Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
15 mai 2013 3 15 /05 /mai /2013 19:58

 

Escurial.jpg

De eerste druk van Escurial, La Renaissance d'Occident, Bruxelles, 1928

Josse De Pauw is een rasechte Brusselaar. Vroeg of laat moest hij bij Michel de Ghelderode belanden. En met diens eenakter Escurial gaat een droom van Dirk Roofthooft in vervulling. Al in zijn studententijd wou hij met deze tekst aan de slag. De samenwerking leverde vuurwerk op. Tel daarbij het aandeel van Collegium Vocale Gent en de muziek van twee rascomponisten.

Michel de Ghelderode [1898-1962], is een Franstalige Belgische auteur. In 1929 kreeg hij officieel toestemming om zijn pseudoniem als familienaam te gebruiken. Adémar Martens was hem te banaal. Dit feit kenmerkt zijn persoonlijkheid. Hij creëert tot zijn dood een mythe rond zijn leven. Het fabuleren is ook typisch voor zijn werk. Hij houdt een lezing over een miskend dichter, Philostène Costenoble, in feite hemzelf.

Barabbas.jpg

De eerste druk van Barabbas, Standaard-Boekhandel, 1931. Oslagtekening: Felix De Boeck

In zijn passiespel Barabbas is het titelpersonage een anarchist die veel bewondering heeft voor Christus.

Pantzagleize.jpgDe eerste druk van Pantagleize, Le Vrai, Bruxelles, s.d. [1934)

Pantagleize  dan weer is een toneelstuk over een beroepsfilosoof die zoveel nagedacht heeft dat hij niets meer begrijpt.

*

In Escorial  [1927], zoals de Nederlandstalige titel luidt, worden een Spaanse vorst en een Vlaamse nar ten tonele gevoerd. De koning heeft zijn gade vergiftigd, of laten vergiftigen, want rijke mensen hebben daar personeel voor. Haar doodstrijd bedroeft zowel de koning als de nar. De eerste wegens het gebeier van de klokken die het levenseinde nog wat dramatischer maken dan hij al is, en de tweede omdat ze zijn minnares was. Om de gevoelens op te krikken besluiten beide personages van rol te verwisselen, waaruit een cru en tegelijk komisch-burlesk spel van effecten ontstaat. Extra kracht krijgt het stuk door een rondsluipende beul [Sam Louwyck] en een kettingbiddende monnik [Louis van der Waal].

De vele christelijke elementen in het stuk zijn afkomstig uit wat de auteur als jongeling beleefde; een katholieke schooltijd met satanische trekjes. Het levert een antiklerikale houding op die zich vertaalt in een Blackadder-humor. Maar Escorialmag zich dan wel afspelen in het gelijknamige kloosterpaleis van de Spaanse koning Filips II, het refereert ook naar de ruïnes van het paleis op de Koudenberg, waarvan nog restanten te vinden én te bezoeken zijn onder het Paleis voor Schone Kunsten, thans BOZAR. Op 25 oktober 1555 deed Karel V er in de ondergrondse kapel troonsafstand ten voordele van zijn zoon Filips II. Waarmee wordt bedoeld dat bij De Ghelderode niets toevallig is. De geschiedenis van Brussel, van Brabant en Vlaanderen is nooit ver weg. Dit in combinatie met het gepest van de ondergrondse kwelgeesten waar elke mens met een behoorlijk portie fantasie er mee opgezadeld zit.

Het decor is sober maar beantwoordt aan het concept dat Josse bedacht. Een speelvlak dat door zijn schuine vlakken het klimmen bemoeilijkt, het dalen vaak laat eindigen in een glijpartij, kortom, het wankele gemoed van zowel de koning als de nar benadrukt. De kostuums zijn prachtig, enigszins voorspelbaar. Opzettelijk, vermoedelijk, om het effect te versterken als ze van rol en dus van pak wisselen. Dan staan ze een tijd op een slipje na naakt. Op hun twee vette lijven zijn ze zeer fier; logisch, het is een deel van hun status. Hun pronken met vet en spieren is zeer vermakelijk en zorgt voor een stijlbreuk. De loodzware sfeer wordt er [tijdelijk] door verbroken.

 

Niet alleen de zo goed als naakte scènes – ook de andere beelden roepen historische schilders op, zonder dat ze er expliciet naar verwijzen. Nu eens verschijnt Carravagio in de cinemazaal van het geheugen van de toeschouwer, even later duikt Breughel op, Bosch, Cranach. Extra push voor de toeschouwer die ooit het Escorial bezocht heeft en daar met zijn eigen ogen kon zien dat koning Filips II een groot en bekwaam kunstverzamelaar was.

 

Over de muziek en de uitvoering geen kwaad woord. De nieuwe composities van George Alexander van Dam sluiten naadloos aan bij de zestiende-eeuwse werken van Orlandus Lassus. Soms zit er een asynchroon toontje in de nieuwe werken, maar ze versterken de sfeer in het kloosterpaleis en de gevoelens van de koning en de nar. Het enige minpunt is de geluidsbalans en kost de productie een ster. Het koor overheerst en maakt dat de spelers niet altijd duidelijk verstaanbaar zijn. Als het voor de nieuwe werken in de wandelgangen had gestaan zou het effect veel duidelijker zijn geweest en het evenwicht tussen zang en spel perfect.

 

Bijzonder pakkend is de scène aan het eind, wanneer de beul de nar wurgt. Nadat de klus geklaard is, maakt hij een dansje. Het sluit aan bij een gewoonte uit de tijd dat zulke zaken dagelijkse kost waren. Elke koning had niet alleen een nar maar ook een beul in dienst. Als zijn werk keurig was uitgevoerd, kreeg hij een beloning; om eens goed te gaan feesten.

 

Escorial  verdient een plaats in de troonzaal van het Belgisch theater. Al is deze voorstelling over macht en onmacht een harde hap voor wie onvoorbereid ter zale trekt. Escorial is dus niet geschikt voor de meerderheid van de lezers van Het Laatste Nieuws  en hardnekkige kijkers van Familie.

Guido LAUWAERT

ESCORIAL – concept/regie: Josse De Pauw – productie: Muziektheater Transparant in coproductie met deSingel, Collegium Vocale Gent, KlaraFestival , Zeeland Nazomerfestival en Opéra de Lille – www.transparant.be

Partager cet article
Repost0
4 mai 2013 6 04 /05 /mai /2013 18:48

 

Platonov.jpg

Wat is het geheim achter het succes van Platonov? Aanvankelijk stond deze productie niet op de affiche van het NTGent. Een eerder geplande voorstelling kwam niet klaar. Er moest naar een oplossing worden gezocht. Luk Perceval was gestrikt als regisseur en de terugkeer van de verloren zoon mocht niet de mist in gaan. Hardop denken, ronduit praten. Tot Perceval zelf met het voorstel van Platonov kwam. Hij had de eerste grote boreling van Anton Tsjechov al eens eerder gedaan. Die kon beter. Beter werd steengoed. Zonder meer kan gesteld worden dat de productie de revelatie van het seizoen is. Als hij niet het komende theaterfestival van Nederland én Vlaanderen haalt, moeten de jury’s uit de Nederlanden verjaagd worden. Met pek en veren.

 

Collega Els Van Steenberghe heeft de voorstelling al eerder lovend besproken..Andere kritieken waren wisselend van aard. Net als in de overige toneelstukken van Tsjechov, ademt Platonov een sfeer uit van valse hoop, schuin geloof en oppervlakkige liefde, bekeken vanuit een kurkdroge ironie. Het speelt zich af in een landelijk bourgeois milieu. Deze mensen bezitten alles maar doen niets en proberen dat ‘niets’ tot kunst te verheffen. Een verhaallijn is er nauwelijks, maar juist het ontbreken ervan omlijst het verval van de hogere klasse, waartegen een jaar na zijn dood, 1905, de lagere klasse een eerste maal in opstand komt.

Perceval.jpg

Luc Perceval

Na zelf te zijn gaan kijken, dat een tweede maal te doen, en na de reacties van het publiek te hebben gezien en gehoord, kriebelde de goesting dieper op de invulling van Perceval in te gaan. Met zijn voorstelling uit 1988, De meeuw, van dezelfde auteur en gebracht door de Blauwe Maandag Compagnie, heeft Luk Perceval het hedendaagse theater van deze contreien zijn definitieve gestalte gegeven. Ten oorlog uit 1997 betekende de heiligverklaring van de marathonvoorstelling. Met Platonov heeft Perceval het parcours getoond dat hij – en iedere andere mens met hem – aflegt. Van extrovert naar introvert. De relativiteit van zichzelf in de gemeenschap ziet, en onze maatschappij noodgedwongen niet anders kan ervaren dan als de minst slechte van alle sociale creaties.

 

Die driehoek te bezetten, en dat naar de toeschouwer over te brengen, heeft Luk Perceval heel wat koppigheid gekost. Maar dat was ook al het geval met de auteur. Tsjechov schreef het stuk in 1887, maar was niet tevreden met het resultaat. Ruim een jaar later herschreef hij het en wijzigde de vorm. In plaats van ‘komedie’ noemde hij het stuk nu ‘drama’. Essentieel om het succes van Percevals versie te kunnen begrijpen. Hij heeft niet enkel het al ontvette stuk gestript, maar ook zichzelf. Geestelijk. Tot hij geen vader meer was. Wat hij ook met de acteurs heeft gedaan. Hij heeft ze vaderloos gemaakt.

 

Luk Perceval wil dat zijn acteurs elk stuk geestelijk tot in de finesse begrijpen. Ze moeten er ook lichamelijk klaar voor zijn. Hij wil dat ze nog bij leven hun eigen karma vinden. Het primaire menszijn prevaleert boven de regels en afspraken om een samenleving. Om dat doel te bereiken mogen ze zelfs in zijn versie van Platonov geen acteur meer zijn, maar moeten ze zichzelf worden, zij het onder een andere naam.

 

Perceval probeert dieper door te dringen in de essentie van de beroemde uitspraak van Rimbaud ‘Je est un autre’. Wie hij, de mens, werkelijk is. Om dat ten volle te begrijpen is het nodig te vertrekken van een uitroep van Platonov kort voor het einde van het derde, het voorlaatste bedrijf: ‘Laat me met rust! Gebruik toch je verstand!’. Tweemaal een uitroep. Gericht tot één medespeler, maar in wezen tot alle collega’s… en tot de toeschouwers. Dat dit echter altijd op een mislukking uitdraait, je verstand gebruiken, zelfs in ruststand, beseft Platonov maar al te goed. En Tsjechov. En Perceval.

 

Hoe dat beeldend en auditief zichtbaar te maken voor de toeschouwer? Vooreerst door alle ballast overboord te gooien. Geen attributen of decor voor de acteurs. Hun naakte zelf in een van elke mode ontdane plunje. Bert Luppes mag dan Platonov zijn, hij blijft Bert Luppes. En dat geldt voor alle collega’s. Elsie de Brauw is niet Anna Petrovna Voinitsev, maar de Elsie de Brauw die je wat later in het foyer ziet. Eindelijk heb ik door wie en wat en hoe Hugo Van den Berghe is. Perceval heeft getoond dat het blote van het cliché toch een vel is, en dat dit nu eens eindelijk moet verwijderd worden. Alle lagen weg. Dan pas wordt duidelijk dat de mens een onmachtig schepsel is, maar van zijn geboorte tot zijn dood is veroordeeld boven de opperhuid een masker te dragen om geestelijk te overleven. Niet alleen de intelligente mens, maar zelfs de mens die aan zijn ego en zijn eigen grot voldoende heeft.

 

De acteurs hebben dit begrepen, al is voor hen het wordingsproces naar ik heb gehoord een lijdensweg geweest. Waar ze nu ontzettend blij mee zijn. Ze weten dat ze dankzij Luk Perceval de koudste douche van hun leven hebben gehad, maar er geestelijk veel warmer door zijn geworden. Die lijdensweg is voor de toeschouwer een hergeboorte. In Nederland is het de gewoonte dat men bij een geslaagde voorstelling een staande ovatie brengt, in Vlaanderen is dat niet zo. Behalve bij deze. Naar ik hoorde zijn er bij elke avond heel wat mensen die rechtveren. Omdat het voor hen niet anders kan!

 

Platonov is wij. Platonov is – daar moet ook op gewezen worden om het stuk ten volle te begrijpen – voor Rusland wat Peeters, Janssens en Desmet is voor Vlaanderen, een doorsnee naam van doodgewone mensen, die wij uiteindelijk allemaal zijn, welke status of titel we ook hebben.

 

Mede verantwoordelijk voor het succes van deze productie is de muziek. Niet alleen de muziek, maar ook het gebruik van het instrument, een vleugel. Een pianist improviseert. Na een aantal voorstellingen heeft hij een ruw schema in het hoofd, hij weet wat komen gaat, maar toch luistert hij naar de big bang van het moment. Zo wordt beklemtoond dat elke voorstelling een nieuwe schepping is. De inleving van de pianist versterkt de boodschap van de voorstelling: de ziel voorbij.

 

Dat wordt verbeeld door het gebruik van de vleugel in de ruimte. Op een spoorlijn kruipt hij tergend langzaam weg van de acteurs en de toeschouwers. De steunpunten van de spoorlijn rusten op boeken. Vermoedelijk bedoelt Perceval hiermee dat literatuur een essentieel onderdeel is van de menselijke ontwikkeling, en in uitbreiding van de beschaving, maar dat het essentiële moet onderdoen voor het zelfstandig denken en voelen. De mens moet lezen, vervolgens terugkeren naar zijn natuurlijke cultuur, om uiteindelijk in de lege ruimte terecht te komen, waar hij de opperste rust vindt en met die rust vrede vindt in de wereld. Zoniet kan hij enkel doen wat Platonov in de versie van Perceval aan het eind doet. Verdwijnen en het geweer doorladen. Een moordenaar worden.

 

Een productie als noodoplossing is voor het NTGent uitgedraaid op een kunstwerk van de bovenste plank. De voorstelling wordt gespeeld op 7 en 8 mei in de Stadsschouwburg van Amsterdam, op 11 en 12 juni in München [Münchner Kammerspiele], waar Johan Simons baas aan huis is. Naar verluidt zijn er ook gesprekken gaande voor een verdere internationale tournee volgend seizoen. Een herneming in Vlaanderen is dan niet uitgesloten.

 

Beide versies van Tsjechovs Platonov verzanden in een teveel aan personages en uitweidingen. De toneelauteur zag dat ook in. In een van zijn volgende korte stukken lijkt hij daar zelfs de draak mee te steken. Er komt een personage in voor die met een schaar rondloopt… om de uitlatingen van zijn medepersonages in te korten. Toch is Platonov interessant omdat ze de embryonale elementen bevatten van zijn latere meesterwerken.

 

Luk Perceval is Platonov ook met de schaar te lijf gegaan. Samen met de ingekeerde enscenering is deze productie een meesterwerk geworden. Een nieuwe mijlpaal in de geschiedenis van het toneel van de Nederlanden.

Guido LAUWAERT

PLATONOV– Anton Tsjechov – regie: Luc Perceval – productie NTGent – www.ntgent.be

Partager cet article
Repost0
22 avril 2013 1 22 /04 /avril /2013 22:33

07AUDIENCE-articleLarge.jpg

Wie de uitdaging zoekt, is eraan voor de moeite. Het Londense theater kan het niet en het publiek wil het niet. Een stuk als The Mousetrap staat er een halve eeuw op de affiche. Het enige dat om de tien jaar vervangen wordt is het meubilair en de acteurs. In het maken van oerdegelijke stukken, naar Victoriaans model, zijn de Londense theaters dan weer uniek. En hun acteurs zijn klasbakken. Acteren doen ze niet echt. Het zit hem in de stijl. Overtreffende trap. Het meest recente voorbeeld is een nieuw stuk van Peter Morgan, The Audience. Een praatstuk in een salon.

Een klassiek gegeven op koninklijk niveau, in twee bedrijven. Het eerste, voor de pauze, speelt zich af in Buckingham Palace, het tweede in Balmoral Castle. Samen goed voor twee uur twintig minuten. In koningsdrama’s zijn de Britten niet te verslaan. Shakespeare bewees het al en Morgan doet er nog een schepje bovenop. The Audience is een selectie uit de wekelijkse audiënties van de koningin en haar premiers. Elisabeth II heeft er in haar 60 jaar koningschap ruim drieduizend opzitten. En meer dan twaalf premiers overleefd.

Wat er precies gezegd werd komt niet ter sprake. Auteur Morgan heeft geput uit hun memoires en de vertrouwelijke praatjes tussen premiers en senior writers die een tipje van de sluier lichtten, nadat een PM overleden was. Ter verbreking van de saaiheid is er geen chronologie en wordt er af en toe een grapje aan toegevoegd. Bij haar eerste audiëntie met Winston Churchill vraagt Elizabeth: ‘I have ordered tea. Or would you prefer water?’ De premier staart in paniek dóór de koningin en je ziet hem denken 'Water!' – waarop zij zegt: ‘Oh, dear. Did no one explain? The Sovereign never offers a Prime Minister refeshment. Not a chair.’

Om de verhouding tussen Elizabeth II en haar premiers body te geven gebruikte Morgan een veelgebruikte truc: het opvoeren Elizabeth als kindvrouwtje [Y.E.]. Hij vermengt de opleiding van Y.E. met fragmenten van de jonge vrouw als vorstin. Voorbeeld: Churchill:

It’s quite simple. The Prime Minister – that’s me – comes to the Palace every Tuesday evening and explains what of note has transpired that past week in Cabinet, Parliament and Foreign Affairs. He then gives a brief indication of what is going to happen the following week. … That is how it is, that is also how it reflects, how a constitutional monarchy works. … There is no finer system in the world.’

Als Elizabeth daarop zegt dat ze het vrij oubollig vindt, antwoordt hij: ‘It’s true. The British constitution at first sight is a little world. But that’s why it works so well.’

De combine Y.E en de ouder wordende koningin geeft een mooi beeld voor de tradities met zijn lichte aanpassingen, passend bij de evolutie. De latere contacten met de eerste ministers zijn losser. Of schetsen de verhoudingen. De oudere koningin is achterdochtiger en durft haar houding te tonen. Maar met mate. Wanneer Y.E. zegt dat haar werd geadviseerd nooit een opinie te formuleren, nuanceert de oudere dat: ‘If you want to know how it is that the monarchy in this country has survived as long as it has – don’t look to its monarchs. Looks to its Prime Ministers.’

In haast twee uur komen zulke anekdotes met een aantal premiers aan bod. Anthony Eden, Harold Wilson, James Callaghan, John Major, Margareth Thatcher, Tony Blair, Gordon Brown en David Cameron. Elk met hun clichés. En nationale en internationale conflicten, zoals de Suez-kwestie. Alles historisch correct in kaart gebracht, op het pedante af, maar het boeit.

Over de acteurs niets dan lof. Voor de zoveelste blijkt dat wie van Hollywood het Mekka van de filmkunst heeft gemaakt. Helen Mirren als de Queen, ja, dat is natuurlijk genieten. Maar ook fijne patisserie is het spel van Edward Fox als Winston Churchill en Nathaniel Parker [Inspector Lynley] als Gordon Brown. Zelfs Margaret Thatcher zou je willen kussen, door het talent van Haydn Gwynne. Een oordeel over Y.E geven ligt moeilijker. De rol wordt afwisselend gespeeld door drie pubers. In de versie die ik zag was dat Maya Gerber. Zonder twijfel een opkomend talent, maar wie de toekomst kent, krijgt mijn stoel.

De inbreng van regisseur Stephen Daldry beperkt zich tot het letten op de timing, de setting en de space, de gelijkbenige driehoek van elk stuk, waarin de golf van de boog in de juiste verhouding staat tot de spanning van de pees. Wat daarenboven opvalt is zijn gevoel voor detail, wat extra cachet geeft aan de fijnheid van beeld en geluid.

Het lijkt van ondergeschikt belang, maar een regisseur die zijn acteurs boven die driehoek tilt en ze op een imaginaire sokkel laat acteren, verdient een pluim op zijn hoed en een roos in de hand.

Guido LAUWAERT


THE AUDIENCE– Peter Morgan – regie: Stephen Daldry – Gielgud Theatre – gezien op vrijdag 19 april – voorstellingen t/m 15 juni – Playful Productions – www.theaudienceplay.com


ZES VRAGEN AAN HELEN MIRREN


Een afspraak met Helen Mirren trachten te fiksen via haar agent is verloren moeite. Ook de persverantwoordelijke van de productie stuurt je wandelen. Publiek is er altijd voor de producties van West End Londen. Het enige waar het perskantoor in geïnteresseerd is, is in de kritieken van de Britse en Amerikaanse critici van de kwaliteitspers. Zij beslissen of een stuk voortijdig van de affiche wordt gehaald, of verlengd wordt. De perslui van the continent, een uitzondering niet te na gesproken, interesseert ze geen ene moer.

Wat de vasthouder en de ‘mindere’ daarom te doen staat, wil hij de veelgelauwerde actrice ontmoeten is haar een brief te schrijven en die afgeven aan het achterpoortje van het theater. Niet met een vraag om een gesprek, maar met een voorstel. Het doek was nauwelijks gevallen of uw dienaar stond aan de achterdeur. Een productieassistente had een schrijfplank met een blad waarop enkele namen van vrienden en twee, drie uitzonderingen. Bingo! Een minuut later stond hij in het overvolle artiestenfoyer. En lukte het hem oog in oog te staan met de queen-actrice.

Focus: Miss Mirren. I wrote you a letter. Did you read it?

Mirren: A letter?

Focus: Met de vraag om in Gent, België, wanneer het u past gedurende een half uur sonnetten van Shakespeare te komen voordragen. Ziet u dat zitten?

Mirren: O! yes, that letter. Sorry, I did read it. It was a marvellous proposition, but I am full booked for the next four years. And my free evenings I reserve him to be at home, with my family. An actor has two lives. De kwestie is die mooi met elkaar te verzoenen.

Focus: Het is niet de eerste maal dat u de Queen speelt. Telkens in een andere context, maar toch; wordt u dat niet beu?

Mirren: Not in the least! De eerste maal was ik Queen Elizabeth the first. De tweede maal was the second Elizabeth, yes, maar in een film. Dit is de eerste maal dat ik haar speel op het toneel. En zoals u zei, in een geheel andere invulling. In dit stuk staat de Queen er door haar premiers, is zij onderwerp zowel als lijdend voorwerp.

Focus: U doet zowel toneel, film als televisie. Wat draagt uw voorkeur weg?

Mirren: Het zijn verschillende vormen van eenzelfde kunst. Alle drie doe ik dolgraag, maar ik probeer wel een evenwicht te behouden. Tussen een film een toneelstuk, om vervolgens een paar maanden aan televisie te geven.

Focus: Toch moet u een voorkeur hebben?

Mirren: Theatre, of course. Maar je moet af en toe afstand nemen. Om te weten hoeveel je naar het podium en de magie van de voorstelling verlangt. Sorry, but I must go now. Over een half uur wil ik thuis zijn. Een paar vrienden wachten. En morgen en zondag heb ik twee voorstellingen per dag.

Focus: Miss Mirren. It was short but splendid. Thank you, really. Laatste vraag. Heel kort. Wilt u signeren?

Ik gaf haar mijn pen en zij signeerde op de voor de hand liggende plaats: De laatste pagina van het tekstboek.

Partager cet article
Repost0
18 avril 2013 4 18 /04 /avril /2013 12:00

 

Johan Simons

Het gaat prima met het NTGent. Onder het artistiek beleid van Wim Opbrouck was er een boost. In totaal 71.445 toeschouwers voor 124 eigen voorstellingen (inclusief coproducties), 94 gastvoorstellingen en ruim 700 activiteiten.

Inclusief de reisvoorstellingen bereikte het NTGent in totaal 83.715 toeschouwers, in Vlaanderen en Nederland maar ook daarbuiten. Samen met de voorstellingen in huis geeft dat een publieksbereik van 155.160 toeschouwers.

Ter vergelijking: in 2008 bedroeg dit totaal op jaarbasis 104.556. Nog eens vijf jaar eerder, in 2003, was het totaal van bereikte toeschouwers nog 71.720.

 

Het zijn cijfers die het vertrouwen sterken over het gevoerde beleid, artistiek zowel als zakelijk, en die doen uitkijken naar de toekomst. In het bijzonder naar het kalenderjaar 2015, want dan blaast het stadstheater in Gent vijftig kaarsjes uit. Uiteraard zal dit heuglijke feit met de nodige luister gepaard gaan, op scène maar ook in de stad.

 

Voor artistiek leider Wim Opbrouck houdt het jaar 2015 ook een wissel in. Zo geeft hij vanmiddag op een personeelsvergadering aan om zijn mandaat na juni van datzelfde jaar niet te zullen verlengen.

 

Het is een beslissing die intern alvast niet uit de lucht komt gevallen: de combinatie van artistiek leiderschap en het acteursbestaan, inclusief repeteren en toeren, is immers geen sinecure. Bovendien schuilt er een ander rond getal in ons jubileumjaar, want in 2015 zal Wim als speler tien jaar verbonden zijn aan NTGent. Het is een context die een afscheid in schoonheid mogelijk maakt: als artistiek leider welteverstaan, niet als acteur.

 

Door deze eindigheid vandaag al kenbaar te maken, kan er in alle openheid en sereniteit naar een opvolger worden gezocht en op een professionele manier gewerkt worden aan de plannen vanaf september 2015 en verder. De voorzitter en de algemeen directeur van NTGent zijn hierover vergevorderd in gesprek met Johan Simons. Zodra ze een uitgewerkt voorstel van akkoord, inclusief over de inhoud van een nieuw artistiek plan afgerond hebben met Johan Simons zullen zij het ter beslissing aan de Raad van Bestuur voorleggen.

 

Na vijf jaar artistiek directeur te zijn geweest van het NTGent, vertrok Johan Simons in 2010 naar München waar hij intendant werd van de Münchner Kammerspiele. Met succes. Het gezelschap werd een hecht blok en hij tilde de producties naar een hoger niveau, op gelijke hoogte met de plaats waar het theater gevestigd is, de duurste allee van München, de Maximilianstrasse. Een mooi voorbeeld van het succes van Johan Simons is zijn laatste productie, König Lear, die in première ging op vrijdag 13 maart, en waarover Mededelingen verslag uitbracht:

http://mededelingen.over-blog.com/article-konig-lear-storm-op-de-boerderij-116150187.html

Dat de voorstelling naar Gent komt is intussen meer dan waarschijnlijk.

 

Hoewel Simons’ werk vertrekt vanuit elementaire middelen, vallen ze op door een sterk maatschappelijk engagement. De politieke functionering van de mens binnen Massa en Macht staan centraal. Simons houdt ervan te laten zien waarom de held van vandaag morgen voor lafaard wordt gehouden, wat de oorzaken zijn van sociale conflicten, en dat de individuele vrijheid telkens weer het slachtoffer is van het algemeen belang. Zijn producties zijn zeer dramatisch, en toch weet hij er telkens een satirisch element in te steken dat er een lichtheid aan geeft. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij met zijn producties een publiek uit alle rangen, standen en generaties weet te bereiken.

 

In ons laatste gesprek pleitte Johan Simons voor een sterkere concentratie op de klassieke en nieuwe repertoirestukken. De omzetting van een roman in een toneelstuk is uitdagend, maar de werkelijke maatschappelijk kracht van een productie ligt volgens Simons in toneelstukken naar de oerwetten van het taaltheater.

 

Door een mogelijke terugkeer van Johan Simons zou de Raad van Bestuur streven naar een sterkere aanwezigheid op internationaal niveau. Dat zou het gezelschap een grotere financiële armslag geven. Simons kent het huis en het huis kent zijn kwaliteiten. Samen hopen ze om opnieuw een prominentere rol te spelen op Europees vlak, en af en toe… over the mountains and over the sea.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
6 avril 2013 6 06 /04 /avril /2013 17:31

 

Beatrice-Cenci.jpg

Beatrice Cenci

Toneelmakers zitten verwoed te zoeken naar ijzersterke repertoirestukken, maar komen steeds opnieuw terecht bij Aischylos, Sofocles, Euripides, Shakespeare, Tsjechov, Molière, Ibsen en wat mindere toneelgoden. Maar hoewel ze weten dat het, zoals William Wordsworth zei: “De grootste tragedie is van de [19de]eeuw”, durft niemand zijn klauwen te zetten in De Familie Cenci  van Percy Bysshe Shelley.

 

Nochtans zou een opvoering in de huidige tijd van corruptie op velerlei gebieden in het Vaticaan, familiedrama’s en een om zich heen grijpend pestgedrag niet meer dan normaal zijn, want het werk heeft, een kleine 200 jaar na zijn geboorte aan actualiteit niets ingeboet. En toneel is, toch meer dan andere kunsten, een kunstvorm die vertrekt vanuit de heersende moraal. Het zou dan ook niet meer dan normaal zijn dat een gedegen gezelschap dit stuk op het repertoire zet. Zowel in Noord- als Zuid-Nederland zijn er gezelschappen die het makkelijk aankunnen. Ze beschikken over gedegen artistieke leiders, een intelligente staf en uiterst bekwame acteurs [m/v]. Al vaak heb ik hen op het stuk gewezen, nu de trend naar repertoirestukken weer in opgang is, maar helaas, het komt maar niet tot een opvoering.

 

Kort samengevat gaat het stuk over de dochter van patriarch Cenci [1549-1598], een pervers en gedegenereerd man, die een feest geeft nadat zijn zonen zijn gesneuveld in de strijd, zijn vrouw beschouwt als gebruiksvoorwerp, zijn dochter Beatrice misbruikt en haar nadien blijft pesten. Ten einde raad huurt Beatrice [1577-1599] een moordenaar die doet waarvoor hij wordt betaald, maar paus Clemens VIII, schenkt Beatrice geen gratie, ondanks de smeekbede van de hele Romeinse adel. Vader Cenci was een geldmachine geweest voor de paus. Hij liet missen lezen als geen ander, ging te biechten en financierde de bouw van kerken. De familie had tevens een sterke band met het Vaticaan. Van maart 913 tot mei 928 regeerde een Cenci als Johannes X. Al was vader Cenci’s geloof een parodie, zoals algemeen door hogere instanties was geweten, gerechtigheid moest geschieden en vooral een voorbeeld worden gesteld, ten aanschouwen van het volk, zonder wie de Roomse kerk geen reden van bestaan heeft. Daarom stierf Beatrici Cenci op tweeëntwintigjarige leeftijd, samen met haar stiefmoeder, op het schavot.

percy-bysshe-shelley.jpg

Shelley [1792-1822] maakte het stuk in 1820 in nauwelijks drie maanden, zoals hij schreef op 24 augustus van dat jaar aan zijn vriend de satiricus Thomas Love Peacock. Al wat hij voordien geschreven had, beschouwde Shelley als minderwaardig. Bovendien beschouwde hij De Familie Cenci, naar bleek uit een brief aan zijn uitgever Ollier in Londen, als ‘zeer volks van aard’. Het stuk was echter zo naar de heersende moraal geschreven dat de uitgever twijfelde en eenmaal het toch verscheen, werd het meteen bestempeld als een succès d’estime.De verkoop liep als een trein en de recensies waren, op een enkele na, lovend van aard en wezen op de kracht en de schokkende aard van het uitgewerkte gegeven.

 

De opvoering heeft Shelley echter niet beleefd. De directie van Covent Garden Theatre verwierp het stuk, al voelde het duidelijk aan dat het niet moest onderdoen voor de beroemdste stukken van de Engelse Bard, en al prees zij, na de dood van de auteur [!], The Cenci aan als ‘de mooiste Engelse tragedie der moderne tijden’ en ‘het grootste drama na King Lear’. Iedereen met enig verstand van toneelzaken plaatste het stuk in de wereld van vader en Vaticaan. De vader staat model voor de machtswellusteling en het Vaticaan om zijn inhaligheid. Heel wat schrijvers, onder meer Adriaan Roland Holst, hebben het stuk geprezen en wezen op soortgelijke woeste krachten als schuilend in Macbeth, Hamlet, Richard III  en Othello.

Lord Byron prees het stuk, al had hij zijn bedenkingen bij de kwaliteit. De poëzie was opperbest, maar de dramatiek kon beter. Dat kan misschien wel zo zijn, maar elk repertoirestuk wordt heden ten dage zwaar onder handen genomen. Er wordt aan gebeiteld en geschaafd zodat het schoon blikt en lekker bekt. Dat is ook nodig. De integrale uitvoering van De Familie Cenci duurt vier uur, net zo lang als de originele versie van King Lear of Romeo & Julia.

 

De voorstelling, zestig jaar na de dood van Shelly, ontlokte Oscar Wilde de uitspraak dat de tragedie “zoals we die lezen, een volledig kunstwerk is – dat zich heel goed ten tonele laat voeren, maar niet afhankelijk is van een opvoering.” De reden voor de kritiek, zowel van Byron als van Wilde, is dat toneelstukken in de 19deeeuw, in tegenstelling tot Shakespeare’s tijd, aan een gezapig tempo werden opgevoerd. Welnu, enig knip- en plakwerk is toegestaan, maar het succes van De Familie Cenci hangt in eerste instantie af van het concept, én het tempo. Een stuk dat aan een razend tempo geschreven is eist een verschroeiende vaart. En de sfeer was er ook naar. Shelleys werkkamer was een glazen dakkapel, waar razende stormen en het verblindend zonlicht, zijn gevoelens sterk beïnvloedden. Een regisseur die geen rekening houdt met de driften van de kunstenaar mist meesterschap.

Het toneelstuk moest bovendien het typische tempo van het gewone volk verbeelden, niet dat van de klasse waartoe de schrijver behoorde. Dat schreef hij ook aan de uitgever. “Er restte mij niets anders te doen, zo stelde ik me voor, dan het te schoeien op de leest van mijn landgenoten en het in een taal en handeling te gieten die het regelrecht naar hun hart zou voeren.”

 

Het thema van incest, inteelt, misbruik van kinderen, en wraak, al of niet door vermeende miscommunicatie in familiekring, is van alle tijden. De vele familiedrama’s en massamoorden tonen dit aan. In de twintigste eeuw is het stuk zesmaal verfilmd. Tussen de twee wereldoorlogen kende het werk opvoeringen in Coburg, Praag, Moskou en Rome. Na de Tweede Wereldoorlog vonden opvoeringen plaats in Londen en New York. In 1995 werd het opgevoerd door Het Zuidelijk Toneel. De regisseur was Dora van der Groen, die ‘gefascineerd was’, zoals Arend Evenhuis op 27 oktober van dat jaar schreef in Trouw, ‘door Shelleys taalgebruik.’ Scenograaf was toen niemand minder dan Jan Versweyfeld. Beatrice wordt vertolkt door… Chris Nietvelt, Johan van Assche speelt vader Cenci, en de huisvriend/prelaat Orsini, een geile roomse gluiperd, door Jappe Claes. Een rol die hem op het lijf geschreven is want was hij niet de vieze valse onderpastoor in de film Daens, die zo vaak de ring van de Gentse bisschop kust, dat hij hem drie dagen mag houden. “Dan kunt ge hem zoveel kussen als ge wilt”, aldus de bisschop, meesterlijk gespeeld door Julien Schoenaerts.

 

Een bijkomend pluspunt aan het stuk is dat Shelley zijn personages niet als heidenen of heiligen presenteert. Aan elke mens zit kwaad en goed. Ook aan Beatrice, want zij had evengoed kunnen vluchten en in een klooster onderduiken. Nee, zij beraamde een moord… samen met haar moeder. Samengevat kan gesteld worden dat De Familie Cenci een stuk is dat zich boven de christelijke beschaving verheft, maar alle valsheid van het katholicisme in zich bergt. M.a.w., met Cenci schreef Shelley een stuk dat de Heilige Kerk niet raakt omdat het geen kerk van Christus is.

Antonin Artaud, de grote theaterfilosoof, heeft eenmaal een stuk geregisseerd, Les Cenci. Ondanks, of misschien juist dankzij zijn theorieën, heeft hij er zijn tanden op stukgebeten. Tijd en plaats waren ook niet geschikt. Het was 1935. De Roomse kerk was alomtegenwoordig in alle lagen van de Westerse maatschappij, Hitler was aan de macht, net als Mussolini, het rechtse denken had geen oog voor de waarde van de vrouw en het kind. De tijden zijn veranderd. De emancipatie van de vrouw is in een hogere versnelling geraakt en de rechten van het kind staan sinds kort op alle agenda’s. Maar. De huidige paus mag het dan – net als ik dit schrijf – in zijn eerste publieke uitspraak over seksueel misbruik door geestelijken hebben, dat wil niet zeggen dat zijn kabaal aan de moraal iets zal veranderen. Zijn voorganger had, met soortgelijke bewoordingen zij het met een andere toon ook al opgeroepen tot het bannen van dit kwaad en het bestraffen van de misdaad. En Johannes XIII pleitte al voor meer rechten van de vrouw in de Kerk, maar heeft de vrouw sindsdien een plek en stem gekregen in de Curie? Vooralsnog wijst dus niets erop dat er veel zal veranderen. De daad bij het woord is nooit de sterkste kant van het Roomse Rome geweest.

 

Een productie van De Familie Cenci  door een gedegen gezelschap, met een regisseur waar je je hoed voor afneemt en een cast om u tegen te zeggen, zal [hoogstwaarschijnlijk] buiten de grenzen van zijn eigen huis en stad breken. Avignon halen, Berlijn, Sint-Petersburg, Moskou. Als dat lukt zal de voorstelling meer invloed hebben op la condition humaine, dan de pathetische woorden van een paus.

Het is nu ook eenmaal de taak van het toneeltheater. Het moet het lot van het mensdom ter harte nemen: politiek, economisch, cultureel en de vermenging van de drie pijlers van de westerse beschaving. De geschiedenis heeft dit al ten overvloede aangetoond. Het is voldoende erin te kijken.

Guido LAUWAERT

Bronnen:

Gerlof Janzen, vertaler en inleider van De Familie Cenci– Ambo / Baarn – 1995

Dr. J. Keunen: P.B. Shelley – Davidsfonds / Leuven – 1942

Beknopte biografie: Joseph Keunen was politiek gevangene tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij werd tot priester gewijd te Luik op 8 april 1923 en nadien aangesteld als godsdienstleraar aan de Regentenschool te Sint-Truiden en later aan het Atheneum aldaar. Hij promoveerde in de Engelse taal en letterkunde te Leuven en was in 1940 laureaat van de Joris Eeckhoutprijs van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor zijn biografie van George Bernard Shaw (een boek dat hij opdroeg aan zijn vader ter gelegenheid van diens zilveren jubileum als burgemeester). In 1944 ontving hij dezelfde prijs voor een biografie die hij schreef ter gelegenheid van de 150e geboortedag van Percy Bysshe Shelley. Beide boeken werden uitgegeven door het Davidsfonds.

Partager cet article
Repost0
29 mars 2013 5 29 /03 /mars /2013 08:00

 

 

Spielzeit.jpg

George Smiley van KF5 ging naar een voorstelling kijken van de v.z.w. Bob. Toen hij weer in The circus arriveerde vroeg M, de master van de BCD [Binnenlandse Culturele Dienst], wat hij ervan vond en of het de moeite waard was om er een verslag over te maken. Dankzij de modernste afluisterapparatuur is het mogelijk de lezers van www.mededelingen.over-blog.com zijn mening weer te geven.

 

Matig tot aanvaardbaar amusant, mum. Vooral voor de groep, de spelers in het bijzonder. Spelers, ja, want acteurs kun je het niet noemen. Spielzeit is een afspiegeling van een les, zoals die tegenwoordig op de theaterschool gegeven wordt. “Doe maar wat; wij zullen wel zeggen of het goed of slecht is en als het tussen goed en slecht is, wat er verbeterd aan kan worden.” Je hoort de lesgever op de achtergrond.’

 

Go on, George, go on. I love the smell of your napalm in the evening.’

 

Het decor is een vloer afbebakend als een half basketbalveld zonder net. Achteraan heb je een plastic lappengordijn, zoals je aan de laadplaatsen van magazijnen aantreft om de koude buiten te houden. Of de warmte. Het hangt er vanaf in welk continent je zit. Achter het gordijn zit een portier aan een tafeltje die de boel in de gaten houdt, een microfoon voor zich. Dan heb je nog een rollend rek met kleren. Vooraan links op het speelveld ligt een stapel boeken. Kniehoogte.’

 

That’s where your world begins, dear George. From knee height upwards. But, down-to-earth. What kind of books, George?

 

Wijsheidsboeken, mum, zoals één van de twee vrouwelijke spelers zegt tot het publiek, dat voortdurend aangesproken wordt, op wat interventies van de portier na. Minder wijze boeken dan deze uit de bijbel, maar ja, dat waren al afkooksels van oosterse leerboeken, as you know better than me. De stapel wijsheidbraaksel is goed om een spel van ruim een uur te houden over het nut van al dan niet politiek geëngageerd toneelspel, over een spel zonder strategie, de koopverslaving van de vrouw, kortom het is een balspel tussen de twee dametjes, goed voor 10 minuten verdraagzaamheid van de supporter, tot de coach, zijnde de portier, ingrijpt. De man is een vervelend typ en hij wordt dan ook halverwege de match voor rot geschopt door een van de spelers.

 

George! You fall asleep from your own words. I want to know the whole story. I have an appointment with the minister of Culture, and he will ask if it isn’t time to send you to your cottage, for the rest of your life.’

 

Sorry, mum. Quiet pleasure… rustig spel, wordt afgewisseld met heavy. Als bindmiddel van de vele zinnen worden Engelse woorden gebruikt, waarvan de meeste al in onze mooie taal zijn geaccepteerd, zelfs door de old schoolboys van onze taalkoran, maar een verengelst Hollands toontje krijgen. Super, voorop, mum. Vanuit ooievaarperspectief. Bijzonder effectief ter bevordering van de stoelgang, mum.’

 

No more, George? Normally, you keep me awake the whole night with the details of the play you see.’

 

Well, mum. Aan het eind worden de kleren van het rek aangeboden aan het publiek, met de vraag om ze door te geven, als ze hun niet passen of aanstaan. Sommigen gaan er op in. Gelukkig kwam de speelster niet mijn kant op, of ik had ze wandelen gestuurd met een theatrale omzetting van de brief van Judas uit het OT, die voorafgaat aan de Apocalyps. Heel wat sportspelen van jongeren zijn best aardig en veelbelovend, maar de meeste zijn toch van zulk een knullig gehalte dat je veel zin hebt om de sporthal in brand te steken, nadat de portier als laatste de deur heeft dichtgetrokken.’

 

You have a license to kill, George, but not as fire-raiser.’

 

Indeed, mum, en dat is de reden waarom ik zo vroeg weer op kantoor ben. Good night, mum!’

 

Don’t touch me, George! No kiss, no hand, not even a cry of your cuckoo clock.’

 

Sleep well, mum.’

 

Bye, George.’

Guido LAUWAERT

 

SPIELZEIT – productie HERTOGSHAEST – 28 maart Arca, Gent – 18 & 18 april Rataplan, Antwerpen – 26 april, de Warande, Turnhout – www.hertogshaest.be

Partager cet article
Repost0
22 mars 2013 5 22 /03 /mars /2013 17:55

 

Peter-de-Caluwe.jpg

Intendant Peter de Caluwe

In een pompeus salon van de Senaat te Brussel werd het seizoen 2013-2014 van de Munt gepresenteerd aan het volk, zijnde de pers en een flink pak geparfumeerde knoesten uit de entourage van de federale opera. Een decor uit de 19de eeuw voor een programma van de 21ste - dat rebels wil zijn in woord en daad.

Intendant Peter de Caluwe (°1963) gaf tekst en uitleg, verfraaid met lichtbeelden, bij het opera- en dansgedeelte van het jaarprogramma. De essentie, de nevenactiviteiten en de coöperators zijn te vinden op www.demunt.be– die hoeven dus niet te worden belicht. Wat wel een spot verdient, is De Caluwe’s figuurlijk opgestoken vinger naar de overheid. Onder het oog van de vrouw van de schilder Antonio Moro, die goed bevriend was met de opstandeling Willem van Oranje.

De Muntschouwburg bestaat een halve eeuw. In zijn huidige staat. Tot 1963 was de Munt een theaterzaal voor al wat in de winkel van Dionysos te krijgen is. Vanaf ’63 is het een zuiver operahuis, onder de hoge bescherming van de Belgische staat. Dat moet gevierd worden, maar hoe? Geld is er niet voor en de stemming evenmin. Dringende herstellingen zijn nodig en moderniseringen op alle niveaus, maar de federale regering is nog trager dan de spoorwegen. De staat incasseert op z’n minst het tienvoud van het bedrag dat het investeert in de diverse kunsttakken, via de economische weg. Maar kunstorganisatoren zijn beschaafd en blijven koel. Zoals Peter de Caluwe, die naast een bedelaar om den brode van de Munt, een koppigaard is. Een tweede zesjarige termijn als intendant is begin dit jaar ingegaan. Ut sementem feceris ita metes [Zoals je zaait, zal je oogsten, aldus Cicero].

In de tweede rit wil De Caluwe met zijn staf een meer rebelse toer rijden. Je kan niet om de indruk heen dat het revolutionaire elan mede ingegeven is door de kortzichtigheid, de gierigheid en de desinteresse van de regeerders van dit land. Opdraven bij premières is er enkel ten eigen baat. Voor de ziel van de kunst en het maatschappelijk belang ervan hebben de verantwoordelijke ministers totaal geen interesse. Het prestige dat de Munt met de jaren op internationaal niveau bereikt heeft, botst frontaal met het budget. Eigenlijk zou de toegang tot de Munt van de beleidsverantwoordelijken bij eender welke voorstelling moeten geweigerd worden. Want de Wetstraat wil een operahuis van standing, maar wil er niet voor betalen.

Nu kan men stellen dat opera elitair is. Het is maar hoe je het bekijkt. Wie een operaproductie voor zich ziet, zoals ze werden gemaakt tot de jaren zestig van de vorige beschaving, moet in Rusland wezen. De moderne opera is een totaalspektakel waarin het aandeel van de regisseur even groot is als dat van de dirigent, de zangers ook acteurs zijn. Bovendien is een modern operahuis, zoals de Munt er een is, het naamkaartje van de totaliteit van de kunst en de maatschappelijke betrokkenheid van een land. Het toont het beschavingsniveau.

Waar wel naar gestreefd zou moeten worden, is het openstellen van de voorstellingen naar jongeren. Waarom geen schoolvoorstellingen? Niet op de oude leest geschoeid, maar vanuit een moderne aanpak. Om die formule te vinden is echter geld nodig. De hulp van de ministers van Onderwijs van de verschillende gemeenschappen lijkt mij voor de hand liggend. Als de zachte aanpak niet helpt, om die parlementaire olifanten te temmen, dan maar de harde. Dit met een zin van Willem Elsschot in het hoofd: Je moet hard op tafel slaan, vader, en als dat niet helpt op hun gezicht.

Peter de Caluwe wil niet één stijl aanhouden, naar producties opzetten met een panorama van wat in Europa speelt, wat vernieuwend is, conform aan het hedendaagse leven met al zijn sociale netwerken. Om zijn droom te kunnen waarmaken heeft hij de hulp ingeroepen van onder meer Jan Fabre, Alain Platel, Anne Teresa De Keersmaeker en Ivo van Hove. Samen met hen zal een nieuwe generatie de kans krijgen zich in de Munt naar boven te werken. Een nobel streven. En een logisch. Grote kunstenaars moet men zoeken op jonge leeftijd en in kleine gezelschappen, maar ze breken pas door de grenzen van hun verbeelding in de grote. De Munt, net zoals de operahuizen van gelijk niveau, is een familie, waarin de generatie-evolutie een prominente rol speelt.

Something is rotten in the state of…’ zo begint de introductie van Peter de Caluwe op de ‘nieuwjaarvoorstelling’. Het is een kijk vanuit het verleden naar de toekomst. Daarbij schuwde de intendant geen forse taal. Een citaat: ‘Theater als aanleiding tot rebellie, dan wel als forum voor discussie: het is van alle tijden.’ Niet alleen zijn woorden maar ook zijn daden, het hele palet van het jaarprogramma, pleiten voor verzet, want niet het volk maar de machthebbers zijn de vijand. Als leuze om de vlammen stralend te houden, werd gekozen voor een uitspraak van Albert Camus: ‘La conscience vient au jour avec la révolte [Met de revolte ontstaat het bewustzijn].’

Peter de Caluwe en zijn staf hebben op subtiele wijze de overheid gewaarschuwd. Opgelet! Eenmaal is in de Munt de zweer van de onvrede opengebarsten. Aan u om te voorkomen dat het geen tweede maal gebeurt.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
20 mars 2013 3 20 /03 /mars /2013 02:40

 

YOUP.jpg

Kijk, ja… hoe moet ik het zeggen… cabaret, lichte vermaakkunst, weet u wel, want jullie zijn niet dom, anders zaten jullie hier niet… is een beetje dollen met lichte kost… verteert vlug… in een paar minuten van de mond naar de kont… en is geboren in een Parijs artiestencafé… Le Chat Noir… van Montmartre… waar anders… want in die wijk wonen alleen artiesten. En modisten.

 

Modisten vind ik zulk mooi woord… kennen wij in Nederland niet… jullie woordenschat is zoveel rijker, veel rijker dan die van de Hollanders, en zeker de Amsterdammers. Ik kom uit die gracht… en kan het dus weten… 1500, waarvan ruim de helft niet meer dan twee lettergrepen telt… en om de vijf woorden gooien we er fuck tussen, kut, sodemieter op, klerewijf… jullie zijn wel meer met dat soort taal vertrouwd… sinds jullie Paul De Schreeuw hebben omarmd… en ben ik fout, zit ik hier jezusmina maar wat af te lullen, zonder dat jullie er een woord van snappen… en dat is toch niet de bedoeling.

 

Weet u wie de eerste grote cabaretier was… nee, niet Toon Hermans… wie zei dat, effe kijken, o u daar… nou meneer probeer niet lolliger te zijn dan ik, want ik sta niet voor niets hier en jij daar… Toon, die kon een hele avond zeiken over de tafel van zijn tante, zong er een liedje bij… en de buit was binnen. De eerste grote cabaretier is Aristide Bruant… kent u niet… ik ook niet… heb hem nooit ontmoet. Ja, ken hem wel van naam, maar dat is het zo ongeveer. En meer hoef ik er ook niet over te weten. Ik hoef alleen wat zeilen hijsen… en daarmee vaar ik de nacht in… en gooi u over twee uur overboord.

 

Nu moet u niet denken… dat ik niet heb nagedacht over dit programma. Vijf minuten heeft het me gekost… en dat is veel, maar ja, ik weeg vijftig pond te veel… en daarom kost het mij elk jaar een minuut meer om te weten wat ik in twee uur ga vertellen. Ik kom er telkens wel uit, hoor… zo moeilijk is het nu ook weer niet. Je koopt een zelfhulpboekje… bestaan er honderden van… geen ervan helpt… kan mijn dochter bevestigen… en ongelijk kan ik haar niet geven, want als het ene hielp, waren er geen andere meer nodig... en zeker geen 499. Je koopt dus gelijk welk zelfhulpboekje, slaat het lukraak open en pats… val je op een vraag waar je een hele avond achtbaantjes mee kan roetsjen.

 

Had ik dus laatst zo’n boekje net opengemaakt en was op de vraag gedonderd… wat ga je doen met de rest van je leven… toen de toyboy van m’n vrouw van de zolder kwam en vroeg… is dit van jou… had hij gretver mijn wigwam in de hand. Heb ik nog gekregen toen ik acht was… het kan ook negen zijn geweest… je vergeet al eens een jaartje… als je een dagje ouder wordt. Verdomd, dacht ik… mijn programma… wat ga je doen met de rest van je leven… in een wigwam… want daar kom je geheid in terecht als je blijft zeiken en zuipen, zoals je nu bezig bent… daar bak ik een dagschotel van.

 

Op dat moment, op dat moment, dames en heren, hoorde ik een klap, keek uit het raam en zag een man liggen… naast zijn rolwagentje. Hij was aangereden en de dader had vluchtmisdrijf gepleegd… geheid een vluchteling, dacht ik. Even later sta ik bij hem… en ik vraag hem… gaat het kerel… moet ik een ambulance bellen. Nee, doe dat niet, zegt de man. Waarom dan niet… je moet naar het ziekenhuis. Ik kom er net van… zegt de man. Ik heb kanker en heb nog een paar maanden te leven. Dat zeiden ze vorig jaar ook al, maar toen was het zes maanden… dus ik denk dat als ik volgend jaar weer bij de dokter ga het een week wordt.

 

Mijn programma was rond. Een vraag… kanker… en mijn wigwam. Kijk, lullen kan ik als de beste. Ik heb in mijn eentje heel Nederland kapot geluld… en nu is Vlaanderen aan de beurt. Dat programma van mij… hangt met haken en eksterogen aan elkaar… letterlijk en figuurlijk… moet ik de letterlijke laten zien… hoeft niet… u hebt er zelf wel, en weet dus hoe ze eruit zien… dat programma van mij heb ik bedacht… toen ik na een feestje mijn voordeur probeerde te openen met mijn autosleutel. De toyboy van mijn vrouw deed drie hoog het venster open en zei… dat ik er niet meer woonde. Goed, ik zet met m’n dronken kop mijn wigwam op een parkeerplaats… krijg nog een bon van een parkeerwachter omdat ik niet betaald had… en een boete want mijn wigwam had geen nummerplaat.

 

Niet pleuren, dacht ik. Ik verwerk de hele rotzooi in mijn programma… en de stomme bon en kloteboete van die idioten heb ik nog vóór de pauze terugverdiend. Als ik het bij flauwe grappen houd, en geen maatschappijkritiek spui… dat doen de mensen zelf al de hele dag… kom ik er wel uit. Ik moet gewoon afgaan op waar ik sterk in ben. Het niet blijven uitmelken van een grap… geen meerdere lagen op elkaar stapelen… mijn vraag… weet u nog wel… wat ga je doen met de rest van je leven… een aantal maal herhalen… een antwoord hoeft niet… dat kunnen jullie zelf wel verzinnen… als jullie op huis aan gaan… met die zeikerd of treursok die al dertig jaar naast u loopt… en die sterke punten verpak in een flinke portie ego… en toon en timbre goed vasthoud… kom ik er niet alleen uit, maar krijg ik een staande ovatie.

 

Lichte vermaakkunst is niet meer eigen aan Parijs. Het is uitgevoerd… zoals de Franse ziekte… en door de vermenigvuldiging heeft het aan waarde ingeboet… dat weet ik… maar het blijft cabaret. Dat kan die recensent bevestigen… daar op de achtste rij… stoel elf. Er lag geen kaartje op zijn naam aan de persbalie. De jongedame achter het kogelvrij glas geloofde hem niet… zou ik ook doen… als je een kerel voor je staan hebt die kort voordien lijkt te zijn opgevist uit de Leie… maar hij gaf niet af. Ze belde naar het management… dat zat lekker thuis… en na wat over en weer gefezel kreeg hij toch een kaartje. Aan haar… heb ik de rotzooi te danken… die hij geschreven heeft… en die u nu aan het lezen bent. Maar rotzooi of niet… het blijft in elk geval heel wat beter dan het braaksel van die kerel die niets eens een domme vraag kan bedenken… en geen wigwam heeft… Geert Hoste.’

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
13 mars 2013 3 13 /03 /mars /2013 14:12

 

JohanSimons.jpeg

 Johan Simons, intendant van de Münchner Kammerspiele

 

Die dekselse William Shakespeare. Met zijn stukken kan je alle kanten op. De twee beroemdste interpretaties van Romeo & Julia zijn West Side Story en Titanic. Macbeth met jeugd, ambitie en geweld als de driehoek waar het hele plot om draait, kan zich zowel afspelen in een bedrijf, een school, een politieke partij, een televisiemaker als het Vaticaan.

 

Julius Caesar is niet zozeer het verhaal van een Romeinse veldheer en dictator . Caesar sterft halverwege en in het tweede gedeelte behandelt de toneeldichter de vergelding die Brutus en Cassius, de moordenaars van Caesar treft. Bovendien lijkt Shakespeare in het eerste gedeelte toch al meer belangstelling te hebben voor de opwinding rond de samenzwering dan voor een uitgebreide analyse van het karakter van de dictator. Die vrije keuze komt omdat er nogal wat zwarte gaten zitten in de stukken van de Engelse bard. Tijd en ruimte moeten het afleggen tegen tempo en actie. Een scène speelt zich op een slagveld af en vijf minuten later staan de veldheren in de troonzaal, 350 miles verderop. Geef toe, zelfs met de snelste hogesnelheidslijn en bij een stralend blauwe hemel is dat niet te halen. Maar niemand die er zich aan stoort. Spanning en praatjes, dat is wat de mensen willen, en daarvoor was Shakespeare primus inter pares. Een regisseur met een beetje verstand van zaken weet dat flink uit te buiten.

 

In de handen van Johan Simons, intendant van de Münchner Kammerspiele, is König Lear, dan ook het verhaal van een oude herenboer die zijn landerijen, zijn koninkrijk, onder zijn drie dochters verdeelt. Het enige wat ze hoeven te doen om een flink aantal hectaren te krijgen is te zeggen hoeveel ze van hun vader houden. De oudste komt als eerste aan bod. Omdat de jongste, zijn liefste, geen stroop aan zijn baard kan smeren, wat haar zusters wel lukt, krijgt ze niets, want ‘uit niets kan niets ontstaan’. Vanaf dat moment begint de storm. Zowel in het origineel, dat in wezen niet origineel was, maar goed, als we dat dossier inkijken zijn we eind van het jaar nog niet klaar.

 

En zonder bij-intrige geen Shakespeare. Beide intriges, hoewel parallel lopend, en dat toont toch telkens weer zijn groot talent als theaterdichter aan, laat hij naadloos opgaan in elkaar. De beste vriend van de herenboer heeft twee zonen, Edgar uit de huwelijkssponde en Edmond uit een vreemd bed gevallen. De tweede zet de eerste een hak om de gunst van de vader te winnen, ten bate van de erfenis. Is Koning Lear een stuk waarin twee van de drie dochters hun vader verstoten, het is daarom tevens dat van een vader die de verkeerde zoon vertrouwt.

 

Zowel dus in de versie van Shakespeare als in die van Simons ontstaat wel degelijk uit niets… alles. Te beginnen met gevloek en getier die uitmonden in marteling, moord, zelfmoord en waanzin. De herenboer sterft aan een hartinfarct, kort nadat zijn jongste dochter is opgehangen, net als zijn nar. Die zijn zoon zou kunnen zijn. Want hij is weliswaar gehandicapt maar in zijn hoofd zitten de vijf vijzen op hun plaats en staan stevig vastgeschroefd. Tot honderd jaar geleden had elke familie een misbaksel en het werd niet gedumpt, zoals dat tegenwoordig wel het geval is. Die misbaksels kwamen voor in alle standen van de maatschappij. Dus ook aan het hof, waar een goede nar een bewijs van standing was. Hij stond hoger in rang dan kardinaal, admiraal en liberaal. Door de protectie van de grote baas.

Voor Johan Simons was de transformatie van het hof naar het erf dan ook de meest logische zaak. Niet zozeer omdat hijzelf van boerenafkomst is, maar omdat Shakespeare dat ook was. Als jongeling was Shakespeare een soort Robin Hood die een boerendochter zwanger maakte en kort na het huwelijk naar de hoofdstad trekt om fortuin te maken, want hij kon een stier wel van een koe onderscheiden, maar hij kon haar niet melken. Hij werd rijk en eenmaal zover trekt hij weer naar huis om bij vrouw en kind te waken over zijn fortuin. Heel scrupuleus. Hij schrok er zelfs niet voor terug om een deurwaarder te sturen naar een vriend die een kleine lening niet tijdig had terugbetaald.

 

Binnen de kortste keren zijn de twee zusters het maandelijks bezoek van hun vader met zijn vrienden beu en geven niet thuis of, wanneer er toch een confrontatie volgt, krijgt Lear de grofste verwijten naar het hoofd geslingerd en wijzen ze hem de deur. Zo heeft Shakespeare het gewild en Simons trekt die lijn zo sterk door dat de herenboer en zijn nar, eenmaal op de dool en midden in een storm moeten schuilen in een stal, letterlijk tussen de varkens. Het lijkt wel of Simons daarmee wil zeggen dat alle mensen varkens zijn. Al bij een stormpje van niks, een gemiste carrièresprong bv., wordt de mens een dier dat vecht en doodt voor zijn spek en plek. Dat inziend doet de woede van het titelpersonage omslaan in waanzin.

 

De enscenering volgt dat spoor. Een draaitoneel dat met de hand wordt bediend, bekleed met graszoden. Daarachter wat ruwe planken en latten, voor het op- en afdraven. Want er wordt nogal wat over en weer gerend. Van het erf naar de stal, van de stal naar een akker, de boerderij, een veld en hup, weer naar eetkamer op de boerderij. En elke scène overbevolkt met woedebuien. Van het mooie grasveld blijft dan ook aan het eind niet veel meer over.

In een drie uur durende actie wordt er aan een verschroeiend hoog tempo maar met een prachtige inleving geacteerd. Dat hebben de acteurs deels te danken aan de Vlamingen Koen Tachelet als dramaturg en Willy Courteaux, de geestelijke vader van deze productie. Het enige minpunt is dat King Lear een uitgesproken literair stuk is, waarin poëzie en proza over elkaar heen buitelen. Johan Simons heeft dat taalballet behouden, maar dat zorgt een paar maal voor een hapering in het draaien van de motor, de vlotheid van het spel, enfin.

 

Het is te hopen dat deze voorstelling onze landerijen passeert. Want opnieuw blijkt hoe Simons met eenvoudige middelen van iets oud iets nieuw smeedt en het bevattelijk maakt voor grote boer en kleine tuinier. De toeschouwer moet heus niet langs een aula gepasseerd zijn om deze versie te begrijpen. Het enige wat hij moet doen is de tijd stilzetten. Zoals men dat doet bij het bekijken van een thriller uit een Scandinavische studio gerold. En al zit de voorstelling vol ellende, een tragedie kan je het niet noemen. De regisseur stak er om die indruk te vermijden, heel wat lol in, in de trant van grand-guignol.

 

Alle acteurs en medewerkers verdienden applaus, net als de varkens, die jammer genoeg aan het eind niet kwamen groeten.

.

Guido LAUWAERT

 

KÖNIG LEAR van Shakespeare, regie Johan Simons – nog tot eind maart in München en vervolgens op reis – www.muenchner-kammerspiele.de

Partager cet article
Repost0
24 février 2013 7 24 /02 /février /2013 23:18

 

tgSTANnora

Een prachtig gebeeldhouwd repertoirestuk op de affiche zetten, getuigt van moed en bagage. De moed was er wel maar de bagage ontbrak. Nora van tg STAN is een saaie voorstelling met een dikke laag pretentie. Daarmee kom je niet ver. Aan de uitgang van de zaal kijkt de toeschouwer in de kijkkast. Wat is de volgende productie. Hopelijk theater met ballen en brains.

 

De beste amateurvoorstelling van het seizoen, dat wel. Maar van een beroepsgezelschap verwacht je acteren met haar op de tanden en vuur in de blik. Wat opgevoerd werd was het paraderen van vier acteurs [m/v]. Sprekende mannequins. In vervlaamst Engels. Want het gezelschap toert ermee door Europa en passeerde langs het thuisland. Even sloop twijfel binnen bij uw verslaggever: Is dit een grap, of om te huilen? Het was een grap om te huilen. Een totaal gebrek aan inleving, het negeren van de karakters zoals auteur Henrik Ibsen ze geschapen heeft, een rommelige belichting, totaal foutief ruimteraam en een vormloze vormgeving.

 

Een poppenhuis, zoals het stuk eigenlijk heet, is een duidelijk en zuiver afgelijnd stuk. Het verhaal vormt een sterke eenheid, verstaanbaar zelfs voor een stoem kieken. Maar daarnaast is het een psychologisch drama over hooggespannen verwachtingen die ontgoocheld worden. Het hoofdpersonage, Nora, verwacht dat haar man Torvald haar verdediging zal opnemen, wanneer zij door een oude kennis, Nils, gechanteerd wordt. Nora heeft toen haar man zwaar ziek was schriftvervalsing gepleegd. Jaren later komt Nils op de proppen met het bewijs, omdat haar man hem als bankbediende ontslaat. Als zij haar man niet op andere gedachten kan brengen, zal hij haar aanklagen. Doet zij dat niet, geeft hij niet toe, volgt een schandaal, met rangverlaging tot gevolg, zeker in het burgerlijk milieu van eind van de 19de eeuw. In Noorwegen dan nog, het land dat toen, en nog steeds, pronkt met zijn beschaafd niveau.

 

Na heel wat gesoebat, geeft hij tenslotte toe, maar dan vallen de schellen van Nora’s ogen. Hij doet het, niet om haar, maar om hemzelf. Eindelijk heeft hij een hoge [!] positie bereikt, bankier, die wil hij niet verliezen. Bovendien wil hij met de toegeving aantonen dat het de man is die beslist over het lot van de vrouw. De hooggespannen verwachtingen die Nora van het huwelijk had, in een tijd waarin de vrouwenemancipatie vanuit Engeland aan een wereldreis begon, worden niet ingelost. Een ontgoocheling met verregaande consequentie. Nora besluit te vertrekken. Haar man en kinderen te verlaten en een eigen bestaan op te bouwen. Zij wil niet langer het paradepopje van haar man zijn. Dat was zij al voor haar vader, die haar zag als de mooiste pop in het poppenhuis, dat het gezin uit het bourgeoismilieu is.

 

Het laatste wat je hoort in het stuk is een prachtvondst. Nora verlaat het toneel, haar man staat er verslagen bij, zonder te begrijpen waaraan hij dat verlies te danken heeft, en dan hoor je het slaan van de deur.

Gelukkig heet tg Stan die scène tot en met de echo van het toeslaan van de deur behouden. Anders was de tweede ster gesneuveld. De eerste ster is voor de enige geloofwaardige acteur van het viertal, Tiago Rodrigues, die zowel de dokter als het jeugdliefje speelt. Vooral in zijn rol van wanhopige afperser overtuigt hij. En zeker wanneer hij aan het schelden slaat. Zelden een acteur gezien die zo goed verstaanbaar blijft bij geschreeuw. Dat is niet het geval voor Wine Dierickx [Nora]. Jezus, wat kan die meid een drukte verkopen. Om op te vallen. Zie je mij? Hier ben ik! Altijd blijft zij zichzelf, geen moment wordt zij Nora. Al bij het binnenkomen van het publiek is zij druk in de weer. Zit je goed, jij daar? Hé, welkom vrienden. En allemaal met veel gezwaai van armen en darmen. Ook Frank Vercruyssen [Torvald] bakt er niet veel van. Hij dreunt zijn lijnen af, daarbij achteloze mimiek suggererend. Maar klank en beweging botsen.

 

Dat een gezelschap een toneelstuk naar zijn hand zet is zijn recht. Maar een connotatie met de diepere laag van het stuk moet er zijn. En op een minst een link met de oorspronkelijke karakters van de personages. Om de boodschap van de auteur te begrijpen. En die was er bij de première. Noorwegen stond op zijn kop. In de interpretatie van tg Stan ontbreekt die. Je krijgt zelfs als toeschouwer de indruk geconfronteerd te worden met een toneelstuk dat alle actualiteitswaarde heeft verloren. Terwijl de emancipatie van de vrouw tekenen van een gunstige evolutie vertoont, maar dat toch de dominantie van de man op de achtergrond blijft spelen. De man geeft heden ten dage, althans de meerderheid van de mannen, in schijn toe. Doe maar schatje, maar waar liggen mijn sokken? En wat eten we vanavond? Toch weer niet jouw lievelingsgerecht!

 

O ja, Jolente De Keersmaeker doet ook mee. Doet mee, want van spelen heeft ze niet het minste verstand. Om dat gebrek weg te moffelen, wandelt zij te pas en te onpas over het toneel en neemt een dubbelrol voor haar rekening, dienstmeid en jeugdvriendin. Geen moment warmte straalt uit haar, geen enkele variatie van de stem, een lichaam dat van schuimrubber moet zijn. Waar zij wel sterk in is, is in het in de broekzakken houden van haar handen. Maar ja, dat hebben we nu al zoveel keer gezien, in welk stuk zij ook staat. Een koele kikker, een vat vol verwaandheid.

 

De laatste twintig minuten van de voorstelling zijn het sterkst. Hoewel, ze zijn iets te uitgerekt. Zodat je blij bent bij het toeslaan van de voordeur.

 

Guido LAUWAERT

 

NORA – Henrik Ibsen – tg Stan – op reis in België en de omliggende landen – www.stan.be

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche