Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
5 février 2008 2 05 /02 /février /2008 06:00

Prof. dr. Michel Bartosik studeerde Germaanse filologie aan de Vrije Universiteit te Brussel, waar hij onder leiding van professor Jean Weisgerber in 1978 promoveerde over de poëzie van Jacques Hamelink. Hij was toen al zes jaar werkzaam aan de VUB, waar hij in 1994 voltijds docent Nederlandse letterkunde en poëzie werd; sinds 1997 was hij ook deeltijds docent aan de Université Libre de Bruxelles.

In de jaren zeventig was Bartosik redacteur van de tijdschriften Hand en Impuls. Samen met Wilfried Adams (1947-2008) schreef hij in 1975 Proeve voor een Impuls-manifest. Hij publiceerde doorwrochte opstellen en recensies in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, Kreatief, Tirade, Dimensie en Poëziekrant over o.m. Hans Lodeizen, Hugues C. Pernath, Jacques Hamelink, Gerrit Kouwenaar en Willem Jan Otten.

De jongste jaren publiceerde Poëziekrant uiteenlopende maar altijd opmerkelijke zoniet verrassende opstellen van zijn hand. Hij nam eveneens zitting in commissies van het Vlaams Fonds voor de Letteren.

&

Naast heel wat in een rits tijdschriften verspreide gedichten, publiceerde Michel Bartosik vier bundels:

  • Linguïstiek, Antwerpen, Contramine, 1975.
  • De verzamelnaam der eenzaamheid, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1976.
  • Rigor mortis, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1980.
  • Geschreven familie, Gent, Poëziecentrum, 2003 (waarin opgenomen een herziene versie van Sunt lacrimae, een bibliofiele editie verschenen in 1990).

 

Linguïstiek werd geïllustreerd door Jan Struelens en ingeleid door Paul Hadermann. In De verzamelnaam der eenzaamheid werd een tekening opgenomen van zijn vrouw, de schilderes Louise Chevalier (°1949), die met haar tentoonstellingen in Galerij 3K (met zoon Thomas Bartosik, 2001) en in het Elzenveld (“De helft van de tijd”, 2007) terecht op bijval mocht bogen.

&

Michel Bartosik was lid van Pink Poets, het discrete genootschap opgericht in de herfst van 1972 door Patrick Conrad en Nic van Bruggen. De eerste om toe te treden tot dit collectief van individualisten was Werner  Spillemaeckers, meteen gevolgd, in december, door Paul Snoek. Ik was al eerder benaderd door de stichters, had bedenktijd gevraagd, en werd pas in januari 1973 als vijfde man ‘geïnstalleerd’. Pernath, behekst door getallensymboliek, stond er uitdrukkelijk op de zevende zetel te bezetten, zodat eerst nog Michel Bartosik als zesde Pinkbroeder ‘bevestigd’ werd. Tot aan de opheffing van het genootschap in 1982 zou Bartosik een voorbeeldig lid zijn, die secuur aan de werkzaamheden deelnam.

In de bijzondere aflevering van het Nieuw Vlaams Tijdschrift naar aanleiding van het eerste lustrum van Pink Poets (jaargang 30, nummer 9, november 1977) publiceerde Bartosik een belangwekkende verklaring, waarin hij coram publico een stelling openbaarde die tot dan sub rosa werd beleden:

Aanvankelijk was het onze bedoeling in dit geheel aan Pink Poets gewijde nummer het lange slot van Jan de Roeks meer dan honderd bladzijden tellende bundel Jeunesse dorée op te nemen. Plaatsgebrek noopte ons ertoe deze publicatie tot een volgende aflevering uit te stellen.

Ik geloof niet dat we met deze eigenzinnige annexatie iets ongehoords begaan.

 

Jaren later zou hij in bittere bewoordingen verklaren dat hij het voor zichzelf als een vergissing beschouwde, tot Pink Poets te zijn toegetreden.

Wat er ook van zij, in Van Ostaijen tot heden  (2001) stelt Geert Buelens in een historisch perspectief vast:

Hoewel, zoals gezegd, bezwaarlijk beweerd kan worden dat Conrad, Van Bruggen, Pernath, Adé, Spillemaeckers, Bartosik, De Vree en Jespers eenzelfde soort poëzie schreven, zorgde hun genootschap er wel mee voor dat de experimentele (of minstens: experimenteel aangelengde) poëzie in Vlaanderen als een even voorname traditie werd gezien als de klassieke(re).

&

Buelens wijst erop dat Bartosik met woorden én met metafysica speelt, maar dat hij minder dan Adams grote worden schuwt. Hij wijst op de invloed van Pernath, Trakl en Celan (je zou minder goede leermeesters kunnen kiezen), en stelt vast dat ook bij Bartosik “de onmogelijkheid tot echte communicatie centraal staat”.

Leven en schrijven komen hier dus erg dicht bij elkaar te liggen, maar anders dan bij de in dat opzicht verwante Leonard Nolens leidt dat bij Bartosik nergens tot een echt overtuigend geloof in de kracht van het woord.

Kortom,

Bartosik blijft dichten zoals een zelfmoordenaar blijft leven.

In de warrige en bij wijlen groteske Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005 (2006) van prof. dr. Hugo Brems, geschreven in opdracht van de Taalunie, krijgt de poëzie van Bartosik geen aandacht. Net als zijn vriend Adams wordt hij slechts vermeld in verband met de Proeve voor een Impuls-manifest.  (Dat is nota bene ook het lot van Lucienne Stassaert.)

&

Ik heb Michel (21 maart 1948 – 1 februari 2008) in de tweede helft van de jaren zestig ontmoet in het destijds bloeiende Antwerpse nachtleven. Hij was toen in het gezelschap van Jan de Roek (1941-1971), die veel verwachtte van zijn talent, en hem stelselmatig bij zijn literaire kompanen introduceerde. De eerste gedrukte tekst van zijn hand las ik in 1969 in de vierde aflevering van het tijdschrift Artisjok. Tegen de tijdsgeest in (het eerste nummer verscheen in januari 1968) had uitgever Werner Spillemaeckers (°1936) gekozen voor een typografisch en druktechnisch verzorgde uitgave, waarbij Jan Prinsen voor de lay-out en het omslagontwerp tekende.

Van dan af zagen we elkaar geregeld, en we beleefden samen het avontuur van Pink Poets, waar nog veel over te zeggen is.

Vanaf de jaren 80 ging de aandacht van Michel geheel naar enkele Nederlandse auteurs. Dat zijn gedichten steevast geweigerd werd door Nederlandse uitgevers, griefde hem dieper dan verwacht mocht worden van de relativerende en soms geamuseerde toeschouwer die hij op zijn beste momenten was.  Totaal gespeend van enige assertiviteit, publiceerde hij weinig, zoniet nauwelijks (zijn afwezigheid in wetenschappelijke of academische tijdschriften is zonder meer opvallend), wellicht uit bescheidenheid, die beschaafde vorm van hoge moed. Dat hij zich miskend voelde als dichter lijdt geen twijfel.

Toen hij in “Versmacht in de nacht” optrad (Gentse opera, 2003), publiceerde In Letterland een smalend artikel waarin niet alleen zijn poëzie (net als die van Roger de Neef trouwens) gekraakt werd, maar ook oprechte deelneming geformuleerd werden aan het adres van de studenten van de VUB: “God verhoede dat er ook maar één student zich iets van zijn lessen aantrekt”.

Meerdere studenten van hem hebben mij toevertrouwd dat de introverte en teruggetrokken Bartosik een enthousiasmerende docent was die, eens hij zijn college aanvatte, als het ware een gedaanteverwisseling onderging en bij zijn toehoorders vanzelfsprekend die zeldzame vonk kon laten overslaan waardoor ze in een onbekend universum vervoerd werden. Dat hij niet altijd gelukkig is geweest aan de universiteit is echter ook een feit.

De jongste jaren zagen we elkaar af en toe in Bato Batu, waar Michel elke donderdag vanaf 16 uur zowat open tafel hield, colloquia waar steevast Wilfried Adams en Peter Bormans deelnamen.

&

Volgens dr. Dorian Cumps, “maître de conférences” aan de Sorbonne, zijn de beste Vlaamse dichters Leonard Nolens en “de miskende” Wilfried Adams en Michel Bartosik, die aanleunen bij twee krachtlijnen,

“la poésie charnelle, plastique, surréaliste et volontiers ludique de Lucebert, le chef de file de la génération des années cinquante et le verbe autonomiste, désindividué, hermétique, fruit d’une réflexion sur les limites du langage” . (Clio. Bibliothèque en ligne, 2005)

Michel zelf was bescheidener en minder assertief. In een stimulerend essay over Guido Gezelle schreef hij in 2004: “Er is vaak iets bijna fataal storends aan de hand met zelfs Gezelles beste gedichten”. Misschien was dat voor de veeleisende Michel een beschaafde manier om aan zelfkritiek te doen.

&

Michel Bartosik overleed op 1 februari in de late avond. Hij had net een chemotherapie achter de rug en mocht een week naar huis in afwachting van verdere zorgen. Hij werd in zijn badkamer geveld door een hersenbloeding.

De rouwplechtigheid in het crematorium van Schoonselhof zal plaatsvinden op 16 februari.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
4 février 2008 1 04 /02 /février /2008 00:11

Ter conclusie van een “fabula verax”, opgenomen in de “tweede thans definitieve voorrede” van Fabula rasa (1945), geeft Gaston Burssens na heel wat capriolen zijn opvattingen weer over stijl:

“Stijl is dus noch vorm, noch goede smaak, noch inhoud, maar wel het gehalte van deze inhoud, zo in de hoogte (Hooft) als in de laagte (Rimbaud). Op de qualiteit van het gehalte komt het aan. Niet het edelmetaal maar het zuivere metaal is zaak, om het even of men in 24-karaatsgoud (Racine) of in chroomstaal schrijft (Apollinaire). Onze literatoren schrijven in plaqué stijl.” [1]

In de ogen van Burssens is August Vermeylen het prototype van de Vlaamse literator, zoals voldoende blijkt uit “het verhaal van een fabula verax”, waarin de verteller zijn vriend en huisarts N. op de hoogte brengt van zijn voornemen memoires te schrijven. N. reageert meteen:

“Kerel, dat is een gewichtig besluit […], maar ben je wel zeker dat je de nodige stijl bezit om zo’n werk tot een goed eind te brengen? Weet je wat stijl is?”. Het antwoord klinkt onomwonden ja, en om dat meteen te bewijzen leest de memorialist een stukje voor dat hij zogezegd “bij wijze van proef” geschreven had – in werkelijkheid echter een lang citaat “uit een meesterwerk van de Vlaamse literatuur” dat aanvangt met de roep: “Wat moet ik doen? smeekte Jeroom. “Wat moet ik doen?”

De reactie van de arts, die onberoerd had zitten luisteren, laat niet op zich wachten:

“Kerel, mon pauvre, is dàt jouw stijl! Mijn beste jongen, je hebt koorts! Je moet naar bed met een warm drankje en een aspirine! En morgenochtend goed purgeren! Maar neem het purgatiefje met stijl! Morgen zal het dan wel beter gaan! Arme drommel, nou, het leven is geen lachje! Hier, lees dit gedicht dat ik gisteren heb ontdekt! Het is van 1600 en zoveel! Hier is stijl! En als je zo hebt leren schrijven, kom dan nog eens terug!”[2]

Het citaat dat zo’n onthutste en smalende reactie van de arts ontlokte, komt uit het derde hoofdstuk van August Vermeylens De Wandelende Jood, “Ahasverus op weg naar den hemel”.[3]

In zijn postuum verschenen dagboek noteert Burssens:

“Op het exemplaar van De wandelende Jood, het meesterwerk van Vermeylen, dat ik van Van Ostaijen heb geërfd, staat als ondertitel door Van Ostaijn eigenhandig geschreven: of Een scheet in een fles.” [4]

Vermeylen was Burssens’ whipping boy. Om literaire redenen, om “het onrecht” dat hij Paul van Ostaijen had aangedaan, ongetwijfeld, maar vooral om politieke redenen: de activist Burssens had slechts misprijzen te over voor de passivist Vermeylen. Dat het om een taaie haat ging, staat als een paal boven water.

Op 13 mei 1942 noteerde Burssens:

 ‘Vermeylen is één dezer dagen zeventig jaar geworden en de bladen spreken weer eens over de “sterkste geest van Vlaanderen die Vlaming wil zijn om Europeeër te worden”. Tegenover deze mooie “woorden” kan ik niet nalaten de volgende klinkende “oorden” te stellen die, naar men zegt, van Streuvels afkomstig zijn: “Als ik na de oorlog (14-18) voor de eerste maal weer Vermeylen ging bezoeken, dacht ik een Europeeër te ontmoeten en heb toen slechts een Brusselaar gevonden!”’ [5]

Kort voordien had Burssens een in menig opzicht merkwaardige brief gestuurd aan Herman Oosterwijk, die toen de leiding waarnam van de culturele redactie van Het Vlaamsche Land, de “gestolen” Gazet van Antwerpen. De politieke draagwijdte van dit schrijven kan niet geloochend worden en illustreert genoegzaam hoezeer Burssens getekend was, zoniet getraumatiseerd, door het activistisch avontuur dat hij later tegenover Jan Walravens zou bagatelliseren.

‘Ik kan niet nalaten even te reageren op uw artikel over de 70 jaar van Vermeylen’, aldus Burssens. 70 jaar? Goddorie, ik wist niet dat varkens zo oud worden. Want een zwijn noem ik hem die ons in de gevangenis heeft laten stoppen omdat wij ons vaderland dienden terwijl hij maar in onze ogen tegenover Vlaanderen een vulgair landverrader is. Wij, de activisten, hadden toch de Gentse universiteit vernederlandst, en hij, de fanatieke bestrijder van Groot Nederland heeft de universiteit toch weer verfranst! Enz. enz. En dan durfde die kerel niet eens de verantwoordelijkheid voor zijn daden op te nemen (zie mijn boekje over Van Ostaijen).

En Vermeylen de sterkste geest van Vlaanderen. Allons donc. Op elke bladzijde van zijn geschriften kan men stellingen en beweringen aantreffen waarover een schoolknaap zou blozen.’ Burssens besluit zijn epistel met de hoger geciteerde uitspraak van Streuvels over Vermeylen, ‘de Brusselaar’.

Ik heb er reeds vroeger op gewezen hoe eigenzinnig zoniet ambigu de houding van Herman Oosterwijk binnen de collaboratie wel was, wat duidelijk blijkt uit meer dan één voortreffelijk geconstrueerd en geadstrueerd artikel. Die indruk wordt aanzienlijk gesterkt door zijn antwoord aan Burssens, gedateerd 13 mei 1942:

‘Kijk, daar zijt gij nog weer eens uit Uw slof geschoten. Wij verwijten Vermeylen’s transingente houding in de politieke practijk, zijn inconsequentie. Maar ik maak daar abstractie van als ik over den omvang van zijn gedachtenwereld moet oordeelen. En ik doe dat – ge moogt het weten – met opzet om de andere loeders, die thans den scepter zwaaien en waaratje geen zier beter, neen honderd maal slechter zijn dan den “rooden” Vermeylen, een loer te draaien.’

Hoe Oosterwijk dacht over de parvenu’s en zeloten van de literaire collaboratie, heb ik reeds genoegzaam aangetoond.

Henri-Floris JESPERS



[1] Gaston BURSSENS, Verzameld proza, Antwerpen & Amsterdam, Elsevier Manteau, 1981, p. 66.

[2] Ib., pp. 66-67.

[3] August VERMEYLEN, Verzameld werk, Brussel, Manteau, 1952, I, pp. 118-122. Burssens beperkte zich tot het vervangen van ‘Ahasverus’ door ‘Jeroom’ en liet een aantal paragrafen weg (//):  pp. 118 // 119 // 120 // 121// 121 // 122. De wandelende Jood verscheen gedeeltelijk in Vlaanderen (1905), daarna in boekvorm bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum (1906, 19122, 19183, 19254, 19275). De zesde druk verscheen bij Het Kompas te Mechelen, 1933, terwijl de zevende uitgave, de Fassung letzter Hand, deel uitmaakt van: prof. dr. F. de Backer (red.), Proza van August Vermeylen, Brussel, Standaard Uitgeverij, 1941.

[4] Gaston BURSSENS, Dagboek, Schoten, Hadewijch, 1988, p. 91.

[5] G. BURSSENS, Dagboek, o.c., p. 37.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
3 février 2008 7 03 /02 /février /2008 23:47

In 1976 stelde ik een bijzonder nummer samen van het Nieuw Vlaams Tijdschrift (XXIX, nr. 6-7, juli-september) geheel gewijd aan Pernath. Naast onuitgegeven gedichten, nam ik bijdragen op van Wilfried Adams, Georges Adé, L. Adriaens, J. Gerits & F. Willaert, Frank Albers, Fernand Auwera, Michel Bartosik, Roger Binnemans, Nic van Bruggen, Jan Christiaens, Patrick Conrad, Lode Craeybeckx, Clara Haesaert, Robert Lowet de Wotrenge & Freddy de Vree, Michel Oukhow, Luc Pay, Tony Rombouts, Hedwig Speliers, Lisbeth van Thillo, Guy Vaes en Jo Verbrugghen.

Gust Gils bezorgde mij een aantal gedichten. Jaren later, in 1995, nam ik naar aanleiding van een radio-uitzending contact op met Gils. Als voer voor exegeten gaf hij toen volgende toelichting:

“Ik had elk gedicht van mijn bijdrage in het NVT destijds gedateerd, maar de zetter (of) redakteur heeft die data eigenmachtig weggelaten, uitgezonderd die van de 3-delige siklus die mijn inzending besloot – zodat het leek alsof ik al die gedichten op één dag had geschreven. Geen drukproeven gezien, dus stond ik voor een voltrokken feit. Weg kronologie.

De data van ontstaan waren als volgt:

Gedicht voor Hugues C. Pernath: 21.2.1975

Pernath en ik: 7.3.1975

In memoriam Hugues C. Pernath, 1: 5.6.1975

In memoriam Hugues C. Pernath, 2: 7.6.1975

In memoriam Hugues C. Pernath, 3: 11.6.1975

I remember Hugues (& myself): 25.3.1976

Te late lentewoorden voor een dode dichter: 31.3.1976

H.C.P., 1, 2 & 3: 28.6.1976

Zoals u merkt werden de eerste twee gedichten geschreven vóór de dood van Hugues, en die heb ik hem nog toegezonden ook. Zonder een paranormale verklaring te zoeken dient toch gezegd dat het de eerste maal was in de meer dan 20 jaar dat wij elkaar toen kenden, dat ik de aandrang voelde om het in poëtische termen over onze vriendschap te hebben.

Het is een detail, maar ik vind toch goed dat de nalatigheid van het NVT uiteindelijk hersteld raakt. Waarvoor dank.”[1]



[1] Brief  van Gust Gils aan Henri-Floris Jespers, 8 juni 1995.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
3 février 2008 7 03 /02 /février /2008 23:45

Op 8 februari 1957 zond de AVRO in de reeks Vlaamse silhouetten een interview van Gaston Burssens door Maurice Gilliams. Gedichten van Burssens werden voorgedragen door Anny Schuitema. Ziehier de meest relevante passages van deze uitzending.

 

M. GILLIAMS: Sommige luisteraars herinneren zich uw naam, mijnheer Burssens, in verband met de naam van Paul van Ostaijen en zij vergeten dan wel eens, dat u tot de merkwaardigste dichters in Vlaanderen behoort.

In de loop der jaren hebt u een belangrijk, zeer belangrijk dichterlijk oeuvre opgebouwd.

Dit oeuvre vertoont, van uw eerste tot uw laatste verzen, een gestage verdieping van de poëtische inhoud. In schijn hebt ge u velerlei vrijheden geoorloofd. Doch ernstig bekeken, is er wel een organisch proces van dichterlijke vormproblemen in uw werk aanwezig.

Uiterlijk nonchalant, misschien, doch naar de binnenzijde steeds constructief zijn uw beste verzen iets geworden waar men niet dadelijk, bij het eerste contact, het poëtisch geheim in herkent. Ik krijg de indruk, dat uw z.g. vlotte dichtkunst in de grond der zaak een vaak pijnlijk verworven schoonheid van verrassende woordencomplexen is. Wat op het eerste gezicht wellicht eenvoudig lijkt voor hen die uw verzen niet aandachtig lezen, is een zeer geraffineerd en gecombineerd aarzelen, ontwijken, driftig spreken, nemen en geven, en uw gedichten eindigen eerst in het laatste woord dat gij vindt en schrijft, - in tegenstelling met dichters die na de eerste geïnspireerd versregel van hun gedicht reeds ten volle uitgeschreven zijn.

U is geen speels dichter, wat sommigen er mogen van denken. U schrijft van uit een diepe, prangende ervaring.

Doch nergens gaat u aan het huilen, nergens wordt u sentimenteel; en de tragiek van uw kunst is altijd, ofschoon innerlijk heftig bewogen, beheerst.

Ofschoon alles wat u te zeggen hebt in uw vers aanwezig is, geeft u die totaliteit van de inhoud niet zo maar prijs. Er is altijd een prijzenswaardige reserve, die dichters van uw soort voor populariteit behoedt.

G. BURSSENS: Sentimentaliteit is goedkoop, Maurice, dat weet gij ook wel.

Ik kan wel de sentimentele ondergrond van een gedicht aanvaarden, maar een direct uitgesproken sentimentaliteit verwerp ik als schadelijk zijnde voor de zuivere kunstemotie.

Het is voor mij duidelijk, dat men bij een kunstwerk tenslotte niet meer weten kan waar de sentimentele ontroering ophoudt en de zuivere kunstemotie begint, zodat men zich op een gegeven moment zal moeten afvragen: ben ik nu ontroerd door het anekdotisch of door het artistiek element? Daarbij komt nog, dat de graad van de sentimentele ontroering afhankelijk is van de fysieke gezondheidstoestand en van de materiële situatie waarin men zich bevindt, twee belangrijke factoren die het hart zeer beïnvloeden.

Dus, om samen te vatten, voor mij telt alleen de artistieke ontroering die een gedicht mij laat.

Dat wil zeggen, dat de dichter zelf mij niet interesseert, wel en alleen zijn gedicht.

MG: Uw opvatting is duidelijk geformuleerd, mijnheer Burssens. Acht u ze geheel nieuw en behorend tot de opvattingen die slechts sedert de vernieuwing van onze dichtkunst worden gehuldigd; laatons die “vernieuwing” situeren na 1914.

GB: Nog in mijn jongelingstijd had ik de overtuiging, dat de poëzie van voor 1914 op een dood punt was aangeland; dat sentimentaliteit en sentiment ver uit elkaar lopende begrippen waren; dat ook de vormmoest worden vernieuwd en dat de cadans van het vroegere vers moest vervangen worden door het ritme.

MG: Stemt u er in toe namen van dichters te noemen, die voor u, voor 1914, op dit dood punt waren beland.

Hadden dichters als Gezelle en Gorter al niet lang verzen geschreven waarin de cadans totaal oor het ritme overwonnen was?

In de Middelnederlandse poëzie en bij de aangrijpende Brederode vinden wel tal van voorbeelden waarin de cadans onvindbaar is.

GB: Door cadans versta ik de regelmatige dreun van een gedicht, die mij lekker in slaap wiegt, - wat wel niet de bedoeling van de dichter zal zijn geweest, - en mij belet in de greep van het gedicht te raken.

Het is bijvoorbeeld als het regelmatig stampen van een Dieselmotor, dat mij, als ik geen neiging tot slaap heb, sterk op de zenuwen werkt. Het ritme, of liever het ritmisch gedicht is heel wat anders.

Een gedicht vloeit zo maar niet uit de pen van de dichter. Een dichter is een soort stotteraar; de woorden willen er niet goed uit, vandaar dat een echt gedicht niet vloeit met een regelmatige cadans; dat het voortdurend gesyncopeerd wordt; dat woorden en zinnen soms worden herhaald of hernomen; dat die woorden en zinnen tegen elkaar worden afgewogen, soms tegen elkaar botsen.

De cadans is eentonig, het ritme is welluidend.

De cadans is onpersoonlijk, het ritme, zoals ik het versta, geeft aan het gedicht een eigen karakter.

(HFJ)

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
3 février 2008 7 03 /02 /février /2008 10:53

Twee dagen geleden werd de dichter Michel Bartosik (°1948) te Anwerpen geveld door een hersenbloeding.

Bartosik studeerde Germaanse filologie aan de Vrije Universiteit te Brussel, waar hij onder leiding van prof. Jean Weisgerber in 1978 promoveerde over de poëzie van Jacques Hamelink.

Dr. Michel Bartosik was sinds 1972 werkzaam aan de VUB waar hij in 1994 voltijds docent Nederlandse letterkunde en poëzie werd; sinds 1997 was hij ook deeltijds docent aan de Université Libre de Bruxelles.

Michel Bartosik was lid van Pink Poets. Zijn poëtisch oeuvre bestaat uit vier bundels:

Linguïstiek, Antwerpen, Contramine, 1975.

De verzamelnaam der eenzaamheid, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1976.

Rigor mortis, Antwerpen, Pink Editions & Productions, 1980.

Geschreven familie, Gent, Poëziecentrum, 2003.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
2 février 2008 6 02 /02 /février /2008 04:40

Het verbaasde Gerrit Borgers

“hoe hardnekkig Burssens voor de erkenning van het werk van zijn vriend Paul van Ostaijen in de weer bleef, hoewel datzelfde, grotendeels door hem toegankelijk gemaakte werk voortdurend tegen zijn eigen poëzie werd uitgespeeld”.

Als pleit- en tekstbezorger, als polemist en scherprechter droeg Gaston Burssens (1896-1965) in beslissende mate bij tot de vestiging van Van Ostaijens postume faam, en bepaalde hij het beeld van de dichter van het Eerste Boek van Schmoll “zoals hij was en is”. Op de dichter Burssens rustte dan ook decennia lang het odium slechts een epigoon van Van Ostaijen te zijn.

Van Ostaijen had er nochtans zelf uitdrukkelijk voor gewaarschuwd: het begrip epigonisme is onder geen beding van toepassing op de dichter van Piano. Van meet af kon deze echter op de steun rekenen van de destijds gezaghebbende criticus Jozef Muls, die niet geaarzeld had, na de verdwijning van Ruimte in 1921, de kolommen van Vlaamsche Arbeid open te stellen voor de radicale vleugel van het modernisme. Marnix Gijsen echter, in de jaren dertig dé toonaangevende poëziecriticus, wees Burssens af omdat hij getrouw was “aan het ideaal van de dichter zoals dit door Paul Neuhuys werd omschreven: La tâche du poète consiste à coucher par écrit des choses qui ne tiennent pas debout”. Bovendien vond hij dat Burssens’ poëzie “de grenzen van het welvoeglijke te buiten gaat”, een morele veroordeling die vaker geformuleerd werd. Nog in 1981 vond Gerard Walschap dat Burssens verhalen schreef “met de hautaine koelheid van een hoerenzoon die in een hoerenkot geboren is en nooit iets anders heeft gekend”. En hij vraagt zich af of Burssens nooit “de zielige schraalheid (zou) hebben beseft van zijn esthetica: eerst een gedicht lang zinloos lullelallen om dan te eindigen met een verrassing, een mop, wat ik niet anders kan noemen dan lullen en voor de grap een scheet laten”. De invloed van Van Ostaijen – “de tuberculeuze”, aldus Walschap – is Burssens zonder meer fataal geweest. Albert Westerlinck geeft toe dat Burssens af en toe geestig is, “maar hij wil het voortdurend zijn en hij mist daartoe het spontane talent en biedt ons dan het pijnlijk schouwspel van het geconstipeerde kindje dat op zijn potje te duwen zit, al maar door, ocharme, zonder dat het lukt”. Ja, hij kan een kunstenaar en dichter genoemd worden, omdat het begrip kunst natuurlijk zeer ruim is: “Reeds de Grieken beschouwden mattenvlechters als kunstenaars. Ook in onze tijd noemen circusacrobaten, cabaretzangers en sabelslikkers zich artiesten, zoals iedereen weet. In die zéér ruime opvatting van de kunst krijgt Burssens zeker een plaats”.

Terugblikkend op de receptie van Burssens’ oeuvre merkt Freddy de Vree op dat in hem de secondant van Van Ostaijen werd aangevallen, terwijl zijn belagers het uiteindelijk gemunt hadden “op Burssens de antiklerikaal, de amoralist, de levensgenieter, die schaamteloos en zich van geen doodzonde bewust versjes schreef over hoertjes en verzadigde dames”.

Meer dan eens heeft Burssens een roede voor zijn eigen gat gesneden, met zijn bewust eenzijdige, soms onrechtvaardige maar steeds door oprechte verontwaardiging en innerlijke woede ingegeven uitspraken. Hij was een man uit één stuk, nam geen blad voor de mond, en kon kordaat en verrassend uit de hoek komen, net als in zijn verzen. Dat maakte deel uit van zijn charme. Hugo Claus: “Ik heb een reële band met wat hij voorstelt: het rebelse, het knorrige en ook het een beetje verwezen glimlachen.”

Na de Tweede Wereldoorlog werd Burssens redacteur van Podium, dat nauw ging aansluiten bij de beweging van Vijftig. Gerrit Achterberg, Leo Vroman en Burssens waren de “ouderen” der jongste poëzie, en het kon geen verbazing wekken dat Burssens aangetrokken werd door de Tijd en Mens-ers. De “great old man” kreeg uiteindelijk de erkenning die hij, net als Van Ostaijen, zozeer nodig had: Pegasos van Troje (1952) en Adieu (1958) werden met de Staatsprijs bekroond. Jan Walravens’ epochemakende Waar is de eerste morgen (1955), bloemlezing van “de jonge experimentele poëzie in Vlaanderen”, opent met een gedicht van Gezelle, een van Van Ostaijen en een van Burssens, en prof. dr. M. Rutten aarzelde niet te spreken van een “richting Gezelle-Van Ostaijen-Burssens-Claus in de Vlaamse poëzie”.

Aan het einde van zijn leven stond Burssens op de bres voor zijn vrienden Hugues C. Pernath en Paul Snoek, die hij als de belangrijkste dichters van hun generatie beschouwde, en met wie hij optrad in Celbeton, de Dendermondse artistieke kring: “de jolige tijden van vroeger”, aldus Claus.

De lyriek van Burssens is soms weerbarstig, pijnlijk in haar egelstelling, sterk in haar eerlijkheid, geestelijk eerder dan formeel experimenteel. Als scherpe waarnemer had Burssens oog voor het absurde en het groteske in de samenleving, en hij walgde van het onrecht. Omdat hij grote woorden schuwde en de belijdenis van de Weltschmerz overbodig want ontoereikend vond, hanteerde hij het gedicht als een speeltuig (soms springtuig), een speeldoosje ter verschalking van het leven en de zich au sérieux nemende hoogvliegers.

Gust Gils: “Wat mij kenmerkend lijkt, is z’n anti-bombastische instelling. Hij schuwt het ludieke niet, en dat was uitzonderlijk in de jaren twintig, dertig. Zijn poëzie valt steeds op door een heel aparte, eigen muzikaliteit. Burssens heeft geleerd met grote emoties om te gaan en weet ze op soms navrante wijze te relativeren. Emotie is een slechte raadgever.”

Burssens vond het een plaag van de tijd dat te veel van poëzie en te weinig van lyriek gesproken wordt. “Of er dan een verschil is tussen poëzie en lyriek? Nou! Maneschijn als optisch verschijnsel is poëzie. Het geluid van de nacht met maneschijn is lyriek. Poëzie is optisch, lyriek is orfisch. Een goed gedicht moet kunnen voorgedragen, gezongen, gemimeerd en gedanst worden”.

Hugo Claus: “Ik ben een fan van Burssens en dat betekent dus ook dat de slechtste gedichten van hem nog altijd beter zijn dan het complete werk van heel veel anderen. Hij was helemaal geen epigoon, maar een sterke persona die heel erg aanwezig is, sterker dan Van Ostaijen, bij wie nog veel lawaai heerst, behalve dan in de laatste, uitgepuurde gedichten. Hij hield van een hond, maar hij was een soort poes, een soort dikke kater”.

Was het niet Van Ostaijen die zei: « Burssens est un poète-félin; cela suffit pour que nos amateurs de la poésie ne l’aiment pas. Les peuples du Nord détestent le chat. Ils ont d’autres bêtes domestiques, parmi lesquelles ils affectionnent surtout le clergyman. »

Henri-Floris JESPERS

(Muziek & woord, juli 1997, p. 13. Portret, Radio 3, donderdag 3 en 10 juli 1997, om 11 uur.)

 

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
2 février 2008 6 02 /02 /février /2008 03:43

Toen Maurice Gilliams verkozen werd als erelid van Pink Poets, schreef hij me dat hij gerustgesteld was:

“…literair zijn we verlost van de trommelaars en trompetters die zich ophouden in de omtrek van het abattoir waar dichters en denkers worden afgeslacht. – Vergeef me a.u.b. het triviale beeld (in Vlaanderen kan men het duidelijkerwijze niet anders zeggen…)”

De plechtige installatie van ereleden Gilliams en Renier van der Velden vond op 3 december 1975 plaats tijdens een diner in restaurant La Rade. Het was uitgesloten dat ik, als promotor van Gilliams’ verkiezing en als gouverneur van het genootschap, de oratie zou houden. Dat was nu eenmaal de ongeschreven regel. De keuze viel als vanzelf op Paul Snoek. Tijdens het aperitief in V.E.C.U. met Patrick Conrad, Nic van Bruggen (+), Werner Spillemaeckers, Michel Bartosik, Robert Lowet de Wotrenge, Georges Adé (+), Albert Szukalski (+), Michel Oukhow (+), François Beukelaers en Paul de Vree (+), zat de anders zo zelfverzekerde, drukdoende en vaak rumoerige Paul er eerder ingetogen bij. Toen hij in La Rade zijn rede tot Gilliams aanhief, klonk zijn warme, zalvende stem enigszins schuchter en aarzelend. Met de captatio zette hij meteen de toon:

“Omdat wij weten dat U in ons taalgebied hoogstwaarschijnlijk de grootste levende dichter zijt en dat U de woorden, meer dan wie ook, gewikt en gewogen hebt, voor ze in uw glimlachend proza of uw betoverende poëzie te gebruiken, omdat U ons niet hebt geleerd een oefentocht te maken in het luchtledige maar invredig te vertoeven in de eenzaamheid des dichters, daarom voelen wij ons zeer nederig uw bescheiden volgelingen van het woord en is het met een bijna religieuze blijheid en ook veel fierheid dat wij U danken erelid te willen worden van de Pink Poets.”

De dichter die met enkele wellustig uitgesproken verzen grote auditoria meteen wist in te palmen, een onverlaat in de zaal met enkele woorden tot zwijgen kon brengen of het optreden van collega’s fulminerend in de vernieling riep, stond daar nu vlijtig en minzaam zijn nieuwjaarsbrief af te lezen, zich af en toe versprekend.

“Het is met heimwee, zei Snoek, en elk jaar zuurder wordend heimwee, dat ik vandaag denk aan Gaston Burssens (…) die wij beschouwen als een pink poet, zij het met terugwerkende kracht.”

En hij stelde zich de vraag waarom Gilliams en Burssens destijds geen “pink sociëteit” hebben gesticht…

Tot slot van zijn toespraak vertelde hij een anekdote:

“Vele jaren geleden, het waren de hondsdolle jaren 1957-58-59, woonde of verbleef ik meestal in Antwerpen en ben ik samen met pink poet en eerste gouverneur Hugues C. Pernath dikwijls op de losse toer geweest en dit bracht met zich mee dat wij vaak boven ons theewater door de Lange Nieuwstraat doolden op zoek naar beters in het leven en naar troost en dat ook luidruchtig uitkraamden voor wie het en meestal op een nachtelijk uur nog horen kon of wilde en dat wij plotseling op enkele meters van uw woning verstomden en stil werden en elkaar met bierlucht in de mond maar eerbied in het hart toefluisterden: stil, hier woont de dichter Gilliams. Het huis des dichters is een heilige plaats. En, waarde Maurice Gilliams, zoals ik destijds deed met mijn vriend Pernath, zo zullen wij Pink Poets steeds doen wat u ons aanbeveelt in het laatste vers van uw subliem gedicht ‘Winterkust’: Straks keren wij, elkaar beminnend, thuis.”

Gilliams zat er de hele tijd stil bij, met wat hij zelf zo bescheiden typeerde als zijn “Leonardo da Vinci-glimach” op de lippen. Dacht hij aan wat hij me kort tevoren had gezegd, tijdens een van die eindeloze monologen die zijn handelsmerk waren? - “Ja, meneer Jespers, Paul Snoek is een brave jongen, maar eerlijk gezegd, onder ons, ge pakt een gedicht van Snoek en uw hand en ge doet zo”, en  hij sloot krachtig de vuist, “dan blijft er toch alleen maar snot over.” En, na een korte stilte: “En als ge een gedicht van Nic van Bruggen neemt, ook een brave, brave jongen, en ge doet zo”, en hij herhaalde zijn welsprekend gebaar, “dan blijft er niets over”…

Blijkbaar genietend van de uitbundige tafel en uitgelezen wijnen, leek Gilliams de hele avond in zichzelf gekeerd, maar hij was massief aanwezig, genoot van de sfeer, volgde het tafelgesprek met aandacht en kwam een paar keer onverhoeds en spits tussenbeide. Maar registreren was zijn eerste zorg, dat was duidelijk. Het werd een van de meer beschaafde pink diners, en ik meen me te herinneren dat zelfs Szukalski zich fatsoenlijk hield.

Het beeld van Gilliams die aanschouwelijk de vuist sluit om de kracht van een gedicht te evalueren, bleef de hele tijd door mijn hoofd spoken…

Henri-Floris JESPERS

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
30 janvier 2008 3 30 /01 /janvier /2008 18:41

Adriaan de Roover getuigde hoe hij dagelijks vele uren met De Vree in de winkel aan de Lange Nieuwstraat zat te kletsen, en hoe steevast Gilliams dan kwam binnenwaaien. Hij wees daarbij op de munitie die Gilliams hem en Michiels in handen speelde om hen in staat te stellen zijn literaire concurrenten te liquideren:

Wij leerden Gilliams, de aristocratische dichter, kennen als een sluwe instigator, die er heimelijk plezier in had dat wij Vermeylen, Gijsen, Jonckheere e.a. op hun donder gaven. [1]

Gilliams muntte uit in de kunst van de conversatie, waarbij hij op gemoedelijk toon (vaak perfide) anekdotes kwistig rondstrooide. Hij verstond immers de kunst in enkele woorden de gewiekste karaktermoord plegen. De man die zich graag de allure aanmat boven het gewoel te staan, was verteerd door een diepwortelende, gefrustreerde geldingsdrang. De ingekeerde boosaardigheid die je vaak bij estheten aantreft, was hem allerminst vreemd. De Roover zou zich daar bewust van worden. In 1950 schreef hij een poëtisch portret van, tevens revelerende afrekening met Gilliams, een 24-regelig gedicht dat nu pas door Piet Tommissen geopenbaard wordt. De Roover had “vergeefs de rechte man voor ’t venster” gezocht

…..

Ik die met u ging jagen, was uw buit geworden.

Uw gouden glimlach kreeg een groene schijn.

Uw hart verkilde en Uw bloemen dorden,

Omdat uw mond zo groot en voos kon zijn.

…..

Henri-Floris JESPERS



[1] Adriaan De woelige jaren van Golfslag, in: Hugo BREMS en Dirk DE GEEST (eds.), ‘Wij bloeien maar bloeien vergeefs’. Poëzie in Vlaanderen 1945-1955, Leuven / Amersfoort, Acco, 1988, 238 p.; pp. 215-221.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
30 janvier 2008 3 30 /01 /janvier /2008 05:16

In 1929 zaten tegenover elkaar Pol de Mont en Eugenie Boeye. Hij was 72, zij 27. Beoefenaars van de numerologie zullen dit spiegelbeeld betekenisvol achten. Hij praatte graag, maar die dag zat hij onbegrijpelijk stil in zijn bibliotheek, en over zijn gewoonlijk doordringende ogen lag een onnatuurlijk waas. Stokstijf bleef ze wachten op iets onbekends, dat zou komen. “Veerle”, murmelde De Mont. Hij hief zijn hand op en wees: “Dààr, in dié kast, staat de urne met de asse van mijn dochtertje. Gisteren is ze weer naar me toe gekomen!” Ja, de geest van Veerle leeft in deze kamer, beweerde hij met een stelligheid die zijn bezoekster even deed rillen. “Als ze mij nadert, vraag ik haar dichterbij te komen, en dan voel ik haar adem mijn gezicht beroeren.” De Mont glimlachte pijnlijk en bekeek Boeye alsof hij haar nog niet gezien had. Neen, hij wist wel zeker dat ze geluisterd had. En toen zei hij: “Gij zijt natuurlijk nog te jong om te kunnen denken als een oude man. Toch, als gij lang genoeg leeft, zult gij u wellicht mijn woorden herinneren, en ze zullen u niet eens meer verbazen.”

Toen Eugenie Boeye mij dit verhaal vertelde, was ze 81, ik amper 39. Haar dochter Blanka, die enkele mooie gedichten geschreven had, was een felle verschijning. Aan het einde van de jaren zestig had ik ze een paar keren meegemaakt in de Vecu, waar ze meestal in gezelschap van Nic zwaar in de jenever vloog. Ze kenden elkaar nog van in de tijd van Frontaal. Blanka was een mannenhaatster die agressief om zich heen schopte wanneer ze dronken was – en ik zag haar alleen maar in de kroeg. Vanuit een donkere hoek siste ze dan giftig als een serpent. Ik zag haar liever gaan dan komen. Op een avond toen we noodgedwongen naast elkaar aan de toog hingen, wist ze me zo scherp en deskundig te kwetsen, dat ik de dure eed aflegde haar voortaan te ignoreren. Kort daarop, in de Ranch denk ik, recidiveerde ze zo doelbewust kwaadaardig, dat ik haar een korte, klinkende oorveeg verkocht. Ik had er meteen spijt van, maar ze leek het niet erg te vinden. Ze kalmeerde meteen, en sindsdien heb ik nooit meer last gehad van haar zelfbevestigende provocaties.

Eugenie Boeye, ik kende haar amper. Haar confidentie was een reactie op een passage uit mijn boekje Tussen zweefvlucht & zwaartekracht waarvan ik haar een exemplaar gestuurd had, waarin ik het onder meer had over de alleenspraak met de doden die ons een leven lang steeds talrijker begeleiden. Ze droomde vaak van eens vertrouwde aanwezigheden en vroeg zich af of dit een andere vorm was van De Monts ervaring, een teken dat de geest voortleeft.

Haar oordeel over de samenleving was niet mals, en ze hield soms heftige diatribes. “Mensen worden aan de lopende band neergeknald alsof ze vliegen zijn waarop men de schoensel zet. Politici beloven leugenachtig de kleine man te zullen helpen zijn harde bestaan te verzachten. Maar zodra de begeerde stemmen zijn binnengehaald is het voor de schijnheilige mooipraters een klein kunstje hun papieren beloften zorgvuldig te vergeten. Het woord wroeging staat niet in hun politiek vocabulaire. Het woord eigenbelang wel: daarvoor verkwanselen ze hun zogezegde idealen.” Ik vond dat nogal simplistisch, maar kon waardering opbrengen voor haar felheid.

Ik was van plan haar thuis op te zoeken, maar het leek wel of heimelijke machten dit bezoek telkens opnieuw verijdelden. Ze bewoonde Almaras. Een tovereiland? Neen, een eenvoudig wooncomplex aan de Paardenmarkt 89 eigendom van het rijke Antwerpse OCMW. Professioneel had ik het erg druk, en telkens als het dan toch zover was, gaf ze forfait. “Volgende week komen de schilders en ik voel me gedwongen nu al op te ruimen in de zitkamer. Ik zal wel hulp krijgen, maar met het geraas van die goedmenenden naar wie ik moet luisteren, draait mijn hoofd als een tol. Waren die dolle dagen al maar voorbij, ik heb er niet om gevraagd. Maar het OCMW denkt er blijkbaar anders over, ziet het zelfs als een gunst, want er worden nog maar weinig schilderwerken uitgevoerd, kwestie van bezuinigen, en ik ben nu een van de uitverkorenen. Hoe kan ik dan zeggen: ik bedank ervoor, want ik lees en schrijf liever.”

Het liep allemaal mis. De schilders hadden griep, vervangers waren er niet, ze bleef tevergeefs wachten. Maar uitgerekend op haar verjaardag kwamen ze plots opduiken. “Voor mij bleef er niets beters dan mijn bezoekers in een halfkale kamer te ontvangen.” Veel staken ze niet uit: ze morrelden zowat een halve dag in de gang. En dan was het zaterdag en zondag – en maandag waren ze niet vrij. Ondertussen bleef Eugenie Boeye haar hart opvreten in die ongezellig kale kamer. “In zo’n rompslomp voel ik mij opgejaagd en kan zelfs geen boek lezen, dat is het ergste.” Ze had een hekel aan dergelijke banale mededelingen en hoopte dan toch spoedig een nieuwe afspraak te kunnen vastleggen, “bij leven en welzijn”.

Het was net of ze een voorgevoel had. De schilders kwamen eindelijk terug, maar wel nutteloos. Er dreigde immers een ramp. Het buizennet was beschadigd of versleten, gevaar voor ontploffingen was allerminst denkbeeldig, het aardgas werd afgesloten en de bewoners van Almaras (net een naam uit Suske en Wiske) kregen bevel het gebouw te ontruimen. “Zulke voorvallen komen nooit in de krant, om andere bejaarden niet af te schrikken.” Ze werden ijlings verspreid over een aantal OCMW-gebouwen en instellingen. Met twee medebewoners werd Eugenie Boeye tijdelijk naar een rustoord overgebracht, waar ze tussen turnende, vogelpikspelende en naar hartelust luid zingende oudjes geen plekje kon vinden om tot rust te komen.

Een ongeluk komt nooit alleen. Ze werd door de arts die aan het rustoord verbonden was uitgepikt voor een bloedonderzoek. “Hij keek in het wit van mijn ogen en stelde vast dat ik te weinig bloed had. Dat was blijkbaar geen beletsel om mij in het ziekenhuis vijf gekleurde en twee grotere witte capsules bloed af te tappen.” Terug in het rustoord werd vastgesteld dat haar ader doorgestoken was en dat dagelijkse verzorging zonder meer noodzakelijk was. Na wat gesukkel kon ze terug naar Almaras. Haar huisarts was ongerust: ze was dringend aan een rustkuur toe – al kwam ze dan regelrecht uit een rustoord.

Nu weet ik dat ze gelijk had, toen ze schreef

 

De deuren van het huis zijn afgesloten

de stilte droomt in iedre hoek –

Het wonder nadert nu met zachte stoten

en zelfs de doden komen op bezoek.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
30 janvier 2008 3 30 /01 /janvier /2008 05:14

Aansluitend bij zijn studie over het tijdschrift Golfslag handelt Tommissen over Paul de Vree’s boekhandel en uitgeverij De Brug, waarover tot nu toe slechts sporadisch en summier bericht werd. [1]

In september 1944 werd Paul de Vree wegens collaboratie door de stad Antwerpen als leraar geschiedenis en moraal geschorst en op 26 november 1945 uit zijn ambt ontzet. Hij werd door de rechtbank vrijgesproken met behoud van burgerrechten en ook de voogdijoverheid, in casu de Bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen, sprak hem vrij. De gemeenteraad van Antwerpen vond op 8 december 1947 – met eenparigheid van stemmen – dat bij de Prins-Regent beroep diende aangetekend tegen het gunstige oordeel van de bestendige deputatie. Minister Piet Vermeylen (1904-1991) sprak echter een blaam uit. De dichter en zijn raadsman, de bekende advocaat Carlos de Baeck (1906-1993), vriend van Maurice Gilliams en raadsman van o.a. Jef de Belder, hebben enkele jaren hemel en aarde bewogen om gelijk te krijgen. In 1951 werd De Vree uiteindelijk opnieuw aangesteld als leraar, nu in het rijksonderwijs. In 1969 ging hij met pensioen.

De echtgenote van Paul, de regentes wetenschappen Mariette Versterren (1910-2006; cf. Mededelingen van het CDR, nr. 71 de dato 27 mei 2006, pp. 4-5) werd niet verontrust, zodat het gezin na Pauls ontzetting over een inkomen beschikte. Het lag echter niet in de aard van werkbeest Paul om bij de pakken te blijven zitten. Hij nam in 1947 een verlopen zaak over, boekhandel De Brug, gelegen in het benedenhuis van Gilliams’ woning aan de Lange Nieuwstraat 91 te Antwerpen. Michel Oukhow tekende herinneringen op aan die jaren:

Er hing een enorme sfeer in de winkel. In geen boekhandel kwamen zoveel jongelui om zich op de hoogte te stellen van de nieuwste publicaties en die zich tegelijk ontslagen wisten van een verplichte aankoop. […] Bijna alles wat in Antwerpen met kunst en wetenschap te maken had kwam daar babbelen. Er stroomde een stuk artistiek leven dat ik nergens meer ontmoette, tenzij in enigszins geblaseerde vorm bij boekhandel Orion, open gehouden op de Kathelijnevest door de dichter Remi De Muynck, beter bekend als Saint-Rémy. Het verschil tussen beide boekhandels lag er in dat je in De Brug als geïnteresseerde vriend kwam en dat je in Orion beleerd, beschoolmeesterd werd. Dit deed Saint-Remy nu wel niet met kwaad opzet, maar hij was graag belangrijk.[2]

&

Spoedig ontpopte De Vree zich als uitgever. Naast de reeks “Mens en muze” (onder de redactie van Ivo Michiels, Paul de Vree en Adriaan de Roover”, 1947-1949), gedrukt bij Die Poorte, waarin twaalf delen verschenen, bracht hij nog een klein twintigtal boeken.

In de reeks “Mens en muze” verschenen dichtbundels van Ivo Michiels, Frank Meyland, Albe, Anton van Wilderode, Jos Coveliers, René Verbeeck, Adriaan de Roover, Albert Speekaert en Adriaan Magerman; een essay van Paul de Vree over Maurice Gilliams en een essay en bloemlezing van Adriaan de Roover, De doodsgedachte in de moderne Noord-Nederlandse poëzie; alsmede een vertaling van Petrarca door Albe.

Bij De Brug verscheen onder meer de novelle Zo, ga dan! Kronijk van een opgang (1947), van Ivo Michiels en de bundel Zangen voor de mensen van Eugénie Boeye[3], maar ook een wetenschappelijk werk, Het Meerdaelwoud en zijn broedvogels alsook de vogels der Dijlevallei, van Florent Wortelaers. Dit boek, waar nog altijd vraag naar is, verscheen in 1946, en dient dus wellicht als eerste publicatie van De Brug gerangschikt te worden. Dit boek kwam waarschijnlijk in het fonds van De Brug terecht via De Vree’s zwager, de bioloog René K. Verheyen (1907-1961), destijds conservator van het Natuurhistorisch Museum te Brussel, in wiens opdracht Paul de 72 aquarelplaten schilderde van de Oologica belgica. (F. Wortelaers publiceerde ook over de waterral, alsmede Quelques considérations comparatives sur l’Épervier d’Europe et le Faucon hobereau.) Tot slot dient nog de aan De Vree opgedragen roman Het Vonnis van Michiels vermeld te worden, verschenen met als imprint  “De Brug – ’t Galjoen” – wat dit ook moge betekenen.

Henri-Floris JESPERS

 



[1] Cf. bijv. Ludo SIMONS, Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen. II. De twintigste eeuw,  Tielt, Lannoo, 1987, 251 p.; p. 162.

[2] Dr. M. OUKHOW, Paul de Vree: een benadering in politiek perspektief, in: Jan VAN DER HOEVEN & Renaat RAMON (red.), Paul de Vree, Brugge, Velvet, Radar 21, 1982, pp. 81-93;  pp. 90-91.

[3] Over Eugénie Boeye, cf. Henri-Floris JESPERS, « Dat kleine Boeyetje », in: Mededelingen van het CDR, nr. 1, 13 juni 2003, pp. 1-4; Eugénie Boeye, in: Mededelingen van het CDR, nr. 12, 17 november 2003, pp. 8-14 .

 Paul-de-Vree---Henri-Floris-Jespers--1967.jpg

  Van l. naar rechts: Henri-Floris Jespers & Paul de Vree, anno 1967

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche