Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
2 février 2008 6 02 /02 /février /2008 03:43

Toen Maurice Gilliams verkozen werd als erelid van Pink Poets, schreef hij me dat hij gerustgesteld was:

“…literair zijn we verlost van de trommelaars en trompetters die zich ophouden in de omtrek van het abattoir waar dichters en denkers worden afgeslacht. – Vergeef me a.u.b. het triviale beeld (in Vlaanderen kan men het duidelijkerwijze niet anders zeggen…)”

De plechtige installatie van ereleden Gilliams en Renier van der Velden vond op 3 december 1975 plaats tijdens een diner in restaurant La Rade. Het was uitgesloten dat ik, als promotor van Gilliams’ verkiezing en als gouverneur van het genootschap, de oratie zou houden. Dat was nu eenmaal de ongeschreven regel. De keuze viel als vanzelf op Paul Snoek. Tijdens het aperitief in V.E.C.U. met Patrick Conrad, Nic van Bruggen (+), Werner Spillemaeckers, Michel Bartosik, Robert Lowet de Wotrenge, Georges Adé (+), Albert Szukalski (+), Michel Oukhow (+), François Beukelaers en Paul de Vree (+), zat de anders zo zelfverzekerde, drukdoende en vaak rumoerige Paul er eerder ingetogen bij. Toen hij in La Rade zijn rede tot Gilliams aanhief, klonk zijn warme, zalvende stem enigszins schuchter en aarzelend. Met de captatio zette hij meteen de toon:

“Omdat wij weten dat U in ons taalgebied hoogstwaarschijnlijk de grootste levende dichter zijt en dat U de woorden, meer dan wie ook, gewikt en gewogen hebt, voor ze in uw glimlachend proza of uw betoverende poëzie te gebruiken, omdat U ons niet hebt geleerd een oefentocht te maken in het luchtledige maar invredig te vertoeven in de eenzaamheid des dichters, daarom voelen wij ons zeer nederig uw bescheiden volgelingen van het woord en is het met een bijna religieuze blijheid en ook veel fierheid dat wij U danken erelid te willen worden van de Pink Poets.”

De dichter die met enkele wellustig uitgesproken verzen grote auditoria meteen wist in te palmen, een onverlaat in de zaal met enkele woorden tot zwijgen kon brengen of het optreden van collega’s fulminerend in de vernieling riep, stond daar nu vlijtig en minzaam zijn nieuwjaarsbrief af te lezen, zich af en toe versprekend.

“Het is met heimwee, zei Snoek, en elk jaar zuurder wordend heimwee, dat ik vandaag denk aan Gaston Burssens (…) die wij beschouwen als een pink poet, zij het met terugwerkende kracht.”

En hij stelde zich de vraag waarom Gilliams en Burssens destijds geen “pink sociëteit” hebben gesticht…

Tot slot van zijn toespraak vertelde hij een anekdote:

“Vele jaren geleden, het waren de hondsdolle jaren 1957-58-59, woonde of verbleef ik meestal in Antwerpen en ben ik samen met pink poet en eerste gouverneur Hugues C. Pernath dikwijls op de losse toer geweest en dit bracht met zich mee dat wij vaak boven ons theewater door de Lange Nieuwstraat doolden op zoek naar beters in het leven en naar troost en dat ook luidruchtig uitkraamden voor wie het en meestal op een nachtelijk uur nog horen kon of wilde en dat wij plotseling op enkele meters van uw woning verstomden en stil werden en elkaar met bierlucht in de mond maar eerbied in het hart toefluisterden: stil, hier woont de dichter Gilliams. Het huis des dichters is een heilige plaats. En, waarde Maurice Gilliams, zoals ik destijds deed met mijn vriend Pernath, zo zullen wij Pink Poets steeds doen wat u ons aanbeveelt in het laatste vers van uw subliem gedicht ‘Winterkust’: Straks keren wij, elkaar beminnend, thuis.”

Gilliams zat er de hele tijd stil bij, met wat hij zelf zo bescheiden typeerde als zijn “Leonardo da Vinci-glimach” op de lippen. Dacht hij aan wat hij me kort tevoren had gezegd, tijdens een van die eindeloze monologen die zijn handelsmerk waren? - “Ja, meneer Jespers, Paul Snoek is een brave jongen, maar eerlijk gezegd, onder ons, ge pakt een gedicht van Snoek en uw hand en ge doet zo”, en  hij sloot krachtig de vuist, “dan blijft er toch alleen maar snot over.” En, na een korte stilte: “En als ge een gedicht van Nic van Bruggen neemt, ook een brave, brave jongen, en ge doet zo”, en hij herhaalde zijn welsprekend gebaar, “dan blijft er niets over”…

Blijkbaar genietend van de uitbundige tafel en uitgelezen wijnen, leek Gilliams de hele avond in zichzelf gekeerd, maar hij was massief aanwezig, genoot van de sfeer, volgde het tafelgesprek met aandacht en kwam een paar keer onverhoeds en spits tussenbeide. Maar registreren was zijn eerste zorg, dat was duidelijk. Het werd een van de meer beschaafde pink diners, en ik meen me te herinneren dat zelfs Szukalski zich fatsoenlijk hield.

Het beeld van Gilliams die aanschouwelijk de vuist sluit om de kracht van een gedicht te evalueren, bleef de hele tijd door mijn hoofd spoken…

Henri-Floris JESPERS

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche