Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
2 juin 2008 1 02 /06 /juin /2008 13:03


Vernissage op zondag 8 juni 2008, 14-18 uur.

Finissage: zondag 6 juli 2008, 20 tot 22 uur,

met optreden van Silver Junkie.

 

Galerie Boechout, Appelkant 8, 2530 Boechout. Van 8 juni t/m 6 juli. Open op zondag van 15 tot 18 uur en na telefonische afspraak: 0032 (0) 473 96 77 99

Partager cet article
Repost0
1 juin 2008 7 01 /06 /juin /2008 02:57

Met het motto “la lumière ne cesse pas de briller” beriep het tijdschrift Lumière (1919-1923) zich uitdrukkelijk op Romain Rolland. Het tijdschrift, de tentoonstellingen en de uitgeverij lagen aan de basis van de heropleving van de houtgravure in België. “Lumière is voor de houtgravure wat de Brusselse groep Sélection voor de moderne schilderkunst betekent.”[1] In de aflevering van april 1922 werd Frans Masereel door Roger Avermaete uitgeroepen tot “le premier graveur moderne de notre temps”.

Zo vond het begrip “De Vijf” ingang (Jan en Jozef Cantré, Masereel, Minne en Van Straten) en werd Masereel gepromoveerd tot de hoofdfiguur.

“Ik kan getuigen dat hij daar helemaal niet mee ingenomen was, herinnerde zich Avermaete. Hij voelde weinig voor om het even welke groepering en ‘De Vijf’ lagen hem beslist dwars. Hij formuleerde zijn mening onomwonden, zoals altijd, en ik hoor het hem nog zeggen met die basstem die hem destijds een diploma van zang bezorgde.”[2]

“Quoiqu’il vécût éloigné de son pays, il fut le vrai promoteur de cette activité inconnue qui allait, pour un temps, placer les graveurs flamands à la pointe du combat. Il fit une grande impression sur ceux de Lumière, et les graveurs du groupe Henri van Straten en Joris Minne eurent quelque peine à se soustraire à son emprise.”[3]

Ook het meer radicale tijdschrift Ça ira! stond aanvankelijk sterk onder de invloed van het gedachtengoed van Rolland. In het eerste nummer, verschenen op 1 april 1920, wordt in een redactioneel stuk de oorlog verklaard aan de oorlog en het kapitaal, dat alleen maar onderdrukking veroorzaakt.[4]

De tweede aflevering verscheen op 1 mei 1920 met een houtsnede van Masereel op de titelpagina. [5] Willy Koninckx besprak er Les Poètes contre la guerre, een bloemlezing van pacifistische dichters, uitgegeven door Le Sablier te Genève met een houtsnede van Masereel.

Inhoudelijk leunt het artikel naadloos aan bij de gebelgde geestesgesteldheid van de kunstenaar. Antwerpse jongeren die de bezetting meegemaakt hebben en, net als hun collega’s van Lumière, niet alleen geen enkele vorm van Duitsgezindheid aan de dag gelegd hadden, maar eerder patriottisch ingesteld waren, belijden een zelfde onverzoenlijk pacifisme en genereuze internationalistische verzoeningsdrang.

« La paix morale n’est pas encore en nous. Sans nouvelles du monde et privés essentiellement de liberté, nous avons bu le calice jusqu’à la lie. Nous avons pu contempler nos ruines ; nous avons vu mener au cimetière mille pauvres ; nous avons vu la lâcheté, la charité, l’héroïsme, le stoïcisme ; en quatre années, les vertus antiques ont toutes vécu en nous. Cependant, la guerre est finie. Nos musées, nos humbles églises n’ont pas été reconstruits ; l’herbe pousse dru où furent enterrés, pêle-mêle, les bourgeois d’Aerschot. Flandre et Wallonie sont convalescentes. Elles sortent à peine du piège horrible que l’impérialisme mondial leur a tendu. (…)

Coudoyant des bourreaux et des anges, nous avons bu du ciel et mangé de la boue. La guerre, que n’avions point demandée, nous a meurtris. Nous nous sommes défendus, et voulons que pareil assassinat ne se commette plus. Nous sommes dégoûtés, profondément dégoûtés, de la guerre ; nous avons confiance en l’humanité et sommes persuadés qu’elle ne laissera plus, inutilement, deux peuples, - deux hommes ! – se tuer pour la possession du sol et la domination des mers. (…)

Nous prévoyons les objections. Sans réfléchir, on nous accusera de défaitisme ; on nous injuriera cent fois, et on nous reprochera l’oubli des morts. (…)

Nous sommes sourds aux injures. Les défaitistes sont ceux qui insultent aux morts ; ceux que la victoire ou la défaite aveuglent ; ceux que le luxe happe ignoblement ; ceux qui propagent, à l’aise, la haine des races contre les races. Les morts sont tombés pour assurer la justice et le droit. La justice et le droit sont la paix et la paix est l’amour. »[6]

Van alle redactieleden van Ça ira! was Paul Manthy (Henri Nevens, Paul Neuhuys’ eerste vriend op de lagere school) destijds in politiek opzicht de meest radicale. Hij hield het niet bij overspannenheid en vervoering. Bij de lectuur van Rollands Liluli (eerst verschenen bij Le Sablier te Genève in 1919, tweede druk bij Ollendorf te Parijs, 1920) stelt hij vast dat - op een ogenblik dat Lenin en Trotsky reeds een jaar lang beproefden de Russische maatschappij volledig te veranderen - Roland zich beperkt tot de analyse van het verleden. Manthy verwachtte meer van Rolland, in wie hij in eerste instantie “de voorbode van een nieuwe dageraad” ziet. Het volstaat echter niet de corruptie en de trouweloosheid van het bourgeois-tijdperk aan de kaak te stellen. Liluli is een negatief boek omdat het geen toekomstperspectief biedt: “Pour ceux qui veulent la Révolution Sociale, il n’est qu’une agréable lecture. C’est son défaut”. [7] Manthy zal ook kritiek leveren op René Arcos’ Pays du soir (eveneens een uitgave van Le Sablier, 1920) en stellen dat de bevoorrechten gewelddadig bestreden moeten worden: « Nous rendons hommage à son grand cœur qui répugne à la violence. Qu’il nous excuse de penser que parfois la violence est nécessaire, surtout quand on a devant soi un adversaire traître et de mauvaise foi qui ne recule devant aucune bassesse pour maintenir son ignoble domination ».[8] In dezelfde aflevering van Ça ira! stelt echter de anarchist Han Ryner dat geweld tot onmacht leidt.[9]

Na de eerste jaargang zullen gaandeweg in Ça ira! de geëngageerde accenten verzwakken en de plaats ruimen voor de lokroep van dada.[10]

&

De heropleving van de houtsnijkunst in het Duitse expressionisme is ongetwijfeld mede te danken aan haar dramatische contrasten en hoekige grondtekening, en loopt bovendien grotendeels parallel met die humanitaire instelling die zich inhoudelijk beroept op vertrouwen in de mensheid en geloof in de utopie, en stilistisch gekenmerkt wordt door pathos, emfase, extase en vaak overspannen grootsprakerigheid.[11]

In Vlaanderen was Frans Masereel de enige exponent in de plastische kunst van dat humanitaire expressionisme[12] , waarvan Van Ostaijen met Het Sienjaal (1918) weliswaar de heraut was geweest, maar dat hij, kort na zijn aankomst in Berlijn, eind 1918 afgezworen had en dat hij in de daarop volgende jaren in talrijke opstellen bij wijlen sarcastisch maar altijd messcherp zou bekritiseren.

&

In 1919 schreef Paul van Ostaijen een belangrijk opstel als voorwoord bij een map met zes lino’s van Floris Jespers.[13] Hij stelt vast dat Europa niet kan bogen op een xylografische traditie: de houtsnee was hoogstens een middel om een tekening te vermenigvuldigen. Hij schrijft dit toe aan de dominantie van de enige cultuur “met een bijna volgehouden schilderkunstige traditie” - namelijk de Franse, die “zo weinig belang in de houtsnee gesteld heeft”. Alleen Japan kent “een volgehouden houtsnee-traditie”.

In Duitsland zijn “een reeks pseudo-expressionisten bezig dit teruggevonden materiaal weer te discrediteren”. Hun overproductie wordt gekenmerkt door een “primitief doende tekening op hout” met een “volledig gebrek aan frisheid van lijn en vlak”. De “genade” wordt immers uitsluitend verwacht van het materiaal, van “de reliëfsoortige druk”. Kortom, “de moderne Duitse houtsnee kan Duitse woningen versieren zonder afbreuk aan de zwaarte te doen. Daardoor komt het dat de enkele goede houtsnee-kunstenaars aldaar onder de massa van de betekenislozen ondergaan.”

Er werden heel wat pogingen ondernomen “een politieke aanschouwing werkelijk esthetisch uit te beelden”, maar dat resulteerde doorgaans in de “opoffering van de esthetiek aan de politieke aanschouwing”. Bovendien: “een kunstwerk door ethische momenten rechtvaardigen is vals”[14], aldus Van Ostaijen, die wantrouwig stond tegen de idealistische, anarchistische en individualistische accenten van het Rollandisme, dat hij als “frasen-internationalisme” afdeed.

Hij zou zijn opvattingen preciseren in de lezing die hij op 3 september 1925 hield tijdens de Nederlandse Studieweek voor Kunstgeschiedenis te Breda, waarin hij de “expressionistische stilistiek” hekelde, die hoofdzakelijk in Duitsland aangetroffen wordt, met uitlopers in de lage landen zoals Fokko Mees of Frans Masereel: “Het zijn de schuine straatlantarens van een Duitse provinciestad, een binnenarchitectuur zonder verband met het doel als in de Berlijnse ‘Skala’, brave huisvlijt als in het ‘Lunapark’.[15]

Hij rekent Masereel tot het romantische expressionisme, waarin hij een streven ontwaart “om het gevoel zich in de breedte te laten uitzeggen, om het élan van het gebied der ontroering in dat van de techniek over te voeren en vooral ook om dààr het vibrante van het élan te behouden. Deze vibrante toon verbindt expressionistische schilders als Pechstein, Meidner, Heckel, Eberz, Baumberger enz. en graveurs als Masereel, Fokko Mees, Cantré met de lyriek van Jouve, Moens, Kuyle, Werfel e.a.”[16] Die “expressionistische stilistiek” treft men het minst aan bij Campendonk, Feininger en Klee, kunstenaars die door Van Ostaijen het meest gewaardeerd worden.

&

In tegenstelling tot Van Ostaijen die het vertolken van ethische bekommernissen in de kunst wantrouwde, waardeerde Paul Colin het engagement van Masereel die “consacrant tout son travail à lutter contre les tyrannies qui paralysent l’individu dans les cadres sociaux et à célébrer l’homme dans l’intimité de son existence, est un grand artisan de cette société future vers où tendent tous nos espoirs et tous nos efforts.” Zijn artikel werd geïllustreerd met een houtsnede van Masereel: een eenzame man verdwaald binnen een chaos van wolkenkrabbers.[17]

Henri-Floris JESPERS

 



[1] Eva PAIS-MINNE, Spil van de groep Lumière, in: Roger baron Avermaete, honderd jaar jong, Antwerpen, De Vrienden van Roger Averaete, 1993, p. 48.

[2] Roger AVERMAETE, Tussen beitel en penseel, Tielt/Utrecht, 1973, Lannoo,  pp. 93-94.

[3] Roger AVERMAETE, L’Aventure de “Lumière”, o.c., p. 72. Cfr ook VAN PARYS, o.c., pp. 139-147.

[4] Maurice VAN ESSCHE, Amour, in: Ça ira!, no 1, avril 1920, pp. 1-3.

[5] Cf de brieven van Maurice van Essche (1890-1964) aan Masereel van 9 en 14 april, 13 mei 1920, en de briefkaart uit Genève van Masereel van 12 april 1920. Collectie AMVC-Letterenhuis, Antwerpen.

[6] W[illy] K[ONINCKX], Les Poètes contre la guerre, in: Ça ira!, no 2, mai 1920, pp. 37-39.

[7] P.M., Liluli, in : Ça ira !, no 2, mai 1920, pp. 54-55.

[8] Paul MANTHY, René Arcos, Pays du soir, in : Ça ira!, no 10, janvier 1921, pp. 223-224.

[9] Han RYNER, P.J. Jouve: Romain Rolland vivant, in: Ça ira!, no 10, pp. 222-223.

[10] Georges-Henri DUMONT, La revue Ça ira: du militantisme communiste à la fascination de Dada, in: Jan HERMAN et al., Lettres ou ne pas Lettres. Mélanges de littérature française de Belgique offerts à Roland Beyen, Presses Universitaires de Louvain, 2001, pp. 585-590.

[11] Cfr Menschheitsdämmerung. Ein dokument des Expressionismus, neu herausgegeben von Kurt Pinthus, Hamburg, Rowohlt, 1959.

[12] Paul HADERMANN, Les métamorphoses de ‘Sélection’, in : Jean WEISGERBER (dir.), Les Avant-gardes littéraires en Belgique, Bruxelles, Éditions Labor, 1991, p. 272.

[13] Floris JESPERS, Zes lino’s, Antwerpen, Sienjaal, 1919. De map verscheen in de zomer van 1920.

[14] Paul VAN OSTAIJEN, Voorwoord bij zes lino’s van Floris Jespers, in: Verzameld werk. Proza. Kritieken en Essays, Antwerpen/ Den Haag/ Amsterdam, De Sikkel/Daamen/ G.A. Van Oorschot, 1956, pp. 67-75.

[15] P. VAN OSTAIJEN, Proeve van parallellen tussen moderne beeldende kunst en moderne dichtkunst, in:  Self-Defense, Antwerpen, De Sikkel, 1933, pp. 58-59.

[16] Ibidem, p. 78.

[17] Paul COLIN, Frans Masereel, in : Sélection, I, 6, 15 janvier 1921.

Partager cet article
Repost0
26 mai 2008 1 26 /05 /mai /2008 05:33

Wout Hoeboer (1910-1983) is zeker geen onbekende voor de lezers van de Mededelingen. Maurits Bilcke (Gazet van Antwerpen, 12 december 1971) drukte er zijn verwondering over dat Hoeboer veelal ongeleid werden door schrijvers (Marcel Lecomte, Theodore Koenig) die vooral op het surrealisme afgestemd zijn, terwijl zijn werk toch vooral in het teken van het Bauhaus, van Dada, van de organische abstractie, van het constructivisme en de action-painting staat.

Daar komt een grote zin voor authenticiteit, radicalisme en zelfstandigheid bij te pas. De spontaneïteit gaat gepaard met zekerheid, het radicalisme met een grote vrijheid, de variëteit met eenvoud. […] De schilder-, teken-, en graveerkunst van Hoeboer behoren tot die van de onverzettelijke hardnekkigen. Hun opzoekingen zijn beperkt, gewild beperkt, maar oneindig in hun variaties. […] Geen kunst voor breekbare estheten. Geen lieflijke knopoogjes naar het publiek. Toch, wie een geoefend oog bezit, zal wel zien dat Hoeboer, hoe brutaal op het eerste gezicht ook, uiterst geschakeerd gevoelig en juist kan zijn. Hij kent wel zijn grenzen, maar poogt alle mogelijkheden aan te vatten en op te lossen. Wij denken aan de knipsels en plaksels, wit, zwart en blauw. Wij denken aan de rijkgeritmeerde collages, aan de fijne tekeningen, aan de wonderbare gravures.

De belangstelling voor het oeuvre van Hoeboer kent duidelijk een revival. Het Museum für Zeitgenössische Kunst te Eupen verwierf onlangs twee representatieve werken van de kunstenaar, aan wie de Willem de Kooning Academie te Rotterdam aan retrospectieve zal wijden.

Freddy de Vree (1963). Foto: Raoul van den Boom

In de tweede helft van de jaren zeventig nam Freddy de Vree (1939-2004) een interview af van Wout Hoeboer . Het gesprek werd opgenomen in het atelier van Hoeboer, Liefdadigheidstraat te Sint-Joost, en werd rechtstreeks uitgezonden door BRT 3 in de reeks “Portret”. Op enkele stilzwijgende correcties  en ingrepen ter bevordering van de leesbaarheid na, wordt dit levensecht gesprek  hier ongeredigeerd afgedrukt, inbegrepen onjuistheden en onnauwkeurigheden  Enkele voetnoten werden geplaatst.

&

Wout Hoeboer is een in Nederland geboren schilder die te Brussel woont, teruggetrokken in zijn atelier. Zelfs toen hij deel uitmaakte van een internationale beweging zoals COBRA, deed hij dat op een bescheiden wijze, als fotograveur (clichémaker) van de groep. Het gevolg hiervan is dat Wout Hoeboer een miskend schilder is, wiens werk al te zelden getoond wordt, om van financieel succes maar te zwijgen, ondanks zijn ondertussen al maar stijgende leeftijd. Dat Wout Hoeboer naar geest, lichaam, en werk, inmiddels springlevend is gebleven, bewijst hij meteen. Volgend gesprek liep zonder coupures vanuit zijn atelier in de Liefdadigheidsstraat te Brussel.

F.d.V.


F.d.V. - Wout, ik zou jou ten eerste willen vragen, waarom jij in België woont?

W.H. - Waarom?

 F.d.V. - Is dat een gekke vraag?

W.H. - Het is geen gekke vraag, maar het is een ontzaglijke moeilijke vraag. Ik geloof wel, waarom ik in België woon? Waarom? Werkelijk daar kan ik niet op antwoorden. Ik kan wel zeggen, dat eigenlijk, mijn leven het zo geschikt heb, ik ben naar België gekomen. Als jongeman van zestien jaar ben ik naar Lier geweest, even buiten Antwerpen. Ik heb daar het geluk gehad kennis te mogen maken met Van Boeckel[1] de kunstschilder, met Zimmer[2] , de ingenieur van het klokkenspel. En ik heb Felix Timmermans ontmoet, Roos [3] de kunstschilder, Lahaye, de kunstschilder[4]. Ik was op het Begijnhof, ik vond dat zo prachtig. Weert[5] heb ik ontmoet, dat was een groot docent van het lyceum van Lier. Dat waren buitengewone aangename mensen. Daar heb ik werkelijk een zekere wijsheid opgedaan, in het, in het Belgische, het Vlaamse leven, ik voelde mij daartoe aangetrokken. Later toen ik ouder was, ben ik teruggekomen.

F.d.V. - Dat was midden in de jaren twintig dus, die eerste kennismaking.

W.H. - Dat was in de jaren twintig, ik ben dan teruggegaan naar Nederland. Nadien heb ik gedacht, ik moet proberen naar België te komen. Maar... ik moest ook geld verdienen. En zo ben ik, helemaal vrij naar België gekomen, naar Antwerpen. Ik heb daar op, m'n eigen, op een zolderkamertje, heb ik daar zo'n beetje geleefd als tekenaar. Ik maakte bidplaatjes, tekende reclamekaartjes enzo, kleine illustraties, ik maakte ook wel eens een étalage. Zo probeerde ik mijn brood te verdienen.
F.d.V. - En ging dat wel?

W.H. - Het ging, maar het was arm. Nadien, wij in Nederland kennen niet bijvoorbeeld een eenzelvigheidskaart, een persoonsbewijs dat kenden wij in die tijd niet. Dus kwam ik naar België, en ik heb helemaal niet aan een "carte d'identité", of een persoonsbewijs gedacht. Dan ben ik toch, niet lang daarna, gearresteerd geworden, omdat ik clandestien in Antwerpen leefde. Ik moest mij dan veertien dagen lang bij de commissaris van politie melden, dat was alles. Ik heb daar toch een aangename tijd meegemaakt, ongeveer twee jaar gewoond in Antwerpen. Dan ben ik terug naar Den Haag gegaan omdat ik daar, in Nederland, nog een atelier, en een kleine woning had. Later heb ik dan toch weer getracht. Ik moet naar Brussel. Dan heb ik hier (in Antwerpen) een plaats kunnen krijgen. Ik heb in Duitsland gestudeerd, in de "arts graphiques", in de grafische kunsten, dat interesseerde mij ontzaglijk veel, en nog steeds. Dan heb ik hier een plaats kunnen krijgen, als specialist op het gebied van kleur. Omdat ik de oorspronkelijk kleur in Duitsland gestudeerd had, heb ik een plaats kunnen krijgen met een contract, wat werkelijk niet slecht was. Dan heb ik ook twee jaar hier in Brussel op een atelier gewerkt. Nadien, heb ik het vaarwel gezegd en heb op mezelf een atelier begonnen in Brussel, in Schaarbeek. Een atelier artistiek "arts graphiques" (EOS). Dat ging, ik had daar enkele lithopersen, enkele etspersen, enkele graveermachines. Dat artistieke werk is heel mooi, maar je kan er niet je brood mee verdienen. Dus ik moest daar en beetje commercieel werk bijmaken. En ik maakte gravures voor boekprint, stempels, zelfs stempels in brons. U kent ze wel, in damesschoenen is zo'n goudmerkje aan de binnenkant, daar maakte ik dus die stempels voor in brons.

F.d.V. - Je zei dat grafiek je nog altijd interesseerde, dat zie je heel duidelijk ook nog in de doeken die hier rond ons hangen zit altijd grafisch teken, schrift, kranten.

W.H. - Grafisme ja, dat is voor mij, en zeker wel zwart/wit, zwart/wit waar ik ontzaglijk veel van hou. De graveerkunst heb ik bestudeerd, de mezzo, de aquatint, de gravure en général, ik doe dat gaarne, 't is prachtig, men kan daar nuances in scheppen. Tonen, tinten, die van, ik kan wel zeggen van wit naar diepzwart gaan, naar fluweelzwart, en dat is zeer prachtig.

W.H. - Wanneer ik bijvoorbeeld de Japanners zie, ik geloof wel dat die op dat gebied, in de aquafortiste, of de etsen, wel de meest sterke daarin zijn, want die krijgen een zwart wat een fluweel is, een velours, en het is juist dat wat zo buitengewoon is. Wat wij hier in Europa niet zo snel, ik heb het geprobeerd, en ik heb toch zeer goede resultaten d'er gekregen, maar, 't is ontzaglijk moeilijk.

F.d.V. - Wat soort werk maakte jezelf, voor jezelf toen je in die eerste periode was, de jaren twintig, dertig?
W.H. - Ik maakte klein, 'n soort illustratief werk, ik was heel jong. Als jongeman ging ik al naar de buiten schilderen en tekenen, 'n molen, ' n boerenhuisje zoals het in Holland was. Heel jong 'k was veertien jaar. Later heb ik heel vrij illustratief werk gemaakt, tekeningen, pentekeningen met een beetje lavis erin, een beetje gewassen tekeningen, daar ben ik steeds zeer van bezeten geweest. Nadien, toen ik kennis maakte met het werk van Kandinsky, de grote Rus, dat is iets formidabel, iets buitengewoons. Ik heb mij helemaal op de abstractie gesmeten, omdat het toch iets anders is. Ik herinner mij, ik wil u wel iets vertellen, ik weet niet of dat hierbij te pas komt, maar in mijn jeugd, ik was een jongen van negen of tien jaar, mijn vader was een zondagschilder en die had ook een vriend. Die man kwam regelmatig bij ons thuis, en ging dan vertellen, hij bracht dan een illustratie of een tijdschrift mee, een soort magazine waar dan reproducties in stonden van de werken van Picasso. En die twee, dat was dus mijn vader met z'n vriend, die zaten dan thuis met een borreltje, 'n Bolske of een jenever 's avonds te babbelen. En ik hoorde dat de één voor de andere vertelde, dat die Picasso, die vent moet toch helemaal niet normaal zijn. Ik moest dan vroeg naar bed, en dacht daaraan. De andere morgen ging ik naar mijn vader, en ik zeg, papa, ik geloof, één van jullie tweeën heeft ongelijk, want dat is toch een groot man. Ik geloof toch niet, wanneer die man z'n grote schilderijen laat zien in tentoonstellingen, dat dat een gekke vent is. Maar ik was zo gefascineerd door dat werk, en ben het gaan onderzoeken. Later heb ik enkele werken gelezen van een bekend Nederlands criticus Jos de Gruyter[6] , die werkelijk, een buitengewone theorie geschreven heeft over het kubisme, wat werkelijk formidabel is. En ik moet, nu ik ouder geworden ben, erkennen dat die man volkomen gelijk heeft, in datgene wat hij in die tijd al schreef. Ik was een heel jong mannetje, achttien, negentien, twintig jaar?
F.d.V. - Die heeft volkomen gelijk zeg jij, in welke zin had die volkomen gelijk?

W.H. - Hij ging van een zeer vrij standpunt uit, dat was het volgende. In een tekst vertelde hij: De mensen van achttienhonderd komen een kamer binnen waar het zonlicht binnenkomt, zij zien en aanschouwen die kamer, die salon met het zonlicht, en hier en daar worden de meubelen verdoezeld, komen in de schaduw, ze zien werkelijk een gewone kamer met zonlicht. Dat waren die mensen van achttienhonderd tot en met negentienhonderd, nadien hebben de kubisten dat heel anders gezien. Zij hebben hetzelfde gedaan als die mensen in achttienhonderd, die kamer binnengekomen en zij hebben die verschillende zonneplekken gezien. Zij hebben die zonneplekken geschilderd als vlakken, en daar tegenover donkere vlakken. Zo hebben zij ritmisch werk opgebouwd in kubistische zin. Om een zekere directe weergave van een natuurlijke vorm te vermijden, direct een plastische vorm creëren. (het gaat erom dat de kunstenaar in z'n werk, de uiterlijke verschijning van de zichtbare werkelijkheid, niet meer wil weergeven).

F.d.V. - Jij hebt ze merkwaardig goed onthouden, het heeft een erg diepe indruk op jou gemaakt.

W.H. - Ja, een zeer diepe indruk, en nog steeds. Ik mag je wel vertellen dat ik nadien, overal waar ik woonde op kamers, op kamertjes, op zolders, trachtte ik, wanneer ik daar wegging, uit het behangselpapier, met een "gilettemesje" een klein stukje te snijden ter grote van een postkaart. En ik plakte dat op, bewaarde dat. Want ik ging van dit standpunt uit: dat kamertje, of die zolderkamer, of die barak waar ik gewoond heb, daar heb ik korte tijd geleefd, daar is licht binnengekomen, ik heb er gewoond, en dat laat een zekere reflectie na. Als het zo is, en men gevoelig is om dat zo te zien, zo te aanschouwen, dan kan men gelukkig zijn met dat stukje behangselpapier in een klein lijstje.
F.d.V. - En dat behangselpapier komt dat ook terug als motief in je schilderijen?

W.H. - Nadien heb ik van al die stukjes behangselpapier collages gemaakt en heb het dus tot één werk verenigd. Die heb ik onder andere in Italië bij verschillende collectioneurs kunnen plaatsen.
F.d.V. - Geef jij titels aan je werk?

W.H. - Een titel heb ik vroeger wel gegeven, maar toch is het eigenlijk helemaal in de vergeethoek geraakt. Waarom? Ik ga van het standpunt uit: dat de beschouwer of de toeschouwer, of diegene die een werk ziet, eigenlijk zelf een indruk, een naam kan, mag, of moet geven aan het werk. Ik wil in geen geval dus, een werk klasseren onder een zekere, of in een zekere terminologie. Dat is helemaal niet nodig, een werk kan aanstaan, het kan lelijk zijn. Ook de lelijke zijn heel goed, maar het kan aangenaam, onaangenaam, verschrikkelijk zijn. Maar dat ligt niet aan het werk, dat ligt aan de beschouwer! Want de beschouwer zegt: het schilderij kan niet spreken, het schilderij staat daar. De beschouwer zegt: nee het bevalt mij niet, of, het staat mij aan. Het is wel wat voorkomt in een kleine tekst van Picasso wanneer hij zegt "On doit aimer", en dat vind ik buitengewoon. Men kan iets liefhebben, ik ben eens verliefd geworden op een schandalig lelijke vrouw, waarom niet. Een week later vond ik ze mooi, en ze was helemaal niet mooi. Maar ik hield van haar, en ik vond dat wel buitengewoon, daar heb ik mezelf de vraag gesteld: hoe komt dat?, en ik ben teruggekomen op die tekst van Picasso en dat is absoluut waar: "On doit aimer".

F.d.V. -  Wout Hoeboer, off tape zei je iets over Hans Arp, een uitspraak van Arp die ik mij herinner was "Bald, wird von der Stille, nur wie von ein Märchen erzählt". Dat men over de stilte zou spreken als een soort mythe, een soort legende, het ziet er wel naar uit dat er met het toenemende lawaai, dat die tijd al aangebroken is. Heb jij Arp gekend?

W.H. - Persoonlijk heb ik hem een keer gezien, op een grote internationale tentoonstelling in Nederland, maar ik kan niet zeggen dat het een vriend van mij is.

F.d.V. - Maar zijn werk wel?

W.H. - Zijn werk ken ik heel goed, het is buitengewoon. Hans Arp is heengegaan, maar die mens was alles, die was mens, was poëet, was schilder, was beeldhouwer, 'n bijzonder iemand. 'k Hou zéér, zéér veel van de werken van Hans Arp. In mijn jeugd deed hij aan "Der Sturm" mee, aan de "Blauwe Reiter" mee. Die Duitse bewegingen, die waren formidabel, die waren buitengewoon. Ik heb die lui nadien nog bezocht in Duitsland, 'k heb ook een beetje in dat Nieder-Sachsen gewoond, in Sachsen en in Nieder-Sachsen. Een industrieel had mij een klein huisje gegeven om te gebruiken, om er te wonen, ik heb daar heel veel kunstenaars leren kennen.

F.d.V. - Een andere vraag die opkomt, die niet zo gelukkig is over Duitsland, hoe heb jij de oorlog beleefd?

W.H. - In negenentwintig als ik al in België, ben wel een jaar teruggegaan, maar in dertig weergekomen, dus ik woonde in België. Ik mag nu wel zeggen dat ik zes- zeven en veertig jaar in België woon. Als Nederlander in België wonende ben ik opgeroepen om in Nederland gemobiliseerd te worden. Ik ben niet gegaan, hier gebleven, toch zeker drie, vier maanden. Vrienden van m'n vrouw en kennissen die zeggen: jonge, jonge, jonge, pas op, als de Duitsers binnenkomen, ga je zeker voor de bijl, want jij bent dan een staatsgevaarlijk mens. Ik heb mij dan laten bepraten en ben dan toch naar Nederland gegaan. Waar ik, ik zal het nooit vergeten, aan de grens door de Nederlandse marechaussee opgewacht werd. In een auto gestopt en naar een kamp gebracht, ik kwam in Alkmaar terecht. Daar waren enkel zogezegd allemaal Nederlanders uit de vreemde, uit Tsjechoslowakije, uit Zweden, uit Denemarken, uit België, ik was daar ook. Natuurlijk ben ik daar veel later binnengekomen en hadden zij geen vertrouwen in mij. Ik mocht niet weg 's avonds, ik moest in dat kamp blijven, en ik moest mij drie keer per dag bij de kapitein laten zien, dat ik er nog wel was.

F.d.V. - Net zoals in België met die eerste keer.

W.H. - Dan ben ik naar de Grebbelinie gegaan, waar de oorlog voor ons begon, 's morgens om kwart over vier in de stellingen. Dat heeft ongeveer vier dagen geduurd, de Duitsers zijn daar overgevlogen, die hebben daar veel gebombardeerd, veel lawaai gemaakt. Wij sliepen in de grond in houten kisten, bekistingen in de dijken, het land was helemaal ondergelopen met water. Dat moest zo, dat was zogezegd een waterlinie. In den beginne, toen de Duitsers nog niet gekomen waren, was daar ijs en gingen wij 's nachts, als wij wacht hadden schaatsenrijden, dat was magnifiek, over die grote vlakte, want al die kleine dorpen waren ondergelopen. Nadien is de oorlog, ’s morgens vroeg begonnen, wij moesten ons terugtrekken en zijn in een groot bos terechtgekomen. Daar hebben wij ons schuil gehouden, en dan weer verder marcheren, met auto's, camions, een beetje van alles, zijn wij teruggegaan en gevangen geworden in het kamp van Zuylen, dicht bij Utrecht. Daar heb ik enkele weken gezeten, en dan hebben zij ons naar een fabriek gestuurd, een leegstaande fabriek, waar wij zogezegd gedemobiliseerd werden. Maar je kon niet naar België, dan ben ik, 's nachts, clandestien, te voet over de grens gegaan. Bij Wuustwezel, ik had het hele traject gedaan (van Amersfoort naar de Belgische grens), was een man, die mij 's nachts gezien had. Een douanebeambte, jonge, jonge zegt die, pas toch op, de Duitsers zijn hier regelmatig met hun auto's. Kom bij mij, want dat is veel te gevaarlijk. Ik ben met hem in zo'n klein primitief huisje gaan zitten, hij moest dus dienst doen, hij was een douane, dus die douane werkte nog voor Holland. En hij zegt 's morgens vroeg: dan zal ik wel trachten dat jij met een grote auto mee kan rijden naar Antwerpen, en van Antwerpen kan jij altijd naar Brussel komen. Ik zeg goed, dat is vriendelijk van die man, ik had veel sigaren uit de sigarenfabriek meegenomen, en hij had te eten. Maar ik had niet te eten, maar wel te roken. Ik heb gezegd dan gaan wij ruilen, ik ga u sigaren geven. Dat was formidabel voor die man, want die had geen sigaren.De andere ochtend kwam er een hele grote camion, een transport auto, die vis transporteerde van Nederland naar Antwerpen voor de markt. Die moest de douane passeren, want hij moest papieren ontvangen voor de doorlating van die auto. Toen zei die douanebeambte: blijf hier zitten, nu zal ik trachten dat jij mee kan rijden, die gaat naar Antwerpen naar de markt, buitengewoon zeg ik. Hij had die chauffeur gesproken, en die zegt: Allez, kom maar, kom maar! In die grote transportauto, in het midden is die opgeklommen, onder het zeil, daar enkele kisten met vis uitgehaald, en daar ben ik in gaan zitten, in dat gat. De chauffeur heeft het zeil er weer overgedaan, die kisten van achteren gezet, en zo ben ik dus in die auto naar Antwerpen gekomen. Maar er was onderweg een controle van de Duitsers, die keken wel die auto na, klopten op die kisten, 't is goed, weiter fahren. Maar dat stinken, tussen die vis zitten, die hele reis. Zo ben ik naar Antwerpen gekomen. In Antwerpen had ik 'n vriend. Ik zeg: Ik zal trachten die vriend te bezoeken. Er was in ieder geval een man in huis, die mij ook wel een beetje kende, en ik zeg dan, kan ik een fiets krijgen? Want ik moet naar Brussel, want er waren geen treinen. Ik ben dan met die fiets naar Brussel gekomen.

F.d.V. - Hoelang was jij dan van huis weggeweest?

W.H. - Toen was ik, weggeweest van huis, ongeveer 'n jaar met de mobilisatie, want wij zijn ongeveer één jaar in Nederland gemobiliseerd geweest.

F.d.V. - Ik herinner mij dat, als jij dan op de Vismarkt in Antwerpen bent aangekomen, toen was er nog die haven met die kleine scheepjes. Die nog tussen de Vlaamse en de Waalse kaai lagen. Dat is nu dichtgegooid natuurlijk. Een schilder waar ik veel van hou in Antwerpen, heb jij die gekend? Paul Joostens.

W.H. - Paul Joostens, ja ja, daar is toch, enkele maanden geleden nog een pracht van een tentoonstelling geweest in Antwerpen. Ja, Joostens is een magnifiek man, die heeft toch een twaalf jaar in Parijs gewoond, en dan was 'm in België helemaal vergeten.Maar overlaatst hebben zij toch een tentoonstelling georganiseerd in Antwerpen, die ik moet wel zeggen, er was heel veel, heel veel werken van hem, er waren zeer knappe dingen bij. [7] Ik heb Paul Joostens goed gekend, hij woonde in de Veenstraat, in 'n klein huisje, was een zeer aardige man, wij zijn hem met verschillende vrienden wel gaan opzoeken. Enkele straatjes verder was een klein restaurant, en ik wist dat hij altijd, zo tegen de avond zes uur daar was, ik ging hem daar zo dan wel eens bezoeken. Paul Joostens is wel in België, jammer genoeg niet voldoende gewaardeerd. Ook niet door de andere kunstenaars. Vele kunstenaars kennen hem zelfs niet, volgden die mens niet. Het is juist dat, er bestaat zo'n beetje pretentie bij. Een kunstenaar verbeeldt zich altijd dat hij een groot man is, dat hij een ander mens is, dat is niet waar! Een kunstenaar moet trachten, zolang mogelijk een gewoon mens te zijn, de meest simpele. En Joostens was er zo een, Joostens was een heel gewoon mens, een heel aardige man, buitengewoon aardig.Hij was oud, enfin hij ging de laatste jaren 'n beetje sukkelen zo, ja. Het was een hele mooie tentoonstelling.

F.d.V. - Wat bij Joostens zo frappeert, is dat hij in de jaren twintig, na die, na dat soort religieuze crisis wat die heeft gehad, dat hij al z'n abstract werk heeft opgegeven voor die figuratie, en ik geloof dat in z'n eerste periode, dat abstracte in België, dat werd niet "au sérieux" genomen, dat bestond niet, en tegen de tijd dat ie dan, op dat moment had kunnen doorbreken, begon hij figuratief te schilderen. En dan was het weer obsceen of zoiets volgens de gangbare normen toen, vooral met de “poezeloezen”.
W.H. - Ik moet wel zeggen, dat voor die tijd, dus voor het abstracte, maakte hij zo'n kleine tekeningetjes, ik heb ze graag gezien, hele kleine simpele tekeningetjes. In 'n cafétje, met verschillende mensen aan 'n tafeltje, die waren zo vlot, en zo snel gemaakt, zo direct, notities had men ze kunnen noemen, die waren buitengewoon. Maar later heeft hij dan de abstractie aangepakt, het non-figuratieve, dan heeft hij dat weer laten vallen, zoals u zegt. Dan heeft hij die dingen gemaakt, die zo een beetje, min of meer, fondant zijn. Daar hou ik niet zoveel van. Ik heb er verschillende gezien, figuren die niet zo buitengewoon zijn. Daar was een beetje van alles te zien op die tentoonstelling, maar ik geloof, 'n kunstenaar moet zich af en toe ook kunnen vergissen. En dat heeft Joostens ook gedaan. Maar in de tijd dat hij zich niet vergiste, is ie buitengewoon, en mijn, werkelijk, diep mijn hoed af voor Joostens.

Freddy DE VREE
 

www.wouthoeboer.over-blog.com

www.revueconnexion.overblog.com

www.ikob.be

www.caira.overblog.com



[1] Kunstsmid Louis van Boeckel (Lier, 1857-1944), die ook wel den Boeckel werd genoemd.

 [2] Uurwerkmaker en amateur-astronoom Louis Zimmer (1888 - 1970)..

[3] Frans Ros (1883-1968), sinds 1921 leraar aan de gemeentelijke tekenschool.

[4] Raymond DE LA HAYE (1882-1914). Cf. Dr. M. CORDEMANS, Raymond de la Haye en Felix Timmermans. Herinneringen, Gent, Story-Scientia, 1967, 221 p.; ill.

[5] De dichter Ernst de Weert (1866-1929).

[6] Josyah Willem DE GRUYTER (1899-1979), was van 1955 tot 1963 directeur van het Groninger Museum (1955-1963).

[7] Retrospectieve Paul Joostens (1889-1960) in het ICC te Antwerpen, 26 juni – 12 september 1976. De catalogus telt 378 werken.

Partager cet article
Repost0
23 mai 2008 5 23 /05 /mai /2008 23:43

Het IKOB museum te Eupen verwierf twee representatieve werken van Wout Hoeboer

 

Zonder titel, 1970, acryl op karton, 83,4 x 123,5


 

Zonder titel, 1975, acryl sur doek, 90 x 70

IKOB

Museum für Zeitgenössische Kunst Eupen
In den Loten 3
4700 Eupen
Belgique
087 56 01 10
info@ikob.be
www.ikob.be

www.wouthoeboer.over-blog.com

 

Recente bibliografie:

Henri-Floris JESPERS, Les enfants de colère: “Affirmations justes à condition de les prendre juste à l’envers”, in Bulletin de la Fondation ça ira, no 30, 2ème trimestre 2007, pp. 3-44.

Henri-Floris JESPERS, Door de leesbril bekeken, in: Mededelingen van het CDR, nr. 97 de dato 16 juli 2007, pp. 9-11.

Henri-Floris JESPERS, Dossier Wout Hoeboer, in Connexion, no 6, pp. 6-16.

Robin DE SALLE, Wout Hoeboer, le dernier Dadaïste ? », in Connexion, no 7, pp. 7-14.

Jean-Pierre VAN TIEGHEM « Entretien avec Wout Hoeboer » , in Connexion, no 7, pp. 15-20.

En alhier, de berichten van 24 februari en 8 april.

 

 

Partager cet article
Repost0
20 mai 2008 2 20 /05 /mai /2008 22:21


Fun City loopt nog tot 15 juni in Galerie Piet Raemdonck, Kronenburgstraat 41a, 2000 Antwerpen. Tel.: 0495 22 07 99. Open op zaterdag en zondag van 14 tot 19u en na afspraak..

Fun City, een project van Luc Boudens en Piet Raemdonck, werd op 9 mei geopend door Axel Daeseleire. Viktor Perdieus (sax) en Nathan Wouters (bas) brengen voortreffelijke jazz ten gehore en tonen overvloedig aan wat gedreven en erudiete musici met economische middelen tuchtvol vermogen.Tussen het publiek: John Bogaerts, dr. E. Colin, Erik van Herreweghe, Henri-Floris Jespers, Kris Kenis, Pruts Lantsoght, Kristel de Loos, Robert Lowet de Wotrenge, Dirk Maeyens, Marga, RodeS en Jan Scheirs.

Piet Raemdoncks plezierstad is een natuurstad waar cultuur door natuur wordt beslopen, omhelsd en zelfs ingepalmd. Raemdonck liet zijn blik, gegidst door de ‘City Maps’ van Boudens, over de haven glijden, over het park en over de lommerrijke herinneringen aan een Californische reis. De “haven-werken” vertonen hetzelfde panoramische karakter als Raemdoncks composities, maar doos, schelp en vaas worden hier steen, gebouw en kraan. Het stadspark met zijn ruisende overvloed aan bladeren krijgt, als een begroeting aan de werken van Boudens, een schematische en gerasterde onderbouw.

De houten “op-art” van Luc Boudens bevestigt andermaal zijn statuur van gediplomeerd architect-speelvogel. Trouw aan de kleur- en vormentaal van het modernisme in de architectuur, giet hij zijn Fun City in verlokkende hebbedingen als houten hologrammen van routeplanners, een vrolijke rotonde, vreemde nachtelijke panorama’s, speelse maquettes en sculpturen.

Het nadrukkelijk uitbundige en driedimensionale werk van Boudens en de elegante luwte in Raemdoncks schilderijen leveren de unieke formule voor een collectie blijmoedig vernuft.

&

In Fun City trekt Luc Boudens consequent de lijn door die zijn vorige expo’s verbindt. De thema’s van de imaginaire archeologie en geografie (Kartografie, 1993; Sites, 2004; Tribal, 2005) en de modernistische architectuur als jeugdherinnering (Littoral, 2002) en weelderige ver-beelding (Visitant les Noailles, 2005) monden nu uit in een gesyncopeerde evocatie van de stad als geordende chaos. Bij zijn vorige tentoonstelling (Syncopes, 2007) benadrukte Boudens dat in muziek van een syncope gesproken wordt wanneer een of meerdere tonen niet op de tel of puls vallen, waardoor een of meerdere normale accenten verlegd worden. Twee voorbeelden van syncopes zijn de off-beat, die de nadruk legt op een voor de toehoorder onverwachte plaats en de missed-beat, waar op de plaats waar de nadruk zou moeten liggen, de noot vervangen is door een rust. Die luide rust verschijnt in zijn nieuwste werk als geconcentreerde luidruchtigheid. Wat de schijn van een vrijblijvend spel kan wekken wortelt in feite in de diepste lagen van het on(der)bewuste en illustreert ten volle de mechanismen van de (zelf)disciplineringsmachines die bijv. bij Van Ostaijen of Kafka in werking treden. Niet alleen thematisch, ook technisch vertoont het werk van Boudens de taaie ontvouwing van een onverbiddelijke logica.

Het wordt hoogtijd dat dit duidelijk wordt gemaakt aan de hand van een breed opgevatte retrospectieve tentoonstelling.

&

1990 Galerie Herman Toelen, Antwerpen: tekeningen & lino’s..

1993 Galerie De Zwarte Panter, Antwerpen: Kartografie (lino’s)

2000 Antiquariaat Jef Meert, Antwerpen: KlingKlang (collages)

2002 Galerie Martin van Blerk, Antwerpen: Littoral (schilderijen)

2003 Galerie Martin van Blerk, Antwerpen: Naval (lino’s)

2004 Galerie Djemma, Schoten: Sites (tapings en mixed-media)

2005 Galerie Djemma, Schoten: Tribal (tapijten, totems, tapings & mixed-media)

2005 Oskar D Gallery, Antwerpen: Visitant les Noailles (tapings, tekeningen, objecten)

2007 Galerie [Punk’tum], Anvers,  Syncopes (collages & assemblages)

www.pietraemdonck.com


www.lucboudens.com

 

www.caira.over-blog.com

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche