Overblog Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
4 mai 2008 7 04 /05 /mai /2008 04:07

Toen ik Freddy vroeg of hij soms La langue hébraïque restituée van Fabre d’Olivet bezat, verwees hij mij naar zijn oom. Ik kon gerust bij hem aanbellen, wat ik dan ook deed. Het was heldere zondagnamiddag, en ii kwam niet erg gelegen. Paul de Vree had familiebezoek en ontving mij in de hall van zijn appartement aan de Kolonielaan, die enkele jaren later omgedoopt zou worden tot Camille Huysmanslaan. Neen, hij bezat dat boek niet, maar ik moest maar eens telefoneren om een afspraak te maken. We schreven toen begin 1962. We werden algauw huisvrienden.

Het titelgedicht van Cezar & Jezabel werd uitgezonden door Radio Antwerpen, en de bundel werd besproken in Nul en in De Tafelronde. Paul Neuhuys selecteerde meteen een gedicht voor de bloemlezing “Jeunes poètes flamands”, die hij als zevende aflevering van Les Soirées d’Anvers in september 1963 publiceerde, en Frans de Bruyn besprak het debuut van Patrick in zijn “Muizenissen voor de Muze”, de veelgelezen rubriek die hij dagelijks verzorgde in De Nieuwe Gazet, toen nog een krant met veel aandacht voor cultuur. Als volslagen onervaren en irrealistische amateur-uitgever vond ik dat geen kwaad resultaat. Financieel werd de uitgave gered door een bescheiden aankoop door de Dienst Letteren van net toen nog unitaire Ministerie voor Cultuur, waar de beminnelijke Bert Decorte de principes van de verdelende rechtvaardigheid huldigde.

Er steeds op gebrand om jongeren een kans te geven en rond zich te scharen, bood Paul de Vree me een zetel aan in de herschikte redactie van De Tafelronde. Ik was daar niet weinig trots op, en debuteerde met kritische stukken over Gaston Bachelard en Fernando Arrabal, die ik nawijsbaar plagiaat van Eliphas Lévi aanwreef. Begrippen als intertekstualiteit waren toen nog niet ingeburgerd…

Op 11 oktober 1963 vernam ik het overlijden van Edith Piaf en van Jean Cocteau in Luxemburg, waar ik in Hotel Kons aan een internationaal colloquium waarover ik verslag uitbracht in Synthèses, het tijdschrift van Maurice Lambilliotte die ik inmiddels had leren kennen. Diezelfde dag werd in de Librairie des Arts Londres ou le labyrinthe brisé van Guy Vaes voorgesteld. Het was in die precieuze boekhandel in de Nieuwe Gaanderij die de Huidvettersstraat met de Korte Gasthuisstraat verbindt dat ik vier, vijf jaar eerder in de etalage een stel verzameld werk van Nietzsche had gezien, de eerste Franse vertaling in de editie van de Mercure de France, gekleed in zwart marokijn. Het had een eeuwigheid geduurd vooraleer ik me met moed gewapend had, het winkeltje binnenstapte en de prijs vroeg. Die lang nog hoger dan ik gevreesd had. Dat was mijn eerste contact met Remy de Muynck, alias Saint-Rémy.

Medio oktober kreeg ik Guimbretières nieuwe bundel toegestuurd, Aurore première en aan het einde van het jaar verscheen mijn bundel Textes, waarvoor hij een woord vooraf schreef. Angèle Vannier had zich ingespannen om inschrijvingen in te zamelen, maar had me op het hart gedrukt niet te hoge verwachtingen te koesteren. “Je ferai mon possible, zei ze, mais c’est difficile, car je  ne connais que des fauchés ou alors des poètes et gens de radio qui ont l’habitude de recevoir les recueils en service de presse. Je n’ai malheureusement pas de relations dans les milieux aisés s’intéressant à la poésie. » Ze voegde daar nuchter aan toe dat het Franse publiek hoe dan ook « plus dur à la détente » is dan het Belgische. Dat had ze uit eigen ervaring kunnen vaststelde.

 

 

 

 

 

Partager cet article

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche