Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
De C. Buddingh'-prijs (1200 €) bekroont jaarlijks het beste Nederlandstalige poëziedebuut dat tussen 1 maart en 28 februari van het voorgaande jaar is verschenen. Dit jaar werden vier dichters genomineerd: Y. M. Dangre (°1987), Dennis Gaens (°1982), Marjolijn van Heemstra (°1981) en Lieke Marsman (1990).
De vier jonge dichters verdienen ieder aanmoediging, aldus Ron Rijghard in NRC Handelsblad, 'maar de prijs voor het meeste talent zou naar Marsman moeten gaan'. Jurre van den Berg stelde categorisch: 'Dit jaar zou het een daad van pure recalcitrantie zijn als de twintigjarige Lieke Marsman niet de C. Buddingh'-prijs krijgt voor haar intrigerende bundel'.
Piet Gerbrandy dacht er anders over en brak in De Groene Amsterdammer een lans voor Y. M. Dangre: 'Deze nazaat van de Occitaanse troubadours verdient de Buddingh’-prijs’.
De voorkeur van de jury − bestaande uit Anja de Feijter, Koen Stassijns en Maarten Elzinga – ging naar Lieke Marsman, die tijdens het 42ste Poetry International Festival Rotterdam de prijs ontving uit handen van Ingmar Heytze.
*
De voorkeur van de recensenten ging duidelijk naar de twee jongste dichters: Y. M. Dangre en Lieke Marsman.
Op de literaire weblog Tzum gaf Jurre van de Berg al zijn mening te kennen op 20 november 2010:
Het is een wonderlijk terugkerend verschijnsel dat jonge dichters neigen tot ouwelijk schrijven, maar verjongen naarmate ze ouder worden. (…)Wat ik mijzelf graag voorhoud is soms nog wat onevenwichtig maar toch vooral een eigenzinnig en meeslepend debuut. Dat Lieke Marsman nog grotere stappen gaat zetten in haar poëtische carrière ligt in de lijn der verwachtingen.
In Het Parool (30 december 2010) onderstreepte Victor Schiferli dat Marsman – 'een dichteres van wie we in de komende jaren veel zullen horen – een voorkeur heeft
voor proza-achtige gedichten, met breed uitwaaierende regels, maar soms is ze ook heel compact. Voor een jonge debutante heeft ze een duidelijke eigen toon: helder, weloverwogen en met gevoel voor de kracht van ritmiek en herhaling. Op dagboekachtige wijze doet ze verslag van herinneringen, gebeurtenissen en gedachten […] Humor heeft Marsman zeker, een prettig soort onderkoeld absurdisme dat aanspreekt, met daarbij een flinke dosis zelfrelativeringsvermogen: Met haar laconieke, geestige manier van filosoferen slaat Marsman geregeld de spijker op zijn kop.
Guus Middag (NRC boeken, 9 januari 2011) vond dat Lieke Marsman 'geen gedichten in de strikte zin van het woord' schrijft.
Het zijn grillig verlopende, vreemd uitwaaierende, prozaïsch gestemde poëziedagboekbladen. Ze lijken vaak licht en humoristisch, maar ze kunnen, zoals in het geval van het zwemlesvers, ook heel vilein zijn. Ze zien er uit als achteloos gebabbel, maar ze zitten vol met allerlei gedachtesprongen. Er is nauwelijks dichterlijke vormgeving, maar Marsman weet de verhaallijnen wel in de hand te houden – en aan het slot toch weer mooi bij elkaar te laten komen.
Een nieuw geluid zou ik Lieke Marsman niet willen noemen – daarvoor zijn haar toon, haar woordkeus en haar beeldspraak niet bijzonder genoeg. Maar een eigen blik heeft zij wel.
Op deReactor, platform voor literaire kritiek (19 januari 2011), onderstreept Peter van Lier:
Debuteren op je twintigste, dat komt niet zo vaak voor. In 1994 deed Mustafa Stitou dat met Mijn vormen, kort geleden Lieke Marsman met Wat ik mijzelf graag voorhoud. Marsman beschrijft in deze bundel de ervaringswereld van de adolescent. Nog niet eerder zag ik het specifieke van deze levensperiode zo inzichtelijk beschreven. Marsman toont de adolescentie niet als een fase in het leven met een eigen identiteit, maar als de periode waarin kindertijd en volwassenheid elkaar treffen. Juist door de samenkomst van een nog bijna kinderlijke onbevangenheid en de (in potentie) onstuitbare denkkracht van een volwassene krijgen de gedichten een hele specifieke spanning en bekoring.
Op de voortreffelijke Zuid-Afrikaanse blog Versindaba (28 februari 2011) stelt Luuk Gruwez vast dat het debuut van Lieke Marsman 'door enkele Nederlandse recensenten bejubeld [wordt] als een der beloftevolste debuten van de jongste jaren':
Daar valt inderdaad veel voor te zeggen, hoewel – zoals steeds bij een debuut dat boven het maaiveld uitsteekt – het klassieke gevaar van overschatting dreigt. Waarom charmeert deze poëzie? Lieke Marsman is jong en fris. Op foto’s die men in de pers gretig van haar afdrukt, oogt zij ontwapenend. En zij staat er: haar gedichten laten voor iemand van haar leeftijd een onmiskenbare eenheid van toon horen, iets wat haar blijkens een uitspraak in een interview na aan het hart ligt. Vrijwel alles in haar bundel is herkenbaar uit dezelfde pen gevloeid. Wat zij schrijft zijn absurdistische reflecties, meditaties, bespiegelingen. En als Marsman haar bestaan niet bijeen denkt of droomt, verzint zij het wel.'
*
De laatste jaren komt 'een opwindende hoeveelheid bovengemiddeld poëtisch talent' op, aldus Erik Menkveld (de Volkskrant, 11 juni 2011). Hij typeert Dangre als 'een echte bevlogen liefdeszanger met decadente trekjes':
Soms is hij nog wazig, te gewild 'poëtisch'; er tuimelen nog wat veel beelden en grote woorden over elkaar die elkaar vervolgens voor de voeten gaan lopen. […] Maar aan lef, talent en power ontbreekt het deze bruisende neo-Rimbaud niet. Van hem kunnen we ongetwijfeld nog veel verwachten. […] Dangre leunt nog sterk op zijn grote voorbeelden en voegt daar naast zijn flair vooralsnog vooral zijn eigen onhandigheid aan toe.
Janita Monna heeft het in Trouw (11 juni 2011) over 'een vet jaar voor poëziedebuten'. Meisje dat ik nog moet van Y. M. Dangre is 'een buitenbeentje':
Zijn liefdesverzen laten een bijna ongewone volwassenheid zien voor een zo jonge dichter. (Meermaals vroeg ik mij af of dat mysterieus klinkende Y. M. Dangre geen pseudoniem is voor een al langer publicerende dichter.) Hij klinkt hooggestemd en ook ironisch […].
Wat ik mijzelf graag voorhoud is een 'onbevangen, maar doordracht debuut':
Marsman heeft een acrobatische geest: overwegingen, droombeelden en herinneringen kunnen bij haar aanleiding zijn voor een uitdijend heelal van gedachten. Over de relatie tussen het ik en de buitenwereld, de stad, mens, taal, poëzie. Ze kan haar gedachten zo aanschroeven, dat je lijkt te verdwalen in haar woordenvloed. […] Maar uiteindelijk raakt ze de weg nooit kwijt.
Wie van deze jonge dichters het meest nieuwsgierig maakt naar volgend werk? Ik ben benieuwd naar de weg die Y. M. Dangre na zijn debuut zal inslaan, en vooral naar wat Lieke Marsman in een volgende bundel gaat doen.
*
Principieel had ik het juryrapport over Marsman gepubliceerd, maar het hangt aaneen van citaten en verwijzingen (Wordsworth, Seamus Heaney over Sylvia Plath...) terwijl enkele (weinigzeggende) regels over de bekroonde bundel gaan...
Dan maar lievergeronde oordeel van de jury over 'de heer' Dangre.

De meest excentrieke bundel van het afgelopen jaar is zonder enige twijfel Meisje dat ik nog moet van Y. M. Dangre. Niet omdat de heer Dangre zo experimenteel of vernieuwend zou schrijven, maar omdat hij zich integendeel durft te bedienen van een idioom dat aanknoopt bij de oudste tradities van de Europese liefdeslyriek.
Uitbundig in zijn zinnelijkheid, in zijn synesthetische beeldspraak, geëxalteerd in zijn bezwerende recitatieven, heeft dit werk toch een bijna ascetisch karakter door de monomane toewijding waarmee Dangre bij zijn onderwerp blijft - de liefde in haar meest zintuiglijke, anti-platoonse gedaante - en van daaruit de allegorische resonantie met de kunst en de dood opzoekt. In het parlando-koor van hedendaagse intimisten is Dangre een van de weinigen die voluit durft te zingen en te bezingen. Het quasi klassieke vocabulair en de afwezigheid, nagenoeg, van verwijzingen naar het moderne leven verlenen deze minnezangen een zekere tijdloosheid. Modern, ongehoord zelfs, zijn ze door de consequent ontwrichte, briljant verhaspelde zinsbouw, hun specifieke lichtvoetige virtuositeit - en in de homeopathische druppel ironie die er – Dangre zij dank - in is bijgemengd. Een bastaard van Hugo Claus en Louise Labé in ons taalgebied: dat is een verbluffende aanwinst.
*
Lieke Marsmans bundel werd ook bekroond met de tweejaarlijkse Debuutprijs Het Liegend Konijn. De laureate krijgt 2500 €, de publicatie van één gedicht (in casu 'Oerknal') dat vertaald wordt in de 23 officiële EU-talen, en de integrale vertalingen van haar werk in het Frans, Duits en Engels. De jury – bestaande uit Jozef Deleu, Marjoleine de Vos, Erik Menveld, Willem Thies en Joke van Leeuwen – was erg onder de indruk van Wat ik mijzelf graag voorhoud.
Uit het juryrapport:
In Wat ik mijzelf graag voorhoud verschuift Lieke Marsman het brandpunt van haar blik voortdurend. Marsman onderzoekt tastend, speels en beschouwend werkelijkheid en taal. De lezer volgt de dichteres in haar denkbewegingen – hij is getuige, wordt deelgenoot.
Dat maakt deze bundel zo intrigerend. Er is een 'vertrekpunt' en er is, na vele lussen en wendingen, een 'uitkomst' en daartussen gebeurt het gedicht. Het voltrekt zich via redenerende stappen en associatieve sprongen, via paradoxen, parallellen, vergelijkingen en metaforen.
Marsmans poëzie wekt de indruk dat zij ter plekke ontstaat en zich ontrolt, alsof de dichter zélf verrast wordt door de loop en monding van haar gedachten – gedachten over dromen, herinneringen, gebeurtenissen, de taal. Maar hoezeer de focus telkens ook wordt verlegd, de gedichten zijn van A tot Z helder, de beelden treffend, de verzen welluidend.
De officiële uitreiking van de Debuutprijs Het Liegend Konijn- 2011 vindt plaats op dinsdag 27 september 2011 in de Nederlandse Ambassade in Brussel. Iedereen welkom!
HFJ