Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
27 mai 2011 5 27 /05 /mai /2011 03:44

 

Zo ga je niet met een literaire erfenis om. De media-aandacht voor het boek De Wolken, met als hoogtepunt een heiligverklaring in Ter Zake, gevolgd door het lezen van het boek, dat als ondertitel Uit de geheime laden van Hugo Claus heeft, liggen aan de basis van de openingszin.

Vooreerst: geheime laden heeft Hugo nooit gehad. Dat ze in de onderste lade lagen wil niet zeggen dat het etiket ‘geheim’ erop geplakt moet worden. Bovendien, zoals elke goede lezer weet, lopen schrijvers altijd met een boekje op zak, of anders ligt het wel naast hun bed. Dat geldt overigens niet enkel voor schrijvers maar voor alle kunstenaars van oorspronkelijk werk. Ideeën kunnen goddelijk zijn, de start van een meesterwerk, maar het geheugen is zwak. Dus, noteren maar.

Vervolgens: houd het boek tegen het licht en je ziet direct dan men uiterst onzorgvuldig te werk is gegaan met de literaire erfenis van Claus. ‘Ze’ zijn Veerle De Wit, weduwe, en Mark Schaevers, eindverantwoordelijke. De nadruk in beeld en geschrift wordt gelegd op het privé-leven van Hugo Claus, waar hij zelf altijd terughoudend over is geweest. Handenwassend zal de Weduwe zeggen dat Claus op smalende wijze over zijn dagboeken en cahiers sprak. Wat hem betreft mochten ze na zijn dood verbrand of op de markt gegooid worden. Die uitspraak geeft echter geen recht om een van beide ook te doen. Uitspraken van kunstenaars zijn gevaarlijk. Elke wolk verbergt een andere wolk. En soms moet een wens van een kunstenaar genegeerd worden, omdat men niet zeker weet wat de diepere oorzaak van de uitspraak is. Had Max Brod de wilsbeschikking van Franz Kafka gevolgd en al zijn brieven, notities, verhalen en romans vernietigd, dan zouden wij, lezers, verstoken zijn gebleven van het meeste en het beste werk van een van de vijf grootste auteurs van de twintigste eeuw. Max Brod besefte echter dat Kafka een uitzonderlijk begaafd auteur was. Jacques De Visscher in zijn boekje Franz Kafka – De tragiek van een bestaan (1991) verklaart de beslissing van Max Brod als volgt: ‘Inzake kunst telt immers uiteindelijk niet de persoonlijkheid van de kunstenaar als mens, maar wel de uitwerking van het oeuvre in de geschiedenis.’

Het meest kwaadaardige aan het boek, het is er nu eenmaal dus niet ergeren – enkel diep in- en uitademen, is dat het losse flodders zijn uit de cahiers en dagboeken, uit hun verband gerukte notities over intieme ervaringen met vrienden/vriendinnen, van het soort waar bladen als Story vol mee staan. Dat de notities niet nader worden toegelicht maakt de zaak nog erger. Dit geldt niet alleen voor de notities over de vriendenkring, maar ook die over zijn werk. Het publiceren van twee bladzijden aantekeningen in telegramstijl over De verwondering (1962), een moeilijk toegankelijke roman die Claus als een van zijn beste boeken beschouwde, is alleen zinvol als het verband tussen die aantekeningen en de roman nader wordt verklaard. Dat zou zeer verhelderend geweest kunnen zijn. De opname van dit item, en enkele andere uit dezelfde literaire geheugenkamer is een schijnbeweging. De indruk dat De Wolken enkel een roddelboek is waar de Weduwe garen bij spint, moest vermeden worden.

De notities werden roddeltjes omdat ze welgekozen zijn. Wie enigszins vertrouwd is met de entourage van de Weduwe, ziet dat de notities vrienden en vriendinnen eerder vernederen dan ophemelen. Roel D’Haese, Pjeroo Roobjee, Robert De Smet, Sylvia Kristel, Freddy de Vree, Guy Verhofstadt, Kitty Courbois. Zelfs Willem Elsschot via Kaas krijgt een sneer. Eén voorbeeld, over een klusje dat Claus voor Chris Yperman deed:

Twee aantekeningen gemaakt bij het manuscript van Chris. In vroegere, beschaafdere tijden, zou de schrijver voor wie men dit deed, minstens je werk erkennen, even telefoneren of schrijven, of iets daarover zeggen.’

De algemene indruk die je overhoudt, eenmaal het boek in zijn geheel te hebben geconsumeerd, is dat vanuit een vernedering van Claus’ vrienden is gestreefd naar een vergoddelijking van de Weduwe. Naar het einde toe komt zij als de redder te voorschijn, de jarenlang gezochte en goddank gevonden geliefde. De vele foto’s van Hugo en de binnenste vriendenkring, kort voor het eind van het boek, laten hierover geen twijfel bestaan. Ze zijn door de weduwe gemaakt of de weduwe staat pront vooraan naast de Meester. De huwelijksfoto van de Meester en de Weduwe mocht natuurlijk niet ontbreken, net als die van de balkonscène. De zaligheid straalt van het gezicht van de Weduwe: de buit is binnen. Voor de buitenstaander een normale gelukkig koppel, maar voor wie beter weet, wist op dat Claus enkel getrouwd was omdat zij de perfecte boekhouder was. Dat de Weduwe zou uitgroeien tot een kampcommandant had hij niet voorzien. Maar het was te laat. De leeftijd liet niet meer toe dat hij naar de oude gewoonten terugkeerde.

Het ontbreken van een personenregister is een uitgeversfout van de eerste orde. Of is het opzettelijk weggelaten? Zodat de kenner niet meteen doorheeft wie aan het kruis genageld wordt. Wie er niet in staat mag zich in de troonzaal weten of durfde de Weduwe en haar handlanger niet kruisigen omdat ze nog in leven zijn en de hoogste waardering genieten in de Vlaamse kunstwereld, zoals Jan Decleir.

Dat knipselboeken verschijnen gebeurt meer. Maar ze verschijnen wanneer vertrokken is vanuit een grote eerbied voor de kunstenaar, nadat een biografie is verschenen. Dat is wat betreft De Wolken niet het geval.

De beeldkwaliteit, een punt waarop Claus veeleisend was, toont tot slot aan dat dit boek een vluggertje is. Zeer begrijpelijk wat de Weduwe betreft, die haar kasboek dagelijks bijhoudt, maar wat bezielde in godsnaam De Bezige Bij?

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
20 mai 2011 5 20 /05 /mai /2011 22:45

 

Londen.jpg

'When a man is tired of London he is tired of life; for there is in London all that life can afford.' [Samuel Johnson in Boswell's Life, Sept. 20, 1777].

Londen staat centraal in de jongste aflevering van het maandblad Lire. Het hoofdartikel van François Busnel bulkt van de nietszeggende gemeenplaatsen.

Londres est le siège d'une monarchie. Et les Anglais restent, ne l'oublions jamais, très majoritairement attachés à ce qui nous apparaît, à nous autres enfants de la République française, comme un aimable folklore.

De Britse monarchie als aardige folklore... Scherp gezien van een kind van de Republiek waarin presidenten zich als absolute monarchen gedragen – geen folklore, o neen, ook niet bepaald aardig, gewoon keikarde realiteit. Dit even terzijde.

*

De lezer wordt meteen op sleeptouw genomen. Londen wordt bezocht en in zijn diversiteit in kaart gebracht met als leidraad romans van William Boyd, Ian McEwan, Jonathan Coe, Zadie Smith, Maggie O'Farrell, Rachel Cusk, Hanif Kureishi, Martin Amis, J.G.Ballard en Monica Ali. Zonder veel innoverende verbeelding wordt de wandelaar een aantal haltes aanbevolen: Waterstone's, St Martin's Theatre, Ye Olde Cheshire Cheese en Rules. Even conventioneel, maar wel boeiender gaat Tristan Salvin even in op enkele Engelse schrijvers die Londen tot een literaire mythe hebben verheven. Hij staat ook stil bij enkele 'Froggies' die iets met Londen hadden. Alexandre Fillon brengt het verslag van een bezoek aan William Boyd in Chelsea. In een uitvoerig gesprek met Julien Bisson onderstreept Hanif Kureishi: 'On ne s'inquiète pour son identité que si on l'estime menacée'.

Wie Londen en de Engelse literatuur al was het maar oppervlakkig kent, zal alleszins niet voor verrassingen komen te staan. Dat belet niet dat Lire, zichzelf getrouw, alleszins een good readblijft.

VaesLabyrinthe.jpgJorge Luis Borges typeerde Londen als een gebroken labyrint, een labyrint in scherven. Na mijn eerste bezoek aan Londen, in 1963, verscheen het beklijvende boek van Guy Vaes (°1927), Londres ou Le labyrinthe brisé, dat ik recenseerde in Le Courrier d'Anvers('Guy Vaes ou les mystères de Londres', 30 januari 1964). In 1970 stelde ik het bijzondere nummer van De Tafelrondeover Guy Vaes samen waar, naast bijdragen van o.m. Julio Cortázar, Hubert Lampo, Luc Norin en Pascal Pia, een opstel van Paul de Vree over Vaes als fotograaf opgenomen werd. In 1978 verscheen dan Vaes' in alle opzichten gedenkwaardig fotoboek Les cimetières deLondres.

LondresVAES-copie-1.jpgDe burgerlijke praal en pracht der Londense begraafplaatsen mag niet afgewezen worden met dooddoeners van slecht allooi. Het gaat in de eerste plaats om een teken van verrukkelijke opstandigheid tegen het meedogenloze voortschrijden van de tijd. De sfeer van heimelijkheid warmee thans de dood wordt omhuld is duidelijk verbonden met het uiteindelijke gebrek aan respect voor de menselijke persoon en waardigheid. Vaker dan ooit sterft mensen alléén, in de anonimiteit van ziekenhuizen en homes, tussen de koele glinstering van chroom en het bittere eerste smaken van een narcose.

*

Sinds ik doordrongen ben van Guy Vaes' beklijvende boeken over Londen, weet ik dat de stad een metafoor is, en dat begraafplaatsen best ervaren worden als metaforen van de stad.

'There is in London all that life can afford', juist, de dood incluis. De stad niet alleen als dwingende metafoor, maar ook als verdroomde necropool.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
17 mai 2011 2 17 /05 /mai /2011 13:56

 

VVLjaarboek.jpg

De meer dan prettige lectuur van de jongste bijdrage van Bert Bevers bracht mij onder meer in herinnering dat ik een exemplaar bewaar van het Jaarboek 1925 der Vlaamsche Vereeniging van Letterkundigen, mij zowat vijftien jaar geleden geschonken door bibliografe en VVL-secretaris Hilda van Assche (1922-2009). Ze drukte mij vaak op het hart dat de bibliograaf (waar vaak wat meewarig op neergekeken wordt) een rusteloze detective is waar andere literaire vorsers met meer pretentie een voorbeeld aan kunnen nemen.

In 1925 telde de VVL een klein honderdtal leden, waarvan zes dames. Victor de Meijere (wiens schitterend portret door Floris Jespers bewaard wordt in het AMVC-Letterenhuis) en Frans van Cauwelaert waren toen nog geen buren. De Meijere woonde al in de Lange Lozanastraat op nummer 148, maar Frans van Cauwelaert betrok nog een pand in de Rosier, nummer 16.

Van Bert Bevers vernam ik dat in de Schermersstraat (op geen vijf minuten loopafstand van huize Van Cauwelaert) Louis Franck en Nico Gunzburg in 1935 dicht bij elkaar woonden. Voor de vernederlandsing van het gehele onderwijs vormden in 1913 de katholiek Van Cauwelaert, de liberaal Franck en de socialist Huysmans front – de 'drie kraaiende hanen' werden een begrip in de Vlaamse beweging. Net als Franck speelde Nico Gunzburg een belangrijke rol in de vernederlandsing van het rechtswezen.

*

Laat mij even in gedachten verdwalen in de buurt van de Schermersstraat. Op de hoek, in een statige herenwoning aan de Louizastraat, werden de feestelijke recepties van Albin en Emma Lambotte opgeluisterd door de aanwezigheid van James Ensor, Max Elskamp, Jacques d'Adelsward Fersen en Laurent Tailhade. Emma Lambotte, wier verzen geapprecieerd werden door Apollinaire, was een militante wallingante, voorzitster van de Union des Femmes de Wallonie. Dat belette helemaal niet dat ze bevriend was met de flamingant Louis Franck.

Op drie minuten loopafstand, in de Kapucinessenstraat, woonde Sophia Dupray, de dichteres die bij Ça ira (de eenmansuitgeverij van Paul Neuyhuys) publiceerde en Alice Nahon en Stijn Streuvels naar het Frans vertaalde. Ze was af en toe te zien op premières van Studio Herman Teirlinck aan het Mechelseplein, op enkele minuten lopen van haar woning. In de Kapucinessenstraat hebben ook Wilfried Adams en Dimitry Pas gewoond.

*

Terug naar af. In het Jaarboek 1925 der Vlaamsche Vereeniging van Letterkundigen wordt Paul van Ostaijen (met upsilon...), wonende Albertstraat 44, als lid van de VVL vermeld. In het woord vooraf van secretaris Paul Kenis wordt hij bovendien uitdrukkelijk vermeld als lid van de door de algemene vergadering aangestelde commissie, gelast met de reorganisatie van de VVL. Wijlen mijn vriend dr. Emiel Willekens, ere-voorzitter van de VVL, heeft daar echter terecht heel wat vraagtekens bij geplaatst (zie: Schrijvenderwijs, 1982, pp. 157-168).

Bewijs eens te meer hoezeer ook schijnbaar onberispelijke bronnen kritisch benaderd moeten worden.

HFJ

VVL2.jpgEmiel WILLEKENS en Bert DECORTE, Schrijvenderwijs. Vijfenzeventig jaar Vereniging van Vlaamse Letterkundigen 1907-1982, Antwerpen, VVL/Soethoudt, 1982, 322 p.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
16 mai 2011 1 16 /05 /mai /2011 18:06

Kwam, op zoek naar iets geheel anders, in Het Letterenhuis een adressenlijst tegen van leden van de Vlaamse Vereeniging van Letterkundigen, uit 1935. Toentertijd waren er 170 schrijvers en schrijfsters lid van de vereniging. Daarvan woonden er 54 in Antwerpen (overigens waren slechts vier ervan dames).

De Lemméstraat, waar Elsschot en Walschap woonden

De Lemméstraat

Alfons De Ridder, beter in de herinnering voortlevend als Willem Elsschot, en Gerard Walschap waren bijna buren. Het is geweten dat ze amper contact hadden maar ze woonden lange tijd allebei in de Lemméstraat: De Ridder op nummer 19, Walschap aan de overkant op nummer 12.

Bestudering van de adressenlijst leerde me dat er in 1935 nog méér letterkundigen buren van elkaar waren, al dragen ze minder beroemde namen dan de Lemméstraatgenoten. Zo woonde Eugeen De Bock destijds in de Kruishofstraat 223, terwijl op nummer 239 in dezelfde straat een ander VVL-lid, Piet Van Assche, domicilie had.

Ook in de Volhardingstraat waren in 1935 twee leden van de VVL gehuisvest, en dat waren échte buren: Ger Schmook woonde er op nummer 70, en Alfons Van Hoof op nummer 72.

In-1935-woonde-Frans-Van-Cauwelaert-aan-de-Lange-Lozanastra.JPGIn 1935 woonde Frans van Cauwelaert aan de Lange Lozanastraat 244 (Foto Bert Bevers)

De literaire straatgenoten woonden allemaal redelijk op stand. Zo hadden Victor De Meijere en Frans Van Cauwelaert hun oog laten vallen op een huis in de Lange Lozanastraat, respectievelijk de nummers 148 en 244.

Ook in de Vincentiusstraat kon je driekwart eeuw geleden aanbellen bij twéé VVL-leden: Frans Smits woonde er op nummer 22, en Hendrik Van Tichelen op nummer 67.

In de Schermersstraat woonden eveneens twee letterkundigen dicht bij elkaar: op nummer 39 Louis Franck, en daar schuin tegenover op nummer 40 Nico Gunzburg.

Louis-Franck-woonde-Schermersstraat-39--het-roze-pand-derde.JPGLouis Franck woonde op nummer 39 (het roze pand derde van rechts aan de linkerkant, Nico Gunzburg op nummer 40 (het huis rechts).

De grootste concentratie was echter te vinden aan de Markgravelei. Daar woonde in 1935 August Van Cauwelaert (Frans' jongere broer) op nummer 181. Hij wist daar twee literaire mejuffrouwen in zijn nabijheid: op nummer 168 verbleef Louisa Duykers, en op nummer 186 Marie-Elisabeth Belpaire.

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
14 mai 2011 6 14 /05 /mai /2011 01:24

Jef-copie-1.jpg

Jef Meert (uitreiking van de Herman J.Claeys-prijs, 12 mei 2011)

In het jaar 1969, één jaar na de mei-revolte en vijf jaar na Provo, organiseerde een stelletje nitwits uit Grobbendonk en omstreken, verenigd in het door henzelf als 'polemisch' ondertitelde blaadje Heibel (je verzint het toch niet), een manifestatie in het Kursaal van Oostende onder de door henzelf bedachte slogan 'Gebalde vuisten in het Kursaal' een manifestatie van wat toen 'protestdichters' heetten. Ikzelf, als meer in beslag genomen dan gepubliceerde jonge dichter, was er samen met Herman J. Claeys ook te gast. We spraken af dit kleffe gedoe niet zomaar te laten gebeuren, namen met nog enkele kompanen na vijf minuten inleidend gelul van de organisatoren, de micro’s en podia in beslag en riepen deze met veel poeha aangekondigde 'protestavond' uit tot non-event en verlakkerij. Wat wij toen zagen als een constructieve bijdrage tot een geslaagde protest-avond in een zo naar bourgeois-riekende locatie, werd door de inrichters, het Kempense humoristische duo Depeuter & Hannelore, geheel anders ervaren. Zij belden prompt de politie om de protesterende dichters op hun protestfeestje te laten arresteren. Aldus gebeurde, en gekneveld en geboeid werd het trio contestanten van de contestatie afgevoerd naar de voorgereden politiecombo. Uiteraard werd Herman het hardst aangepakt. Na de toenmalige geplogenheden en intimidatie, inclusief cursaalverbod, mochten we beschikken.

Weer in Brussel aangekomen kochten we op de vroegmarkt een puntzak kersen en schreven meteen een verslag aan een tafeltje in café 'De Appel' onder de titel 'Het is kwalijk kersen eten met protesterende dichters'. We brachten dit collectieve werkstuk naar de krant Het Laatste Nieuws, waar toen nog de geest van Jan Walravens hing en ons stuk meteen in de editie van de volgende dag de geschiedenis inging.

Dit is wellicht het beeld dat het meest van Herman Claeys beklijft, dat van de eeuwige contestant, ook de contestant van de contestatie zelf, van de pamflettair wiens legendarische stencilmachine elke dag een nieuw persbericht tegen een of ander onrecht de wereld inspuwde. De Free Press Bookshop was vanaf zijn oprichting in 1967 een leerschool voor een hele generatie, de Dolle Mol een absolute vrijhaven van de anarchie en een bron van duizenden ideeën en projecten. Herman was in dit alles een spilfiguur, maar als auteur bleef hij in die glory-days op de achtergrond.

Hij was nochtans in 1963 gedebuteerd met de vrij conventionele dichtbundel Als zoveel Schelpdieren en publiceerde eind de jaren zestig twee romans, Steen en Het Geluid, maar zijn literaire werk maakte veel minder ophef dan zijn performances, zijn poetry-in-action en zijn alomtegenwoordigheid bij acties, manifestasties en evenementen. Op de Poëziemarkt van Wetteren in 1967 maakte hij voor het eerst 'krijtgedichten' , waaarbij alle stoepen omheen de markt één doorlopend eendags-gedicht vormden. Deze idee hield hij aan en perfectionneerde hij tot het monumentale proporties kreeg.

Zijn poëtische teksten werden door hem gekalkt, gedeclameerd en als pamflet uitgedeeld. Publiceren wou hij ze niet, toch niet in traditionele vorm, als verzamelbundel, hoe vaak ik het hem ook voorstelde –voor mij, als uitgever, een uiterst frustrerende discussie- tot we het uiteindelijk eens werden over een vorm: een ringmap, waarbij de koper ook een abonnement kreeg op nieuwe, aangepaste versies en de verplichting aanging de vorige versies ook daadwerkelijk door nieuwe te vervangen. Een unieke uitgave zou het geworden zijn. Helaas, het is er niet van gekomen.

Maar er is ook een andere Herman Claeys, de taalvirtuoos, de getalenteerde polemist en de filoloog. Als medewerker aan woordenboeken zoals de Kramer’s, was hij taalinformant uit Vlaanderen, waarbij hij een voortdurende strijd voerde tegen het vroeger zo bekende asterisk achter elk woord of elke uitdrukking die als Zuid-Nederlands (of erger nog 'Vlaams') en dus foutief werd beoordeeld door zijn Amsterdamse uitgevers. Deze strijd heeft hij gewonnen. Wie durft er nu nog typische zinswendingen uit Claus, Dimitri Verhulst, Erwin Mortier of Tom Lanoye als fout Nederlands beschouwen ? De Nederlandse recensent die dit nu nog aandurft wordt ter plekke in Groningen gejonast en met pek en veren overgoten.

Claeys won nog meer onderdelen van zijn eigen taalstrijd: als polemist debuteerde hij in een befaamd nummer van het tijdschrift Mep uit 1965, geheel en uitsluitend gewijd aan de toen veel gelauwerde en hoog geprezen auteur Maurits Roelants.

Roelants ging door als de pionier van de psychologische roman in Vlaanderen, was redacteur van het tijdschrift Podium samen met Ter Braak en Du Perron en zijn boeken stonden op de verplichte lectuurlijsten van de Vlaamse middelbare scholen, vooral hooggeprezen voor hun onberispelijke taalgebruik. Elke medewerker aan het Roelants-nummer van Mep zou één facet van diens reputatie met de grond gelijk maken, door een regelrechte aanval op Roelant’s bekendste roman Komen en Gaan. Claeys koos uiteraard voor Roelant’s zogenaamde hoogstaande taalgebruik, en deed dit door een aantal zinnen uit het werk te lichten, die grondig te bekijken en taalkundig te ontleden, op een voor hem typerende, hilarische manier. Zo stond in het openingshoofdstuk de zin 'Om twaalf uur stipt dronk Paul Spawater'. Beide laatste woorden hadden een hoofdletter. Deze flagrante fout werd door Claeys deskundig aangepakt. Hij ging ervan uit dat Paul Spawater een in de roman nieuw opgevoerd personage was, dat elke dag, om twaalf uur stipt dronk. Om twaalf uur stipt ? Dan moest het wel om een alcoholicus gaan. En waarom deze bizarre mededeling in dit stadium van de roman ? Op die manier vond hij in het totaal 59 flagrante fouten in dit zogenaamde meesterwerk van de Vlaamse letteren. Vooral dat aspect van de kritiek zat Maurits Roelants hoog, zodanig zelfs, dat hij er werkelijk ziek van werd en kort daarna stierf. Intimi van Roelants beweerden dat hij tot op zijn sterfbed over deze 'laffe aanval' op zijn werk bleef oprispen. Dit maakte van Herman Claeys, die tevoren al in De Standaard een literaire gangster was genoemd, meteen ook, en ik citeer Gazet van Antwerpen uit die tijd 'een literaire moordenaar'.

De relatie tussen Herman J. Claeys en de zorgvuldige maar vooral speelse omgang met taal zal iedereen duidelijk zijn die hem persoonlijk kende. Zijn verhouding met poëzie was ambigu, maar niet minder betrokken. Hij had een grondige hekel aan poëtisch geknutsel en oncorrecte zinsbouw in gedichten, nutteloos weglaten van interpunctie en al even nutteloze neologismen of zogenaamde poëtische vrijheden. Tevens was hij een permanent en gedreven lezer van wat hijzelf goede gedichten vond. In zijn literaire nalatenschap werden een aantal korte gedichten ontdekt die gemakshalve tot de 'light verse' kunnen gerekend worden. Blijkbaar vond hij ze nog niet goed genoeg om ze te openbaren, hoewel intimi op de hoogte waren van zijn omgang met het werk van dichters als Drs P, Driek van Wissen en Jean-Pierre Rawie. Op zijn beste momenten haalt hij ook met verve hetzelfde niveau. Het zou zonde zijn deze gedichten niet op een blijvende manier te openbaren.

Dat er nu een Herman J. Claeys – poëzieprijs in het leven is geroepen, kon, voor wie slechts het meest mediatieke facet van dit genereuze en multi-getalenteerde fenomeen kennen, niet zozeer voor de hand liggen, ik hoop dat ik met deze korte toespraak iedereen ervan heb overtuigd dat dit verband een evidentie is – en trouwens ook een wens van Herman zelf.

Jef MEERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
13 mai 2011 5 13 /05 /mai /2011 20:47

 

PeterHolvoet

Als trouwe lezer van de Mededelingen meldt Peter Holvoet-Hanssen dat hij verheugd was die 'Hermanspirit' te voelen in de kelder van De Groene Waterman en dat hem de gelegenheid werd gegeven te onderstrepen dat hij geen nar blijkt te zijn van het gezag, “no way!”.

In verband met de waterkeringsmuur wijst hij er echter op dat hij niet sprak over 'restaureren”, wel over 'citeren'.

Hij wil ik een groot deel van het waterkeringsmuur-gedicht van Herman J. Claeys heraanbrengen doch wel in de stijl van de vaste ontwerper Jelle Jespers. “En er natuurlijk over waken dat er niets overschilderd wordt van de laatste letters die op de muur overblijven, van Herman.”

Peter Holvoet-Hanssen weet ook te melden dat er een kleine tentoonstelling Herman J. Claeys komt in het Letterenhuis.

Het doet er misschien niet toe, maar ik wil hier toch wel onderstrepen dat naar mijn bescheiden mening het stadsdichterschap van Antwerpen nooit zo nauwgezet en creatief ingevuld werd als nu...

HFJ



Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
13 mai 2011 5 13 /05 /mai /2011 20:05

(César aan het woord)

 

vertraag als een rivier die nooit de zee bereikt, een visser die geen vis eet

een sultan zonder kaftan, rattenvanger zonder kinderen, een pleintje

dat zonder bomen zit, deur zonder klink, tram nul – de zonnewind bemoeilijkt

het blussen van de vlammen in mijn hersenpan

 

een zilvermeeuw die schreeuwde

 

Het holle land was niet meer fijn maar deze stad heeft tering in de nering!’

ik riep: ‘Ooit was ik held van ’t vlooienspel, de Dromer van de Engelenpoort.

Ooit stond ik in het ware daglicht. Draaimolentje van De Moeite. Mooite!

Was handpop van een respectabele aap, vermicelli in de dagsoep.

Een moeder van een zondig melktandje – dat om pandoering vroeg – vond bij mij

de gulden windkliever voor de tata ta babbelkous, haar piepkenduik als

de karpersprong van Zwarte Piet. Slampamp hier zonder tondeldoos of veerkracht.’

 

ik kan geen muisjes meer bij u bestellen, o Jérôme, mijn speelgoedwinkel

zag weken weer geen kat – Edward De Tol schreef dit, het blijft mij maar bespoken:

de snelheid gaat de hoogte in en de gordijnen blijven toe en tot slot

we hebben niets gedaan vandaag, toch zijn we moe – en Hobbelpaard: gij zijt zot

 

een jongen jankte: ‘Wat, geen games?’ – de vader, grabbelton: ‘Ik eis een racebaan.

De oppervlakte is te klein… Goed voor drie hoeren. Of een nachtwinkeltje?’

 

zoek mijn roes op café, niet bang voor knekelman of ‘t blekkeren van de zeis

 

een tandwiel klokt nu digitaal terwijl de veer der wereld strakker opdraait

gespannen, opgeschroefd draait zij door; tingeltangel, wind mij af, spiraal, draai

finaal

Jérôme, gij zoete Muizenmaker, rek is uit de grrijze mmmuizen

ik pak mijn sneeuwkoffer, onsterfelijke vriend en letterllllussengod, want

mijn veer ssssspringt, losgeslagen, de veer van César is afgelopen, afge –

Peter HOLVOET-HANSSEN

© Stadsgedicht – buiten de oevers tredend – Antwerpen 2011.

Geïnspireerd door het taaluniversum van Pjeroo Roobjee.

Edward De Tol: vers van Edward Dekeyser.

Opgenomen in de (kort)film ‘De Veer van César’ van Minske van Wijk & Oscar Spierenburg.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
13 mai 2011 5 13 /05 /mai /2011 18:54

HJCzaal.jpgTijdens een druk bijgewoonde en stemmige receptie in de bunkerachtige cultuurkelder van De Groene Waterman werd gisteren de Herman J. Claeysprijs uitgereikt.

In de voorbije weken werd er in kringen van insiders nogal druk gedaan over een scherp polemisch en bewust provocerend stuk van Koen Calliauw over de plannen van de Stad betreffende de waterkeringsmuur. Daarbij werd Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen in scherpe bewoordingen medeplichtigheid verweten aan het ignoreren van Herman J. Claeys' aandeel in het initiatief een 'wandelgedicht' aan te brengen op de waterkeringsmuur.

TijKeren.jpg Het sterk geëngageerde 'Wandelgedicht' verscheen in 1993 in de bundel Het tij keren (Brussel, uitgave Pipeline Poetry, 22 p.)

BartVanPeer.jpgBart van Peer

Een en ander was ondertussen al uitgeklaard, maar het was wel een verrassing toen inleider Bart van Peer, die samen met Herman J. Claeys aan de wieg stond van De Muzeval, eerst het woord gaf aan de Stadsdichter.

PeterHolvoet.jpg

Peter Holvoet-Hanssen

In een korte toespraak betoogde Peter Holvoet-Hanssen dat kunst en poëzie gevrijwaard moeten blijven van politieke manipulatie. Om elk misverstand uit de weg te ruimen verklaarde hij expressis verbis dat de restanten van Claeys 'Wandelgedicht' niét worden overschilderd, maar integendeel gerestaureerd. De Stadsdichter kreeg een daverend applaus.

Als tweede spreker kwam uitgever Jef Meert aan het woord. In snedige bewoordingen haalde hij o.m. herinneringen op aan de late jaren zestig, de tijd dat Herman J. Claeys bestempeld werd als 'literaire gangster'. De tekst van zijn toespraak verschijnt hier in de volgende aflevering.

3vuldigheid.jpgVan l. naar r.: Henri-Floris Jespers, Monique en Jef Meert

Tot slot maakte Henri-Floris Jespers de laureaten van de eerste Herman J. Claeys bekend:

De organisatoren van de Herman J. Claeys-prijs mogen zich gelukkig prijzen. Op korte tijd mochten Pipelines /De Muzeval bogen op meer dan een 55-tal inzendingen, samen goed voor meer dan honderd korte of langere gedichten en, af en toe, ook een heuse cyclus. Dat het niveau van de inzendingen meer dan behoorlijk mag genoemd worden, kan ik al meteen illustreren door de nuchtere vaststelling dat na de eerste beraadslaging van de jury niet minder dan 23 gedichten in the running bleven. En wanneer ik u verklap dat 13 gedichten de eindbespreking haalden, dan is het wel duidelijk dat de organisatoren zeker niet mogen klagen over de kwaliteit van de inzendingen.

Traditioneel is nu het moment aangebroken om de taaie gemeenplaats te formuleren dat de jury voor moeilijke keuzes stond. Dat doe ik niet.

De jury poogde wel bij deze eerste editie van de prijs een evenwicht te vinden tussen twee fundamentele eisen: literaire kwaliteit, waar Herman op gesteld was, en de geest van de te bekronen gedichten, wat ik maar gemakkelijkheidshalve hun 'Claeysiaanse' inslag zal noemen, waarbij 'Claeysiaans' – in de geest van Herman – ook duidelijk verwijst aan het maatschappelijke engagement van de vriend naar wie de prijs genoemd werd. Pipelines / De Muzeval heeft daar trouwens zorgvuldig over gewaakt bij de samenstelling van de jury, waarin collega's met uiteenlopende poëticale opvattingen zetelen. Ik wil hier dan ook hulde brengen aan het gefundeerde inzicht en de tijdrovende inzet van Bert Bevers, Koen Calliauw, Paul Ilegems, Kris Kenis, Patricia De Landtsheer, Jef Meert, Roger Nupie, Hans Plomp, Lucienne Stassaert en Jan van Veen bij de beoordeling van anonieme gedichten. Indien ik hier vandaag het woord mag voeren, dan is het uitsluitend omdat het Hermans laatste wil was dat ik als juryvoorzitter zou fungeren – een begrip dat hier trouwens meteen gerelativeerd moet worden. Immers, net zoals Pipelines / De Muzeval, functioneerde de jury, geheel in de geest van Herman, als een collectief. Formeel werd er niet gestemd; de beslissingen kwamen steevast tot stand bij consensus.

Ik wil uw geduld niet langer op de proef stellen.

Ziehier de beslissing van uw jury:

de eerste prijs gaat naar 'CrapuultjesClub', vier gebalde, gedisciplineerde, vormvaste kwatrijnen van Rik De Reeper (°1962). Zonder gemoraliseer en met passende afstandelijkheid maakt de dichter een trefzeker statement over een al te bekend maatschappelijk verschijnsel, 'heersers na de wedstrijd' en aanverwanten;

de tweede prijs gaat naar 'Uitvaart', een 113 verzen tellend retorisch gedicht van Eric van den Abbeele. In een sterke beeldtaal brengt de dichter een tijdloze, onpersoonlijke, ongenadige en intelligente kritiek op de onderdrukkende mentale, ideologische en concrete machtsuitoefening;

Op de derde plaats komt 'Beeldenstorm' van Katrien Coppens (°1956), vier terzinen waarin de dichteres reflecteert op de onmiddellijke actualiteit reflecteert, nl. het vleselijke kindermisbruik door mensen die zichzelf merkwaardig genoeg 'geestelijken' noemen.

In toepassing van het reglement kregen ook een aantal gedichten een uitdrukkelijke vermelding.

In alfabetische volgorde:

'La vie d'un ogre', een wrang divertimento van Hendrik Carette (°1946);

'Hoe ze dom en doelloos' een kritische ontmaskering van democratische leiders van Bert Deben;

'Ademzuchten van Gustav aan Alma Mahler', een gedocumenteerde collage-gedicht van Joris Iven (°1954);

'Ze komen om adem', een oprecht-eerlijke en concrete bezinning over de asielzoekersproblematiek van Ann van Dessel (°1961).

 

Wat meer persoonlijk commentaar in een volgende aflevering...

Tussen het publiek:

Jo van Cauwenberge, Jean Emile Driessens, Richard Foqué, Christel Geerts, Pruts Lantsoght, Dirk Maeyens, Luc en Thierry Neuhuys, Marc Pairon, Walter Soethoudt, Marc Somers, Marc Tiefenthal en Kaatje Wharton.

Verontschuldigd: Marie-Paule Andries, Paula Mortelmans, Luc Pay, Magali Uytterhaegen, Jan Scheirs.

Foto's: (c) Kris Kenis

Koen Calliauw en de Stadsdichter:

http://www.dewereldmorgen.be/blog/koen-calliauw/2011/04/18/plagiaat-antwerpse-stadsdichter

Zie ook het verslag van de prijsuitreiking door Koen Calliauw:

http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2011/05/13/po-zieprijs-herman-jclaeys-crapuul-haalt-het

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
4 mai 2011 3 04 /05 /mai /2011 07:41

 

De 150ste editie van De Muzeval, Illusieloos inzicht in de werkelijkheid, vindt plaats op donderdag 12 mei in Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24, 2000 Antwerpen.

Gastdichter is Pom Wolff (°Amsterdam, 1953).

Pom Wolff - door Lynne GreenawayPom Wolff (foto:Lynne Greenaway)

Pom Wolff studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam, Rechten aan de Vrije Universiteit en werkt als juridisch adviseur. Hij is bestuurslid van De School der Poëzie in Amsterdam en adviseur van het Cornelis Vreeswijk Genootschap. Zijn optredens bezorgden hem diverse eretitels: hij staat al jaren in de nationale slamfinale en won in 2006 brons in Tivoli. Hij was Dichter van het jaar in Delft 2005 en tevens slamjaarwinnaar 2005 van de poëzieslag in Festina Lente te Amsterdam.

Sven Ariaans schreef in zijn juryjrapport Festina Lente Amsterdam: “Het is iemand die je zenuwen blootlegt om vervolgens op vaderlijke toon te zeggen dat die pijn jouw pijn moet zijn en dat er geen zalf bestaat. Elke cognitieve dissonantie die je voor jezelf op prettig hypocriete wijze had opgeheven, wordt je ingewreven, of zoals medejurylid Simon Vinkenoog het kernachtig zei: "Hij verschaft illusieloos inzicht in de werkelijkheid".

Voorts is hij winnaar van Slamersfoort 2006, winnaar van het Zaans Dichtersfestival en de daaraan verbonden BRUNA poëzieprijs 2006, slamjaarwinnaar 2007 in Zeist. In 2008 kreeg Pom Wolff De Gouden Slamburger uitgereikt vanuit de Universiteit Utrecht – afdeling Letteren en won hij het 2eDrentse open dichtfestival. In december 2009 de jaarfinale van Slamersfoort. In 2010 de dobbelslam en de dichtslamrap van Boxtel.

Zijn poëziesite 'Gedichten & slampoëzie' is de meest bezochte poëziesite in de Lage Landen (méér dan één miljoen hits per jaar en door de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag gearchiveerd en gewaardeerd als cultureel erfgoed).

In de befaamde Windroosreeks van uitgeverij Holland verscheen in 2005 zijn debuut je bent erg mens- inmiddels uitverkocht.

Daarover schreef Poëzierapport(december 2005):

Strak gecomponeerd wordt het innerlijk van een mannelijk mens blootgelegd, zonder schroom worden vooroordelen op tafel gelegd, hier worden geen engelen bezongen, maar de ruwe werkelijkheidsbeleving van een individu. En die is schrijnend, navrant. Pom Wolff heeft mijns inziens een sterk debuut geschreven.” Oud Windrozer Simon Vinkenoog kwam tot een soortgelijke conclusie: "Navrant en indringend, overtuigend en onverbiddelijk (...)

In 2006 gaf uitgeverij Holland zijn tweede bundel toen je stilte stuurde uit, waarover Jos van Hest schreef:

Ze zingen en kreunen. Ze zijn onrustig en argwanend. Ze vertederen en verlinken je tegelijkertijd. De gedichten in deze bundel van Pom Wolff. Ze barsten uit hun voegen van karigheid. Maken onverwachte grappen die geen grappen zijn. Vechten zich een weg de bundel uit. Het oog van de lezer, het oor van de luisteraar in.

[Bron: De Muzeval, 3 mei]

*

een zinloos uur

 

van mij had je mogen blijven
dat weet je wel
ik ben een uur gaan zitten
met een boekje in mijn hand
een pen om je te schrijven
het was een zinloos uur
er is er een vertrokken
en een is blijven staan meer is het niet

dat er altijd zand zal zijn
en altijd wel een kind
zo weten we het zand
weer los en laten het
ik adem nog
en jij in mij niet minder
dat is het dat ik schrijven kan
dat is het dat ik dood

 

tegen vuur

voor simon vinkenoog


tegen de staat van stalen tanks

en moddersporen

over ruggen van oedeem
tegen een kennelijke staat van onzin

tegen macht of leger nog

tegen een staat van onvermogen

een staat van dienst

en lintjes als je oud bent

een bom kan slechts een steen verlichten

 

voor open monden, taal als taal
voor verwondering en adem
voor ieder woord, voor iedereen
een babyschreeuw dat is een lintje

Pom WOLFF

www.pomgedichten.nl

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
30 avril 2011 6 30 /04 /avril /2011 22:03

 

PN-HFJ.jpg

Paul Neuhuys en Henri-Floris Jespers (1965)

Toen hij op de blog van Ça ira een aantal gedichten van Paul Neuhuys uit de eerste helft van de jaren twintig las, vroeg Marc Tiefenthal of er Nederlandse vertalingen bestaan. Ziehier alvast mijn vertaling van 'Chanson' uit Le Zèbre handicapé (Anvers, Ça ira, 1923, met een portret van de auteur door Floris Jespers).

 

Lied

 

Ieder mens is geboren

om van zich te laten horen

 

In de music-hall, als een prinsesje

sprankelt en bruist het danseresje

 

De vliegenier brengt hoofs een groet

aan haar doorluchtige hoogheid haast en spoed

 

De minnaars, samen op het duin,

plukken distels in de maneschijn

 

Een heer gesmukt in smoking

zingt God Save the King

 

Een zwemmer duikt en stuikt

het water in, plat op z'n buik

 

Het meisje dat voor handig doorgaat

huilt symmetrische tranen op maat

 

Fierder dan hoog een merel fluit

fluit op z'n vingers de schavuit

 

Ieder mens is geboren

om van zich te laten horen

 

En elke ochtend weer zien wij

het doel van een eindeloze reis

 

De vertaling werd opgenomen in: Paul NEUHUYS, Dada! Dada? Gedichten 1920-1977. Vertaald en van een nawoord voorzien door Henri-Floris Jespers, met een frontispice van Luc Boudens. Antwerpen, Uitgeverij Jef Meert, 2000. Hier volgt de oorspronkelijke tekst van het gedicht.

 

Chanson

 

Chacun est venu sur la terre

pour montrer ce qu’il peut faire

 

La divette du music-hall

pétille comme l’eau minérale

 

L’aviateur salue son altesse

sérénissime, la vitesse

 

Les amants, au clair de lune,

cueillent des chardons dans les dunes

 

Un monsieur en smoking

chante le God Save the King

 

Le nageur exécute un saut

et tombe à plat ventre dans l’eau

 

La jeune fille pratique

pleure des larmes symétriques

 

Le voyou siffle sur ses doigts

plus fier qu’un merle au bord du toit

 

Chacun est venu sur la terre

pour montrer ce qu’il peut faire

 

Et nous voyons tous les matins

le but d’un voyage sans fin

 

www.caira.over-blog.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche