Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
Wim van Rooy
Tot de jaren zestig van de 20ste eeuw sleepte het grote moderne taalverhaal zich voort, met een schrijver als Jeroen Brouwers, die zowat de helft van alle Vlaamse romans herschreef, met iconen als de pijnlijk articulerende Fons Fraeters, de wat nuffige Annie van Avermaet en de stijfdeftige Marc Galle, in de jaren zeventig tachtig afgelost door de blauwe brieven van taalbeul Eugène Berode. Die sleepte zijn taaltrots nog mee naar het eind van de eeuw, mompelde nog wat over tussentaal, maar dan was het gedaan. Vanaf dan gingen de taalremmen, die vanaf de jaren zestig al waren afgesleten, volledig los: anything goes werd het devies van een pomogeneratie, de kinderen en kleinkinderen van de taal- en andere bevrijders van de jaren zestig. De generatie ’68 wilde immers niet alleen het kapitalisme verslaan, ze introduceerde ook een al bij voorbaat obsolete, neomarxistische woordenschat die, naar later zou blijken, Orwell in de schaduw stelde en Gramsci navolgde. Spraken Fraeters en Van Avermaet als ‘volksverheffenaars’ nog traag en plechtstatig omdat ze verstaan en begrepen wilden worden, dan slikt men nu letters in, spreekt iedereen zowat zijn eigen ADHD-taal, is joligheid een pluspunt en gaat het staccato. Wie ’s morgens naar de klassieke zender Radio 4 luistert en Maartje van Weegen hoort kakelen, weet niet wat hij meemaakt: Maartje spreekt nauwelijks één woord helemaal uit, slikt woorden in, is de achteloosheid en de slordigheid zelve, en is soms nauwelijks verstaanbaar. Dus ook Nederland wordt geïnfecteerd door het postmoderne virus: het komt er immers allemaal niet zo op aan! Vroeger wilde de Vlaming ook via zijn taal aan volksverheffing doen, terwijl hij / zij vandaag zo individualistisch is geworden dat hij ervan uitgaat dat iedereen zowat zijn eigen taal mag spreken. Het vreemde daarbij is, dat niemand zich nog bewust is van enige taalfout: de Vlaming is de taalfout ver voorbij. Hij is op een rare manier geëmancipeerd, gede-emancipeerd als het ware. In een ‘Brief van de Dag’ in de Standaard van 31 maart 2011 merkt filosoof en ethicus Etienne Vermeersch nagenoeg hetzelfde op: “Ik ben eveneens diep beschaamd dat het Algemeen Nederlands, waarvoor wij sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in ABN-kernen gestreden hebben, het in allerlei contexten, zelfs in het theater, moet afleggen tegen een (veelal onzuiver) dialect aan de ene kant en een ‘wete-gij’-Vlaams aan de andere kant”; voorts spreidt hij een soort heimwee tentoon naar de tijd dat Vlaamse ambtenaren behoorlijk Nederlands praatten, toen het taalgebruik in de Vlaamse media nog onder druk stond van de modernistische idee van een ‘Algemeen Nederlands’. Vanaf de jaren tachtig echter begon de ADHD-verslonzing, de verkleutering en de ‘opleuking’ van het taalgebruik, een evolutie die parallel liep aan de intrede van het postmodernisme in de samenleving. Dat had een broertje dood aan hiërarchieën, was gecharmeerd van het gezagsloze, de wanorde en het relativisme, een ontwikkeling die al lang in gang gezet was door de soixante-huitards, en die nu haar apogeum bereikte bij hun kinderen en kleinkinderen.
Vlaanderen, zo dachten velen, was geëmancipeerd, bezat culturele autonomie en véél meer; vanaf dan echter begon ook het grote taalbashen, de wilde individualisering van de taal, de afbraak van de idee dat er regels zijn, het diaboliseren van het normatieve, spijts alle zogenaamde interesse voor het Nederlands. Het was en is een deel van het postmodernisme, het weren van elk groot verhaal, dat als onderdrukkend wordt gepercipieerd. In het vervolg had ieder zijn of haar eigen verhaal, modieus-deconstructivistisch ‘narratief’ genoemd, zijn of haar eigen opinietje. Ook het normatieve in het Nederlands werd gedegradeerd, zoals alles naar de filistijnen werd geholpen, want ook op andere gebieden sloeg de grote Kladdaradatsch toe: het gerecht functioneert niet, de wegen liggen er slecht bij, de treinen rijden niet op tijd, het onderwijs werd in goede sovjettraditie een pensée unique/pravda opgedrongen, waardoor onder elke school een veenbrand sluimert, de immigratie is bandeloos, nieuwe vormen van criminaliteit krijgen alle kans, de wetgevende macht is permanent onderhorig aan de uitvoerende macht, het juridisme houdt het fatsoen in een houdgreep terwijl het zelf aanvoert de rechtsstaat te beschermen, de bonussencultuur tart elke ethica, enzovoort, enzoverder. Het postmoderne levensgevoel leidt op die manier tot een bananenrepubliek. Ook de taal dus werd postmodern, anomisch, antinormatief, slordig, idiolectisch. Was en is dat erg? Taalkundig beschouwd kan men stellen dat taal leeft, en dus voortdurend verandert, dat regels vaak archaïsch en willekeurig zijn, dat een taalgemeenschap voortdurend evolueert, dat bepaalde taalfenomenen die vroeger als fout werden aangemerkt vandaag als correct worden beschouwd, dat klachten over taalverval en taalverloedering van alle tijden zijn, dat taalpausen hun status natuurlijk zelf dik in de verf zetten en con gusto als hogepriesters voor het taalaltaar fungeren. Maar is er toch niet meer aan de hand?
Wim VAN ROOY
(wordt vervolgd)