Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
25 mai 2010 2 25 /05 /mai /2010 12:49

25.jpg

 

Driemaal is Jan Decorte de voorbij dagen in de prijzen gevallen. Zijn voorstelling Bakchai, naar Bacchanten van Euripides, werd geselecteerd voor het Theaterfestival 2010, en hij werd zestig, een goed moment om hem uitvoerig de media in te duwen. Met op kop Klara die Decorte op 21 mei twee uur in de studio van Babel inviteerde waar hij werd geïnterviewd door Heidi Lenaerts, een interviewster die om de vijf voet kreetjes uitslaat zoals pubermeisjes in de roddelhoek van de school.

 

Dat zijn twee prijzen. De derde ligt in een minder openbare hoek. Hij is een ingenaaide map van de bibliofiele uitgeverij Literarte. Deze eenmansuitgeverij geeft jaarlijks één boek[je] uit en de achttiende uitgave is ZEG Hé van Jan Decorte. Het bevat drie brieven gericht aan zijn petekind. Johan Daenen maakte daar zes acrylschilderijtjes bij. De oplage bedraagt 165 genummerde en door beide kunstenaars gesigneerde exemplaren.

 

Het is Jan Decorte van harte gegund, maar de uitgave had beter gekund. Het papier mag dan een ronkende titel hebben, Magno Satin, maar is niet meer dan blinkend dik papier dat niet met de hand werd geschept maar door een machine werd afgestoten terwijl de machinist, eenmaal het toestel aan het draaien was, Dag Allemaal zat te lezen. Een schreefloze letter had ook beter aangesloten bij de illustraties. Non-figuratief eist – zeker in een bibliofiele uitgave – een puurheid. Een schreefletter staat daar haaks tegenover. Onderhuids besluipt de lezer een onbestemde jeuk, bij de eerste oogopslag.

 

Het omslagkarton is fraaier en past bij de persoonlijkheid van Jan Decorte. Grof zonder agressie, de grafische afwerking zonder franje, het doet me denken aan wat Louis-Ferdinand Céline ooit schreef aan zijn uitgever Denoël, naar aanleiding van de eerste uitgave van Voyage au bout de la nuit: ‘Let ook op het omslag - Geen variétégedoe - Geen typografische sentimentalisme, klassiek. [...] gewoon een serieus en bescheiden omslag. Dat is mijn mening - Donkerbruin en zwart of misschien grijs en grijs en een strakke letter - een beetje vet. Dat is alles - Dat is impressionistisch genoeg.’

 

De montage van de bibliofiele uitgave werd in harmonicavorm uitgevoerd. Ter wille van de scheiding van de drie brieven, die duidelijk als afzonderlijke creaties moeten worden beschouwd. Het lijkt wel of de lezer opgelegd krijgt de lezing over drie dagen te spreiden. Een logische beslissing want het gaat niet over één brief, maar drie, en al krijg je ze op één dag, het blijven drie afzonderlijke reacties. De titels van de brieven liggen in het verlengde van de titel van de uitgave: DAG Hé, SEKS Hé en DOOD Hé. Opvallend is dat ze, volgens de colofon en het promotiepraatje, zijn geschreven voor zijn petekind, maar ook dat de onderwerpen beschouwd kunnen worden als de drie zijden van de gelijkbenige driehoek van de producties van Jan Decorte: geboorte, seks en dood. Nader omschreven: de repetitietijd, de voorstelling en het zwarte gat nadien. Want al mogen de recensies en de publieksreacties lovend tot laaiend zijn, de theatermaker heeft een postnatale depressie.

 

In de eerste brief, DAG Hé, is die visie te vinden in de dubbelzin waarvoor een hele pagina, zonder illustratie, werd voorbehouden: ‘We wachten allemaal. Op u, mijn liefste kindje, gij.’

In de tweede brief, SEKS Hé, is het al meteen raak op de eerste bladzijde, nogmaals zonder illustratie: ‘Zeg kindje, wilt gij iets weten over uw mama en papa? Wat ze juist doen als ze helemaal uitgekleed zijn [wist gij dat niet?].’ Dit vat precies samen wat de essentie is van het theater als schepping van de wereld van Antonin Artaud en de filosofische beschouwingen van Peter Brook, gebundeld in zijn generatieoverschrijdend boek, The empty space.

De sleutelzin van de derde brief, DOOD Hé, is te vinden in de driedelige slotzin, al illustratieloos, niet toevallig gevolgd door een lange lijn, die, door de vorm van de uitgave, helaas beperkt is in lengte: ‘Nu zijt ge vrij. The end en goede reis nog. Bon voyage & amuseer u, liefste schattebout. —————————— ‘.

 

Al valt de uitgave ietwat tegen, toch hoort elke diepgelovige de uitgave in zijn bibliotheek te hebben. Al zal dat niet gemakkelijk zijn. De oplage is beperkt, de uitgave niet in de boekhandel verkrijgbaar en het adres van de uitgever ontbreekt. Voor wie mordicus toch een exemplaar wil, moet er dus snel bij wezen.

Guido LAUWAERT


ZEG Hé – Jan Decorte – www.literarte - leden: 45 € – niet-leden: 65 €.

 

Partager cet article
Repost0
21 mai 2010 5 21 /05 /mai /2010 05:03

Ramon.jpg

Renaat Ramon exposeert sculpturen, grafiek en visuele poëzie in X-L-Ent Art Galerie te Oostende. Vernissage op 4 juni om 19 uur. De galerist vraagt wel een seintje voor de aansluitende receptie (051/21 15 48 of jempymail@gmail.com).

Naar aanleiding van de publicatie, vorig jaar, van twee bundels van Ramon, Zichtbare stem en Lingua franca, 13 empirical poems, publiceert Jaak Fontier in de jongste aflevering van Poëziekrant een indringende beschouwing over de dichter-beeldhouwer. Hij stelt daarbij vast:

Dubbeltalenten die schrijven en beeldhouwen, schilderen of tekenen, beoefenen meestal de disciplines van het woord en de beeldende kunsten niet even intensief. Zij munten ook niet in dezelfde mate als uit als schrijver en als beeldend kunstenaar. Renaat Ramon lijkt het juiste evenwicht tussen beide disciplines te hebben gevonden. R + R = Renaat + Ramon = beeldend kunstenaar + dichter = dubbeltalent.

[…]

Over de interactie van beeldende kunst en literatuur, de combinatie van visuele en semantische elementen zijn in de loop van tachtig jaar talloze studies verschenen. Theoretici hebben vele indelingen en namen bedacht: concrete poëzie, visie-poëzie, objectieve poëzie, mechanische poëzie, conceptuele poëzie, intermediaire poëzie. Wat schrijft en beeldt Ramon? Het is van enkele belang: termen en theorieën worden volkomen vergeten door de bezitter en genieter van Zichtbare stem.

RamonSTEM

Renaat Ramon neemt ook deel aan het Festival Constructivisme in de Art Gallery den Heeck te Hingene-Bornem. Vernissage op 30 mei om 15 uur.

In 1983 publiceerde Jaak Fontier een monografie over Ramon, de beeldhouwer. Hij onderstreept terecht de aan het transcendente grenzende dimensie van het toen al indrukwekkende œuvre van de Bruggeling:

Hoe verder men vordert in de contemplatie van deze tot hun naaktste essentie gereduceerde structuren, hoe meer men zich realiseert dat de relaties van vlakke en lijnen onderling en tot de ruimte de concretisering zijn van een gedachte die, naar het woord van Max Bill, “bis an die Grenzen des Ungeklärten führt”. En weer stuiten wij op de paradox dat wat rationeel berekend leek, zich openbaart als drager van een aan de transcendentie rakend verschijnsel.

Geheel in de traditie van het constructivistisch streven hecht Renaat Ramon een bijzonder belang aan de materialen die hem voor de uitvoering van zijn, werk ten dienste staan. De realisatie van wat hij zelf eens genoemd heeft “mathematische tekeningen in de ruimte” eist smetteloze, “onthechte” materialen zoals staal en brons, arduin en verchroomd metaal, en nu ook plexiglas, van alle materialen, wellicht het minst materiële.

Renaat Ramon maakte inderdaad eerst naam als beeldend kunstenaar. Het programma van de constructieve, al dan niet in de architectuur geïntegreerde sculpturen van Ramon mag dan wortelen in de historische avant-garde, het getuigt altijd van een hardnekkige en eigenzinnige bezinning over de mathematische grondslagen van de zuivere abstractie. Hendrik Carette typeerde hem ooit als “wiskunstenaar”...

(HFJ)


X-L-Ent Gallery, Leopold II-laan 4, Oostende. De tentoonstelling is van 5 tot en met 25 juni dagelijks toegankelijk van 10 tot 17 uur.

Art Gallery den Heeck, Louis de Baerdemaekerstraat 52-54, Hingene-Bornem. Van 1 juni tot 8 augustus is de galerie elke zaterdag en zondag van 14 tot 19 uur open.

Jaak FONTIER, 'Sober en cool. Dubbeltalent', in: Poëziekrant, jg. 34, nr. 2, maart-april 2010, pp. 63-66.

Jaak FONTIER, Ramon, Brussel, Le Décagone, 1983, 141 p.

Over Ramon, zie de blog van 7 januari 2010:

http://mededelingen.over-blog.com/article-renaat-ramon-veelzijdigheid-concentratie-42490054.html

Over poesia visiva:

http://mededelingen.over-blog.com/article-poesia-visiva--henri-floris-jespers---luc-fierens-in-gierik-

Partager cet article
Repost0
16 mai 2010 7 16 /05 /mai /2010 22:57

De Antwerpse stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen beschouwt kennelijk zijn ambt als een full-time job. Dinsdag 11 mei trad hij als gastheer op in Rood/Wit – het Berchemse cultuurcafé (Generaal Drubbelstraat 42, 2600 Berchem) waar ik het voorrecht had hem jaren geleden persoonlijk te mogen leren kennen.

In 2004 hield ik in Rood/Wit een lezing over 'Paul van Ostaijen, jazz & Chopin', die achteraf hier gepubliceerd werd. Tot ieders verbazing zong ik toen een aantal liederen waarvan Van Ostaijen een aantal fragmenten citeerde of verwerkte in Bezette stad. In Rood/Wit had ik ook een aantal verhelderende gesprekken met Joris Gerits.

Naar versleten iconen als Kristien Hemmerechts of Leonard Nolens ging ik niet luisteren (waarom zou ik ook?) maar 'Hoe de vis de zee verloor', ja, dat trok mij wel aan, ook al (of misschien: vooral) omdat Peter Holvoet-Hanssen daar uitdrukkelijk mijn aandacht op gevestigd had.

Ik was er dus bij dinsdag, met Pruts Lantsoght en Luc Neuhuys, toen Flor Vandekerckhove, Geert Cyriel Tavernier en Marnix Verleene zeewaardige verhalen, gedichten en beelden uit Oostende brachten: “Hoe de vis de zee verloor”. Vrijblijvend was het allerminst (en wie had dat gedacht, wanneer Peter Holvoet zich engageert?).

Onderhuids thema was immers de teloorgang van de vrije visserij, wat fel tot uitdrukking kwam in het gedicht van Schipper-Odysseus Marnix Verleene, Ridder van het Kapersnet, een hulde aan zijn vriend Jean Deley, “de laatste visser”.

Flor Vandekerckhove, de zeer merkwaardige hoofdredacteur van Het Visserijblad (door Peter Holvoet-Hanssen ingeleid als 'de laatste trotskist' – maar de 'kaper' vergist zich, het zij hem voor een keer vergeven...) las (veel te snel) een zonder meer schitterend hoofdstuk uit een te verschijnen roman, waar ik van nu af naar uitkijk. Geert Cyriel Tavernier bracht een sterk gedicht, helaas al te 'voordrachtkunstenaarachtig' vertolkt.

En bij wijze van verrassing werden de aanwezigen nog getrakteerd op een sterk optreden van Bruno Deneckere (wellicht bij wijze van Gents verbingsteken tussen Oostende en Antwerpen...).

Achteraf had ik nog boeiende gesprekken, o. m. met de talentvollke en scherpzinnige Leïla Boukhelif en Leo Reijnders (de plastische kunstenaar die bij Radio Centraal elke maandag 'De wolkenbreiers' verzorgt).

*

Café 'RoodWit' bestaat al een eeuwigheid. Het is een van de weinige authentieke buurtkroegen die Berchem (Antwerpen) nog rijk is. De naam RoodWit komt overigens van de kleuren van de biljartballen, die op de biljarttafel liggen die centraal staat in het café.

Eind vorige eeuw nam Peter Melis samen met een vriend en zijn vrouw de de zaak over. Met als eerste bedoeling de plek en haar buurtfunctie voor de ondergang te vrijwaren. Hoe dat kon, werd met veel intuïtie en creativiteit stap voor stap uitgezocht en opgebouwd. De jukebox werd vervangen door een piano. De speelkast door een boekenrek. Er kwam een 'boekje' op elke tafel te liggen met nieuwtjes uit eigen kring maar ook een maandelijkse boekbespreking, doordenkers en andere verhaaltjes. RoodWit werd het startpunt van buurt- en straatfeesten, vergaderplek van talloze wijkcomités, thuishaven van biljart-, bak- en voetbalsupporterclubs, schaaktoernooien en biljart- en djembélessen.

En sinds een drietal jaren is er, in de schoot van RoodWit, 'De Boog'.

Poëzie, literatuur, theater, muziek en dans - kunst in het algemeen dus - wordt al te vaak opgesloten in cultuurtempels met een hoge drempel. De Boog wil lezingen, theater- en dansvoorstellingen, voordrachten, concerten... organiseren die dicht bij het publiek staan. De toegangsprijs wordt laag gehouden (5 €). De Boog-activiteiten gaan door - in principe - elke tweede dinsdag van de maand, telkens om 20u30 in café RoodWit. Initiatiefnemers zijn Geerdt Magiels, Peter Holvoet-Hanssen, Jo Roets en Kris Verellen: een (tegendraadse) wetenschapsjournalist, een eigenzinnige dichter en performer wiens talent door enkele critici meteen gewaardeerd werd en het dan toch o zo terecht tot Antwerpse stadsdichter bracht, een bevlogen toneelman en een dichter die honderden verzen uit de Nederlandse literatuur uit het hoofd citeert. Voeg er nog Peter bij, de uitbater die Majakowski in het Russisch declameert. Het zal dan ook wel aan hem te danken zijn dat de activiteiten van De Boog plaatsvinden onder een motto van Velimir Chlebnikov: “Godverdomme goden, Dat gij ons maakte om te sterven. Wel daarom richten wij omhoog deze door treurnis giftige pijlen, ziehier de boog”.

Henri-Floris JESPERS

www.boog.be

Partager cet article
Repost0
16 mai 2010 7 16 /05 /mai /2010 21:58

Tijdens de tweede editie van kalmkunstfestival In de luwte werd in Roosdaal hulde gebracht aan de op 13 oktober 2009 overleden ereburger Bert Decorte.

Volgende verzen van de dichter werden in steen gebeiteld:


Werd er niets blijvends uit mij geboren?

Versneeuwt het tot vlokschuim?

Waait het verloren?

Of zou het verduren tot duurzaam graniet?

Zie In memoriam Bert Decorte

http://mededelingen.over-blog.com/article-bert-decorte-overleden-wonderkind-in-de-

 


Partager cet article
Repost0
15 mai 2010 6 15 /05 /mai /2010 18:45

Nietzsche wees bij herhaling op het labyrint, een doolhof “waarin alles ingestort is en waarin men poogt zich in te richten of op te richten”. In Zarathustra IV speelt het hol een grote rol. Leopold Flam stipt aan

in zulk labyrint schijnt Jozef K. uit Het Proces van Kafka geraakt te zijn. In de tribulaties van ons bestaan zijn er ongetwijfeld zulke labyrinten, waarin elke uitweg versperd schijnt te zijn en het onmogelijk wordt nog iets te zeggen. Alles is ingestort en we bewegen ons tussen de puinen. 1

De labyrintische mens komt al vroeg ter sprake, zo bijvoorbeeld bij Adrianus Poirters SJ, de voorvechter van de Contra-Reformatie: “Men vindter in once tijden die segghen dat het Herte vanden mensch is eenen dool-hof”.2

Slaan we er woordenboeken op na, dan vinden we “doolhof” als volgt gedefinieerd:

a) tuin, die uit een aantal herhaaldelijk ombuigende en door heggen gescheiden paden bestaat, zo aangelegd, dat het zeer moeilijk is het middelpunt te bereiken of vandaar de uitgang te vinden. Vervolgens ook in toepassing op bouwwerken, die op soortgelijke wijze zijn ingericht;

b) een geheel van omstandigheden of aangelegenheden, of een zeer samengestelde zaak waarin het moeilijk is de weg te vinden, waaruit het moeilijk is wijs te worden;

c) een omgeving of een toestand, waarin of waardoor men licht op dwaalwegen komt, in geestelijke of zedelijke zin.

Wie in een doolhof geraakt dwaalt of doolt. Ook die werkwoorden zijn polyvalent: voortgaan buiten de juiste weg, zonder de juiste weg te kennen; zonder doel voortgaan of zwerven; zich in telkens wisselende richtingen voortbewegen; zich vergissen, het mis hebben, de waarheid niet kennen, verkeerde denkbeelden aanhangen; buiten zichzelf zijn door aandoening of opwinding; ijlen; in een toestand tussen slapen en waken zijn; niet in het volle bezit van zijn geestvermogens zijn, zinneloos zijn of razen.

In de XVIde eeuw vinden we 'dwalen' in de betekenis van: het afleggen, niet slagen, falen.

In verband met 'Irrweg, Irrgarten' en 'Irre' wijst Paolo Santarcangeli er in zijn grondleggende Libro dei labirinti op dat 'Irre'

è poi uguale a pazzo, all'uomo il cui spirito è caduto nella confusione, che si è perduto per sempre; ma è anche per noi 'die Irrfahrten des Odysseus' sono l'errare, gli errori, le avventura di Ulisse.3

 

De zwerftochten, de dwalingen, het avontuur van Ulysses – ook de taal weerspiegelt de dubbele polariteit van de doolhof.

Het oudste labyrint waarvan sprake in geschreven bronnen is een verder onbekend Egyptisch labyrint met volgens de overlevering drieduizend kamers. De mythe kristalliseert zich zich pas in het Kretenzische labyrint van Minos, gebouwd door Daidalos. De strijd van Theseus tegen de Minotaurus, de stier-mens, weerspiegelt de confrontatie van de lichtbrengende filosofische held met de duistere wereld van de mythe: “Toro-uomo segno di forze ctonie che tentano una ultima rivolta contro l'uomo ordinatore”.4 De Minotaurus5 symboliseert de aardse, chtonische, tellurische krachten van de duisternis, Theseus de ordescheppende, lichtgevende, ordescheppende en zingevende mens.

Het oorspronkelijke, mythische labyrint biedt altijd een uitweg en vertoont minstens één kernruimte, een bevrijdende “oercel”6. De verwarring en het avontuur, de 'dwaling', vormen een waarachtige queeste, een initiatieproces, een iter mysticum.7 Psychoanalytisch wordt er gewezen op het verband tussen het labyrint en de 'Wiederholungstrieb' (de drang naar herhaling, nogmaals hetzelfde te doen), terwijl de dooltocht in het labyrint gelijk staat met een “ricerca del seno materno”, een zoektocht naar de moederschoot.8

Wie het labyrint betreedt, treedt in een vrijwillige eenzaamheid die de tijd opheft.9 De dooltocht door het labyrint heeft een cathartische uitwerking. De labyrintganger weet niet wat hem te wachten staat. Hij wordt genadeloos geconfronteerd met de persoonlijke, subjectieve monsters die hem bewonen, hij staat helemaal alleen, oog in oog met zijn objectief geprojecteerde subjectieve obsessies (en angtsmotieven). De tocht door het labyrint is aldus een inwijding, een initiatie, een begin en illustreert de symbolische keten dood-kennis-hergeboorte. In de kernkamer wordt de confrontatie beslissend. “Vi troveremo un tresore? Le prenderemo. Vi troveremo un monstro? Lo occideremo.”10 Vinden we daar een schat? We zullen hem meenemen. Vinden we een monster? We zullen het doden...

De labyrintganger ervaart dat de omweg naar het middelpunt voert, dat alleen de omweg naar volkomenheid leidt.

“Beato chi, come Teseo potra uscire dal suo Labirinto personale, une volta per sempre.”11

Wee echter wie dat geluk niet te beurt valt, wie de weg naar de kernkamer niet vindt of het gevecht met de Minotaurus ontwijkt. Hij blijft verstrikt in het labyrint en verliest het (geestelijke, evenwichtige) leven. Romeinse mozaïeken en middeleeuwse manuscripten die een labyrint voorstellen, dragen vaak als verklarend opschrift: “Hic inclusus vitam perdit” – wie hier ingesloten is, verliest het leven. Wie eens op een dwaalspoor is, raakt almaar verder van de weg. De enkeling die verdwaald blijft in het labyrint verzaakt de queeste en de dooltocht wordt een zinloze en aftakelende lijdensweg.

Het labyrint heeft vandaag de dimensies aangenomen van de globale, totalitaire maatschappij waarin de mens niet langer ordenend en zingevend optreedt, maar waarin hij integendeel slechts het product is van uit zichzelf voortwoekerende, dominerende structuren. Het labyrint verliest aldus zijn stralende dimensie: van polyvalent symbool van de overwinning van de concentratie op de (innerlijke) chaos verwordt het tot eenduidige allegorie van de Kerker van de Wereld.

Henri-Floris JESPERS

ClericiFabrizio CLERICI, De Minotaurus klaagt zijn moeder openbaar aan


1L. FLAM, Zelfvervreemding en zelfzijn, Amsterdam / Antwerpen, Wereldbibliotheek, 1966, pp. 7-8; p.74.

2A. POIRTERS, Het Heylich Herte vereert aen alle godt-vruchtige Herten voor eenen Niew-Jaer, Antwerpen, 1659.

3P. SANTARCANGELI, Il libro dei labirinti. Storia di un mito e di un simbolo, Firenze, Vallecchi editore, 1967, p. 73.

4P. SANTARCANGELI, o.c., p. 15.

5De Minotaurus werd eerst gezoogd door zijn moeder. Maar na verloop van tijd werd hij te sterk en te agressief voor een reguliere kooi. Daarom werd de Minotaurus opgesloten in een door Daidalos ontworpen doolhof, zo ingewikkeld, dat de uitgang niet te vinden was.

6G.R. HOCKE, Die Welt als Labyrinth, Hamburg, Rowohlt, 1957, p.98.

7P. SANTARCANGELI, o.c., p. 168.

8Met betrekking tot het labyrint als woonruimte en zijn fysiologische, organische metamorfosen, cf. Gilbert DURAND, Les structures anthropologiques de l'imaginaire, Paris, Presses Universitaires de France, 1963, pp. 118, 120, 221, 259, 263-64, 344, 372.

9P. SANTARCANGELI, o.c., p. 356.

10Ib., p. 356.

11Ib., p. 356.

Partager cet article
Repost0
13 mai 2010 4 13 /05 /mai /2010 18:24

 

De Ark van het Vrije Woord had zijn jaarlijkse poetsbeurt gekregen en was dus klaar om getoond te worden. Voorafgaand aan de ceremonie op woensdag 12 mei in de Antwerpse galerie De Zwarte Panter, van de eeuwig galante en charmante gastheer Adriaan Raemdonck, was in het voetstuk de naam gegrift van de 60ste laureaat, Geert Buelens.

Mon Detrez, in zijn hoedanigheid van voorzitter van het Verbond van de Arkprijs, heette het talrijk opgekomen publiek welkom. In tegenstelling tot andere jaren was dat echter niet zo talrijk. De reden hiervoor zal het verlengde weekend geweest zijn. Toch moet dat niet de enige reden zijn, maar hierover later meer. In de voorlaatste alinea.

Mon Detrez begon zijn welkomstwoord met het aflezen van de namen van de bestuursleden en notabelen die zich schriftelijk hadden verontschuldigd. Het herhalen van hun namen zou de leesbaarheid van dit stuk danig ondermijnen. Eén naam wil ik wel vernoemen, Karel Anthierens. Hij zit weliswaar in het bestuur, maar heeft weinig goesting het gebeuren met zijn aanwezigheid te verfraaien, omdat hij vindt dat de hoogst gegadigde, de man met de meest vrije stem en pen van Vlaanderen, de prijs nooit gekregen heeft. Johan Anthierens. Mijns inziens is de reden hiervoor dat Johan niet alleen smaldenkers maar ook breeddenkers wanneer hij dat nodig vond, ongenadig wist te kapittelen. Vaak ten onrechte, maar het was zijn mening, en ieders mening is een vrije mening.

De aanwezigen waren de usual suspects. Een ruwe greep: Tom Lanoye, Marc Ruyters, Christine van Broeckhoven, André van Halewijck, Simon Korteweg, Luc Coorevits, Roger de Neef, Nelly Maes, Walter Soethoudt, Luc Huyse, Cyriel Van Tilborgh, Lucas De Vos, Paul Goossens, Jan Vanriet. Ook aanwezig was Fred Bervoets. Hij stond niet vóór de communiebank maar bleef aan de toog in de sacristie hangen.

Samen met een beperkt aantal sympathisanten luisterden de arkbroeders vooreerst naar de ontstaansgeschiedenis van de Arkprijs en alle gevolgen vandien. Eigenlijk een belediging voor de aanwezigen, want ik denk dat niet één dat niet al lang wist. Op z’n minst hebben ze het al dertig maal gehoord, want het publiek was niet van de jongste. Na de verantwoording werden de mensen bedankt die vooral bedrijvig zijn achter de schermen, en dus met alle miserie beladen worden. Zulke slachtoffers doen me denken aan de klerk van de notaris uit De Verlossing van Willem Elsschot, waarover de schrijver zegt: ‘Mertens was zijn eerste klerk, een man die gebruikt werd als getuige bij akten, als strooman bij verkoopingen en als zondebok bij knoeierijen.’

Na een kwartier was het tijd om aan de laureaat te denken. Mon Detrez wist te vertellen dat de jury Geert Buelens huldigt als dichter, essayist, academicus en onafhankelijk denker, die het maatschappelijk debat over de verantwoordelijkheid van de media breed heeft opengetrokken. ‘Door zich consequent kritisch uit te laten over de kwalijke ontwikkelingen binnen de media, heeft hij de cultureel-politieke wereld uitgedaagd tot permanente zelfkritiek.’ Einde citaat. De laatste zin kwam mij nogal vreemd over omdat voortdurend met geparfumeerde stem de namen vielen van De Morgen en De Standaard, onze twee zelfbenoemde kwaliteitskranten die de laatste tijd een nogal kwalijke ontwikkeling hebben ondergaan, de eerste sinds het aantreden van Klaus Van Isacker, en de tweede door het halfverdoken schrikbewind van Peter Vermeersch.

Mon Detrez deed een stap opzij en David van Reybrouck een voorwaarts. Zijn laudatio ging de verhalende toer op met een terugkeer naar Vlaanderen dat er als vanouds vredig bijlag, in de schaduw van de kerktoren en met in de kale boom eksters die nu en dan krasten, naar de sneeuw, naar de stilte, naar de bejaarde dames die met hun plastic kapjes schuifelen van nergens naar nergens. Zo iets horend weet ik dat de spreker zichzelf graag hoort spreken en ook graag lang aan het woord is. Geert Buelens werd, in het tweede kwartier, enkele keren genoemd, maar duidelijk was dat het Van Reybrouck enkel te doen was om de eigen literaire kwaliteiten te demonstreren en te bewijzen dat ook hij grote woorden kon verwerken in een kanselpraatje.

Daarmee wil ik geen afbreuk doen aan het wetenschappelijk en literair talent van de laureaat. Geert Buelens heeft prachtig werk geleverd. Wat mij wel stoort is dat sprekers al te vaak de neiging hebben om misbruik te maken van de gelegenheid. De gevierde is een werktuig in handen van zoekers naar voetstukken. Een paar aanwezigen keken tijdens de lofzang op lage toon, mijn richting uit. Iemand haalde de wenkbrauwen op, een andere bootste een spinnende kettingzaag na. Maar allen applaudisseerden, kort nadat Van Reybrouck wees op het feit dat

‘Hij [Geert Buelens] niet langer reageert op Don DeLillo’s argwaan met gedichten die zwoegend een kleine ruimte voor het zinvolle spreken menen gevonden te hebben, maar inmiddels ook met steeds stelliger essays en opiniestukken op steeds grotere fora, omdat de hysterie van het heden, de macht van het geld, de verharding van het spreken en de waanzin van het geweld hem wel dwingen tot interventie. Dat is zijn antwoord op de new age of responsibility, want vraag niet wat democratie en rechtvaardigheid voor jou betekenen, maar wat jij voor de democratie en rechtvaardigheid kunt betekenen'

en Buelens tot slot prees

‘voor de manier waarop je de politieke dimensie van de poëzie ontleedt.’

Het applaus na de onvoorwaardelijke Duitse capitulatie op 7 mei 1945 was een maatje kleiner.

Wie dacht dat hij verlost was van de academische terreur kwam bedrogen uit. Het dankwoord van Geert Buelens was een referaat over zijn eigen positie als wetenschapper en kunde als literator. Nogmaals, ik heb zeer veel waardering voor Geert Buelens, maar dankwoorden moeten kort en krachtig zijn. Hooguit mogen ze vijf minuten duren, dus niet meer dan één vel A-4 met anderhalve regelafstand beslaan.

De jaarlijkse uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord is verworden tot een pronkgebeuren van arkbroeders en –zusters. Het is een braaf gebeuren dat vooral aantoont wat het in oorsprong wilde belijden, desnoods met de vuist op de tong: het vrije woord. Want als één ding duidelijk is, is dat de Arkprijs enkel oog en gravering heeft voor wie in zijn kraam past. Wie bevestigt wat al gedacht is. Wie opbouwt door af te breken. Voor een feest van de zelfverheerlijking is geen jonge mens te vangen. Dàt is de voornaamste reden dat de opkomst aan de lage kant lag.

Ik geloof dat met dit artikel ik voor eens en voor goed de kans heb verkeken op een plaats op de Ark. Gelukkig heb ik al jaren mijn eigen bootje. Dat er verdomd nog stevig uit ziet. Ondanks de vele stormen.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
12 mai 2010 3 12 /05 /mai /2010 17:27

Naar aanleiding van zijn tienjarig bestaan heeft het Vlaams Fonds voor de Letteren [VFL] een boek uitgegeven. Een half jaar moet een commissie zich over de titel hebben gebogen, en vervolgens de hulp hebben ingeroepen van een extern adviesbureau, anders kom je toch niet op dergelijke briljante titel: Dat spreekt boekdelen.

Boekdelen.jpg

Het jubileumboek is fraai uitgegeven, al is het nu ook weer niet fabuleus. Voor wie enigszins vertrouwd is met het grafisch vak merkt, dat voor de goedkoopste formule werd gekozen. Veel moet het niet zijn, maar een beetje franje moet toch kunnen. In zijn tienjarig bestaan is het bestuur van het VFL er blijkbaar nog niet achter gekomen dat de uitgave van een boek gebouwd is op drie pijlers: inhoud, uitzicht en impact. In de vorm zoals het er nu uitziet is het niet meer dan een boek dat een maand op het bijzettafeltje ligt en dan verhuist naar een plank buiten handbereik.

Dat spreekt boekdelen is eerder een kijk- dan een leesboek. Niet enkel omdat de verzamelde stukjes één maximum twee pagina’s beslaan, dankzij het grote lettertype, maar vooral omdat ze al te duidelijk verzoeknummers zijn. Het is zonneklaar dat de aangesproken auteurs er niet zijn voor gaan zitten. Geen enkel moment word je geraakt, blijft het plakken aan het plafond van het geheugen.

143 auteurs hebben een stukje gemaakt en daar ze uit diverse disciplines afkomstig zijn, is het een bont allegaartje geworden. Korte prozaïsche beschouwingen worden afgewisseld met gedichten en illustraties, het een al braver dan het andere. Zelfs de onvermijdelijke cartoon heeft geen enkel geurtje. In een catalogus van sanitair zit meer verrassing dan in dit boek, en Dat spreekt boekdelen is bovendien nóg saaier dan de klas van Frieda.

De stofvrije bijdragen zijn niet de schuld van de schrijvers en tekenaars, maar van het VFL zelf. Het VFL is een instelling dat bij de minste kritiek naar de wc holt, zonder de zweep te lossen. Het is dan ook logisch dat de deelnemers er over hebben gewaakt een bijdrage te leveren die hun positie bij de VFL niet in gevaar brengt. Welbeschouwd kan je stellen dat de teneur van het VFL van elk blad springt: conservatisme naast terreur. Voor experiment en anarchie heeft het VFL in zijn tienjarig bestaan nooit oog en oor gehad. Ook niet dat er in ons heerlijk vaderland sinds een paar jaar mensen leven en werken uit het Verre Westen, het Nabije Oosten, het Diepe Zuiden en het Hoge Noorden. Een uitzondering niet te na gesproken, maar die is al flink ingeburgerd en niet onlangs aangemeerd.

De alfabetische volgorde is naar lemma’s. Literaire lemma’s, voor de hand liggende en vergezochte, om toch een schijn van verbeelding op te wekken. Van A-vierformaat, over Td-fout, langs plagiaat, tot Zwerfhond, wat slaat, volgens Johan de Boose, op een literaire kelder van Sint-Petersburg. Door af te zien van een volgorde volgens naam is jaloersheid dus vermeden, nog een gevoel waar de VFL als de dood zo bang voor is. Geen vragen, geen verhitte mails, geen verwijten. Elke dag moet een zonnige zijn en aan het eind van elke werkdag moet duidelijk zijn dat geen mening veruit de beste keuze was.

De auteurs en tekenaars liggen mij zo na aan het hart dat ik haast compassie met hen heb. Hebben zo voor dit prul energie en tijd moeten vrijmaken. Het hele opzet toont ook aan dat het VFL, bij monde van directeur Carlo Van Baelen, want hij heeft het eerste en het laatste woord, meer aandacht heeft voor het kasboek dan voor een lees- of kijkboek.

Klap op de vuurpijl is een formulering op de colofonpagina vooraan in het boek. ‘De auteurs die een bijdrage hebben geleverd aan dit boek staan hun auteurshonorarium af ten voordele van het Sociaal Fonds van de Vlaamse Auteursvereniging.’ Tiens. Van dat Sociaal Fonds heb ik nog nooit gehoord. Ongetwijfeld bestaat het, maar sinds zijn ontstaan in de donkerste schaduw van de verste achtergrond. Maar nu het toch even is komen piepen had ik graag geweten wie en wat een snoepje heeft gekregen uit de pot van dit onderfonds. Ach, domme Lauwaert, leden van de Vlaamse Auteursvereniging, want zo staat het geschreven en gedrukt.

Maar zijn het géén leden van deze vereniging die juist nood hebben aan sociale bijstand? Conclusie: de VFL is een apartheidsbeweging.

Guido LAUWAERT

Dat spreekt boekdelen – Vlaams Fonds voor de Letteren – Antwerpen - 277 p. - ISBN 9789077076002 – www.vfl.be


 

Partager cet article
Repost0
10 mai 2010 1 10 /05 /mai /2010 05:39

 

De Antwerpse stadsdichter Peter Holvoet-Hanssen beschouwt kennelijk zijn ambt als een full-time job. Dinsdag 11 mei treedt hij als gastheer op in Rood/Wit – het Berchemse cultuurcafé waar ik het voorrecht had hem jaren geleden te mogen leren kennen.

Flor Vandekerckhove, Geert Cyriel Tavernier en Marnix Verleene brengen zeewaardige verhalen, gedichten en beelden uit Oostende: “Hoe de vis de zee verloor”.

Peter beveelt dit optreden ten zeerste aan. Ik heb dan ook meteen per mail gereserveerd: info@boog.be. Dan kan natuurlijk ook telefonisch: 03/239 34 68.

HFJ

Dinsdag 11 mei, 20u30, Café Rood/Wit, Generaal Drubbelstraat 42, 2600 Berchem.

www.boog.be

Partager cet article
Repost0
10 mai 2010 1 10 /05 /mai /2010 01:32

De zestigste Arkprijs van het Vrije Woord wordt op 12 mei feestelijk gevierd in De Zwarte Panter te Antwerpen. De naam van laureaat Geert Buelens (°1971), hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht, zal dus gegraveerd worden in de door Jozef Cantré vervaardigde Ark die bewaard en bewaakt wordt in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen.

Buelens werd bekroond voor zijn kritische betrokkenheid bij het mediabeleid, zijn inzet voor het culturele aanbod in ons taalgebied en zijn diepgaande analyse van de band tussen oorlog en poëzie.

Bij die gelegenheid verschijnt onder redactie van Lukas de Vos Buiten het bereik van Farisese handen, een uitgave van de Vrienden van de Zwarte Panter die mogelijk werd gemaakt met de steun van Philippe Lemahieu.

Ziehier de tekst van pagina vier van de omslag:

De Arkprijs van het Vrije Woord is al zestig jaar geleden een begrip in Vlaanderen. Van meet af aan stond deze morele onderscheiding symbool voor de absolute vrijheid van meningsuiting. Het was Herman Teirlinck, directeur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, die hem in het leven riep, om de enggeestigheid en de bevooroordeelde houding van een letterkundige jury aan de kaak te stellen, toen Marnix Gijsen om politieke en morele redenen een bekroning ontzegd werd voor Joachim van Babylon.

Er is sinds 1951 heel wat veranderd in Vlaanderen. Ook de Arkprijs heeft zich moeten aanpassen aan de nieuwe tijden. Tien jaar geleden werden alle laureaten herdacht in de bundel Een onberaamd verbond. Er werd toen al gewezen op de afgenomen invloed van de letteren, en het toenemend belang van andere maatschappelijke voorvechters. Dat lag geheel in de lijn van de aanzet die August Vermeylen kort voor zijn dood in 1945 nog had gegeven, met de stichting van het NVT, dat oorspronkelijk Diogenes had moeten heten.

Deze sobere bundel ontleent zijn titel Buiten het bereik van Farisese handen aan het openingsmanifest van de Arkprijs. Hij roept op tot konstante bewustwording van de gevaren die de vrijheid van meningsuiting belagen. Hij belicht de zin en betekenis van de Arkprijs. Hij roept enkele belangrijke pas overleden gangmakers in herinnering. En hij besteedt aandacht aan de eerste en de zestigste winnaar van de Arkprijs, Christine D'haen en Geert Buelens.

Mon Detrez, voorzitter van het Arkcomité, spreekt een welkomstwoord, David Van Reybrouck brengt een eerbetoon aan de laureaat die tot slot zal danken. De Vrienden van de Zwarte Panter bieden daarna een receptie aan.

*

Zestig jaar Arkprijs... Ik maakte er alvast tien actief mee. Eind 1972, begin 1973 werd ik opgenomen in de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift en fungeerde dus als jurylid tot het tijdschrift eind 1983 opgedoekt werd.

Herman Liebaers, Luk(as) de Vos (die in 1981 aangetrokken werd als redactiesecretaris van het NVT) en ik zijn de laatste drie overlevende stichtende leden van de 'Stichting Arkcomité van het Vrije Woord', opgericht in 1982 om de prijs veilig te stellen. Willy Calewaert overleed in 1993, Walter Debrock in 1996, Eddy van Vliet in 2002, Marc Galle in 2007 en Karel van Miert vorig jaar.

Henri-Floris JESPERS


Woensdag 12 mei 2010 om 18u30 in Galerie De Zwarte Panter; Hoogstraat 70, 2000 Antwerpen.

 

Partager cet article
Repost0
7 mai 2010 5 07 /05 /mai /2010 19:58

exlibris-5-5-2010-056.jpg

Van l. naar r.: Frans Depeuter, Werner Spillemaeckers, Evelyn Baetes, Guido De Sutter en dokter Paul Hoffbauer

exlibris-5-5-2010-064.jpgHFJ en Luc Neuhuys

exlibris-5-5-2010-095.jpgHFJ in gesprek met Frans Depeuter

exlibris-5-5-2010-001.jpgVan l. naar r.: Erik Verstraete, René Broens, Mieke de Loof en

Frank-Ivo van Damme,

aan wie we de op de blog gepubliceerde foto's te danken hebben.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche