Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
10 février 2008 7 10 /02 /février /2008 21:21

De poëzie van Paul Neuhuys (1897-1984) ontsnapt aan elke mode. Zij is wonderlijk fris gebleven. Of ze nu van 1923 is of van vandaag, zij schittert als een decalcomanie, nog nat van het inkt.

Hij publiceert zijn eerste bundel op zijn zestiende, La source et l’infini. De reactie laat niet op zich wachten: hij wordt van school gezonden. Er stonden in de bundel erg onschuldige gedichten, die in die tijd echter als ongeoorloofd werden beschouwd. “La poésie, tout au moins au départ, fut pour moi un délit”, heeft hij gezegd. Maar zijn werkelijk debuut dateert van na de oorlog 1914-1918. Hij publiceert Le zèbre handicapé in 1923 bij de uitgeverij Ça ira, waarvan hij de stichter is. “Je suis malheureusement un poète du bonheur,” zal hij later beweren met zijn typische humor en zuurzoete glimlach, “un poète du bonheur, à qui la gloire et l’amour n’ont souri qu’à moitié et pour qui les éditions Ça ira n’auront été surtout que les éditions « ça n’a encore une fois pas marché ».” 

Poëzie is een gevecht met de nachtegalen, met de engel, met de maatschappij of met de dood. Men kan frontaal vechten, ofwel al dansend of zingend. Neuhuys vecht al goochelend met woorden die ontsnappen aan de zwaartekracht. La joueuse d’ocarina (1947), L’herbier magique d’Uphysaulune (1949).

U hebt geraden dat wij ons in een heel andere wereld bevinden, dan die van Elskamp. In een andere tijd ook, de tijd ontstaan uit de oorlog 14-18. Nieuwe hoop, nieuwe wanhoop, extremistische bewegingen zoals het dadaïsme. In 1918 publiceert Tristan Tzara in Zurich het Dada-manifest, dat de start moest worden van een revolutie.

Een soort nihilisme van de gedachte, dat als een ware donderslag in heel Europa aankwam. Ook in Antwerpen, waar mensen zoals Van Ostaijen en Paul Neuhuys, zonder dadaïst te zijn, zich openstelden voor de internationale bewegingen. Men heeft beweerd dat Neuhuys de eerste dichter van het absurde is, een helave eeuw voor het officiële “absurde” en zijn hogepriester Ionesco.

Ik geloof veeleer dat hij een dichter van de vrijheid is, vrijheid van geest, van worden, van alle logische betekenis in de poëzie. Maar steeds met humor, een bijzondere humor van bij ons, vaak een verdediging tegen angst en tragiek. Ook dichters verdrijven door hun woorden de dreiging van de dood.

Hij publiceerde een twintigtal bundels, waaronder Septentrion (1967), Octavie (1977) waarin hij schrijft:

J’entends dire que la poésie

devient tellement exigeante

qu’on n’ose plus l’écrire

alors qu’elle nous défend

contre le sérieux de la vie.

De laatste L’agenda d’Agenor (1984) verschijnt het jaar van zijn overlijden.

Wreedheid, geweld en verschrikking verschijnen elke dag op het televisiescherm. De enige verdediging is wellicht wat Neuhuys suggereert in zijn gedichten: vrijheid van taal en humor, geen vlucht maar een levenshouding, een manier om angst en pijn te verdragen.

Onze Franstalige Vlaamse schrijvers verwoorden de sensibiliteit van dit land, zij zijn zelden abstract en onderwerpen zich niet aan een denksysteem. Zij vangen rechtstreeks de signalen van de wereld op: een onmiddellijke registratie, zoals bij Marie Gevers, een vertraagde, zoals bij Max Elskamp, of een weerbarstige, zoals bij Neuhuys. Het grote probleem is een taal, een schriftuur te vinden. Gezien zij in hun omgeving een andere taal horen spreken, kunnen zij niet putten uit de steeds hernieuwde reserves van de gesproken taal. Ieder van hen ziet zich gedwongen een eigen creatieve taal op te bouwen. Wij schrijven niet zoals onze collega’s uit Frankrijk. Ik beweer niet dat wij minder goed schrijven. Wij schrijven anders. Misschien is dat onze rijkdom. Het is ook ons drama.

Paul WILLEMS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
10 février 2008 7 10 /02 /février /2008 21:04

In Vlaanderen heb ik geleefd, in Vlaanderen heb ik geparticipeerd, in Vlaanderen heb ik geruzied, aan Vlaanderen heb ik bijgedragen, maar voorzover mijn informatie strekt, heb ik in Vlaanderen niet gedood. U weet het al, of u weet het nog niet, maar ik ben vanuit Nederland naar Vlaanderen gekomen om precies dit begrip ‘Vlaanderen’ en al zijn implicaties en complicaties in en voor de literatuur te onderzoeken. En op dat vlak ligt ook de ‘ontdekking’ van het jaar: In Vlaanderen heb ik gedood van J.G. Schoup. In geen enkele Vlaamse roman over de Eerste Wereldoorlog wordt die strijd zo direct en met zo veel vaart geportretteerd. Schoup ziet geen reden om de tachtigers in herinnering te roepen als hij een gevecht beschrijft en hij ziet er ook geen heil in om de warme vriendschapsbanden, die ongetwijfeld zijn gegroeid in de loopgraven, in de verf te zetten. De oorlog is koud, gewelddadig en desastreus voor iedereen die ermee te maken heeft. Waar andere boeken nog wel eens de nadruk leggen op de kracht van de vriendschap in dit soort benarde omstandigheden (De blijde kruisvaart van Fritz Francken bijvoorbeeld) of zelfs een evocatie bieden van het grootse toneel van kracht en destructie (zoals in het onbedoeld grotesk aandoende De rit van De Pillecyn), blijft In Vlaanderen heb ik gedood een eerlijk verslag van de aftakeling van de mensheid. De schrijver/hoofdpersoon zelf vormt daarop geen uitzondering. De oorlog maakt hem onverschillig en gretig tegelijk. Een zoveelste dode doet hem niets meer, een orgie uitgelokt door gewillige soldatenhoeren is een welkome afleiding.

Schoup schreef de roman in 1932. Hij had er op dat moment al een bewogen leven opzitten. Een deel van dat leven beschrijft hij in het tweede deel van de roman, dat – eerlijk is eerlijk – veel minder goed is dan de eerste helft. Schoup deserteerde vlak voor de val van Antwerpen, verbleef vervolgens tien jaar in Nederland en keerde toen terug. Het gerecht aarzelde niet en veroordeelde hem alsnog wegens desertie. Vier maanden zat hij gevangen, waarna hij grote moeilijkheden had om weer een geaccepteerde burger te worden. Het is een triest einde van de roman. De man die zijn leven bijna had gegeven in een oorlog die hij vanaf het begin verfoeide, wordt uitgekotst door de maatschappij die hij desondanks diende. Maar bij nader inzien is dit juist de context waarin de roman – en ook het minder sterke tweede deel – pas echt goed tot zijn recht komt. Schoup stelt zichzelf voor als een rechtschapen mens die voor vrede, vrijheid en rechtvaardigheid strijdt. In zijn opvatting betekent dit echter een verregaande vorm antimilitarisme, het zogenaamde integrale pacifisme. Met andere woorden, geen geweld onder geen geding. In een decennium waarin de Europese spanningen al weer bijna een nieuw kookpunt hadden bereikt, werd dat minder en minder als een reële optie gezien. Sterker nog, een dergelijke houding stond meer en meer gelijk aan landverraad. Schoup cultiveerde zijn uitzonderingspositie dus en maakte van zijn met veel brille geschreven Eerste Wereldoorlogroman een antimilitaristisch pamflet voor onmiddellijke consumptie aan de vooravond van de nazi-heerschappij.

In Vlaanderen heb ik getwijfeld. Getwijfeld of dit boek nu slechts interessant is voor mij als onderzoeker, of dat ondanks de directe politieke bedoelingen het ook als roman overeind blijft. In Vlaanderen heb ik gekozen voor het laatste.

Matthijs DE RIDDER

 

(Verschenen in CDR-Mededelingen, nr. 60 de dato 15 december 2005.)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
10 février 2008 7 10 /02 /février /2008 20:02

Bijna gelijktijdig verschenen twee publicaties gewijd aan het Schoonselhof.

Archiefbeelden Schoonselhof van auteur Staf Schoeters, met foto’s van Bib is uitgegeven bij Tempus Publishing Group Ltd., Groot-Brittannië en ligt sedert december 22004 in de boekhandel. Het is vooral een kijkboek geworden met meer dan 200 zwart-wit foto’s becommentarieerd door Staf Schoeters, die alzo het belang en de waarde van de Antwerpse parkbegraafplaats illustreert. Vrijwel overal bij de grafmonumenten geeft hij een deskundige en gedetailleerde beschrijving, doch zoals al te vaak in publicaties over dit onderwerp schenkt hij m. i. te weinig aandacht aan de beeldhouwers en hun waardevolle artistieke bijdragen die getuigen van onmiskenbaar groot talent. Enkele voorbeelden: op het graf van de familie Sheid had ik toch graag de naam Ernest Wijnants bij dit opvallend kunstwerk van zijn hand. Zo ook bij het graf van Henri de Braekeleer, de naam Guillaume Charlier ontbreekt, bij Karel Verlat, de maker van diens fraaie buste, Jules Pecher, of bij Flor Mielants, een ontroerend gelegenheidswerk met twee kinderfiguren van Remi Cornelissen. En dan zijn er natuurlijk de talrijke biografische aantekeningen. Zo komen we bij het graf van Nic van Bruggen te weten dat hij samen met Patrick Conrad, Hugues C. Pernath en (jaja!)) Freddy de Vree de Pink Poets stichtte. En bij Michel Oukhow schijnt het dat deze als letterkundige de invloed van Maurice Gilliams onderging. En bij Gust Gils komen we weer in de goede stemming want er staat te lezen op zijn steen:

Ik was een rusteloze geest.

Dit is niet mijn laatste rustplaats

Maar mijn eerste.

 

Voor uw necroloog van dienst is dit boek, spijts het ontbreken van een personenregister, toch een (interessante) aanwinst, zo ook voor alle geïnteresseerden in de geschiedenis van Antwerpen én de pracht van haar necropool. In zijn nabeschouwing geeft Staf Schoeters ook toe dat dit boek verre van volledig is want de wereld van de doden is ondertussen omvangrijker dan die van de levenden en kan niet beperkt worden tot een boek van 128 pagina’s.

&

Nummer vier van de jaargang 2004 van het driemaandelijks tijdschrift Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen is een meer ‘diepgravende’ historische bijdrage waarin men op 40 bladzijden vakkundiger te werk gaat dan in voornoemde besproken publicatie. Beide vullen elkaar aan. Auteur is de bezielde kunsthistorica Anne-Mie Havermans. Haar proefschrift is een uitgebreide studie van het Schoonselhof. Ondertussen zet ze dit onderzoek voort. Het is wachten of zoals in mijn geval reikhalzen naar hét boek over dit onderwerp, het hare. Hier valt ook de schitterende fotografie op van Michel Wuyts, als fotograaf verbonden aan de Stad Antwerpen. De belangrijkste Antwerpse kunstenaars komen in meerdere hoofdstukken aan bod, met naast hun monumenten afbeeldingen van hun werk: Henri Leys, Jozef Lies, Theodoor Verstraete, Evert Larock, Alfred Ost, Joris Minne, Floris Jespers e.a. In het hoofdstuk ‘Kunstenaars vrienden voorbij de dood’ ruimschootse aandacht voor de markante beelden van Oscar Jespers en mooie pagina’s gewijd aan Paul van Ostaijen, Gaston Burssens en de gebroeders Jespers.

Maar ook hier las ik iets zeer merkwaardig. Onder de titel ‘Spoken op het kerkhof’ maakt de auteur gewag van beelden die ontvreemd werden of op mysterieuze wijze verdwenen. Dit heb ik inderdaad zelf kunnen vaststellen (als gids aldaar sinds 1992), zoals de bronzen sculptuur ‘Johannes op Patmos’ van Remi Cornelissen, gestolen van zijn graf in 1993. Doch zij vervolgt: “Hetzelfde lot onderging het grafbeeld van schilder en beeldhouwer Charles-Albert Szukalski (1945-2000), gestolen voor het geplaatst kon worden”. Men ziet spoken! Want dit is er nooit geweest…! Dan maar een foto van Szukalski’s Dialoog, 1974, uit de collectie Openluchtmuseum Middelheim.

Ik hecht mij of ik sterf

Dit nummer van Openbaar Kunstbezit beslist aanschaffen, zou ik zeggen.

Jean Emile DRIESSENS

(Verschenen in de CDR-Mededelingen, nr. 39, de dato 4 januari 2005.)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
9 février 2008 6 09 /02 /février /2008 09:35

De afscheidsplechtigheid wordt gehouden op zaterdag 16 februari 2008, 10 uur in de aula Chrysant van het crematorium van Antwerpen, Jules Moretuslei 2 te Wilrijk.

De teraardebestelling van de asurn geschiedt aansluitend op het Ereperk van de begraafplaats Schoonselhof.

Rouwadres; De Lescluzestraat 32, 2600 Berchem.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
8 février 2008 5 08 /02 /février /2008 03:04

Henri Michaux, daar refereert Albert Bontridder naar in een “architectonisch” artikel over de “filosofie van het huis” in Huizen brengen haat uit 1974 (Kontakt, nr. 17). Ik kwam aan dat artikel door het volgende. Een heel fijne (her)ontdekking voor mij dit najaar was ongetwijfeld Albert Bontridder (°1921), architect en dichter. Zowel het werk als de man. Ik had het al een paar jaar voorspeld, al ken ik hem al dertig jaar en al heb ik al letterlijk in zijn werk rondgelopen (het huis van Boon) het werd tijd iets van de man te lezen: zijn poëzie (nog gezegd: heb slechts een 25 dichtbundels in huis). Begonnen met iets van de architect in de poëet: Huizen vieren haat (uit 1979. Sprak mij aan en mijn exemplaar koester ik extra omdat het helemaal uit Almere is gekomen om terug op Belgische bodem te gedijen). Bontridder schrijft à propos dus ook over zijn eigen vak: architectuur, maar dan voornamelijk in het Frans. Poëzie in het Nederlands.

In deze bundel gaat het evenwel niet, zoals de titel suggereert, over architectuur. Buiten ergens deze strofe in het vers Bezit en bestaan:

Vergeefs omdat hij niet kon merken

hoe winkels van verraad

hun eigen muren slopen,

hoe straten van verzet

schuil gaan onder de huizen,

hoe elke stad de nesten van de vrouw

(de kanker die zij teelt)

met kobaltstralen heeft behandeld,

hoe subversieve overvloed

de kinderen van Venetië

in krotten van verbeelding huizen laat (p. 39).

 

Hier schemert toch iets door van huizen en wonen. Dat wat mij zo intrigeerde in de titel. Die titel, laat die maar los functioneren als suggestieve, associatieve beelden- en gedachtenbrenger! Dat doet hij toch bij mij. Wel kwam ik soms woorden in de bundel tegen als “bouwfysische” en “duurzaam metaal” (geen bouw-, wel beeldhouwkunst: Strebelle) en “cijnskantoor” of dus “krotten van verbeelding”. En (als bij Hertmans en Umbral) veelzeggende woorden als regressief, eierstokken, lokkige wolk…

Maar ik heb het hier of elders al geschreven: ik kan niet zo goed overweg met poëzie. Ooit kocht ik een twintig, dertig deeltjes Poëtisch erfdeel der Nederlanden, bij Heideland zelf, voor zo’n tien frank het stuk. Daar zat (en zit nog steeds) ook de bloemlezing De bankreet vader (1968) tussen. Het was toen 1977, ik was 17 en dichter, schrijver, muzikant, bosfluiter, heidehater, ridder, bont en nog zo van alles… en beginnend boekenverzamelaar.

Ik ben nog niet klaar met Bontridder, al heb ik ook al lang zijn architectuurhistorische monografie over de hedendaagse bouwkunst in België, Dialoog tussen licht en stilte uit 1963. Pas begonnen met dat korte artikel uit 1974 dus. Met de uiterst intrigerende titel Huizen brengen haat. Zeker in het licht van bovenvermelde dichtbundel.

Hoewel hij dus beide vakken bedreef en beheerste, liepen die elkaar niet in het vaarwater, eerder gescheiden wegen. Daar is nu heel mooi over te lezen in de prachtige monografie (Archives d’Architecture Moderne, Brussel, 2005) van Francis Strauven (°1942, niet de minste op architectuurgebied, want ook zelf architect, tal van monografieën, waaronder over Renaat Braem, Aldo van Eyck, e.v.a.) die zich zeer wel kwijt van de – in dit geval verplichte – taak van literatuurhistoricus. Hij doet dit fantastisch goed. Weetje over bouwende Belg Boon: hij was zo ene die het oorspronkelijke, door Bontridder ontworpen en gebouwde, huis op die typische manier van hier uitbreidde met “huizekotjes”. Een prachtige monografie, vooral voor de literair georiënteerde met voeling voor deelgebied “wisselwerkingen met andere kunsten”. Er staat een subliem en verantwoord ontwerp in voor Claus die een “schrijfkamer” (meer een bescheiden riant tuinhuis) wou. Bontridder ontwerpt een prachtige éénkamerwoning, een schrijfhuisje, voor vriend Hugo en dan komt die te zeggen dat hij er geen geld voor heeft. En dan die woning van Marcel Wauters. Het lijkt allemaal niet zo veel en Bontridder heeft, op beide gebieden, niet zo’n heel groot oeuvre. Maar het zijn woonfilosofisch en -praktisch gezien ideale huizen, juwelen. Behalve misschien dat van Boon, maar dat heeft die dan wel helemaal zelf zo gewild. In het huis van Wauters was ik na dat van Boon eens te gast. Daar ziet en ervaart ge helemaal hoe een huis moet zijn. Dat kan nu nog. Bontridder is nu wel al 86, maar ge kunt op afspraak een bezoek brengen aan de eigen woning te Sint-Genesius-Rode (1958). Dat is toch te mooi om waar te zijn.

Toen ik hem op een vrijdag in november telefoneerde om hem gewoon eens te roemen, hadden we een boeiend, spitant en vol enthousiasme stekend gesprek gehad. Ik ben een paar anekdotes over Boon en een andere kijk op de perceptie van de Tijd en Mens-mensen rijker. Bontridder is een publicatie over Gaston Burssens' dubbeltalent en de schilder Maurice Roggeman van mijn hand in Boelvaar Poef rijker. Niet echt heel fameus, dat geschrijf van mij, maar hij was nogal geïnteresseerd. Vooral Roggeman behoorde in de jaren 1940-'50 tot de vriendenkring. Ik natuurlijk vereerd. Fijne mens. Alras heb ik toch nog maar zijn Gedichten 1942-1972 aangeschaft. En niet omdat ik me suf heb liggen zoeken naar de monografie van Bontridder over Stynen uit 1979. Het gaat me dus vooral om die mens, dan die schrijver en dan die ontwerper van prachtige woonstedes.

Ivo MACHIELS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
8 février 2008 5 08 /02 /février /2008 00:10

Ik kende Michel langs de dichter Freddi Smekens en het tijdschrift Hand om. Op de VUB ontmoette ik Michel opnieuw als assistent van professor Paul Hadermann, bij wie ik tal van keuzevakken volgde incluis de oefeningen, die onder de hoede van Michel vielen. We werden bevriend en waren vaste gesprekspartners op elke VUB-receptie, en de avond eindigde vaak op mijn appartement, waar de geanimeerde en vrolijke literaire conversaties tot een stuk in de nacht verder liepen, gevolgd door een wat katerachtig ontbijt...

Helaas heb ik deze laatste jaren Michel minder ontmoet (we waren allebei niet al te gelukkig op de als maar boersere en platte VUB en er waren geen recepties meer...)

De zware chemotherapie van mijn zus heeft me belet aanwezig te zijn op de tentoonstelling van Louise in het Elzenveld 2007: ik bezit een vroeg werk van haar en was nieuwsgierig naar haar nieuw werk en naar Michel. Het heeft niet mogen zijn en het plotse overlijden van Michel was een echte schok.

Boeddhistische teksten hebben me geleerd dat we moeten leren inzien dat de overledenen pas vrij zijn als we hen zonder dood herinneren. Dan zijn ook de levenden eindelijk vrij. Maar daarvoor is het nu nog te vroeg.

Dr. Luc DELEU

 

Via de Mededelingen verneem ik dat nu ook Michel Bartosik ex-pp is overleden. Na Oukhow, Pernath, Snoek, Szukalski, Van Bruggen, Adé, De Vree, Gilliams, Van de Velde, Gijsen, Delvaux, onze huisfotograaf Dauphin, wie weet sla ik er een paar over. Wat of beter wie blijft er nog over van ons select genootschap? Beukelaers, Spillemaeckers, Lowet, Michiels, jij en ik. Het doet mij aan de laatste oudstrijders van 14-18 denken. Qui de nous sera le dernier 'poilu'? Aan alle overleden Pink Poets wil ik mijn excuses aanbieden ooit deze post-dadaïstische, blijkbaar levensgevaarlijke groep opgericht te hebben. En aan de overlevenden wil ik, voor het te laat is, van de gelegenheid gebruik maken om hen toe te vertrouwen dat het voor mij een eer en soms een plezier was om gedurende de roze jaren hun tafel in La Rade te delen.

Omhels Louisa die ik het laatst, samen met Michel, op mijn vernissage in 't Elzenveld zag.

Ik omhels je op mijn beurt, echt droevig en diep geraakt.

Patrick CONRAD

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
8 février 2008 5 08 /02 /février /2008 00:08

15 januari rond 23 uur kreeg ik over de telefoon van Jean Emile Driessens te horen dat in Antwerpen onze vriend en mede-dichter Wilfried Adams is overleden.

Hij is zestig jaar geworden.

Hoewel ik wist dat er iets met hem aan de hand was, moest ik even slikken.

Wilfried was een aimabel persoon.

Zijn gedichten, die ik vrij goed ken en af en toe nog lees, zijn van de goede soort: geen bekentenissen noch dagboekerigheden maar wereldverzuchtingen, gekruid met enig verzet tegen de wereld. Spaarzaam met woorden en beelden, abstract hoe dan ook, tekenden ze zich een plaats in de kleine wereld van de letteren.

Zijn werk is me dierbaar omdat hij zich steeds heeft laten kennen als iemand die zich inzet voor de poëzie en de wereld, minder voor de werkelijkheid, deze afbeelding waarvan de treurbuis ons elke dag weer afspiegelingen meegeeft.

Marc TIEFENTHAL

 

Goh, Wilfried Adams is overleden. Achter zijn naam hoort behalve een geboorte- voortaan ook een sterfjaar: 1947-2008. De eerste keer dat ik hem tegenkwam was in september 1975, tijdens het literaire weekeinde Poëzie in Animal Farm in Denderbelle waar we tot de optredende dichters behoorden. Hij kwam wel eens langs, en we zagen elkaar wel eens op café. Ook maakten we samen deel uit van de dichtersbent die voorlas tijdens A(rt)ssenede 2001. Hij was ook op de voorstelling van de door mij samengestelde bloemlezing sportgedichten Langzaam juichen. Met Wilffried Adams is een uitmuntend dichter heengegaan. Hij laat een mooi oeuvre na.

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
7 février 2008 4 07 /02 /février /2008 07:36

Wie belangstelling koestert voor de actualisering van het situationistische denken, zal met belangstelling kennis nemen van de discussie tussen Ken Knabb (Bureau of Public Secrets) en Wayne Spencer, on line gepubliceerd op 3 februari door The Annals of Significant Failure. Revolutionary critique in dismal times, largely derived from situationist theory:

http://significantfailure.blogspot.com/2008/02/2007-and-i.html


http://significantfailure.blogspot.com/2008/02/discussion-with-ken-knabb.html.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
7 février 2008 4 07 /02 /février /2008 00:45

Aan de achterzijde van een brief van Anny Schuitema, gedateerd 8 februari 1957, noteerde Burssens een korte bedenking n.a.v. “Losse opmerkingen over poëzie” van Jan Greshoff, verschenen in de rubriek ‘Zoek de mens’ van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, (jg. X, nr. 12).

 

“Met aforismen is het zo dat, als men ze omkeert, hun omgekeerde waarheid nog altijd een waarheid is. Dit aforisme van Greshoff (cf. NVT, nr. 12 – 1956): Het gedicht schrijft zichzelf. Door middel van de dichter[1] , kan men even zo vrolijk omkeren: de dichter schrijft zichzelf. Door middel van het gedicht om er hetzelfde plezier aan te hebben. En is deze waarheid: Modern is hij die niets is en tot elke prijs iets wil lijken[2], retourné comme un gant, Modern is hij die iets is en tot elke prijs niets wil lijken, niet een grote koe.

Ik herinner mij een aforisme, maar sla mij dood, ik weet niet meer van wie: le poème soi-disant classique file à côté de notre sensibilité comme un pet sur une toile cirée.“

 

De brief van Anny Schuitema ging over het interview dat Burssens van Hugo Claus zou afnemen. Het werd door de AVRO uitgezonden op vrijdag 1 maart 1957 tussen 14 u 25 en 14 u 45.

“Woord en wederwoord: Burssens en Claus” staat te lezen in de rubriek “Onuitgegeven” van de Mededelingen van het CDR (nr. 38 de dato 21 december 2004, pp. 9-14).



[1]  Burssens citeert hier onzorgvuldig. Greshoff schreef: “Door middel van een dichter” (l.c., p. 1344).

[2] Jan GRESHOFF, l.c., p. 1345.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article
6 février 2008 3 06 /02 /février /2008 07:28

In Boelvaar Poef, het tijdschrift van het LP BOONgenootschap stelde Arne op de Weegh kordaat dat het Verzameld werk van Louis Paul Boon verzorgd wordt door mensen die het vak niet verstaan en dat dit project dus onmiddellijk dient te worden stilgelegd (cf. Mededelingen nr. 87 de dato 18 januari 2007, pp. 12-13; nr. 87 de dato 5 februari 2007, pp. 6-8; nr. 88 de dato 19 februari 2007, pp. 5-6; nr. 91 de dato 9 april 2007, pp. 5-9).

De kritiek wordt thans voortgezet. Vanaf 2005 verschenen de delen 4, 5, 8, 9 en 14 van het Verzameld werk. Naar aanleiding van de recente publicatie van het eerste deel, noteert G. J. van Bork:

Ik ben blij dat op termijn alle teksten van Boon weer compleet voorhanden zullen zijn, inclusief het nooit eerder gepubliceerd werk. Maar over de wijze waarop de editeurs met het werk van Boon omspringen, ben ik aanzienlijk minder opgetogen.

 

Boelvaar Poef, jg. 7, nr. 4, december 2007, 86 p., ill., 8,50 €. Abonnement (4 nummers): 35 €. ISSN: 1377-4980.

Boelvaar Poef wordt ten behoeve van het L.P. Boon Genootschap uitgegeven door de Stichting Isengrinus, Utrecht. Secretariaat: Geert Goeman, J.V. Biesbroeckstraat 26, B 9050 Gentbrugge.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche