Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
28 mai 2008 3 28 /05 /mai /2008 00:00

Warum geschieht nie, was man ervartet?

August Graf von Platen

 

Uiteindelijk dreig je verloren te gaan in een eindeloos spiegelgevecht, net alsof je niets te bewaren hebt dan een ogenschijnlijke identiteit, een vermeende tijdeloosheid, een leegte die slechts levensvatbaar wordt door deze gefragmenteerde weerkaatsing. Ze verloochen je gaandeweg de eigenheid die je vaak, omwille van nuances en lichtverschuivingen, voor illusoir hield. Te zeer verlies je het bewustzijn dat je geen echokamer bent, geen citaat, maar een creatieve tekst die zich feilloos ontvouwt, een stukje vrijheid –  inderdaad – dat zich geruisloos ontplooit. De kunst van de herleiding, de retoriek van de analyserende rede en de verleiding zinnig met componenten te goochelen, tasten ondermijnend de uitdrukking aan van de epifanie die je bent. De sluier van de begoocheling verhult de tastbaarheid van je aanwezigheid. Het geheel dreigt door de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op een operatietafel in een wankel evenwicht te komen. Geen kilte van chroom en staal en glas, geen verdoffing van klanken, geen golving van gebaren die verloren gaan in de grote verzachting des gemoeds. Geen ontbinding in factoren, spiegels aan scherven. Geen duizenden zonnen glinsterend op asfalt. Geen muziek als moederschoot, geen alcohol als nacht. Geen mist als macht van het mysterie. Neen. De klare kijk van een zonovergotene dag. De verticale middag. De man en zijn schaduw. De bliksem van een blank wapen verbrijzelt de schimmigheid van spiegels, verwijst de schichtigheid van schaduwboksers naar nacht en nevel. Het gebalde moment van de innige overtuiging. Het klare, duidelijke, oogverblindende witte licht van de esthetische ontmoeting. Tinteling van bloed, lijfelijk zelfbehagen. De nevelen van het Noorden verhullen mysterie noch inzicht, alleen de traagheid van lage landen, de landerigheid van vergeefs en onmachtig gemijmer. Onder de middagzon val ik met mijn schaduw samen.

*

Na vele lotgevallen zette Aeneas voet aan wal in Latium. In deze streek, op amper dertig kilometer van Rome, aan de vulkanische tweelingmeren van Albano en Nemi, bevinden zich de Castelli romani, bekend ook voor hun helaas niet te vervoeren, koppig, wit landwijntje. Al in de tijd van het imperiale Rome was deze streek een zomerse toevlucht – wegens het frissere klimaat: Albano, Genzano di Roma, Castel Gandolfo, Rocca di Papa, Velletri, Frascati, Nemi. De paus geniet er van een plek waar de Romeinse Caesars het goddelijke landschap aanschouwden.

Ver van ’s wereld geraas, in deze aan de godin Diana gewijde streek (het meer van Nemi wordt in de volksmond “de spiegel van Diana” genoemd) ga ik me soms bezinnen, in de stellige overtuiging dat de goden geen astronauten waren, doch gewoon voorname voorbijwandelaars in een van vruchtbaar licht doordrongen landschap.

De avond is fris, de wijn gekoeld en behoorlijk hartversterkend, de herinnering levendig aan zoveel antiek licht – een vanzelfsprekend antidotum tegen de steeds dreigende lokroep der Germaanse nevelen. Ik neem een boek ter hand (Albert is verdiept in de biografie van Montgomery Clift) en lees een gedicht van Aleksander Block, gedateerd 5 oktober 1914: “Ist diese Zeit auch fern, du bist mir nah, Antwerpen!” Toppunt van esthetiserend snobisme: in Velletri, aan de via Appia, in Duitse vertaling een Russich gedicht over Antwerpen lezen. Neen, gewoon het scherpe, onvermoede moment van het volle besef van een leven dat je eens zal moeten verlaten ) wat je hier helderder aanvoelt dan waar ook.

*

De goden zijn al geruime tijd gevlucht en de sterren zijn gedoofd. Engelen komen ons nog maar zelden bezoeken. De nacht van de beschaving heeft een wereld rijk aan mogelijkheden in zijn fluwelen doch e zwarte greep. Helden hebben hun geloofwaardigheid afgelegd en het tijdsgewricht kraakt te allen kante. In een tijdperk van lawaaierige dialoog en vrijblijvende inspraak heeft blijkbaar niemand meer de genadige gave te luisteren. Dit alles weerspiegelt zich feilloos in de kunst: politie- en spionageromans brengen antihelden ten tonele; filmprenten tonen verwarring en eenzaamheid; in de “grote” literatuur vervaagt het personage tot een anoniem krachtveld van elkaar ontmoetende – en meteen ook opheffende – spanningen; het theater huldigt een soort algebra der lichamen en de schilderkunst vermijdt angstvallig elke subjectieve, d.i. individuele betrokkenheid. De pletmolens der gelijkschakeling rukken onverstoord aan. In de plaats van de fierheid der vaderen wordt kleur-, smaak- en reukloosheid gesteld, met een vleugje gemeenschapsverbonden ultramontanisme. De palmen van de imperator worden roekloos toegekend aan een weifelende politicus die één concrete verwezenlijking op zijn actief heeft: de wet op de vogelvangst.

*

Soms is eenzaamheid een noodzakelijk antidotum tegen het rumoer en de razernij der dagen, een welkome vluchtheuvel in het immobiele middelpunt van de windhoos waardoor het leven genadeloos geteisterd wordt. Je voelt je dan plots thuis, in de afgeschermde ruimte waarin je nog slechts te kampen hebt met de vertrouwde demonen die je bewonen, in alleenspraak ook met de doden die je een leven altijd talrijker begeleiden – topt je zelf aan de laatste acrobatie toe bent, de ultieme overstijging van (of onderwerping aan) de wetten van de zwaartekracht. In de herwonnen orde van een middelpuntzoekende onbeweeglijkheid val je dan met je schaduw samen. Licht en nevelen, duisternis en schemer vervallen in de congruentie die je anders zo schaars is toegemeten. De heerschappij van de identiteit is een pakkende harmonie, een neervellende schoonheid waar je slechts met homeopatische doses tegen bestand bent – en dan nog… Je bent niet langer bekommerd om en bezig met de dingen, nog slechts bezorgd om het zijn, waarbij het gebruik van hoofdletters een kwestie van temperament is meer dan stijl. Het bliksemende ogenblik van de schoonheidsontroering is dan nog slechts van diep geconcentreerde, redelijke aard, wars van wellust en genot.

*

Drie hoofdmomenten in mijn verkenning van het Zuiden: de harde, jansenistische schoonheid van Niozelles Haute Provence –zowat veertien jaar geleden. Het Romeinse lucht in de Colli, aan het meer van Nemi en Albano; aan de Fontana di Trevi; in het Cemetero Acatolico. De brandende voorjaarszon in Torrevieja, bij Alicante.

Het pijnlijk scherpe en tegelijk ontroerende, geruststellende bewustzijn van de tijdelijkheid, de broosheid, de vluchtigheid der dingen.

In de noordse nevelen lijkt alles wel eeuwig en onbepaald. De mediterrane zon tekent scherp en feilloos een, vergankelijkheid niet te omvatten.

De mijmering wekt soms verlammend: je blijft roerloos staren naar de slang, als gehypnotiseerd door de lege doch fascinerende, onbeweeglijke blik die ongenaakbaar naar je ondergang wijst. Door de actie verschijn je nog slechts als zuivere beweging: het roofdierlijke zelfbehagen van de tijger die feilloos de jungle verdeelt volgens een bloedeigen geometrie.

Zo ben je zelf een zich continuerende arabeske tussen territorium en afgrond.

Mijmering en actie werken als drugs: bewustzijnsvernauwend, bewustzijnsverruimend.

Oppeppend en afkickend.

Henri-Floris JESPERS

 

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche