Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
27 décembre 2010 1 27 /12 /décembre /2010 18:14

 

Vannacht schreef ik hier dat ik eerstdaags de jongste aflevering verwacht van de Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode. En ja hoor, vandaag trof ik ze in de bus, samen met een aflevering van Wetenschappelijk tijdingen  en van De Auteur.

IvA2.jpgIn de Nieuwsbrief IVA richt prof. dr. Marcel Janssens zijn aandacht op het gedicht 'Lezende “De Vlaschaard”' uit de bundel Het land der mensen (1962): “Het gedicht lijkt me eerder als huldeblijk aan Stijn Streuvels dan wel 'Lezende de Vlaschaard' te zijn tot stand gekomen. Maar het is en blijft welgekomen.”

Aan de hand van het gedicht 'De tronken' uit de bundel Daar is maar één land dat mijn land kan zijn (1983) wijst Christina Guirlande op de belangrijke plaats die bomen in het leven en werk van Van Wilderode hadden (dat geldt nota bene ook voor Erik van Ruysbeek).

De documentaire varianteneditie van De Moerbeitoppen ruischten (1943) heeft mij om allerlei redenen veel leesgenot verschaft. Zo'n Fundgrube! Impliciet geeft editeur Edward Vanhoutte ook een magistrale kritische les in teksteditie, die in de volgende aflevering van de Nieuwsbrief toegelicht zal worden.

WT4.jpgIn het laatste nummer van de lopende jaargang van Wt (Wetenschappelijke tijdingen) schetst Etienne Verhoeyen een beeld van een geheime groep (Sondergruppe Student, genaamd naar de beroemde generaal Kurt Student) die betrokken was bij de voorbereiding (1939-1940) van de Militärverwaltung in België en waarover nog niet eerder gepubliceerd werd.

De samenstelling en werkzaamheden van de groep laten goed de diverse netwerken zien die voor de Duitse inval hun tentakels uitstaken naar België en Nederland en elk op hun manier belangstelling hadden voor de Flamenfrage.

De repressie van het activisme na de Eerste Wereldoorlog werd al door meerdere historici behandeld, echter zonder te steunen, aldus Jos Monballyu,

op 'de bron bij uitstek' voor het beschrijven van deze repressie, zijnde de gerechtelijke archieven van de verschillende instanties die deze strafrechtelijke repressie na de Eerste Wereldoorlog uitoefenden.

De studie van Monballyu vult die leemte aan. Onder de titel 'Het uur van de vergelding' handelt hij over de Vlaamse activisten voor de krijgsraad van het Groot Hoofdkwartier van het Leger (23 januari tot 30 juni 1919).

De jezuïet Jozef Van Opdenbosch (1892-1944), “een boegbeeld van het integraal-katholieke Vlaams-nationalisme in het interbellum” wordt door Christian de Borchgrave bedacht met een verhelderende monografie.

Ook het recente verleden komt aan bod. Frank Seberechts staat stil bij een brief van Jef François aan Leo Poppe over de oppositie rondom het Egmontpact en de ontstaansomstandigheden van het Vlaams Blok.

deAUTEUR.jpgGust van Brussel en Willem M. Roggeman staan centraal in het decembernummer van De Auteur, het tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen.

HFJ

Nieuwsbrief Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode, viermaandelijks tijdschrift, jg. 15, nr. 3, december 2010, januari, februari, maart 2011, ill.

Beatrijs van Craenenbroeck, Wezelsebaan 250, 2900 Schoten.

Wetenschappelijke tijdingen, driemaandelijks tijdschrift uitgegeven door het ADVN, jg. 69, nr. 4, december 2010.

ADVN, Lange Leemstraat 26, 2018 Antwerpen.

De Auteur, driemaandelijks tijdschrift, december 2010, ill.

Ferre Denis, Sporthalplein 201, 2610 Wilrijk.

Partager cet article
Repost0
27 décembre 2010 1 27 /12 /décembre /2010 05:08

 

Eerstdaags verwacht ik de jongste aflevering in de bus van de Nieuwsbrief van de Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode, waarin ik een eerste bijdrage publiceer over de documentaire varianteneditie van De moerbeitoppen ruischten, “de definitieve ontvoogding van de Wilderodestudie”.

 

DDKbeatrijs.jpg

Antwerpen 2009 Beatrijs van Craenenbroeck ontfutselt mij een belofte

in het Letterenhuis

Ik kan moeilijk neen zeggen. Bij de uitreiking van De Diamanten Kogel 2009 wist Beatrijs van Craenenbroeck mij dus zonder veel moeite de belofte te ontfutselen een bijdrage te schrijven voor deNieuwsbrief IVA. Belofte maakt schuld, en ik ben haar dankbaar, want daardoor ging ik opnieuw de confrontatie aan met een oeuvre dat mij sinds zowat de tweede helft van de jaren tachtig op ambigue wijze (en om meerdere, uiteenlopende redenen) wist te boeien. Dat resulteerde in een memorabele avond ten huize Van Craenenbroeck in Schoten en in een eerste bijdrage dat in september verscheen: “De weldaad van de schemering”. (Nieuwsbrief IVA, 15de jg., nr. 2, pp. 9-17).

SchotenAugustus.jpg

Schoten 2010: van l. naar r.: Pruts Lantsoght, HFJ, Beatrijs van Craenenbroeck,

Frank Ivo van Damme, Hugo Goris (foto:Joke van den Brandt)

 

Uiteraard hadden de lezers van de Nieuwsbriefde primeur, maar nu de nieuwe aflevering in aantocht is, heb ik er geen moeite mee hierna een ingekorte versie van mijn bijdrage hier te publiceren.

*

De samenstellers van de ophefmakende anthologie Hotel New Flandres, de eerste bloemlezers in decennia die andere dan louter subjectieve criteria hanteerden, verklaren uitdrukkelijk dat ze zich genoodzaakt zagen

de beeldvorming rond bepaalde oeuvres te corrigeren. Modes, machtsposities, fixaties van critici, beperkingen van de media etc., hebben ervoor gezorgd dat sommige oeuvres jarenlang zijn genegeerd, terwijl de publieke zichtbaarheid van andere oeuvres niet overeenstemt met hun veeleer bescheiden of relatieve rol in de ontwikkeling van de Vlaamse poëzie. [1]

Tot de oeuvres die genegeerd werden, rekenen ze dat van Anton van Wilderode. Dat is natuurlijk slechts gedeeltelijk juist. Van Wilderode was “bij katholieke lezers de populairste levende Vlaamse dichter”, aldus Gaston Durnez anno 1982. [2] Hij werd allerminst miskend: hij kreeg o.m. de prijs van de Vlaamse provincies, de Staatsprijs en een ere-doctoraat van de KUL. In de dominante kritiek kreeg hij echter zelden de aandacht die zijn oeuvre onmiskenbaar verdient. Ik aarzel niet dit toe te schrijven aan het feit , primo dat hij priester was en, secundo dat hij geëngageerde teksten schreef voor de Ijzerbedevaart; wat maakte dat hij in bepaalde literaire kringen bewust geïgnoreerd werd.

*

De aandacht van de ten onrechte zo omstreden bloemlezers van Hotel New Flandres ging prioritair naar 'paradigmadichters' (bijv. Paul van Ostaijen, Hugo Claus en Herman de Coninck).

Dichters die we vijf sterren toekennen zijn de dichters die een nieuw paradigma in de poëzie hebben geïnstalleerd. We noemen ze dan ook 'paradigmadichters'. Bepaalde teksten uit hun oeuvre hebben bijgedragen tot veranderde opvattingen over poëzie en kunnen worden beschouwd als innovaties van het poëtische systeem. [3]

De 'oeuvredichters' constitueren de tweede categorie.

Dit is misschien wel de belangrijkste categorie uit de hele bloemlezing. Viersterrendichters zijn typische oeuvredichters. Tijdens hun loopbaan hebben ze diverse bundels van bovengemiddelde kwaliteit gepubliceerd. Ze hebben met andere woorden een kwalitatief hoogstaand oeuvre uitgebouwd dat doorgaans op zichzelf staat. Hun werk ontwikkelt zich los van modes of stijlen […], waardoor het een zekere autonomie krijgt. […] Soms verwerft hun oeuvre pas een zekere autonomie wanneer het paradigma waartoe ze aanvankelijk behoorden van de voorgrond is verdreven. [4]

Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters onderstrepen dat het werk van 'oeuvredichters' als een Anton van Wilderode, Christine D'haen of Stefaan Hertmans, vergeleken bij dat van paradigmadichters als Jotie T'Hooft en Herman de Coninck, “uiteindelijk complexer, rijker en overallinteressanter is.” [5]

Zo is het werk van Van Wilderode, Hertmans, Willy Roggeman, Spinoy, D'haen, Van de Kerckhove, e.a. van groter belang voor de ontwikkeling van de poëzie dan het bekendere werk van Lanoye, Van Vliet of Moeyaert. [6]

Wat Van Wilderode betreft, wijzen de bloemlezers daarbij expliciet op het belang van bundels als De overoever (1981) en De Vlinderboom (1985). [7]

*

In het (versluierd) programmatische titelgedicht 'De Vlinderboom', dat als ouverture fungeert, staat het fundamentele thema van de bundel aangegeven: dwarrelen, zweven, vliegen, opstijgen, de hemelvaart – het “ascensionele” thema dat ook als vliegtocht en vleugelspanning [8] in vele culturen vertolkt wordt.

Rond de vlinderboom,

Van overal een zweven, een doodstil

verzamelen van vleugels en petalen

die samen wiegelen en ademhalen

op de beweging van eenzelfde wil. (p. 7)

Zweven, vleugels, ademhalen...

In de christelijke symboliek is de vlinder symbool van Adam en van de ziel. [9] In het oud Grieks betekent ψυχη (psychè) zowel (gedesincarneerde) ziel als vlinder. Symbolisch staat de vlinder voor de ziel (de adem) en haar onsterfelijkheid, maar ook voor het efemere, onbestendige, voorbijgaande karakter der dingen, en uiteindelijk ook voor lichtzinnigheid en onstandvastigheid (fladderen, vlinderen...).

Ingeleid door het titelgedicht, telt de bundel 96 gedichten van drie vierregelige strofen in vijfvoetige jamben met omarmend rijm (de eerste regel rijmt op de vierde, de tweede op de derde). De jambe (uit twee lettergrepen bestaande versvoet waarvan de tweede de klemtoon heeft) is de meest gebruikte versvoet in de Nederlandse dichtkunst (en in de Engelse overigens) omdat hij het sterkst in onze spreektaal verankerd ligt. Vandaar ook de veelvuldig voorkomende hypercatalectische jamben (met een extra lettergreep aan het eind, wanneer het slotwoord een meervoudsvorm, een verleden tijd of meervoudige werkwoordstijd is).

Keizer Karel (°1500 in het Prinsenhof in Gent) deed in 1556 afstand van zijn troon en vertrok vanuit Vlissingen naar het klooster van San Jerónimo de Yuste, in Estramadura, waar hij tot aan zijn dood op 21 september 1558 verbleef. In 1984 deed Anton van Wilderode de reis van Carolus Quintus over. In De Vlinderboom brengt de dichter een historisch gedocumenteerd, poëtisch reisverslag. Summiere aantekeningen en een minimaal notenapparaat helpen de lezer die niet meteen vertrouwd is met leven en werken van keizer Karel op weg.

De bundel bestaat uit drie bewegingen: 'De weg naar Yuste' (het reisverhaal), 'De weg weleer' (het levensverhaal), 'De weg weldra' (het stervensverhaal).

In 'Carlos in Yuste', het eerste gedicht van de eerste beweging identificeert de dichter zich met de figuur van de keizer.

Ik zit achter de tralies van het raam

met niets dan wachten, op wat overbleef

uit zoveel as van opgebrande dromen,

de vogel feniks in een nis van bomen

die mij doet zien en horen dat ik leef.

 

De arend van voordien, agaat en git

die goedgespierd over het dal planeerde

zijn buit beloerde vastgreep en verteerde, –

de arend bidt. (p. 11)

De Vlinderboom is immers ook een meditatie over de macht en het menselijk tekort, waarbij o.m. het vanitas-motief en mineur de toon aangeeft. Een bepaalde vorm van 'Unheimlichkeit', van exil-achtige onbehuisdheid klinkt door de hele bundel: “Ik woonde nooit en nergens” (p. 29); “met niets dan namen is mijn nacht gevuld” (p. 40); “Als mij de nacht bereikt ben ik alleen” (p. 31); “De man die ik niet ben en nooit kan zijn / hangt weerloos in een webbe van legenden” (p. 12)

Op de rand van een mystiek gevoel ervaart de vroegoude keizer scherp de volheid van de alledaagse ogenblikken. De beroesde aandacht van de adelaar keert ontnuchterd terug tot de kleine dingen. Le Cardinal d'Espagne van Henry de Montherlant, maar dan zonder de intellectuele hoogmoed. [10] Niet het aedificabo ut destruam, gewoonweg het langzaam verglijden naar een onthechting die het kleinste voorval in het naaktste licht situeert, waarbij elk beeld zich zowat aandient als een transparant schilderij van Morandi en elk gevoel de eerste ochtend en de laatste dag moduleert. “In ruil de stilte die ik langzaam leer”. (p. 27)

In de tweede beweging, 'De weg weleer', blikt de ik-figuur terug op een verleden dat almaar reëler wordt, tastbaar aanwezig als het ware:

Al wat mij toekomt uit de keldermond

van mijn verleden wil ik niet vergeten,

wordt werkelijker dan de dag van heden

en vloeit als licht de kamer in en rond.( p. 43)

Mensen en oorden geven aanleiding tot ik-betrokken of onthechte mijmering: vader Filips (de Schone), leermeester Adriaan Florensz. Boeyens, echtgenote Isabella van Portugal, moeder Johanna van Castilië, de Waanzinnige, zoon Filips II, bastaard Jerónimo, beter bekend als Don Juan van Oostenrijk; de huwelijksreis, de geboorte van Filips te Valladolid, de pralerige ontvangst door admiraal Doria te Genua, de bestraffing van Gent in februari 1540, de abdicatie op 15 oktober 1555 in de Brusselse Koudenberg (ook behandeld door Michielde Swaen in De Zedighe dood van Keizer Karel of Mort Morale)... Daarbij legt Van Wilderode de verrukkelijke, sensuele vergankelijkheid van het ogenblik weelderig en trefzeker vast, zoals bijv. in de vijf Granada-gedichten.

De gedichten over de brutale bestraffing van de rebellie van de geboortestad Gent moduleren de zo onmodieuze thema's van staatsraison en eenzaamheid van de macht: “Macht heeft de bijsmaak van bitter kruid.” De moedergedichten brengen een weliswaar stereotiep maar niettemin aangrijpend beeld van Johanna de Waanzinnige. In de pupillen van Filips II, die zijn vader “nooit meer recht in het gezicht” kijkt, draait “de stille bewolkte hemel [... ] met veel meer vlokken duisternis dan licht”. De vermoeide persoonlijkheid van de door plichtbesef geplaagde en verstijfde Habsburger komt wellicht het sterkst aan bod aan het gedicht “Koudenberg (4)”:

...een vroegoud man die door het glas

waarop de najaarszon zat zat te kijken

en op geen ander wezen wil gelijken

dan op de knaap die hij veel vroeger was. (p. 70)

De derde beweging, 'De weg weldra', verwijst naar “een land verder”, naar een “voortdurend smaller leefgebied”. Verinnerlijking en verdieping. Dagelijkse dingen, een laatste vertederde maar reeds transparante band met de natuur, soms wat weemoed, de blik gericht op de overoever – dat alles neigt reeds naar de dood die door de dichter benaderd wordt als

één amper ogenblik

(de leeggedronken beker valt aan scherven)

of een langdurig langzaam henesterven

(de wortelstok geleidelijk losgewrikt).

 

Zal het des nachts zijn zonder ander licht

dan wat de maan laat in de kleine ruiten,

misschien een morgen als het dag wordt buiten

of binst de weldaad van de schemering?

 

Zal het najaar zijn in grijs en rood,

verrukkelijk een lentedag vol vlinders

of als het koud wordt en wanhopig bitter?

En dan de dood, denk ik, en dan de dood. (p. 109)

*

De ontdekking, in 1990, van het paleis van Karel V te Yuste betekende voor de dichter en essayist Marc Quaghebeur (°1947, gedelegeerd-bestuurder van het AML, Archives & Musée de la Littérature te Brussel) een ware schok. Zijn belangstelling voor de keizer en de XVIdeeeuw werd erdoor verhevigd, wat uitmondde in een aantal publicaties. [11] In de novelle La nuitde Yuste[12]komen zowel een onbestemde verteller als de keizer zelf aan het woord.

Net als De Vlinderboom bestaat de novelle La nuit de Yuste uit drie bewegingen ('La nuit de Yuste'; 'Si loin, l'Escaut' en 'Les grandes eaux'). Net als bij Van Wilderode kan ze gelezen worden als een reis-, levens- en stervensverhaal. In beide boeken overschouwt de keizer zijn leven en mediteert hij over tijd, macht en vergankelijkheid, waarbij het vanitas-motief centraal staat. Er zijn nog meer raakpunten.

Het thematische parallellisme tussen beide boeken ligt trouwens voor de hand: beide schrijvers nemen immers de concrete levensloop van Carolus Quintus als uitgangspunt van hun pregnante literaire evocatie.

Romancier, toneelschrijver en criticus Jacques De Decker (°1945) stipt aan:

Quaghebeur saisit l'empereur dans sa dernière demeure, dans la résidence de Yuste où il finit ses jours. Personne, jusqu'à présent, et cette négligence laisse pantois, n'avait pensé à approcher le personnage de cette manière. Elle fournit pourtant la clé d'une personnalité qui fascine Quaghebeur, auteur de textes savants à son propos, et qui ici use des instruments de l'intuition poétique pour arriver à ses fins. [13]

Dat Jacques De Decker stomverbaasd was dat voor Quaghebeur niemand er ooit aan dacht Carolus Quintus te benaderen vanuit die laatste jaren van in Yuste, vond ik destijds symptomatisch. De Decker, vast secretaris van de Académie royale de Langue et de Littérature françaises, is een van de weinige Franstalige critici die goed vertrouwd is met de Vlaamse letteren. Maar ook hij was kennelijk het slachtoffer, tot mijn verbazing, van de door (de betoelagende instellingen en) de media opgedrongen (bewust of door onwetendheid vervalste) canon. Geen Van Wilderode dus wel bijvoorbeeld Hilde Ketteleer in de bloemlezing van Francis Dannemark, Ici on parle flamand & français. Une fameuse collection de poèmes belges, (Bordeaux, Le Castor Astral, 2005).

*

De Spaanse vertaling van La nuit de Yuste werd bezorgd door Patricia Pareja Ríos en Yolanda San-Roman (Universidad de Las Palmas de Gran Canaria).

Cette courte nouvelle, écrite entre la prose et la poésie, apparaît sous forme de monologue celui d'un vieil homme au crépuscule de sa vie: l'Empereur remémore en une nuit toute son existence, dans un flux rompu de phrases courtes qui se réduisent parfois à un seul mot, à un silence.

Flux et reflux, expansion ou contraction du texte qui balance entre une vie qui s'achève – mort imminente – et une naissance intérieure, re-naissance accomplie à la fin de l'œuvre.

C'est à ce jeu stylistique constant, entre digressions et élisions, entre constructions et déconstructions, que nous nous sommes attelées.[14]

De zelfprojectie en (gedeeltelijke) vereenzelviging van Van Wilderode met Carolus wordt vertolkt in een klassiek, gebonden discours in de eerste persoon, terwijl de empathie van Quaghebeur met de keizer tot uitdrukking komt middels alle poëticale procédé's van de gelaagde (post-)moderne retoriek.

*

Frans Terrie wijst op tal van “autobiografische trekjes” in De Vlinderboom, waardoor het geheel iets krijgt “van een afrekening met de macht, omdat de hoofdfiguur de voosheid ervan gaat doorzien en meteen voor ons […] een menselijker gelaat krijgt.” Hij wijst op het orgelpunt van het gedicht 'Kerstdag 1557': “de 'ik' wil met de stoet opstappen van zij 'die enkel moed bezitten en geen macht'.”

Alleen maar moed... en men kan denken aan Marnix Gijsens “Joachim van Babylon”, die aan het einde van z'n menselijke wedervaren, zijn lezer deze les ten beste geeft: “...zoek het kostbaarste kruid dat groeit op deze aarde: moed. Waar gij het ook vinden moogt, pluk het.” Maar bij een dichter als Anton van Wilderode mogen we toch nog eerder denken aan de mattheaanse zaligspreking: “Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten”. En die zachtmoedigheid is een woord met een breed spectrum van betekenissen, gaande van deemoed tot moed om te vertrouwen op het zachte geweld van de liefde. [15]

Niet alleen Mattheüs 5 : 5, ook het geheel van de mattheaanse zaligsprekingen is van toepassing op het engagement van de dichter Van Wilderode. Als schrijver van teksten voor de IJzerbedevaart revindiceerde hij impliciet de kwalificatie van geëngageerde dichter. In De Standaard (11 april 1975) formuleerde Van Wilderode een retorische maar niet minder scherpzinnige vraag die aandacht verdient en niets aan actualiteit ingeboet heeft:

Waarom spreekt men alleen over 'gelegenheidspoëzie' als het Vlaamse teksten betreft en over 'geëngageerde' poëzie wanneer het gaat over Vietnam, Chili en Cuba, zelfs ter gelegenheid van manifestaties als Poëzie in het Paleis of Nacht van de poëzie?

Het diep gewortelde engagement van Van Wilderode is doortrokken van die stille maar sterke zachtmoedigheid waar Frans Terrie op wees en heeft vormelijk niets te maken met de martiale cadans en de holle luidruchtigheid van de meeste strijdgedichten. Dat verwaarloosde aspect van zijn dichterschap verdient trouwens een grondig onderzoek.

Misschien is het hier in dat verband de gelegenheid om even in herinnering te brengen dat Anton van Wilderode, samen met Louis Paul Boon, André Demedts, Marnix Gijsen, Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gerard Walschap en Albert Westerlinck, in 1976 de Verklaring van de Acht ondertekende, waarin werd opgeroepen om de taalgrens en de afbakening van Brussel-19 als definitief te beschouwen. De 'Acht' traden daarbij in het voetspoor van Herman Teirlinck en Stijn Streuvels, die in 1959 een Publieke verklaring aflegden, waarin gesteld werd:

Laat iedere Belg vrij uitgaan door het land en zich vestigen waar hij wil. Hij verlieze echter nooit uit het oog dat hij een onschendbaar taalgebied is binnengetreden, waar hij hoe dan ook geen voorrechten voor eigen taal heeft te doen gelden.

Er mag onder geen voorwendsel worden getornd aan het heilig recht voor beide taalgemeenschappen om de volstrekte onaantastbaarheid op te eisen van beider geboortegrond.

Met deze alarmkreet hebben ondergetekenden hun geweten laten spreken.[16]

*

Anton van Wilderode is niet alleen een virtuoos vakman, maar ook een begenadigde dichter die de ogenschijnlijke sereniteit van een beheerst classicisme als vanzelfsprekend weet te verbinden met de meest subjectieve ervaring die hij echter in haar universaliteit weet te vatten. Het oeuvre, aan geen mode schatplichtig, dat hij in de loop der jaren geruisloos opbouwde, is uit de Nederlandse poëzie niet meer weg te denken. Hij behoort daarbij tot de dichters die hun hoogste creatieve vlucht op rijpere leeftijd hebben ontplooid.

Buiten de filosofische dimensie (de eenzaamheid, de geworpenheid, de schuld die door loutering opgeheven worden, de herwaardering van de eenvoudige dingen des levens en het scherpe bewustzijn van hun verankering in een metafysische dimensie) die Van Wilderode uitermate ligt en in zijn oeuvre ruimschoots aan bod komt, geeft hij in De Vlinderboom ook uiting aan zijn kritische fascinatie door de machtsuitoefening en het goede gezag.

De aandachtige lezer zal merken dat in De Vlinderboom het engagement van Anton van Wilderode als het ware geëpureerd en discreet aan bod komt, op een tegelijk onthullende en verhullende wijze, minder herkenbaar, tijds- en plaatsgebonden dan in de voortreffelijke strijdteksten die hij schreef, maar daarom nog niet minder pregnant.

Tussen klassieke onthechting en lyrische bewogenheid waart het spook van de overwonnen melancholie in de eens te meer voortreffelijke en suggestieve verzen van DeVlinderboom.

Henri-Floris JESPERS

(1) Dirk VAN BASTELAERE, Erwin JANS en Patrick PEETERS, Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie 1945-2005, Gent, Poëziecentrum, 2008, p. 16.

(2) Gaston DURNEZ, Vlaamse schrijvers. Vijfentwintig portretten, Antwerpen / Amsterdam, Manteau, 1982.

(3) VAN BASTELAERE, E. JANS en P. PEETERS, op. cit., p. 17.

(4) Ib., pp. 19-20.

(5) Ib., p. 21.

(6) Ib., p. 16.

(7) Ib., p. 27.

(8) Cf. Gilbert DURAND, Les structures anthropologiques de l'imaginaire, Paris, Presses Universitaires de France, 1963.

(9) Dom Bruno VAN HAVERE O.S.B., Het zinnebeeld in de kristelijke kunst, Dendermonde, St. Pieters en Paulus' Abdij, 1935, p. 8.

(10) Henry DE MONTHERLANT, Le Cardinal d'Espagne, Paris, Gallimard, 1960.

(11) Zie o.m. Marc QUAGHEBEUR and Catherine LABIO, 'The Sixteenth Century: A Decisive Myth', in :Yale French Studies, No. 102 , Belgian Memories, Yale University Press, 2002, pp. 115-141; Marc QUAGHEBEUR, 'Le XVIe siècle: un mythe fondateur de la Belgique', in:Textyles, no 28, La Belgique avant la Belgique, Bruxelles, Le Cri, 2005, pp. 30-45.

(12) Marc QUAGHEBEUR, La nuit de Yuste, Bruxelles, Le Cormier, 2000. Tien jaar eerder verscheen al een fragment: 'La nuit de Yuste',in L'Année nouvelle, Bruxelles, les Éperonniers, 1990, pp. 227-230.

(13) Jacques DE DECKER, 'Schmitz, Quaghebeur, Brogniet: voix royales', in: Le Soir, 14 février 2001.

(14) Patricia PAREJA RÍOS & Yolanda SAN-ROMAN, 'La nuit de Yuste', in: IV Coloquio de la Asociación de Profesores de Francés de la Universidad Española. Traducción e Interpretación, pp. 697-704.

(15) E.H. Frans TERRIE, 'Kerstdag 1557', in: Nieuwsbrief IVA, Internationale Vriendenkring Anton van Wilderode, 14e jaargang, nr. 3, december 2009, januari, februari, maart 2010, pp. 15.

(16) Volledige tekst in: Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, nr. 113-114, 26 maart 2008. Zie ook: http://mededelingen.over-blog.com/article-18125553.html

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2010 5 24 /12 /décembre /2010 09:15

 

FrancisDePreter.jpg

Begin december, in een bruine omslag van de Provincie Antwerpen, trof ik de bundel van Langs wegen en omwegen in de bus.

Francis de Preter (°1932) loopt zelden in de kijker maar heeft ondertussen een oeuvre opgebouwd dat terecht bekroond werd met de Basiel Decraeneprijs, de Blanka Gyselenprijs en de A. Merghelynckprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde. Hij publiceert spaarzaam en weloverwogen, a rato van zowat een bundel om de tien jaar. Francis de Preter kan niet beschouwd worden als een baanbrekend of grensverleggend dichter, maar haalt wel bundel na bundel een constant niveau van kwaliteit. In een romantische bui zou ik Staatsprijswinnaar René Verbeeck (1904-1979) citeren: “Vlaanderen, ook de stillen werken aan u”.

Francis de Preter behoort ongetwijfeld tot die 'stillen' die weinig naambekendheid genieten, maar waarvan de bespiegelende maar altijd toegankelijke poëzie terecht gewaardeerd werd en wordt door critici van diverse pluimage.

Bovendien onderscheidde De Preter zich met de voortreffelijke vertaling van Franse, Duitse en Spaanse poëzie.

In Langs wegen en omwegen komt de vertrouwde thematiek van de dichter ten volle aan bod: een sterk natuurgevoel verbonden met een contemplatieve, aan het mystieke grenzende levenshouding, zoals exemplarisch blijkt uit bijv. het gedicht 'Landschappen'.

Uitgeverij Demer Press, een initiatief van de Nederlandse dichteres Hannie Rouweler (°1951), is een kleinschalige e-uitgever die poëzie toegankelijk wil maken voor iedereen. Met haar fonds, dat naast de e-editie ook een papieren editie publiceert, maakt ze zich ook verdienstelijk met vertalingen van Vlaamse en Nederlandse dichters in het Engels.

Henri-Floris JESPERS

Francis DE PRETER, Langs wegen en omwegen, Demer Uitgeverij, 2010, 72 p., met pentekeningen van de dichter, 16 €.

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2010 5 24 /12 /décembre /2010 08:52

 

GirerikJ.jpg

Gisteren viel het winternummer van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift in de bus. Paul Joostens overleed vijftig jaar geleden. De redactie vond het jammer dat niemand daar aandacht aan besteedde, deed een beroep op Alain Germoz en Henri-Floris Jespers en koos als voorplat het schilderij L'Ensorceleuse – Marlène Dietrich (1945, olie op doek, 100 x 100) van Joostens.

Alain Germoz, die Joostens zeventig jaar geleden leerde kennen, getuigt in 'Herinnering aan Paul Joostens' (pp. 6-7):

Onmiddellijk voelde ik de contrasten en wist dat hij nooit precies was zoals hij zich voordeed. Hij kon heel vriendelijk zijn, heel mechant, nijdig, sarcastisch, aardig, lief, vals, hypocriet, en zo meer. Wellicht zijn de meeste mensen in zekere mate met hetzelfde belast, doch nooit is die complexiteit zo hevig en op zo een soms duivelse manier bij mij overgekomen.

Paul Joostens schreef verschrikkelijke dingen over Jan en alleman en desgevallend het tegenovergestelde naargelang de gebeurtenissen [...] in brieven of in zijn dagboek. In een heel persoonlijke taal wat geest en stijl betreft […]. Al was het bij Joostens vooral in het Frans, toch was het soms doorspekt met Vlaams of Antwerps en met uitdrukkingen van eigen maaksel.

In de loop der jaren heb ik in het Bulletin de la Fondation ça ira meerdere bijdragen gepubliceerd over Joostens in de jaren veertig en vijftig. Nu ging mijn aandacht naar de jaren twintig: 'Paul Joostens: geen toom, geen wet, 'wel' ik & kunst is luxe...' (pp. 8-21).

Joostens schreef in 1926 aan zijn vriend Jos. Leonard dat zijn artistieke carrière in 1923 afgesloten was en dat hij zichzelf sedertdien overleefde. « Tout est couru et il ne sert plus de courir car on part toujours en retard. »Zowat een halfjaar later slaakte hij echter een vreugdekreet:

Poupoule fait de la peinture (…). Son seul modèle et père nourricier est le grand et unique Memling. (…) Chaque jour mes yeux baignent la Pureté des Primitifs au soleil nègre. (…)  Peinture = Plénitude absolue.”

De crisis was overwonnen, de gotiek zou Joostens nooit meer loslaten.

Guy Commerman vertaalde de 'Ode à Paul Joostens' (pp. 25-28) van de schandelijk doodgezwegen dichter Étienne Schoonhoven, aan wie Marc Zwijsen een beknopte bio-bibliografische notitie wijdt.

*

Signaleren we verder proza van de doorgewinterde romancière Nicole Verschoore (vertaald door Guy Commerman) en van debutant Jan Sonneveld.

Frans Boenders vertaalde zendichters over de dood (uit de Engelse versie van Yoel Hoffmanns Japanese Death Poems, Tokyo, 1986) en brengt zuinige maar niet minder savante kwatrijnen, 'Japanse beelden', waaronder het suggestieve gedicht 'Mishima Yukio'. Ook Francis de Preter komt regelmatig aan bod in Gierik – en terecht. Nu is hij aanwezig met enkele gedichten uit zijn pas verschenen bundel Langs wegen en omwegen (waarover meer in een volgende aflevering). Joris Ivens vertaalde gekke gedichten van Patrick Galvin (°1927), een Ierse dichter uit Cork die in 2003 getroffen werd door een ernstige beroerte maar nog altijd poëzie schrijft.

Hier leven alleen gekken

Die spiegels tegen de muur schilderen

En tekeer gaan tegen hun eigen spiegelbeeld.

Van Lukas de Vos wordt een recensie van Frank Pollux' Het Gelijk van Heisenberg opgenomen, op 31 maart 2010 al verschenen in Knack.Boekenburen. Jos Oostvogels breit wat zuurzoet commentaar bij Een vage buitenlander, terug naar Engeland van Benno Barnard, “ten onzent tegenwoordig meer in het nieuws dan de BB die met Et Dieu créa la femme bekendheid verwierf”... (Tussen haakjes, anekdote wordt met 'k' gespeld.)

Ik ben benieuwd naar de eerstkomende aflevering van Gierik die zal gaan over “literatuur, collaboratie, verzet, solidariteit in Antwerpen tijdens wereldoorlog II”.

Waarom maak ik toch zoveel woorden vuil aan een tijdschrift dat door het Vlaams Fonds voor de Letteren niet eens één euro toelage waardig wordt geacht...?

Henri-Floris JESPERS

Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift 109, 28ste jg., nr. 4, winter 2010, 76 p., ill., 7 € (buitenland: 11 €).

Redactiesecretaris: Guy Commerman, Kruishofstraat 144/98, 2020 Antwerpen.

Abonnement: 25 € per jaargang (4 nummers), inclusief portokosten. Europese Unie: 35 €.

Betaling: België: rekening 068-2237695-29 van Gierik & NVT. Buitenland: IBAN BE26-0682-2376-9529

BIC-code GKCC BE BB

Partager cet article
Repost0
23 décembre 2010 4 23 /12 /décembre /2010 22:00

 

BertBevers2.jpg

De postbode is de enige niet die precieus drukwerk brengt. Een aantal dagen geleden vond ik Andere taal in de bus, de nieuwe bundel van Bert Bevers die hier al aangekondigd werd op 27 juli: http://mededelingen.over-blog.com/article-onuitgegeven-bert-bevers-andere-taal-nieuwe-bundel-54518895.html


Ochtend


De facteur plaatst op de bel zijn vingerafdruk

over die van het bezoek van gisteren heen.

Ik krijg van hem een omslag met gestuurde

zinnen die door iemand anders in een volgorde

zijn gezet. Er hoeft nog geen mirakel plaats

 

te vinden denk ik opgelucht, als de ruimte

tussen twee handpalmen die vaneen wijken.

 

De beheerste poëzie van Bert Bevers is rijk aan gedachten en denkbeelden, scherp en intelligent geformuleerd, balancerend tussen klassieke vormvastheid en experimentele ontregeling. Door onverwachte gedachtenkronkels word je soms bevangen door een ondefinieerbaar gevoel dat iets weg heeft van fascinerende hoogtevrees.

Bij de presentatie van Andere Taalin de Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen op zaterdag 11 december onderstreepte Richard Foqué dat het dichterschap van Bert Bevers geworteld is in de Vijftigers. Maar

hij is zijn eigen weg gegaan en heeft een persoonlijk schrijversschap ontwikkeld, wars van alle postmoderne stromingen, wars van de waan van de dag. Hij is tezelfdertijd de nauwgezette observator en de geobserveerde. Hij kijkt kritisch naar de wereld rondom hem maar hij is zich er van bewust dat hij zelf deel is van die wereld. In de achtergrond is de zelfreflectie steeds als hoeksteen aanwezig. Die introduceert loutering en legitimeert de fundamentele zijnsvragen, waarmee hij in zijn gedichten de lezer confronteert.

BertBevers1.jpg

In dezelfde enveloppe trof een kleinood, een klein geschenk van Bob Bakker Makelaardij te Bergen op Zoom ter gelegenheid van de jaarwisseling: drie gedichten van Bert Bevers bij drie ingeplakte, bewerkte kleurenfoto's van Ron Scherpenisse, die ook zorg droeg voor de elegante vormgeving en uitvoering van die Scènes zonder nooduitgang.

BertBeversZP.jpg

...men is niet hard zonder reden, er is geen hart zonder rede.

Verleden heeft niets aan nieuwe plannen.”

Henri-Floris JESPERS

Bert BEVERS, Andere taal, Antwerpen, Litera Este, 2010, 47 p. Gek genoeg heeft de bundel geen ISBN nummer, noch melding van het wettrelijk depot.

Partager cet article
Repost0
19 décembre 2010 7 19 /12 /décembre /2010 18:11

 

Meervoud levert ook geregeld bijdragen tot bestrijding van de collectieve amnesie. Zo blikt Christian Dutoit in de jongste aflevering terug op Leo Magits (1899-1990), “een grote meneer”. Hij stelt daarbij terecht vast:

Weinig socialisten of sociaaldemocraten kennen nog hun geschiedenis of die van hun voormannen in een voor hen prehistorisch tijdperk. Magits past niet meteen in hun kraam, en wellicht zal iemand als een Caroline Genez er nog niet veel van gehoord hebben, en als dat wel het geval zou zijn eerder als stoorzender of anachronistisch persoon.

Magits stelde zijn leven in dienst van zijn socialistisch ideaal. Hij was secretaris voor het Vlaamse landsgedeelte van de Centrale voor Arbeidersopvoeding (1936-1967) en trad in dienst van de Arbeidershogeschool, eerst als monitor (1941-1944) en daarna als directeur (1945-1965). Hij was beheerder van het Nationaal Bibliotheekfonds en sedert het ontstaan van het bibliografisch tijdschrift Lektuurgids (1954) voorzitter van het redactiecomité. Ger Schmook onderstreepte de “wijsgerige” fundering van Magits' aanpak, en Hubert Lampo typeerde hem onomwonden als “de beste, de eerlijkste socialist “ die hij ooit ontmoette. “Hij is een man die niet in de kijker heeft gelopen, maar consequent zijn ideaal heeft gediend.”

Christian Dutoit spitst zich toe de op de rol van Magits in het 'Dietse' socialisme:

De Groot-Nederlandse gedachte wordt vandaag meestal niet geassocieerd met de linkerzijde. Een beetje ten onrechte, want heel wat socialisten waren in de periode van de Grote Oorlog tot 1940 en zelfs daarna overtuigde Heel- of Groot-Nederlanders. Dit sentiment ontstond vooral tijdens de oorlog 1914-1918, maar een aantal socialistische Vlaamsgezinden vluchtten in 1918 in Nederland en knoopten er contacten aan met gelijkgezinden aan de andere kant van de grens. Veel vrijzinnigen waren ook in die beweging actief, terwijl langs de andere kant nogal wat oerkatholieke Vlamingen hun bedenkingen hadden bij de omgang van Vlamingen met protestanten. Eén van de merkwaardigste figuren uit die groep was Leo Magits. Wij blikken terug op een stukje meestal onder de mat geveegde geschiedenis.

De activiteiten van Magits tijdens de Eerste Wereldoorlog en achteraf in Nederland worden

verhelderend belicht, in het bijzonder het tijdschrift Schakels. Socialistisch maandschrift voor Noord- en Zuid-Nederland (1929-1935), gesticht door o.m. Roza de Guchtenaere, Jef van Extergem en P. J. Ursi, met Magits als verantwoordelijke in Nederland en in Vlaanderen niemand minder dan Jef Rens. Henk Brugmans (de latere rector van het Europa-college te Brugge), Klaas Heeroma, Achiel Mussche en Garmt Stuiveling, (de latere minister) Alfons Vranckx werkten aan Schakels mee, en in Antwerpen werd (de latere bankier) Maurits Naessens actief.

*

Nico van Campenhout, archivaris van Lokeren, wijdt een paginagrote bespreking aan mijn boekje over Geert van Bruaene.

Jespers, die herhaaldelijk de onvolledigheid, het fragmentarisch karakter en de voorlopigheid van zijn biografische notities en beschouwingen over hem beklemtoont, omschrijft Van Bruaene als “een grimmige farceur die zijn eigen legende graag boetseerde en daardoor zelf in niet geringe mate bijgedragen heeft tot het scheppen van misverstanden” (blz. 7). De auteur ontrafelt (tot op zekere hoogte) de 'mythe van Bruaene' en reduceert de man en zijn leven tot realistische proporties. Jespers erkent echter wel ten volle Van Bruaenes historische rol, met name als promotor van de 20ste-eeuwse eigentijdse beeldende kunst in België. Hij was op dat terrein belangrijk en betekenisvol, zelfs invloedrijk, maar niet de pionier of de trendsetter waar anderen en hij zelf hem soms lieten voor doorgaan. “De rol van Geert van Bruaene als voorloper relativeren vermindert geenszins zijn verdiensten” (blz. 38), zo besluit Jespers zijn biografisch portret.

*

In wat een column heet te zijn somt Hendrik Carette de twintig “beste boeken” op, “verschenen in het Nederlands in het rampenjaar 2010”, waaronder Red ons van de dichters (Prometheus) van Menno Wigman (°1966):

De geestige en originele Wigman (van zich zelf ook een dichter) uit terecht zijn ongenoegen over het bestaan van de alom en allerwegen woekerende slechte dichters of de dichters van de derde rang.

Dat Joris van Severen, 'een biografisch portret' door Pieter Jan Verstraete (Aspekt) niet op het appel ontbreekt, zal wel niemand verwonderen...

Verstraete vertelt misschien niets nieuws, maar na het te korte boekje van Lode Wils, doet hij het toch anders en beter.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Meervoud, 18de jg., nr. 163, december 2010, 52 p., ill.

Drukpersstraat 30, 1000 Brussel. Een jaarabonnement (10 nummers) kost 30 €, te storten op rekening nr. 001-2384501-26.

Partager cet article
Repost0
14 décembre 2010 2 14 /12 /décembre /2010 01:05

 

Ingmar2.jpg

Hans Ingmar Heytze [Utrecht, 16 februari 1970] kreeg kunst met de paplepel ingegoten. Zijn ouders namen hem regelmatig mee naar musea, tentoonstellingen en festivals. Op jonge leeftijd kwam hij al in aanraking met poëzie tijdens de [Utrechtse] Nacht van de Poëzie in 1985, een evenement dat een onuitwisbare indruk achterliet op de jonge Heytze.

Op 15-jarige begon hij met dichten. Tijdens zijn studie Algemene Letteren [tegenwoordig Taal- en Cultuurstudies] in zijn geboortestad werkte hij mee aan het Utrechts Universiteitsblad en het hogeschoolblad Trajectum en diverse commerciële en minder commerciële mediabladen. Een column verschijnt op maandag in de sportkatern van de Volkskrant. Sinds 15 maart 2009 is Heytze stadsdichter van Utrecht. Hij is tevens muzikant in een band.

Ingmar Heytze is bedrijvig op een keur aan poëzieterreinen. Tijdschriften, festivals, bloemlezingen, uitgaven individueel of in groepsverband, CD, wat er zich ook maar aanbiedt en het staat hem enigszins aan, hij springt enthousiast op de kar. Zolang het maar in of omtrent zijn geboortestad gebeurt. Want Heytze lijdt aan een extreme vorm van reisangst, waardoor zijn universum zich voornamelijk in de eigen regio ontplooide. Sinds hij een Vespa heeft gekocht en aan zelftherapie doet, weet hij zijn actieradius te vergroten. En nood breek wet, zelfs de geestelijke, zodat hij wel eens op een verafgelegen poëziefestival gesignaleerd wordt.

Naar aanleiding van een jubileumbundel schreef Gerrit Komrij het voorwoord, waarin hij onder meer over Heytze zei: ‘Hij is een cultuurproduct, schrijvend met het gemak van een natuurtalent, dat door zijn lichtvoetigheid en directheid het gebruik van grote woorden acceptabel maakt’.

De stijl van Ingmar Heytze is sec, op kamertemperatuur. Introvert, het afstandelijke openbarend. Heytze ziet de werkelijkheid van nu en die komen zal. Hij is tevreden een dichter te zijn, maar is zich tegelijk bewust van de relativiteit van zijn filosofische beschouwingen op papier. Dat wordt subtiel aangegeven in het slotvers van 'In deze tuin'. Het gedicht is een biecht. In een ander gedicht schudt hij zijn leeftijd van zich af. Een gedicht is een foto, maar de dichter een donkere kamer. De tijden schuiven in elkaar tot een fractie van een moment. Telkens voelt hij zich anders dan hij is, maar hij is nu eenmaal, zoveel is hem wel duidelijk, wie hij is. Daar ik geen ontkomen aan. Wat hij ook niet wenst. Hij stelt vast. Ingmar Heytze berekent zijn plaats als een kapitein ter zee met een sextant in de aanslag.

Guido LAUWAERT

In deze tuin

 

Ik heb de wereld lang vertrouwd. Te lang.

Dat komt, ik had de wereld in mijn hoofd

en alles was wel vreemd maar toch bekend

genoeg en als ik iets vergeten was, wist ik

 

het vaak een half uur later weer en anders

deed het er niet toe. Goed, er waren altijd

nog de grote vragen waarop niemand ooit

een antwoord krijgt, maar die zag ik aan

 

van dag tot dag. Wat bleef ik goedgelovig

toen mijn hoofd werd leeggestolen, recht

achter mijn ogen: vreemde foto’s op de kast,

wie ik nog kende was verdwenen. Kijk, dát

 

vind ik nu verdacht. Berg uw camera maar

op, u bent te laat; vanochtend moffelde

een zuster, heb ik zelf gezien, de laatste

restjes van mijn wereld in haar binnenzak.

 

 

 

Partager cet article
Repost0
13 décembre 2010 1 13 /12 /décembre /2010 00:21

 

RogerDeNeef.jpgAnne van Herreweghen: Roger de Neef


Zaterdag 4 december werd in de Antwerpse galerie De Zwarte Panter de nieuwe dichtbundel van Roger de Neef, Luchthaven voor vogels, het leesvolk aangeboden.

Inleider van dienst was Wim Distelmans, radioloog en kankerspecialist, professor palliatieve zorgen en geneeskunde aan de VUB. In 2003 kreeg hij de Arkprijs van het Vrije Woord, voornamelijk voor zijn inzet voor de euthanasiewet. In Topaz, een comfortabel ingerichte villa met tuin in Wemmel, die nergens aan een ziekenhuis doet denken, worden patiënten met een ongeneesbare of levensbedreigende aandoening door vrijwilligers als ‘gasten’ met de wagen opgehaald en met de beste zorgen omringd zodat zij fysiek pijnvrij en met de hoogst mogelijke levenskwaliteit afscheid kunnen nemen. Roger de Neef is sinds zijn vertrek bij Belga in 2001 bij de werking van Topaz betrokken.

De inleider zei dat hij De Neef aan de borst drukt wegens zijn kurkdroge humor en de gesprekken die hij voert met de gasten. Zijn aandacht is werkelijk oprecht. Bovendien kan hij ‘feestelijk’ koken. Wat de gasten ontzettend waarderen en hun lijden verlicht.

Na de inleiding was het de beurt aan de dichter. Hij las een vijftal gedichten voor. 'Biografie', 'Ook vandaag', 'Het huis', 'Bovenal', en het vrolijk blozend gastronomische gedicht 'Hommage aan de tomaat'.

De voorstelling werd omlijst door prachtige en snedige solo’s van de gerenommeerde altsaxofonist Ben Sluijs.

*

De bundel spiegelt zich aan de samenscholing en de grote jaarlijkse herfsttrek van vogels die door ons als vakantietrip en in de overdrachtelijke betekenis, als levensbestemming kan worden ervaren.

De metamorfose van de mens die telkens opnieuw de zwaartekracht van zijn vlees verliest, afscheid neemt van wat hem vertrouwd is, tijdelijk verhuist, alles achterlaat, plots onbereikbaar, ja zelfs onbestaanbaar wordt. De mens die op artificiële wijze de eeuwenoude wetenschap en nieuwsgierigheid van een vogel, op weg naar ergens, probeert te evenaren.

De Neef heeft een tachtigtal korte en ook langere afscheidsgedichten geschreven die luchtig, ernstig, doorvoeld en herkenbaar zijn. Tezelfdertijd ondervragend en raadselachtig blijven. Voorts heeft hij bij het schrijven van die verzen kunnen putten uit zijn ervaring en jarenlange omgang en gesprekken met terminale patiënten in het dagcentrum Topaz. Twee gedichten als afsluiter.


Bovenal

 

Verkies ik Frankrijk

In dat land wil ik begraven worden

Omdat mijn vader en mijn moeder

Mijn broer en mijn zuster daar niet zijn geboren

Omdat allen die dicht bij mij in het leven stonden

Er niet hebben gewoond

Ook daarom wil ik in Frankrijk begraven worden

Begraven liefst op een zaterdag

Omdat mensen dan doorgaans ontspannen

En vergeetachtig zijn

Zij geven zich weg

Terwijl ze boodschappen doen handen schudden

Koffie slurpen kranten lezen

Ja in Frankrijk wil ik begraven worden

Constance zal zwijgen

Met de woorden die ik al altijd sprak

Zij zal bedroefd zijn

Doorschijnend als de regen

Ook zondag

Ook de dag nadien

 

Niets erger

voor Eddy van Vliet

 

Vrouwen knaagden aan hem

Kanker kapte hem kaal

Dankbaar is Eddy doodgegaan

Misschien was hij meer

Dan de dingen die wij vaak

Over hem hadden gehoord

Na voorlezing van

Dichters in het S.M.A.K. in Gent

Vertelde hij mij

Optreden doe ik liefst zoveel mogelijk

Niets erger dan tijdens je leven

Al vergeten te zijn’


Guido LAUWAERT

Roger DE NEEF, Luchthaven voor vogels, Gent, Poëziecentrum, 2010, 18,50 €. ISBN 9789056550547

Partager cet article
Repost0
10 décembre 2010 5 10 /12 /décembre /2010 21:11

 

HobikenBeeld.jpg

Frank De Vos, Bert Bevers en Peter Holvoet-Hanssen

Op zondag 12 december om 15 u zal het stadsgedicht ’De inwijkeling’ door zijn auteurs Bert Bevers, Peter Holvoet-Hanssen en Frank De Vos worden voorgedragen in kasteel Sorgvliedt, het districtshuis te Hoboken.

De inwijkeling

Oksel van de Schelde. Stervensklaar ben ik er aangespoeld.
Landbouwers, ze baarden zeebouwers en doopten ze in naam
van de Zwarte God in het schuim van Den Beer. Geen korenaar
die nog wiegt maar in de schaduw van de volle maan een reus.
Luistert naar het polderbos, metaalmoe. Rafelig de eik
maar weerspannig als de melkkar van Patrasche. Ik schuil en hoor:
“Morgen schijnt de zon als gisteren, een ster die schiet in ’t goud.”

Shana was hier – parkkiosk, wat groen – met Jessy en Yanice
en drie dichters, voor de foto. Een vos komt uit zijn hol. Hij schrijft:

Met een erehaag van woorden besmeren wij je boke
met de navel van de wereld, beetgaar, veelkleurig.
Hoe wijdbeens soms, stonden wij in verlopen tijd:
een knellende schoen, kortademig van huis tot stad gelopen.

Dan een beverhoofd. Die snor! Zijn antwoord is van ebbenhout:

Boke, bootje, Congoboot. Je bent verslavend als
een medicijn. Het hart moet rustig zijn, en kan dat
in een oude kroeg. Daar ginder achter in de polder
ligt een oot met Congob af. De oot zal nooit verloren

gaan. Ballades van inwijkelingen weerklinken er
met harde moed. Alsof je hier niet geboren hoeft
te zijn om hier vandaan te willen komen...

Peter HOLVOET-HANSSEN, Frank DE VOS en Bert BEVERS

Partager cet article
Repost0
6 décembre 2010 1 06 /12 /décembre /2010 14:58

 

receptie.jpg

Receptie in de Leyszaal (Foto: Gaëtan Faïk)

Michiels.jpgDistrictsraadslid Hugo Michiels (Foto: Gaëtan Faik)

dkrvb.JPGMarc Delannoye en Elien van Dille, bestuursleden van De Diamanten Kogel (foto:Kris Kenis)

ReneenBob.jpgRené Broens en Bob Mendes (foto: Gaëtan Faik)

Rene.jpgProf. ir. René Steurs, Magali Uytterhaegen en Lieneke Dijkzeul

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche