Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
31 juillet 2009 5 31 /07 /juillet /2009 22:07



Marcel van Maele door RodeS

 

In memoriam

Maarten INGHELS, Beste Marcel Van Maele

Kris KENIS, Marcel van Maele & Marcel Broodthaers

Gedicht

Ton VAN REEN, De terminator van het Vondelpark

Actueel

De bedichting van Doel: de bundel.

Michelangelo Pistoletto schrijft brief naar Minister-president Kris Peeters.

Kritisch dossier

Henri-Floris JESPERS & Hendrik CARETTE, Joris van Severen antisemiet?

Door de leesbril bekeken

Bert Bevers over Maurice Gilliams en Wilfried Adams; Nieuwsbrief Joris van Severen; Zuurvrij; 20 jaar ExLibris; René (DEMIAN) Franken over John Bel; Thomas Claus' debuut.

Agenda

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
31 juillet 2009 5 31 /07 /juillet /2009 20:30

De bekroning van Marcel van Maele met de Arkprijs van het Vrije Woord werd in het Huis Osterrieth te Antwerpen gevierd op 10 mei 1972, tijdens een plechtigheid ter herdenking van August Vermeylen, stichter van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Dit citaat uit het dankwoord van de bekroonde klinkt na zevenendertig jaar nog altijd even lucide als toen.

*

Laat ons jubelen: wij ter dood veroordeelden leven nog!

en wij herdenken plechtig

en kennen prijzen toe.

Voor deze gelegenheid smuk ik dan ook mijn woorden op, stof mijn pakje af en droog mijn tranen en herbegin met een twijfel groter dan ooit.

Wat is een woord?

Wat is een Ark?

Wat is de Vrijheid?

Wat voor cimbalen rinkelen in de symbolen?

Wat is hoop?

Hoe bestrijden wij deze welvaartskramp?

Welke wapens kunnen wij hanteren?

Het woord?

Meer dan ooit worden de woorden misbruikt en uitgehold, ze worden met zwier in keurige keurslijven gesnoerd, ze worden verkracht of gekastreerd, gewurgd, geprepareerd en verpakt.

De woorden wijzen de weg niet meer maar worden de weg gewezen.

En wij?

Wij worden bedacht en belegd en belegerd en bereden met die klinkklare onzin van gedrilde woorden.

Wij snorren met oogkleppen aan, naar de eindmeet stikkend in eigen vuil.

Maar we hebben natuurlijk nog andere problemen: terwijl ons de meest onheilspellende berichten over de toekomst van het mensdom bereiken dokteren we aan een nieuwe spelling. Er zal vlug moeten gehandeld worden willen we er een nieuwe spelling doorkrijgen vóór het einde der mensheid.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
27 juillet 2009 1 27 /07 /juillet /2009 23:19

De uitvaartplechtigheid gevolgd door de begrafenis op het Schoonselhof zal plaatsvinden in aula Chrysant van het crematorium te Antwerpen, op zaterdag 1 augustus 2009 om 11 uur.


Samenkomst vanaf 10.45 uur, ingang Legerstraat te 2610 Wilrijk.


Na de plechtigheid is er gelegenheid tot samenzijn in Galerie De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74 te 2000 Antwerpen.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
27 juillet 2009 1 27 /07 /juillet /2009 04:55


Paul Demets publiceert in Zuurvrij, het tijdschrift van het AMVC-Letterenhuis, een boeiende bijdrage over de briefwisseling van Paul Snoek en Gust Gils over het tijdschrift Gard Sivik. Tegenover de eerlijke, nuchtere en al bij al wat schuchtere Gils, staat de “meer polemisch ingestelde” Snoek. (Polemisch ingesteld? Ik zou eerder zeggen: bewust provocerend.)

Ongetwijfeld door zijn karakter, maar ook door zijn jeugdige overmoed een ambitieuze kerel met een handelsgeest in de letteren. Opportunistisch ook. […] Hij is, als zoon van industriëlen in de textiel, ook een ondernemer in de letteren – maar wel eentje van de oude stempel: hij wil zijn visie doordrukken, maar laat de daarvoor nodige, voortdurende redactionele inspanningen liever aan Gils over. En toch wil hij het voor het zeggen blijven hebben.

Paul Demets werkt aan een biografie van Paul Snoek die in 2011 zal verschijnen bij Meulenhoff / Manteau. Een hele klus. Snoek heeft immers – zowel privé als publiek, mondeling en schriftelijk – verklaringen kwistig rondgestrooid die niet zelden de kenmerken vertonen van autofictioneel proza.

Als gastschrijver evoceert Paul Verhuyck in een persoonlijke bijdrage de veelzijdigheid en de uitzonderlijke statuur van Gust Gils, met wie hij van 1968 tot 1984 intensief omging. Een treffende getuigenis over een boeiend tijdperk dat heel wat herinneringen bij mij losweekte...

Els van Damme behandelt de rol van Richard Minne in de moeizame wedergeboorte van 'Het Geestesleven' na de Tweede Wereldoorlog. Ruim een jaar na de Bevrijding was de Gentse socialistische krant Vooruit er nog niet in geslaagd die gereputeerde cultuurpagina opnieuw op gang te brengen. Voor de oorlog schreef Minne een honderdtal kritische bijdragen voor 'Het Geestesleven', dat in 1933 in het leven was geroepen door de onvolprezen Paul Gustave van Hecke.

Sofie Desmet verwerkte tijdens haar stage in het Letterrenhuis het archief van Jef Geeraerts. In 'De taal wordt opnieuw kreet' schetst ze vluchtig maar raak het engagement van de schrijver in de tweede helft van de jaren zestig.

Niels Strobbe verwerkte het archief van Vlaams & Vrank (1903-1966). Hij focust vooral op de beginperiode van het genootschap. Door het ontbreken van een synthetiserende nota blijft de lezer enigszins op zijn honger.

Diane 's Heeren neemt een duik in de (boek)productie van affiche- en boekontwerper Gert Dooreman die drie maanden (van 27 september 2009 tot 3 januari 2010) te gast zal zijn in het AMVC met een overzichtstentoonstelling van zijn grafisch werk. Dooreman is de vaste typograaf van Tom Lanoye en huisvormgever van uitgeverij Meulenhoff / Manteau. Hij bepaalde het uiterlijk van vele stadsgedichten, waaronder het Boerentoren-gedicht, en vele, vele (theater)affiches. De tentoonstelling zal laten zien wie hem heeft beïnvloed, hoe een boekontwerp tot stand komt en biedt een overzicht van al zijn grafische werk: van illustratie tot affiche, van boek tot spandoek. Robert Lucas publiceert alvast 'De poëzie van het meten', een voorbeeldig opstel over de affiches van Dooreman.

Johan van Hecke vertelt in detail hoe de eerste Vlaamse film De storm des levens (1919), die niet bewaard is gebleven, een storm in een glas water werd. (Zie de blog van 22 juli.)

De brieven van Roger van de Velde aan Frans de Bruyn worden becommentarieerd en in context gebracht door Diane s'Heeren. Marc Somers wijdt een korte bijdrage aan de grote theaterdame Jet Naessens.

Dit alles in Zuurvrij, het onvolprezen tijdschrift van het Letterenhuis te Antwerpen.

Henri-Floris JESPERS

Zuurvrij. Berichten uit het Letterenhuis, nr. 16, juni 2009, 112 p., ill., 4 €.

Abonnement: 15 € voor twee jaargangen van telkens twee nummers (te verschijnen in december en juni). Losse nummers: 4 € (nrs 5-15 nog leverbaar).

AMVC-Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
26 juillet 2009 7 26 /07 /juillet /2009 05:59


Marcel van Maele

 

In de 92ste aflevering van de Mededelingen van het CDR, gedateerd 9 april 2007, publiceerde Lucienne Stassaert een brief aan Marcel van Maele naar aanleiding van diens bundel, Over woorden gesproken. Enkele gedichten uit die bundel, een hoogtepunt in het oeuvre van de onvolprezen Marcel van Maele, werden in de Mededelingen lang voor de verschijning van de bundel opgenomen. Over Van Maele, zie het gedetailleerde feuilleton van Henri-Floris Jespers in Mededelingen, nrs. 76 t/m 81.

Ter nagedachtenis van Marcel van Maele wordt hier de tekst van Lucienne Stassaert elektronisch gepubliceerd.

*

Binnenkort kennen we elkaar al bijna een halve eeuw! Eerst op een afstand en daarna hoe langer hoe beter. Met ‘daarna’ bedoel ik: na de jaren zestig en onze medewerking aan het als zuiver experimenteel gebrandmerkte literair tijdschrift Labris. Onze verbondenheid vormt dan ook de voornaamste reden om in een brief je nieuwe dichtbundel te bespreken, in plaats van in een zogezegd objectieve recensie.

Het was me al eerder opgevallen – vooral sinds de bundel Rendez-Vous – hoezeer zowel je zegging als je thematiek aan diepgang hadden gewonnen… Klinkt dit woord al te katholiek? Zet dan verinnerlijking in de plaats. Toen ik samen met jou en Carine de gedichten selecteerde voor je verzamelbundel Krassen in wat was, een avontuur dat ik met een boottocht op de hoofdrivieren van je werk zou willen vergelijken, zag ik pas ten volle in wat een gewaagde sprongen je destijds als ‘dwarse’ dichter had gemaakt: je Zwarte Gedichten zijn hiervan het voorbeeld bij uitstek. Zo’n extreme behandeling van de taal, in conflict met de dagelijkse realiteit, had ik nog niet eerder ontdekt, bijvoorbeeld ook niet in het werk van Jack Kerouac, Allen Ginsberg en nog vele andere Amerikaanse auteurs die ik via Max Kazan, nu Jef Bierkens, zou leren kennen. Je Zwarte Gedichten verschenen in de Labyrint-reeks van Labris, waar ook Marcel Bogaerts zijn intrigerend poëtisch proza zou publiceren: Le dialogue avec la fusillée.

In mijn ogen waren jullie positieve literatuurverschrikkers. Jullie joegen al te conventionele dichters en soortgenoten schrik aan, om van de anderen maar te zwijgen.

Ikzelf heb toen de vleugelpiano ingeruild voor een schrijfmachine. Het ritme van de woorden dicteerde toen nog voor een groot deel mijn zegging: al tikkend op schrijfmachinetoetsen was de Jonkvrouw met de spade beginnen graven. Een publicatie in één band en samen met jouw eerste prozawerk Kraamanijs zag Johan Sonneville echter niet zitten… Maar goed ook, after all, maar dat zeg ik nu. In die tijd vond ik dit bijzonder jammer.

Ik geloof wel dat je prozawerk als een soort ijsbreker heeft gewerkt naar een groter lezerspubliek én dat je daardoor niet steevast als een experimenteel auteur vol duistere bedoelingen wordt geklasseerd.

De geleidelijke overgang in je poëzie naar een minder samengebalde zegging, of een typisch Van Maele-parlando vol gebiedende werkwoorden, gekruid en gepeperd met je onmiskenbare humor, is echter een waarmerk van dwars engagement gebleven: galgenhumor met een vleugje mededogen… “Van wie naar wat, van / wieg naar graf.”

Die typische humor herken ik ook in je laatste publicatie, maar de woordendrift is ingetoomd. De boot is een paard geworden dat niet op hol mag slaan. Want de berijder is blind – langzaam maar zeker blind geworden.

Ik herinner me dat je nog een tijdlang kon waarnemen dat ik bijvoorbeeld een groene jurk droeg. Je kon nog kleuren onderscheiden, gewemel, een laatste lichtpunt. Je wou toen nog niet toegeven dat je op weg was om stekeblind te worden. Nee, voor jou geen brailleschrift als troostprijs. Wel een bandopnemer… Zo heb je geleerd om woorden af te luisteren voordat ze uitgesproken mogen worden.

Je houdt meestal een geheim of meer achter de hand, geeft wat het meest van al pijn doet niet bloot. Je blijft liever een dichter die zichzelf voorstelt als een blinde vink, of als iemand die ons voor de grap wil wijsmaken dat hij tram tien ziet aankomen. Ja, Marcel, het vers: “Slenterend in het verleden herinner ik me / te herinneren” heeft Roger de Neef ook niet voor niets geciteerd in zijn inleiding tijdens de voorstelling van je bundel in De Zwarte Panter: meer wil je niet zeggen. De confrontatie met het verleden leidt maar hoogst zelden tot een ‘bekentenistoon’, o.a. vooral in sommige van de meest tedere maar daarom nog niet onverbloemde liefdesgedichten die ik ken.

De eerste cyclus ‘Tussen tijd en woord’ beschouw ik tegelijk als een poëtisch testament en als een levensoverzicht dat met de nodige ironie eindigt met: “het is schoon geweest”. Tijd en woord vormen een Siamese tweeling: een zegen én een vloek.

Er is stilaan een bedachtzaam element in je poëzie geïnfiltreerd, in schril contrast met de vroegere uitbundige woekering van woord en beeld. En dat weet je maar al te goed…

Ik citeer: “En nu het stiller wordt rondom / bindt hij zijn woorden in…”

Nog duidelijker komt deze tendens ter sprake in de cyclus ‘Woorden’: “Uit lichtzinnige verzen uitbundige woorden / schrappen, onverbloemd.”

Wat een vreemde combinatie: onverbloemd schrappen? Laat ons zeggen, dat je af en toe een onverbloemde manier van stilzwijgen hanteert, waarmee je de lezer bewust op afstand wil houden.

Het intrigerende gedicht ‘Klimop’, uit de tweede cyclus ‘Natuurgetrouw’, ervaar ik als één volgehouden metafoor van het dichter-zijn. Dankzij je ongenadige humor wordt de bittere derde strofe met een kwinkslag gecorrigeerd:

Klimop

Niet kunnen vliegen

niet kunnen gaan

het is geen gemakkelijk bestaan.

En de klimop verstrengeld

in zijn navelstreng pakt zijn vleugels uit

laat zijn wortels los en schrikt

de wolken in.

Jagen en vluchten

een vogelschrik omzeilen

amper het evenwicht bewaren.

Bij deze poging zichzelf te achterhalen

te pletter storten.

Een verhaal bij hoog en laag, een smartlap

zonder weerga. Vraag het aan de tuinman

die weet er alles van.

De tijd blijft maar op de loer liggen, komt al meteen weer aan bod in de cyclus ‘Versleten woorden’. Je hebt er echter iets op gevonden wanneer de leegte in alle stilte beslag legt op de dingen, en dat wil ik ook wel even citeren:

Met zacht geweld de wrevel weggegomd

in de stroom van de gedachten

aan dit zelfbestaan verzaken.

Lucienne STASSAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
26 juillet 2009 7 26 /07 /juillet /2009 05:23

In 2000 voerde Kris Kenis (CDR) een lang gesprek met Marcel van Maele. Het werd op band opgenomen, uitgetypt en door de dichter geautoriseerd, maar bleef door omstandigheden tot nu toe onuitgegeven. Ziehier alvast het gedeelte dat over Marcel Broodthaers (1924-1976) gaat.

Marcel had zich aan de keukentafel genesteld, in afwachting van wat komen ging. Het gesprek werd aangevat in het salon, ondersteund door een aperitiefwijn op fles getrokken door Marcels broer in 'de Vlaanders'. Uitstekend muskaatachtig wijntje. Het hoeft geen betoog dat de fles een kort leven beschoren werd. Tijdens het gesprek duwde Marcel geregeld zijn vinger in z’n glas om zich ervan te vergewissen dat hij steeds met een gevuld glas in het gesprek zit... Het werd achteraf aan tafel voortgezet, waar de culinaire talenten van Carine eens temeer voor wonderen zorgde.

*

Ziehier de getuigenis van Marcel over zijn vriend Marcel.

'Gebottelde Gedichten was een noodkreet, een ‘wanhoopsdaad’ omdat mijn gedichten niet gelezen werden. Klassiek grapje van mij was toen dat als mensen vroegen of ze op geen enkele manier het gedicht konden lezen ik hen aanraadde de fles kapot te slaan, waarop de meeste dan zeiden dat ze de fles intact wilden houden. Koop er dan twee was dan geheid mijn antwoord. En ik moet zeggen dat er verschillende waren die dat deden. Maar het was dus een daad om mijn gedichten meer onder de aandacht te brengen.

Ik ben eigenlijk begonnen met schilderen, niet met gedichten: heel kleinschalig, eind jaren 50. Ik was op zoek naar het niemandsland tussen literatuur en plastisch werk. Die grens verkennen interesseerde me. Mijn poëzie is van mezelf, je voelt de persoon daarachter, een tikje waanzin, een tikje gedrevenheid, een tikje realiteit. Het ontbreekt mij aan vakmanschap om te schilderen. In hoeverre moet dat er zijn om kunst te maken? Het gaat erover iets te zeggen. Met vakmanschap kan dat soms makkelijker maar het is niet steeds noodzakelijk, het is een hulpmiddel om een kunstwerk te realiseren.

In bepaalde kringen wordt er gesteld dat kunst zonder vakmanschap geen kunst is. De vraag wordt gesteld hoe staat het geschreven, hoe is het geschilderd, terwijl de vraag moet zijn wat is er geschreven, wat staat er geschilderd. De 'hoe' is maar een hulpmiddel, eventueel het instrument.

Dat had ik met Marcel Broodthaers gemeen, we konden geen van beiden tekenen of schilderen, maar hij had wel visie op de effecten die je met woorden en beelden kan bereiken, daar schuilt natuurlijk ook vakmanschap in.

Ik kende Broodthaers al van voor hij plastisch werk maakte (hij begon daarmee rond 1964), Ik leerde hem kennen eind jaren 50 toen ik in Brussel woonde. We frequenteerden in Brussel dezelfde stamcafé's. Wanneer dichters elkaar ontmoeten is er altijd een vorm van contact, hij was een zeer innemend en intelligent man.

Broodthaers leefde toen een beetje als een clochard. Naast zijn gedichten schreef hij artikels voor Le Soir, voor het Museum van Schone Kunsten, maar hij had geen vast inkomen. Hij ging regelmatig naar Knokke, hij had daar rijke vrienden wonen. Hij kwam dan terug met chique kostuums... Alleen: Broodthaers verzwaarde regelmatig en dan kreeg ik de kostuums die hem niet meer pasten, omdat ook ik er een beetje clochardachtig bijliep, slordige kleding, lange haren enz… maar dan om de zoveel tijd liepen we er beiden pico bello bij in maatpakken die eigenlijk object trouvées waren. Maria, zijn vrouw troonde me dan mee naar hun appartement, “kom, we hebben een kostuum voor jou.”. Dan stapte ik de Welkom buiten als clochard en enkele uurtjes later terug binnen als perfecte heer. Alleen de schoenen marcheerden niet, ik had maat 45 en Broodthaers had een 42. Daarom heb ik hem laten vallen, hij liep op te kleine voet!

Het eerste artikel dat ooit over Broodthaers verscheen, heb ik geschreven. Dat was een veertiendaags tijdschrift indertijd in Amsterdam, Kunst van Nu, dat was begin 1965. Hij was dan net begonnen met zijn plastisch werk. Ik kon me onmiddellijk vinden in zijn werk, hij kon er ook prachtig over praten. Dat artikel wordt ten andere nooit meer vermeld, nergens in de bibliografie van Broodhaerts wordt er melding van gemaakt. Nu ik was en ben geen essayist, dus zo’n denderend artikel zal ’t wel niet geweest zijn zeker?! Er stond een foto van z’n werk bij, het was een eerste aanzet om zijn werk onder de aandacht te krijgen. Het was in interviewvorm en ik liet hem vooral aan het woord. Hij vertelde dat hij besloten had geen dichter meer te willen zijn maar plastisch kunstenaar, omdat, zo zei hij: “ook ik iets zou willen verdienen met het verkopen van objecten”. 'Mosselen op en top pop' was de titel van het artikel.

Inderdaad, Broodthaers heeft zijn wortels in het surrealisme en dadaïsme, en in de popart. Wat ik doe en deed was natuurlijk geen popart.  Broodthaers zijn eerste werken waren de dichtbundels overgoten met plaaster, daar kreeg hij een vermelding in de prijskamp Jeune Peinture Belge. Het object was meer als daad bedoeld dan als object. Hij krijgt een vermelding, zo van “jij mag verder gaan…”

Het lag ook dicht bij mijn gebottelde gedichten, mijn boek in polyester, de wit geschilderde boeken, ergens op die grens tussen literatuur en beeldend werk. Er zit een beetje dégout van de poëzie, wat voor zin heeft het… De revolutionaire daad van een geëngageerde gedichtenschrijver heeft niet zo veel impact, maar een object heeft grotere impact. Het is tastbaarder.  Woorden zijn soms niet zo direct, daarom zijn die woorden een verlengstuk van een beeld. Ik wou dat niemandsland bezetten. Veel van mijn plastisch werk bevat tekst, het zijn woorden die ik gebruik om een beeld op te roepen door ze in een beeld trachten te vatten. Maar steeds opnieuw bouw ik drempels in: dat de teksten moeilijk te lezen zijn, in een fles, tralies ervoor, dat je iets moet doen om de tekst te lezen. “Om deze tekst te lezen langzaam met het lichaam wiegen” bijv., de lezer weet niet dat hij aan het begin van de zin eigenlijk gewoon leest wat ie moet doen om te lezen wat er staat, zonder dat er eigenlijk iets meer staat. De eerste objecten van Broodthaers, de mosselen, de steenkool, de eieren, ja dat waren zijn primaire levensbehoeften, zo eenvoudig is dat. De dingen die hij zich niet altijd kon permitteren, ik kan daar weinig grote theorieën over vertellen.

Het interview van Kris Kenis zal eerlang integraal gepubliceerd worden in de papieren editie van de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
24 juillet 2009 5 24 /07 /juillet /2009 15:51
Marcel van Maele (Brugge, 10 april 1931) is zowat een kwartier geleden overleden in het Stuyvenbergziekenhuis te Antwerpen.
De dichter, prozaschrijver, toneelauteur en plastisch kunstenaar Marcel van Maele laat een indrukwekkend oeuvre na.Van l. naar r. Staf Breugelmans, Marcel van Maele, X, Patrick Conrad en Paul de Vree
Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans Actualité
commenter cet article
23 juillet 2009 4 23 /07 /juillet /2009 15:11

De onvolprezen connoisseur René Franken (antiquariaat Demian te Antwerpen) herinnert zich nog levendig het eerste bezoek van John Bel, zijn eerste klant:

'Toen ik op een aprilochtend in 1992 Demian opende was John Bel de eerste die binnenstapte. Ik weet nog goed dat ik na het openzetten van de winkeldeur achter mijn bureau ben gaan zitten en er vervolgens het eerste kwartier niets gebeurde. Ik voelde mij als in een vacuüm en bedacht mij dat dit het dan moest zijn, daar zat ik in de waargemaakte droom die, als het beeld uit een stilstaande filmprojector, enkel wachtte door iets of iemand opgang te worden gebracht.

John zette zijn fiets tegen de gevel, liet zijn kennersblik langs de boeken in de etalage gaan en kwam binnen. Vanaf dat moment bestond Demian.

Ik zou niet meer weten welke boeken John bij dat eerste bezoek kocht. Voortaan zag ik hem wekelijks en hield ik verse aanvoer van gesigneerde literatuur voor hem opzij. We hebben altijd maar weer over literatuur gepraat en hij was op zowat alle presentaties en openingen aanwezig.

Bij het vijftienjarig bestaan van de winkel bracht Jan Decleir John als eerste en trouwe klant hulde en overhandigde hem de eerste exemplaren van twee nieuwe boeken van Pjeroo Roobjee. Op de foto’s ziet hij er gelukkig uit, ook al was hij toen al behoorlijk ziek.

Na de voorstelling van Marcel Wauters' Er is geen begin en geen einde, 6 december 2008, zagen we elkaar voor het laatst. Met dit boek bleek onze cirkel rond.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
23 juillet 2009 4 23 /07 /juillet /2009 14:58


Veel belangstelling, gisteren, bij de overhandiging van de eerste exemplaren van 20 jaar ExLibris aan de kinderen van John Bel. De bibliofiele editie werd met warme lof ingeleid door Erik Vlaminck, voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging (VAV) Hij was een vriend van John Bel, de bezieler van de Kring ExLibris, waar hij begin dit jaar te gast was met een boeiende lezing over zijn jongste roman, Suikerspin.


Erik Vlaminck, Gert Vingeroets en Joke van den Brandt

Het was de droom van John Bel de twintigste verjaardag van de Kring te vieren met een passende publicatie, aldus Joke van den Brandt:

Henri Floris Jespers en ikzelf beloofden het hem met de hand op het hart. In Gert Vingeroets vonden we een een trouwe medestander. Samen hebben we aan dit boek gewerkt, waarbij het leeuwenaandeel geleverd werd door Henri-Floris Jespers. Hij heeft John geëvoceerd zoals alleen hij dat kan: in een erudiete, vlotte taal en met liefde voor John Bel en zijn ExLibris.”

Het boek bestaat uit een inleiding van Joke van den Brandt waarin ze o.m. de rol van Joanna Bel bij het ontstaan van de Kring in herinnering brengt; hoofdmoot is de tekst van Jespers, “Bibliofiel? Lezer pur sang!”, gevolgd door een volledig overzicht van de lezingen die bij ExLibris gehouden werden en afgesloten met de lijst van de overleden leden.

De bibliotheek van John Bel was een kunstwerk op zich. Het was ook zijn droom dat die liefdevol, deskundig en hardnekkig opgebouwde collectie niet in de vergetelheid zou geraken. De bonte verzameling van John Bel getuigt sprekend van zijn brede belangstelling. Hij was nu eenmaal te gedreven om zich te 'specialiseren'. Erik Vlaminck wist het talrijke publiek te melden dat aan die dwingende wens uiteraard gevolg wordt gegeven.

Margriet & Jan van Oostende, Thierry en Luc Neuhuys


Henri-Floris Jespers, Joke van den Brandt & Paul Verbraeken


20 jaar ExLibris komt niet in de handel. Er zijn nog enkele exemplaren beschikbaar: zie de blog van 20 juli.

Over John Bel als literair criticus: zie de blog van 7 juli.


Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
22 juillet 2009 3 22 /07 /juillet /2009 05:23


Affiche ontworpen door Edmond van Offel (1871-1959)

Het duurde even voor het archief van de Antwerpse journalist en schrijver Jan de Schuyter (1889-1952) al zijn geheimen heeft prijsgegeven. In de laatste te verwerken doos bevond zich een pakket met materiaal over de allereerste Vlaamse film, De storm des levens (1919): het handschrift én het typoscript van het scenario dat De Schuyter voor deze film schreef en enkele andere teksten van hem over het vroege filmleven in Antwerpen.

De openluchtscènes werden gedraaid in Antwerpen op de Groenplaats, in het Stoelstraatje, op de pont en in het Veerhuis van Sint-Anneke op de linker Schelde-oever. Voor de binnenopnamen week men uit naar de grote zaal achter het 'Syndikaat van Handel en Nijverheid' in de Korte Nieuwstraat.

In een bijzonder lezenswaardige bijdrage vertelt Johan van Hecke in detail hoe De storm des levens een storm in een glas water werd: de bioscoopuitbaters besloten de prent te boycotten. Voor de producer werd het financieel debacle.

In 1938 schreef Jan de Schuyter in Weekblad cinema:

Deze boycot van de filmuitbaters, niettegenstaande de band gerust met meerdere buitenlandsche films uit die dagen kon vergeleken worden, werd een gevoelige klap voor de Scaldis filmonderneming. Buitendien zooals het ten onzent altijd gaat, werden er velen gevonden om zoveel mogelijk de gedane poging te niet te krijgen. Niemand mag in ons landeken het hoofd boven water steken.

De film is niet bewaard gebleven.

Dit alles en veel meer over de eerste Vlaamse film is te lezen in Zuurvrij, het onvolprezen tijdschrift van het Letterenhuis te Antwerpen.

Zuurvrij. Berichten uit het Letterenhuis, nr. 16, juni 2009, 112 p., ill., 4 €.

Abonnement: 15 € voor twee jaargangen van telkens twee nummers (te verschijnen in december en juni). Losse nummers: 4 € (nrs 5-15 nog leverbaar).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche