Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
20 novembre 2010 6 20 /11 /novembre /2010 05:36

 

Excisa.jpg

Frank de Vos (°1956), master in de geschiedenis en bachelor in de wijsbegeerte (KUL), kwam in de publieke belangstelling als DDD, DorpsDichterDoel 2009-1011. In die functie lanceerde hij in samenwerking met KunstDoel vzw de campagne 'Bedichting van Doel' en het aRtivistisch manifest.

Frank de Vos is actief op het net en is betrokken bij de organisatie van literaire en algemeen culturele evenementen..Hij heeft een paar bundels op zijn naam (Infiniti, 2007; In omstandigheden, 2008 en Trek de wind niet van de wieken, 2009) en zetelt in de jury van de jaarlijkse Melopeeprijs van de gemeente Laarne (2.500 €).

Excisais een bij wijlen schokkende bundel, de neerslag van de toevallige maar wel verbijsterende confrontatie van de dichter met een aantekening uit in een achttiende-eeuwse parochiaal overlijdensregister, een ervaring die de historicus De Vos bijbleef en die hij krachtig weet te verwerken en te verwoorden. “Excisa et baptisata est ab obstetrice” betekent: uitgesneden en gedoopt door de vroedvrouw.

 

Excisa VII

Geen tijdsbesef gezocht maar kletterende hunker.

Geen mode, modernistische schurft.

 

Ik kon er lang naar kijken naar het beeld dat in mijn ogen sliep.

In het ultieme, de queeste naar mijn blanke graal.

 

Ik aaide en aanbad daarvoor elke metafoor, ad infinitum het kind

in een vocalise, in een roep, in een strak verklankt cantabile en

lyriek.

 

De bundel – een bezinning over het vanitas-motief – ontvouwt zich in drie bewegingen: “Excisa”, “Vervoegd” en “Einde loopbanen van tulpen”. Ook de laatste twee cycli cirkelen rond dood, verwelking en vooral onthechting als metaforen voor de onverbiddelijke vergankelijkheid.

Frank de Vos weet daarbij de zogenaamde hermetische zegging feilloos te combineren met ogenschijnlijk helder parlando.

De illustraties van Vincent Billiau bij de eerste cyclus dragen bij tot de al te morbide presentatie van de bundel.

De jonge enmansuitgeverij Litera Este maakte zich al verdienstelijk met det publicatie van werk van onder meer Maris Bayar en Patricia Lasoen. Jammer genoeg koos de (kennelijk onervaren) uitgever nu voor een vet, cursief lettertype dat de gedichen allerminst tot hun recht laat komen.

De uitgever genoot wel (terecht) steun van de Provincie Antwerpen.

Frank DE VOS, Excisa, Antwerpen, Antwerpen, Litera Este, 2010, 45 p. [Geen prijs vermeld. En wellicht ook geen verspreiding in de boekhandel]

Frank DE VOS (red.), Bedichting van een dorp, s.l., s.d. [2009], ongepagineerd. Verschenen in een beperkte oplage. Te bestellen door overschrijving van 8 € op rekeningnummer 220-050839-89 van Frank De Vos (buitenlandse overschrijvingen: IBAN BE 45220050813989 - BIC GEBABEBB). De opbrengst gaat integraal naar de vzw KunstDoel.

Partager cet article
Repost0
8 novembre 2010 1 08 /11 /novembre /2010 22:45

 

Yannick

Papa’s Hausmärchen

De drie prachtige maar tegelijk gruwelijke sprookjes die Dangre op schitterende wijze verweeft in de structuur en de thematiek van zijn roman, zijn Hausmärchen van de eerste orde: ze worden niet alleen verteld door Papa maar fungeren als allegorieën, of wellicht beter als parabels die de tragedie in het gezin van de kleine Séverine illustreren, weerspiegelen en zelfs verklaren.

De verteller van die sprookjes, Séverines vader, verleent zichzelf daarbij een niet minder dan semi-goddelijke, profetische status. Als ze hem vraagt waar hij die verhalen vandaan haalt, antwoordt hij: “Ik krijg ze van God, het zijn Zijn sprookjes die ik voor Hem met mijn leven moet bewaken. Ik ben Zijn schatbewaarder” (p. 252).

Het eerste (pp. 54-58) gaat over een jonge pianist en een bloedmooi meisje die helemaal “bezeten” zijn van elkaar, zo erg dat hij zelfs bereid is voor haar zijn ogen uit te steken. Als ze huwen en een kind krijgen, verwaarloost hij meer en meer de piano ten voordele van andere bezigheden, waarop het jaloerse meisje van hem eist zijn liefde te bewijzen door zijn ogen inderdaad uit te steken – wat hij ook doet. Jaren later doet het meisje, uit wroeging, hetzelfde. Ze leven dan tot het einde der tijden bij elkaar, “allebei stekeblind, maar in de grond zielsgelukkig”. Dat dit alles refereert aan de waanzinnige liefde van Papa zelf voor zijn vrouw én aan de ziekelijke jaloersheid van Séverines moeder, hoeft geen betoog. Bovendien zal Séverine zelf, naar analogie van de sprookjespianist (én de in het verhaal genoemde Oedipus), op vergelijkbare wijze zelfmoord plegen door een besmette naald in haar arm te steken.

Ook het tweede sprookje, over het meisje ‘dat niet meer wilde zijn’, verwijst direct naar Séverines gezinssituatie en is een pijnlijke anticipatie van Séverines eigen lot na Papa’s dood (zie lager).

Het derde sprookje (pp. 244-252) vormt, als epiloog, de sluitsteen van de roman en is dus alleen al in dat opzicht belangrijk en, inderdaad, revelerend. Het gaat over een “schatrijke man uit het Oosten”, een tovenaar die op de markt liefde verkoopt in gouden kistjes. Deze verkoper wordt bestempeld als “een gunsteling van God” – net zoals Papa zelf. Een mysterieus “bloemenmeisje” ontfutselt hem met leugens, hysterische huilbuien en woede-aanvallen het ene kistje liefde na het andere, tot zijn voorraad uiteindelijk volledig uitgeput is. Toch blijft ze de nu wanhopig huilende man voortdurend pijnigen en vragen om méér, “zonder dat ze ook maar één krimp gaf”. Als ze stokoud geworden is, zal ze “weer een meisje met ravenzwart haar worden” en kan “het allemaal opnieuw beginnen”.

Kern van het verhaal is opnieuw de verhouding tussen Papa en zijn vrouw, waarbij die laatste niet zomaar als een verwend kind – “verwend addergebroed” – wordt voorgesteld, maar als een wreedaardig, ziekelijk veeleisend meisje dat op meedogenloze wijze alle liefde van de tovenaar opeist: de ‘femme fatale’ straalt hier in volle glorie.

In het sprookje heet ze immers ‘Judith’: “De tovenaar kreeg een koude rilling over zijn rug op het moment dat hij die naam hoorde, al wist hij niet waarom”. Ze had “iets angstaanjagends, bovenmenselijks, een raadselachtige uitdrukking, alsof ze ’s nachts ineens met een zwaard in de aanslag aan zijn bed zou kunnen staan” – een duidelijke allusie op het verhaal van Judith en Holofernes.

Andermaal fungeert dit sprookje als een vermomde verklaring, niet alleen van Papa’s liefde, het gedrag van zijn vrouw en zijn huwelijksleven, maar tevens, lijkt me, als een pijnlijk profetische flash-forward over Séverine zelf: de oude vrouw zal immers opnieuw een klein meisje worden omdat “alle vrouwen uiteindelijk weer kleine meisjes worden” – in hun dochter? Séverine ontpopt zich inderdaad ook tot een Judith, een femme fatale.

En daarmee is de tragische, eeuwig wentelende cirkel van de onmogelijke liefde tussen man en vrouw onherroepelijk gesloten.

Merk ook de echo van dit verhaal op, met name op het moment dat Séverine haar bewuste zelfbesmetting met HIV motiveert: ze zal het graf van Papa gaan bezoeken en dan “mogen huilen, mòèten huilen”, “omdat zijn liefde onder de grond zat opgesloten, groeiend, pompend, kloppend in een kist” (p. 241).

Mannen, jongens

Het verlies van de vader betekent voor Séverine een beslissend en onherstelbaar trauma dat haar langzaam transformeert tot niet minder dan een wraakgodin, een “strijdgodin zonder weerga” (p. 69), een femme fatale vol haat en vernietigingsdrang tegenover rijpe, volwassen mannen.

Als ze de halfnaakte, nochtans jonge Amedeo toevallig in huis ontmoet, vernemen we: “Het viriele van het tafereel had haar doen walgen” (p. 52); hij moest “kapot” “omdat hij een man zou worden. Een menselijke, falende man” (p. 53). “De man won het stilaan van het kind” (p. 129), stelt ze bij Amedeo vast, en iets later: “zijn geluksgeur werd almaar flauwer. Een volwassen kind, was het werkelijk draaglijker?” (p. 142) Ook Robert moet, “net als alle andere mannen, kapot” (p. 192). Of nog: “Het was dat hele mannelijke geslacht dat haar eender was. Dat een echec was” (p. 183).

Haar motief is overduidelijk: “Ze wilde Robert zien lijden. Iedereen zien creperen zoals een door de morfine murwgeslagen Papa” (p. 173).

Seks roept bij haar weerzin op, wat al voldoende mag blijken uit de allereerste elliptische zin van het boek, een mokerslag: “Het geneuk.” Enkele regels lager wordt dat neuken gelijk gesteld met “al die andere door paardrift ingegeven liefdeszwijnerijen” (p. 8). Ook als ze haar hoerenavontuur bij elkaar fantaseert heeft ze het over “het gehate, altijd durende geneuk” (p. 103). Het kan dus wel vreemd lijken dat ze precies de prostitutie uitkiest om haar literaire fantasia bot te vieren, maar dat kan m.i. geïnterpreteerd worden, eventueel, als een vorm van (seksuele) zelfmutilatie, maar zeker als een verregaande poging om het ‘mannelijk geslacht’ definitief te vernederen via gore, cynische beschrijvingen van en smalende commentaren bij haar ‘ervaringen’ in het wereldje.

Het overlijden van de vader betekent voor Séverine de definitieve afsluiting van haar kindertijd: de periode dat vader er was, dat ze pianospel of sprookjes hoorde, de tijd van de ‘echte’ fantasie, de kunst – de tijd van het geluk, ondanks alles.

Van haar 21 af kan het dus “alleen nog bergaf gaan” (p. 34). Ze verafschuwt dan ook alles wat te maken heeft met ouderdom “want met ouder worden komt het fnuiken” (p. 182). Bij Daniel, bij Robert én bij haar moeder b.v. merkt ze meermaals de gehate tekenen van ouderdom, zwakte of berusting op. Haar mannelijke klanten tijdens haar Parijse hoerenavontuur zijn oud, impotent, vies en vooral uitermate zielig. Séverine wordt een soort vrouwelijke variant van Peter Pan (die schitterende figuur van J.M. Barrie die ze aanvankelijk herkent in Daniel Monfort, zoals hoger al aangestipt), een tragische vrouw die de onafwendbare flux van de tijd niet kan aanvaarden, de toekomst van zich af wil schuiven en wanhopig naar ‘jeugd’ hunkert. “All children, except one, grow up”, zo begint dat prachtboek van Barrie – en Peter Pan blijft zichzelf gelijk tot op het einde en zelfs voorbij de grens van het verhaal, “so long as children are gay and innocent and heartless”. Dat laatste is precies wat Séverine allemaal niet is en niet kàn zijn omdat de Peter Pan in haar vermoord is door de moeder, de vader – en later door het leven en de liefde zelf.

Kort na haar aankomst bij Robert in Livorno stapt ze de kamer in van de slapende Amedeo, die op dat moment vijftien jaar oud is: ze “wierp zich op het machteloze wezentje en drukte haar lippen onhandig op de zijne” (p. 50), betoverd als ze is door de “zachte jongensadem”, door “jeugd”, door het “jonge zweet”, door het “schrijnend jong” vel (p. 50-51). Ze fantaseert seksscènes met Amedeo (p. 53, 69) of stelt zich voor hoe hij – de jongen met het “efebenlichaam” dat “op een bepaalde manier naar geluk rook” (p. 82) – zich aftrekt onder de douche (p. 60). Hij verspreidt “het ziekmakende geluksaroma van een kind. Van een ongehuwd jongetje” (p. 195). Die geur van geluk of jeugd komt voortdurend terug in de roman.

Het hoeft geen betoog, denk ik, dat in deze begeerte naar een puber-adolescent die op de koop toe de zoon is van Séverines minnaar en partner, het incest-motief opnieuw opduikt, maar ze verwijst ook naar de mythe van Phaedra en Hippolytus: de begeerte kantelt immers meteen in destructiedrift, ten eerste omdat de jongen onherroepelijk tot man zal uitgroeien (zie hoger), ten tweede omdat op hem een taboe rust. Amedeo’s “solide vlinderlijfje” (p. 68) lijkt haar op het punt te staan “vertrapt te worden door […] een paardenhoef” (p. 68), wat veel later als echo heeft: “Ze hoopte dat de jongen niet meer zou terugkomen, dat iets of iemand hem onderweg zou vertrappelen” (p. 174). Het allerduidelijkst is volgende allusie: “Nog belachelijker was Roberts bekentenis, gisteren, dat hij Amedeo eerst Hippolyte wilde noemen” (p. 83). Bovendien had Séverine overwogen om, tijdens haar vlucht naar Parijs, aan Robert een brief te schrijven, “een waarin ze alles over Amedeo zou opbiechten, hem de schuld geven” (p. 94).

Net zoals ze fantaseert dat Amedeo vertrapt zou worden “door een zevenmijlslaars” (of een paardenhoef, p. 68), stelt ze vast dat de verliefdheid verpletterd is “onder het kolossale gewicht van de liefde, die reus op lemen voeten” (p. 193).

Clear memory

Séverine probeert voortdurend alles te vergeten – haar kindertijd, frustraties en trauma’s, wat haar uiteraard niet lukt. “Liefst nog wilde ze het vergeten […] zoals Daniels tactiek altijd geweest was. Niet zonder succes” (p. 60). Wanneer het hoertje Marilu haar vraagt of ze kinderen heeft, voelt ze “de zwaartekracht van de herinneringen haar hele wezen tegen de vloer drukken. […] Ze werd vertrapt.” (p. 148) – dat laatste herinnert opnieuw aan Hippolytus of de zevenmijlslaarzen. “Alles werd opgeslagen in de stinkende stallen van het geheugen, tot […] de tonnen mest […] je hersens vergiftigden” (p. 95).

Ook de zwijgzame Daniel hunkert blijkbaar naar vroeger, de tijd van “minder herinneringen” (p. 180); zoals haar echtgenoot koestert Séverine meer en meer de stilte, “omdat in elk woord een herinnering als een fileermes zit” (p. 182).

Robert daarentegen verwijt ze dat hij juist nìet kan of wil vergeten: “Hij kan me gewoon niet weggooien, ik ben een ding, net als die andere ‘onvergetelijke’ dingen in zijn leven, iets wat aan zijn lijf en gedachten blijft kleven. Hinderlijk, hardnekkig plakband” (p. 169).

De meest extreme vorm van vergeten, de meest efficiënte manier om het geheugen te wissen, is zelf gewoon te verdwijnen: Séverine “wilde niet meer zijn, zij was vanavond het sprookjesmeisje geworden” (p. 134).

Daarmee verwijst ze naar een klein meisje in één van de sprookjes van Papa, dat “wondermooi maar verschrikkelijk ongelukkig” (p. 135) was. Uit pure frustratie gedraagt het meisje zich hysterisch en compleet ononuitstaanbaar, tot ze zich definitief opsluit in haar kamer en haar ouders buitensluit “om veilig te zijn voor alle tranen en gejengel van de wereld” (p. 136). Ze bekent: “Ik wil niet zijn. Ik wil niet bestaan” (p. 138). Als de vader er ten slotte in slaagt haar kamerdeur in te beuken, blijkt het meisje gewoonweg verdwenen. Ook Séverine, die er in het boek meermaals ‘niet is’ door flauw te vallen, bezegelt met de inspuiting met besmet bloed haar definitieve vertrek.

Literatuur

De verwijzingen naar kunst in het algemeen zijn legio in het boek. Er is de reeds vermelde schilderkunst en de (romantische) muziek in de figuren van Papa en Robert. Séverine is echter auteur (en fervent lezer), wat deze roman een autoreflexief trekje geeft dat misschien één en ander vertelt over de poëticale opvattingen van de auteur zelf.

De jonge Séverine schrijft gedichten – die ook gepubliceerd worden – en recensies voor Le Figaro. Haar roman, Testament van een tweederangshoer, wordt echter een jammerlijke mislukking. De literaire vitaliteit, het succes en de ambities zijn samen met Papa al lang begraven: “Talent. Dat was iets van vroeger, van rond haar eenentwintigste verjaardag, dat was een eenmalige publicatie in een literair tijdschrift. De rest van haar leven was de nasleep van het talent. ‘Wie zegt dat ik dat heb?’ ” (p. 64-65).

Schrijven wordt haar nu een kwelling, de expressie van of een krampachtige poging tot sublimatie van haar trauma: “Je hebt er echt geen flauw benul van hoe het is om een schrijver te zijn […]. Het is de dagelijkse hel, dat meen ik, simpelweg de hel” (p. 41) bijt ze de niet-begrijpende Robert toe die haar, van zijn kant, verwijt dat “Ongeluk […] jouw artistieke project [is], en mij ongelukkig maken hoort daar blijkbaar bij” (p. 43).

Ook het sprookjesmeisje ‘dat niet meer wilde zijn’ sluit zich, net zoals Séverine, op in de literatuur: “Ze [verlangde] niets anders meer […] dan zelf een personage uit zo’n prachtvertelsel te zijn. Alleen zo kan ik verlost worden van deze rotwereld” (p. 136).

Literatuur, waarmee niet “gesold mocht worden” (p. 146), als foltering, als uiting van de eigen gruwelijke zielepijn en fantasmen: ook dat klinkt, naast de namen van componisten die in het boek genoemd worden, erg romantisch, zoniet decadent.

Motto

In Dangres roman komen subtiele verwijzingen voor naar de Bijbel: de namen van enkele figuren (Delacroix, Daniel, Judith), de “sprookjes van God” of de profetische status van zowel Papa als – heel even ­– Robert (p. 60).

Als motto voor de roman koos Dangre Matteus 13:29: “Maar hij zeide: neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt”, een vers uit de parabel over het onkruid op de akker. Op een dag komen knechten aan hun heer (dé Heer) melden dat de akker (de wereld), die met tarwe (de rechtvaardigen) gezaaid werd, vol onkruid (de bozen) staat, en ze vragen hem of ze dat onkruid moeten wieden. De heer antwoordt dan met de woorden uit vers 29 en voegt er nog aan toe dat beide pas bij de oogst van elkaar gescheiden mogen worden en het onkruid dàn in bundels verzameld en verbrand moet worden.

Welnu, slechts één keer, bij mijn weten, komt dat onkruid ook letterlijk voor in de roman, nl. wanneer Séverine haar ondertussen oud geworden moeder voor de eerste én allerlaatste keer bezoekt: “Onverzettelijk zat het grijskleurige mensje, dat stuk onkruid, in haar fauteuil” (p. 224).

Het lijkt mij duidelijk dat Dangre met dit motto aan zijn roman de status van een parabel wil verlenen, net zoals de sprookjes van Papa dat zijn binnen de context van het verhaal. Maar wat is dan de implicatie? Volgens bepaalde exegetische bronnen betekenen de uitlatingen van de landheer dat alleen God kan uitmaken wie goed of slecht is en dat de mens zijn oordeel moet opschorten tot de Dag des Oordeels. Op dat moment zal God zelf beslissen, pas dan zal de aard van de gewassen (tarwe of onkruid) definitief blijken en wordt een probleemloze scheiding van beide mogelijk. Deze ‘geduldige’ houding van de heer houdt tolerantie in, in die zin dat hij ervan uitgaat dat wat aanvankelijk als kwaad beschouwd wordt (door zijn goed menende maar overijverige knechten), alsnog ten goede kan keren.

Vraagt de auteur dus via dit motto aan de lezers om hun oordeel op te schorten en niet voortijdig de “toverkol”, “het oude scharminkel”, te wieden of te veroordelen – of althans zeker Séverine niet? De nadruk die in de roman gelegd wordt op de cycliciteit van de opvoeding, de onafwendbare terugkeer van het kwaad dat in een onschuldig kind werd gezaaid, lijkt deze interpretatie aanvaardbaar te maken.

Kortom

Media en kritiek hebben zich onmiddellijk na het verschijnen van de roman met een ongelooflijke gretigheid op dit debuut en zijn jonge auteur gestort. Dangre was door zijn poëziepublicaties natuurlijk geen echt onbekende meer, en mogelijk werkt de promotiemachine van de uitgeverij feilloos. Zat men met argusogen naar (goede) debuten uit te kijken? Of was het vooral de jonge leeftijd van de auteur die de aandacht opeiste? Hoe ook, al deze media-heisa op het net, in kranten en magazines tot op de televisie en de radio toe, was en is in dit geval meer dan gerechtvaardigd.

Ik hoop met bovenstaande analyse alvast duidelijk gemaakt te hebben met welke merkwaardige rijpheid, doorzicht én sensibiliteit Dangre een complexe en veeleer delicate thematiek boeiend en, over het algemeen, ook aanvaardbaar weet te maken zonder daarbij ofwel met een belerend vingertje te gaan zwaaien ofwel in sentimentaliteit te vervallen. Niet alle verhaalelementen zijn, wat mij betreft, inderdaad even plausibel (b.v. de houding van de vader tegenover zijn vrouw of de gruwelijke sprookjes die hij aan een uiteindelijk onschuldig en al danig gekwetst kind vertelt) en lijken nogal opgeklopt ‘pour les besoins de la cause’. Wie zich waagt aan zo’n extreme psychologische thematiek, moet daar nu eenmaal erg voorzichtig mee omspringen. Maar goed, deze wellicht aan jeugdige overmoed toe te schrijven neiging tot (occasionele) hyperbolen of pathetiek nemen we er (wat) graag bij. Want de jonge Dangre kan vertellen, en hoe.

Zijn boek behandelt erg ‘volwassen’ thema’s als liefde en huwelijk bij koppels van – nota bene – middelbare leeftijd en hoe de tijd die liefde aanvreet; over ouders en wat die hun kind al dan niet aandoen en, in diezelfde context, ook over incestueuze verlangens, al blijft dat laatste motief aan de broeierige, vage kant. Heel fundamenteel is het thema van de (verwoestende) invloed van een onuitwisbaar, ‘onvergetelijk’ verleden, dat onweerstaanbaar door alle kieren en spleten van de ziel aan de oppervlakte komt, wat perfect vergelijkbaar is met de werking van… een vulkaan.

Hét basisthema echter dat de plot en alle andere motieven of thema’s stuwt en draagt, is het onherstelbare, onafwendbare verlies van jeugd en onschuld, en de pijn of zelfs de vernietigende wrok die zo’n gedwongen afscheid met zich meebrengt (cfr. het motief van de verlatingsangst).

De voortreffelijke verteltechniek en de opbouw van de roman schragen, zoals bij de aanvang van deze analyse gezegd, de thematische ernst en complexiteit en dragen alleen maar bij tot nieuwsgierigheid en geboeide aandacht bij de lezer.

Dat Dangre een erg erudiete debutant is, blijkt ten overvloede uit de talloze allusies, symbolen en verbanden die de roman rijk is. Echo’s uit sprookjes, mythen en sagen, schilderkunst, muziek of bijbelse verhalen, de ‘dubbele bodems’ van b.v. namen en locaties: dat alles levert zowel intra- als intertextueel een heel aantrekkelijk netwerk (vergeef me de modieuze term – al vrees ik dat slechts weinigen mij die ten kwade zullen duiden) of weefsel aan doorkijkjes of kruisverwijzingen op, zodat het particuliere verhaal van Séverine opgetild wordt in een ruimere algemeen-culturele context.

Maar ook op dit vlak is er een probleem met de dosering, net zoals bij de thematiek. Bepaalde allusies zijn immers al te opdringerig en laten de lezer weinig ruimte voor eigen vermoedens en conclusies (ik denk in dit verband aan die Oedipus in het eerste sprookje); ofwel zitten ze zo diep weggemoffeld dat je als lezer niet zonder enige wrevel een al te plagerig auteursspelletje vermoedt (zie de naam “Robert Scarpomo”, die mij nog altijd op de lezende maag ligt). Dat alles leidt in bepaalde gevallen tot de indruk van een nogal cerebraal geconstrueerd geheel dat de lezer op zijn scherpzinnigheid wil toetsen.

Of neem de soms overdadige stijl, die zijn eigen virtuositeit overbeklemtoont via té lang uitgesponnen, expliciete dialogen (zodat ze aan spankracht inboeten en naar banaliteit beginnen te neigen) of een artificieel woordenarsenaal. ‘Kokkerd, kiften, patjepeeër, koddebeiers, smiespelen, gemeier, fleppende sloerie, baaierd, stationsromannerigs’ (et j’en passe) verraden weliswaar de alerte, taalbewuste stilist maar lijken me té gratuïet om veel bij te dragen tot de diepgang van het boek. Bovendien leidt zo’n register soms tot kortsluitingen, b.v. tegenover een zin als “Hij is godverdomme terminaal, trut” (p. 215).

Daar tegenover staat dan weer een reeks ronduit prachtige beelden die wél beklijven en een meerwaarde bezitten – op het irrelevante en misplaatste ‘massieve liefde, stoffig als de baard van de profeet’ (p. 69) na. Maar: ‘pornografie van de eenzaamheid’, ‘huiselijke dodenmars’, ‘het ijzeren gordijn van het gezin’, ‘een herinnering als een fileermes’, ‘de clementie schuifelt weg uit een huwelijk’, ‘een donkergerand stemgeluid zoals van een verbrande afscheidsbrief’, ‘de witte bladzijden van haar huwelijk’, ‘de peepshow van die zaadvragende lippen’, ‘de luwte van een honderdjarige slaap waarin geen moeders bestonden’, naast uiteraard de drie sprookjes als allegorieën of parabels: het zijn allemaal verbale hoogstandjes uit de pen van de (grote) dichter die Dangre voor mij al lang is.

Vulkaanvrucht is een pijnlijke, verontrustende en bijwijlen ontroerende roman die een erg ongewone, authentieke sensibiliteit én een opvallend literair meesterschap etaleert, alleen met een te nadrukkelijke, ambitieuze en berekenende branie. Het boek mist dan ook gewoon organische souplesse en consistentie en, vooral, dosering. Maar dat kan je moeilijk een debutant gaan verwijten wiens pen al ten overvloede bewezen heeft tot grote en blijvende literatuur in staat te zijn.

We wachten dan ook op meer. En wel degelijk met ongeduld.

Luc PAY

Secundaire literatuur (betreft het jaar 2010)

a) Publicaties:

Alcools revisited’ (5 gedichten), in Deus ex Machina, jrg. 34 nr. 132, maart 2010, pp. 64-65;

Onze woonst’ (6 gedichten), in Jozef Deleu [red.], Het liegend konijn, jrg. 8 nr. 1, april 2010, pp. 95-101;

Zoölogie’ (6 gedichten), in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 107, jrg. 28 nr. 2, zomer 2010, pp. 69-71 (zie ook www.gierik-nvt.be);

Vulkaanvrucht. Roman. Meulenhoff | Manteau, 2010, 252 blz., € 22,50 (gepresenteerd aan pers en publiek op 29 augustus 2010);

Olifant’ (gedicht), in Marc Zwijsen [samenst.], Dichter bij Gierik 95 dichters en een tijdschrift, [oktober 2010], p. 70 [= extra nr. van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift 108].

(Zie ook www.gierik-nvt.be).

b) Recensies:

JOV, in Het Nieuwsblad(‘Extra’), 1 oktober 2010, p. 39;

Dirk Leyman, ‘Liefde als noodoplossing’ in De Morgen (‘Uitgelezen’), 1 september 2010, p. 37;

Marc Cloostermans, ‘Alles moet kapot’, in De Standaard, 17 september 2010;

jm [Jeroen Maris], in Humo, 12 oktober 2010, p. 162-163 (ook op <www.humo.be>, waar de laatste alinea van de recensie echter ontbreekt);

Danny Haelewaters, ‘Piekerzieke personages in ontaard sfeertje’, op <www.cip.be> (CJP website).

c) Interviews (uitgezonden of gepubliceerd):

Jeroen Dera, ‘De ambities van Y.M. Dangre: ‹Netjes alfabetisch tussen Claus en Ducal›’, in Meander, literair e-zine, 20 februari 2010 (zie <meandermagazine.net/wp/>, rubriek ‘Dichters’ of via de zoekfunctie);

Anon., ‘Het ‹worst case scenario› van mijn leven’, op <www.cobra.be>, 4 september 2010;

Anon., in het programma ‘Onder cover’, ATV, 07 september 2010 (zie <www.atv.be>, helaas alleen te bekijken met Microsoft Silverlight);

Paul Demets, ‘Drie jonge dichters, drie debuten’, in De Morgen(‘Uitgelezen’), 15 september 2010, pp. 36-37;

Elien Verschueren, ‘De stijl primeert’, in Dwars – Studentenblad Universiteit Antwerpen, jrg. 10 - dwars 61, 27 september 2010 (zie <www.dwars.ua.ac.be>);

Campus TV (ATV), 27 oktober 2010.

Heidi Lenaerts, in het programma ‘Babel’ van Radio Klara, op dinsdag 9 november 2010, vanaf 17 u.

d) Live optredens (voorleessessies en/of ongepubliceerde interviews):

* op het openingsfestival ‘Tussen droom en daad’ van de Elsschot-festiviteiten, op zondag 30 mei 2010 in het ‘Vlinderpaleis’ (nieuw gerechtsgebouw, Bolivarplein) te Antwerpen, dat gepresenteerd werd door acteur-regisseur François Beukelaers. Dangre beet als jongste deelnemer de spits van de namiddag af met drie verbluffend mooie en vooral beklemmende gedichten rond het thema ‘huwelijk’;

* op de presentatie van zijn romanVulkaanvrucht (inleiding en interview door Dirk Leyman), op 29 augustus 2010 in Studio Villanella (voorheen Studio Herman Teirlinck) te Antwerpen;

* op Zuiderzinnenin het Raamtheater op het Zuid te Antwerpen, op 19 september 2010 (inleidend interview door Dirk Leyman);

* tijdens 'De Nachten' in De Singel te Antwerpen, op vrijdag 5 november 2010 (interview door Jeroen Maris);

* op de Antwerpse Boekenbeurs, 6 november 2010 (15 – 16u.), in de reeks ‘Knack uur van de Literatuur’ (interview door Maarten Dessing).

Partager cet article
Repost0
7 novembre 2010 7 07 /11 /novembre /2010 21:43

 

Such reckless extravagance in one so young” (Oscar Wilde)

DangreBoek

De lectuur van Dangres debuutroman Vulkaanvrucht liet mij enigszins onthutst achter met de vraag waar een jonge, 22-jarige snaak de inspiratie en het inlevingsvermogen voor zo’n boek vandaan haalt. Want geef het toe: het tragische huwelijks- en gezinsleven (inclusief fysiek geweld) van een 45-jarige psychotische vrouw; haar onderdrukte semi-incestueuze verleden; haar bijna-verkrachting van een 15-jarige puber; het boek dat ze schrijft over haar ‘ervaringen’ in de prostitutie; haar dwangmatige zelfmutilatie en drankverslaving – het lijken me niet de evidente thema’s of motieven van een Vlaamse debuterende twintiger, net zo min trouwens als de locaties waar de plot gesitueerd is. Dangre staat met die prille leeftijd natuurlijk niet alleen in de literaire geschiedenis. Rimbaud, Sagan, Bramly, Fornia, Radiguet, Byron, Keats, Boyne of Mishima – en iets dichter bij huis Perk, Claus of Grunberg: het waren of zijn allen vroegrijpe talenten.

Je bent dan geneigd om een antwoord te gaan zoeken in de biografie van de auteur in kwestie: een erg riskante procedure, zeker in het geval van deze vrij pijnlijke roman. Laten we het bij deze debutant, student Taal- en Letterkunde Nederlands-Frans aan de UA (hij debuteerde als dichter met technisch virtuoze pastiches op de Franse symbolisten) dus voorlopig maar houden op een benijdenswaardig observatie- of inlevingsvermogen, gekoppeld aan een tomeloze ‘Lust zu fabulieren’.


Plot

 

Waarover gaat het? Séverine Delacroix, een 45-jarige vrouw, ontvlucht in Parijs het zinkende schip van haar huwelijk met Daniël Monfort en trekt te Livorno in bij haar minnaar, de ondertussen weduwnaar geworden Robert Scarpomo en diens 15-jarige zoon Amedeo. Al snel echter stapelen de spanningen zich ook in dit nieuwe maar reeds gehavende gezinnetje op, zowel in de relatie met Robert als die met zijn zoon. Zonder enig bericht of spoor na te laten ‘vlucht’ Séverine op een dag terug naar Parijs, waar ze (schijnbaar) in de prostitutie stapt om rond haar ervaringen als hoer een roman te schrijven. Enkele maanden later keert ze terug naar Livorno; aan een ondertussen erg ontredderde Robert biecht ze haar Parijse avonturen en de op stapel staande roman op, confidenties die natuurlijk niet van aard zijn om de relationele problemen glad te strijken. Haar roman, Testament van een tweederangshoer, verschijnt inderdaad maar flopt jammerlijk. Kort daarna pleegt Robert zelfmoord en vindt Amedeo een nieuwe thuis bij familie. Séverine keert terug naar Parijs, zoekt een vroegere collega-hoer op en pleegt danop haar beurt zelfmoord-met-uitstel door met HIV besmet bloed van het hoertje bij zichzelf in te spuiten.


Structuur

 

Tot daar de al te chronologische en simplistische weergave van de basale verhaallijn, die de vrij complexe opbouw van dit boek weinig recht doet. Dangres roman bestaat immers uit 21 hoofdstukken, die weliswaar doorgenummerd zijn maar verdeeld worden in drie blokken: deel I (7 hfdst.), deel II (13 hfdst.) en een “Epiloog” (1 hfdst.). Deel I handelt over de periode vóór Séverines escapade naar Parijs, deel II over die erna; de epiloog is een flash-back.

De totale vertelde tijd – althans die van de fictieve ‘nu’-periode of van het ‘primaire verhaal’, zoals Genette het noemt – tussen Séverines aankomst in Livorno en haar definitieve vertrek aldaar omvat een drie-, viertal jaren en is gelocaliseerd in de Italiaanse havenstad (tussen hoofdstuk 6 en 7 b.v. zit een tijdssprong van “ruim een jaar”, p. 78). Bij het begin van het verhaal is Séverine 45 (p. 9); onmiddellijk na haar literair debacle loopt ze “tegen de vijftig” (p. 185).

Deze verhaallijn wordt echter permanent, soms heel subtiel, doorkruist door korte of uitvoerige flash-backs die teruggaan tot Séverines kinderjaren en haar relatie met vader en moeder, haar adolescentieperiode en studietijd, haar eerste huwelijk met Daniel en de ontmoeting met Robert, en de hele Parijse prostitutie-periode (vanaf hfdst. 9). Soms wordt het nog iets ingewikkelder wanneer in een flash-back een andere terugverwijzing wordt ingebed zodat je een matroesjka-effect krijgt.

Ten slotte bevat de roman nog drie (prachtige) sprookjes en een droomtoestand.

De ‘Rückwendungen’ bieden geleidelijk aan een verklaring voor het erg aberrante karakter en gedrag van de hoofdfiguur en bouwen langzaam maar zeker een spanning op die in het allerlaatste hoofdstuk, de “epiloog” (overigens één van de drie vermelde sprookjes), een ultieme climax bereikt, onder meer in die zin dat de titel van de roman daar nogmaals en heel expliciet verklaard wordt.

Eenentwintig hoofdstukken dus: precies de leeftijd waarop Séverine een “eenmalige publicatie in een literair tijdschrift” (p. 64-65) heeft; ze is ook 21 als haar vader met terminale maagkanker in het ziekenhuis ligt (p. 219), een ervaring die voor haar het begin van het einde zal betekenen.

Maar 21 is ook het aantal keren dat Séverine en haar moeder de trap opgaan om het kapot geslagen vaatwerk uit te strooien op “Papa’s kant van het bed” nadat hij gestorven is: “Moeder en dochter samen in een huiselijke dodenmars” (p. 209, herhaald p. 234).

Of het getal 21 ook verwijst naar Dangres eigen leeftijd laat ik in het midden. In ieder geval werd zijn roman aan de pers voorgesteld toen hij nog even 22 was (eind augustus 2010), wat dus impliceert dat hij serieus aan zijn boek gewerkt heeft op 20-, 21-jarige leeftijd.

Het vertelstandpunt lijkt me duidelijk personaal te zijn, dwz. dat het hele verhaal voorgesteld wordt vanuit het perspectief van Séverine: samen met het karakter van de hoofdfiguur is deze vertelinstantie in hoge mate bepalend voor de interpretatie van bepaalde elementen uit de roman.


Het huwelijk: pornografie van de eenzaamheid

 

Vanaf nu kan het alleen nog bergaf gaan” (p. 34): dat is Séverines vaststelling op het moment dat ze als jonge, pas gehuwde jonge vrouw in bed ligt met haar echtgenoot, Daniel Monfort, ’s ochtends na de allereerste huwelijksnacht. Haar voorgevoel zal bittere werkelijkheid worden: liefde, huwelijk, gezin, kinderen en zelfs seksualiteit zijn haar een gruwel, alle zogenaamd liefdevolle relaties zijn tot mislukken gedoemd.

Doen alsof, daar ging het uiteindelijk altijd om in een langdurige relatie. Veinzen dat de liefde een nooit eindigend feest was, ook al wilde je al enkele uren naar huis” (p. 178-179). Of: een relatie is gebaseerd op “beleefdheid”, wat neerkomt op “negeren” (p. 170).

Haar huwelijk met Daniel bestaat in een orchestratie van elkaars afwezigheid (o.m. p. 113); ze hebben hun leven zo ingericht dat ze elkaar nagenoeg nooit hoeven te ontmoeten: “Soms slopen ze zelfs voor elkaar weg, voetje voor voetje. Zoals de clementie langzaam wegschuifelt uit een huwelijk” (p. 12).

Ze verwijt hem dat hij niet was “komen opdagen voor het leven” (p. 118) en sneert hem toe dat hij is “verworden tot een levenloze en onleefbare steen, een van alle menselijkheid ontdaan rotsblok”, dat hij “morsdood” (p. 153) is. Hij is een workaholic die slechts leeft op het ritme van “een vastgeroeste dagindeling” (p. 22) en zich terugtrekt in de stilte, in een “stemloze wereld” (p. 61) zoals een stomme met zijn “onvoorwaardelijke stilte, de onzichtbare sloophamer die je elke dag bewerkte” (p. 224). Hun huwelijk bestaat dan ook uit “eindeloze witte bladzijden” (p. 61).

Gezien de andere bijbelse allusies in het boek, kan de voornaam ‘Daniel’ verwijzen naar het verhaal van Daniël in de leeuwenkuil (de kuil van het huwelijk hier dan wel; deze romanfiguur komt er in ieder geval ongedeerd uit, net zoals de bijbelse Daniël uit de zijne). Zijn familienaam is niet toevallig ‘Monfort’: de enige sterke, “onwankelbare” (p. 157) man op wie Séverine ooit echt verliefd werd, de enige die haar tijdens hun ultieme ruzie bijna verrot slaat en dus de man naar wie ze zal terugkeren – of althans willen terugkeren – op het einde van de tragedie. Met hem haalt ze fratsen uit aan de universiteit én bovendien is hij verzot op literatuur: “Daniel is een beetje moedwillig gek, een Peter Pan, de slimste der bosgoden, in wiens netten ze met graagte verstrikt zit” (p. 186). Séverine hoopt dan ook dat de “kinderachtigheid hun huwelijksdag zal overleven […] om de toekomst van zich af te kunnen schuiven” (p. 187). Maar precies die speelsheid, die fantasie, die gekte (waar zij zo naar hunkert) zweert Daniel af op de dag dat ze afstuderen en tekent daarmee, althans in haar ogen, zijn doodvonnis; zij van haar kant wordt daardoor het slachtoffer van “de list van Pan, het lied van de rattenvanger van Hameln” (p. 187).

En toch, naar het einde toe: “Toch weet ze al dat hij zal terugkomen, onherroepelijk, zoals winters dat doen. Want Daniel zal altijd heden blijven” (p. 158). Ze zal (willen) terugkeren naar de “leegte”, naar “het niets, een pijn die geen pijn meer is, die na een tergend traag proces samengevallen is met leven, zonder dat dat negatief is. Ja, dat vooral: zonder dat dat negatief is” (p. 240).

Het nieuwe (gezins-) leven dat haar minnaar Robertin het vooruitzicht stelt, noemt ze “een hoogtechnologische keukenrobot voor een fijner gesneden geluk” (p. 13). Ze heeft een hekel aan Roberts “sentimentaliteit” (p. 8); hij overdrijft altijd “om de realiteit aan te dikken, haar vet te mesten als een rund, omdat het leven van nature te licht was in zijn ogen. Je moest het verzwaren om er iets aan te hebben” (p. 25). Hij doet “drukkend klef” en wil iedereen “obsessioneel het geluk door de strot rammen” (p. 27), of zuigt haar genegenheid uit haar weg als “een frenetieke bloedzuiger” (p. 39). Die brave Robert, die zich zo uitslooft voor vrouw en zoon, wordt omschreven als een “slappeling”, als “het voetveegvriendje van een hoer, een verdoolde behoeder van liefde in gezinsverband” (p. 167). Of, gruwelijker nog omdat het een tragisch prospectief element vormt: “Hij is een hond die tegen beter weten in aan de leiband trekt, niet beseffend dat het touw daardoor almaar strakker rond zijn luchtpijp komt te zitten. Hij zal stikken” (p. 176).

Roberts “liefde voor haar was een zuur waarin hij langzaam oploste” (p. 91). Ze verwijt hem dat hij “voorspelbare liefde” (p. 65) beoogt, “liefde met de grote gebaren, met het happy end… Massieve liefde” (p. 66), “stoffig als de baard van de profeet” (p. 69).

Robert is de brave slappeling, de onhandige “gezinsgoeroe” die “het dagelijkse cassettebandje van het vaderschap” (p. 22) afdraait, of naar wie ze kijkt als naar “een gehandicapte die sukkelde […] Die afging eigenlijk” (p. 170). Conclusie: hij betekent voor haar slechts “de noodoplossing. Man-vrouwliefde was de noodoplossing” (p. 80).

In tegenstelling tot de ‘stom’ geworden Daniel zou Robert het geen “onoverkomelijke ramp […] vinden om doof te worden” want “dat zou het contact tussen ons nog verinnigen” (p. 99). Hij zet overigens vaak een koptelefoon op om naar zijn cd’s te luisteren. Nog sterker: “Soms kreeg ze de indruk dat Roberts ultieme droom erin bestond het huis te reduceren tot de binnenkant van een piano […] volgestouwd met smartlappenliefde op de tonen van Mozart en Beethoven” (p. 23).

Ongetwijfeld bevat ook de naam “Robert Scarpomo” een dubbele bodem, maar die zit me net iets te diep verborgen.

Daniel hult zich dus in zwijgzaamheid en Robert in ‘doofheid’. In het eerste sprookje (pp. 54-59, waar trouwens ook Oedipus vermeld wordt) steken twee gehuwden zich de ogen uit als ‘bewijs’ van en voorwaarde voor totale en wederzijdse liefde. Echtgenoten zijn dus blind, doof of stom: daarmee is de onmogelijkheid tot enig contact in een relatie compleet.

Roberts zoon Amedeo is “de zoon met de bespottelijke naam, die iedereen meteen aan Mozart linkte” (p. 11). Wellicht moeten we deze uitspraak van de verteller beschouwen als een ondeugend plagerijtje van de auteur om de lezer op het verkeerde been te zetten. Mozarts voornaam wordt immers geschreven als Amadé of Amadeus, terwijl de spelling Amedeo (en de Italiaanse variant op zich al) ondubbelzinnig verwijst naar Modigliani, die in het boek meer dan eens vermeld wordt omdat zowel Robert als Séverine een reproductie van hem tegen de muur hebben (of hadden) hangen, het “bekende muzenportret van Jeanne” (p. 9). De zo typische Modigliani-stijl – “een hoekige, langgerekte vrouw” (p. 9) – is niet het enige element dat betekenisverbanden schept in de roman.

De Italiaanse schilder is immers geboren in Livorno, precies de stad waar Séverine heen trekt na haar scheiding. En net zoals Modigliani uit Livorno naar Parijs trok (en tijdelijk weer terug), zo pendelt Séverine van Parijs naar Livorno en omgekeerd. De schilder leed aan depressies; Séverine, in zekere zin, ook. Hij leidde een turbulent leven en gebruikte alcohol en opium in aanzienlijke hoeveelheden; ook Séverine heeft een drankprobleem. Jeanne Hébuterne, Modigliani’s grote liefde en muze, pleegde na zijn dood zelfmoord, net zoals Séverine het zal doen na de dood van Robert.

Misschien is het zelfs niet te ver gezocht om ook een verband te zien tussen de voornaam van de kunstenaar (ingekort ‘Modi’, een door het Parijse publiek vaak gebruikte troetelnaam die in het Frans echter ook naar ‘maudit’ verwijst) en het feit dat Séverine zelf door haar verleden ‘vervloekt’ is.

Tot slot: Jeanne, het 15 maanden oude dochtertje van de schilder en zijn muze Jeanne, werd opgenomen in het gezin van Modigliani’s zuster in Firenze na de dood van haar ouders. Vergelijk met Amedeo in het boek: “Binnen enkele dagen zou de jongen definitief bij Roberts zuster gaan wonen” (p. 206-207).

Voor het overige lijkt Amedeo mij een modale puber: hij gaat naar school, is verzot op keiharde muziek, bekijkt op zijn computer al eens een keertje pikante prentjes of filmpjes, doet aan sport (voetbal), houdt van actiefilms en presenteert tijdens een dinertje thuis zijn liefje aan vader en stiefmoeder.

Dit gezin vormt echter een “ijzeren gordijn” dat het “driedelige cachot van de gezinsleden” (p. 83) afsluit en de gevangenen isoleert van de wegstervende “rest van de mensheid” (p. 206). Gezinsmaaltijden: “een broeihaard” (p. 10); en een huisvrouw: een “professionele heks” (p. 199). Talloze andere passages in het boek illustreren deze visie op het gezin als een verstikkend milieu vol uitgesproken en vooral onuitgesproken spanningen en conflicten.

Dé liefde als zodanig maakt in zo’n context dan ook geen enkele kans: “De verliefdheid […] was verpletterd onder het kolossale gewicht van de liefde, die reus op lemen voeten onder wiens massieve zwaarte je ten langen leste altijd vermorzeld werd” (p. 193).

Het lijkt me een wetmatigheid te zijn dat de aanvankelijk blinde, gulzige, passionele liefde tussen twee jonge mensen zich na verloop van tijd altijd danig schrap moet zetten tegen de banale realiteit van het leven, tegen de Realpolitik die het leven van een (echt-) paar eist: het werk, de problemen rond eventuele kinderen, de onvermijdelijke verplichtingen of materiële zorgen, de soms desastreuze mokerslagen van het lot die een koppel of gezin kunnen treffen; in dit verband is het eerste sprookje, over de blinde verliefden (pp. 54-58), trouwens erg treffend.

Maar bij Séverine is er véél meer aan de hand: ongeacht de mogelijke gebreken van haar partners of de druk van externe factoren is ze immers van jongsaf gedoemd om te bezwijken onder het gewicht van haar verleden en herinneringen – waarover later meer.

De apodictische opvatting dat “Liefde […] altijd een beetje [moest] kwellen om te blijven duren “ (p. 29) heeft ze als kind al meegekregen. Want “Liefde, vertelde Papa, is elkaar zo graag zien dat je elkaar pijn doet, zo graag dat je niet meer wilt dat de ander niet jou is. Daarom doe je de ander pijn, omdat je niet wilt dat hij een ander is” (p. 29). Maar helaas: “Niet-pijnloze liefde is niks voor Robert” (p. 46).

Wat er ook van zij, na een heftige ruzie met Robert klinkt Séverines conclusie over liefde en (gezins-) geluk danig hard: “Dit is de pornografie van de eenzaamheid […] Wie beweerde ook weer dat liefde niets anders is dan een ruilbeurs voor eenzaamheid? Hij of zij zit er in ieder geval naast: liefde is geen ruilbeurs, het is een uitverkoop” (p. 101; de prachtige metafoor van de eerste zin komt letterlijk terug op p. 232).

De “niet-pijnloze liefde” krijgt ten slotte ook gestalte in heel concreet fysiek geweld. Absolute hoogtepunt op dit vlak vormt een bjna in slow motion uitgevochten bokspartij met Daniel (pp. 156-158), een handgemeen dat hem met een bloedend aangezicht en haar bewusteloos achterlaat.

Meer dan eens heeft ze zin om ook “op Robert te meppen, […] één staalharde slag” (p. 25), die hij later ook krijgt (p. 77; zie ook, b.v., p. 64 en 98). Zelf verlangt ze soms, vanwege Robert, een “gebalde vuist op haar gezicht” (p. 123).

Zelfs Amedeo “leek toestemming te vragen om erop los te slaan” (p. 44), nl. op zijn stiefmoeder. Hij zal Séverine inderdaad een bloedneus bezorgen (p. 51); iets verderop gaan ze serieus met elkaar op de vuist en spuwen ze in elkaars gezicht (p. 82-84).

De alles verschroeiende oorlog van de liefde” (p. 64) mag dan ook zowel figuurlijk als erg letterlijk opgevat worden en vertoont, in het geval van de hoofdfiguur, ronduit sado-masochistische trekjes.


Séverine


De voornaam van het hoofdpersonage houdt verband met het Latijnse ‘severus’, dat o.m. ‘hard, rechtlijnig, rigoureus’ betekent. Hard is ze zeker, onmenselijk hard zelfs; en rigoureus is ze in haar drift om elke vorm van geluk te fnuiken. Haar familienaam “Delacroix” verwijst ondubbelzinnig naar het kruis, zij is ‘de gekruisigde’. De handkus die een galante heer haar geeft, voelt aan als “Een klinknagel die door haar hand geslagen werd” (p. 33) – om nog te zwijgen over het feit dat ze op zowat alle crisismomenten haar handen tot bloedens toe openkrast met haar eigen ‘nagels’.

Séverine is een psychotische vrouw die een aantal symptomen vertoont van het ‘borderline-syndroom’.

Haar zelfbeeld is om te beginnen alles behalve positief: “Hij haat me, hij kan niet anders. Niemand die mij een tijdje kent, kan anders” (p. 159). Of: “Niemand. Dat was ze. Absoluut niks. De leegte. Het nulpunt” (p. 39). In de “kapitale geschiedenis” van een vader, een moeder en een kind – meer bepaald in het nieuwe gezin van Robert – staat zij helemaal nergens, “zij viel onder de sectie achteraf” (p. 19). Of nog: “Niemand kreeg haar opgeknapt. Ze was voor altijd een kapot hulpstuk voor zijn geluk” (p. 67). Die leegte en verveling ervaart Séverine ook in haar huwelijk met Daniel.

Een ander belangrijk symptoom vormt de zelfverwonding als verweer tegen zelfhaat en eenzaamheid, vaak als gevolg van seksueel misbruik of emotionele verwaarlozing. Talloze passages verwijzen naar het openkrassen van haar handpalmen, uiteraard altijd op momenten van uiterste spanning of wanneer ze betrapt wordt op leugens.

De oorzaak van deze obsessieve handeling ligt in de traumatische ervaring van haar vaders dood: “Een seconde lang beroerde Papa’s wijs- en middelvinger haar hand” (p. 220) wanneer ze aan zijn sterfbed zit, een goed bedoeld vaderlijk gebaar dat in haar ziel en geest gegrift zal blijven.

Ook andere figuren in het boek vertonen vergelijkbare dwangmatige handelingen. Het hoertje Marilu begint in een café “in het tafelhout te krassen” (p. 147) en de huid van haar schouders is bedekt met “dikke, rode striemen” (p. 232). Iets gelijkaardigs zien we overigens bij Robert, die voortdurend met zijn vingers aan het tafelkleed (b.v. op p. 129) of aan zijn trui zit te friemelen (p. 161).

Andere symptomen van border-line zijn wisselende stemmingen, verregaande impulsiviteit, intense woede en driftbuien, die inderdaad allemaal frequent voorkomen in het boek. Daarnaast lijdt Séverine ook aan een eet- (9) en alcoholprobleem (p. 53 of 59), aan maagkrampen (duidelijk verwijzend naar de maagkanker van haar aanbeden vader), braken en hoofdpijn en gaat ze, net zoals haar moeder, soms in een hysterische bui op de vloer liggen. Sommige van deze psychosomatische ziektebeelden vinden hun oorsprong rechtstreeks in de vader- of moederfiguur, maar kunnen ook beschouwd worden als hysterische pogingen om niet in de steek gelaten te worden. Precies die verlatingsangst speelt bij het hoofdpersonage een sleutelrol in haar verhouding tot de (gestorven) vader en haar partners: zie b.v. Daniel die “altijd heden” zal blijven (p. 158), of in verband met Robert, van wie ze vreest dat hij zal weggaan of dat hij aan kanker lijdt (b.v. op p. 47 en 202-204).

Verder vermelden we het extreme idealiseren of kleineren van anderen, wat erg duidelijk blijkt uit haar relatie met respectievelijk de vaderfiguur en haar partners of de stiefzoon, niet toevallig allen mannen.

Een erg belangrijk ziekteverschijnsel ten slotte wordt gevormd door paranoïde ideeën (waanbeelden, waanzin) en dissociatieve verschijnselen. Beide begrippen komen expliciet in de roman voor: “Alles moest […] versplinteren, dissociëren” en “Ze werd krankzinnig, ze werd haar moeder (beide op p. 50). Séverine wordt trouwens door meerdere personages – Amedeo, Gustave, Robert, zelfs de vader – ‘gek’, ‘getikt’ of ‘prettig gestoord’ genoemd, naargelang van de positieve of negatieve connotatie die de spreker in kwestie erin wil leggen.

De vrouwenportretten van Modigliani en Picasso, die in Roberts huis in Livorno tegen de muur hangen, verwijzen door hun stijl naar ‘verbrokkeling’ of ‘loskoppeling’: “Weer ging haar blik naar de starende vrouwen, de uit elkaar gehaalde figuren die wanhopig hun eigen symmetrie herzochten” (p. 10); en een theekopje dat Robert naar Séverines hoofd keilt, belandt tegen één van de reproducties: “een Modiglianivrouw was haar beschermingsglas kwijt” (p. 204).

Niet onbelangrijk in deze context van ‘dissociatie’ is wellicht ook het feit dat ze meermaals lijdt aan duizelingen of zelfs gewoon flauw valt, wat dus betekent dat ze er af en toe tussen uit knijpt. Dat gebeurt b.v. wanneer ze getuige is van een zwaar auto-ongeval op straat (p. 47) of bij het betreden van een restaurant (p. 33 en 38), waarbij altijd een herinnering of een emotie fungeert als ‘ontstekingsmechanisme’, in dit geval respectievelijk een opstoot van verlatingsangst en de handkus die ze krijgt van de restauranteigenaar.

De belangrijkste consequentie van deze symptomen van paranoïa en dissociatie betreft echter Séverines boek Testament van een tweederangshoer, dat, althans volgens haar eigen verklaringen, gebaseerd zou zijn op haar werkelijk beleefde ervaringen als prostituée in het wereldje van de betaalde liefde.

Een eerste aanwijzing voor het verzonnen karakter van haar avontuur wordt echter aangereikt nadat ze ontwaakt is uit een nachtmerrie: “Het was een droom geweest, een droom in een droom. Ze had zich nooit geprostitueerd, toch?” (p. 91).

In verschillende passages probeert ze mordicus het realiteitsgehalte van haar fictie vol te houden, b.v. tegenover Gustave, haar vroegere chef bij de krant, en tegenover Robert, die er wel degelijk in gelooft (met alle gevolgen vandien). Gustave vindt van bij de aanvang haar boek, dat overigens als ‘roman’ en dus als fictie gepresenteerd en gecatalogeerd werd, “onrealistisch” (p. 187) en hij wijst haar op grove onwaarschijnlijkheden of zelfs fouten i.v.m. de wereld van de Parijse prostitutie; ondanks alle argumenten blijft Séverine echter halsstarrig volhouden dat het “wel eens een non-fictieboek zou kunnen zijn” (p. 188). Precies tijdens deze discussie maakt ze van haar handpalm alweer een “doorploegd huidoppervlak” (p. 190).

Nog duidelijker is het hoertje Marilu wanneer die aan Séverine toevertrouwt wat hun pooier haar vertelde en wat zij, Marilu, altijd al vermoedde: “Je hebt je nooit geprostitueerd, is het niet?” (p. 231), waarop Séverine heftig protesteert zonder echter haar ‘oud-collega’ van het tegendeel te kunnen overtuigen.

Laat ik ootmoedig bekennen dat ik dat fictieve karakter van Séverines avontuur na een eerste lectuur niet had opgemerkt, hoewel daar achteraf gezien wel degelijk goede argumenten voor blijken te bestaan. De literaire ‘leugen’ past weliswaar mooi in het monomane, door waanbeelden en leugens geteisterde hoofd van Séverine, maar het blijft toch een ietwat hachelijke onderneming om haar boek inderdaad als “een droom in een droom” (p. 91) te ontmaskeren.


Het ondraaglijke gewicht van het verleden

 

Hoe afwijkend Séverines gedragingen, obsessies of manieën ook mogen zijn, toch maken de als mozaïekstukjes doorheen het boek gestrooide flash-backs over haar kindertijd het allemaal erg geloofwaardig. Haar beide ouders spelen daarbij een kapitale, zoniet fatale, rol. Op haar twaalfde heeft Séverine al uitgemaakt dat haar moeder “geestesgestoord was en vooral hulp nodig had” (p. 208), en het is precies die waanzin die ze als een erfelijke ziekte bij zichzelf constateert (p. 50). Séverine legt voortdurend de schuld bij haar moeder (o.m. p. 84) maar ook de (overigens liefdevolle) vader ligt blijkbaar aan de basis van haar psychische problemen. Als hij haar één van zijn ‘sprookjes’ heeft verteld, merkt de kleine Séverine op: “Je bent gek, Papa. Echt heel gek”, waarop hij repliceert: “Nou, dan heb jij een gekke Papa en moet jij dus ook wel een beetje kierewiet zijn” (p. 58).


Moeder


Séverines moeder is zelf al een hysterische, psychotische vrouw, die behept is met een aantal obsessies en manieën. Zo lijdt ze aan smetvrees, die tot woede-uitbarstingen leidt wanneer iemand, b.v. haar dochter of zelfs één van de gasten tijdens een diner, het waagt een klein vlekje op het tafelkleed te maken; op hoge leeftijd poetst ze nog trouwens nog altijd “als een bezetene” (p. 213). Als er gasten komen dineren, dan is ze altijd met iets anders bezig of verdwijnt ze gewoon uit het gezelschap.

Soms krijgt ze vreemde aanvallen: “Etmalen lang was haar moeder op de keukenvloer blijven liggen” (p. 59), zonder klagen, zonder eten of drinken. Een arts constateert alleen maar “zelfverklaarde maagpijnen”; niet veel later “was de hoofdpijn begonnen” (p. 59).

Als kind al wil Séverine nooit eten wat haar moeder haar voorschotelt, “omdat het onmogelijk was. Omdat het haar moeder was” (p. 9), wat wellicht ook haar afkeer van de gezinsmaaltijden bij Robert kan verklaren. De moeder begint na een aanval van hysterie obsessief onbelegde boterhammen te vreten (p. 59), wat Séverine als volwassen vrouw ook doet (p. 53).

Een goede samenvatting van het harteloze optreden van de moederfiguur wordt gegeven via de gedachten van Séverine zelf, wanneer ze voor de eerste keer Robert ontmoet:

De toverkol [de moeder] spookte door haar hoofd, ze voelde de behoefte om het allemaal op te biechten: we gingen bijna nooit naar de speeltuin, we waren als de dood om aan tafel een spatje of druppel te morsen, we durfden haar nooit te zeggen dat er iemand voor haar aan de telefoon was, Sinterklaas bracht speeltjes die de volgende dag in stukken en flarden teruggevonden werden achter de kast, en we maakten altijd ruzie, zo veel ruzie dat het leek of we niet zonder konden bestaan, zodat we op den duur bang waren voor het moment dat de ruzie ophield, alsof we dan nooit meer moeder en dochter zouden zijn” (p. 134)

De moeder is niet in staat om liefde te ontvangen noch te geven: “Ze ketterde en schold wanneer haar liefde werd betuigd” (p. 213), en omgekeerd houdt ze, tijdens een feest voor Séverine n.a.v. de publicatie van haar dichtbundel, op met in de handen klappen als ze merkt dat haar dochter het ziet (p. 120) – om nog te zwijgen van andere kleine en grote pesterijen (met werkelijk sadistische trekjes), scheldpartijen of zelfs een klinkende oorveeg voor haar kind.

Evenwel nog veel erger, voor Séverine, is het feit dat de moeder Papa haat (p. 11), ze bedreigt hem aan tafel zelfs met een vork (b.v. p. 125-126); bovendien is zij er de schuld van dat Papa thuis geen piano wil spelen.

Tijdens een ontmoeting, jaren later, slingert Séverine haar moeder dan ook “jaloersheid” als motief voor alle ellende toe (p. 225), en concludeert: “Alles is kapot, en dat weet je. Een voor een heb je ze stukgemaakt, iedereen die ook maar een halve seconde naar geluk rook” (p. 226). Ze noemt haar moeder: “de liefde van Papa’s leven. Onbevattelijk. Onverantwoord” (p. 169).

De moeder van haar kant stelt “dat je enkel kon overleven door even onuitstaanbaar als het leven zelf te zijn” (p. 49), ze wil het leven verslaan “door de volmaakte graad van onuitstaanbaarheid te bereiken” (p. 222) – een motivering voor haar hatelijke gedrag die perfect weerspiegeld wordt in Séverine: “Ze zou vergaan op de dag dat niemand meer om haar onuitstaanbaarheid zou zuchten” (p. 74, herhaald op p. 192).

En dan is er nog die vreemde obsessie om het kind Séverine te confronteren met de dood: “Oma, een tante, een verre neef of achternicht, altijd moest en zou ze meegaan op ziekenbezoek, omdat haar moeder vond dat sterven iets was wat je niet vroeg genoeg kon leren […] om er juist een zekere immuniteit tegen te kweken” (p. 14).

Séverine mag als kind de dood dan al ervaren als een “slaapverwekkende vertoning” (p. 14), maar wanneer ze haar vader op zijn sterfbed bezoekt, is die immuniteit “verleerd. Eruit gegroeid zoals bij kinderkleren” (p. 215), en daar houdt ze een levenslang trauma aan over. Ziekenhuizen zijn voor Séverine vanaf dan “verbloemde sterfhuizen” (p. 11) met een “wirwar van steeds wittere ziekenhuisbedden” (p. 47) en “eeuwig melkwitte muren” (p. 70). Het is niet toevallig dat ze haar huwelijksnacht met Daniel doorbrengt in een “zinkwitte kamer” (p. 33) met een “witte deur” (p. 38) en dat de hotelbadkamer betegeld is met “vaalwitte vierkanten” (p. 36). Als ze op een avond naast Daniel in bed kruipt, hoort ze zijn “vredig gesnorkel, als het zoemen van levensnoodzakelijke ziekenhuisapparatuur” (p. 141). Ziekenhuizen herinneren haar aan “oneindig ziekenhuiswit. Kleur van de dood” (p. 173).

(Mogen we in deze doodsobsessie van de moeder een verre echo horen van Mishima’s grootmoeder, die er ook nogal morbide pedagogische ideeën op nahield?)

Is het verwonderlijk dat Séverine haar moeder, het moederschap en alles wat daarmee verband houdt, inclusief kinderen, haat? Roberts zoon omschrijft ze als “de uit rotte bloemkolen gekomen Amedeo” (p. 74). “Ze had niet om dit kind gevraagd. Ze had om geen enkel kind gevraagd” (p. 8). Hij betekent een “loodzware boei, verankerd in de afgelopen vijfenveertig jaar van hun leven” (p. 9). Kortom: “Zo was het dus om een kind te hebben: ondraaglijk, huiveringwekkend” (p. 50). Of nog: “Ze was geen moeder, dat was wel de laatste categorie mensen waartoe ze wilde behoren” (p. 18).


Vader


Papa, een zachtmoedige en lijdzame concertpianist, probeert zijn kleine dochtertje na een zoveelste crisis van de moeder te sussen “door te zeggen dat haar moeder wel lief wilde zijn, maar dat die pogingen tot tederheid mislukten omdat ze zichzelf niet graag zag” (p. 208); of hij noemt tegenover de kleine Séverine zijn vrouw “niet echt boos” maar “verdrietig”, en wel “omdat ze ons graag ziet en bang is om ons kwijt te raken. […] Mama is heel bang om mensen te verliezen” (p. 245). Terzijde: gaat het hier om een gelijkaardige verlatingsangst, en doodsangst, als die van Séverine? In ieder geval kan zo’n angst de woede van de moeder verklaren wanneer ze van Séverine verneemt dat Papa overleden is: ze gooit alle serviesgerei dat ze in de keuken kan vinden aan scherven en brengt die dan (21 keer!) met een stofblik naar boven waar ze ze uitstrooit op “Papa’s kant van het bed” (p. 209) – scherven die overigens herinneren aan de ‘verbrokkelde’ structuur van de schilderijen.

Laten we niet vergeten hoe de vader tegenover Séverine de onbegrijpelijke en ondraaglijke hatelijkheid van zijn vrouw vergoelijkt en zelfs verantwoordt door te stellen dat liefde betekent: “elkaar zo graag zien dat je elkaar pijn doet, zo graag dat je niet meer wilt dat de ander niet jou is” (p. 29). Eén van de pijnlijkste episoden in het boek is het moment waarop Séverine haar met messteken aan flarden gereten knuffel terugvindt en huilend naar haar vader loopt. Maar zelfs dan onderdrukt hij, weliswaar krampachtig, zijn verdriet en machteloze woede en berispt hij op nogal kordate wijze zijn dochter om haar kinderlijke plannetje er samen vandoor te gaan: “Wij gaan hier niet weg. […] Wij horen met zijn drietjes bij elkaar” (p. 165).

En het is ook de vader die indirect de titel Vulkaanvrucht verklaart, het epitheton dat de auteur aan Séverine gegeven heeft. Hij omschrijft zijn vrouw immers als “mijn heilige tempel, mijn Sicilië, mijn vulkaan” (p. 72), of: “Mama is een lief vulkaantje […]. Het leuke en het mooie aan een vulkaan, en dus ook aan mama, is juist het uitbarsten” (p. 252; zie ook p. 96).

Al bij al lijken deze vergoelijkingen, verantwoordingen en relativeringen mij, gezien de ernst van de situatie binnen dat gezin, toch lichtjes onwaarschijnlijk – tenzij men de houding van de vader zou verklaren vanuit een aan masochisme grenzend martelaarschap of een aan waanzin grenzende liefde voor zijn vrouw.

Papa is Séverines toeverlaat, trooster en beschermer: hij spaart haar steeds wanneer een ruzie uit de hand dreigt te lopen door haar weg te sturen; hij speelt piano (net zoals Robert overigens), maar nooit thuis (wat Robert ook opgegeven heeft); hij stimuleert haar in haar literatuur en organiseert de uitbundig feestelijke viering van haar eerste publicatie; én hij vertelt haar – erg vreemde zoniet gruwelijke – sprookjes die hij zelf verzint. Séverine kijkt, als kind maar ook als vrouw, op erg irrationele en geëxalteerde wijze naar hem op als naar een god. Als volwassen vrouw vergelijkt ze Robert vaderschap met dat van haar vader: “Zij wist wel beter. Vaderschap was iets anders, iets grootsers, was niet minder dan een beetje goddelijk zijn” (p. 173).

De verafgoding van de vader is een normale fase in de groei van een kind en valt wellicht nog meer te begrijpen in het gezin van Séverine, waar de liefdevolle moeder totaal afwezig is en zelfs in haar tegendeel kantelt. Maar wanneer ze, als 21-jarige, geconfronteerd wordt met de dood van Papa en verweesd bij de stervende staat, slaan bij haar de stoppen door en overschrijdt haar vaderliefde een gevaarlijke grens: “Ik kan niet zonder je, Papa” prevelt ze de zieke in het oor (p. 219); wanneer de vader haar van het tegendeel probeert te overtuigen, herhaalt ze: “Maar als jij nu mijn ding was, als jij…” (p. 220) – waarna de vader met twee vingers haar hand beroert: een fataal gebaar, zoals hoger al gebleken is. Séverine is zich trouwens scherp bewust van het begin van haar tragedie, van haar lange lijdensweg: “Deze crisis duurde […] al meer dan een kwarteeuw” (p. 183), nl. sinds het tijdstip waarop haar vader overleed – moment dat ironisch genoeg vrijwel samenvalt met de uitbundige viering van haar eerste en enige literaire triomf.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hier een latent, onbewust incestueus verlangen meespeelt. De vermelding van Oedipus (in het eerste sprookje), “een koning die zijn ogen heeft uitgestoken omdat hij iedereen doodongelukkig maakte” (p. 55), kan een aanwijzing in die richting vormen (een ‘hint’ die, in het kader van dit sprookje, al bij al té expliciet en enigszins ongepast, zoniet vrij ongeloofwaardig overkomt). Het incest-vermoeden lijkt me echter vooral bevestigd te worden door haar latere houding tegenover alle mannen en sex, en zeker door volgende gedachte die Séverine koestert nadat Robert haar aangevallen heeft: “Hij was een gevaar. Alle liefde zonder bloedband was een gevaar” (p. 162).

Luc PAY

(Slot volgt)

Partager cet article
Repost0
3 novembre 2010 3 03 /11 /novembre /2010 06:06

 

Het proces van “afstoten en aantrekken” is van doorslaggevend belang is voor de correcte inschatting van Pernaths “interpersonele” relaties, aldus Walter van den Broeck, die zich daarbij beroept op de psychiatrische opvattingen van H. S. Sullivan. Het speciale Pernath-nummer van het Nieuw Vlaams Tijdschrift dat ik in 1976 samenstelde (XXIX, nr. 6-7, juli-september) wekte verbazing op bij Walter van den Broeck, omdat bleek “dat ook anderen gemengde gevoelens tegenover hem koesterden”.

Hoewel het om een gedenkboek ging, kreeg hij door een aantal medewerkers postuum nogal wat denigrerends, naar het hoofd geslingerd. Dat Huug een moeilijke mens was in de omgang, kon ik nog aanvaarden. Maar dat hij door diversen een mythomaan, een mentale en psychische nomade, een egocentrische figuur, een rotzak, een bedrieger en een leugenaar werd genoemd, dat ging welk erg ver. (Het land van Pernath, p. 12)

Walter Van den BroeckWalter van den Broeck

Ik ben het niet eens met Walter, die nogal eenzijdig, elliptisch en buiten de context citeert. Bovendien, wat is er mis aan 'gemengde gevoelens', prettige en minder prettige gevoelens tegelijk die tot de slotsom leiden: “wat ik ervan moet denken”... ?

Op L. Adriaens, J. Gerits & F. Willaert (die een boeiende, collectieve academische bijdrage leverden), Hedwig Speliers (die poëticale beschouwingen ten beste gaf) en de dichteres Lisbeth van Thillo (schoonmoeder van Eddy van Vliet die spontaan een gedicht instuurde) na, kwamen in het NVT uitsluitend oude of recentere vrienden en weggenoten van Pernath aan het woord: Wilfried Adams, Georges Adé, Frank Albers, Fernand Auwera, Michel Bartosik, Roger Binnemans, Nic van Bruggen, Jan Christiaens, Patrick Conrad, Lode Craeybeckx, Clara Haesaert, Robert Lowet de Wotrenge, Michel Oukhow, Luc Pay, Tony Rombouts, Guy Vaes, Jo Verbrugghen en Freddy de Vree.

De aangehaalde medewerkers waren zonder uitzondering deelachtig aan een of meerdere van de zorgvuldig afgescheiden levens die Pernath tegelijktertijd leefde. Het was geenszins de bedoeling een heiligenleven op te hangen. Literaire hagiografie wordt overgelaten aan buitenstaanders.

Waarom Hugo Claus geen bijdrage leverde weet ik niet meer. Waarschijnlijk was de entourage te min voor hem. Wat Paul Snoek betreft, daar heb ik al uitvoerig over gepubliceerd. In de herfst van 1975 heeft hij aan een in memoriam-artikel gewerkt. Diende hij het in een vlaag van moedwil niet in (hij was immers – zacht uitgedrukt... -- ontgoocheld dat hij niet als opvolger van Pezrnath verkozen werd als gouverneur van Pink Poets)? Haalde hij de deadline niet? Vond hij zijn tekst niet publicatierijp – of beantwoordde het zo weinig aan de verwachtingen van de redactie dat we ons genoopt zagen het te weigeren? Ik weet het niet meer. Het typoscript van Snoeks in memoriam kon ik destijds inkijken dank zij de bereidwilligheid van Pink Poet Robert Lowet de Wotrenge. (Zie Henri-Floris JESPERS, 'Snoek over Pernath', in: Mededelingen van hetCDR, nr. 67, 21 maart 2006, pp. 2-6; nr. 68, 5 april 2006, pp. 5-10) , zo ook over de bijdrage van Gust Gils.

Walter van den Broeck leest kennelijk eenzijdig:

Maar je kan je afvragen: als in het speciale Peernathnummer van het NVTal zoveel wrevel wordt geventileerd, hoeveel wrevel Huug bij leven heeft geroorzaakt en te beurt moet zijn gevallen. En als hij dan toch zo onuitstaanbaar was, waarom werkten dan zovelen mee aan dat nummer? Omdat ze zich door hem tegelijkertijd aangetrokken en afgestoten voelden. (Het land van Pernath, p. 13).

Aantrekken en afstoten: is dat niet eigen aan alle vormen van vriendschap...?

In het proces 'afstoten en aantrekken' legt Walter van den Broeck – die een ongetwijfeld relevante en verhelderende problematiek aansnijdt – al te zeer een eenzijdige nadruk op het aspect 'afstoten'.

Dit allemaal gezegd zijnde, Walter van den Broeck reikt zonder meer een aantal belangwekkende denkpistes aan om de complexe persoonlijkheid van Hugues C. Pernath genuanceerder te benaderen.

Het belang van het ouderlijke nest? Ongetwijfeld. Maar dat was precies waar Pernath zich bewust tegen verzette.

Walter van den Broeck onderstreept:

Pernath, en als ik Pernath schrijf bedoel ik de man en zijn teksten, is aan een vrouwenschoot ontsproten. Niet aan één van de vele mooie en vooral moedige vrouwen met wie hij zich wist te omringen. Ook niet aan die van zijn moeder, ook niet aan die van zijn Filippijnse grootmoeder, maar wel aan die van zijn oude, Kempische overgrootmoeder die met stokvis en mosterd leurde en die zijn eigen moeder als kind op schoot nam en haar er als jong meisje weer van afstootte.

Uiteraard kan ik mij zwaar vergissen, maar hier ben ik het grondig oneens met Walter van den Broeck. Ik ben ervan overtuigd dat Hugues precies alles in het werk stelde om genadeloos af te rekenen met die Vlaamse achtergrond. De exotische, Filippijnse afstamming kon hem wel bekoren, de Kempische allerminst. Vandaar de bijzondere relatie met de francofiele vader en diens burgerlijk milieu die, in zijn ogen althans, een venster opende op een andere culturele dimensie.

De moeder was Hugues vreemder, hij zei het zelf, maar zij was wel een permanente toeverlaat, niet alleen financieel, maar ook om het puin te ruimen van talrijke relaties die ook wel eens aanleiding gaven tot minder prettige formele procedures. Daar vernemen we jammer genoeg niets over, vermits de memoires van Grace van den Broeck niet verder reiken dan de Tweede Wereldoorlog.

Wat er ook van zij, de Pernathlezing van Walter van den Broeck reikt een aantal bijzonder waardevolle denkpistes aan (ook wat betreft de taal van Pernath) die voor een toekomstige biograaf van ongemeen belang zullen blijken.

*

Hugues C. Pernath, de eerste gouverneur van Pink Poets, overleed in de Antwerpse privé-club V.E.C.U. op 43-jarige leeftijd in 1975.

Henri-Floris JESPERS

hcpWvdB

Het Hugues C. Pernath Fonds publiceerde eerder:

Joris GERITS, Over een soldaat, 2002, 32 blz.

Stefan HERTMANS, Volleerd als maagd, 2004, 23 blz.

Henri-Floris JESPERS, De maskers van Melpomene, 2006, 64 blz.

In de voorbije jaren verschenen op het blog van het CDR talrijke bijdragen over Pernath en zijn kring.

Partager cet article
Repost0
1 novembre 2010 1 01 /11 /novembre /2010 19:58

 

Bestsellerauteur Esther Verhoef bereikt vandaag de magische grens van 1 miljoen verkochte boeken. Ze is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een van de best verkopende thrillerauteurs in Nederland.

Esther Verhoef brak bij het grote publiek door met haar eerste literaire thriller Rendez-vous (2006). Hierna volgden de successen Close-up (2007) en Alles te verliezen (2008). Ze won tweemaal de Zilveren Vingerafdruk, de publieksprijs voor het spannende boek georganiseerd door Crimezone en eenmaal de Diamanten Kogel. Verhoef werd verschillende keren genomineerd voor NS Publieksprijs, De Gouden Strop en de Diamanten Kogel.
De vertaalrechten van haar boeken zijn verkocht aan Engeland, Duitsland, Rusland, Denemarken, Frankrijk en Spanje. Onder het pseudoniem Escober schrijft Esther met haar man, Berry Verhoef, psychologische actiethrillers. (Bron: Crimezone.Nl).

Partager cet article
Repost0
31 octobre 2010 7 31 /10 /octobre /2010 03:07

  RodeSbb.jpg

 

Veel belangstelling deze middag, op de Antwerpse Boekenbeurs, voor het evenement dat het Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs organiseerde rond de bekendmaking van de nominaties voor De Diamanten Kogel 2010.

Jurylid Jos van Cann, auteur van de onvolprezen Grote Crimezone Thriller Encyclopedie, maakte in alfabetische volgorde de vijf nominaties bekend.

 

Literaire jury’s hebben het zwaar. Echt waar. Stapels boeken – in het geval van de Diamanten Kogel dit jaar bijna 70. Naast de kwantiteit is er de kwaliteit. De ene keer te wisselend. De andere keer te veel goede boeken, zoals dit jaar. Het probleem van het kiezen: steekt er een bovenuit; of komen er teveel voor nominatie in aanmerking; dit jaar. Het is altijd wat in de jury, maar het blijft leuk.

Veel zwaarder hebben het echter de auteurs. Daar denkt dan niemand aan bij zo’n gelegenheid. Weken met een briljant idee rondlopen en maar hopen dat niemand anders daar ook op komt. Dan maanden noeste arbeid. De vingers blauw geschreven, de eerste versie naar de uitgever. Als die het wil: de keel schor pratend om die versie intact te houden. Het opmaken, het corrigeren, het drukken. Eindelijk: het boek ligt er. Dan de promotie of het ontbreken daaraan. Kritiek volgen al of niet. Verkoop idem dito. Het inzenden voor een prijs. De bekendmaking van de genomineerden: zit mijn boek er bij of niet? En ook nog dit moeten aanhoren.

Met de dames en heren auteurs zou ik dus al helemaal niet willen ruilen. Daarom: cut the crap!

 

Dames en heren, de jury, onder bezielend voorzitterschap van Henri-Floris Jespers, heeft voor de Diamanten Kogel 2010 de volgende boeken en auteurs genomineerd.

Coppers

Na Niets is ooit (2008) en Engel (2009), heeft Toni Coppers (Sint-Truiden, 1962) met De geheime tuin (Manteau, 2010) de derde politieroman afgeleverd rond inspecteur Liese Meerhout van de afdeling Kunstcriminaliteit van de Brusselse politie (en niet te vergeten haar vriend, steun en toeverlaat Simon de Vere, kunsthandelaar tegen wil en dank). Alweer een gedegen, vlot geschreven politieroman, zijn beste tot nu toe, waarin opnieuw een schilderij centraal staat.

Het boek begint al met een van de meest intrigerende openingszin van alle inzendingen: "Eén keer per maand, op vrijdag, bezocht Helena Vaels haar eigen graf.". Een zin die de lezer gewoon dwingt om verder te lezen en een van enige humor niet gespeende verhaal te ontdekken dat vertrekkend van een schijnbaar bijna belachelijk eenvoudig idee uitvloeit tot een verhaal van hoog niveau.

De opgewekte, lichtjes chaotische Liese Meerhout krijgt nu te maken met een aantal moorden die op het eerste gezicht niets met elkaar van doen lijken te hebben. Drie lijken: een aan lagerwal geraakte kunstschilder; een jonge vrouw die wordt vermoord terwijl ze een derderangsschilderij aan het schoonmaken is; een Nederlandse Europaparlementslid die lijkt gewurgd tijdens een seksspelletje.

Kunstcriminaliteit...? De kezer zal snel ervaren dat het uiteraard over meer gaat dan smokkel van kunstwerken.

Coppers neemt bovendien de lezer mee op sleeptouw langs een aantal markante plaatsen van de Europese, Belgische en Vlaamse hoofdstad.

Dijkzeul.jpg

Lieneke Dijkzeul (Sneek, 1950) brengt in De geur van regen (Anthos, 2009), de derde uit de inspecteur Vegter-reeks, een klassiek moordverhaal met een wat oudere, gevoelige inspecteur – type fervent lezer, klassieke muziekliefhebber – in de hoofdrol. Weliswaar weer een bedrogen vrouw en een slechte man, maar Dijkzeul slaagt er in plot, sfeer én psychologie van de personages geloofwaardig neer te zetten et sterk uit te werken.

Wie vermoordt en scalpeert roodharige vrouwen? Aan de basis van De geur van regen ligt een zeer mooi uitgedachte plot dat door de auteur ook nog eens degelijk en verzorgd uitgeschreven werd. De hoofdrolspelers worden beetje bij beetje voorzien van een geloofwaardige achtergrond, waardoor er een band opgebouwd wordt tussen de lezer en de personages, wat de betrokkenheid ten goede komt. Hoewel de schrijfster de lezer vanuit diverse vertelperspectieven – we mogen meekijken door de ogen van zowel dader, slachtoffer, hoofdpersonage als potentieel slachtoffer – laat meegenieten van de gebeurtenissen, is Dijkzeul er met glans in geslaagd het geheel zeer degelijk en compact in boekvorm te gieten: in een aangenaam weglezende stijl, met een bijna absoluut minimum aan personages die overtuigend aan de middelmatigheid ontsnappen, tovert ze een meer dan aardig spannend boek.

De lezer weet meer dan de speurders. Zowel dader als motief kan al redelijk vroeg in het verhaal beredeneerd worden, maar de zoektocht blijft opwindend, wat het vakmanschap van Dijkzeul ten volle illustreert.

Een superieure politieroman? Een psychologische roman? Een typische 'literaire thriller', maar dan wel met een atypisch einde voor dit subgenre: gewelddadig en bevredigend.
De stille zonde van Lieneke Dijkzeul werd genomineerd voor De Diamanten Kogel 2007.

Kisling.jpg

De duim van Alva (Arbeiderspers, 2010) is de derde thriller van het schrijversechtpaar Corine Kisling (Rotterdam, 1954) & Paul Verhuyck (Antwerpen, 1940). Zij debuteerden als misdaadauteurs met Het leugenverhaal in 2007. Twee jaar geleden verscheen Kwelgeest. Hun nieuwe, intrigerende roman ligt daar in het verlengde van. Beide hebben een historisch uitgangspunt: in Kwelgeest was dat het academisch en historisch-wetenschappelijk geharrewar over Tijl Uylenspieghel, in De duim van Alva is er de sfeer rond de Sinksenfoor, de jaarlijkse Antwerpse Pinksterkermis. Deze staat zes weken in het trendy Antwerpen-Zuid, waar de bewoners al jaren klagen over geluidsoverlast, wangedrag van dronken bezoekers en een enorme geweldstoename tijdens de kermis. Ligt de oorzaak misschien in het verleden? Bestaat er dan toch zoiets als een daadwerkelijk werkzame genius loci, een opslag van haat als geest van de plek? Het Zuid is namelijk gebouwd op de vroegere dwangburcht van de gehate Spaanse hertog Alva.

De duim van Alva is geen historische thriller, wel een bont en wervelend verhaal met een magisch-realistisch tintje waarin Kisling & Verhuyck een forse vleug historie en eruditie hebben verwerkt. In deze voortreffelijk geschreven roman brengt het schrijversduo een bijwijlen hallucinerend verhaal waarin suggestie en dreiging de bovenhand voeren en mensen en toestanden raak geobserveerd worden: het Grand-Guignol-theater van de angst, bloederige horror, buurtvigilantes, ongeruste huiseigenaars, persoonlijke verhoudingen die klappen krijgen als van een zweefmolen, het gekmakende lawaai van de giga-gondel-attractie – met als apotheose een 'knallend' einde.

Al bevat het dan elementen van de whodunit en whydunit, De duim van Alva is geen klassiek spannend boek net zoals het geen historische roman is: een origineel verhaal waarvoor het vakje nog moet uitgevonden worden.

Afgrondvan Corinne Kisling werd in 2004 genomineerd voor De Diamanten Kogel.

DeLoof.jpg

Mieke de Loof (Aalst, 1951) heeft een serie van zeven thrillers opgezet, een mengeling van feiten en fictie, gesitueerd in Wenen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, laboratorium van Europa, waaruit politieke gifdampen opstegen, maar ook culturele en wetenschappelijke vuurpijlen. Hoofdpersonage is Ksaveri Ignatz von Oszietsky, jezuïet, geheim agent en psychiater. De twee eerdere, zeer fraaie delen, verschenen bij The House of Books – Duivels offer (2004, bekroond met de Hercule Poirot-prijs) en Labyrint van de waan (2006) – zijn uitverkocht. In het derde deel, Wrede Schoonheid (De Geus, 2010), treedt de schilder Egon Schiele op de voorgrond. Een dag nadat Ksaveri Ignatzmet zijn oud professor seksuologie Von Graff is gaan lunchen, wordt de hoogleraar vermoord teruggevonden. De laatste die hem levend gezien heeft, is de omstreden Weense schilder Egon Schiele. Bovendien is er in de hoofdstad van de Dubbelmonarchie een seriemoordenaar actief. Zijn slachtoffers zijn veelal jonge meisjes en vrouwen. De kunstenaar-moordenaar laat kunstzinnige sporen achter die onder meer wijzen naar de erotische werken van Schiele. Ignatz en zijn vriendin Elisabeth von Türn gaan op pad om de gruwelijke lustmoorden op te lossen. Ze voelen beiden sympathie voor Schiele, hoewel alle sporen in zijn richting wijzen en ontdekken dat er een de fotograaf aan de slag is die pornografisch getinte foto’s maakt.

De personages worden levensecht en geloofwaardig neergezet en de plot behoudt zijn spankracht tot het einde toe. Al van bij de eerste bladzijden valt op hoeveel aandacht er is besteed aan het taalgebruik, sober en beeldend tegelijk. Plot en spanning worden echter door dat stilistisch raffinement, dat nooit ontaardt in mooischrijverij, niet ondermijnd. Mieke de Loof beheerst immers de kunst van het schrappen.

Wrede schoonheid is een boeiende roman over gruwel en schoonheid, over de duisternis van de menselijke psyche en over het absolute kwaad. Een boek dat het misdaadgenre overstijgt.

Otten.jpg

Almar Otten (Deventer, 1964) viel de jury al in positieve zin op bij eerdere edities van de Diamanten Kogel. Deze in Vlaanderen nobele onbekende werkt onder de titel De zeven Deventer moordzaken in alle stilte aan een zevendelige reeks van boeken, zalig weglezende politieverhalen waarvan Lied van angst deel vier is.

Ook nu weer – net als in het uitstekende deel drie Gebonden kapitaal – krijgen Jozef Laros en Ellen van Dorth van de Deventer politie temaken met een aantal feiten die op het eerste gezicht, los van elkaar staan. Twee doden later lijkt er toch een onderling verband.

Otten slaagt er telkens in om een originele plot te bedenken die hij langzaam en beheerst voor de ogen van lezer ontrafelt. Ook deze keer staat het verhaal er weer als een huis. Bovendien vlecht Otten er een fraaie verhaallijn in over de IRA (onder meer over de aanslag op de Markt in Roermond in 1990). Met Lied van angst (ArtNik, 2009) schreef Otten een degelijke politieroman met een internationaal karakter alsof hij al jaren bij de top van de misdaadauteurs behoort.

De terloopsheid waarmee Otten Deventer presenteert aan de lezer – er zorgvuldig voor wakend er geen stadsgids van te maken – en de warme persoonlijkheden van zijn vaste speurders, stuk voor stuk erudiete gedistingeerde figuren die hun goede werk voortzetten zonder clichés of platfloerse karikaturen te worden, maken dat Lied van angst aanvoelt als een op maat gemaakt pak en een genot is om te mogen lezen. Het uitstekend opgebouwde verhaal dat terecht grenzen overschrijft, stelt vooral vragen die niet eenvoudig te beantwoorden zijn. Als Johnny Cash in de laatste zin ook nog 'I’m a solitary man’, is het verhaal rond.

 

Brugge heeft Aspe en Van In, Amsterdam Baantjer en De Cock, Halle heeft Witse, Gent en Maastricht hebben Flikken, Brussel heeft Liese, Wenen is voor De Loof en Ksavari Ignatz, maar Deventer beschikt over Otten en Jozef Laros en Ellen van Dorth.

 

De jury DDK 2010: Frank van den Auwelant, Ineke van den Bergen, Jos van Cann, Eric Diepvens, Henri-Floris Jespers, Kris Kenis, Alain Sohier, Geert Swaenepoel, Magali Uytterhaegen.

Partager cet article
Repost0
30 octobre 2010 6 30 /10 /octobre /2010 02:29

 

Knack, het Vlaams-Nederlands Huis deBuren, het Poëziecentrum en Kunstencentrum Vooruit presenteren een nieuwe Nacht van de Poëzie in 2011.
De eerste editie van de Nacht van de Poëzie in 1973 is inmiddels een mythe. Met een pistoolschot opende Marcel van Maele de eerste Nacht voor een uitverkocht Vorst Nationaal. Het gebeuren zelf was een ongelooflijke chaos. Het publiek liet luidkeels zijn waardering en afkeuring blijken. 'Een geweldige rotzooi,' vond Jean Pierre Rawie. 'Al die Nachten in Vlaanderen waren een gigantisch drama, en toch had het wel wat,' dixit Tom Lanoye. Guido Lauwaertschreef als organisator nog drie legendarische edities op zijn naam, in 1975, 1980 en 1984, met gasten als Allen Ginsberg, Hugo Claus, Simon Vinkenoog, William Burroughs, Johnny the Selfkicker, Gust Gils en John Massis.

Zaterdag 2 april 2011 krijgt de geschiedenis van de Vlaamse Nacht van de Poëzie in de Gentse Vooruit een nieuw hoofdstuk.Lauwaert zegde op verzoek van Knack(dat zich ook engageerde in de vier vorige edities) toe een vijfde editie te realiseren. Knack, het Vlaams-Nederlands Huis deBuren, het Poëziecentrum en Vooruit slaan de handen in elkaarvoor een nieuw circus van spraakmakende dichters die zoals vanouds met entr’actes worden afgewisseld.

Het was de uitdrukkelijke wens van Guido Lauwaert om een nieuwe curator aan te stellen die de bakens uitzet voor deze vijfde editie. De keuze viel op Michaël Vandebrildie voor de Stad Antwerpen reeds vele poëzie-initiatieven heeft ontplooid: van het stadsdichterschap, over de Donderdagen van de Poëzie tot het nieuwe Felix Poetry Festival. Vandebril maakt samen met Willy Tibergien (Poëziecentrum) de uiteindelijke selectie die op Gedichtendag 2011 wordt bekendgemaakt.
Michaël Vandebril:

Ik wil als curator de ziel van de historische Nachten van de Poëzie bewaren: de dichter die met zijn gedichten op een podium de strijd aangaat met het publiek. Ook de lange, uitputtende duur van de originele Nachten wordt aangehouden: twaalf uur lang krijgen 50 dichtersminder dan tien minuten tijd om een blijvende indruk na te laten. Vooruit wordt voor de gelegenheid omgetoverd tot een 'serre chaude', een warme broeikas vol vreemde planten, dieren en dichters, een verwijzing naar de eerste poëziebundel van Maurice Maeterlinck.In 2011 is het honderd jaar geleden dat de Gentse auteur de Nobelprijs voor literatuur ontving.

Guido Lauwaert belooft de ziel en de chaos van deze Nacht van de Poëzie te zullen bewaken: 'Het moet een circusspektakel voor intellectuelen worden. Alles kan, niets moet. Hoe zotter, hoe beter.'

Het moge duidelijk zijn: er is een nieuwe legendarische Nacht van de Poëzie in de maak. Michaël Vandebril stelt voor uitgeverij De Bezige Bij Antwerpen een bloemlezing samen van de Belgische en Nederlandse dichters die optreden op de 5de Nacht van de Poëzie. In het nawoord schetst Guido Lauwaert voor eens en voor altijd de turbulente geschiedenis van de Nacht van de Poëzie sinds 1974. Het boek wordt in Vooruit voorgesteld op de 5de Nacht van de Poëzie, 2 april 2011.

 5de Nacht van de Poëzie in Vooruit, Gent - zaterdag 2 april 2011 - meer informatie op www.denachtvandepoezie.be- tickets binnenkort beschikbaar via vooruit.beof tel. 09 267 28 28.

 

Partager cet article
Repost0
29 octobre 2010 5 29 /10 /octobre /2010 14:20

 

Het bed van Willem Elsschot is gisterenavond, 28 oktober, geveild door Mon Bernaerts van het gelijknamige veilinghuis in Antwerpen. Voorafgaand aan de eigenlijke veiling traden enkele Elsschottiana op om de sfeer op te peppen. Onder leiding van Klara-producer Pat Donnez werd vooreerst kleinzoon Willem Dolphyn aan de tand gevoeld. Hij onthulde de reis van het bed sinds het overlijden van de schrijver tot het in handen kwam van Klara. Daarna kwam Mon Bernaerts aan het woord die de herkomst schetste.

Het blijkt om een bed uit een Mechels meubelpaleis te gaan. Tot in de jaren vijftig was Mechelen bekend als meubelstad. Markant om weten is wat Elsschot in zijn roman Lijmen door een van zijn personages [Brussel meubelhandelaar Charles Van Ganzen] laat zeggen: ‘Rommel is het, mijnheer, gemeen fabriekswerk, dat bij duizenden gemaakt wordt. Alles machinaal. In die Mechelse fabrieken gaat het hout er hier in en daar komen de bedden er uit. Louis XV of een andere Louis, wat u maar wilt. Het gaat daar net als in de bekende slachterijen van Chicago.’

Na de historie, de waarde en de kwaliteit [!] gaf Pat het woord aan Michiel Hendryckx die vertelde hoe hij Kaas leerde kennen, en via die roman in de ban raakte van Elsschot. Na Hendryckx was er een kort interview met Pascale Platel. Haar werd gevraagd een liefdesbrief van de jonge Alfons De Ridder aan zijn vrouw Tine Scheurwegen voor te lezen. Waarna Pascale het bed in dook en Pat Donnez uitnodigde naast haar plaats nemen. Na enig pramen liet hij zich overhalen.

De Bed-in actie duurde niet zo lang dan die van John Lennon en Yoko Ono, van 23 tot 31 maart 1969 in het Amsterdamse Hilton-hotel, maar die van Platel en Donnez zette niettemin de zaal op stelten en de fotograven schakelden over in overdrive. Toen beiden, en het publiek, voldoende genoten hadden was er een kleine quiz. Elsschot-kenners Wieneke ’t Hoen, Bart Van Loo en Eric Rinckhout werden aan de tand gevoeld door quizmaster Donnez over kleine details in het werk van Elsschot. Winnaar was Bart Van Loo. Hij mocht huiswaarts keren met een kratje van zes flessen Pale Ale.

Tot slot van het voorprogramma was er een peppraatje. In de huid van Karel Boorman prees Guido Lauwaert het bed aan. In zijn toespraak schuilde heel wat verwijzingen naar het werk van Elsschot. Hij leidde Mon Bernaerts in. Na de gebruikelijke rimram nam hij de hamer ter hand en al gauw steeg de prijs van 500 tot 1000 euro. Het publiek sloeg verbazende kreetjes uit toen de biedingen maar bleven duren. Uiteindelijk sloeg Mon Bernaerts af op 3500 euro. Plus 23,5 % kosten en lasten. Op het aandeel van de staat na, schonk het veilinghuis zijn aandeel aan het goede doel. Een organisatie van Kathy Lindekens, Bednet, die zieke kinderen helpt om via computer en moderne technologie de lessen van hun school te blijven volgen. Zo blijven de kinderen contact houden met hun klasgenoten.

De koper was Frank Verscheuren, eigenaar van een beddenbedrijf uit Maldegem, LS Bedding. 'Ik heb een beddenbedrijf in Maldegem. Het zal een prominente plaats krijgen in onze showroom,’ dixit Verscheuren, die na afloop ook met Pascale ten behoeve van de fotografen te bed ging. Tussen pot en pint bekende Mon Bernaerts aan uw dienaar dat een bed als deze hij nooit verkoopt. Omdat de waarde momenteel niet hoger ligt dan twintig euro.

Een verkorte versie van het programma wordt op zondag 31 oktober om 10 uur uitgezonden op Klara. Het is de afsluiter van een serie programma’s, Zot van Elsschot. Die dag eindigt ook het Elsschotjaar, van wie dit jaar de vijftigste verjaardag van zijn overlijden werd herdacht, en sluit de tentoonstelling van het archief van Willem Elsschot in het Letterenhuis te Antwerpen.

 

Partager cet article
Repost0
27 octobre 2010 3 27 /10 /octobre /2010 03:19

 

Walter-Van-den-Broeck.jpg

De jonge Pernath heeft geleden onder de scheiding van zijn ouders, maar “zijn angsten, zijn somberheid, zijn misantropie” kunnen echter niet alleen daaraan toegeschreven worden, de oorzaak ligt dieper, aldus Walter van den Broeck.

Ik denk dat we de oorzaak verder in de tijd moeten gaan zoeken. Daarom lijkt me het moment aangebroken om een bezoek te brengen aan het belangrijkste deel van het land van Pernath: het ouderlijke nest. En wie kan ons daar beter doorheen gidsen dan mijn tante Lène, Huugs moeder zelf. (Het land van Pernath, p. 18).

Vandaar dat de uiteraard verhelderende, bijwijlen onthutsende getuigenis van Grace Helen van den Broeck zowat de helft van de tekst van neef Walter in beslag neemt. Uiteraard wordt in Mijn en mijn zoons leven (een 'zelfverweer', dixit Joris Gerits) een onvermijdelijk eenzijdig beeld opgehangen, waarin het zelfportret van tante Lène als verwaarloosde en vernederde echtgenote centraal staat.

Het portret dat Pernaths moeder van haar eerste echtgenoot (en van haar schoonouders) ophangt, is allesbehalve hartverheffend – maar dat lag wel voor de hand. Ook wanneer zij als “mater dolorosa” aan het woord komt, wordt vader Charles Wouters er meteen bij betrokken:

Heel veel liefde of vriendschap kon hij [HCP] mij niet geven. Hij was heel erg beïnvloed door zijn vader die mij aanzag als een boerinneke uit Herentals. Maar in de ogen van zijn vader was ik te min en dat heeft mijn zoontje heel erg beïnvloed. (Vroeger natuurlijk). (p. 32)

Of het ouderlijke nest inderdaad “het belangrijkste deel van het land van Pernath is”, en of tante Lène de beste gids is om dat land te verkennen, laat ik hier in het midden. Het land van Pernath telt vele provinciën en het oprechte verhaal van zijn moeder, hoe aangrijpend ook, is uitermate subjectief – en juist daarom bijzonder revelerend.

Het belang van de gestoorde moeder-zoon relatie kan moeilijk onderschat worden, maar Pernath onderstreept zelf in een interview, opgetekend door Michel Bartosik, dat hij meer over de moeder schrijft omdat die figuur voor hem ook “vreemder” was, “maar de vader is overal aanwezig”.

Walter van den Broeck stelt terecht “aanvankelijk probeerde hij [Pernath] uit het puin van zijn jeugd een ik samen ter rapen”. Al te vaak laat Walter van den Broeck zich echter (onbewust) leiden door de visie van de moederlijke clan:

Culturele flarden had hij meegrekregen van zijn vader, die dweepte met Baudelaire en Rilke, maar van wie aangenomen mag worden dat hij vooral met hun namen koketteerde, om serieus te worden genomen, vooral door het schone vrouwvolk. (p. 14)

Van wie mag aangenomen worden ? Culturele flarden ? Dwepen ? Met namen kokketeren om serieus genomen te worden door het schone vrouwvolk ?

Net alsof het “schone vrouwvolk” rond Charles Wouters op de naam Rilke viel...

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
23 octobre 2010 6 23 /10 /octobre /2010 00:37

 

In ‘Boven de wet’, het Antwerpse eetcafé met de toepasselijke naam (gelegen in de schaduw van het Justitie- alias Vlinderpaleis), werd dinsdag de nieuwe thriller van Bob Mendes  voorgesteld. Uitgever Wim Verheije verwelkomde de genodigden als volgt:

Verheije.jpg

Wim Verheije leidt in (foto: Kris vdS)


Ditmaal geen groot episch verhaal dat zich afspeelt op verre continenten en over een lange tijdspanne, maar meer een eerder korte Antwerpse roman die wat setting en omvang betreft aansluit bij
Overspel. Ging het in Overspelom de farmaceutische wereld en in Vuil geld over de rol van de maffia in de Vlaamse samenleving, in Scherprechtergaat het wel over een heel brandend actueel thema: justitie.

Dezer dagen konden we nog in de pers lezen dat vooraanstaande magistraten in Brussel verhoord werden i.v.m. hun rol in de Fortisgate. Wat was en is daarbij de rol van Ghislain Londers, de hoogtste magistraat van België die met zijn brief aan de voorzitter van het parlement de regering ten val bracht. Staat hij boven de wet, maar ging hij toch zijn boekje te buiten? Wij zijn hier in het cafe Boven de wet, maar wij plaatsen ons hoop ik niet boven de wet. Sommige magistraten doen dat wellicht wel omdat ze vanuit hun ivoren toren het zicht op de maatschappij hebben verloren.

Bob Mendes, de grote man van de faction thriller, brengt met deze Scherprechter weer een gruwelijk actueel thema aan. Hij heeft er een neus voor om steeds die onderwerpen te kiezen die op het ogenblik dat het boek verschijnt brandend actueel zijn. Ondanks zijn hoge leeftijd is Bob nog steeds supergemotiveerd om boeken te schrijven die geïnspireerd zijn op de werkelijkheid.
Het plezierige van Scherprechter is bovendien dat Bob private eye Sam Keyzer weer ten tonele voert en dat was al even geleden.

Scherprechter is ook een heel persoonlijk boek geworden, want zoals wellicht elke schrijver zijn personage ent op echten mensen van vlees en bloed, zo heeft ook Bob zich bij het neerzetten van de protagonisten laten inspireren door mensen die hij gekend heeft.

MiekeMendes.jpg

Thrillerschrijfster Mieke de Loof belichtte Mendes' nieuw boek.

 

Kunst is de leugen die ons toelaat de waarheid te ontsluieren.”Als we deze uitspraak van Pablo Picasso toepassen op Scherprechter, de nieuwe, heel spannende Sam Keizer-roman van Bob Mendes, dan wordt dit: Scherprechter is een verzonnen verhaal dat Bob Mendes toelaat de waarheid over de Belgische justitie aan het licht te brengen.

Scherp, kritisch, goed gedocumenteerd en met veel zin voor nuance, legt Bob de zwakke plekken van de Belgische justitie bloot en hij doet dat met zoveel naturel dat je niet eens opmerkt hoe vernuftig hij feiten in fictie weeft. Als schrijver kan ik alleen maar met bewondering naar dit vakmanschap kijken: naar de heldere, klare plotlijnen, naar de perfecte spanningsboog, naar de manier waarop hij de lezer bespeelt, verleidt en op het verkeerde been zet en naar de subtiele technieken die hij gebruikt om kritisch commentaar op de actualiteit te geven – op de Fortiszaak, de guerre des juges, de Operatie Kelk, de installatie van de Hoge Raad voor Justitie. Nooit cynisch, wel sociaal bevlogen.
Die morele verontwaardiging is een constante in Mendes’ oeuvre. In een interview in de boeiende Mendesmonografie
Bob Mendes, Meester in Misdaad van Henri-Floris Jespers, verwoordt Bob het zo: ‘… Ik heb ondervonden hoe de kleine man af en toe slachtoffer werd van bestuursbeslissingen in multinationale ondernemingen. Ik kon daar niets tegen ondernemen. Misschien verklaart dat waarom ik nu een wereldverbeteraar ben geworden, nu ik als schrijver een stem heb om onrecht aan te klagen.’
Scherprechter is het zevende verhaal in de Sam Keizer-reeks, een internationaal gewaardeerde serie rond de hoofdfiguur Samuela, Sam, een avontuurlijke, joodse privédetective met een heel eigen erecode, die op eigengereide wijze naar waarheid zoekt.

Sams’ kantoor in de Vestingstraat 16 is het vertrekpunt van zoektochten in allerhande milieus. In Scherprechter bezoeken we deze keer niet de Hollandse synagoge aan de Bouwmeesterstraat maar trekken we naar een luxebordeel waar politici, captains of industry, modekoningen, mannequins, filmregisseurs en topcriminelen elkaar treffen. We leren dat ‘Yab Yum’ Sanskriet is voor ‘neuken’ en horen Sam in het Pomphuis zeggen hoe jammer ze het vindt dat de Lange Wapper-brug is weggestemd. We vangen zelfs een glimp op van cultuurschepen Philippe Heylen, die, als cameo, op een receptie in het MAS (het Museum aan de Stroom) opduikt. Kortom, de Antwerpse couleur locale weet Bob als geen ander op te roepen. Dat doet hij ook, heel subtiel, door Sams vader schijnbaar achteloos Jiddische uitdrukkingen, wijsheden of woorden te laten rondstrooien. Tedere, talige strelingen waarmee hij zijn liefde voor zijn dochter uitdrukt. ‘Bist vorsight’ of ‘shoyn forgessen’ drukken meer uit dan een ellenlange liefdesverklaring.

Scherprechter begint in medias res, midden in de actie, en aan de beginzin herkennen we de hand van de meester: ‘De eerste keer dat ik Danny Stein in levenden lijve te zien kreeg, lag hij naakt op zijn rug en in diepe slaap op een bed, met naast zich een al even naakte, slapende Perzische schone.’ Sam maakt daar kennis met Danny Stein, een infiltrant, die zijn opdracht blijkbaar nogal letterlijk neemt. De scène is perfect gesneden en perfect gemonteerd. Daarna bouwt Bob twee verhaallijnen rustig op die schijnbaar niets met elkaar te maken hebben. In de ene verhaallijn zoekt Sam naar de persoon die de voorzitter van de correctionele rechtbank van Antwerpen met de dood bedreigt en in de andere helpt ze haar vriendin, die wanhopig toekijkt hoe haar minnaar, na een zware beroerte, verandert in een gekwetst dier dat wild om zich heen slaat. Bob vervlecht de twee verhalen steeds vaster met elkaar tot ze in een apocalyptische, zeer filmische eindscène, volledig in elkaar overvloeien.
Volgens Van Dale is een scherprechter zowel iemand die het vonnis uitspreekt als de beul, die het vonnis uitvoert. Zonder al te veel van de plot prijs te geven kan ik zeggen dat de beide betekenissen in
Scherprechter aan bod komen. Meer nog, de gelaagdheid van dit ogenschijnlijk eenvoudige, knap opgebouwde misdaadverhaal, zorgt ervoor dat we ook de auteur, met zijn intelligente en kritische commentaar op de samenleving, als scherprechter kunnen zien. Een van de dominante thema’s in Bobs werk is, zo lezen we bij Henri-Floris Jespers, ‘ … de ambivalentie van de macht die ten kwade en ten goede aangewend kan worden; de ambivalentie ook van de machtsdenker die in eigen ogen eerlijk en consequent handelt, en geheel blind blijft voor de perversie van zijn drijfveren en de verdorvenheid van zijn handelingen.’ Scherprechter is hier een prachtige illustratie van. Daarbij komt nog dat Bob ook heel interessante, morele vragen stelt. Vragen die bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre stelt in Les mains sales: Of het mogelijk is onkreukbaar te blijven in een systeem dat aangetast is door corruptie, partijpolitieke spelletjes en vriendjespolitiek. Of je het recht in eigen handen mag nemen als je weet dat een crimineel, die nog veel onschuldige slachtoffers zal maken, vrijuit zal gaan. Of je een systeem moet tolereren waarin machthebbers zichzelf controleren. Of je een weerloos slachtoffer van zo’n systeem bent. Uitdagende, actuele vragen die Bob in Scherprechter, zijn beste Sam Keizer-verhaal tot nu toe, niet uit de weg gaat.

Scherprechter is spannend, maatschappijkritisch maar zit ook vol humor. Ik citeer weer uit de monografie van Henri-Floris Jespers: ‘ … Het is soms of hij de personages en situaties vaste vorm laat aannemen in een droom, of in een nachtmerrie. Groots opgezette taferelen hebben niet zelden een Jeroen Bosch-achtige connotatie.’ In Scherprechter gaat het niet zozeer om groots opgezette taferelen maar om beklijvende close-ups van bijvoorbeeld een aftakelende sportgod, die zijn laatste missie tot een goed einde wil brengen. Inderdaad, surrealistische, Bosch-achtige taferelen.

Ik wil eindigen met een vraag: Zou Sam het vrouwelijke alter ego van Bob Mendes kunnen zijn? Dat Bobs romans diep geworteld zijn in de eigen emotionele ervaring, staat buiten kijf. Dat is zo bij iedere goede schrijver. In Henri-Floris Jespers’ monografie zegt Bob: ‘Ik schrijf het allemaal niet van me af, maar weer naar me toe.’ Bobs queeste naar zijn joodse identiteit, zijn moedige zoektocht naar het uiteindelijke lot van zijn vader in de aangrijpende Canvasdocumentaire, zijn verbeelding als kunstenaar die verdriet, gemis en schuldgevoelens weet om te zetten in gelaagde misdaadromans, bevestigen deze uitspraak. David Grossman eindigde zijn aanvaardingsspeech van de Duitse Vredesprijs met de bedenking dat hij, na het rouwen om zijn zoon Uri, die op het einde van de tweede Libanon-oorlog sneuvelde, opnieuw begon te schrijven en met een soort verbazing de vreugde van het schrijven weer ontdekte. ‘Opnieuw ontdekte ik dat schrijven voor mij de beste manier is om te vechten tegen alle soorten willekeur en tegen het gevoel dat ik er het weerloze slachtoffer van ben. Soms is dat ook de manier waarop een mens kan ophouden met slachtoffer te zijn.’ Of, vertaald voor Scherprechter: door een protagonist op te voeren zoals Sam, die een diepgeworteld gevoel voor rechtvaardigheid heeft en geen slachtoffer maar een ‘winner’ is, creëert Bob Mendes een fascinerend personage dat in staat is om verborgen wensdromen te verwerkelijken. De zijne en de onze.

 

Naast (golf)vrienden en famileleden (...en Bobs eerste klant), woonden ook o.a. René Broens, Stan Lauryssens, Leen Lever, Kris van der Sande en Gert Vingerhoets de presentatie bij.

Scherprechter

 

Bob MENDES, Scherprechter, Antwerpen, Manteau / Standaard, 224 p., 21,95 €, ISBN 978-90-223-2565-0.

 

 

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche