Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
2 février 2008 6 02 /02 /février /2008 04:40

Het verbaasde Gerrit Borgers

“hoe hardnekkig Burssens voor de erkenning van het werk van zijn vriend Paul van Ostaijen in de weer bleef, hoewel datzelfde, grotendeels door hem toegankelijk gemaakte werk voortdurend tegen zijn eigen poëzie werd uitgespeeld”.

Als pleit- en tekstbezorger, als polemist en scherprechter droeg Gaston Burssens (1896-1965) in beslissende mate bij tot de vestiging van Van Ostaijens postume faam, en bepaalde hij het beeld van de dichter van het Eerste Boek van Schmoll “zoals hij was en is”. Op de dichter Burssens rustte dan ook decennia lang het odium slechts een epigoon van Van Ostaijen te zijn.

Van Ostaijen had er nochtans zelf uitdrukkelijk voor gewaarschuwd: het begrip epigonisme is onder geen beding van toepassing op de dichter van Piano. Van meet af kon deze echter op de steun rekenen van de destijds gezaghebbende criticus Jozef Muls, die niet geaarzeld had, na de verdwijning van Ruimte in 1921, de kolommen van Vlaamsche Arbeid open te stellen voor de radicale vleugel van het modernisme. Marnix Gijsen echter, in de jaren dertig dé toonaangevende poëziecriticus, wees Burssens af omdat hij getrouw was “aan het ideaal van de dichter zoals dit door Paul Neuhuys werd omschreven: La tâche du poète consiste à coucher par écrit des choses qui ne tiennent pas debout”. Bovendien vond hij dat Burssens’ poëzie “de grenzen van het welvoeglijke te buiten gaat”, een morele veroordeling die vaker geformuleerd werd. Nog in 1981 vond Gerard Walschap dat Burssens verhalen schreef “met de hautaine koelheid van een hoerenzoon die in een hoerenkot geboren is en nooit iets anders heeft gekend”. En hij vraagt zich af of Burssens nooit “de zielige schraalheid (zou) hebben beseft van zijn esthetica: eerst een gedicht lang zinloos lullelallen om dan te eindigen met een verrassing, een mop, wat ik niet anders kan noemen dan lullen en voor de grap een scheet laten”. De invloed van Van Ostaijen – “de tuberculeuze”, aldus Walschap – is Burssens zonder meer fataal geweest. Albert Westerlinck geeft toe dat Burssens af en toe geestig is, “maar hij wil het voortdurend zijn en hij mist daartoe het spontane talent en biedt ons dan het pijnlijk schouwspel van het geconstipeerde kindje dat op zijn potje te duwen zit, al maar door, ocharme, zonder dat het lukt”. Ja, hij kan een kunstenaar en dichter genoemd worden, omdat het begrip kunst natuurlijk zeer ruim is: “Reeds de Grieken beschouwden mattenvlechters als kunstenaars. Ook in onze tijd noemen circusacrobaten, cabaretzangers en sabelslikkers zich artiesten, zoals iedereen weet. In die zéér ruime opvatting van de kunst krijgt Burssens zeker een plaats”.

Terugblikkend op de receptie van Burssens’ oeuvre merkt Freddy de Vree op dat in hem de secondant van Van Ostaijen werd aangevallen, terwijl zijn belagers het uiteindelijk gemunt hadden “op Burssens de antiklerikaal, de amoralist, de levensgenieter, die schaamteloos en zich van geen doodzonde bewust versjes schreef over hoertjes en verzadigde dames”.

Meer dan eens heeft Burssens een roede voor zijn eigen gat gesneden, met zijn bewust eenzijdige, soms onrechtvaardige maar steeds door oprechte verontwaardiging en innerlijke woede ingegeven uitspraken. Hij was een man uit één stuk, nam geen blad voor de mond, en kon kordaat en verrassend uit de hoek komen, net als in zijn verzen. Dat maakte deel uit van zijn charme. Hugo Claus: “Ik heb een reële band met wat hij voorstelt: het rebelse, het knorrige en ook het een beetje verwezen glimlachen.”

Na de Tweede Wereldoorlog werd Burssens redacteur van Podium, dat nauw ging aansluiten bij de beweging van Vijftig. Gerrit Achterberg, Leo Vroman en Burssens waren de “ouderen” der jongste poëzie, en het kon geen verbazing wekken dat Burssens aangetrokken werd door de Tijd en Mens-ers. De “great old man” kreeg uiteindelijk de erkenning die hij, net als Van Ostaijen, zozeer nodig had: Pegasos van Troje (1952) en Adieu (1958) werden met de Staatsprijs bekroond. Jan Walravens’ epochemakende Waar is de eerste morgen (1955), bloemlezing van “de jonge experimentele poëzie in Vlaanderen”, opent met een gedicht van Gezelle, een van Van Ostaijen en een van Burssens, en prof. dr. M. Rutten aarzelde niet te spreken van een “richting Gezelle-Van Ostaijen-Burssens-Claus in de Vlaamse poëzie”.

Aan het einde van zijn leven stond Burssens op de bres voor zijn vrienden Hugues C. Pernath en Paul Snoek, die hij als de belangrijkste dichters van hun generatie beschouwde, en met wie hij optrad in Celbeton, de Dendermondse artistieke kring: “de jolige tijden van vroeger”, aldus Claus.

De lyriek van Burssens is soms weerbarstig, pijnlijk in haar egelstelling, sterk in haar eerlijkheid, geestelijk eerder dan formeel experimenteel. Als scherpe waarnemer had Burssens oog voor het absurde en het groteske in de samenleving, en hij walgde van het onrecht. Omdat hij grote woorden schuwde en de belijdenis van de Weltschmerz overbodig want ontoereikend vond, hanteerde hij het gedicht als een speeltuig (soms springtuig), een speeldoosje ter verschalking van het leven en de zich au sérieux nemende hoogvliegers.

Gust Gils: “Wat mij kenmerkend lijkt, is z’n anti-bombastische instelling. Hij schuwt het ludieke niet, en dat was uitzonderlijk in de jaren twintig, dertig. Zijn poëzie valt steeds op door een heel aparte, eigen muzikaliteit. Burssens heeft geleerd met grote emoties om te gaan en weet ze op soms navrante wijze te relativeren. Emotie is een slechte raadgever.”

Burssens vond het een plaag van de tijd dat te veel van poëzie en te weinig van lyriek gesproken wordt. “Of er dan een verschil is tussen poëzie en lyriek? Nou! Maneschijn als optisch verschijnsel is poëzie. Het geluid van de nacht met maneschijn is lyriek. Poëzie is optisch, lyriek is orfisch. Een goed gedicht moet kunnen voorgedragen, gezongen, gemimeerd en gedanst worden”.

Hugo Claus: “Ik ben een fan van Burssens en dat betekent dus ook dat de slechtste gedichten van hem nog altijd beter zijn dan het complete werk van heel veel anderen. Hij was helemaal geen epigoon, maar een sterke persona die heel erg aanwezig is, sterker dan Van Ostaijen, bij wie nog veel lawaai heerst, behalve dan in de laatste, uitgepuurde gedichten. Hij hield van een hond, maar hij was een soort poes, een soort dikke kater”.

Was het niet Van Ostaijen die zei: « Burssens est un poète-félin; cela suffit pour que nos amateurs de la poésie ne l’aiment pas. Les peuples du Nord détestent le chat. Ils ont d’autres bêtes domestiques, parmi lesquelles ils affectionnent surtout le clergyman. »

Henri-Floris JESPERS

(Muziek & woord, juli 1997, p. 13. Portret, Radio 3, donderdag 3 en 10 juli 1997, om 11 uur.)

 

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche