Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
12 juin 2011 7 12 /06 /juin /2011 05:26

 

Op het moment dat ik dit schrijf, krijg ik van een bekende uitgeverij een uitnodiging voor het zoveelste nieuwe handboek Nederlands “met een volledig nieuwe methode”, waarbij opgemerkt moet worden dat er op den duur meer methoden zijn dan leerkrachten om ze toe te passen. De eerste zin luidt: “Vorig jaar gingen de nieuwe leerplannen eerste graad in voege”. In die eerste zin staat – in een nieuw handboek voor het Nederlands! – al een gallicisme. Moet men daar zwaar aan tillen, aan deze nieuwe vorm van ‘anything goes’?  De toevoeging “met een volledig nieuwe methode” zou al een omineus teken geweest moeten zijn, want om het jaar worden in onderwijs nieuwe methodes ‘uitgevonden’, maar nooit is het Nederlands, ondanks een hoge scholingsgraad, zo erbarmelijk geweest. Door uitgeverij Plantyn word ik uitgenodigd voor ‘onze Taaldagen Nederlands 2011’, en hop: in de derde zin van de brief staat al het soort taalfout waarvan elke eerstejaarsneerlandicus wéét: dit zit niet goed!  ‘In voege’ is een klassieker: zelfs De Standaardjournalist Guy Tegenbos, die toch een zindelijke manier van schrijven en denken heeft, spreekt over ‘in voege komen’, kun je nagaan! Maar misschien doet men aan de universiteit al lang niet meer aan taalzuivering. Dat is ook zo’n ouderwets begrip. Ten overvloede: moet men daar zwaar aan tillen, aan dit soort taalfouten? Ik til er bijzonder zwaar aan, en wel om een heel andere reden.

Ik schreef al dat vanaf de jaren zestig het normatieve werd losgelaten. Die volgens ons negatieve ontwikkeling  betekent echter niet dat we tegenstander zouden zijn van het feit dat in de standaardtaal evenwaardige varianten bestaan, woorden en uitdrukkingen die tot stand zijn gekomen binnen een bepaalde cultuur; heel wat ‘Vlaamse’ woorden en uitdrukkingen  kunnen als standaardtalig worden aangemerkt. Daarover gaat het dus heus niet. Als een Vlaamse leerkracht spreekt van ‘brugklassen’, dan is dat niet minder correct dan het Nederlandse ‘schakelklassen’. Hoe ver men daarin te ver kan gaan, is à la limite geen taalkundig besluit. De ene taalpurist zal gruwen van het woord ‘pennenzak’, de andere taaltuinier zal het typische onderwijsbegrip ‘deliberatie’ een niet te versmaden en dus verrijkend franciserend woordje vinden. Fluovestjes of veiligheidshesjes: het zal me een zorg wezen, al begrijp ik dat sommige taalfrikken van oordeel zijn dat hier de poort wagenwijd wordt opengezet voor ‘d’onacht der moederlyke tael’.  Wie ook dàt soort typisch Vlaamse woorden wil weren, moet zich niet beroepen op het normatieve: woordenschat verschilt overal en zolang het grootste deel ervan gemeenschappelijk is, is er niks aan het handje. De woordenschat van de vroegere DDR en die van de Bondsrepubliek was vaak ook niet dezelfde, die van Canada of Australië verschilt soms van die van de VS, en vaak kan men dat als een verrijking beschouwen.

Ik herinner me dat de redactie van De Gids een jaar of twintig geleden het woord ‘godendeemstering’ in mijn essay schrapte, niet omdat het te ‘germanistisch’ zou zijn of ouderwets, maar wel te Vlaams, terwijl het precies aangaf wat ik wilde zeggen. Het is niet alleen een mooi woord, een beetje Duits angehaucht, maar het is zeer zeker ook een verrijking vanuit de archaïsche nevelen van de taaltijd. Het gebruik van dit soort woorden splijt de ‘eenheidstaal’ niet in twee talen. Ze vullen elkaar op die manier juist aan en maken het Nederlands krachtig. Vandaag echter ondergaat die eenheidstaal een verspintering in tientallen luie subtalen, idiolecten en taalongerechtigheden. Dit hele proces van postmoderne en nonchalante taalanarchie komt voort uit een taalonverschillige houding die ontstaat vanuit een zelfgenoegzame luiheid; nog erger is het als die indolentie toeslaat bij mensen die met taal werken: journalisten, cultuurmensen, politici, communicatiespecialisten. Bij hen moet het normatieve zo veel mogelijk usance zijn, bij hen moet het Nederlands feilloos zijn, maar juist zij verkwanselen hun taal, drijven op modieuze wauwelgolven, de taalkundige idiotieën waarmee hun spreken doordrenkt is, zijn legio en soms gebruiken ze zelfs onbewust de taal uit satirische programma’s om een gewone mededeling te doen. Als la Tanghe, de ankervrouw van de VRT die door de Taalunie middels prijzen wordt opgevrijd, uitdrukking wil geven aan haar gevoel van monkelende verontwaardiging, zegt ze met een zekere ironie: ‘Kijk es an’, een clausje dat direct refereert aan en overgenomen wordt uit het onovertroffen programma In de Gloria, waarin een opdringerige en op sensatiebeluste ‘veldreporter’ wordt gepersifleerd. Men bekijkt dus een of ander zwakzinnig infotainmentachtig televisieprogramma. Dat wordt terecht belachelijk gemaakt door de rasacteurs van In de Gloria, en dat wordt dan weer krachteloos en een beetje bête overgenomen in een ernstig gesprek tijdens het journaal. Als diezelfde ankervrouw even haar tekst niet opleest, maar gedurende twee seconden moet improviseren, gaat ze onmiddellijk in de fout. Bij het zien van ons Palestijnse Kuifje te velde, Rudi Vranck op het Tahrirplein, zegt onze VRT-passionaria en moeder van alle nieuwsankers bezorgd: “Dag Rudi, ik ben blij van je te zien”. Negen spontane woorden en het loopt al mis, en ook spreekt deze vriendelijke tante, wier gelaat haar af- of goedkeuring  van het ter sprake gebrachte onmiddellijk verraadt, van ‘aan verminderd RSZ-tarief’. Ouwe VRT-rot Dirk Tieleman gaat voor VT4 werken en wordt door De Standaard geïnterviewd. Zoals elke rechtgeaarde Vlaming spreekt hij van ‘zo’n interessante mensen’ – geen hond die het opmerkt, en al zeker niet de journalist die het interview moet uittikken. Maar ook Tom Naegels weet niet dat het meervoud van zo’n ‘zulke’ is. Reken maar dat de modale journalist van De Morgen of De Standaard zulke fouten niet eens ziet, of het nu de buitenlandcommentator is of de literatuurrecensent, want zelfs die laatste ‘galliciseert’ zich rot (Mark Cloostermans in De Standaard: toegangsexamen). Jeroen Brouwers moest jaren geleden de manuscripten van vele bekende Vlaamse auteurs op taalfouten nakijken. Hij schrijft daarover op een openhartige, vileine, brisante en pittige manier in zijn Brievenboeken, maar je voelde het al aan: dit komt nooit goed, en inderdaad,  wat Brouwers toen aanklaagde, duikt vandaag nog steeds op. Is het dan nu niet een ietsepietsie beter? Vast wel, zeker journalisten schrijven beter, al blijven zij en vele Vlaamse romanschrijvers toch vaak dezelfde taalfouten maken. Ze blijven in hetzelfde taalbedje ziek. Dat is wat vreemd, want stel dat zo’n Vlaams auteur of journalist een brief in het Frans moet schrijven, dan zal hij met de tong uit de bek zijn uiterste best doen om dat foutloos te doen, ook al moest hij / zij door de hele Robert of Grevisse fietsen. Voor de eigen taal geldt dat blijkbaar niet. De intuïtie is: het is mijn moedertaal, dus dat zit wel goed. Maar het blijft aanmodderen met dat Nederlands: iedereen legt klacht neer, spreekt van ‘de’ moment (Lisbeth Imbo op VRT-radio,  journalist en fascismebestrijder Tom Cochez in de krant, politicoloog Rik Coolsaet op VRT-televisie), zowat heel het journalistengilde heeft het over de Obama-administratie, over de frontpagina en ‘van zodra’ (Reynebeau), nagenoeg iedereen denkt dat het voltooid deelwoord van aanzien ‘aanzien’ is (aangezien dus), zelfs Lieven van den Haute, die ook ‘op het eerste zicht’ zegt en voorts wat dialectgekleurd en populistisch stamelt over ‘ne still op een foto’; voor velen zijn de media enkelvoud (opnieuw Lisbeth Imbo), Bart Sturtewagen spreekt van ‘ons nieuwe thuishaven’, Peter Vandermeersch en minister Crivit spreken van ‘aan ons vrienden ter beschikking te stellen’ en ‘in ons maatschappij’, het is voorts altijd ‘de bedoeling van iets te doen’ en ‘ bereid zijn van iets te doen’, en elke minister spreekt van betoelaging i.p.v. subsidie; vaak hoort men taalwerkers die beter zouden moeten weten ‘hij wilt’ zeggen, bijvoorbeeld Rik van Cauwelaert (wie inzicht wilt verwerven, en: wie wilt meeregeren moet zwaar inboeten op zijn of haar partijprogamma), maar zelfs in de ondertiteling van Man Bijt Hond is het van dattem: het groteske daarbij is, dat men ondertitelt omdat de opgevoerde persoon een dialectgekleurd taaltje spreekt en dus niet goed verstaanbaar is! ‘Van zodra’ i.p.v zodra is dus ook een voltreffer, zeker bij onze correspondent uit Peking, Tom van de Weghe; schrijver Joost Vandecasteele hanteert zijn taal als een soort pidgin en vraagt ‘hoe noemt dat?’, Wouter Vandenhaute spreekt zoals de mensen die hij laat opvoeren in Man Bijt Hond over ‘sterker dan ons’, voor velen is het ‘had geweest’ i.p.v. ‘was geweest’, Bart Brinckman weet niet dat je niet ‘aan een snelheid’ maar ‘met of tegen een snelheid’ rijdt, hij denkt als niet-agrariër dat een vork ‘aan de steel zit’ en schrijft steevast ‘van zodra’, Lieven Verstraeten meet zoals elke geretardeerde Vlaming ‘met twee maten en twee gewichten’ en radiojournaliste Veerle de Vos kakelt unverfroren ‘net als ons’.  Boontje mocht in zijn meesterlijke proza over ‘wolfijzers en schietgeweren’ schrijven, en de fijnzinnige Richard Minne mocht het als titel van een mooie dichtbundel gebruiken, maar laten we overeenkomen dat voetangels en klemmen voor de gewone journalist of academicus volstaan. Men spreekt ongegeneerd zinnen uit met ‘voor’ i.p.v. ‘om’ (Wéér Lisbeth Imbo, het spijt me enorm, maar ze orakelt het soort zin ‘ik ga naar huis voor te eten’), Rondas heeft het unverfroren over ‘een wet stemmen’ (maar ook onze Lisbeth Imbo stemt allerlei wetten) en ‘onder de vorm van’, elke journalist heeft het over ‘hoe dat wij omgaan met’ of ‘hoe dat wij begrippen manipuleren’ of ‘hoe dat we kunnen komen tot’, of ‘aangezien dat wij moederziel alleen staan’, of nog, over ‘de kost van levensonderhoud’, of over vervoegen als het gaat over zich voegen bij. Talloos veel tientallen die elke dag met taal werken ‘vervoegen de troepen’, bijvoorbeeld.  Hoe zou je dat zoal doen, de troepen vervoegen? Ik troep, jij troept, hij troept?  Zelfs een literatuurcriticus als Mark Cloostermans schrijft ‘waar hij de wachters vervoegt’. ‘Wachters vervoegen’, het is kras, maar bij deze literatuurcriticus ‘stellen zich ook problemen’!  Geert Sels van De Standaard denkt dat cliënteel een ‘het-woord’ is, dat ‘betoelaging’ en ‘zo’n fraaie uitdossingen’ correct Nederlands zijn; hij schrijft vertaald Frans als hij ‘in voege zijn’ gebruikt, maar dat doet zijn baas, Guy Tegenbos, zoals reeds gezegd, ook. Nog volgens Sels is een ‘product te bekomen’. Tom Heremans ‘spant rechtszaken in’, Maarten Goethals ‘voorziet opvang’ en ‘doet beroep op’, en Wouter Hillaert heeft het over ‘begoede’ personen. Bart de Wevers lieftallige assistente, Liesbeth Homans, heeft het over een faling (faillissement) en over ‘positiever als’. Wie het nog erger wil: ‘positiever als mij’, je hoort en ziet het vaak. Journalist Tom Ysebaert heeft het vlotjes over een ‘toegangsexamen’, sportcommentator Michel Wuyts spreekt van ‘doorwinterd’ i.p.v. ‘doorgewinterd’ en van ‘de gewoonte van commando’s te geven’, zijn co-commentator Karl Vannieuwkerke ‘verwacht zich aan’ en rijdt ‘aan een razende vaart’, Wim de Vilder denkt dat een ziekenfonds  ‘ziekenkas’ heet en schrijver Dimitri Verhulst schrijft ‘telkens’ als hij ‘telkens als’ bedoelt en heeft het over een rond punt. Marc Platel heeft het nog altijd over de frontpagina, en hij staat daarin niet alleen. Het is trouwens tekenend dat politici die trots zijn op hun Vlaamsgezindheid zo onbekommerd vertaald Frans spreken: ‘gordeler’ Eric van Rompuy zegt met aisance dat ‘hij hoopt van’, maar au fond zijn ze  allen in hetzelfde taalbedje ziek. 

Wim VAN ROOY

(wordt vervolgd)

 

 

Partager cet article
Repost0
11 juin 2011 6 11 /06 /juin /2011 05:20

 

wimvanrooy_2.jpg

Dat een bedrijfsleider (namen zat) het Nederlands door de hakselaar draait: het is bekend, het verwondert ons al lang niet meer en men kan het nagenoeg elke dag op de treurbuis meemaken.  Dat politici een eigen sloom idioom hebben ontwikkeld, geen volzin kunnen brouwen, Vlaams of Brabants spreken: geen hond kijkt er van op. Een modale Vlaming hoort het niet eens en zal in het beste geval eens glimlachen wanneer het koeterwaals of het ‘decroïsme’ hem / haar bekend voorkomt. De meeste ministers of parlementsleden slagen er immers niet in een zin met twee voegwoorden correct te laten eindigen, doorspekken hun lingo met rare eigen vondsten en larderen ze met wat treurige gallicismen, maken zelden een zin af of spreken het eigen dialect in veredelde vorm – en dat na tweehonderd jaar taalstrijd (cf. ut supra J. B. Verlooy). Sommige tv-presentatoren van wie de joligheid van het scherm spat, hebben zelfs een eigen kakelend en schaamteloos idiolectje gecreëerd dat tenenkrommend vals is: het Ben Crabbés, of het Bart de Pauws, of het Peter van Asbroecks, bijvoorbeeld. Iemand als de fotografe Lieven Blancqaert spreekt gewoon wat gekuist Gents, het Blancqaerts. Niemand die zich nog realiseert dat in ‘idiolect’ het Griekse woord ‘idiootès’ zit….  Dat een bekende kunstschilder een eigensoortig, dialectisch gekleurd, agressief  brabbeltaaltje hanteert, kan men hem misschien nog vergeven: tenslotte is de Vlaming een plastisch kunstenaar, een verteller met beelden, niet met woorden, en dialect is, zoals de dichter Koos Geerds ooit zei ‘een taal zonder grootspraak’. Laten we dus mild zijn voor deze species.  Als in een parlementaire onderzoekscommissie zowat de hele fauna en flora van het menselijk ras aan bod komt, wordt men bevestigd in zijn treurigheid: niemand, maar dan ook niemand slaagt erin fatsoenlijk Nederlands te brouwen. Wat taal betreft komen al deze citoyens au-dessus de tout soupçon uit het buitengewoon onderwijs. Maar laten we clement zijn: deze anti-Demosthenessen leven niet van taal alleen, al blijft het verwondering wekken waarom Nederlanders  wél kunnen wat de modale Vlaam niet kan: fatsoenlijk praten, i.e. zonder al te veel fouten.  Oké, ze zeggen dan misschien wel ‘fessoenlijk’ en ze jammen door hun taal behoorlijk wat Engelse modetermen, maar ze kunnen in volzinnen spreken. De eerste de beste ‘Hollandse’ coureur – en hij hoeft niet eens Maarten Ducrot te heten – steekt elke Vlaamse politicus in zijn zak, de achterzak van zijn maillot (een woord overigens dat de timide Vlaming doet huiveren, want Franse inslag).

Dat schrijvers, journalisten en academici, mensen die van en met hun pen leven, hun eigen taal zo schabouwelijk uitbraken: dat is pas merkwaardig. Hun taal immers is hun gereedschap, ze hebben er vaak voor doorgestudeerd, maar slagen er toch niet in een zin foutloos uit te spreken of neer te schrijven. Is wat ik hier beweer niet wat overdreven? Gebruiken zij hun prima materia dan niet feilloos, zoals men zou verwachten? Ik heb het gedurende een jaar elke dag geturfd: radio, tv, kranten, en hun bedienaars, het maakt niet uit, ze zijn allemaal in hetzelfde bedje ziek. Geen journalist die eraan ontsnapt. En het kan alleen maar erger worden. Was de oudere generatie nog min of meer geporteerd om zo correct mogelijk te praten en te schrijven, vanaf de jaren zestig werd in het onderwijs de grote communicatiemantra van kracht en was het voldoende dat we elkaar begrepen, of dat we ‘het’ konden lezen. Het normatieve werd bij de vuilnisbelt gezet, net zoals dat  in de maatschappij gebeurde. Anomie werd de regel. Nieuwe generaties werden met die neurotische dwanggedachte opgevoed door leerkrachten en docenten die zelf geen taalkundige sense of urgency meer bezaten, waardoor jongere leerkrachten met een raar soort virtuositeit een roedel fouten aanbrengen in een simpele tekst en het bestaan een zin met drie voegwoorden onleesbaar te vinden. In de jaren negentig werd de onderwijsmalaise nog vergroot door de introductie van een nieuw toverwoord: competentieonderwijs, een gedachteloze zet waarvan men in Nederland nu toegeeft dat het niets heeft opgeleverd, tenzij misère. Ooit vroeg een collega-docent aan de Lerarenopleiding me om een goed boek. Ik gaf hem Hans Achterhuis’ Het rijk van de schaarste. Na een half jaar gaf hij het me bedremmeld terug: het was te moeilijk… Met zulke docenten bouw je de achterlijkheid in je onderwijs in, maar in het kader van een verkeerd begrepen democratisering en van een dom gelijkekansenbeleid moest ook een hond met een hoge hoed een diploma kunnen verwerven. Politici en onderwijsadministratie verrichten met dit beleid eigenlijk een sovjetexperiment op de bevolking. Dit soort processen komt inderdaad neer op een maakbaarheidsproeve die men loslaat op kinderen: vanuit de onderwijsgremia, aangestuurd door de politiek en door modieuze strijdkreten, legt men wereldvreemde oekazes op die ingaan tegen elk gezond verstand. “To rub their noses in diversity”, zoals een van de spindoctors van Blair het formuleerde. Tijdens dit experiment wordt heel veel van de leerkrachten gevraagd (ze moeten bijvoorbeeld mini-antropoloog zijn), maar leren en hard studeren is daar niet bij. Alleen competenties immers tellen. De brave leerkrachten – ik noem ze de nieuwe heiligen – ondergaan gelaten deze gevaarlijke onzin waarvan niemand beter wordt en trachten er het beste van te maken, maar ook zij zijn het slachtoffer van een voortdurende en gevaarlijke experimenteerdrift en van een niet als dusdanig erkende criminele attitude. Ook het Nederlands wordt daar slachtoffer van. De Tocqueville, aan wie iedere politicus vandaag refereert, terwijl niemand hem heeft gelezen, had ons al gewaarschuwd voor de kinetiek van het egalitarisme, maar het onderwijs heeft niet geluisterd. Het wentelt zich in de roes van egalitaristische en multiculturalistische idealen, maar heeft een broertje dood aan het realiteitsprincipe. 

Elke taalkundefaculteit  die naam waardig, klaagt erover dat de nieuwe studenten geen zin op papier krijgen, zodat heel wat professoren en docenten hun tijd moeten invullen met het bijspijkeren van hun studenten met elementaire linguïstische vaardigheden, met grammatica, met spelling. Navrant is ook dat geïnteresseerde leken, zakenmensen of leerkrachten altijd maar weer hun verbolgenheid richten op spelfouten, terwijl dit taalonderdeel au fond het minst interessante facet van de taal is; ondertussen herkennen ze zelfs de grofste taalfouten niet eens en spreken en schrijven ze zelf tussentaal, vertaald Frans, idiolect of koeternederlands. Over spelling trouwens had Mark Twain zijn banbliksems al gestort in een scabreus-brutaal werkje, en welke spellingdiscussie ook die later volgde, in welk land ook,  is slechts een variante op wat Twain al zo gevat had uiteengezet in verband met wat hij ‘foolish English’ had genoemd. Als men al ‘aan taal doet’ richt men zijn pijlen op bijvoorbeeld de toenemende vloed van Engelse termen, alsof woorden en begrippen uit die nieuwe lingua franca, ondanks hun snobappeal en een gebrek aan taalcreativiteit, het Nederlands niet zouden kunnen verrijken / upgraden!


Wim VAN ROOY

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
10 juin 2011 5 10 /06 /juin /2011 05:13

 

wimvanrooy 4

Wim van Rooy

Tot de jaren zestig van de 20ste eeuw sleepte het grote moderne taalverhaal  zich voort, met een schrijver als Jeroen Brouwers, die zowat de helft van alle Vlaamse romans herschreef, met iconen als de pijnlijk articulerende Fons Fraeters, de wat nuffige Annie van Avermaet en de stijfdeftige Marc Galle, in de jaren zeventig tachtig afgelost door de blauwe brieven van taalbeul Eugène Berode. Die sleepte zijn taaltrots nog mee naar het eind van de eeuw, mompelde nog wat over tussentaal, maar dan was het gedaan. Vanaf dan gingen de taalremmen, die vanaf de jaren zestig al waren afgesleten, volledig los: anything goes werd het devies van een pomogeneratie, de kinderen en kleinkinderen van de taal- en andere bevrijders van de jaren zestig. De generatie ’68 wilde immers niet alleen het kapitalisme verslaan, ze introduceerde ook een al bij voorbaat obsolete, neomarxistische woordenschat die, naar later zou blijken, Orwell in de schaduw stelde en Gramsci navolgde. Spraken Fraeters en Van Avermaet als ‘volksverheffenaars’ nog traag en plechtstatig omdat ze verstaan en begrepen wilden worden, dan slikt men nu letters in, spreekt iedereen zowat zijn eigen ADHD-taal, is joligheid een pluspunt en gaat het staccato. Wie ’s morgens naar de klassieke zender Radio 4 luistert en Maartje van Weegen hoort kakelen, weet niet wat hij meemaakt: Maartje spreekt nauwelijks één woord helemaal uit, slikt woorden in, is de achteloosheid en de slordigheid zelve, en is soms nauwelijks verstaanbaar. Dus ook Nederland wordt geïnfecteerd door het postmoderne virus: het komt er immers allemaal niet zo op aan! Vroeger wilde de Vlaming ook via zijn taal aan volksverheffing doen, terwijl hij / zij vandaag zo individualistisch is geworden dat hij ervan uitgaat dat iedereen zowat zijn eigen taal mag spreken. Het vreemde daarbij is, dat niemand zich nog bewust is van enige taalfout: de Vlaming is de taalfout ver voorbij. Hij is op een rare manier geëmancipeerd, gede-emancipeerd als het ware. In een ‘Brief van de Dag’ in de Standaard van 31 maart 2011 merkt filosoof en ethicus Etienne Vermeersch nagenoeg hetzelfde op: “Ik ben eveneens diep beschaamd dat het Algemeen Nederlands, waarvoor wij sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in ABN-kernen gestreden hebben, het in allerlei contexten, zelfs in het theater, moet afleggen tegen een (veelal onzuiver) dialect aan de ene kant en een ‘wete-gij’-Vlaams aan de andere kant”; voorts spreidt hij een soort heimwee tentoon naar de tijd dat Vlaamse ambtenaren behoorlijk Nederlands praatten, toen het taalgebruik in de Vlaamse media nog onder druk stond van de modernistische idee van een ‘Algemeen Nederlands’. Vanaf de jaren tachtig echter begon de ADHD-verslonzing, de verkleutering en de ‘opleuking’ van het taalgebruik, een evolutie die parallel liep aan de intrede van het postmodernisme in de samenleving. Dat had een broertje dood aan hiërarchieën, was gecharmeerd van het gezagsloze, de wanorde en het relativisme, een ontwikkeling die al lang in gang gezet was door de soixante-huitards, en die nu haar apogeum bereikte bij hun kinderen en kleinkinderen.

Vlaanderen, zo dachten velen, was geëmancipeerd, bezat culturele autonomie en véél meer; vanaf dan echter begon ook het grote taalbashen, de wilde individualisering van de taal, de afbraak van de idee dat er regels zijn, het diaboliseren van het normatieve, spijts alle zogenaamde interesse voor het Nederlands. Het was en is een deel van het postmodernisme, het weren van elk groot verhaal, dat als onderdrukkend wordt gepercipieerd. In het vervolg had ieder zijn of haar eigen verhaal, modieus-deconstructivistisch ‘narratief’ genoemd, zijn of haar eigen opinietje. Ook het normatieve in het Nederlands werd gedegradeerd, zoals alles naar de filistijnen werd geholpen, want ook op andere gebieden sloeg de grote Kladdaradatsch toe: het gerecht functioneert niet, de wegen liggen er slecht bij, de treinen rijden niet op tijd, het onderwijs werd in goede sovjettraditie een pensée unique/pravda opgedrongen, waardoor onder elke school een veenbrand sluimert, de immigratie is bandeloos, nieuwe vormen van criminaliteit krijgen alle kans, de wetgevende macht is permanent onderhorig aan de uitvoerende macht, het juridisme houdt het fatsoen in een houdgreep terwijl het zelf aanvoert de rechtsstaat te beschermen, de bonussencultuur tart elke ethica, enzovoort, enzoverder. Het postmoderne levensgevoel leidt op die manier tot een bananenrepubliek. Ook de taal dus werd postmodern, anomisch, antinormatief, slordig, idiolectisch. Was en is dat erg? Taalkundig beschouwd kan men stellen dat taal leeft, en dus voortdurend verandert, dat regels vaak archaïsch en willekeurig zijn, dat een taalgemeenschap voortdurend evolueert, dat bepaalde taalfenomenen die vroeger als fout werden aangemerkt vandaag als correct worden beschouwd, dat klachten over taalverval en taalverloedering van alle tijden zijn, dat taalpausen hun status natuurlijk zelf dik in de verf zetten en con gusto als hogepriesters voor het taalaltaar fungeren.  Maar is er toch niet meer aan de hand?

Wim VAN ROOY

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
10 juin 2011 5 10 /06 /juin /2011 05:08

 

Verhandeling_verlooy.jpg

Het tijdschrift Onze Taal  heeft zowat 33.000 abonnees, van wie een behoorlijk deel in België / Vlaanderen. Dat is erg veel voor een taalkundig tijdschrift dat zich o.m. ten doel stelt het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. De scholingsgraad van de Vlaamse bevolking ligt hoog en ook kranten besteden regelmatig aandacht aan het Nederlands, aan het nut van de Taalunie, aan de ondertiteling van Vlaamse films, aan de bastaardisering van onze taal, aan het feit dat we tot een middelgroot taalgebied behoren. In sommige kranten beschikte men tot een paar jaar geleden zelfs nog over een soort taaltuinier, maar dat werd postmoderngewijs algauw als oubollig gekwalificeerd. Het jaarlijks terugkerende taaldictee, zowel regionaal als binationaal, zowel kleinschalig als grootschalig, heeft een immens succes: degenen die anders alleen maar naar voze spelprogramma’s kijken, halen balpen en papier te voorschijn en beginnen frenetiek te noteren, alsof een correcte spelling het hoogste is wat men in een mensenleven kan bereiken.  En dan is er de immer geestige weblog van de Taalprof, een anonymus die van taalkundige wanten weet en die door al zijn artikelen een soortement plezier jaagt dat aanstekelijk werkt. Er zijn verschillende taaltelefoons, en die worden gretig geconsulteerd. Er zijn de vele taalwebsites (taalpost, taaldrop, taallink, enzovoort). Woestijnvisacteur Bruno Vanden Broecke stelt zich in een interview de vraag wat écht belangrijk is. Naast gezin en vrienden, noemt hij taal, en terecht  - maar ondertussen spreekt hij wel over ‘ingangsexamen’ en ‘theatermiddens’.  Die alomtegenwoordige belangstelling voor taal heeft er intussen meestal niet toe geleid dat de zogenaamde aandacht die de Vlaming heeft voor taal, van een dusdanige oprechtheid en kwaliteit is dat hij die ook zou verzorgen. Taaltuiniers: dat is immers iets van vroeger, dat was modern, uit de stal van de volksverheffing. Nu zijn we postmodern bezig en dan mag alles, ook in taal.  Er was een tijd dat de onverwoestbare politiek columnist van de NRC, Jerôme Heldring, elke week opmerkte hoeveel taalfouten er in de krant hadden gestaan. Die tijd is voorbij: nu maalt men niet meer om een taalfoutje meer of minder. De correctoren had men al gedefenestreerd, de taaltuiniers werden als frikkerige schoolmeesters gelabeld.

Men kan dus niet beweren dat taal onverschillig laat, al denkt de modale Vlaming nogal snel dat hij correct spreekt “als hij maar een juiste uitspraak hanteert”. Onze Vlaamse minister-president is daarvan een heus exemplaartje, met een uitspraak die soms wat Hollands aandoet, maar die de ene taalfout na de andere opstapelt.  Het paradoxale is echter dat vooral journalisten en academici vandaag een veel beter Nederlands schrijven (niet spreken!) dan vroeger maar dat ze toch veel traditionele taalfouten blijven maken. Hun taal is er qua stilistiek, vergeleken met veertig of vijftig jaar geleden, enorm op vooruitgegaan, maar hun Nederlands blijft doortrokken van incorrect taalgebruik. Een taalboek als dat van Penninckx en Buyse is aan hen niet besteed. Ze blijven dus ‘wetten stemmen’ en ‘ze doen veel inkt vloeien’, ze blijven ‘gevoelig aan’ en gebouwen blijven ‘ingehuldigd’, hun ‘objectief’ blijft het aanleggen van ‘een rond punt’. Enfin, wie elke dag kranten leest of naar de radio luistert, heeft er een hele dagtaak aan. Ik wil in dit essay niet aan ‘naming en shaming’ doen, maar het zou wel al te makkelijk en gratuit zijn taalmolest aan te klagen en nooit eens te verwijzen naar een cultuurbobo. Wie in dit stukje figureert, moet niet boos worden: hij of zij staat immers heel even model voor de doorsneejournalist, de doorgestudeerde academicus, de wauwelende politicus  of  de postmoderne cultuurpaus.  De luttele voorbeeldjes die ik citeer zijn de vrucht van wat hapsnap, oppervlakkig mediascannen, want indien men dat ‘scrutineus’ zou willen doen en over een langere periode, zou één nummer van Ons Erfdeel niet toereikend zijn. Wie zijn linguïstenhart wil tarten, jennen of stangen, moet ’s morgens op de VRT beslist naar De Ochtend luisteren, ofschoon je de hele dag je hartje kunt ophalen.  Ik heb dus bewust niet op alle mediataalslakken zout gelegd. Dat niemand zich dus geviseerd voele. Voor elke cultuurmens die ik noem, staan er onmiddellijk tien klaar om het estafettestokje gretig aan te nemen.

De merkwaardige situatie doet zich echter voor dat tweehonderd jaar taalemancipatie (laten we voor het gemak even bij de 18de-eeuwse advocaat Jan Baptist Verlooy beginnen) en latente bekommernis om het Nederlands, er uiteindelijk toe hebben geleid dat niet alleen de modale Vlaming nieuw-koeterwaals spreekt in de vorm van het al vaak gesignaleerde Verkavelingsvlaams, maar dat ook doorgestudeerden, journalisten, nieuwslezers, professoren, cultuurvertegenwoordigers, kunstenaars, bedrijfsleiders, communicatiespecialisten, schrijvers, politici, onderwijsmensen, kortom het culturele puikje, of wat in een andere era het establishment werd genoemd, een taaltje spreken dat niet alleen idiosyncratisch is en postmodern (ieder zijn eigen taal!), maar dat vooral euforisch, gemakzuchtig, leuk, zelfvoldaan, modieus, kakkineus en nonchalant is, waardoor d’onacht waarover  de Brabander Verlooy sprak, een nieuwe dimensie krijgt. Het is alsof diens eerlijke woorden in een tijd die vol is van narcistische zelfemancipatie geen enkele draagkracht meer bezitten. In de 19de eeuw kon men nog trots zijn op het Nederlands. De dichter Frans de Cort kon stellig beweren ‘O, mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch, dat houd ik steeds in eere’. De man meende het en het maakt van hem vandaag bijna een prehistorisch wezen, iemand die in het grote verhaal van bevrijding geloofde. De een was, zoals bekend, meer op Nederland geaxeerd, op het ‘gemyn goed’ van beide taalgemeenschappen, het Vlaamse en het ‘Hollandse’, de ander meer op het Vlaams, maar al deze lieden geloofden dat een verzorgde en correcte taal een pure conditio sine qua non was. Kom daar vandaag eens om!

Wim VAN ROOY

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
9 juin 2011 4 09 /06 /juin /2011 03:46

28 mei. Ik lees de beschouwing van Guido Lauwaert over 'Bloed en rozen' van Tom Lanoye, Guy Cassiers en Dominique Pauwels die straks op de blog Mededelingen zal verschijnen. Dat brengt mij meteen in herinnering de nog altijd meest aan te bevelen studie over Gilles de Rais, geschreven door Georges Bataille als woord vooraf bij de publicatie van verbijsterende (proces)documenten : Procès de Gilles de Rais. Documents précédés d'une introduction de Georges Bataille, 1959, herdrukt in 1965 en 1977.

Gilles de Montmorency-Laval, baron de Retz, enz. enz., Maréchal de France (1404-1440), beter bekend als Gilles de Rais, werd als tovenaar, ketter, afvallige, aanroeper van demonen, sodomieter en heiligschenner op 26 oktober 1440 te Nantes gehangen en verbrand. Om hen die datum goed in het geheugen te prenten werden die dag alle kinderen van Nantes tot bloedens toe gegeseld.

*

Gilles de Rais ben ik in de literatuur al vaker tegengekomen. Hij is via een grotendeels auto-fictioneel romanpersonage, de historicus Durtal, prominent aanwezig in Là-bas (1891) van Joris-Karl Huysmans, auteur van de brochure La Magie en Poitou: Gilles de Rais (1897).

Talrijke zijdelingse verwijzingen aan de wapenbroeder van Jeanne d'Arc werden verwerkt in Le Roi des Aulnes (1970) van Michel Tournier, die er later een roman aan wijdde, Gilles et Jeanne (1983).

Theaterman en -criticus Jean-Luc Jeener publiceerde in 2008 La tragédie de Gilles de Rais, met een woord vooraf door Robert Hossein.

In de Nederlandse literatuur werd Gilles de Rais centraal ten tonele gevoerd door Hubert Lampo in De Duivel en de Maagd (1955) en inspireerde Hugo Claus tot een lange monoloog, Gilles! (1988). Ad Beukering ondernam onlangs een poging de vraag te beantwoorden wat Claus heeft gefascineerd in de 'grand seigneur' die model stond voor Blauwbaard (cf. Boelvaar Poef, jg. 9, nr. 2/3, september 2009).

Hugues C. Pernath schreef de Main de Gloire-gedichten (1959-1960) ter nagedachtenis van Gilles de Rais. De verzamelbundel Instrumentarium voor een winter (1963) wordt trouwens ingeleid met een citaat van de satanist, ontleend aan Là-bas van Huysmans: 'Je suis né sous une telle étoile que nul au monde n'a jamais fait et ne pourra jamais faire ce que j'ai fait'.

Gilles de Rais werd ook al opgevoerd in albums van De Rode Ridder.

*

Gilles de Rais, massamoordenaar, kidnapper, seriemoordenaar: een verzamelaar, zoals in The Collector van John Fowles, of een obsessieveling, zoals Hannibal Lecter in Thomas Harris' The Silence of the Lambs. De esthetiserende fascinatie door het kwaad, die ook in zovele Vlaamse thrillers tot uitdrukking komt.

*

4 juni. Na een gesprek met mijn CDR-collega Jacques de B. raadpleeg ik Knaurs Lexikon Moderner Kunst (1955), het exemplaar dat op 19 juli 1956 aan Gaston Burssens geschonken werd door Gerrit en Annie Borgers.

OpdrachtGerrit.jpgTussen de pagina's van dit in helder geel linnen gebonden boek tref ik tot mijn verbazing een foto van mijn ouders en grootouders en een bibliografische inhoudstafel van Maatstaf, maandblad voor letteren onder redactie van Bert Bakker. De foto dateert van de tweede helft van de jaren vijftig (wellicht 1956) en werd gekiekt in Le Troubadour, destijds een bekend nachtcafé waar Patrick, de zoon van de uitbaters, met Franse chansons optrad. Van links naar rechts: Olympe Jespers-Gardien, Marguerite Jespers-Van Elslander, Floris Jespers, een onbekende en Paul Jespers. Grootvader was een nachtraaf, en mijn ouders vergezelden hem vaak. (De aanwezigheid van grootmoeder op de foto lijkt me een eerder uitzonderlijk 'bevroren' moment...)

Troubadour.jpgHoe en wanneer kwam die foto terecht in Knaurs Lexikon Moderner Kunst ? Zoals gezegd kreeg Burssens dit exemplaar van Annie en Gerrit Borgers; meer dan dertig jaar later werd het mij geschonken door Ivo Raes, de zoon van Burssens. Om redenen die ik kan vermoeden, zal ik die foto als geheugensteuntje in het boek opgeborgen hebben terwijl ik aan het werken was aan Klemmen voor koorddanser (1997).

Koorddanser.jpg

De inhoudstafel van de jaargang 1962/1963 van Maatstaf, een brochuurtje van een tiental pagina's, had toen al zijn weg gevonden naar Knaurs Lexikon – ook al om wat mij betreftevidente maar voor iedereen onverklaarbare gedachtenassociaties die louter te maken hebben met een al te idiosyncratische manier van werken... Op de laatste pagina van de inhoudstafel schreef Burssens een korte tekst over Van Ostaijens opvattingen over lyriek die hij later zou verwerken in een lezing.

MSburssens.jpg5 juni. Ik denk aan mijn FaceBook vriend Teun De Dobbelaere, projecten-coördinator bij de Academie voor Beeldende Kunst te Gent, die meldt dat zijn stervende kat een nieuw plekje heeft ontdekt, een kamertje die niet meer wordt gebruikt.

'Er staan een paar oude dozen en een oude zetel. Achter die oude zetel ligt ze vaak als ze rust wenst. Het zou me dan ook niet verwonderen mocht ze een dezer dagen/weken daarheen gaan om over te gaan. Een kat zal op gepaste tijd afscheid nemen van haar huisgenoten. […] Ik ben dolgelukkig dat ik het eerste advies van de dierenarts niet heb gevolgd. Hij wou haar op 28 mei al euthanaseren. Ik heb er lang over getwijfeld wat het beste zou kunnen zijn...het belangrijkste is dat ze een katwaardig leven leidt en ze eveneens op een katwaardige manier kan heengaan. Ik ben blij dat ik gekozen heb voor palliatatieve zorg. Zolang ze wil, kan ze blijven....het is aan mijn maatje Tjokke om te beslissen wanneer ze wilt gaan. Terwijl ik dit nu typ, zit ze hier op mijn bureau me aan te staren.

Ja, van de discrete elegantie van een stervende kat hebben we nog veel te leren. Dat heb ik al vaak kunnen vaststellen.

7 juni. Bloggen heeft wel degelijk zin. Van Dirk De Geest, professor literatuurwetenschap aan de K.U. Leuven, ontvang ik vanochtend het levensbericht over Wilfried Adams dat hij voor de Leidse Maatschappij voor Letterkunde schreef. Hij koos bewust voor een nauwelijks biografisch portret (in tegenstelling tot het gebruikelijke genre):

Het is niet meer dan een presentatie van de dichter voor een breed publiek, in de hoop dat daarmee enige belangstelling voor zijn werk ontstaat. In dat artikel verwijs ik naar uw blog, aangezien uw bijdragen tot de meest diepgaande over de auteur behoren.

*

Dirk De Geest stipt terecht aan dat Wilfried gefrustreerd was omdat 'lezers en recensenten nauwelijks oog hadden voor het belang en de samenhang van zijn werk'. In Van Ostaijen tot heden  (Vantilt, 2001) toont Geert Buelens aandacht voor het werk van Wilfried Adams. Hugo Brems (Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005; Bert Bakker, 2006) echter voert hem alleen ten tonele als co-redacteur van het (efemere) Impuls-manifest.

Dirk De Geest onderstreept terecht het belang van de bloemlezing Hotel New Flanders (Poëziecentrum, 2008):

Toch valt het de jongste jaren met die miskenning van Adams alles bij elkaar nog mee. Zo is de dichter postuum herdacht in enkele mooie essays, niet alleen van de hand van de verwante dichter Henri-Floris Jespers (op zijn belangrijke persoonlijke blog), maar ook van de veel jongere poëziecriticus Patrick Peeters, die met postmoderne tijdschriften als Nieuw-Zuid en nY wordt geassocieerd. Minstens even belangrijk is de literaire erkenning die Adams te beurt viel in de recente bloemlezing uit de Vlaamse poëzie Hotel New Flandres. De samenstellers – die met hun uitgave een duidelijke herziening van de gangbare canon beogen – nemen van Wilfried Adams niet minder dan vijf gedichten op (jammer genoeg enkel uit de periode tot en met Geen vogelkreet de roos). Die ruime selectie wordt verantwoord door te onderstrepen dat Adams als een authentieke ‘oeuvredichter’ kan gelden.

Toen Wilfried aan zijn verhandeling werkte (“Mijn gegeven woord” van Hugues C. Pernath. Een syntaktische benadering. KUL, Fakulteit Letteren en Wijsbegeerte. Promotor: prof. dr. M. Janssens. 1972, 118 p.) bracht ik hem als go-between in contact met de ongenaakbare Hugues.

Ik besprak twee bundels van Wilfried: Geen vogelkreet de roos  (Soethoudt, 1975) in het Nieuw Vlaams Tijdschrift (waar Wilfried publicatiemogelijkheden kreeg) en Uw afwezigheid – een strategie van het verdriet  (Hadewijch, 1986) in Diogenes. (Ik zetelde trouwens in de jury die Uw afwezigheid  met de prijs van de Provincie Antwerpen bekroonde.)

Hoewel hij kon rekenen op reguliere uitgevers was Wilfried erg verbitterd. Hij voelde zich zwaar miskend. Ikheb nooit begrepen waarom hij toch zo gesteld was op de waardering van bepaalde critici over wie hij zich slechts laatdunkend kon uitlaten...

AdamsVan l. naar r.: Luc Boudens, Wilfried Adams en Henri-Floris Jespers in Thalamus

Dirk De Geest werkt aan een boek over De Tafelronde. Ik hoop dat hij buiten de betreden paden treedt en de aandacht zal vestigen op twee tot nu toe m.i. verwaarloosde aspecten: nl. de aandacht van Paul de Vree voor 'la Belgique sauvage' en, vooral dan, zijn rol als gangmaker van de concrete, sonore en visuele poëzie. (Prof. em. Piet Tommissen (°1925) heeft de jongste jaren herinneringen aan DeTafelronde in strikt privé-edities gepubliceerd.)

*

Tsja, het toeval bestaat niet. Mijn vriend Hubert Lampo initieerde mij decennia geleden in (zijn opvatting van) de Jungiaanse synchroniciteit. En, jawel, deze middag had ik een afspraak met de dichter Bert Bevers in BatoBatu aan het Mechelseplein ('het dorp), uitgerekend de plek waar ik geregeld met Wilfried nachtelijk overleg pleegde. De laatste jaren van zijn leven zat Wilfried daar ook elke donderdag middag met Michel Bartosik (soms ook in het gezelschap van de eigenzinnige en erudiete Peter Bormans).

Bert en ik zouden overleggen over de verdere opbouw van de CDR-blog (een soortement 'redactievergadering' dus...). In de loop van het gesprek vielen de namen van o.m. Erik van Ruysbeek, Karel Jonckheere en... Wilfried Adams – 'een uitmuntend dichter die een mooi oeuvre nalaat', aldus Bert.

Achteraf gingen we foto's nemen van de woning van Emma Lambotte (zie de blog van 17 mei) en werden we gekiekt voor de Sint-Joriskerk (zie de blog van 31 mei), op de plek waar Paul van Ostaijen c.s. op 16 september 1917 'door' daden, woorden, gebaarden, zijne Eminentie Kardinaal Mercier, aartsbisschop van Mechelen, in de uitoefening van zijn bediening' hebben gesmaad.

7-juni-2011.JPG

Partager cet article
Repost0
8 juin 2011 3 08 /06 /juin /2011 04:59

HVB-Stadsdichter-ter-zee.jpg

Stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen presenteert op dinsdag 14 juni zijn tiende Stadsgedicht. Het gedicht Scheldeduikerwordt in een ontwerp van Jelle Jespers op het schip Festina Lenteaangebracht. Ter gelegenheid van de inhuldiging vaart de boot op dinsdag 14 juni uit vanaf het Willemdok met een door de Stadsdichter samengesteld poëzieprogramma, dat de prelude vormt van het Felix Poetry Festival in het FelixPakhuis.

Op dinsdag 14 juni stelt Peter Holvoet-Hanssen zijn tiende Stadsgedicht voor. De Antwerpse Stadsdichter maakt er opnieuw iets bijzonders van. Het gedicht Scheldeduikerwordt in een ontwerp van Jelle Jespers op de boeg van het schip Festina Lenteaangebracht.

De Stadsdichter maakt van de voorstelling van het nieuwe Stadgedicht een waar feest. De Festina Lente vaart om 20 uur vanaf het Willemdok uit met aan boord de Stadsdichter en zijn poëtische vrienden. Peter stelde een volledig poëzieprogramma samen. De avond vormt zo een prelude op het poëziefestival ‘Felix Poetry Festival’ op 15 en 16 juni in het FelixPakhuis.

Poëzieprogramma ‘op de Schelde’

Stadskoor Maanstemmerverwelkomt alle opvarenden aan de kade bij de Festina Lente. De Friese dichterTsjêbbe Hettingabrengt speciaal voor deze gelegenheid een toepasselijke keuze uit zijn dromerige gedichten. Bart Plouvierserveert poëtische zee- en havenvertellingen, iets wat de Antwerpse oud-matroos met de zee als belangrijke inspiratiebron als geen ander kan. Peter Flynn, een ‘Ierse Belg’, zorgt voor een verrassende literaire noot en Les Musicauxen Roland van Campenhoutstaan garant voor sfeervolle muzikale entr’actes in het teken van het water en de haven.

Praktisch

Locatie: Willemdok, Antwerpen (Bordeauxstraat)

Aanvang: 19.30 uur. De boot vertrekt om 20 uur stipt!

Terugkomst Willemdok: 22 uur

Prijs: 5 euro

Tickets online via www.felixpakhuis.nu/ www.infocultuur.be

  • tel. 03 338 95 85 of aan de balie bij Info Cultuur (Grote Markt 13, 2000 Antwerpen)

Informatie Felix Poetry Festival 2011
www.antwerpen.be/boekenstad

Partager cet article
Repost0
3 juin 2011 5 03 /06 /juin /2011 01:34

 

Exlibris-1-6-11-041.jpg

Henri-Floris Jespers en Gert Vingeroets, secretaris van Exlibris

Herinneringen uit het kunstleven (woensdag 1 juni 2011). Het onderwerp van deze lezing wekte de nieuwsgierigheid van vele trouwe bezoekers van de Culturele Kring Exlibris op hun maandelijkse bijeenkomst. In zijn verwelkoming somde Gert Vingeroets de elf lezingen op die de gewaardeerde spreker reeds hield gedurende het 22-jarig bestaan van de kring.

Veeleer dan een vertellen van snedige anekdotes werd het een bijwijlen weemoedige bezinning over de herinnering.
Met als aanknopingspunt de lezing die hij in 1995 in café Exlibris hield te samen met Line Lambert surfte Henri Floris Jespers door de herinnering naar zaterdag 5 september 1971 waar hij samen met Rein Bloem een lezing hield over het maniërisme. Daar ontmoette hij Line Lambert voor het eerst. Academicus en dichter Jan De Roek was die nacht slachtoffer geworden van een dom verkeersongeval.

Met de lezing wilde Henri-Floris Jespers een hommage brengen aan Roger Avermaete met zijn 4-delige uitgave Herinneringen uit het kunstleven (uitg.Manteau). De schrijver van die herinneringen lijkt vandaag totaal in de vergetelheid verzonken hoewel hij in de twintiger jaren de geestdriftige leider was van het tijdschrift Lumière.Hij gaf de naam “De Vijf” aan de groep belangrijke houtsnijders van die tijd: Frans Masereel, de broers Jozef en Jan-Frans Cantré, Henri Van Straten en Joris Minne. Hij was de oprichter van de school voor Kunstambachten Roger Avermaete, later voortgezet door Herbert Binneweg.

Via Van Avermaete komt de spreker weer terecht bij André De Ridder, Gaston Burssens, Paul Neuhuys waarmee hij zich verbonden voelt.

De Vlaamse Letteren zijn voor hem als een dodenakker, zovele vrienden, kameraden, weggenoten met wie hij een persoonlijke band had : Maurice Gilliams, Bert Decorte, Paul de Vree, Karel Jonckheere, Lambert Jageneau, Hugues C. Pernath, Paul Snoek, Gust Gils, Herman J. Claeys, Jan de Roek, Nic van Bruggen, Georges Adé, Hector-Jan Loreis, Wilfried Adams, Michel Bartosik. En niet te vergeten de plastische kunstenaars: Albert Szukalski, Vic Gentils, Youri Demeure en Jef Verheyen.

En dan is de cirkel rond en komt hij weer terecht bij Jan de Roek van wie – eindelijk – dit najaar het oeuvre opnieuw wordt uitgegeven. Jespers citeert hier een lang gedicht van Jan de Roek waarvan de eindregels luiden:

Reeds slaan uw ogen mij in het gezicht

als hagelstenen, meer dan weerbarstig.

Uw ogen zijn veranderd reeds

En dagelijks bereiken mij doodsberichten

met name “vroeger”, ” nooit meer”, “in de hoop”.

Met u sterft alles aan mij af.

*

Exlibris-1-6-11-010--2-.jpg

Renée van Hekken

Toch kan Jespers het niet nalaten ons op een kleine anekdote te vergasten, een kleine grap die op kosten van de Pink Poets 40 jaar geleden uitgehaald werd met de toen nog piepjonge dichteres Renée van Hekken die zich in het publiek bevindt. Zowel Renée als de Pink Poets werden toen slachtoffers van een mystificator met weinig goede smaak. Renée kan er zelf hartelijk om lachen.

De spreker eindigt zijn betoog op de hem eigen zeer bescheiden wijze: “In mijn letterkundige arbeid heb ik altijd slechts één betrachting gehad: de vlam doorgeven”.

Hij stelt vast dat de egoïstische klaagcultuur van deze tijd , die gepaard gaat met vervlakkend entertainment genadeloos om zich heen grijpt en dat gemeenschapszin een begrip is dat herleid werd tot ouderwetse folklore. Maar hij is een ziekelijke optimist.Vroeger was het niet beter dan nu, morgen wordt het ongetwijfeld beter, maar dat hangt van onszelf af.

Tot slot leest hij een gedicht dat opgedragen is aan Pruts (Cecile Lantsoght) waarin zo wonderwel de hele teneur van deze boeiende én ontroerende lezing is weergegeven.


Ik heb geen praalgraf nodig om te weten

met wie ik in de eeuwigheid zal slapen

Je naam, gegrift als een teken

beheerst de dreven van mijn waken

 

De droom door droefheden gedreven

bereikt de oevers van mijn feilloos falen

vroege wrakken van wrede schepen

versieren de lettertekens van mijn naam

 

Door kreten van het leven gegrepen

de tranen van de tijd geplengd

ik ben alleen en reeds vergeten

door zoveel vuur verzengd

 

Zo was ik hier, Prince, één uit een keten

voorloper van allen, navolger van velen

speller van de woorden van je faam

(Uit: De tijd van een vreemdeling, Antwerpen, Contramine, 1976.)

Exlibris-1-6-11-051.jpgVan l. naar r.: Jan van Oostende en dr. Paul Hoffbauer, voorzitter van Exlibris

Exlibris-1-6-11-095.jpgLuc en Thierry Neuhuys

Exlibris-1-6-11-130--2-.jpgFrank de Vos

Exlibris-1-6-11-129--2-.jpgFrank Ivo van Damme

Exlibris-1-6-11-067.jpgHFJ

Foto's: Frank Ivo van Damme

Joke VAN DEN BRANDT

Partager cet article
Repost0
2 juin 2011 4 02 /06 /juin /2011 23:06

 

CoverERauw2.jpg

Vanavond werd in het SMC te Brasschaat Uit Balans, de nieuwe thriller van Gert Erauw voorgesteld. Alvorens te focussen op de roman ging inleider Luc Pay even in op de taaie misverstanden en vooroordelen die nog altijd circuleren wanneer 'thrillers' of 'spannende boeken' versus 'literatuur' afgewogen worden.

Hier dan een enkele beschouwingen van Luc Pay over Uit Balans.

In literatuur wordt het verhaal van een boek gedragen door één of meer thema’s – dat voorgestuwd wordt door de dramatische ontwikkeling en de karakterontwikkeling. Thema’s bij Gert Erauw zijn: naïeve morele pretenties die achteraf niet zo gefundeerd blijken; hebzucht en materialisme; vriendschap tegenover eenzaamheid; liefde versus lust; bedrog en vooral zelfbedrog; de relaties tussen ouders en kinderen; conformisme tegenover authenticiteit, en misschien vooral: de wanhopige zoektocht naar de “duimstok” waarmee het leven gemeten moet worden, het juiste morele kompas waarmee je het beste door het labyrint van het leven gaat.

Deze thema’s, die ressorteren onder de noemer psychologie en ethiek, komen aan bod via de kwellende zelfreflecties of zelfonderzoeken van de twee Ikpersonages, twee vrij egocentrische karakters die echter wanhopig haken naar begrip, naar vriendschap, naar een ‘duimstok’. In deze roman laten die thema’s alleszins weinig ruimte voor illusies, net zoals in de roman Het Plan trouwens al het geval was. Aan het einde van het boek bekent Olivier: “Ik hield op vragen te stellen omdat de antwoorden lachwekkend zijn. Ik verwijt niemand wat, maar kan niemand evenmin vergeven omdat vergeving verwaandheid inhoudt.”

Uit balans lijkt me een Bildungsroman die tot de conclusie leidt dat het leven één grote cynische grap is waarin ieder zijn ding doet en uiteindelijk niemand het recht heeft om met een belerend vingertje naar een ander te wijzen. ‘Slecht doen’ loopt slecht af, maar het goede wordt ook niet beloond: er rest slechts “de immense onzin van ieders geschiedenis”, zoals Olivier vaststelt.

In ieder geval overstijgt Gert met deze nogal verontrustende thematische diepgang ruimschoots het veeleer louter plotgerichte verhaal van het “spannende boek” of van “lectuur”.

Als het waar is dat “misdaadfictie” een mysterie oplost en dat “literatuur” een mysterie ontwikkelt, dan denk ik dat Gert Erauw erin geslaagd is beide te combineren. Inderdaad: er is een geheim, er zijn trouwens meerdere geheimen op het niveau van de plot of van de verwikkelingen tussen de personages en hun respectieve handelingen, en die plot- of actiegebonden geheimen worden in de loop van het boek ook opgelost.

Tot slot van de drukbijgewoonde feestelijke presentatie las de auteur enkele pagina's uit zijn boek.

Gert ERAUW, Uit balans, Westerlo, Kramat, 232 p., 17,95 €.

Zie ook de blog van 29 mei:

http://mededelingen.over-blog.com/article-luc-pay-over-gert-erauw-75089911.html

 

 

 

Partager cet article
Repost0
30 mai 2011 1 30 /05 /mai /2011 11:46

 

Op uitnodiging van de Culturele kring Ex-Libris geeft Henri-Floris Jespers op woensdag 1 juni een lezing. Hij gaf zijn uiteenzetting de titel 'Herinneringen uit het kunstleven' mee, een zijdelingse hommage aan Roger Avermaete (1893-1988).

Jespers werd in de prille jaren 90 gerecruteerd als lid van Ex-Libris door Joke van den Brandt en maakte dus nog de gedenkwaardige zittingen in Café Exlibris mee.

henri3.jpgIn Café Exlibris: Werner Spillemaeckers, HFJ en John Bel

PvO.jpgVan l. naar r.: HFJ en twee jeugdvrienden van Paul van Ostaijen: Geo van Tichelen en Oscar Jespers (1966)

h31.jpgVan l. naar r.: Wilfried Adams, Paul de Vree en (met de rug naar de camera), de bontmantel van Albert Szukalsi

94.jpgVan l. naar r.: Maurice Gilliams, Stan Lauryssens en HFJ (1970)

Rijmenam.JPGPink Poets in Rijmenam. Van l. naar r.: Werner Spillemaeckers, Karel Jonckheere, Michel Bartosik, HFJ, Patrick Conrad en Hugues C. Pernath (1973)

*

Vorige lezingen van Jespers bij Ex-Libris:

2 maart 1994: Franstalige avant-garde-schrijvers en de Vlaamse Beweging in de jaren twintig

7 juni 1995 (samen met Line Lambert): Oscar Wilde en het dandyisme

6 september 1995: Paul van Ostaijen en de Vlaamse Beweging

1 oktober 1997: Gaston Burssens, een lotsbestemming

2 oktober 2002: Michel Seuphor en Paul Joostens

7 mei 2003: André de Ridder

4 februari 2004: Hubert Lampo

7 juni 2006: De Nederlandstalige thriller

6 juni 2007: Liane Bruylants

4 juni 2008: Hugo Claus. Voorlopig definitief of definitief voorlopig?

 

Zoals gewoonlijk is iedereen reeds vanaf 19u30 welkom in het Ex-Libris lokaal, Taverne Rochus, Sint-Rochusstraat 67 te Deurne. De zitting wordt stipt om 20 u 30 geopend.

Partager cet article
Repost0
29 mai 2011 7 29 /05 /mai /2011 18:27

ERauw

Gert Erauw

Uit Balans, de tweede roman van Gert Erauw (°1965) wordt donderdag 2 juni voorgesteld in het SMC te Brasschaat. Hij debuteerde vier jaar geleden met de psycho-thriller Het plan, of de hoopvolle ondergang van m'n geniale zelf.

Uit Balans zal hier besproken worden door Luc Pay. Hier volgt alvast zijn recensie van Het plan.


Een uitdagende, stekelige, netelige roman

In 2007 publiceerde Gert Erauw bij Davidsfonds zijn debuutroman Het plan, die als ondertitel draagt: of de hoopvolle ondergang van m'n geniale zelf. Met die ondertitel is de toon eigenlijk al gezet.

De manieren waarop iemand verstrikt raakt in de netten van de literatuur zijn wellicht ontelbaar en van de meest uiteenlopende aard. Via zijn stiefvader is Erauw een kleinzoon van Ast Fonteyne (1906-1991), een vrij flamboyante figuur die zich tijdens het interbellum deed opmerken als toneelkunstenaar (acteur, regisseur, decor- en kostuumontwerper), plastisch kunstenaar en vooral leraar dictie; na de oorlog bleef hij een veel gevraagd regisseur voor televisie- en openluchtspelen en voor schooltoneel. Ongetwijfeld toch een voedingsbodem.

Maar daarnaast, zo vertrouwde de auteur me toe in een gesprek, was hij wegens ziekte een tijd geleden gedwongen een jaar thuis te blijven, wat hem naar de pen deed grijpen — dit herinnert me onwillekeurig aan auteurs als Stoker, Stevenson, Proust, Kafka of Lovecraft, die in hun kinderjaren geplaagd werden door een langdurige (of blijvende) ziekte. Erauw bezat overigens al altijd een uitermate grote leeshonger, wat meteen de overvloed aan citaten verklaart waarmee elk hoofdstuk – en er zijn er wel wat in dit boek – aanvangt.

Het plan heeft me van bij de eerste bladzijde geboeid, al geeft deze roman zich niet zo makkelijk ‘gewonnen’. Hij roept meer dan eens serieuze vragen op, strijkt met bepaalde uitlatingen of ideeën wel eens meer tegen de haren van de lezer in of speelt soms uitdagend op de rand van het logisch aanvaardbare.

Waarover gaat het? De vertellende ik-figuur krijgt door een dom toeval (een bomexplosie in het hartje van de Antwerps-joodse diamantwijk) een koffertje met vier miljoen euro in handen en slaagt er, gezien de chaos, in het mee naar huis te nemen. Maar dan beginnen morele vragen en gewetensbezwaren op te duiken die hem ertoe inspireren met zijn eigen schuldgevoelens maar ook met het morele niveau van zijn beste vrienden een erg gevaarlijk ‘spel’ te gaan spelen. Hij verdeelt namelijk de ‘buit’ in vier gelijke delen en bedenkt een ingewikkeld plan om op volstrekt anonieme wijze drie vrienden (en zichzelf) elk met één miljoen euro op te zadelen, echter met het daaraan gekoppelde verzoek de respectieve geldkoffers op een bepaalde datum en via een ingenieus systeem terug te bezorgen, alweer volstrekt anoniem. Het uiteindelijke doel: op basis van het aantal teruggebrachte koffers zal het bedrag volgens een strikt mathematische formule in zijn totaliteit of gedeeltelijk aan de bank gerestitueerd worden. Geeft iedereen zijn koffer terug, dan krijgt de bank vier miljoen en houdt de ik-figuur niets; geeft slechts één persoon het geld terug (nl. hijzelf, dat staat van bij het begin vast) dan houdt hij 3/4 van het totaal, dus 750.000 euro enzovoort; de exacte formule vind je in de roman op p. 27 in een overzichtelijke Excel-tabel. Het spel begint... maar loopt uiteindelijk slecht af. Tot daar het louter inhoudelijke aspect.

Vooreerst dit. Niet alleen de ‘ik’ speelt in de roman een gevaarlijk spelletje, ook de auteur zelf doet dat met de lezer. Je verneemt namelijk wel de namen van de vier betrokkenen maar nooit wie van de vier de ik-figuur zélf is. Hij wordt dus binnen het overkoepelende fictionele kader van de roman nog eens een fictie in die zin dat de verteller over zichzelf (en zelfs met zichzelf) vertelt (of spreekt). Op basis van subtiele details (woning, kleding, bepaalde gewoontes...) heb ik wanhopig getracht de ik-figuur te identificeren, maar zonder resultaat; tegenstrijdigheden of onmogelijkheden in dit verband blijven zich in de loop van de lectuur opstapelen. Uiteraard leidt zo'n procedure tot een zekere frustratie bij de lezer, anderzijds tot hardnekkige nieuwsgierigheid én niet aflatende spanning. Deze techniek van de bewuste identiteitsverwarring wordt door Erauw knap en consequent volgehouden, al blijf je als lezer met een onvoldaan, licht geïrriteerd gevoel in de kou staan. De auteur bleek best bereid om mij te vertellen 'wie het nu eigenlijk is', maar ik verzocht hem dat niet te doen; de morele en psychologische implicaties van de roman zijn immers veel belangrijker dan de spanning of de exacte identificatie van de figuren.

Het mag reeds duidelijk zijn dat de ‘ik’ zijn eigen morele dilemma (het geld teruggeven of niet) afwentelt op zijn beste vrienden: hij dwingt hen zijn eigen schuldgevoelens met hem te delen, en daar loopt het natuurlijk fout. De hele roman lang analyseert de ‘ik’ op een genadeloze en vlijmscherpe manier zichzelf en de gevoelens of reacties van zijn drie vrienden en hun omgeving. Hij blijkt een soort ‘controlefreak‘ te zijn, een vrij cynische poppenspeler die echter de fout begaat geen rekening te houden met onvoorspelbare emoties en dito reacties. Kortom, niet de ‘oplossing’ is in dit boek zo relevant, niet ‘wie het is’, maar wel de botsing tussen de diverse morele dilemma's en de verschillende gevoelens en overwegingen waarmee de vier (hoofd-) figuren geconfronteerd worden. De laatste zin van het boek luidt trouwens: “Het enige wat ik beamen wil: behoed u voor de schijn, creëer de waarheid naar eigen goeddunken en laat de mijne met rust” (p. 247).

Kan de hoofdfiguur dan niet als ‘laf’ bestempeld worden’? Volgens de auteur niet: hij denkt immers na over het ‘morele dilemma’ en dat is al voldoende.

De roman van Erauw ademt een wrange zoniet cynische, ontnuchterende levensvisie: niemand doet iets gratis, onbaatzuchtigheid is onbestaande; ieder mens is zijn eigen en enige morele criterium. Niets van wat een mens doet, zegt of beslist, is moreel gezien beter dan een andere optie. Of nog: niets is belangrijk want wat er ook gebeurt, het leven gaat verder. Zelfs liefde, vriendschap of onbaatzuchtige filantropie berusten uiteindelijk altijd op egoïstische motieven: je haalt er immers altijd uit wat je zelf nodig hebt om ‘gelukkig’ te zijn. Dit alles blijkt niet alleen uit het centrale motief van de roman (de problematiek van het al dan niet terug te geven geld) maar tevens uit talloze passages waarin de vriendschappen van de hoofdfiguur (-figuren) of de relatie(s) met hun respectieve verloofde, echtgenote of vriendin geanalyseerd worden. Een pijnlijke illusieloosheid inzake ‘het leven’ die Erauw nogal dicht in de buurt brengt van een auteur als Houellebecq, dacht ik.

Weinig opwekkende gedachten zijn het natuurlijk ook, en je kan je als lezer uiteindelijk alleen maar troosten met de vaststelling dat de hoofdfiguur aan het slot met dat soort inzichten leert te leven en tot een zeker evenwicht, een zekere bittere aanvaarding ervan komt, ondanks (of mogelijk juist als gevolg van) “de hoopvolle ondergang van m'n geniale zelf”.

Het minste dat je kan zeggen is dat de roman een serieuze uitdaging vormt voor je eigen mentale en morele ‘stabiliteit’ (maar misschien is dat wel de functie van alle goede literatuur). Erauw slaagt erin om met de lezer, die op diverse plaatsen rechtstreeks wordt aangesproken en dus tot ‘getuige’ en zelfs medeplichtige wordt gemaakt, ook op het vlak van de ideeën een vrij pijnlijk spel te spelen waar je erg moeilijk uit raakt.

Voeg daar een nogal norse, hortende en beknopte stijl aan toe (de roman barst van elliptische zinnen die vaak uit slechts twee of drie woorden bestaan) en de lezer zal begrijpen wat ik bedoelde met ‘weerbarstige roman’ die je tegen de haren in strijkt.

De twee minpunten van dit boek lijken me precies die uitermate complexe en verwarrende plot (als gevolg van de verteltechniek) die de aandacht afleidt van de diepere thematiek, en een al te gemarkeerde stijl (de staccato-syntaxis b.v., of de overdaad aan literaire citaten) – nadrukkelijkheden die we een debutant echter graag vergeven.

Eindconclusie: hoedanook een aanrader, deze psycho-thriller. Een boeiende en spannende roman die je leest tegen een sneltrein-tempo maar die je achteraf verweesd achterlaat, zodat je gedwongen wordt hem onmiddellijk ten minste één keer te herlezen. Een uitdagende, stekelige, netelige roman die de lezer in hoge mate met zichzelf confronteert, met zijn eigen ziel, morele overtuigingen of geloof in het leven.

Luc PAY

Erauw011.jpg

Gert ERAUW, Het plan, of de hoopvolle ondergang van m'n geniale zelf, Leuven, Davidsfonds, 2007, 247 p., 19,95 €.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche