Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
24 mars 2010 3 24 /03 /mars /2010 20:52
Wegens een fundamenteel verschil in artistieke toekomstvisie heeft Guy Cassiers beslist om de samenwerking tussen het Antwerpse stadstheater Het Toneelhuis en Peter Missotten / De Filmfabriek op het einde van het lopende seizoen stop te zetten.
Volgens Het Toneelhuis heeft de plotse breuk niets te maken met producties uit het verleden.

 

Peter Missotten zou volgend seizoen Endgame van Beckett regisseren”, zegt zakelijk leider Luk Van den bosch. “Zijn concept bleek naar bezetting en invulling niet overeen te komen met de ideeën van Guy Cassiers. Als artistiek leider moet die waken over de programmering.”

Insiders menen dat de “barslechte” productie van Maeterlincks Indringer (cf. de blog van 14 maart) blijkbaar de spreekwoordelijke druppel was...

De geplande activiteiten met Peter Missotten / De Filmfabriek worden tot het einde van dit seizoen verder gezet: De Indringer (nog tot 27 maart), Klein werk in 't groot (op 30, 31 maart en 1 april) en Performance fabriek (van 5 t/m 8 mei).

Partager cet article
Repost0
18 mars 2010 4 18 /03 /mars /2010 16:59

Geschiedenisles tussen krijtjes


De beklemming die per productie aan belang won, heeft bij Eric De Volder plaatsgemaakt voor een onbreekbare lichtheid.

Sinds de universiteiten geen elitaire instellingen meer zijn heeft er zich iets merkwaardigs en toch niet onverwachts voorgedaan. Volksverhuizingen. De universiteitssteden zijn overspoeld met jong volk. Gent is daar het mooiste voorbeeld van. Door de rijkdom van West-Vlaanderen hebben bovendien ouders van studenten panden in de Arteveldestad gekocht en ze omgebouwd tot studentenflats. De gelijkvloerse etage werd, als het pand in schaduw van een faculteit lag, omgevormd tot een soep- of koffiehuis waar het lekker toeven is.

Veel meer dan in andere universiteitssteden zijn studenten na gedane studies in Gent blijven wonen. Door amoureuze relaties inderdaad, maar voornamelijk wegens een schrijnend gebrek aan culturele activiteiten in West-Vlaanderen. Er is cultureel vertier, maar zij haalt geen hoogte. Wie dat goed begrepen heeft is het kunstencentrum Vooruit, maar nog intenser het theatercollectief Campo. Minder bekend dan de Vooruit, omdat het in zijn beleid focust op sociaal geïnspireerde affaires uit de volksklasse. Campo tracht de actualiteit ervan zelfs te pousseren door na de integratie van het West-Vlaamse savoir-vivre ook de charme van de islamitische cultuur te promoveren.

Campo, Toneelgroep Ceremonia en Unie der Zorgelozen hebben een voorstelling opgezet waarvan het verhaal sterk aanleunt bij de geest die oprijst uit Hugo Claus’ Het verdriet van België. Het gegeven van Godses situeert zich in Harelbeke. Al zwemt het verhaal van Godses in dezelfde vijver als Het verdriet, toch is het een familiedrama met een eigen smoel. En al is gekozen voor een monoloog, op de scène staan x-aantal personages met elk een eigen karakter, inclusief de gebruikelijke afwijkingen. De subtiele motorische changementen van stem en lichaam van acteur Geert Six sleuren de toeschouwer mee tot net over de rand van de emotionele inleving.

Het verhaal is het verhaal van de collaboratie op het platteland. Was zij in de stad vooral politiek getint, op het platteland had zij een meer economisch belang. Zeker in West-Vlaanderen, waar de Vlaamse Leeuw enkel gezongen werd om plaasteren IJzertorens aan bedevaarders te verkopen. De details van het verhaal doen hier niet ter zake. Wat belangrijker is, is de structuur van het verhaal. Het is zo ingenieus opgezet dat de plattelandscollaboratie bloot komt te liggen. Terreur van het onderwijs, familievetes, verdraaide waarheden, weggemoffelde gebeurtenissen, zwartgeld, inteelt, met haast onzichtbare verbindingslijnen. Ze maken dat nijd, jaloersheid, afgunst en ergernis zich ballen tot obussen. De oorlog zorgde voor explosies waarbij de bezetter gebruikt werd om lafheid en verraad achter te verbergen.

Maar het einde van de oorlog betekende niet het einde van de slachting. De bevrijding zorgde voor nieuwe explosies die tot op de dag van vandaag voortduren. Want kinderen gaan vragen stellen, zodra ze voldoende afstand kunnen nemen van het eigen erf. De antwoorden worden verwerkt tot ze gaandeweg een verhaal vormen. Het ene al meer geschikt voor het podium dan het andere. Dat het verhaal van Godses zo beklijvend is, is te danken aan een goedaardige samenzwering in Campo. Geert Six zorgde voor het verhaal, Eric De Volder voor coherentie en Dirk Pauwels leverde geld, goed en liet zijn secondanten op de trommel roffelen en het lied van de promotie zingen.

De locatie is een klas. Er staan geen banken, er zijn geen leerlingen in levende lijve, er is geen bord, maar wel een onderwijzer die ronddoolt tussen krijtjes en een geschiedenisles geeft. De toeschouwers zijn stille getuigen, te vergelijken met de verwanten langs de wanden tijdens een modelles bij een openschooldag. Nu eens staat de onderwijzer ver achteraan, wanneer het verleden ingedoken wordt, om vooraan te komen om de angst van een verhoor op te roepen. Dit is eindelijk weer eens Eric De Volder op hoog niveau. De beklemming die de laatste jaren per productie aan belang won, heeft plaatsgemaakt voor een onbreekbare lichtheid.

De gehanteerde taal is West-Vlaams. Al te vaak leidt het gebruik van dialect tot verarming van de voorstelling. In dit geval is het tegendeel het geval. Het versterkt de inleving. En waar slaat de titel op, Godses? Het is van hetzelfde gehalte als wat merde betekent voor de Fransen en shit voor de Engelse Amerikanen [en tegenwoordig ook de veramerikaniseerde Europese beroepszappers]. Een krachtterm dus uit Harelbeke en omliggende weiden en velden. Te gebruiken voor goede en kwade zaken, in tijden van verleidingen en bekoringen, en bij afkering of waardering.

Guido LAUWAERT

 

GODSES – tekst en regie Eric De Volder – spel Geert Six – productie Campo, Toneelgroep Ceremonia & Unie der Zorgelozen – info: www.campo.nu

Partager cet article
Repost0
3 mars 2010 3 03 /03 /mars /2010 17:57

Epidauros, toneelgezelschap van het Sint-Michielscollege te Brasschaat opgericht in 1976,

stelt zich tot doel elk jaar een hoogstaand theaterevenement te brengen, waarbij gaandeweg een innige en intense samenwerking is ontstaan tussen leerlingen, oud-leerlingen, leraars en oud-leraars — samen met vriendschappelijke banden die tot op vandaag, na meer dan 30 jaar activiteit, iedereen blijven bezielen. Epidauros is in de loop der jaren onmiskenbaar uitgegroeid tot een blijvende waarde — niet alleen binnen de collegemuren maar ook ver daarbuiten, bij een erg trouw en enthousiast publiek.

maeterlinck2.jpg

Epidauros brengt dit jaar de tragische geschiedenis van Pelléas en Mélisande van Maurice Maeterlinck (1862-1949, Nobelprijs Literatuur 1911), in een heel persoonlijke, verrassende en creatieve bewerking van regisseur Koen De Feyter. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de vertaling van Ninette De Vries, uit 1893, waarover David Van Reybrouck het volgende zegt:

Als het werk desondanks vandaag nog mag gelezen worden (een goed halfuurtje, meer tijd moet men er niet aan hangen), dan is dat deels ook te danken aan de mooie, ietwat plechtstatige Nederlandse vertaling van Ninette de Vries uit 1893 die nu is herdrukt. Alleen is het jammer dat de kanjer van een schrijffout uit de titel (Pelléas heet daar plotseling Pélléas, alsof het een haargroeimiddel betrof) een eeuw later er nog staat.

De voorstellingen vinden plaats op 5, 6, 11, 12 en 13 maart 2010 in de Vriesdonkzaal van het Sint-Michielscollege (Kapelsesteenweg 72, Brasschaat), telkens om 20u. Op 13 maart is er tevens een namiddagvoorstelling om 15u. Reserveren kan on-line of telefonisch op03/646.22.17 (Mon & Monique Vijgen). Kaarten kosten 8 €.

Regisseur Koen De Feyter hield op www.epidauros.be een dagboek bij over de laatste maand voor de première.

Affiche-Pelleas-en-Melisande.JPG

Paul Neuhuys stelde onomwonden: “Ce n’est pas vrai que Dada a donné naissance au surréalisme. Le surréalisme est sorti des serres chaudes de Maeterlinck, en se frottant au freudisme”. En Wannes van de Velde kwam in Sevilla tot de conclusie dat een chanson' van Maeterlinck alle elementen bevat, qua klimaat en structuur, van een cante por siguiriya.

Zie:

http://caira.over-blog.com/article-17383604.html

http://caira.over-blog.com/article-16255631.html

Partager cet article
Repost0
2 mars 2010 2 02 /03 /mars /2010 07:22

-RPhileDeprez3683.jpg

Dé film van het festival van Cannes van 1973 was La Grande Bouffe, van de Italiaanse cineast Marco Ferreri. Publieksopstand en Ingrid Bergman, de juryvoorzitster, was dermate geschokt dat ze lang voor Fin al in de bar zat. Terwijl de mens niet opkijkt van iemand die zich dood drinkt, doet hij dat wel voor iemand die zich dood eet. En dat is wat gebeurt in de film: vier mannen komen samen in het ouderlijk huis van een van hen, voor een uitgerekt laatste avondmaal.

Kers op de taart was het open einde. Het publiek en de pers ergerde zich eraan. Vroeg zich af waarom de vier mannen zich dood aten. Het antwoord is nochtans simpel: de vier mannen hebben het allemaal gehad. Hun leven is voltooid. Hun wacht slechts het verlies van de greep op het bestaan. Om die een hak te zetten hebben ze besloten directe euthanasie te plegen.

Wat het publiek indertijd ook niet zag was de werkelijke reden van cineast Marco Ferreri om deze film te maken. Het staarde zich blind op het doodschransen en zag de onderlaag niet, namelijk een hommage aan de schrijver op culinair gebied, Jean-Anthelme Brillat-Savarin (1755-1826). De man die een kookboek in de vorm van een psychologische roman heeft geschreven, Physiologie du Goût (Het wezen van de smaak). Vele bespiegelingen zijn verlucht met speelse anekdotes. Ze geven een levendig en kleurig beeld van de tijd en kring waarin hij leefde, een kostelijke geschiedenis aan het einde van de achttiende, begin negentiende eeuw.

Dat is wat Ferreri ook heeft gedaan. Zijn film verscheen op het moment van een economie in volle bloei. En Johan Simons is Ferreri gevolgd. Zijn toneelversie is een kritiek op de vreetcultuur, zelfs ten tijde van economische crisis. Want een tafel minder in een sterrenrestaurant betekent niet een maaltijd minder. Het enige verschil is dat de grootkapitalisten eindelijk verlost zijn van de halfgrote. Zij eten opnieuw thuis. Waar niet bespaard wordt op het eten, maar op de service.

Met een productie die er komt in een periode dat koks de schermmeesters zijn en hun kookboeken als strips van de hand gaan, valt Johan Simons tweemaal in de prijzen. Het is hem gegund, want zijn La Grande Bouffe steekt ingenieus in mekaar en is door een efficiënte combinatie van beeldende en theatrale kunst een streling voor oog en oor.

La Grande Bouffe is een coproductie van het NTGent en Toneelgroep Amsterdam. Om de kosten te verdelen ongetwijfeld, maar ook om de lat van de rolverdeling even hoog te leggen als die van de film. De rollen van Michel Piccoli, Marcello Mastroianni, Ugo Tognazzi, Andrea Ferreol en Philippe Noiret werden overgenomen door Chris Nietvelt, Elsie de Brauw, Jacob Derwig, Steven van Watermeulen, Aus Greidanus jr en Wim Opbrouck. Wat vooral opviel was de intensiteit van het samenspel. Het overschreed het spelplezier en bereikte een niveau van heilig geloof in het geheel als eenheid. Wederzijds respect is er, en dat maakt dat geen van de acteurs als primus inter pares bestempeld kan worden.

-RPhileDeprez5080.jpg

Na de intro komt het rauwe vlees uit de hemel gevallen. Het manna voor het laatste avondmaal. Er wordt gedurende twee uur met het nepvlees gezeuld, op getrapt, geschopt, geneukt maar nooit van gegeten. En toch lijkt het echt degoutant. Bij momenten klinkt vederlichte pianomuziek. Een moment van overweging tokkelt een acteur met de vingers op de rand van het toneel, op de maat van de muziek. Klank en gebaar kleineert het hondengeblaf op de achtergrond, symbool voor de herrie van het klootjesvolk.

-RPhileDeprez4076.jpg

Ook over het gebruik van kleuren is nagedacht. Twee ballonnen gaan de lucht in. Blauwe. Even na aanvang en kort voor het einde. De onderwijzeres, tevens kokkin, draagt een blauwe overjas. Waarom de nadruk op blauw? Omdat die kleur voor gif staat. Zij lepelt de heren de dood in. De hoer daarentegen denkt rechtlijnig. Zij loopt rond in een kleed van zwarte en witte vlakken, en houdt zich afzijdig.

Johan Simons, de dramaturgen, de spelers en de verantwoordelijke voor het beeldconcept, Anna Tilroe, hebben zeer goed begrepen wat de essentie van de zaak is. De naam van de grote fijnproever die in de film even ter sprake komt, schuift ook in de voorstelling de mond uit. Terloops.

De vier mannen in film en voorstelling hebben als beroep dezelfde bezigheid als de belangrijkste personages in de roman van Brillat-Savarin, die niet alleen gourmand was, maar ook rechter.

La Grande Bouffe verschilt stilistisch van de vorige producties van Johan Simons. Een pracht van een geschenk aan het einde van zijn Gentse tafelschikking.

Guido LAUWAERT

LA GRANDE BOUFFE première voor Vlaanderen: 10 maart in NTGent/schouwburg – www.ntgent.be

 

 

 

Partager cet article
Repost0
22 février 2010 1 22 /02 /février /2010 01:59

Compagnie lodewijk/louis en ’t Arsenaal hebben de handen in elkaar geslagen en een voorstelling gemaakt op basis van het uit 1975 stammende repertoirestuk Thuis van Hugo Claus. Een lofwaardig initiatief, tot je het resultaat ziet. De acteurs sloffen over het toneel als de zwarten in het Congolese dorp van de Wereldtentoonstelling van 1958 en dreunen hun lijnen af als stemcomputers. Een enkele keer schiet een stem de hoogte in of daalt onder zeeniveau. Storingen op de lijn. De gebruikstaal moet je niet ver zoeken, moet regisseur Yves De Pauw tegen zijn acteurs gezegd hebben. Kijk naar de titel en denk soap. Waarop Anna Seniow die voor de kostumering tekende, er achteraan gooide: En breng volgende repetitie de kleren mee waarmee je de kelder opruimt! Motten geen bezwaar.


Het decor! Een houten vloer van Brico met centraal opgesteld een pontificale trap, gebouwd van palettenhout. Uit het magazijn zijn halfverroeste potten verf gehaald en werden de restjes door elkaar geklutst. De aldus gevormde kleur is een aanslag op het darmstelsel. De belichting is typisch Belgisch. Donder als zon voorspeld is en kerstsfeer als carnaval verwacht wordt. Door het petgooien van de artistieke leiding hebben de acteurs de grootste moeite om geloofwaardig over te komen. De prestaties van Thomas Bellinck, Jos Geens, Greg Timmermans, Hilde Van Haesendonck en Evelien Van Hamme blijven bovendien steken in emoties van de suikerpot.


Met dit wangedrocht heeft de regisseur bewezen dat hij niet verder gekeken heeft dan het verhaaltje. Geen spoor op welk moment dan ook van de onderlaag. Terwijl van een regisseur mag worden verwacht dat hij alvorens aan de slag te gaan enig speurwerk verricht. Dat hij de acteur Steve McQueen, wiens naam valt in het stuk, vervangt door George Clooney, tot daar aan toe. Veel dodelijker voor zijn kundigheid is dat de naam van de dementerende inwonende vrouw [mevrouw Vergote] moest wijken voor Lena.


Door de domme ingrepen en de ronduit vulgaire enscenering is duidelijk dat Yves De Pauw geen oog heeft voor de geschiedenis van de auteur en dit stuk. De perpetuo silentio, voortdurende stilte, op dat gebied van de regisseur wordt bij deze gecorrigeerd. Zodat de toeschouwer én de acteurs enig inzicht hebben in het diabolisch karakter van deze zure komedie.


Hugo Claus was een zondagskind op moederschoot. De verhouding met zijn vader steeg en daalde voortdurend, die met zijn moeder zweefde stabiel in hogere luchtlagen. Dat is één constante in het leven en werk van Hugo Claus. Een tweede is zijn passie mét de Kerk. Hij vertaalde zijn afkeer voor dat Roomse instituut via de Christelijke symboliek. Dat is moeiteloos aan te tonen in zijn poëzie, zijn proza, maar ook in zijn toneel.


Thuis draait rond vijf personages: de vader (Theo), de moeder (Monique), de zoon (Rik), diens vriendin (Sonja), en een inwonende vrouw van wie het huis op lijfrente werd gekocht, met als bijkomende clausule dat zij tot haar dood verzorgd moet worden. De keuze van de namen in de romans en het toneelwerk van Claus zijn veelbetekenend, maar de naam van de vriendin van de zoon, heeft een bijkomende. Sonja leunt tegen Sylvia. Het is de voornaam van de vriendin van Claus halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw. Om precies te zijn: Sylvia Kristel, de actrice en moeder van zijn tweede zoon, Arthur.


Bij zijn eerste bezoek met haar aan zijn ouders, wonend in Gent, flirtte zijn vader met de toen 24-jarige Sylvia. Ik had het verhaal indertijd uit de mond van Hugo gehoord, maar de zin om met de waarheid een loopje te nemen, heeft me doen besluiten, het, in de raam van deze voorstelling, te verifiëren bij Sylvia Kristel. Zij bevestigde het gebeuren.

Claus verwerkte zijn woede en afkeer door het geflirt te gebruiken als uitgangspunt voor het toneelstuk. Daarin komt de zoon op bezoek bij zijn ouders, met in zijn zog zijn nieuwste liefje, een Nederlandse verpleegster. De zoon is zo verstoord over het geflirt dat hij haar zijn vader aanbiedt. Een offer van de zoon aan de vader. Samen met zijn moeder maakt hij een uitstap naar Gent. Eenmaal alleen met haar wil de vader tot de daad overgaan maar faalt. Door de inwonende vrouw, die de schuld krijgt van zijn seksueel onvermogen.


De inwonende heeft geen voornaam. Zij wordt aangesproken als ‘mevrouw Vergote’. Etymologisch bekeken staat Vergote voor goot, greppel, gracht. Dat is een bewuste keuze, gezien haar vermeende verantwoordelijkheid in de seksuele faling van de vader. Vooraan in het tekstboek staat: ‘De actie speelt zich af in Kruishoutem.’

De keuze van deze Oost-Vlaamse gemeente heeft geen enkel ander doel dan het thema van het stuk te benadrukken: het aan het kruis nagelen van de vader. Via die weg belanden we bij een van de Bijbelse kuisheidswetten: De schaamte van uw schoondochter mag u niet ontbloten. Omdat zij de vrouw van uw zoon is, mag u haar schaamte niet ontbloten (Leviticus hfst.18, vs. 15).


Ja, de Christelijke symboliek is nooit ver weg bij Claus. Ik heb hem ooit de meeste katholieke schrijven van de tweede helft van de 20ste eeuw genoemd. De uitspraak is mij niet in dank afgenomen. Toch is het zo.

Guido LAUWAERT




THUIS, van Hugo Claus – een productie van compagnie lodewijk/louis en ’t Arsenaal – speeldata en –locaties: www.tarsenaal.be

Partager cet article
Repost0
6 février 2010 6 06 /02 /février /2010 05:55

De performance heeft een lange weg afgelegd. Zijn grote opgang kende hij in de maalstroom van de studentenrevolte van de jaren zestig. Toen iedereen weer keurig naar de klok leefde, heeft deze theatervorm een evolutie gekend die deze trend volgde, al is dat op het eerste gezicht niet te zien. Wilde je als regisseur in de pers en de prijzen vallen, was circustoneel een noodzaak. Door een aantal sterke producties is het fenomeen een hogere vorm van toneel geworden. Maar eind van de jaren tachtig kwam de klad erin. De performance werd een ideeënstuk, een samenraapsel van plotse ingevingen, verknipte fragmenten uit klassieke werken en persoonlijke parade.


Een theatermaker met verstand zag het gevaar en probeerde het tij te keren. Zijn pogingen lagen echter in de lijn van het ideeënstuk, want een al te abrupte ommezwaai zou faliekant geweest zijn voor zijn eigen gezelschap, voor zijn eigen financiële waarde in de eerste plaats. Want ook dat is belangrijk om de toneelperiode van de laatste 40 jaar te begrijpen. Een vaste baan, een vast loon, terugkeer naar een conservatief bestaan haalt het op experiment en risico.


Mooie liedjes duren echter niet lang. Niet alleen critici maar ook toeschouwers wenden zich stilaan af van het ideeënstuk. Veel gezelschappen, gespecialiseerd in dat soort van toneel, trekken niet veel publiek meer. Na de premièredagen wordt er gespeeld voor zo goed als lege zalen, tenzij mediasponsors toegangskaarten in het rond strooien. En dan nog. Mediasponsors proberen de laatste tijd op het paniekerige af een manier te vinden om mensen die toegangskaarten ‘gewonnen’ hebben, ook te verplichten ze te verzilveren. Want niet opdagen werkt nadelig op het imago. Van het theater, en vooral van de sponsor.


De beroepsperformers in Nederland, Vlaanderen en Brussel, zagen ook in dat het tij aan het keren was, maar een oplossing hadden ze niet meteen bij de hand. Jarenlange vegetatie had hun verbeelding en hun lef aangetast. In plaats van een grote ommezwaai kwam er slechts een bijsturing: hernemingen van oude, succesvolle producties. Elk gezelschap heeft er wel een paar. Tien jaar KVS onder leiding van Jan Goossens heeft twee uitschieters opgebracht: Missie, van David van Reybrouck en Leopold II, naar het gelijknamige stuk van Hugo Claus.


Een hoop treurnis dus in theaterland, een toestand die extra bevestigd wordt door een televisieserie als Oud-België. Want diep verscholen achter het idee van deze productie klinkt de roep naar het goede oude toneel. Liever revuetheater dan ideeëngetater.


Gelukkig tekent zich aan de einder een kentering af. Een kentering die toneel opnieuw de plaats wil geven waar het recht op heeft: de eerstgeborene te zijn van de literatuur.

De kentering is ontstaan in het land met de beste acteurs ter wereld, de beste televisieseries ter wereld [met eenzaam op kop The Singing Detective, van toneelschrijver Dennis Potter!], de beste toneelstukken sinds de Reformatie [van Shakespeare en zijn tijdgenoten, over Shelley, Shaw, Beckett tot Harold Pinter].

De grote boottrekker van de ontluikende lente is Sarah Kane. Helaas heeft zij te kort geleefd om als persoon faam te verwerven. Haar zelfgekozen dood, een fractie van het bestaan, is belangrijker dan haar leven. Haar stukken zullen nog wel op het repertoire blijven staan. Analytisch bekeken zijn ze niet alleen wanhoopskreten van een eenzaam mens, maar ook hulpgeroep om toneel in zijn oervorm. Voor haar is poëzie patisserietoneel, want gedichten werden oorspronkelijk geschreven om voorgedragen te worden, niet om te lezen. Aan duidelijkheid daarover geen gebrek in haar laatste stuk Crave. De belangrijkste claus aan het einde van de laatste scène luidt: ‘En vergeet niet dat poëzie taal om de taal is. / Vergeet niet dat een ander spreken een ander soort luisteren vereist. / Vergeet het respect niet. / Vergeet het respect niet.’

Sarah Kane heeft de nieuwe koers uitgezet. Rudimentair maar zo doeltreffend dat het geleid heeft tot een ontdekkingsreis. Een nieuwe wereld in de oude. De financier en organisator is, verrassend en toch o zo logisch, het Britse Royal Court Theatre. De directie van dit theater nam begin deze eeuw het besluit op zoek te gaan naar een nieuwe generatie toneelauteurs. Bij voorkeur heel jonge, net van de tienerstoel gevallen, precies om de vinger van het toneel heel dicht op de sociale actualiteit te leggen. Daar ze echter moeilijk te vinden waren, is besloten ze zelf op te leiden, via workshops. Tot eigen verbazing van de Royal Court bleken de markantste auteurs vrouwen te zijn. Met als uitblinker Polly Stenham.


Het is 2006 wanneer Polly Stenham een plaats weet te bemachtigen in de jaarlijkse workshop. Tijdens die workshop schrijft ze That Face. Het Royal Court Theatre is dermate onder de indruk dat het stuk meteen op het repertoire wordt genomen. De voorstelling is een geweldig succes. Een recensent spreekt zelfs over ‘één van de meest verbijsterende debuten die ik gezien heb.’ Stenham wint verschillende prijzen. Een jaar later schrijft ze haar tweede stuk, Tusk Tusk. Opnieuw een daverend succes.


That Face is onlangs vertaald en staat dit seizoen als Dat Smoel op het repertoire van het Nationale Toneel, Den Haag. In tegenstelling tot de stukken van Sarah Kane, die extreem egocentrisch zijn, heeft Dat Smoel geen persoonlijke binding. Polly Stenham heeft, naar eigen zeggen, een pracht van een jeugd gekend in een voorbeeldig milieu. Keurige, hardwerkende ouders met een sterke interesse in cultuur, bij voorkeur toneel. Haar inspiratie haalt Stenham voornamelijk uit verhalen van anderen en toneelstukken die ze eerder zag. Met als twee belangrijkste voorbeelden A Streetcar named desire en Who’s Afraid of Virginia Woolf.


Het succes van Polly Stenham is mede te danken aan het feit dat de toneelauteur opnieuw aan kracht wint en de sociale relevantie van haar stukken. Haar stukken spelen zich niet af aan de zelfkant van de maatschappij, maar in de middenklasse, een klasse die na mei ’68 de macht veroverd heeft, maar gefaald is in zijn streven naar een nieuwe orde. Het resultaat is een generatie van jongeren die zo verwend is dat ze agressief en destructief is.


In Dat Smoel is de zoon (18) aan de drank van zijn moeder, en de dochter (15) gebruikt drugs van haar moeder. Het meest merkwaardige aan dit stuk is echter de slachting van de vader. Hij heeft gekozen voor het grote geld, heeft zijn familie verlaten, maar keert weer om orde op zaken te stellen. Dat doet hij ook, maar dank krijgt hij er niet voor. Want, zoals de zoon zegt: ‘Pappa, je hebt me hier helemaal alleen gelaten. Dus deed ik wat ik dacht dat jij had moeten doen.’ Maar ook de dochter laat zich niet onbetuigd: ‘Je wilde denken dat het oké met ons was.’ Waarop de moeder kort daarna zegt: ‘We hebben hem toch niet nodig. Hij komt te laat.’


Jammer dat deze productie niet verder toert dan Amsterdam. Het Nationale Toneel verdient met zijn producties belangstelling uit Vlaanderen, want het promoot al jaren repertoiretoneel, schuwt daarbij geen experiment of risico, zolang ze ten dienste staan van de oergrondwet van toneel: Het voorstellen van aangrijpende gebeurtenissen met een psychologische, morele of sociale conflictstof als inzet.


Het Vlaamse theater heeft kwaliteit in huis, in het bijzonder wat acteurs, en regisseurs, betreft. Het mist alleen gedegen jonge toneelauteurs, een nieuwe smoel, want Tom Lanoye, David van Reybrouck, Arne Sierens, Filip Vanluchene, Peter Verhelst hebben prachtig werk geleverd, maar vissen al te vaak in een lege vijver. Ze zijn bovendien ook al een dagje ouder.

Guido LAUWAERT


DAT SMOEL – Polly Stenham – vertaling Tom Kleijn

informatie: www.nationaletoneel.nl

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche