Overblog
Suivre ce blog
Editer l'article Administration Créer mon blog
31 juillet 2013 3 31 /07 /juillet /2013 15:00

 

SToutenKersen

Om de meerstemmige toon van dit magistrale prozawerk weer te geven, begin ik liefst met een citaat: Sommige van de boeiendste partituren die ik leerde kennen, bewoonden een onverkend gebied aan gene zijde van de tegenstelling tussen pessimisme en optimisme. Ze introduceerden me in de rijke wereld van de muziek geworden melancholie – een mooie voelhoorn voor een eindig wezen om de oneindigheid te betasten. De thematiek die hij op een polyfone manier in zeven hoofdstukken ontwikkelt – net geen octaaf, maar wel hetzelfde aantal als de loopjes van do tot si die hij als kind op de piano uitprobeerde – stemt hiermee volledig overeen. Op geen enkel moment, ook niet naar aanleiding van het auto-ongeval waarbij zijn ouders en tweelingzusje om het leven komen, krijgt de dramatiek het voor het zeggen. Dit boek is niet alleen “een overrompelende ode aan de klassieke muziek”; het is tevens een levensverhaal met Johann Sebastian Bach en Marcel Proust als voornaamste leermeesters.

In de inleiding tot het eerste hoofdstuk komt de architecturale schoonheid van een fuga ter sprake, die hij uitvoert op een piano waar de oudste lagen van mijn herinnering op rusten. Aanvallen van astma horen daarbij en het gevoel een buitenstaander te zijn – een kind dat vaak niet naar buiten mag om het voor een volgende aanval te behoeden: Astma was een reus op lemen voeten, en muziek kon die reus voor mij vloeren. Zelfs de eenvoudigste muziek, die van een gamma . Speelde ik zo'n sequentie van opeenvolgende noten, dan leek ik een ladder naar mijn vrijheid te beklimmen, naar de vrije lucht van zuivere esthetiek daarboven, een weldaad voor mijn belaagde longen. Gewoon een toonladder spelen heeft niet enkel een magische uitwerking; al heel vlug zal hij proberen de partituur als een grondplan te zien, waaruit ik als bouwheer een stevig overeind blijvende ruwbouw moest doen oprijzen.

Een ander belangrijk element is de genezende rol die hij de stilte toekent: een leidmotief, verbonden met de eenzaamheid waarmee hij al heel vroeg wordt geconfronteerd. Vooral de muziek van Bach houdt voor hem een “thuiskomst” in. Talrijk en steeds even scherpzinnig zijn dan ook de verwijzingen naar Bach in zijn eigen “compositie”. Muziek, taal en stilte vormen de basis in zijn zoektocht naar “woordnoten”.

Hierop volgt, in het tweede hoofdstuk, de analyse van een uitzonderlijk dramatische pianosonate van Mozart, in Parijs gecomponeerd. kort na de dood van zijn moeder. Zo bereidt hij de lezer voor op het fatale auto-ongeluk dat met veel pudeur wordt beschreven, en alweer treedt Mozart als bemiddelaar op wanneer uiteindelijk het donker toeslaat tijdens zijn verblijf in een kliniek om te herstellen van een zware hersenschudding. Daar zal hij, dankzij een vriendin van zijn moeder die hem ook verder zal opvoeden, het meesterwerk ontdekken van Marcel Proust “A la recherche du temps perdu”: Het was mijn redding in die dagen; de combinatie van een zegenende Proust-lectuur en de weldadige toepassing van zijn “verander het lijden in kunst”-advies in mijn schamele eerste schrijfpogingen. Hoe en waarom Proust zijn “Recherche” opbouwt, vormt zogoed als de kern van dit hoofdstuk.

De periode waarin hij, met zijn tweelingzus als hulpje, een denkbeeldig radio- en televisiestation heeft opgericht om aldus zijn fantasie bot te vieren in o.a. gefingeerde radio-interviews en fictieve televisieprogramma's, die periode lijkt afgesloten: Voorlopig wist ik niet of ik het redden zou. Liggend in een bed, weet je dat gewoon niet. Je tuurt urenlang naar het parkje buiten waar de kinderen stoeien, je praat 's avonds laat met een nonnetje dat je mentale pijn probeert te verzachten, je leert weer lopen en hoopt dat de hersenschudding geen blijvende schade zal aanrichten. Dat leek me al heel veel om te mogen hopen.

 

Het derde hoofdstuk opent met een gedetailleerde beschrijving van het stadje Zoutleeuw, waar hij interkt bij de familie Lafontaine. Vooral met Jean, de zoon van Mama Lafontaine, ontstaat er een intens contact. Jean is zowel zijn gids als een oudere metgezel die zijn nood aan afzondering begrijpt: Urenlang zat ik aan zijn schrijftafel te werken, of alleen wat voor mij uit te staren in de hoop dat zich bruikbare woorden zouden aandienen. Met die teksten en gedichten wil hij de schimmen van de tijd tot leven wekken. Hij kent de hoorspelen van Samuel Beckett dan al – waarin stiltes een structurele betekenis hadden – alsook de partituren van John Cage en waagt zich aan een hoorspel. Voor het eerst wordt nu ook, via de muziek van Gustav Mahler, God vernoemd: de God die Nietzsche vermoord had, opdat de moordenaar zelf tot een God zou worden, een übermensch. Nee, ik was geen übermensch in wording, ik voelde me net als Mahler de eeuwige indringer, de jongen die overal buitenstaander blijft. Een jongen die een selectie maakt uit de gezichten van God die hij heeft leren kennen.

Geen wonder dat de figuur en het oeuvre van Hadewych, die in Zoutleeuw als begijntje zou hebben gewoond, hem begint te fascineren: Via mijn trouwe koestering van de verzen van Hadewych voelde ik wel dat de liefde voor het woord zich hoe langer hoe meer met de muziek begon te bemoeien. Noten en woorden zochten elkaars gezelschap op . Niet omdat ze behoefte hadden aan elkaar. Het leek me dat ze perfect uit elkaars buurt konden blijven zonder ooit door een tekort te worden getekend. Hun samenkomst was een onverwacht geschenk, een prachtige bliksemflits.

 

Toch zal hij zijn studiekeuze op een bepaald moment moeten vastleggen: ofwel aan de muziekstudie de voorrang geven of kiezen voor een opleiding in de tolkenschool: Het vervelende was dat ik zowel met talen als met de muziek iets had wat groot genoeg was om me in een tweestrijd te doen belanden die me van mijn nachtrust beroofde.

Het wordt de tolkenschool. Daar heeft een volgende confrontatie met de “Recherche” van Marcel Proust o.a. het gevolg dat hij in Parijs alle adressen wil opzoeken waar Proust heeft gewoond. Hierop volgt een uiterst boeiend portret van Proust als auteur en een analyse van de verborgen muziek in zijn specifieke schrijfstijl: Proust is voor mij in elk geval een verkapte operacomponist en ik zie in zijn “Recherche” een dramatisch sprookje, een feeërieke muzikale vertelling... Kan een luttel woord letterlijk muziek worden? Als kind had ik ervan gedroomd verbale voetnoten uit te werken voor complexe muzikale ideeën. Ik had een hunkering gevoeld naar de “vertaalbaarheid” van muziek in taal, had woorden aan akkoorden proberen te linken om zo – in mijn naïviteit – een klein persoonlijk woordenboek samen te stellen.

Door zich te verdiepen in het werk van filosoof -filoloog Noam Chomsky ontdekt hij de mogelijkheid van eenzelfde dieptestructuur voor muziek en taal: Het was in die gedeelde kelder dat de sleutel verborgen lag voor de structurerende betekenis van de muziek in Prousts polyfone roman.

Het moment is nu aangebroken om contact op te nemen met Dries Poppe, dramaturg bij de hoorspelafdeling van de BRT, aan wie hij zijn hoorspel wil voorleggen. Die nodigt hem meteen uit om aan een seminarie voor debuterende hoorspelauteurs deel te nemen en zal hem ook vertaalopdrachten geven. Bart Stoutens mateloze bewondering voor de hoorspelen van Beckett neemt nog toe. Beckett zal hem de stilte in al haar facetten onthullen: Mooiere radio is niet denkbaar. En toch schuilt de schoonheid niet in de gehoorde klank zelf. Eerder rijst ze op uit alles wat verzwegen wordt. Zodat ik met recht en reden kan stellen dat de ultieme kracht van radio zich voor mij heel vroeg openbaarde als een kunst van het ingehouden, uitgestelde gevoel.

Wat hierop volgt, zal wellicht meer dan een lezer verbazen: zijn afzondering in het afgelegen huis van een boswachter in een niet nader genoemde omgeving. Op de vroegere pianolessen volgt nu orgelles in een plaatselijke academie. De toewijding waarmee hij zich aan het orgelspel wijdt – een dagelijks ritueel met vooral Bach op het programma in een pikdonkere kerk – wordt plots onderbroken wanneer hij de onweerstaanbare charmes van een clavecimbel ontdekt, te koop in een etalage van een winkel met muziekinstrumenten. Een nieuwe studie dient zich aan, zeker wat het toucher betreft, zodra hij het instrument in huis heeft. Wie zou denken dat het clavecimbelverhaal beperkt blijft tot zuiver persoonlijke ervaringen, vergist zich. Ook dit intermezzo is de aanleiding voor een interessante uitweiding over de instrumentenbouwer Hans Ruckers, na grondig bronnenonderzoek. Dit keer gaat hij in Antwerpen op zoek naar een renaissancefaçade met trapgevel; wie weet bevond het atelier van Ruckers zich wel op die plek in de Jodenstraat.

Wanneer het clavecimbel beschadigd wordt bij het schoonmaken met een emmertje water dat per ongeluk terechtkomt op het geliefde instrument, komt het einde van zijn passie in zicht. De conclusie – in het volgende hoofdstuk – is dan ook: De tijd was nu rijp voor mij om me te concentreren op woorden en zinnen, eerder dan op noten en akkoorden. Woorden en zinnen die me uit mezelf zouden voeren, heel ver weg van mezelf, in de richting van een ander. De grote onbekende ander. Die me nodig had. Oh, wat was ik daarvan overtuigd. Ik werd een troubadour in eigen huis. Ik had een liefde nodig om tedere gevoelens te laten klinken op de snaren van mijn prille verzen.

Wie anders dan de grote Dante zou hem hierbij niet als voorbeeld kunnen dienen... Dat is inderdaad zo. En net zoals zijn beschouwingen over de functionele rol van de eenzaamheid in Prousts leven en werk, loont wat hij weet te zeggen over de rol van Beatrice als inspiratiebron bij Dante, meer dan de moeite.

De hoofdmoot van dit zesde hoofdstuk heeft niettemin alles te maken met wat de Japanse cultuur voor hem betekent, een fascinatie die ik volkomen deel. Zijn imponerende kennis en begrip van haar symboliek en uiterst geconcentreerde zegging, zowel in haiku's als in het No en Kabuki-theater, geven ons nogmaals het bewijs van zijn operationele ontvankelijkheid. Vooral deze typische ontvankelijkheid stelt hem in staat om als esthetische bemiddelaar van alle vergankelijkheid hier op aarde te fungeren..., wat zijn typering is van de Japanse cultuur in het algemeen. Hierbij hoort ook de volgende bedenking: Liefde die duurt, zoals bij Dante, bezoekt Japan niet vaak. Liefde is een stuk papier dat je vouwt. Het vouwen wordt ook een verscheuren in eenzelfde werkwoord – Orimasu.

De ontmoeting met een zenmonnik bekroont als het ware al de vorige overpeinzingen over o.a. het Kabuki-theater. En alweer komt de stilte aan het woord in al wat Kazuo zegt of liever verzwijgt: Jij, met je muziek en taal... Zie je die preutse maan daar? Dat is de muziek. En die vijver daarginds, dat is je vijver van taal, waarin de muziek schijnt. Muziek en taal plagen elkaar. Maar de stilte is onverbrekelijk.

In het laatste hoofdstuk daagt de schim van Marcel Proust weer op, begeleid door deze van Jeam Cocteau. Hij is dan op weg naar Baalbek, het kleine en slaperige stadje in de Libanese Bekavallei. En waaraan doet Baalbek hem denken? Natuurlijk aan het Balbec van Proust.

Tijdens die rit in een overvolle bus, onderbreekt een bedoeïenenvrouw, die een trolley achter zich aan trok met daarop een kleine luidspreker de monotonie van een urenlange tocht. Zodra zij

begint te zingen, wordt Bart Stouten een soort wijsheid voorbij het lijden gewaar, wat naar mijn gevoel een goede typering van zijn proza zou kunnen zijn. In het hotel aangekomen waar Jean Cocteau geregeld verbleef, doemt als vanzelf Marcel Proust weer op: Er is iets wat de eenzaamheid bij Proust “geslaagd” maakt, juist door haar goed aan te kleden, voor te bereiden, niet weg te stoppen, maar bij voorbaat toe te geven, met de beste zorgen te verplegen en vooral niet een eigen leven te laten leiden, maar daarentegen te onderwerpen aan een eigen finaliteit die haar onmisbaar maakt.

 

In dit zevende hoofdstuk werpt Bart Stouten meer dan een terugblik op het verleden. Een ontmoeting met Peter Handke, in verband met een uitzending op Radio 3, vormt het sluitstuk met als terugkerend motief zowel de muziek van Bach als het afscheid nemen van zijn piano: Ik moet diep leven, al het merg eruit zuigen, sterk en spartaans, en, zoals de Amerikaanse filosoof Henry Thoreau dan schreef, in mezelf alles wat geen leven is uitroeien, het leven in een hoek drijven en het terugbrengen tot zijn geringste voorwaarden.

Lees dit boek! Het is een meesterwerk.

Lucienne STASSAERT


Bart STOUTEN: Kersen eten om middernacht. Muzikale herinneringen, De Bezige Bij Antwerpen: 20,00 € (met dubbelcd: 36,00 €)

Partager cet article

Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

commentaires

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche