Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
13 février 2013 3 13 /02 /février /2013 20:50

 

Het Berlijnse Filmfestival is wereldberoemd. Zijn evenknie is dat niet en dat is jammer. In zijn genre, het festival, staat het hoger in aanzien dan het theaterfestival van Avignon, dat door de echte kenners toch eerder als een propagandafestival beschouwd wordt. In Berlijn ligt de klemtoon op de theatermakers, in Avignon op het festival zelf.

 

Zoals dat gebruikelijk is bij alle festivals heeft de zeven leden tellende jury de voorbije maanden 420 producties bekeken. Op de laatste bijeenkomst, zaterdag 10 februari, heeft de jury een beslissing genomen. Het resultaat werd gisteren wereldkundig gemaakt: tien voorstellingen zullen van 3 t/m 9 mei 2013 te zien zijn. Opvallend is dat ze allemaal afkomstig zijn uit slechts drie landen: Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

 

Het lijkt een bizarre zaak, op het eerste gezicht, ware het niet dat net die drie landen hoog scoren op de kwaliteitsladder. De reden hiervoor is niet ver te vinden. Ze investeren in theater. Aangezien dat in de andere Europese landen niet het geval is, is dat aan de kwaliteit te merken. Al zijn er uitzonderingen. Toneelgroep Amsterdam verdiende een bezoek van de jury. Ongetwijfeld heeft meegespeeld dat niet alleen de financiële maar ook de morele houding van de overheid tegenover het theater een bezoek heeft verhinderd. De desinteresse blijft niet binnenskamers. Die is sneller de grens over dan eender welke hogesnelheidstrein.

 

Genoeg gezeur. Een blik op het programma van de 50ste Berliner Festspiele. Daaruit blijkt dat twee ons vrij goed bekende mensen in de prijzen vallen. Twee die het in eigen land voor bekeken hielden, precies door die neerbuigende houding van hun overheid. Ze kregen elders de ruimte, de macht en het geld die bij hun status en het theater als prominent maatschappelijke plaats past. En niet toevallig zijn het twee theaterleiders die prachtige producties maken, vertrekkend vanuit een dwingende sociale boodschap.

 

Van Luk Perceval en zijn gezelschap, het Thalia Theater Hamburg, is Jeder stirbt für sich allein, een bewerking van een stuk van Hans Fallada uit 1947 te zien. Daarin wordt de nadruk gelegd op de eenzaamheid van de burger in een grootstad, zelfs al participeert hij aan het sociale leven. Iedereen staat er alleen voor, er valt niet aan te ontkomen, wat hij ook onderneemt.

Van Johan Simons werd een stuk van een van zijn meest geliefde auteurs gekozen, Die Straße. Die Stadt. Der Überfall van Elfriede Jelinek. De relativiteit van de luxe, zoals die in München bestaat, wordt in het stuk sterk benadrukt. Aan grandeur en parade geen gebrek in de rijkste stad van Duitsland, en iedereen gedraagt er zich naar. Om het gebrek aan kunstontwikkeling achter te verbergen, volgens Jelinek. Het stuk werd door de auteur speciaal voor die stad en het gezelschap van Johan Simons geschreven, de Münchner Kammerspiele.

 

De gekozen producties en de uitvoerige motivering van de selectie door de jury kan de lezer vinden op www.berlinerfestspiele.de. In het Engels. Succes.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
10 février 2013 7 10 /02 /février /2013 22:00

 

SarahKane.jpg

De Britse toneelschrijfster Sarah Kane is het bekendst om de blitse start van haar carrière in januari 1995 en de wijze waarop die eindigt in februari 1999: zelfdoding. In vier jaar en een maand schreef ze vijf stukken waarvan de laatste drie door Johan Simons gebundeld werden tot één voorstelling. Het werd ook de titel: Gesäubert / Gier / 4.48 Psychose.  Na de première in januari 2012 in het eigen theater, Münchner Kammerspiele, is de voorstelling aan een wereldreis begonnen. Met een halte in De Singel, Antwerpen, 9 en 10 februari.

 

Wie het drieluik ziet begrijpt waarom Sarah Kane uit het leven stapte, maar aanvaardt het niet. Zij aanvaardde het zelf niet. De dood kan niet beter zijn dan het leven. Toch koos zij voor de dood. Het leven was niet het leven wat zij voor het leven hield. Niet dat ze egocentrisch was. Zou zij dat wel geweest zijn, zou ze niet zulke maatschappelijk relevante stukken geschreven hebben. En dat ze maatschappelijk relevant zijn bewijst het succes en de internationale erkenning. Het toont aan dat de mensen, tenminste zij met een redelijke ontwikkeling, altijd iets af willen leren. Af,ja. Het theater ligt in het verlengde van de school. In de school leer je iets aan, in het theater iets af.

 

Vóór haar derde laatste stuk, het eerste van Simons’ drieluik, Gesäubert  [Cleansed], schreef ze het scenario van een kortfilm. Hij werd voor het eerst uitgezonden op 17 juni 1997 op Channel 4. Wie de eindscène voor zich ziet, begrijpt nog meer dan door het zien van het drieluik wat Sarah Kane bracht van het leven naar de dood. Billy [de hoofdrol] zit geknield voor de toiletpot. Hij kijkt naar Neville [de oude man] naast zich met een weke glimlach. Hij begint te snikken, laat zijn hoofd rusten op de toiletbril en schreeuwt zijn hart uit zijn lijf. Stilstaand shot op zijn aangezicht. Beeld verbleekt, ontschaduwt en lost op. Sarah Kane is klaar om haar testament te schrijven. Een passionele lijdensweg in drie delen.

 

Gesäubert  [Cleansed]

Een zaal van een psychiatrische instelling. Een dokter behandelt patiënten. Maar doet hij dat wel? Wat je als toeschouwer ziet is dat hij zijn ‘pupillen’ voor proefkonijnen houdt. Hij is een pervert. Hij is ziek. De patiënten zijn integendeel kerngezond. Waarom ze opgesloten zijn zegt Sarah Kane in toneelvorm: ze zien zo helder hoe rot de maatschappij is dat ze het willen uitschreeuwen, letterlijk en figuurlijk, op hun manier, maar de maatschappij begrijpt hen niet en verbant ze naar een gesticht. Probleem opgelost. Stoorzenders verwijderd. Een verhaallijn versterkt de spanning en biedt duiding.

 

Gier  [Crave]

Vier acteurs praten in het wilde weg. Zo lijkt het. In werkelijkheid zoeken ze naar het sleutelwoord in een uitspraak van een andere om in te breken in het gesprek om hun mening te uiten. Die onderbroken wordt door een derde. Ook hij/zij heeft een sleutelwoord gevonden. Zo is het ook in de huidige maatschappij, de club die vrij mag rondlopen en onzin uitkramen. En hoe groter de onzin is, hoe sneller de media er bij zijn. Die ook voortdurend inbreken, want ook zij willen hun marktwaarde verzilveren en betonneren. Op enkele ogenblikken na kan niemand zijn verhaal doen. En als hij dat toch kan is het een flard. Sarah Kane was heel wijs. Omdat iedereen enkel met zichzelf begaan is, in alle facetten van zijn/haar bestaan, heeft zij bewust gekozen voor het weglaten van een verhaallijn. Maar het wonderlijke aan dit stuk is dat al die losse uitspraken een moestuin vormen. Weliswaar een pijnlijke, maar wel een beeldende.

 

4.48 Psychose  [4.48 Psychosis]

Een pasklaar antwoord op de titel is er nergens te vinden. Dat zit in haar graf. Daardoor is de lezer / kijker / regisseur / archeoloog aangewezen op vermoedens. De meest logische lijkt me dat hij verwijst naar eigen biografische gegevens, vastgeketend aan autobiografische die voor haar wel een betekenis hebben, maar die ze wel onder woorden maar niet duidelijk kan maken tegenover de tegenstander door haar geestelijke toestand. Een aanwijzing hiervoor is een oneliner uit het stuk: ‘Weet je, ik voel me als iemand die wordt gemanipuleerd.’ Om even later te zeggen: ‘En mijn mening is het voorwerp van versplinterde fragmenten.’

Drie personages. Ze staan op het toneel maar zijn het wel personages? Zijn het geen tegenstemmen van haarzelf? De slotclaus sluipt in die richting: ‘It is myself I never met, whose face is paste on the underside of my mind.’

 

De voorstelling

Regisseur Johan Simons laat het eerste deel spelen door tieners, het tweede door jonge twens en het derde door volwassenen. Tussen het tweede en het derde deel is er echter wel een breuk. Een twen steekt heel wat denkwerk en emoties in de volwassenheidsvorming. Daarom is er een pauze. Daarom valt er kort voor het einde een motregen; in werkelijkheid miljoenen tranen. Daarom eindigt het tweede deel met een lied van John Lennon, muzikaal door Paul McCartney afgewerkt, A day in the Life. Het derde deel wordt ondersteund door een pracht van een naamloze compositie, gebracht door een kamerorkest [met vleugel]. De muziek heeft geen verklarende betekenis, eerder een ondersteunende. Koud, wild, de erupties van een vulkaan. Het vuur spuit in de lucht, de lava stroomt langs de wanden.

 

Conclusie

Wie een natuurstuk verwacht, gezien de knotwilg die Johan Simons is, komt bedrogen uit. Dit is een gestileerde introverte voorstelling van superbe kwaliteit. Door zijn schoonheid en keiharde confrontatie. Door de schoksgewijze verdwijning van de verhaallijn naar een sterrenstelsel in wording. Het siert De Singel dat het deze voorstelling op de affiche zet. Gesäubert / Gier / 4.48 Psychose hinkt, struikelt, wankelt, stottert… maar… het is niet mijn bedoeling iemand te beledigen… hoe mooi kan een handicap zijn? Sarah Kane bewees het. Johan Simons onderstreept het. De Singel gaf hem een troonzaal.

Guido LAUWAERT

www.muencher-kammerspiele.de

Partager cet article
Repost0
1 février 2013 5 01 /02 /février /2013 16:22

 

Pascale-Platel.jpg

Pascale Platel heeft een nieuwe onewomanshow. Altijd goed voor flink gevulde zalen. Zij mag gezien worden, heeft charme, is intelligent en kan alle plateaus aan. De keuken, de slaapkamer, het terras, de zolder, de kelder, de dorpel, overal blijft zij overeind staan. Als een kapitein aan het roer van zijn schip. Maar er staan en wat te vertellen hebben is andere koek. Daarvoor heeft Gezien de omstandigheden te korte beentjes.

 

Het verhaal is een rommeltje. Het springt van de hak op de tak. Uitzonderlijk een moment van teder gevoel. Het lost echter op, poef, alvorens het je hart heeft bereikt. Door sterk afgeprijsde oneliners. Ze slaan de inleving dood. ‘Morsdood, hoorde dat. Hoorde dat goed. Besefte wel wat dat betekent? Dat is niet om mee te lachen. Allez, ik kan daar niet mee lachen.’ Dat soort taaltje en plus. Gelardeerd met tientallen verkleinwoorden. Op een Gents bedje. Dat kan leuk zijn, voor vijf minuten of in een talkshow van Woestijnvis. Maar op het toneel?

 

Schaamte en jeuk, ja. Dat overvalt je. Omdat een vrouw waarvoor je een groot respect hebt voor een publiek gaat staan met vuile handen. ‘Bij wijze van spreken. Dat begrijpt ge toch… hoop ik. Allez, moest ik in ulder plaats zijn, ik zou het begrijpen. Want ik begrijp veel. Veel te veel. Omdat ik een vrouw ben. Een vrouw is geen man hoor. ’t Is te hopen dat ge het verschilt kent, of het is erg met u gesteld.’

 

Is het een sekssprookje, met tragische trekjes? En komische schuivers? Een verhaal over een verpleegster op de palliatieve zorg die de laatste wens van een stervende beeld en bijpassende klank probeert te geven? Is zij een masseuse, de minnares van een patissier? Een levende pop in een peepshow? Of is zij een fee op haar retour? Van alles wat en elk personage heeft een verhaal. Dat helaas te mager is om zich overeind te houden.

 

Pascale Platel zoekt de lach en krijgt die ook. Omdat ze leeft van uitsmijters. Jammer dat ze van de Aldi zijn. De naam van de winkelketen zit in haar programma. Altijd goed, hem te gebruiken als je naar sympathie hengelt, ‘want wie gaat er nu naar de Aldi? Niet de armen, maar de rijken. A ja, hoe zoude anders rijk worden?’

 

Gezien de omstandigheden wordt in de promotekst voorgesteld als ‘een seksueel sprookje met een realistisch einde’. Deze zin zegt wat ze graag zou willen zeggen, maar de uitwerking ervan is te smal en mist diepte. Haar feeënpersonage heeft geen vagina, volgens haar. ‘Dat vond ik zelf ook zeer spijtig.’ Wat uw dienaar zag, was dat al haar personages geen grond hebben. Er valt wat uit haar mond, maar wat is het? Braaksel met zoetzure saus waarvan de vervaldatum zelfs niet meer te lezen is.

 

Komaan, mevrouw Platel. Zoek eens naar een deftige tekstschrijver. Die van jouw basisidee een meeslepend verhaal kan maken. Dan zal je werkelijk uit de biecht klappen. Voor de schijn natuurlijk. Maar in het theater, en zeker bij een monoloog, moet de schijn zo geloofwaardig zijn, dat je er een hand voor over zou hebben. Of iets anders. ‘Allez, ge weet wel wat dat ik bedoel. Iets dat niet in de boekskes staat, maar in de broekskes zit. Zowel in dat van u als in da van mij.’

 

Jammer, jammer, jammer. Voor de duidelijkheid: de teksten tussen haakjes komen niet uit het programma, op één na, de kortste, maar scheren rakelings langs de stijl ervan. Gedurende één uur.

Guido LAUWAERT


GEZIEN DE OMSTANDIGHEDEN – Pascale Platel, solo – meer info: www.campo.nu

Partager cet article
Repost0
11 janvier 2013 5 11 /01 /janvier /2013 20:21

 

OrlandoDamen.jpg

Katelijne Damen

Is het een biografie, een sprookje, een tijdsbeeld, een biecht, een vlucht, een experiment? Orlando  is van alles wat. Virginia Woolf heeft met deze roman haar meest toegankelijke werk geschreven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het goed verkocht. Dat kan van haar andere werk niet gezegd worden. Dat zij een uitgever vond is te danken aan haar man Leonard Woolf, een socialistisch politicus. Van oorsprong journalist en bemiddeld richtte hij een uitgeverij op. De boeken van Virginia die Leonard uitgaf vonden aftrek in een kleine kring van Londense intellectuelen waarvan de Blooomsbury Group de kern uitmaakte. In het zog van de faam van de schrijfster en de krankjorume roman vond het Toneelhuis het passend het op de affiche te zetten. Als monoloog. Katelijne Damen zocht haar schaar en lijmpot en fabriceerde een monoloog die ze zelf ook speelt. Dat doet ze voortreffelijk. Jammer dat Guy Cassiers de regie en de vormgeving op zich nam.

 

Voor Cassiers zijn acteurs zetstukken in een concept waarin het flexibel behang dankzij computercapriolen de hoofdmoot vormt. En de acteurs krijgen in die vondsten een plek waarin nauwelijks plaats is voor bewegingsruimte. Alles is mathematisch afgebakend. De muziek en de belichting staat in functie van de beeldvorming. Dat heeft Cassiers nu al een aantal keren gefikst. Aanvankelijk tot ieders tevredenheid. Alles echter went, en gewenning brengt verveling. Met een monoloog moet je daarenboven extra op je hoede zijn. Eén speler vraagt soberheid en bescheidenheid in alles wat zich buiten de speler en de actie afspeelt. Maar dat weetje is aan Cassiers niet verkocht. Met als resultaat dat de eigenheid van Katelijne Damen, edele stijl en beheersing van stem- en lichaamstaal, verdrukt wordt en de voorstelling ijskoud is. Gevolg, Orlando raakt niet, is een vervelende productie.

 

Zoals gezegd Orlando, als roman, verkocht goed. De reden ligt hem in de natuur van de Britten. Dankzij het bezit van de halve wereld heeft de Britse cultuur een rijk palet, dat zich het sterkst uit in literatuur en toneel. De mooiste voorbeelden kregen vorm en inhoud met Laurence Sterne, Lewis Carroll, en als uitlopers Woodehouse, Dennis Potter en James Joyce. Zij speelden met genres ontleend aan de culturen van hun koloniën, met als uitschieter de Oosterse. Orlando  van Virginia Woolf is daar een treffend voorbeeld van. Via een sprookje met Perzische trekjes geeft zij gestalte aan haar geaardheid die ze zelf niet kent, maar hoopt daar met het schrijven van Orlandovat op te krijgen. Elke man heeft vrouwelijke trekjes en omgekeerd. Bij Virginia Woolf waren die zo dominant dat zij gezorgd hebben voor weerzin, angst, twijfel, driften… opgaand in waanzin en uitmondend in zelfdoding. Haar jeugdervaringen spelen ook een rol in haar gedrag en schriftuur. Op zesjarige leeftijd was zij reeds seksueel misbruikt door haar broer, zij had een tirannieke en labiele vader en haar moeder stierf al te jong, veel te vroeg.

 

De complexiteit van al deze zaken sloeg wel aan bij het Britse publiek. Het is het keurigste volk ter wereld. Schijn. Geen volk dat zo worstelt met zijn geestelijke en lichamelijke geaardheid. Om gek van te worden. De beste remedie hiertegen is zwarte humor. Dat wordt het best aangetoond in de kunst van de komische televisieseries, waarvan Falwty Towers het mooiste voorbeeld is. De mélange van de typisch Britse gedragsafwijkingen, weergegeven door Virginia Woolf in Orlando, naar eigen zeggen ‘te lang voor een grap en te frivool voor een serieus boek’, is echter niet te vinden in de nieuwste productie van het Toneelhuis. Het omgekeerde effect wordt erdoor bereikt. Het serieus sluipt de zaal in en zorgt voor koude voeten en een slaperig gevoel. De bescheiden lach die een paar maal uit het publiek oprijst, is enkel te danken aan de timing van Katelijne Damen. En omdat zij zich gaandeweg losrukt uit het gevoelloze concept haar opgedrongen door Guy Cassiers en zijn acolieten. Door een goede bui en omdat ik begaan ben met mevrouw Damen krijgt deze productie drie sterren. Zonder haar was een halve maan er teveel aan.

Guido LAUWAERT

 

ORLANDO– naar de gelijknamige roman van Virginia Woolf – productie Toneelhuis – www.toneelhuis.be

Partager cet article
Repost0
25 décembre 2012 2 25 /12 /décembre /2012 16:00

 

Balmer.jpgJean-François Balmer, Voyage au bout de la nuit

 

Voyager, c’est bien utile, ça fait travailler l’imagination. Tout le reste n’est que déceptions et fatigues. Notre voyage à nous est entièrement imaginaire. Voilà sa force.

Il va de la vie à la mort. Hommes, bêtes, villes et choses, tout est imaginé. C’est un roman, rien qu’une histoire fictive. Littré le dit, qui ne se trompe jamais.

Et puis d’abord tout le monde peut en faire autant. Il suffit de fermer les yeux.

C’est de l’autre côté de la vie.

*

Il y a souvent plusieurs histoires dans une histoire. Luister.

In 2005 verscheen bij Gallimard Hotel Lutetia van Pierre Assouline. Het is, zoals achteraan in de dankbetuiging staat, “een verzonnen verhaal, dat is geïnspireerd door de geschiedenis, er treden bestaande mensen in op onder hun eigen naam, en wat ze zeggen zijn hun eigen woorden, zoals deze zijn vastgelegd in boeken en artikelen, in niet-uitgegeven archieven of in getuigenverklaringen die ze me hebben toevertrouwd.”

Een fascinerend boek dat zich focust op de periode 1938 / 1945 van dit historisch hotel op de linkeroever van de Seine. In deze onstuimige tijd is Edouard Kiefer als detective verantwoordelijk voor de veiligheid van het hotel en zijn gasten. Via die insteek komt de auteur terecht bij de somberste periode van het hotel, de bezetting door de nazi’s van 15 juni 1940 tot midden april 1945 en van 29 april tot augustus van dat jaar als opvangcentrum voor overlevenden van de nazi-kampen. Administratieve formaliteiten, medische verzorging en sociale ondersteuning zorgden voor een geleidelijke overgang naar een nieuw burgerleven.

 

Bij een van mijn wilde stadswandelingen, sta ik plots voor het lievelingshotel van generaal Canaris. Ik ben gek op hotels. Als ik de kans krijg logeer ik er of loop op z’n minst eens langs. In Luxor Egypte is dat Hotel Old Cataract. Het was het favoriete hotel van François Mitterrand. Je kan er niet zomaar in. Om de voyeurs te weren wordt aan de bezoeker door de portier aan de ingang van de omliggende tuin een toegangsprijs gevraagd. Je krijgt voor dat bedrag wel een luxueuze middagthee mét koekjes. In de kiosk van de tuin, aan de boord van de Nijl heb ik er enkele uren doorgebracht, gezeten in de stoel van Mitterrand. De man van ‘Et alors?’. Een voorbeeld van hoe met een paar simpele woorden geile gulzigaards van journalisten die zich een air aanmeten van heldenfiguren, de mond gesnoerd kan worden.

In het beroemde Mena House Oberoi, pal naast de piramides gelegen, heb ik ontbeten. Aan de balie is een folder beschikbaar, al moet daar flink naar gezocht worden. Aan het uitzicht te zien is hij gedrukt op een offsetmachine van de eerste generatie. De slotzin van de promotekst eindigt met namen die er logeerden, waaronder Winston Churchill, ‘and last but not least, Jane Fonda.’ Het hotel duikt op in een stripverhaal van Edgar Jacobs. In Het geheim van de Grote Piramide logeert professor Mortimer er. Kort voor zijn dood hebben we het nog over deze stripserie gehad. Zijn favoriete album was Het Gele Teken. Over wie ik het heb? Jotie T'Hooft. Hij had een boontje voor de schurk, kolonel Olrik.

Ga ik naar een voorstelling in Den Haag maak ik dat ik ’s middags arriveer en installeer me in de lobby van Hotel des Indes. In het Brusselse Hotel Métropole logeerden de topdichters van de Nacht van de Poëzie. In 1980 William Burroughs, in 1984 Allen Ginsberg, Gregory Corso, Jevgeni Jevtoesjenko, Roland Topor. Ook Hugo Claus en Harry Mulisch verbleven er. Laat op de ochtend na de Nacht was er een gezamenlijk ontbijt. Iedereen bleef maar eten en drinken. De rekening liep op. Een week later viel ze in de bus. Ik zat krap, gooide die weg. Een herinnering volgde. En een tweede. Met dreigementen. Advocaten, processen et cetera. Kort daarop werd het hotel overgenomen door een Amerikaanse keten. Van de rekening heb ik nooit meer gehoord. Als je niet in paniek geraakt, komt alles op een dag goed.

 

De architectuur van die luxeverblijven van de hotels op jaren mag dan bombastisch zijn, zolang ze de hand van de bouwmeester vertoont ben ik verkocht. En als de lobby nog steeds een koloniaal geurtje heeft. En plus een flinke brok geschiedenis. In het geval van Hotel Lutetia mankeert het niet aan kleine en grote histories, en mensen die het hotel naar een hoger niveau hebben gekatapulteerd. Juliette Gréco in de eerste plaats, maar ook James Joyce, met in zijn zog zijn secretaris Samuel Beckett, maar ook Charles de Gaulle. Hij en zijn vrouw brachten er hun wittebroodsweken door en in juni 1940 sliep le général er de nacht voor zijn vlucht naar Engeland. En niet te vergeten Ernest Hemingway. Zijn favoriete kamer heeft zijn voornaam gekregen, maar verwijst tevens naar de andere Engelstalige auteurs van de Lost Generation die er over de vloer kwamen. Onder meer de mentor van de club, Gertrude Stein.

 

In het voormalige zwembad van Olympische afmetingen, uiterst links van het hoekhotel, in een stijl die balanceert tussen art nouveau en art deco, is een winkelgalerie gevestigd. Ik wandel van stand naar stand. De etalages liggen vol kerstcadeautjes. Ze mogen dan wel gesigneerd zijn door vuurspuwende modemakers, het is nutteloze rommel. Een kat zou die dingen kunnen ontwerpen! Als hij maar wou. Maar hij wil niet. Slechts mensen met een zwakke persoonlijkheid hebben die spullen nodig. Over een week zijn die superdure dingen afgeprijsd. Hoe weinig zijn ze dus maar waard. Dit en nog veel meer schiet door mijn hoofd als ik nu eens links kijk, dan weer vertraag voor een familie die nog gauw een pak poen kwijt wil, als ik plotseling blijf staan voor de ingang van het koffie- & theesalon. Een gezette man kijkt naar mij, zo intens dat hij mijn blik vangt. Hoelang hebben wij elkaar in de ogen gekeken? Lang genoeg voor een kennismaking. Ik zeg mijn naam, hij de zijne. Jean-François Balmer. Juist. De acteur. Geen ster als Gérard Depardieu maar toch een asteroïde.

 

We nemen plaats in het salon en bij een voortreffelijke koffie plus calva vertel ik waar ik vandaan kom en wat de reden is van mijn bezoek aan Parijs. Waarop hij me vraagt wat ik die avond doe? Niets speciaals, zeg ik. Hij nodigt me uit op de voorstelling die hij die avond speelt in het Théâtre de l’Œuvre. “Mon cadeau de Nöel pour toi.

Et c’est quel spectacle?vraag ik.

Voyage au bout de la nuit, antwoordt hij. ‘Tu connais quand même le roman extraordinaire de Céline ?’

Ik zak haast door mijn stoel. “Certainement! J’ai joué le Voyage dans les années quatre-vingt en Hollande et en Flandre. Comme monologue.

Et bien merde, c’est que je fais aussi. En solo. Et ça me plaît beaucoup. Ça a commencé sous forme de lecture et peu à peu ça c’est transformé.Hij keek op zijn horloge. “Bon dieu… je dois partir maintenant. On se voit après le spectacle? Suit le chemin des toilettes. Il y a une porte avec une pancarte Entrée Interdite. C’est là. Le foyer des artistes.”

Een paar uur later sla ik de wijk en de straat in waar het theater gevestigd is, Paris 9, rue de Clichy. Meteen schieten de eerste zinnen van de eerstgeboren roman van Céline mij door het hoofd:

Ça a débuté comme ça. Moi, j’avais jamais rien dit. Rien. C’est Arthur Ganate qui m’a fait parler. Arthur, un étudiant, un carabin lui aussi, un camarade. On se rencontre donc place Clichy. C’était après de déjeuner. Il veut me parler. Je l’écoute. « Restons pas dehors ! qu’il me dit. Rentrons ! » Je rentre avec lui. « Cette terrasse, qu’il commence, c’est pour les œufs à la coque ! Viens par ici ! » Voilà.

Het zijn ook de eerste regels van de monoloog. Logisch. Het is de openingsalinea. Aan het eind van de jaren zeventig had ik het boek een eerste maal gelezen. Het was Louis Paul Boon die mij de richting van de Céline had gewezen, met de zin op de eerste bladzijde van De Kapellekensbaan: “of zult gij het leven binnen tijd en ruimte hardnekkiger geselen dan in de voyage au bout de la nuit?” Ik denk niet dat een ander boek meer indruk op mij gemaakt heeft. Nog tijdens de lezing wist ik dat ik er ooit een monoloog van zou maken. Niet veel later was het zover. Toen ik zelf mijn favoriete passages had aangestipt en na drie nachten en twee dagen bezig te zijn geweest met schaar en lijm de tekst in mijn opperhoofd stampte, kwam François Beukelaers een keer langs. Nog maar goed en wel bezig of hij onderbrak mij en zei: “Dat is het. Dat eerste blokje is het hele boek. Zo moet je het bekijken. Want als Bardamu niet was meegegaan met Arthur was al de ellende die erop volgt nooit gebeurd.”

 

Het is de sleutel geweest van het succes. En nu, in Parijs, hoor ik dat Jean-François Balmer dezelfde weg heeft afgelegd. Zijn bewerking is haast identiek aan de mijne. Hij trekt volop de kaart van Bardamu, zijnde Céline zelf. Ik heb andere personages bij momenten voorop geplaatst. Bardamu niet buiten maar opzij gezet. De slotalinea dan weer verschilt niet van de mijne, op het tempo na. Hij holt door de tekst, terwijl ik tergend langzaam uitbolde. Het is vroeg in de ochtend en Bardamu/Céline kijkt uit het raam en ziet de dag opdagen. En met de dag de arbeiders die naar hun werk trekken.

 

On ne voit bien d’eux que leurs figures pâles et simples ; le reste est encore à la nuit. Il faudra bien qu’ils crèvent tous un jour aussi. Comment qu’ils feront ? Ils montent vers le pont. Après ils disparaissent peu à peu dans la plaine et il en vient toujours des autres, des hommes, des plus pâles encore, à mesure que le jour montent de partout. Àquoi qu’ils pensent ? … De loin, le remorqueur a sifflé ; son appel a passé le pont, encore une arche, l’écluse, un autre pont, plus loin… Il appelait vers lui toutes les péniches du fleuve toutes, et la ville entière, et le ciel et la campagne et nous tous qu’il emmenait, la Seine aussi, tout, qu’on n’en parle plus.

 

Na afloop van de voorstelling zie ik Balmer opnieuw. Niet als Céline maar als zijn eigen zelve. Hij wordt omstuwd door vrienden. En een vijftal jonge actrices. Hun gepraat is goedkoop slijmwerk. Doorzichtig als glas. Via kreetjes van bewondering proberen ze in de gunst te komen. Misschien dat hij hen aan een rol in een toneelstuk, een film, een televisieserie kan helpen. Ze denken, overal, in Frankrijk, in Nederland, in België… dat je vanaf een zekere leeftijd alles gedaan krijgt. Door je bekendheid. Je relaties, je netwerk zoals dat heden ten dage heet. Al dat geklets over het theater, een carrière, dat kan me geen laars schelen. Voor mij is het altijd oorlog in de theaterwereld. Is het vroeger zo geweest en zal het nooit ophouden. Bovendien is het theater een gesticht. Waarom zou ik me daar dan druk over maken? “Je te télèphone demain”, hoor ik hem een paar maal zeggen, maar ik weet dat hij het niet zal doen. Hij stapt op me af en vraagt naar mijn oordeel. Ik wil hem niet zeggen dat zijn ijdelheid de voorstelling parten speelt. Dat hij niet Bardamu wordt, maar Jean-François Balmer blijft. Dat hij elke lopende zin laat opstijgen. Nooit eens neerlegt. Te weinig variatie in de voordracht.

Ik zeg hem wel dat hij goed begrepen heeft dat gekmakende geluiden leiden naar weer een nieuwe stap op de reis van Céline. De kogelregen in het eerste deel aan het Vlaamse front. De nachtdieren in het oerwoud van Afrika en de nooit versagende tamtam, de briesende woestheid van het bandwerk in de Fordfabrieken van Detroit, en de huishoudelijke ruzies in de woonblokken van de Parijse voorsteden, die op zaterdagmiddag hun hoogtepunt bereiken met het slaan door de vader van zijn kinderen, omdat die niets gepresteerd hebben op school. Het is een drogreden. De echte reden van het afwentelen van zijn frustraties is het besef dat maar niet tot hem wil doordringen, want dan zou hij ze niet slaan, dat hijzelf een mislukkeling is, een sukkelaar, een zielenpoot, un pauvre con.

 

De acteur signeert mijn programmaboekje. We nemen afscheid. Stuur hem terug naar oude dametjes die hem aanraken en zeggen wat een groot acteur hij is, dat deze voorstelling een schouwburg verdient in plaats van een bonbon, dat ze onder de indruk waren. Ik kan zulk gezever nooit lang aanhoren en verlaat het pand. Het is kort voor middernacht en ik begin aan een lange wandeling door Parijs. Ik denk aan de opdracht vooraan in de roman, als een gebed om de reis te maken naar zijn wens en woede. De opdracht waarmee dit verhaal begint. Af en toe duikt het liedje dat nog vóór de opdracht staat, het Chanson des Gardes Suisses (1793). Bij momenten bolt het in mijn mond en rolt van mijn lippen.

 

Notre vie est un voyage

Dans l’hiver et dans la Nuit

Nous cherchons notre passage

Dans le Ciel où rien ne luit.

Guido LAUWAERT

Voyage au bout de la nuit – Théâtre de l’Œuvre – Jean-François Balmer – www.theatredeloeuvre.fr

Partager cet article
Repost0
19 décembre 2012 3 19 /12 /décembre /2012 14:59

 

TA_NDRPER_c-Jan-Versweyveld_highres-copie-1.jpg

Cineast Ingmar Bergman heeft een helder parcours afgelegd, zijn palmares bekijkend. Het centrale gegeven blijft echter altijd gelijk: Heeft het toneelleven zin?

Een tweede merkwaardige zaak is zijn visie dat het individu onderdeel is van de maatschappij. Film na film, en dan hebben we het over de films waarin Bergmann onzichtbaar maar dominant aanwezig is, verschuift de klemtoon. In zijn eerste film uit 1944, De kwelling, heeft elke mens zijn sociale plaats en waarde, en dit binnen de morele wetten van de maatschappij. In zijn latere films speelt de maatschappij niet langer de hoofdrol, maar het individu. Het openbare leven wordt verruild voor het innerlijke. Het duidelijkst komt dat tot uiting in Vrouwendroom, De maagdenbron, Persona, Het slangenei, een zwaar onderschatte film, en de televisieadaptatie Na de repetitie.

 

Ivo van Hove is een lepe kerel. Hij heeft van twee van de genoemde titels één toneelstuk gemaakt. Niet vermengd maar tegenover mekaar gezet, gescheiden door een pauze. Hij maakt dat twee geestelijke oorlogen de toeschouwer duidelijk worden. Beide draaien om een actrice, die model staat voor al de spelers van het gezelschap.

Vertrekkend vanuit die overweging blijkt dat Na de repetitie/Persona een hommage is van Ivo van Hove aan zijn acteurs én een applaus van de acteurs aan de regisseur. De acteurs van Toneelgroep Amsterdam zijn klasbakken, maar sterren zijn ze nog niet bij hun intrede. Dat worden ze tijdens hun verblijf bij het hoofdstedelijke gezelschap. En eenmaal die status bereikt, zijn ze klaar om uit te zwerven. Het is opvallend dat geen vertrekkende acteur dat met slaande deuren doet. Er zullen wel eens botsingen zijn – overal is wat – maar ze wegen niet op tegen de knuffels. Heel die leerschool en de psychologische verhouding tussen beide partijen is prachtig in beeld gebracht door scenograaf Jan Versweyfeld

 

Na de repetitie speelt zich af in de besloten ruimte van de repetitieruimte. De regisseur [Gijs Scholten van Aschat] wil voor de zoveelste maal zijn droomstuk, Droomspel van August Strindberg opzetten, en is even nagebleven. De regie is nooit af. Daar worstelt hij mee. De crisis wentelt hij af op de jonge hoofdactrice [Karina Smulders], die na de repetitie een armband komt zoeken. Een uitvlucht om haar verliefdheid te uiten. De regisseur doorziet haar. Via een scène uit het stuk komt het tot een amoureuze scène. Die fake blijkt te zijn. Hij is al te ver in de droomwereld van het toneel. Niets helpt, zelfs geen herinnering, bij monde van een oude geliefde [Marieke Heebink]. Hij kan slechts liefde veinzen. Dat is zijn ware crisis. En daar moet je maar mee zitten en regisseren. Terwijl je het oprecht meent. Al die verliefdheden op dé favoriete acteur [m/v] helpen geen ene moer om de perfecte regie te realiseren. De problematiek van Na de repetitie weerspiegelt het leven van Ivo van Hove zelf.

 

Persona gaat ook die richting uit, maar deze keer staat niet het regisseren maar het acteren centraal. Tijdens een voorstelling blokkeert de actrice [Marieke Heebink] en zegt geen woord meer, ook niet na de voorstelling en in haar privé-leven. Naar de reden is het raden. Na afloop kan men zich een ‘voorstelling’ vormen. Dat zij een actrice is die haar teksten zegt en die met al haar gezonde twijfels de puinhopen van een zichzelf verwoestende maatschappij ziet. De rechtspraak, wat een voorstelling in wezen is, levert slechts applaus op van een voorname middenklasse.
Haar behandeling komt in handen van een verpleegster [Karina Smulders]. Volgens de dokter [Frieda Pittoors] is zij door haar lekkere nuchterheid de ideale persoon om de defecte actrice te helpen. Zij neemt de patiënt mee, weg van de ziekenkamer, naar de natuur, een buitenhuis aan het water. Door het oprakelen van belevenissen en hoe zij die verwerkte, laat zij de actrice inzien dat je niet zwijgend ten gronde moet gaan aan iets wat je niet kan veranderen; misschien is het compromis, de voorstelling, gewoon logisch. Je doet wat je volgens jezelf hoort te doen en laat gebeuren wat niet te vermijden is. Het hervinden van de machinerie en heel het mechaniek van haar maskers wordt niet getoond. De dokter vertelt het, alsof hij een les besluit in een aula vol studenten.

 

Jan Versweyveld heeft voor beide stukken een prachtige speelruimte gecreëerd. In Na de repetitie lijkt die niet naar de muil van het gezelschap. Maar de eerste ruimte is nodig om die van Persona te versterken. De overgang van de beslotenheid van de ziekenkamer naar de openheid van de natuur, en hoe de regisseur ermee omgaat, is werkelijk fabuleus. Niet onbelangrijk, is de muziektoets. Roeland Fernhout is een extroverte jongen, maar hij weet voor een voorstelling het introverte gevoel te vinden, de binnenbekleding om de kroon goed en vooral draaglijk op het hoofd te houden.

Gelukkig voor de toeschouwer bestaan er voorstellingen als deze. Ook hij verlaat het pand met de vraag of het leven zin heeft. Het antwoord is de voorstelling. Hij kan met een gerust gemoed huiswaarts.

Guido LAUWAERT

 

Na de repetitie/Personatot 22 december Stadsschouwburg Amsterdam – 31 januari t/m 3 februari in De Singel – 31 mei t/m 2 juni Kaaitheater – www.tga.nl

Partager cet article
Repost0
30 novembre 2012 5 30 /11 /novembre /2012 09:04

 

Niet enkel de kerk heeft zijn opperste hoogdag, Pasen. Ook het toneeltheater heeft zijn jaarlijkse feestdag. En aangezien die heuglijke gebeurtenis aan zijn tiende editie toe is, wordt de feestdag opgepompt tot een luxe-editie die in drie steden doorgaat. Niet toevallig de steden met een erkend stadsgezelschap. Maandag 10 december in de Antwerpse Bourla, de tempel van het Toneelhuis, dinsdag 18 december verhuist het hele circus naar de bollenschuur van de Brusselse KVS, en de derde party gaat door op maandag 10 januari 2013 in de datsja van het NTGent, de Gentse Minard.

In drie unieke toneelliteraire avonden komt het beste, het verrassendste en het meest onontdekte pennenwerk van het afgelopen decennium aan bod. 33 schrijvers betreden zélf het podium met drie fragmenten uit eigen toneelwerk van de afgelopen tien jaar. Ze krijgen extra stemmen van de acteurs van de huizen. Samen goed voor 99 toonaangevende teksten van het afgelopen decennium. Kortom: Shakespeare is dead, get over it (Paul Pourveur), de Nederlandstalige toneelliteratuur is springlevend.’ Het is de sleuteltekst waarmee Soirée Dramatique zich afficheert. Zegt veel over het hart, maar waar is de ziel?

Het project gaat uit van Schrijverspodium, een instelling die zich bekommert om de promotie van het toneelleven en het toneelschrijven. Toen het programma in mijn mailbox belandde, dacht ik, dat wordt weer een historische gebeurtenis. Historisch omdat het toneeltheater dringend nood heeft aan een flinke poetsbeurt. We hebben kwaliteit te over, maar zelfs kwaliteit moet om de zoveel tijd in de wasmachine. Een werkje van auteurs, acteurs én toeschouwers. De derde categorie wordt, mijns inziens, te vaak misbruikt. Bij het Toneelhuis wordt er geen rekening mee gehouden, bij het NTGent mag het meezingen maar niet meefluiten en bij de KVS moet het zien dat er in Afrika en zijn filialen, zoals de Modelwijk, niet enkel ellende is.

Een werkelijk volkspubliek bestaat er helaas niet meer. Wat er rest zijn verwante en aangetrouwde geesten. Maar ook die daagt slechts met mondjesmaat op, bij de première, voor de gratis hap en slok na het applaus. Een directe confrontatie tussen auteurs en acteurs enerzijds en toeschouwers anderzijds is dus dringend nodig. Soirée Dramatique is daarvoor het ideale geneesmiddel. Het jaarlijks Theaterfestival is een paradestoet. Het Schrijverspodium daarentegen is een forum dat de drie partijen dichter bij elkaar brengt, of dat althans sterker zou moeten doen dan in het verleden het geval was. De tiende editie is een goede aanleiding. Net als de gulden middenweg de lelijkste weg is die er is, is de automatische piloot een gevaar voor de toekomst van het theater. Volle zalen worden slechts gehaald aan dumpingprijzen en met programma’s die het pretgehalte van de televisieshows imiteren. Variaties op een thema. Toegegeven, het is niet allemaal kommer en kwel, maar de ondermaatse programma’s zijn te dominant.

En dat terwijl het toneeltheater de schepper van onze Westerse cultuur is. Poëzie is niet geschreven in het goddelijke Athene om gelezen maar om voorgedragen te worden. Uit dat voordragen is het toneel ontstaan. En het toneel is de spreekbuis geworden van het morrend volk. Na het politieke jaar volgde een Schrijverspodium. Het was de spreekbuis van de onvrede van de naamloze massa. Toen waren schrijvers nog de vertegenwoordigers van het volk. Nu zijn ze dat enkel nog van zichzelf. Ik heb de grootste waardering voor toneelauteurs, maar ze grijpen te dikwijls naar de actualisering van Shakespeare. Toneelstukken als Op hoop van zege en Het gezin van Paemel worden niet meer gemaakt. Waar is de nieuwe Molière, Brecht, Pinter, Albee, Miller, Williams. Goed, er is Sarah Kane, maar één vogel in de hand is geen tien in de lucht. We hebben of hadden Arne Sierens, Erik De Volder, Filip Vanluchene, maar wordt hun werk op het repertoire genomen na de lancering? In het amateurcircuit, ja, maar niet door beroepsgezelschappen. Het is dan ook begrijpelijk dat het toneel in de media tussen wal en schip valt. NRC Handelsblad is het enige blad dat tegen die stroom in vaart. In het wekelijks CS [Cultureel Supplement] op donderdag, op de pagina’s waar de merkwaardigste spektakels van het volgend weekend worden aangeprezen, voert theater de lijst aan. De keren dat het niet gebeurt, is door het beschamende aanbod van het moment.

Deze klaagzang is een pleidooi voor méér en beter toneeltheater. Want toneeltheater is de vierde macht van de maatschappij. En de enige plaats waar de acteur naar zijn werkelijke waarde geschat kan worden. Film geeft een vertekend beeld van de kunst van het toneel. Met driedimensionaal beeld wordt getracht de toeschouwer dichter bij het talent van de acteur[s] te brengen, maar het blijft artificieel. Slechts in het theater ziet men de acteur werkelijk leven. Niet toevallig dat zelfs wereldberoemde acteurs nood hebben om af en toe opnieuw het podium op te zoeken. Niet enkel om hun eigen bestwil, maar ook om wezenlijk de adem van de toeschouwer te voelen. Om die reden is Soirée Dramatique een pracht van een initiatief. En verdient de luxe-editie een groot succes. De media kunnen aan de opkomst meehelpen door eens niet op het programma te focussen. Wie durft het aan om het kritisch publiek op te vorderen? Want dat is er! Het moet alleen hulp uit de goede hoek krijgen.

Wat het toneeltheater dringend nodig heeft is een publieksopstand. De laatste stamt van een halve eeuw geleden. Die werd gevolgd door toeschouwers die midden in een voorstelling de zaal verlieten wanneer het getoonde hen niet beviel. Die houding is gaandeweg verpoederd. Zelfs bij een misbaksel van jewelste blijft het publiek zitten, en applaudisseert. Zoiets werkt nadelig voor de acteurs en de auteurs. Ze denken dat ze goed bezig zijn. En als het applaus kort en mager is, ja, dan komt het niet door slecht spel of een verkeerd publiek, maar door het ontbreken van de magische vonk. Idioot, belachelijk, treurig.

Ik heb vaak zin om halverwege de voorstelling op te krassen. Eén keer heb ik het gedaan. De halve theaterwereld schreeuwde moord en brand. Zoiets doet een criticus niet. Wat een pretentie, dacht ik. Hugo Claus zei me ooit: ‘Na twintig bladzijden weet ik of het boek goed of slecht is. Is het slecht gooi ik het weg.’ Waarom zou dat niet kunnen bij toneeltheater? Het zal de acteurs, de regisseurs en de auteurs wakker schudden. Laten we daar met Soirée Dramatique aan beginnen. Want de luxe-editie is de jaarlijkse modeshow. De acteurs tonen de ontwerpen van de auteurs. Het publiek oordeelt. Asjeblief, laat dat oordeel niet over aan journalisten, want de overgrote meerderheid is al te nauw bevriend met de ontwerpers en de mannequins.

De toeschouwer is de enige en ware machthebber van het toneeltheater. Volgens Ramses Shaffy was het heerlijk om bij reisvoorstellingen samen te werken met de technici, de directie, het barpersoneel, maar waar het voor hem werkelijk om draaide was het publiek. Wel, met ‘de champions league van de Toneelliteratuur’, zoals het Schrijverspodium zijn soiréee voorstelt, heeft de toeschouwer de kans zijn stem te laten horen. Want in de wandelgangen klagen de directies steen en been. Op het publieke forum daarentegen heffen ze het glas en prijzen de daden van hun gezelschap de hemel in. Net als politici. Wakker worden, mensen. Grijp die kans. Het zal toch eens door u moeten gebeuren. Door u.

Guido LAUWAERT

www.schrijverspodium.be

Partager cet article
Repost0
28 novembre 2012 3 28 /11 /novembre /2012 00:44

 

Tom Lanoye is niet van de planken te branden. Momenteel toert hij rond met Sprakeloos, zijn veel geprezen roman omgeturnd tot onemanshow, maar werkt daarnaast aan drie theaterprojecten, waaronder een vertoneling van zijn roman Het derde huwelijk.

 

Kort: Maarten Seebregs is een ontslagen locatiescout die de liefde van zijn leven onlangs heeft begraven. Cynisch maar met een glimlach leeft hij van zijn laatste centen. Dan doet een wildvreemde hem een profijtelijk voorstel: huwen met zijn Afrikaanse verloofde, Tamara. De man zelf wordt immers, na twee huwelijken met buitenlandse meisjes, in de gaten gehouden door de Dienst Vreemdelingenzaken. Zodra het meisje de Belgische nationaliteit heeft verworven, kan Maarten van haar scheiden, met behoud van haar bruidsschat. De onbekende man stelt maar één restrictie: 'Je trouwt met haar, je woont met haar, je leeft met haar. Maar raak haar aan en ik sla je morsdood.'

Uiteraard loopt het allemaal niet goed af, na een lange weg van passie, jaloersheid, ambitie, bedreigingen, aanslagen, filmcarrière [voor Tamara], en wat er nog allemaal voor fraais te verzinnen is om de aandacht gaande te houden en de spanning ten top te drijven.

 

De omzetting van roman naar toneel gebeurt weliswaar niet door de auteur, maar met de volle instemming van de sprakeloze man. Of zoals hij Knack liet weten: ‘Zelf een bewerking maken van je eigen werk — altijd moeilijk, je hebt de neiging je romanstructuur te bewaren, en dat blijkt zelden de juiste weg. Ervaren dramaturg zal hopelijk minder schroom aan de dag leggen.’ Hoewel het meeste werk door anderen wordt gedaan, houdt Tom, hem kennende, de boel toch sterk in de gaten. Niet dat hij zich voortdurend bemoeit, maar hij houdt alles in de gaten, vanaf het oeridee tot de première, en lanceert ideeën die de productie en de promotie ten goede komen.

 

De toneelversie gaat in maart 2013 in première. Voor het moment zijn de audities nog volop aan de gang, maar een paar acteurs zijn toch al bekend, Betty Schuurman in de rol van Tamara en Jeroen Willems als Maarten Seeghers. Theu Boermans, artistiek leider van het Nationale Toneel in Den Haag is de regisseur. De productie gebeurt echter door een tweede gezelschap waarvan hij de goeroe is, Het Derde Bedrijf uit Amsterdam. Dat zich niet enkel met toneel maar ook met filmprojecten bezighoudt. Wat inhoudt dat de roman niet alleen op de planken verschijnt, maar nu al gedacht wordt aan het bekende witte doek.

 

Verder heeft Tom Lanoye de handen vol met twee andere toneelprojecten. Eén ervan is al bekend. Een bewerking van Hamlet van de relatief onbekende toneeldichter William S. De opdrachtgever is Toneelhuis Antwerpen. De première is voorzien voorjaar 2014. Verder verschijnt eind volgend jaar een nieuwe roman. En wat naast al deze mooie projecten nog prachtiger is, is dat hij opnieuw de poëzie gevonden heeft. Een nieuwe dichtbundel staat er dus aan te komen.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
23 novembre 2012 5 23 /11 /novembre /2012 13:22

 

Skieven_-c-FilipDUJARDIN.jpg

Tot eind van dit seizoen presenteert de KVS de nieuwe producties buitenshuis. Een extra laag inleving kan het opleveren, als het artistiek team de juiste invalshoek vindt. Dat is het geval met Skieven. De Franstalige Brusselaar Thomas Gunzig schreef een stuk voor twee acteurs. Guy Dermul vertaalde en regisseerde. Wie gekleed is alsof hij naar de pool trekt beleeft een warme avond, in een openbare gevangenis.

 

De locatie is een multicultureel centrum in de Brusselse Modelwijk. De opperarchitect was Renaat Braem. Het was de bedoeling dat onder meer de medewerkers van Wereldtentoonstelling ’58 er onderdak vonden, maar zoals alles in België liep ook dit project vertraging op en werd het pas voltooid in 1972. Toch is de architectuur van de jaren vijftig behouden. Het moest een droomwijk worden, waar de bewoners zich goed voelden, en door een vredig gevoel harmonisch zouden samenleven, zowel in het gezin als met de bewoners van de wijk.

 

Het architectenteam had om dat doel te bereiken alles voorzien om er een Aards Paradijs van te maken, vertrekkend vanuit een voorgeprogrammeerd bestaan. Het resultaat was mooi als maquette, maar werd lelijk als woonwijk. Lelijk, in alle betekenissen van het woord. De woonblokken zijn loodlijnen, en dat heeft decorontwerper, Marie Szersnovicz, i.s.m. de regisseur, ook zo verbeeld. Net zoals de groenvoorzieningen. In de voorstellingen zijn ze herschapen in een laag kolengruis, zwart zand. Het enige warme element in het decor is een monumentaal Hammondorgel, waaruit Kaat De Windt hemelse muziek tovert. Zij breekt bij momenten in, in de tweespraak. Wanneer de spanning oploopt, de psychologische leegheid toeslaat, de verbeelding door de waanzin in overdrive gaat, of de waarheid bij zowel architect David Dermez als flatbewoner Nico Sturm doordringt. De waarheid dat een droom nooit werkelijkheid wordt. Hij zal nooit ten volle gerealiseerd worden. Er loopt altijd wat skiev, Brussels voor scheef.

 

De personages hebben geen naam. Architect en bewoner praten naast elkaar, een conflictueuze dialoog zonder begin of einde. Zonder variatie. Zelfs als de ene vraagt ‘akkoord?’ en de andere antwoordt ‘akkoord!’ blijven ze kemphanen. Het uitgangspunt van het gesprek is een [de] stofzuiger. In de modelwijk anno 1958 had alles zijn vaste plaats. Niets werd aan het toeval overgelaten. De architect had niet enkel de wijk ontworpen, maar ook de manier van leven van de bewoner. Wat echter als een luxeproduct gemeengoed wordt, zoals de stofzuiger? Waar hem te plaatsen? Hij is niet voorzien in het grote plan. Het mondt uit in conflicten tussen de bewoners, meneer en mevrouw Anoniem. De bewoner beklaagt zich bij de architect. In plaats van hem te helpen, boort hij de klager nog dieper in de put. Want hij blijft bij zijn droom. Zijn modelwijk vertoont geen enkele fout. Mijn ideaal is uw ideaal. Het resultaat is kolen op het vuur. De stoppen van de bewoner slaan door en hij is klaar om zijn vrouw te vermoorden. En als het moet de hele wijk. En de wijkagent. En het interventieteam. De hele wereld desnoods. Behalve de architect. Want hij had het goed met hem voor.

 

Een mooi gegeven, een prachtige basis voor een toneelstuk. Thomas Gunzig is een begenadigd schrijver, zoveel is zeker. Hij schrijft scherp met een uitgestrekte wijsvinger op de rauwe actuele realiteit wijzend. Jammer dat hij bij momenten uit zijn eigen achtbaan schiet. Tevens heeft hij nog niet een eigen volwaardige toneeltaal gevonden. Beckett, Topor, Handke en nog een paar andere toneelauteurs zitten op zijn schouders en houden bij momenten zijn pen vast. Het maakt dat de totale compositie skief staat. Omvallen zal Gunzigs gebouw echter niet doen. Skieven is een origineel drama met veel koolzwarte humor, zonder een komedie te zijn. Daarvoor is het gegeven te tragisch. Maar laat u hierdoor niet afschrikken.

Guido LAUWAERT

 

SKIEVEN– Cité Culture – Modelwijk Brussel – productie KVS – www.kvs.be

Partager cet article
Repost0
12 novembre 2012 1 12 /11 /novembre /2012 02:34

 

JanDecorte.jpg

Jan Decorte

Uit de klankkasten schalt Veel te mooi van Eric van Neygen en Sanne. Een levenslied met meer hypocrisie is er niet gemaakt in de Vlaamse geschiedenis. Het typeert het theater van Jan Decorte. Nu eens spijkert hij de valse schijn van de overheid aan de schandpaal, dan weer die van een godsdienst. In zijn nieuwste productie hangt die van de hogere burgerij te bengelen. Om dat te kunnen doen heeft hij een jeugdwerk van Friedrich von Schiller uit 1780 bewerkt, Die Räuber [De rovers].

 

In het middelpunt staat de strijd tussen twee broers. Franz Moor, begaafd met een scherp berekend verstand, misvormd en brutaal, wil zijn broer Karl, de eerstgeborene, niet alleen zijn erfenis, waaronder de grafelijke titel, maar ook zijn bruid afhandig maken. Hij schrijft in naam van zijn zieke vader een brief naar zijn broer. De inhoud klopt echter niet met de vraag naar de toestand van zijn oudste studerende zoon in Leipzig, maar een verwijt over diens gedrag. Uit wanhoop sluit Karl, gevoelig en voortvarend, zich aan bij een groep anarchistische studenten en wordt, tegen zijn zin, tot leider verkozen. De studentenclub wordt een geduchte roversbende. De uit de hand gelopen grap doet Karl besluiten naar huis weer te keren. Daar wacht hem zijn stervende vader. Een verzoening volgt voor de laatste adem, waarna hij zich bij de overheid meldt. Om berecht te worden voor zijn zonden. Maar ook met Franz loopt het niet goed af. Hij grijpt naast de macht, het geld, de titel, de liefde, wordt waanzinnig en pleegt zelfmoord.

 

Het stuk is zwak, wat met een jeugdwerk vaak het geval is. Het moralisme en het idealisme is overdreven, de boodschap simpel. Schiller had goede bedoelingen en heeft die altijd gehad, maar zijn betekenis voor de ontwikkeling van de mens ligt hem eerder in zijn wijsgerige traktaten dan in zijn toneelstukken. Ondanks de zwakte ervan wordt hij toch beschouwd als een van de grote klassieke schrijvers. Dat heeft hij niet alleen te danken aan de steun van Goethe, maar ook aan Ludwig van Beethoven, die voor zijn laatste beweging van zijn negende symfonie een gedicht van Schiller bewerkte, An die Freude.

 

Zwak dus, Die Räuber, op het zoetslijmerige af, en Jan Decorte moet dat blijkbaar ook gezien hebben, want hij gaat op die weg nog een stapje verder met zijn bewerking van het stuk en concept voor het toneel. Hij heeft de tekst verkleuterd en van de voorstelling een klucht gemaakt met levende poppen. Het sterkst komt dit tot uiting in het spel van Sigrid Vinks. Haar al bekende houterige motoriek heeft zij nog aangedikt, met goed gevolg. Zij speelt de valse broer Franz op zulke grappige wijze dat je het als toeschouwer jammer vindt dat hij zelfmoord pleegt. Verdomd, de kerel verdient een lang en gelukkig leven, in weelde badend en met de hond aan zijn voeten en het lief van zijn broer in zijn bed. Ook Sara De Bosschere als de eerlijke broer Karl speelt ontspannen en overtuigend. Michel Vergauwen draagt een wit kleedje. A! Het liefje, Amalia… met stoppelbaard en haast kale kop. Hij vervrouwelijkt zijn rol niet, maar maakt van het personage een naïef meisje die bij het al benauwd krijgt bij het zien van de mosterdpot.

 

Jan ni de lange ma de korte eit de rol van den ouwe, de páa allee, en ij doe da schoon. As man neke die de tekst eeft ge vilt en in een proper pan neke é gebakken, is ook te ore en te veule dat ij de Ita liaanse stijl na an zen art eit. Et idioom van ni Jan de lange maar ge wet wel de korte is in dit stuk eks streem doorge trokken. E voor beel deke, het slot woord van Karl: ‘ennu / gaanik / wandele / tot één / ovandere / dagloner / mij / herkent / en wa gelt / verdint / mémijne / kop / op tafel / te zette / santé / de vrijeit / of de / doot / tsal de / doot / sijn / deze keer / merci’

 

Tlijkt idioot ma mens et komt over tis zeer verstaanbaar en der bovenhoep nog grappig ook. Toch is dit niet het beste stuk van Jan Decorte. De voorstelling is prima, geen kwaad woord over, maar de bewerking is mij te simpel. Nu weet ik dat versimpeling een sterk punt is van zijn bewerkingen, maar in Schiller / Tasten wordt er te veel getast. Ik mis een vaste greep, een naoorlogse Sturm und Drang. Toch heb ik mij kostelijk geamuseet en ben as é gelukkig mens na mijn huis gereeë door mijne chauffeur en zijn madam.

 

Passende muziek, een sterk decor, en wat mij tot slot van het hart moet is twee zaken: Een. Jan Decorte is en blijft een fenomeen met een authentieke theatertaal én –vorm. Twee. In het programmablad staat dat in het originele stuk veel ‘sporen’ zitten van King Lear. Die veel is er te veel aan. Er zijn meer sporen naar Richard III. Dat hier alweer Shakespeare opduikt is logisch. De Verlichting begint niet eind van de 17de eeuw, maar ten tijde van koningin Elisabeth I. Shakespeare is daar de markantste getuige van en duikt daarom in elke politieke en culturele omwenteling op, en zelfs in een lichte verschuiving. Alsof hij er de vader van is.

Guido LAUWAERT

 

SCHILLER / TASTEN – tekst en regie Jan Decorte – productie Bloet, Kaaitheater & De Roovers – www.deroovers.be het tekstboek is uitgegeven door BEBUQUIN en te koop aan de kassa of via de boekhandel – ISBN 978-90-75175-34-9 - 12 €.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche