Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
23 octobre 2013 3 23 /10 /octobre /2013 18:00

 

Wie mij kent noemt mij doorgaans aardig. Wie mij beter kent, ziet ook een kwalijke kant, en noemt mij aardig maar kwaad. Kwaadaardig. Dat komt, ik ben zo grootgeworden. In de verveloze streek van dagloners, ploegbazen, handlangers en peiboeren, ging iedereen dood. Aan longoedeem van de Alfit of de Eternit. Aan stoflong op den Ijzeren en het kooksfabriek. Aan bloedvergiftiging van het vijverwater uit de visputten van Jefke en Felix. Aan drank. Vooral. Er waren meer kroegen dan duivenmelkers. Remi en Marie, ik zie ze elke maanloze nacht nog, blazend en piepend, hun kromme gang huiswaarts gaan onder het vale licht van een peertje dat amper de macadam bescheen, en hun onvaste stap tot begankenis verhief.

 

Ik heb er ook nooit bij stilgestaan dat schel geroepen groeten als: “Hee, smeerlap” of “Hoi, vetzak”, geen gangbare gewoonten waren buiten de dorpsgrenzen. Ik ben er ook nooit aan gewend geraakt. Aan die buitendorpsgrenzen. De jongste zoon van de bakker, die high was, maar dat bestond in die tijd niet, hij had vitessepillekens gepakt, klom in zijn blote de Brug der Zuchten op, en balanceerde huiveringwekkend op de stalen balken waar de toen nog rijkswachters-te-fiets hem niet dierven af te halen. Het was gewone buitenissigheid. De oudste van Borms die met zijn moto een argeloos oudje van de weg maaide, het hoorde erbij. De behanger-meubelmaker die vroeg in de ochtend bastaardjes maakte bij de moeder van mijn eerste lief, ik heb het met enig gemelijk gegrinnik later, veel later vernomen.

 

Ik heb ze allemaal zien doodgaan. Met liefde zien doodgaan, want ik hou van die rauwe, onbezonnen, platvloerse, hondsbrutale, schimmige mensen waarmee ik ben opgegroeid. Wier graven vandaag gerooid zijn. Wier namen zijn uitgewist. Wier geneugten met de vogelpik verdwenen zijn. En wier taal ik uitbraak, wanneer ik kwaad word.

 

Ik heb ze nog hun kinderen, hun veel te veel kinderen, zien afschuren in een basseng, ik heb nog drama’s zien gebeuren, van kleffe kappers, van broertjes verzopen in een wijwaterput, van een bril zo heftig stukgebokst (wie droeg er in godsnaam een bril ?) dat de scherven in de oogbal staken, lang voor ik het woord drama leerde kennen. Ik heb nog als snotneus sigaretten gerookt in de gelegen (en er een halve dag beurs van gelegen), ik heb nog autootjes gepikt op een foorkraam (en een toek tegen mijn bakkes gekregen van de forsgebouwde eigenares), ik riep ‘kakker’ in de klas toen een leraar minachtend mijn manchetknopen die ik voor amber hield als ‘nakker’ afdeed (en hield er een striemende oorveeg aan over), ik heb – helaas vergeefs – geprobeerd een trein te doen ontsporen en een blaasorgel te versmachten.

 

Ik was, in luttele woorden, een eenvoudige jongen. Van eenvoudige komaf. Die werd aangepakt zoals alle eenvoudige jongens van voor de Expo. Met kruisbeeld en verdoemenis, met meppen en stampen, met verstolen drankjes en gesmoorde eierdooiers uit een gebraden kip. Toen er nog braambessen groeiden langs de holle wegen. Wittebuikelaars in de tuin stonden. Coloradokevers knabbelden aan het loof. Schoolmeesters met kriekneus even zwaar doorwogen aan de ton als aan het harmonium. Iemand na jaren terugkwam na (de wellicht gerechtvaardigde) moord op haar man, die even onbehouwen en bruut was als alle anderen. Rabarber bij de messing groeide. De stoomfluit voor de schafttijd en het bronzen gebonk van de klokken de dagen indeelden. Veronica en de Big L het geneuzel van Rex Gildo en ‘Coeur Blessé’ in de lappenmand zwiepten. Een neger een neger heette. En de heidense wijk van staalarbeiders gewoon Moskou was. Tijden waarin kwaad zijn als slecht bloed werd meegegeven. En steevast uitliep op een straatgevecht, een knokpartij, een dronkemansruzie met stukgeslagen glazen en beitels en gedores. Toen was een zelfgerolde nog heel gewoon. Of was een pijp een pijp.

 

Kwaad bloed is het brandmerk van de verschoppeling. Etiquette, goede manieren, het hoorde bij de andere wereld. Die van streken, van maniertjes, van nuffige burgerwijfjes die achter hun slagroom een soort gallisch ophoestten, en geloken neerkeken op de diensters die ze zelf in dienst hadden. Gaan dienen bij de rijke families, het was een driedubbele vloek voor de patsers wie de tap nader was dan de reverence. Ze hadden gewoon het geld nodig, maar spraken er nooit over met hun maten, niet over naaimasjienes, niet over weegbreethee, niet over witte schortjes, niet over porto. Alleen elixir d’Anvers op nieuwjaarsdag, bij Garmisch-Partenkirchen. Beleefdheid is een luxe bedacht door salonkruiers. Het voorrecht van de speiers op de transen van de cijnsmaatschappij.

 

Ik ben zo niet grootgebracht. Gebracht is zelfs een zwaar woord. Gewoon gegroeid, spreek met twee woorden (“Ja, voddevent”), je slaat het geld uit onze zakken met al dat studeren, ook de koning moet de pot op, de pastoren zalven zichzelven. Weerzin, dat werd ingepompt. Afkeer. Hoon. Uitgespuwd. Niet van onze soort. Jaren van vernedering, generaties van vernedering, doorgespeend. Alambiek van haat en berusting.

 

Ik ben de droesem, de neerslag van een verwasemend wereldbeeld. Maar waarin ik de spraak van mijn kindsheid bewaard heb. Vloeken. Schelden. Haten. Schuwen. En de warmte van de ruwe wereld der ongeletterden. De letteren zijn gekomen, de ruwheid is, goddank (die wij niet erkennen), gebleven. Die schurende droogte in de mond. Een gerafelde tong vol aftjes. En de onbeschaamde fierheid om de eigen ruiten in te slaan, gewoon uit koppige koppigheid. Een ode aan “niks te verliezen, en toch vrank”. Onbeschaamdheid is het arbeidskruis eerste klas.

Lukas DE VOS

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche