhoed verwerkt in zijn typetje. Niemand echter heeft ooit gezegd dat Chaplin de bolhoed als symbool gestolen heeft van zijn voorgangers. En Chaplin had er evenmin bezwaar tegen dat Laurel en Hardy ook een bolhoed droegen, én zich, net als hij, rijker voordeden dan ze waren.
Niet onbelangrijk, om even bij de bolhoed te blijven, is dat het hoofddeksel vaak terugkomt in het werk van René Magritte. Ook hij was afkomstig uit een arme familie, die zich opgewerkt heeft… van pet tot bolhoed. Zijn afkomst is Magritte nooit vergeten. Ook niet nadat hij wereldberoemd was geworden. In geen werk van hem is een hoge hoed te vinden.

Charlie Chaplin was dus geen dief maar een volgeling, met een eigen cachet. Wat ook geldt voor popart-kunstenaar Andy Warhol. Had hij van het soepblik geen schilderij en zeefdruk gemaakt… een mens die nooit een voet in Amerika heeft gezet wist van het bestaan van Campbell Soup Company. En de wereldfaam van Marilyn Monroe heeft ze onder meer te danken aan een opwaaiende zomerjurk en haar boezem, maar evengoed aan het schilderij dat Warhol van haar heeft gemaakt, geënt op een bestaande foto. Zoals hij voor veel personages van een foto vertrok. Om een tweede, treffend voorbeeld te noemen: Jacqueline Lee Bouvier, de vrouw van president Kennedy. Zonder Warhols artistieke aandeel was zij een prominente margefiguur geweest en gebleven. Wereldfaam is in grote mate dank en eer verschuldigd aan de verheerlijking van mensen, voorwerpen en toestanden door kunstenaars.

Dat fotografe Katrijn Van Giel Luc Tuymans voor de rechter sleepte is vanuit artistiek standpunt gezien bijzonder dwaas en getuigt van weinig kennis over de kunstgeschiedenis. Eigenlijk zou zij het als een eer moeten beschouwen dat Tuymans een foto van haar getransformeerd heeft. Dat het enkel een parodie is, zoals hij na de veroordeling verklaarde, is dan weer niet zo slim van Tuymans. Beter ware geweest had hij gezegd dat na de foto, het schilderij een nieuwe stap is om de angst van een politicus [om zijn positie en job] te accentueren. Het schilderij doet dat veel sterker dan de foto. En hij had op z’n minst de fotografe een briefje kunnen sturen. Als hij had geschreven hoe mooi hij haar foto vond en dat hij het wilde ‘verschilderen’, dan was zij – naar het model van wat de moderne morele mens is – niet naar een wetswinkel gehold maar naar een wijnhandel.

Overigens ben ik van mening dat het auteursrecht, zoals het in wetten en regels vastgelegd werd, totaal versleten is. Al bezig is het gewicht van een dode te krijgen. Dat weet een auteursrechtenbureau als Sabam maar al te goed. Niet toevallig dat deze omstreden club de laatste jaren aan sponsoring van culturele initiatieven doet. Waarom? Om de kritiek bij organisatoren en kunstenaars die een tiental jaar ontstond de mond te snoeren. De schijn te verwekken dat het werkelijk met de rechten van de kunstenaar begaan is.

Deze mening gaat over de heibel rond het foto/schilderij van Van Giel/Tuymans, laat dat duidelijk zijn. Van het artistiek werk van Katrijn Van Giel krijg ik het niet warm. Maar ook niet van dat van Luc Tuymans, langs welke kant ik het ook bekijk. Maar los daarvan en om te eindigen op geen parodie, maar op een variant van een uitspraak van Voltaire: Ik verafschuw wat u schildert, maar ik zal uw recht om naar uw hand te schilderen met mijn leven verdedigen.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans arts plastiques
commenter cet article
5 février 2015 4 05 /02 /février /2015 04:13

 

Lichtaart--centrum-van-kunst-en-cultuur.jpg

Op 8 oktober 2014 publiceerde van Frans Depeuter hier een bijdrage over Lichtaart centrum van kunst en cultuur in de roerige jaren zestig. In het rijkelijk geïllustreerde boek brengt Karl Wouters het verhaal van de culturele ontvoogding van de Kempen in de jaren '60 van de vorige eeuw en bevat een schat aan informatie zowel over de 'grande histoire' als over de 'petite histoire' van kunst en cultuur.

Zie: http://mededelingen.over-blog.com/article-lichtaart-centrum-van-kunst-en-cultuur-in-de-roerige-jaren-zestig-124740006.html

Hier dan een tweede bijdrage van Frans Depeuter

16 waren het er. Ik heb ze geteld, van de zolder tot de kelder, van de voorplaats tot de achterkeuken. In ons hele boerderijtje prijkten 16 beeltenissen van Onze Lieve Vrouw. Zelfs in de varkensstal hing een kapelleke, waar ik in de zomer een krans van blauwe korenbloemen voor vlocht.

Ja, die kapelletjes, daar wemelde het van in Vlaanderland, en vooral in de Kempen. In Lichtaart, Tielen, Kasterlee samen telde je er 213 (en daar was dan onze varkensstal niet bijgerekend). Dat kwam erop neer dat de voorbijganger 213 maal geacht werd 'Jezus, Maria, Jozef' of 'Geloofd zij Jezus Christus' te zeggen. Als ze niet gemetseld waren, dan hingen ze in miniatuurvorm tegen een muur, een schutting, een eik of een linde. Aan de kruispunten van de wegen, bij een brug of de splitsing van een veldweg, aan de rand van een bos of zo maar op een straathoek.

O ja, die vrome Kempen. Die stille Kempen, vol dokkerende boerenkarren en wiekende molens. Lichtaart was daar ongetwijfeld een eminent voorbeeld van.

Van cultuur hadden de Lichtaartenaren amper kaas gegeten. Cultuur dat waren de 17e eeuwse Boogschuttersgilde van Sint-Sebastiaen en de Kolveniersgilde van Sint-Antonius, die met hun teerfeest op het dorpsplein een gavotte of mazurka dansten.

Cultuur, dat was de fanfare 'Vreugd in Deugd' die in de parochiezaal een jaarlijkse operette, revue of toneelstuk opvoerden, wat allemaal werd ondergebracht onder de noemer 'concert'. De moord van Nijlen, In 't Witte Paard, Na is 't onzen toer, Hedde 't vast, Het Dorp der Mirakelen, De Gebroeders Kalkoen, De dodelijke kus, Pietje de Landloper, dat soort dingen. Gemengd mocht uiteraard niet, zodat de vrouwenfiguren allemaal behaarde benen en een baard in de keel hadden.

Cultuur was er ook met het Davidsfonds, dat omstreeks de eeuwwisseling onder het motto 'Godsdienst, Taal, Vaderland' te Leuven was opgericht om de katholieken weg te houden van het socialistische Vermeylenfonds en het vrijdenkende Willemsfonds, en dat in 1932 een hoogtepunt kende met 74.000 leden in 421 afdelingen.

Cultuur, dat was crochet, zo'n wedstrijd voor amateurzangers, weet je wel, een soort talentenjacht (die in de jaren '30 ontstaan was in Frankrijk, waar de afgekeurde kandidaten door een machinist van het podium werden gehaald met een haak, vandaar de naam 'crochet'). De presentator die zo'n crochetavond aan elkaar praatte, heette steevast Louis Baret, die zelf ook enkele hoogstaande liedjes ten beste gaf, zoals 'Ik heb een zwak voor pitjesbak' en 'Geef mij nog een kusje, daar komt uw autobusje,/ nu moeten wij weer van elkaar,/ tot 'tlaatste secondje mijn lippen op je mondje,/ het afscheid valt mij toch zo zwaar".

Cultuur was last but not least de cinema Pax, die in 1948 op de parochiale bodem verrees en elke week een hoofd- én bijfilm gaf, waaruit de minder stichtelijke fragmenten door de censuur van de dikke pastoor Smets zorgvuldig waren weggeknipt.

En cultuur was uiteraard ook de bib. De boekerij, zoals we dat noemden, was ondergebracht in een piepklein, amechtig lokaaltje van de jongensschool. Daar zat 's zondags na de hoogmis de eveneens piepkleine onderpastoor Lowieke Lowet erover te waken dat de juiste boeken in de handen kwamen van de juiste lezers. Daarbij volgde Lowieke trouw de 'Zedelijke Kwotering' van het Katholieke Lectuurrepertorium, dat zeven categorieën voorschreef: jeugdlectuur, lectuur voor allen, lectuur voor rijpere jeugd, lectuur voor volwassenen, voorbehouden lectuur, streng voorbehouden lectuur en verboden lectuur. Van de voorlaatste reeks had je er hoogstens een handvol, maar die zaten veilig achter het glas. Van de radicaal 'verboden boeken' van 'verwerpelijke' auteurs, die op de pauselijke 'Index librorum prohibitorum' (lijst van verboden boeken) stonden, was er uiteraard niks voorhanden. De meeste aldus verdoemden waren buitenlanders, vooral Fransen, zoals Alexandre Dumas, André Gide, Honoré de Balzac, Emile Zola, Jean-Paul Sartre. Slechts één Vlaming was opgeklommen tot deze index: Gerard Walschap. Dat was nogal weinig, vond de aartsbisschop, Kardinaal Van Roey, die er dan maar een eigen 'bisschoppelijke' index aan toevoegde, waarop méér Vlaamse auteurs terechtkwamen, zoals Marnix Gijsen, Hugo Claus en uiteraard de socialistische 'vuilschrijver' bij uitstek, Louis Paul Boon. Ja, zelfs Felix Timmermans 'Pallieter' heeft op die lijst geprijkt, tot de Lierenaar erin toestemde zijn boek in een 'gekuiste' versie op de markt te brengen.

Maar zie, dan gebeurde er iets in deze Kempen. Een contra-offensief als het ware. Eind jaren 50 begin jaren '60 waren hier een paar vreemde vogels neergestreken, die door de eerbare dorpelingen met schuine blikken werden bekeken. Ene Remy de Pillecyn was van over 't Scheldt gekomen, ene Edouard Verreycken was uit de Koekenstad overgevlogen, ene Jan Berghmans keerde uit Brussel terug naar zijn geboortestreek en ene Jan De Buck had zijn nest in Dendermonde verlaten. Ze zochten allen hun heil in de Stille Kempen, die door hun opvallende aanwezigheid al snel minder stil zou worden. De Lichtaartse Heide was hun uitvalsbasis. Ondanks politieke tegenstellingen werden kunstschilder Remy de Pillecyn, die een overtuigd nationalist was, en de even overtuigde belgicist, beeldhouwer Edouard 'baron' Verreycken, niet alleen buren maar ook goede vrienden, ja, zelfs gezworen drinkebroeders, die elkaar overtroefden met straffe verhalen en liters genuttigd bier.

De Pillecyn en Verreycken waren voorlopers zeg maar, anti-missionarissen die met hun 'slechte voorbeeld' de ontkerstening van de streek inzetten. Wat zijmet beitel en steen, met penseel en verf deden, zou de libertijn Jan Berghmans met het woord doen. Jan verscheen, zoals ik zei, terug tussen ons in het begin van de jaren '60. Nadat hij gedurende een aantal jaren het Brusselse onveilig had gemaakt, zou hij het eens in de Kempen komen doen. Een eigen artistiek café, dat was zijn ultieme droom. Een alternatief cultuurcentrum avant la lettre. En uit die droom ontstond in 1964 De Verbrande Hoeve, "trefpunt voor herders en koningen'. Jans gave kennende om elk initiatief te doen mislukken, zou het 'verbrande' avontuur helaas niet lang duren. In 1967 werd zijn droom begraven onder een berg van onbetaalde facturen.

Maar in die drie jaar had Jan het toch waargemaakt dat iedereen De Verbrande Hoeve, én de bijbehorende kastelein, kende en dat van heinde en ver, ook uit Nederland, 'herders en koningen' naar zijn trefpunt kwamen afgezakt. En mits enige overdrijving vragen we ons af of Jan misschien ook aan de basis lag van het feit dat in 1966 de progressieve paus Paulus VI, die met de keuze van zijn naam een teken gaf dat hij de 'moderne heidenen' wilde bereiken, de verdomde Index naar de papiermand verwees, zodat zelfs de meest gehaaide katholiek zich voortaan ook kon verlustigen aan Boon en Walschap en Claus.

Een andere verdienste van Jan de Eerste was dat hij, samen met Remy de Pillecyn, aan de basis lag van het oprichten van de Artepik door Jan de Tweede, De Buck genaamd en bedrijvig als leraar plastische kunsten aan het Heilig Graf te Turnhout. De Verbrande Hoeve diende als voorbeeld, Remi De Pillecyn was de motor die De Buck over de streep trok om in de pachthoeve van 'Hof ter Heide' te Lichtaart, op een boogscheut van Berghmans' doening, een soortgelijk etablissement in te richten: de Artepik. Jan II hield het langer uit dan Jan I. Tien jaar heeft zijn feest geduurd. Tien jaar boordevol tentoonstellingen, lezingen, jazzconcerten, zang en kleinkunst, mime, poëzie, debatavonden, voordracht, toneel, fanfaremuziek, dans. Van overal kwamen ze: van Londen, Eindhoven, Parijs, Keulen, Amsterdam, Kopenhagen, Stockholm, Zagreb, New-York, zelfs van het Brussels ministerie en van Sint-Jozef-Olen

O, er was zoveel te doen in de Kempen in de jaren '60! Het bruiste er van cultureel leven. De artistieke caféhoevetjes rezen als paddenstoelen uit de grond. In Kasterlee had je Atelier Grafiek van Fons Mertens, de Rommelpot van Mon Martens, de Seven Horses van Mel Turner, en later De Witte Veloo van, jawel, ene Karl Wouters. In Retie was er de Seven Arts van Jan Wets, in Wortel de Diept van de gebroeders Huet, in Dessel de Mallemuze van Leo Stijven, in Gierle de Burcht… Voor de eerste maal in de donkere geschiedenis van de Kempen straalde de culturele vrijheidszon over de heide. Of, zoals Karl het schrijft: Nooit eerder kleurde de heide zo purper!

Wie het fijne wenst te weten van die heerlijke bloei of er zelf bij betrokken was, vindt de hele dolle geschiedenis van de Jannen en het artistieke tuig dat bij nacht en ontij in hun kroegen tot leven kwam, terug in het door Berghmans Uitgevers mooi uitgegeven en rijkelijk geïllustreerde boek van Karl Wouters: "Lichtaart, centrum van kunst en cultuur in de roerige jaren '60'. Uit dat boek mag duidelijk blijken dat de one-liner van Marnix Gijsen, "Het platteland is de kortste afstand tussen twee steden", niet opgaat. En dat, wanneer Tessa Vermeiren – voorzitter van de Raad van Bestuur van 'Kempense cultuurpromotie vzw' en van de Kempische cultuurkrant 'Suiker', – in Antwerpen komt, dat de lieden van 'tStad ongelijk hebben als ze haar vragen of ze met de huifkar is gekomen.

Overigens: wat is er mis aan een huifkar? …

En voor wat betreft mijn ouderlijk huis, waarover ik het daarstraks had, de lieden van 'tStad kunnen gerust zijn: de 16 Lieve-Vrouwen zijn verdwenen en het is een parenclub geworden waar naar hartelust kan gevrijd, gebeft en gesandwicht worden. Ook dat zal wel deel uitmaken van de culturele evolutie van de Kempen, zeker?

Frans DEPEUTER

 

Karl WOUTERS, Lichtaart, centrum van kunst en cultuur in de roerige jaren zestig, Merksem-Antwerpen, Berghmans Uitgevers, 2014, 192 p., ill., hardcover, 45 €. Voorwoord: Walter VAN DEN BROECK. ISBN: 978-90-70959-99-9

Oplage: 250 exemplaren eigenhandig door de auteur genummerd en gesigneerd.

LievenSegers.jpg

In bijlage, aangeboden door het Frans Masereel Centrum, Kasterlee: de zeefdruk”herders en koningen”, speciaal voor het boek door Lieven SEGERS ontworpen.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
3 février 2015 2 03 /02 /février /2015 23:11

 

Gansemans.jpg

Journalisten leiden een schimmig bestaan. Vergetelheid is hun lot. Tot mijn schande heb ik pas drie maand na zijn overlijden ontdekt dat leukemie oud-collega Walter Gansemans (14 januari 1943 – 23 oktober 2014) in Halle heeft geveld. Walter was nochtans één van de eerste VRT-journalisten die meer oog had voor de gewone man dan voor de doorslagjes van politiek en onderneming. Opvoeding was zijn graal, in de tijd dat volksverheffing nog geen besmuikt woord in de ogen van managers was geworden. Hij begon als vanzelfsprekend bij de schooltelevisie, om later als “volwaardig” journalist bij de nieuwsdienst aan de slag te gaan. Tussendoor maakte hij een reeks natuurprogramma’s, niet voor niets zat hij in de Natuurpuntafdeling van Sint-Pieters-Leeuw. Wij hadden geanimeerde gesprekken, steevast over zijn andere hobby, jeugdliteratuur, en over wat er zoal misliep op de VRT. Veel dus. Vertellen kon hij als niet een, altijd verwonderd opgewonden, altijd gedreven, altijd met milde spot. Ik heb nooit geweten dat hij een eerste zwarte dan karate had behaald in Straatsburg (1994) – maar best ook, mochten we ooit in onmin zijn geraakt. Maar Walter wist zich perfect te beheersen in zijn engagementen, met altijd één doel voor ogen: de mens, de kinderen, de collega’s beter maken. Hij stichtte mee het Budo Research Centrum in 1987, maar werd ook voorzitter van de persklub in Halle, en in zijn nadagen leverde hij toeristische reportages voor Kleo. Engagement bleek ook in de keuze van zijn thema’s voor jeugdromans. De beklijvendste zijn ongetwijfeld: Wij zijn nooit Kind geweest (2006), een bundeling zeer menselijke getuigenissen (van o.m. Mark Eyskens, Jos Ghysen, Fred Erdman en Jos Verstylen) over hoe het was om op te groeien in de oorlog, hun kleine oorlog; Bang in Beiroet (1989); Over de Kilimanjaro en De Parkwachter vertelt over een Wildpark in Afrika, beide uit 1991; en De Berberfluit (1993). Walter was zijn eigen zeloot, en zijn eigen leerdichter. Niets was hem te min, ook geen kroniekjes in amateurblaadjes. Op 29 oktober jl. is hij uitgeleide gedaan in Buizingen. In een kerk, maar zonder kerkelijke plechtigheid. Het tekent een man die zichzelf gaf aan een unieke opdracht: met anderen dialogeren. Ook toen hij zijn vrouw verloor. Ik besef dat hij nooit is weggeweest. Ook al is hij niet meer.

Lukas DE VOS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
1 février 2015 7 01 /02 /février /2015 16:09

 

Vanaf heden vindt u in deze Mededelingen met enige regelmaat De Passage, een rubriek van onze nieuwe medewerker Peter De Voecht.

peter-de-voecht-ua-kopie-copie-1.jpg

Peter De Voecht (° 1982) is redacteur van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift. Hij promoveerde aan de Universiteit Antwerpen op een proefschrift getiteld The Other City: The Fictionalized New York in Paul Auster’s The New York Trilogy and Steven Millhauser’s Martin Dressler. Desondanks is hij best gezellig.
Eerder publiceerde hij in Samplekanon, Revolver, Nynade, Muziek en Woord, en Gierik & NVT. Dit voorjaar verschijnt zijn debuutroman Slachtvlinders   bij uitgeverij In de Knipscheer.

Miller---Sexus.jpg

 

Een goeie literaire passage is een doorgang naar zoveel meer. Berustend op niets dan vrije associatie en goesting, zijn dit speelsels van extrapolatie. Een leesdagboek, maar dan in fragmenten. Deze keer – niet voor de laatste keer – Sexus van Henry Miller.

 

To write, I meditated, must be an act devoid of will. The word, like the deep ocean current, has to float to the surface of its own impulse. A child has no need to write, he is innocent. A man writes to throw off the poison which he has accumulated because of his false way of life. He is trying to recapture his innocence, yet all he succeeds in doing (by writing) is to inoculate the world with a virus of his disillusionment. No man would set a word down on paper if he had the courage to live out what he believed in. His inspiration is deflected at the source. If it is a world of truth, beauty and magic that he desires to create, why does he put millions of words between himself and the reality of that world? (…) The truly great writer does not want to write: he wants the world to be a place in which he can live the life of the imagination.”

 

Ik schrijf over een schrijfsel over schrijven. Het is een beeld van een beeld en tegelijkertijd heel dicht bij de werkelijkheid. Het is dat verband waar ik het in deze passages vaak over zal hebben. Hoe alles wat geschreven, werkelijk is. Hoe werkelijk alles is, wat geschreven is.

 

We dromen in onze woorden met open ogen, want anders kunnen we niet lezen. Een bekentenis: de realiteit en ik zijn niet altijd beste vrienden. Via de tussenwand van het woord kom ik al een heel eind verder. “Tell all the truth but tell it slant,” dicteerde Emily Dickinson.

 

Henry Miller heeft met Sexus eind jaren ’40 de nodige schandalen veroorzaakt vanwege de vele plastische seksscènes. Vaak wordt daardoor voorbijgegaan aan passages zoals deze. Op een manier worden dit soort meditaties over waarachtigheid dus verborgen achter de nood tot een authentieke weergave van (seksuele) beleving. Woorden worden middel tot, en barrière tussen de wereld van ‘truth, beauty and magic’ en het zelf van de auteur.

 

In deze passage wordt ook de onschuld aangehaald die de schrijver opnieuw wil vangen. Maar wat is onschuld, hoe schrijf je als schrijver nog onschuldig? Tegen de leeftijd dat je kan schrijven, is je blanke leegte al beklad. Literair scheppen wordt zo een erg dubbel proces: enerzijds maakt elke schrijver zich schuldig aan het verzuimen van de werkelijkheid, en anderzijds levert elk schrijven een perspectief op, dat, in sommige gevallen, je kan helpen met nieuwe ogen te kijken, die je doen herinneren aan hoe je vroeger keek.

 

Nogmaals Dickinson: “The truth must dazzle gradually / Or every man be blind—” Elk afzonderlijk woord – ook elk woord dat er niet  staat – wordt zo een trede om de waarheid gradueel te bestijgen. Die waarheid is dan misschien wel die blanke, onbeschreven onschuld. Of hoe woord medium en ruis is, werktuig en hindernis. En zo wordt het hier beschreven schrijven geboren uit frustratie, uit onvrede met een werkelijkheid die zo illusoir is dat ze ontmaskerd dient te worden, en dat liefst via het zo authentiek en eerlijk mogelijk schrijven.

 

Dat wordt extra interessant in een boek dat verondersteld wordt grotendeels autobiografisch te zijn. Schrijf over wat je kent, wordt vaak aangeraden. Maar wat met het schrijven over wat enkel in je eigen hoofd zit – hetgeen je zou willen  zien in plaats van wat je ziet? De utopie die als gevolg van die wil ligt blijft meestal onbeschreven; de drang die aan de basis voor die wil ligt daarentegen wordt maar al te veel – en ongewild – neergepend.

 

Er valt nog veel meer over te zeggen. Daarom: meer volgt.

 

P.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
31 janvier 2015 6 31 /01 /janvier /2015 14:52

 

StijnMeuris.jpg

Dat was de kreet van Stijn Meuris (° 1964), toen op 13 januari enkele pubers lieten zien dat ze zijn conference over de sterren maar niks vonden. Op de voorste rij zaten ze nog wel, die brutale loeders, die ostentatief begonnen te geeuwen en met hun smartphones te spelen. En dat kon de sterrenplukker niet hebben. De (ex-)leader van Noordkaap en Monza is het niet gewoon gegispt te worden, zie je.

Het gebeurde in Maaseik. In de school van Sint-Jansberg. Stijn had wel beter moeten weten.Niet iedereen deelt zijn liefde voor de sterren. Zeker 16-jarigen van het Buitengewoon Secundair Onderwijs val je niet lastig met Pluto en Neptunus. Een BuSO-school is "bestemd voor moeilijk lerende jongeren die via bijzondere pedagogische en didactische aanpak in kleine klasgroepen worden opgeleid tot vaklui die in staat zijn in het gewoon arbeidscircuit te kunnen functioneren", zo staat het in de folder. 'Bijzondere pedagogische en didactische aanpak', jawel. Tegen dat publiek had Stijn het over lichtjaren en parameters en virtualiteit. Moet je maar doen, dan rijd je jezelf sowieso vast in de modder. En 'kleine klasgroepen', dat staat er ook. Maar om heel andere dan didactische redenen had de directie van Sint-Jansberg het cultuurcentrum volgepropt met 250 leerlingen. Stijn wist al op voorhand dat het geen makkelijke voorstelling zou worden, maar hij zette door. Hij hees zich in zijn astronautenoutfit en begon eraan. Ondanks de smartphones en iPods. Helaas, het ging van kwaad naar erger, en toen een jongedame vlakaf zei dat ze het "maar niks" vond, barstte de klomp. Nou, zei Stijn tegen de zaal, "deze dame gaat uitleggen waarom ze het helemaal niks vindt". En toen de verklaring uitbleef, voegde hij eraan toe dat ze mocht vertrekken. Wat de kosmonaut volgens de directeur van de school deed met de woorden: "Zet dat wijf buiten!"En ja, 'dat wijf' ging en in haar kielzog volgden "enkele" (sic) – zeg maar: 70 – vriendinnen. En dat deed Meuris nogmaals op zijn duim slaan: "Één van de meisjes was aan de zware kant, en ik heb toen iets gezegd wat ik niet had mogen zeggen: ’t Is goed dat jullie gaan, dan hebben de anderen wat meer plaats." Maar het was allemaal "grappig bedoeld", aldus de conferencier-humorist.

"Geef dat kind een tik!"

Tja, die Stijn… Het was niet de eerste keer dat zijn stoppen doorsloegen. Vorig jaar in januari was er ook een incident, op de IC-trein van Hasselt naar Gent. In dezelfde wagon waarin ook Stijn reed, zat ook een moeder wier baby luid aan het huilen was. Een vrouw van vreemde afkomst nog wel. De zanger vroeg haar in het Engels of ze de baby kon laten zwijgen omdat het gekrijs de mensen die op de trein zaten, stoorde. Nou ja, 'vroeg', zo noemde Stijn het. In werkelijkheid ging het er ietwat anders aan toe: "Please let the baby shut up", sneerde hij in het Engels volgens een medereiziger die getuige was van het voorval: "Meuris gebood de vrouw de baby een tik te geven waarop die antwoordde dat hij gek was. Toen begon hij de vrouw uit te dagen en zei hij dat hij er wel voor zou zorgen dat zij binnen het kwartier van de trein zou vliegen. Hij gaf ook commentaar op de babywagen, die in de weg zou staan aan de deuren van de trein. Daarop begon hij uitdagend luidop af te tellen. Zelf werden we met verstomming geslagen toen Meuris iedereen bedankte voor de hulp die hij niet kreeg." Maar daarmee was de kous niet af. Toen de vrouw op Stijns aantijgingen repliceerde dat hij duidelijk zelf geen kinderen had, beet deze haar toe: "Wel, ik ben erg blij dat ik zo geen kind heb". En als kers op de taart, dreigde hij ermee de bijgeroepen treinconducteur te laten ontslaan als hij de vrouw niet van de trein gooide. Waarop de conducteur hem rustig liet weten dat hij maar een klacht moest neerleggen en Meuris ten slotte zélf van de trein stapte… (Waarschijnlijk om op een podium te gaan zingen 'Ik hou van u", het liedje dat hij in 1995 componeerde voor Frank Van Passels film Manneken Pis en dat hij in 2005 voor de viering van 175 jaar België uit de kast mocht halen en tweetalig opblinken tot 'Ik hou van u, Je t'aime, tu sais'.)

Frans DEPEUTER

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
31 janvier 2015 6 31 /01 /janvier /2015 02:08

 

HFJ2010.jpg

Henri-Floris Jespers

Cultureel erfgoed: Fransschrijvende Vlamingen”, zo luidt de titel van de lezing die Henri-Floris Jespers donderdagmiddag hield op uitnodiging van de Seniorenacademie van de KU Leuven in het Antwerpse campus Carolus.

VerhaerenServaes.jpg

Het onderwerp drong zich vanzelf op na de publicatie van Paul Servaes' monumentaal boek Emile Verhaeren. Vlaams dichter voor Europa (Antwerpen, EPO, 2012, 1074 p.)

Verhaeren (1855-1916) was al bij leven een markante figuur in de Europese literatuur. Stéphane Mallarmé, André Gide en Marinetti hebben hun waardering uitgedrukt voor “le poète flamand”. In het Duitse taalgebied werd Stefan Zweig zijn vaandeldrager en biograaf. Raymond Trousson (Université Libre de Bruxelles) onderstreepte in 1981 dat Verhaeren bij geen enkele school hoort maar dat hij ze als voorloper allemaal grondig beïnvloedde. Zijn geestelijke inwerking op de historische avant-garde werd in kaart gebracht door o.m. Dada-kenner Michel Décaudin (Sorbonne) en Cocteau-specialist David Gullentops (Vrije Universiteit Brussel).

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1 augustus 1922 stelde Karel van de Woestijne onomwonden voorop:

Verhaeren behoort U, Fransschrijvende Vlamingen, Fransschrijvende Belgen. Maar hij behoort ook ons, en in geen mindere mate, die in de taal schrijven van het volk dat ons hier omringt.”

Decennia later pleitte Hubert Lampo, voorzitter van de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen), bij herhaling en met nadruk voor het openstellen van het lidmaatschap van de vereniging voor de Fransschrijvende Vlamingen.

*

In 1998 werd de Verhaeren Leerstoel ingehuldigd aan de VUB. De inaugurale rede werd verzorgd door prof. Anne Marie Musschoot (Universiteit Gent), die de verstrengeling van twee culturen in het Belgische fin de siècle belichtte. Verhelderende bijdragen over de wisselwerking tussen Nederlandstalige en Franstalige literatuur werden gepubliceerd door prof. David Gullentops, die bijzondere aandacht aan de dag legde voor Verhaerens opvattingen over multilinguïsme en multiculturalisme.

Het Provinciaal Museum Emile Verhaeren te Sint-Amands herbergt een rijke collectie.

http://www.emileverhaeren.be/indexT1.html

Het Letterenhuis te Antwerpen bewaart een aanzienlijke Verhaeren-collectie, en het 'Salon Emile Verhaeren' wordt bewaard in het Museum Plantin Moretus. De Eekhoud-collectie van het Letterenhuis is onovertroffen en kwam vorig jaar ruim aan bod met een verbluffende dubbeltentoonstelling in samenwerking met de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, waarbij ook een beroep werd gedaan op andere, prestigieuze Europese archieven en bibliotheken.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Niet alleen de Vlaamse overheden hebben er geen probleem mee het Franstalige literaire erfgoed de publieke plaats te geven die het inderdaad verdient, ook in de dominante Vlaamse media komt het aan bod.

En zo hoort het”, aldus Jespers.

Emile-Verhaerenlaan--c-Bert-Bevers-.JPG

Emile Verhaerenlaan, Antwerpen (foto: Bert Bevers)

Spreker verwees niet alleen naar de negentiende eeuwse meesters Charles De Coster, Georges Rodenbach, Maurice Maeterlinck en Max Elskamp, maar ook naar een hele rits auteurs die in de twintigste eeuw debuteerden en hun Vlaamse roots en inspiratie nooit onder stoelen en banken staken, maar wel uitsluitend in het Frans schreven: André Baillon (1875-1932), Franz Hellens (1881-1972), Marie Gevers (1883-1975), Paul Neuhuys (1897-1974), Paul Willems (1912-1997), Guy Vaes (1927-2012), Alain Germoz (1927-2013), Françoise Mallet-Joris (1930), Nicole Verschoore (°1939) en Jan Baetens (°1957).

Ook een hele reeks auteurs die zowel in het Frans als het Nederlands schreven / schrijven (en ook vaak als bruggenbouwers fungeerden / fungeren) debuteerden in de vorige eeuw: Clément Pansaers / Jul Krekel (1885-1922), Jean Ray / John Flanders (1887-1964), Paul-Gustave van Hecke (1887-1967), André de Ridder (1888-1961), Roger Avermaete (1893-1988), Paul van Ostaijen (1896-1928), Rose Gronon (1901-1979), Michel Seuphor (1901-1999), Marc. Eemans (1907-1998), Remy de Muynck / Saint-Rémy (1913-1979), Marie-Jo Gobron (1916-2008), Albert Bontridder (°1921), Jacqueline Ballman (1922-2000), Freddy de Vree (1939-2004), Henri-Floris Jespers (°1944), Jacques de Decker (°1945), Frans De Haes (°1948) en Herman Portocarero (°1952).

Francis Cromphout (°1947) schrijft in het Nederlands en het Spaans – en debuteerde zopas in het Frans met de roman Les plus beaux.

*

Tot slot citeerde spreker een uitspraak van de Antwerpse journalist, dichter, aforist en toneelauteur Alain Germoz (pseudoniem van Alain Avermaete):

Een Fransschrijvende Vlaming in Antwerpen, in Vlaanderen, dat is toch een verdacht anachronisme!

Dat een Vlaming in Parijs of in Amerika carrière maakt in het Frans of het Engels wordt normaal gevonden, ja zelfs toegejuicht. Vlaanderen zendt immers zijn zonen uit – en carnavaleske culturele ambassadeurs, van wie de meesten zich haasten elke Vlaamse culturele identiteit publiek te verloochenen.

Maar dat iemand weigert zomaar met alles te te breken en zich bovendien nog goed voelt in zijn natuurlijke biotoop, dat is bedenkelijk...

Hij zal zich wel voelen als een soort binnenlandse balling. Niets van!

In het dagelijkse leven spreek ik Nederlands en ik ben heel gelukkig wanneer ik 'Antwaarps' kan spreken, de taal die ik met moeder sprak, een smakelijke dialect dat mijn zinnen prikkelt.

Ik geniet van een zekere versplintering van de persoonlijkheid, al bewaar ik een sensibiliteit waarvan vaak blijkt dat ze fundamenteel Vlaams is. Hoe dikwijls had ik geen heftige woordenwisselingen met koppige en niets begrijpende Brusselaars die me voor flamingant uitscholden. En ja, op dàt ogenblik hadden ze nog gelijk ook! Soms moet je je herkomst opeisen, al was het maar om de stommelingen het zwijgen op te leggen en afstand te houden.

Literatuur is geen onderdeel van de geschiedenis: de geschiedenis is een stuk literatuur. Ik leef in en voor de literatuur, en de taal treedt daar slechts als figurant op. Voor sommigen is de taal hun vaderland, voor mij is ze een gewest. Mijn vaderland is dat niet te omschrijven land met een veelheid van talen: de literatuur.”

De druk bijgewoonde lezing werd besloten door een levendige gedachtewisseling tussen publiek en spreker. Tussen de aanwezigen in het auditorium: Simone Delandtsheer, Hugo de Ridder, Dirk Maeyens, Thierry Neuhuys, Dirk Rochtus (die de spreker inleidde) Guy Vande Putte en Emmanuel Van de Putte.

Achteraf vroegen een aantal aanwezigen per mail om een lijst van de door spreker vernoemde Fransschrijvende Vlaamse schrijvers. Vandaar dit kort, zakelijk verslag (met dank aan Henri-Floris Jespers die de aantekeningen voor zijn gesmaakte, geïmproviseerde lezing ter beschikking stelde).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
28 janvier 2015 3 28 /01 /janvier /2015 20:12

 

243blog.jpg

Ook de abonnees op de papieren editie hebben vandaag hun exemplaar gekregen van het eerste nummer van de dertiende jaargang: 36 pagina's, meer dan 23.000 woorden. Niet alleen een lijvige, maar ook gevarieerde aflevering, met bijdragen van Bert Bevers, Joke van den Brandt, Hendrik Carette, Frans Depeuter, Noëlla Elpers, Lukas De Vos, Henri-Floris Jespers, Guido Lauwaert, Hans Mellendijk, Luc Pay en Rose Vandewalle.Illustraties:Jan Scheirs.

Uiteraard krijgen de abonnees exclusief een aantal primeurs: o.m. de grondige bespreking door Rose Vandewalle van Lucienne Stassaerts Souvenirs (met Luc Bouden' roman Op eenzame hoogte een van de markantste boeken van 2014) en een diepgravend interview van Yannick Dangre door Luc Pay).

Een abonnement op de PDF-editie van de Mededelingen kost een luttele 6 € per maand.

Een proefnummer kan aangevraagd worden via hfj@skynet.be

Ondertussen kunt u nog altijd kosteloos www.mededelingen.over-blog.com raadplegen.

Hoelang nog?

243blog2

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
28 janvier 2015 3 28 /01 /janvier /2015 02:06

PeterDremanns

 

"Ze behoren tot een uitstervend ras maar ze bestaan nog: schrijvers voor wie schrijven een raison d'être is. Ze beschouwen literatuur niet als een amusant uitstapje of een opstapje naar DWDD-roem, maar als een duizelingwekkende en riskante rit op de rug van Pegasus. Of die rit nou een sprong naar de sterren is of een reis naar de Helicon, de berg der muzen, in beide gevallen weet de ruiter dat hij slechts met alle kracht van zijn hart en zijn hoofd in het zadel zal blijven."

*

"Het tijdperk van de Pegasusridders is voorbij. Ons paard is vleugellam, uitsluitend nog welkom in het slachthuis. Bang als men is voor de van euro-metaal gesmede guillotine zal niemand nog zijn nek durven uit te steken om dit edele dier te redden. Zijn alom verguisde berijder rest slechts twee mogelijkheden: ten onder gaan in de anonimiteit van het voetvolk of een eervolle harakiri."

(Peter Drehmanns, in NRC.nl-Boeken, 11.09.2013)

 

In zijn autobiografische boek Voer voor psychologen (1960) schreef Harry Mulisch: "Literatuur is geen aanbod op een vraag, het is een aanbod dat de vraag schept." Helaas blijkt deze uitspraak uit het midden van de vorige eeuw vandaag de dag niet meer toepasselijk.

Dat is ook de boodschap die Peter Drehmanns uitdroeg in een paar krantenstukken. We citeren: "De tijden dat literatuur een dominante en even provocerende als richtinggevende rol speelde in de maatschappij zijn allang voorbij. De luis in de pels is een schoothondje geworden." (NRC.nl-Boeken, 11.09.2013) "Wijd en zijd worden auteurs met een respectabel oeuvre respectloos geloosd, met als meest schrijnende voorbeeld PC Hooft-prijswinnaar H.C. ten Berge, die gedwongen is zijn laatste roman in eigen beheer uit te brengen." (DeVolkskrant, 03.12.2012)

Drehmanns weet waarover hij spreekt. Hij heeft zelf bij gerenommeerde uitgeverijen een tiental romans gepubliceerd, die een overwegend goede pers kregen maar beslist niet tot het populaire leesvoer behoren. Zijn proza wordt wel eens vergeleken met dat van Michel Houellebecq, W.F. Hermans en Jeroen Brouwers, en dat wil toch wat zeggen. In tegenstelling met deze goedlopende auteurs werden Drehmanns' romans echter absoluut geen sellers. En het gevolg laat zich raden: nadat de uitgave van zijn De schrijver en zijn meisjes bij Querido slechts met de hakken over de sloot geraakte en "dramatische verkoopcijfers kende" (sic de auteur zelf), moest hij alweer op zoek naar een andere uitgever. Van een leien dakje liep dat nochtans niet, zegt Drehmanns in zijn artikel 'Schrijvers die niet gaan voor DWDD-roem1worden liever geloosd' (De Volkskrant, 03.12.2012): "De poorten van zowel de gevestigde als de meer avontuurlijke uitgeefhuizen waar ik aanklopte, bleven gesloten. Er waren uitgeverijen die mijn manuscript omstandig prezen, maar die het gezien 'de stagnerende markt' niet aandurfden met mij in zee te gaan. Ook bleken er uitgeverijen te zijn die niet eens de moeite wilden nemen mijn manuscript te lezen omdat het 'bedrijfseconomisch gezien zeer onverstandig' zou zijn een nieuwe Drehmanns te offreren."

In dat zelfde artikel schiet Drehmanns met scherp op de geestelijke nivellering, waarbij de uitgevers zich niet meer laten leiden door de kwaliteit van een boek maar haast uitsluitend door de verkoopcijfers: "Romans die literair gezien meer voorstellen dan het zoveelste schrijfsel van een BN'er of een als autobiografische 'shock novel' aangekondigd debuutromannetje (zoals Ik ben Maanvan mijn 26-jarige echtgenote), kunnen niet langer worden uitgegeven vanwege de auteursnaam die eraan verbonden is. () Men gaat slechts nog voor het snelle geld en voor volslagen risicoloze ondernemingen - ongemakkelijke boeken van allerminst sexy auteurs zijn niet langer welkom."

[Ik ben maan  is de debuutroman van Maan Leo, de echtgenote van Peter Drehmanns. Het boek, een soort van Vijftig tinten grijs, is provocatieve literaire half-porno over een biseksueel meisje, dat Maan heet, met als meest opvallende attributen een indrukwekkend borstvolume (cupmaat 65J) en een op maat gesneden fetisjistische outfit met SM-toebehoren. De fysieke overeenkomsten van het Maan-personage en de Maan-auteur bracht Arjan Peters ertoe te schrijven: "Met volle borsten en een leeg hoofd kun je nog ver komen. Dat laat de Zeeuwse met de absintkleurige ogen en de onwaarschijnlijke naam Maan Leo (1986) zien in haar romans Ik ben Maan (2012) en het recente Huwelijkse voorwaarden (2014). 'Zoals gezegd heb ik helemaal niets te zeggen', stelt ze niet ongeestig, en haar debuut van twee jaar geleden noemt ze nu 'een en al vorm, omdat de vent niet thuis gaf'." (De Volkskrant, 29.11. 2014)]

In een ander artikel, 'Stop de vertrutting. De Nederlandse literatuur moet weer smoel krijgen', gaat Drehmanns verder de verontwaardigde toer op: "Keurig ingekapseld in de amusementsindustrie manifesteert de literatuur zich tegenwoordig, het wemelt van de onschadelijke schrijvertjes die dienen als stoffering van lifestyle-magazines of tv-programma’s die iets met cultuur doen. Ook op trendy literatuurfeestjes als Achievers on Stage en Literaturfest mag de literatuur de catwalk op om haar geile rondingen te tonen. Getapte jongens als Toine Donk2houden leessessies in een badkuip en het enthousiasme van het publiek wordt aangezwengeld door drankspelletjes en geinige quizjes: LOL." (NRC.nl-Boeken, 11.09.2013)

Of het in Vlaanderen ook zo'n dramatische vaart loopt, laten we over aan het oordeel van de lezer, maar dat ook hier de molm in het uitgeversbedrijf zit, is een feit. We zouden ze niet aan de dis willen, de 'serieuze' auteurs die geen uitgever meer vinden. Nu dient ook gezegd dat het heir van schrijvenden onoverzichtelijk is geworden. Was het dertig, veertig, vijftig jaar geleden anders? ik weet het niet, maar toen bleef alleszins het gros van de schrijfsels in de lade liggen. Vandaag loopt het schrijvend volkje, en vooral de dichters en thrillerschrijvers, elkaar voor de voeten. Zowat iedereen zit op het klavier te trommelen en dat is goed, dat is beter dan naar de 6927e aflevering van The Bold And The Beautiful liggen te zien, maar ook wil zowat elke trommelaar al dat getrommel in de openbaarheid brengen, waardoor het internet gaat bulken van onbenulligheden.

Daarbij komt dat een literair auteur, zelfs indien hij/zij met barnumreclame op de markt wordt gestuwd, niet kan optornen tegen de BV's (voor Nederland: BN's) wier namen en gezichten niet uit de ether weg te denken zijn. Koks, politici, zangers/zangeressen, sporters, feuilleton- en filmvedetten, topadvocaten, audiovisuele omroep(st)ers, beautyqueens, presentatoren en -trices, quizmasters, seksuologen (m/v, maar toch vooral v), stand-upcomedians, het wil allemaal met zijn/haar zelf gelegde of door een ghostwriter gepoepte ei in de etalage liggen. De Dag-Allemaalisering neemt zienderogen toe. En dat beseffen ook de handigste literaire auteurs, die wat graag (zouden willen) inspelen op die trend en hun uiterste best doen om in de kongsi van BV's/BN's te worden opgenomen. Om aan die 'verbrusselmansing' het hoofd te bieden, is heus méér vereist dan een degelijke pen.

Een derde aspect van de malaise in de uitgeverswereld, is dat het allemaal vooruit moet gaan. Er moet tempo inzitten, er moet vaart gezet worden. Een boek van een jaar oud heeft afgedaan. Waar het vroeger zes, zeven jaar in het uitgeversfonds en de boekhandels aanwezig bleef, daar moet het nu, op een zeldzame uitzondering na, in enkele maanden tijds bewezen hebben dat het een verkoopsucces wordt, zoniet wordt het genadeloos verramsjt. Rendement is het sleutelwoord. Slapend kapitaal is verlieslatend kapitaal. Zoals in het tv-landschap de kijkcijfers doorslaggevend zijn, zo geven de verkoopcijfers de maat aan in het uitgeversbeleid3. Of, met de woorden van Peter Drehmanns: "Het literaire hart van de hedendaagse uitgever wordt ondermijnd door zijn bedrijfseconomische brein".

Datgene wat Drehmanns en Ten Berge meemaken, mag als exemplarisch gelden voor wat gaande is in letterenland. Wié editeert, koopt, leest nog een roman van Claude van de Berge? Waar zijn de schitterende boeken van Paul de Wispelaere gebleven? Welk medium besteedt nog aandacht aan Willy Spillebeen of Hedwig Speliers? Hoeveel regels worden nog besteed aan een werk van Fernand Auwera? Wie vraagt nog naar Piet Van Aken, Ivo Michiels, Simon Vestdijk, Hugo Raes, Marnix Gijsen, Mireille Cottenjé, Arthur van Schendel, Gerard Walschap, Jan Wolkers, Daniël Robberechts, Marcellus Emants, Cyriel Buysse, Louis Couperus, Jan Siebelink, Johan Daisne, Hubert Lampo, Anna Blaman, Ward Ruyslinck, Theun de Vries…?

Ja, op den duur zou een mens zich nog gaan afvragen waarom al die lettermeiden en -knechten eigenlijk geschreven hebben? Rekenden zij soms op een eeuwige verblijfsvergunning in het walhalla van de literatuur? Of waren ijdelheid en financiële baat dan toch de enige motieven?

Frans DEPEUTER

 

P.S. De enige mogelijkheid om een niet-commercieel boek uit te (laten) geven is dat de uitgever met een flinke subsidie bedacht wordt door het Fonds voor de Letteren, maar ook daarvoor blijkt de naam van de auteur vaak doorslaggevend. Gelukkig viel Peter Drehmanns bij het toekennen van de projectsubsidies 2014 in de gunst van de jury die hem honoreerde voor zijn nieuwe boek, De brand in alles, dat net als zijn vorige, De man die brak (2013), bij de uitgeverij Marmer zal verschijnen in het voorjaar van 2015.

1DWDD staat voor 'De wereld draait door', het populaire televisieprogramma van de VARA dat wordt gepresenteerd door Matthijs van Nieuwkerk en een mengeling is van nieuws, informatie en amusement.

2Oprichter van Das Magazin, "literair tijdschrift voor prille zielen" en recensent bij Literaturfest, "literatuurkritiek niet gehinderd door enige kennis van zaken".

3De commercialisering van het uitgeversbedrijf is niet volkomen nieuw. Één voorbeeld slechts: in 1987 presenteerde ik het manuscript van mijn lijvige, door de KNTL bekroonde studie over Paul Snoek, De zwarte doos van Icarus, aan enkele uitgeverijen, waaronder Hadewijch. De toenmalige directeur, Julien Weverbergh, liet me in een vriendelijk briefje weten dat hij, hoewel "met ontzag vervuld", het werk niet kon uitgeven om markteconomische redenen. Waarmee ik alleen maar wil zeggen dat er ook voor een uitgever een financiële grens is: een uitgeverij is hoe dan ook een bedrijf en geen liefdadigheidsinstelling.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
26 janvier 2015 1 26 /01 /janvier /2015 23:03

 

Doel.jpg

 

Een oud Doels liedeken

 

Volgevreten vlecht Bansky’s rat zich nog langs uwen muren.

In uwen schemerige stede waarin gij ooit aanwezig waart,

werd elk woord zo week, elke zin onmondig.

 

Op het arduin voor elke deur, op elke afgesleten trede

waakt nog een verleden op enen afgematte wenteltrap

naar uwen zolder dode dromen.

 

In mijmerende spinnenwebben aan deuren zonder slot hangen

draden die herinneren, aan ramen uit hun hengsels gelicht,

aan stille slierten het gemis.

 

Zich mateloos meester telt den tijd uw klagende slagen op zijnen klok.

Beklemd leg ik mijn hoofd in uwen schoot, in mijnen handen

het gejut, gebroken brood aangespoeld op uwen wakken oever.

 

Frank DE VOS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
26 janvier 2015 1 26 /01 /janvier /2015 17:54

 

Kopie-van-HFJ.jpg

Henri-Floris Jespers

KU Leuven Seniorenacademie deelt graag haar expertise en deskundigheid binnen tal van vakgebieden.

De eerstvolgende voordracht vindt plaats op donderdag 29 januari.

Henri-Floris Jespers behandelt het thema “Cultureel erfgoed: Fransschrijvende Vlamingen”.

Campus Carolus, Korte Nieuwstraat 33, 2000 Antwerpen.

Van 14.30 tot 17 uur.

Ticket: 10 €.

Graag inschrijven bij mevrouw Simone De Landtsheer:

simone.delandtsheer@kuleuven.be 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche