Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
4 février 2008 1 04 /02 /février /2008 00:11

Ter conclusie van een “fabula verax”, opgenomen in de “tweede thans definitieve voorrede” van Fabula rasa (1945), geeft Gaston Burssens na heel wat capriolen zijn opvattingen weer over stijl:

“Stijl is dus noch vorm, noch goede smaak, noch inhoud, maar wel het gehalte van deze inhoud, zo in de hoogte (Hooft) als in de laagte (Rimbaud). Op de qualiteit van het gehalte komt het aan. Niet het edelmetaal maar het zuivere metaal is zaak, om het even of men in 24-karaatsgoud (Racine) of in chroomstaal schrijft (Apollinaire). Onze literatoren schrijven in plaqué stijl.” [1]

In de ogen van Burssens is August Vermeylen het prototype van de Vlaamse literator, zoals voldoende blijkt uit “het verhaal van een fabula verax”, waarin de verteller zijn vriend en huisarts N. op de hoogte brengt van zijn voornemen memoires te schrijven. N. reageert meteen:

“Kerel, dat is een gewichtig besluit […], maar ben je wel zeker dat je de nodige stijl bezit om zo’n werk tot een goed eind te brengen? Weet je wat stijl is?”. Het antwoord klinkt onomwonden ja, en om dat meteen te bewijzen leest de memorialist een stukje voor dat hij zogezegd “bij wijze van proef” geschreven had – in werkelijkheid echter een lang citaat “uit een meesterwerk van de Vlaamse literatuur” dat aanvangt met de roep: “Wat moet ik doen? smeekte Jeroom. “Wat moet ik doen?”

De reactie van de arts, die onberoerd had zitten luisteren, laat niet op zich wachten:

“Kerel, mon pauvre, is dàt jouw stijl! Mijn beste jongen, je hebt koorts! Je moet naar bed met een warm drankje en een aspirine! En morgenochtend goed purgeren! Maar neem het purgatiefje met stijl! Morgen zal het dan wel beter gaan! Arme drommel, nou, het leven is geen lachje! Hier, lees dit gedicht dat ik gisteren heb ontdekt! Het is van 1600 en zoveel! Hier is stijl! En als je zo hebt leren schrijven, kom dan nog eens terug!”[2]

Het citaat dat zo’n onthutste en smalende reactie van de arts ontlokte, komt uit het derde hoofdstuk van August Vermeylens De Wandelende Jood, “Ahasverus op weg naar den hemel”.[3]

In zijn postuum verschenen dagboek noteert Burssens:

“Op het exemplaar van De wandelende Jood, het meesterwerk van Vermeylen, dat ik van Van Ostaijen heb geërfd, staat als ondertitel door Van Ostaijn eigenhandig geschreven: of Een scheet in een fles.” [4]

Vermeylen was Burssens’ whipping boy. Om literaire redenen, om “het onrecht” dat hij Paul van Ostaijen had aangedaan, ongetwijfeld, maar vooral om politieke redenen: de activist Burssens had slechts misprijzen te over voor de passivist Vermeylen. Dat het om een taaie haat ging, staat als een paal boven water.

Op 13 mei 1942 noteerde Burssens:

 ‘Vermeylen is één dezer dagen zeventig jaar geworden en de bladen spreken weer eens over de “sterkste geest van Vlaanderen die Vlaming wil zijn om Europeeër te worden”. Tegenover deze mooie “woorden” kan ik niet nalaten de volgende klinkende “oorden” te stellen die, naar men zegt, van Streuvels afkomstig zijn: “Als ik na de oorlog (14-18) voor de eerste maal weer Vermeylen ging bezoeken, dacht ik een Europeeër te ontmoeten en heb toen slechts een Brusselaar gevonden!”’ [5]

Kort voordien had Burssens een in menig opzicht merkwaardige brief gestuurd aan Herman Oosterwijk, die toen de leiding waarnam van de culturele redactie van Het Vlaamsche Land, de “gestolen” Gazet van Antwerpen. De politieke draagwijdte van dit schrijven kan niet geloochend worden en illustreert genoegzaam hoezeer Burssens getekend was, zoniet getraumatiseerd, door het activistisch avontuur dat hij later tegenover Jan Walravens zou bagatelliseren.

‘Ik kan niet nalaten even te reageren op uw artikel over de 70 jaar van Vermeylen’, aldus Burssens. 70 jaar? Goddorie, ik wist niet dat varkens zo oud worden. Want een zwijn noem ik hem die ons in de gevangenis heeft laten stoppen omdat wij ons vaderland dienden terwijl hij maar in onze ogen tegenover Vlaanderen een vulgair landverrader is. Wij, de activisten, hadden toch de Gentse universiteit vernederlandst, en hij, de fanatieke bestrijder van Groot Nederland heeft de universiteit toch weer verfranst! Enz. enz. En dan durfde die kerel niet eens de verantwoordelijkheid voor zijn daden op te nemen (zie mijn boekje over Van Ostaijen).

En Vermeylen de sterkste geest van Vlaanderen. Allons donc. Op elke bladzijde van zijn geschriften kan men stellingen en beweringen aantreffen waarover een schoolknaap zou blozen.’ Burssens besluit zijn epistel met de hoger geciteerde uitspraak van Streuvels over Vermeylen, ‘de Brusselaar’.

Ik heb er reeds vroeger op gewezen hoe eigenzinnig zoniet ambigu de houding van Herman Oosterwijk binnen de collaboratie wel was, wat duidelijk blijkt uit meer dan één voortreffelijk geconstrueerd en geadstrueerd artikel. Die indruk wordt aanzienlijk gesterkt door zijn antwoord aan Burssens, gedateerd 13 mei 1942:

‘Kijk, daar zijt gij nog weer eens uit Uw slof geschoten. Wij verwijten Vermeylen’s transingente houding in de politieke practijk, zijn inconsequentie. Maar ik maak daar abstractie van als ik over den omvang van zijn gedachtenwereld moet oordeelen. En ik doe dat – ge moogt het weten – met opzet om de andere loeders, die thans den scepter zwaaien en waaratje geen zier beter, neen honderd maal slechter zijn dan den “rooden” Vermeylen, een loer te draaien.’

Hoe Oosterwijk dacht over de parvenu’s en zeloten van de literaire collaboratie, heb ik reeds genoegzaam aangetoond.

Henri-Floris JESPERS



[1] Gaston BURSSENS, Verzameld proza, Antwerpen & Amsterdam, Elsevier Manteau, 1981, p. 66.

[2] Ib., pp. 66-67.

[3] August VERMEYLEN, Verzameld werk, Brussel, Manteau, 1952, I, pp. 118-122. Burssens beperkte zich tot het vervangen van ‘Ahasverus’ door ‘Jeroom’ en liet een aantal paragrafen weg (//):  pp. 118 // 119 // 120 // 121// 121 // 122. De wandelende Jood verscheen gedeeltelijk in Vlaanderen (1905), daarna in boekvorm bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum (1906, 19122, 19183, 19254, 19275). De zesde druk verscheen bij Het Kompas te Mechelen, 1933, terwijl de zevende uitgave, de Fassung letzter Hand, deel uitmaakt van: prof. dr. F. de Backer (red.), Proza van August Vermeylen, Brussel, Standaard Uitgeverij, 1941.

[4] Gaston BURSSENS, Dagboek, Schoten, Hadewijch, 1988, p. 91.

[5] G. BURSSENS, Dagboek, o.c., p. 37.

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche