Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
24 juin 2010 4 24 /06 /juin /2010 19:18

MagnItrIpLICIs

operIs phILoLogI

IngenIosa haeC

spLenDet Corona


Prof. em. dr. Andries Welkenhuysen


Bart Mesotten o.praem. (°Diepenbeek, 1923) uitvoerig voorstellen zou ons te ver leiden; ik beperk mij tot enkele summiere gegevens. Deze licentiaat in de theologie en de klassieke filologie gaf vijftien jaar les aan het Sint-Michielscollege te Brasschaat. Hij blijft in eerste instantie de man die in Vlaanderen de Japanse haikoe introduceerde en bekend en geliefd maakte. Hij publiceerde in dit genre eigen poëzie, maar tevens twee standaardwerken errond: Haikoe-boek(1986) en Duizend kolibries(1993), naast Een verre vogel (1998) en Boven de wolken(2003). Hij is de stichter van het ‘Haikoe-centrum Vlaanderen’ (1976) en de oprichter van het tijdschrift Vuursteen (1980), eveneens gewijd aan deze Japanse dichtvorm.

Voor de schoolradio en –televisie verzorgde hij enkele uitzendingen rond de grote literaire meesterwerken (b.v. rond de Divina Commedia).

Bij een groot publiek is hij echter bekend om zijn religieuze rubriek in Knack, die hij gedurende zestien jaar verzorgde, en door zijn taalkundig-etymologische bijdragen in tal van kranten en weekbladen. Deze “etymologische verkenningen” vonden hun neerslag in twee lijvige bundels: Binnenkijken in woorden (1997) en Rondneuzen in woorden (2000).

De nu 87-jarige Mesotten publiceerde de afgelopen zes jaar echter wat wellicht als zijn magnum opus omschreven kan worden, nl. drie woordenboeken: Van aalmoes tot Zwitserse garde(2004, Etymologie en betekenis van duizend woorden rond religie), Valse profeten(2007, Honderden Bijbelse woorden en uitdrukkingen in het Nederlands), en ten slotte vorig jaar Rari nantes. Honderden Griekse en Latijnse gevleugelde uitdrukkingen, afkortingen, voor- en achtervoegsels te gast in het Nederlands– het voorlopige sluitstuk (?) van een prachtig(e) lexicografisch(e) ‘trio’, ‘trits’, ‘triade’, ‘trilogie’.

Het chronogram of ‘carnacioen’ (jaardicht) van professor Welkenhuysen (de opgetelde kapitalen vormen het jaartal 2009) zegt dan ook heel terecht: “Over een grootse driedelige filologische onderneming straalt hier de geniale bekroning.”

Ter repetita placent”? Ten eerste is die ‘ter’ enigszins misplaatst in het bekende gevleugelde woord; secundo: van een echte ‘repetitio’ is er natuurlijk ook geen sprake, wél veeleer van drie werken die organisch groeiden vanuit Mesottens opleiding en belangstelling als theoloog en classicus.

Een derde woordenboek of lexicon dus, dit keer boordevol met klassieke ‘sententiae’, woorden (en naamwoordelijke verbindingen), afkortingen, voor- en achtervoegsels, eigennamen, eponiemen en geoniemen, en “talloze andere vreemde drenkelingen op de zee van het Nederlands” (zoals de kafttekst vermeldt).

Net zoals in de vorige twee lexica krijgen we ook hier een voortreffelijke inleiding waarin de lexicograaf de selectiecriteria, de inhoud en de structuur van de lemma’s en nog enkele andere kleinere problemen (o.m. ‘Overlapping’, ‘Transliteratie’, ‘Spelling van eigennamen’ of ‘Klemtoon’) bondig en helder behandelt en verantwoordt (pp. 7-16).

Bij nagenoeg elk trefwoord geeft de auteur in volgorde: de vorm, de context en de betekenis waarin of waarmee het nu gebruikt wordt; vervolgens de bron (-nen) of vindplaats (-en); en ten slotte zelfs lexicaal-grammaticale toelichtingen bij het woord of de spreuk in kwestie.

Vaak komt daar nog eens de etymologie bovenop en “een of ander leuk weetje dat erbij hoort” (p. 13); en doorgaans is het geheel uiteindelijk voorzien van overvloedige verwijzende voetnoten.

Het boek sluit met handige registers: een alfabetische inhoudsopgave van alle trefwoorden; een register met godennamen en één met de geciteerde Bijbelboeken; een lijst van eigennamen; een ‘beknopte’ bibliografie; volgt dan, alfabetisch op naam van de klassieke auteurs, een register met vertalingen, en ten slotte een korte bibliografie van etymologische woordenboeken.

Aantrekkelijk bij dit alles is het feit dat Mesotten – ook in dit derde lexicon – al deze wijsheid niet brengt op een saaie en droge, puur wetenschappelijke manier of in een voor leken al te cryptische stijl, zoals wel vaker gebeurt in dit soort boeken. Integendeel: de taalkundige en literair-historische toelichtingen en verklaringen worden ingebed in heldere, plezierige en soms erg uitvoerige ‘verhalen’ en levendige anekdoten. Dat is, om maar iets te noemen, b.v. het geval bij ‘veni, vidi, vici’ (2 blz.), ‘veritas’ (dat zelfs 5 blz. beslaat) of ‘gaudeamus igitur’ (meer dan 4 blz.). En als dan nog af en toe ironie opduikt, hetzij als een knipoogje, hetzij als een nogal pijnlijk prikje – maar dan wel volstrekt onvoorzien en ongewild, denk ik (zie b.v. ‘ab uno disce omnes’) – dan ben je vertrokken voor urenlang puur leesgenot.

Eén van de moeilijkste aspecten van zo’n woordenboek is de keuze van de trefwoorden: wat neem ik op, wat niet (zoals de auteur trouwens zelf vermeldt op p. 9)? Mesottens keuze is gebaseerd op het feit dat woorden of uitdrukkingen hun ‘vreemde’ voorkomen hebben behouden. Woorden als ‘tafel’ of ‘zolder’ hoef je hier dan ook niet te zoeken – en terecht. Maar stellen dat ‘manuscript’ en ‘gymnastiek’ “even doorzichtig” (p. 10) zijn geworden als ‘handschrift’ en ‘lichaamsoefeningen’ berust m.i. op een nogal subjectieve, i.c. nét iets te positieve beoordeling van de vertrouwdheid van de modale lezer met zulke Griekse of Latijnse woorden. Maar goed, wellicht is het arbitraire doorhakken van knopen in dit soort werken op een bepaald moment gewoon onvermijdelijk.

Mesotten schrijft overigens uitdrukkelijk: “Ik behandel alleen de woorden die ik om een of andere reden boeiend en/of onduidelijk vind, en waarvan ik veronderstel dat zulks voor vele lezeressen en lezers ook het geval kan zijn.” (p. 8).

Dat woorden als ‘anorexia’, ‘sinecure’ of ‘status-quo’ wél opgenomen werden, lijkt dan ook een evidentie. Maar het in het lijstje (p. 10, r. 6) eveneens vermelde ‘telefax’ (waarvan de component ‘–fax’ wellicht velen kan intrigeren) heb ik tot mijn spijt niet teruggevonden, wat ik ook zoek (ik bedoel dus: op basis van de woorden ‘fax’ of ‘telefax’ in het corpus of in de registers). Natuurlijk wordt het woord opgehelderd onder het lemma ‘facsimile’, maar iemand die dat niet reeds weet, zal het woord moeilijk kunnen localiseren.

Een ander ‘minor problem’ vormt voor mij soms de opname van een lemma in één van de twee grote delen van het woordenboek. Deel 1 bevat “gevleugelde uitdrukkingen”, deel 2 “afkortingen, voor- en achtervoegsels, woorden en eigennamen”. Goed, ik kan mij bij elk van deze concepten wel een en ander voorstellen en op basis daarvan ga ik dan grasduinen in één van beide delen.

In deel 2 vind ik dus, zoals te verwachten valt: ‘ad rem’, ‘ad valvas’ of ‘a fortiori’ naast ‘alibi’ en ‘allochtoon’. Maar tot mijn verbazing ontmoet ik er ook ‘est modus in rebus’ (Horatius), ‘ex abundantia cordis’ (Mattheus), ‘exegi monumentum’ (Horatius), ‘gaudeamus igitur’ (studentenlied 18deeeuw) en ‘laudator temporis acti’ (Horatius).

Anderzijds werden in deel 1 uitdrukkingen opgenomen als ‘cum grano salis’, ‘cum laude’ of ‘Damokles (het zwaard van -)’, wat mij nu precies géén ‘gevleugelde woorden’ lijken te zijn maar gewoon (min of meer versteende, vandaar wellicht hun ‘impact’) naamwoordelijke uitdrukkingen of (zoals in dit geval) ook een eigennaam.

Mesotten was zich van het probleem echter zelf bewust: “Het was niet altijd duidelijk waar de lijn moest liggen”, en iets verder: “Wie in het eerste deel vergeefs zoekt, wordt vriendelijk naar het tweede deel […] verwezen” (p. 21).

De auteur vergeve mij deze ongetwijfeld pietluttige aanmerkingen; ze verzinken gewoon in het niet bij zoveel boeiende en plezierige wijsheid die ons, dit keer via de Nederlandse taal, vanuit de Oudheid toeschittert en verheft: utile dulci mixtum, zoveel is zeker.

Ik wens dit woordenboek van pater Mesotten, dat barst van puur vertelplezier én van erudiete liefde voor taal, voor geschiedenis en voor de Oudheid, dan ook heel veel enthousiaste lezers toe. Ex abundantia cordis!

Ik betuig ook graag mijn oprechte waardering aan de uitgever, de typograaf en alle andere boektechnische medewerkers voor de erg leesbare én tegelijk oogstrelende vormgeving van dit boek.

Luc PAY

 

Bart MESOTTEN, Rari nantes. Honderden Griekse en Latijnse gevleugelde uitdrukkingen, afkortingen, voor- en achtervoegsels te gast in het Nederlands, Averbode, Uitgeverij Altiora, 2009, 765 p., 39,90 €.

 

Partager cet article
Repost0
23 juin 2010 3 23 /06 /juin /2010 16:43

Yannick.jpg

Y. M. Dangre

Op 7 november 2009 verscheen de verhalenbundel Print is dead. Samenstellers Marc Verstappen (Villanella, De Nachten, Kunstbende…) en Harold Polis (uitgever, essayist…) sprokkelden 21 verhalen of verhaalfragmenten bij elkaar van jonge auteurs, van wie de meesten nog geen zelfstandige publicatie op hun naam hebben staan. Jeroen Maris (Humo-recensent) schreef de “nogal kinetische, woordbrakerige” (dixit D. Leyman in DMvan 2-12-2009) inleiding onder de titel ‘Tijd voor nieuwe zangers’ (pp. 7-9).

Met dat epitheton “woordbrakerig” en zijn al te negatieve connotaties ben ik het overigens niet eens. Maris’ inleiding is inderdaad nogal “kinetisch” – qua registers en zinsbouw springerig, hip, beetje branie-achtig ook – maar ze blijft hoedanook erg bondig, to-the-point en vooral: nogal revelerend.

Deze publicatie is (erg) interessant, en wel om een drietal redenen.

De titel Print is deadvoor een gedrukt boek kan alleen maar paradoxaal-ironisch bedoeld zijn en brengt op z’n minst de nogal dubbelzinnige of tweeslachtige positie van de hedendaagse literatuur aan het licht, namelijk haar weifelende houding tussen papier enerzijds en elektronische media anderzijds. Wie een klein beetje met de hedendaagse literaire ‘sien’ vertrouwd is, weet dat b.v. publiceren op papier vrij problematisch is geworden, dat papieren literaire tijdschriften nog slechts nauwelijks bestaan en dat (kortstondige) bekendheid helaas al te vaak afhankelijk is van de mate waarin een auteur zich overgeeft aan ‘performances’ ofte live publieke optredens; anderzijds is het overduidelijk dat het internet een overvloed aan literaire mogelijkheden biedt, b.v. via blogs of andere sites die met literatuur te maken hebben.

De vraag of de digitalisering de literatuur wel degelijk ten goede komt, hoeft niet in dit kort bestek beantwoord te worden. Het moge volstaan te vermelden dat over deze controverse reeds heel wat ‘literatuur’ bestaat en dat b.v. iemand als uitgever Harold Polis daarover heel knappe en zinnige dingen heeft geschreven.

Ten tweede zou een dergelijk boek zeker de interesse moeten wegdragen van zowat iedereen die ‘professioneel’ met literatuur te maken heeft, omdat het, althans in het beste geval, stilistische, inhoudelijke, ideologische en/of andere tendensen en overeenkomsten zichtbaar maakt bij (schrijvende) leeftijdsgenoten. Zo’n bloemlezing kan dus een bepaalde ‘generatie’ detecteren, afbakenen en zelfs in zekere zin creëren. Inleider Jeroen Maris omschrijft de hedendaagse twintigers als “de volgepropte generatie” of “dat luie vlees, dat internetgespuis, dat revolutionaire autismeclubje”, “dat postmoderne bastaardkind van been there, done that” (pp. 7-8). Tja, daar valt wel wat voor te zeggen natuurlijk.

Maar gelukkig, aldus Maris, bloeit op elke mestvaalt “een bloem die eet van stront en regenwater” en de “stemmen die u even verderop hoort […] zìjn die bloem” (p. 8). Hij herkent temidden deze stemmen een aantal generationele krachtlijnen: revolte tegen een tandeloze tijd; terugkeer van de romantiek (jawel…) in die zin dat er “weer volop aan het leven geleden” wordt; de eigen demonen worden uitgekotst; er is veel groot verdriet maar ook “de liefde”, dat “vals en stekelig dier dat op de meest ongelukkige momenten haar stinkende bek openklapt”; de jonge schrijvers hebben het over seks als een “weinig heilzame bedoening” en ook over de dood, het gemis, de eenzaamheid, contactstoornissen… maar ze blijken ook over humor te beschikken.

Of nu al deze symptomen inderdaad typisch zijn voor deze specifieke literaire generatie, en zo ja in welke mate: dat zijn opnieuw vragen die niet in een eenvoudig ‘signalement’ beantwoord dienen te worden maar wel op zijn minst serieus… ‘gesignaleerd’. Voor dat laatste bestaat trouwens nog een derde argument.

Eén van de opgenomen auteurs is namelijk Yannick Dangre, die we reeds langer kennen van knappe Franstalige pastiches van de grote symbolistische poëzie of een prachtige hommage aan Hugo Claus).

Dangre publiceerde de voorbije jaren in o.a. Met andere Zinnen, Deus ex Machina, Mededelingen van het CDR en Het Liegend Konijn. En dus nu een verhalend prozafragment in de anthologie Print is dead – waarbij uitdrukkelijk vermeld dient te worden dat het fragment is weggeknipt uit zijn roman Vulkaanvrucht, die in september 2010 verschijnt bij Manteau.

Maak u niet teveel illusies: het gaat hier immers om een illusieloze (je pèse mes mots!) roman over onmogelijke liefdes, onmogelijke huwelijken en relaties en hoe je daar al dan niet finaal aan kapot gaat. En vooral (naar mijn gevoel inderdaad): “over de prijs die we betalen voor het verleden” (fondscatalogus Meulenhoff-Manteau, 2010). Of nog: het boek wordt omschreven als “een snijdend portret van een vrouw die het spoor bijster raakt” (ibidem).

Na lectuur van Dangres fragment in Print is dead schreef Mark Cloostermans: “Maar dan Y.M. Dangre! ‘Vulkaanvrucht’, een fragment uit zijn aanstaande debuutroman, is een rake schets van een feestje onder ‘bourgeois komiekelingen’ […] Komisch, spannend, gelaagd, met krachtige formuleringen en een knoert van een cliffhanger. Yes, I’m hooked, Y.M. Dangre. Ik wil meer.” (DS-Standaard der Letteren, 18-12-2009)

Andere persstemmen: “Ook Y.M. Dangre [en …] verdienen zonder voorbehoud het predikaat ‘belofte’.” (Dirk Leyman in DM,2-12-2009)

Dood en onverschilligheid zijn ook troef in de bijdrage van Y.M. Dangre, nog een andere schrijver die in Print is dead blijk geeft van talent.” (Jeroen de Preter in ‘De Werktitel’ op www.apache.be, 19-11-2009).

In de fondscatalogus Zomer 2010 van Meulenhoff-Manteau lees ik: “Met dit romandebuut op 22-jarige leeftijd kondigt hij zich aan als een van de grote talenten in de Nederlandse literatuur.” En onder de foto van de cover: “Opmerkelijk debuut van een grote belofte”.

Als dat geen voldoende motiveringen meer zijn om dit boek meteen en massaal in september te gaan lezen, dan kan ik alleen maar concluderen dat ‘print’ inderdaad morsdood is, om niet te zeggen: de literatuur als zodanig. En dan zal ik (helemaal) definitief mijn lier aan de meest cynische treurwilg in mijn omgeving hangen.

Luc PAY

 

Marc VERSTAPPEN en Harold POLIS (red), Print is dead, Antwerpen, Meulenhoff-Manteau, 2009, 173 p., 19,95 €. De covers werden gezeefdrukt en met de hand van stempels voorzien; elk exemplaar van dit boekwerk is dus uniek.

Partager cet article
Repost0
18 juin 2010 5 18 /06 /juin /2010 18:37

Delphine.jpg

Delphine Lecompte (Londen, 22 januari 1981) is de winnaar van de C. Buddingh’-prijs 2010, een literaire prijs die jaarlijks op het Poetry Festival in Rotterdam uitgereikt wordt. Hij bekroont het beste poëziedebuut van het voorbije jaar. Haar inzending verscheen bij de kleine Nederlandse uitgeverij De Contrabas en draagt de titel De dieren in mij.

Haar gedichten vertellen het verhaal van de jongste generatie dichters dat verdeeld is in twee categorieën. Enerzijds de protesterende en anderzijds de conservatieve. Lecompte behoort duidelijk tot de tweede. Het is geen verwijt, zuiver een vaststelling. Die is ook niet zo moeilijk te vinden voor wie haar familieverhaal kent. Ze is de dochter van een Franse vader en een aan heroïne verslaafde moeder. Daar heeft ze zich duidelijk tegen afgezet, want momenteel woont ze in een piepklein huisje in de Brugse binnenstad, de wereldberoemde sprookjesstad, overwegend bevolkt door mensen met een portemonnee op de plaats van het hart.

Delphine Lecompte heeft zich omgeven met opgezette dieren. Haar leven is een droomwereld waaruit ze kan treden, maar niet te lang. Het veilige nest blijft het oord waar ze niet geconfronteerd wordt met miserie en mensen, niet eens met de buurman, waar ze een lauwe verhouding mee heeft. Uit zelfbehoud. Tot hier en niet verder.

Haar moeilijke jeugd heeft ze van zich afgeschreven in de Engelstalige roman Kittens in a boiler. ‘De Delphine uit de roman is grotendeels verzonnen,’ zegt ze zelf. ‘Ik moest grof uit de hoek komen omdat ze me anders niet zouden publiceren. Die Delphine is wel de vrouw die ik had willen zijn: stout en onverschrokken. In werkelijkheid ben ik bedeesd, lusteloos en laf.’

De drie typeringen vindt men terug in haar poëzie die draait rond variaties op huis, tuin en keuken: auto, dier en buurt. Vanuit die driehoek verraadt ze op onbevangen wijze haar angst. Ze verbergt die achter een relativerende toon en gekke plotwendingen. Elke gedicht is een kort verhaal dat ruikt naar de grootmeester van dat genre, Raymond Carver. Zijn verhalen zijn gebouwd op een raadselachtige, vaak dreigende sfeer. Dat is bij Lecompte niet het geval. Bewust, vermoed ik. Poëzie is voor haar een appel. De appel uit het Engelse gezegde an apple a day keeps the doctor away.

Hebben de psychiatrische instellingen waarin ze in haar pubertijd gezeten heeft haar geïnspireerd voor haar junkroman, Brugge [la morte] is noodzakelijk om haar poëzie een vliegend tapijt te geven. Het openingsgedicht van de bekroonde bundel vat het voorgaande samen. Dat er echter zielsmatig in haar iets broedt waar ze zowel bang als nieuwsgierig naar is, zoals de jonge bruid uit het sprookje Blauwbaard van Charles Perrault, is terug te vinden in de tweede regel van het derde vers. Ze mag dan wel alle mysterie uit haar leven hebben gebannen, hij is er wel. Hoe conservatief de onderhuid ook is, men ontsnapt nooit aan de duivel in het brein.

Guido LAUWAERT

 

Ademloos

 

Toen je auto de tunnel indook

hielden we onze adem in

dat hadden we afgesproken

nog voor ik het licht aan het einde zag

had ik al opgegeven en driemaal mijn longen gevuld

maar zonder jouw adem naast mij

voelde het alsof ze werden gevuld met natte aarde.

 

Ademloos bereiken we de parking

van een vijandige meubelketen

waar je gerookte zalm op Zweeds brood kan eten

terwijl je kinderen of die van een ander

verdrinken in een bad van ballen

of simpelweg worden meegelokt.

 

Je kocht een sofa voor je dochter

die alle mysterie uit haar leven heeft gebannen

en dus werkt aan winsten op varkenskoteletten

het werd een beige sofa met rode spikkels

waar je geen aanstoot aan kan nemen.

 

Op de terugweg werden we bevangen

door smog en weemoed

jij door smog

ik door beide.


Delphine LECOMPTE


Partager cet article
Repost0
18 juin 2010 5 18 /06 /juin /2010 02:10

Rene-Broens-024.jpg

In het fraaie kasteel Walburg gelegen in het prachtige Romain De Vidtspark te Sint Niklaas vond op 17 juni de boekvoorstelling plaats van Reynaert de Vos, een beeldverhaal van grootmeester Marc Legendre naar een scenario van René Broens.

Rik-van-Daele.jpgRik van Daele

Bibliothecaris en Reynaertkenner Rik Van Daele benadrukte in zijn openingswoord de actualiteit van het Reynaertverhaal. In de loop der eeuwen werd telkens opnieuw de link gelegd naar historische gebeurtenissen en vele schrijvers hebben steeds weer interpretaties van dit verhaal gegeven. Op een subtiele manier legde Van Daele een link naar Antwerpen, waar in de loop der eeuwen tientallen Reynaert uitgaven gedrukt werden en naar het Elssschotjaar. De anekdote dat Esschot slechts een boek bezat, namelijk de Reynaert (een uitgave van Prof. Muller uit 1944) verwijst naar de Reynaerdiaanse aard van Alfons De Ridder. In vele brieven en speeches van de schrijver zitten verwijzingen naar Reynaert. En ook de voornaam van zijn pseudoniem, Willem, liegt er niet om !

Louis-van-Dievel.jpg

Louis van Dievel

Louis Van Dievel, verklapte dat zijn vriend Marc Legendre in een onbewaakt ogenblik had toegestemd in een samenwerking met René Broens. Zodra hij echter het scenario gelezen had was hij verwoed aan het werk gegaan, lag hij er ’s nachts van wakker en werd het bijna een obsessie. Hoewel hij niet van “Nawoorden” houdt raadde Van Dievel toch iedereen aan om het nawoord van René te lezen omdat velen, vooral jonge mensen het verhaal niet meer kennen. Nadat hij het boek drie maal gelezen had, een maal snel en gretig , een tweede maal met aandacht voor de beeldtaal, een derde maal oplettend voor de vele verborgen verwijzingen kwam hij tot de conclusie dat het hier om een waar meesterwerk gaat. Ook het taalgebruik, een mix van middeleeuwse en moderne woorden, uitgedrukt in muzikale jamben maakt dat het ook dit gebied een ware krachttoer is.

Rene-Broens-039.jpgRené Broens

Als laatste spreker gaf René Broens een beknopte verklaring van zijn visie op Reynaert die al het slechte in de mens vertegenwoordigt en toonde de vele verwijzingen naar het katholicisme aan. Hij vertolkte dan op met een onnavolgbaar enthousiasme enkele fragmenten uit het boek.

Tot slot wees schepen Lieven Dehandschutter op ontrouw van Rik Van Daele door zijn uitgebreide verwijzingen naar Antwerpen maar, vervolgde hij fijntjes, misschien komt er in Antwerpen wel een Reynaertbrug of een Reynaerttunnel!

Daarna werd er gedronken op het succes van dit uitzonderlijke boek in een zaal van het kasteel opgeluisterd met grote doeken vervaardigd de Antwerpse meester-decorateur Henri Verbuken (ontwerper van de Egyptische zaal in de Zoo) naar de beroemde Reynaert- tekeningen van Wilhelm von Kaulbeck.

Joke VAN DEN BRANDT

Ingrid.jpgJoke van den Brandt (links) en Ingrid van der Veken

HildeReyniers.jpgFrank Ivo van Damme en Hilde Reyniers, redactrice van het onvolprezen tijdschrift Tiecelijn


Schitterende beeldroman van het klassieke Nederlandse epos


Rene-Broens-099.jpg

Een roofdier zonder geweten dat de zwaktes van zijn tegenstanders ruikt en uitbuit. Een psychopaat die zich vermomt als godsdienstleraar, kluizenaar, heremiet, monnik, pelgrim, berouwvolle zondaar, verlosser en met mooie praatjes zijn slachtoffers verleidt. Dat is Reynaert de vos.

Het epos Reynaert de vos werd 750 jaar geleden geschreven. Die verjaardag wordt gevierd met deze nieuwe vertaling van René Broens, en met schitterende beelden van Marc Legendre. Jambische viervoeters geven de tekst voor het eerst het stuwende ritme van de voordracht van toen, en krachtige beelden laten zien waarom Reynaert al eeuwen in de galerij van aartsschurken prijkt.

Rene-Broens-066.jpgRené Broens

Marc LEGENDRE / René BROENS, Reynaert de vos, Amsterdam, Atlas, 132 p., 24,90 €.

Partager cet article
Repost0
15 juin 2010 2 15 /06 /juin /2010 05:10

Op 11 juni werd in de historische Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek te Antwerpen een nieuwe vzw aan de pers voorgesteld.

RENARDErfgoedbibliotheek-11-6--10-029.jpg

Directeur An Renard

De vzw Erfgoedbibliotheek werd opgericht door de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (een hele hap voor wat in de volksmond toch steeds de Stadsbibliotheek zal blijven!), de Openbare Bibliotheek Brugge, de Provinciale Bibliotheek Limburg en de Universiteitsbibliotheken van Antwerpen, Gent en Leuven. Ze richt zich tot iedereen die een hart heeft voor de geschreven, gedrukte en digitale erfgoedcollecties van bibliotheken.

Prof. dr. Pierre Delsaert ontvouwde de plannen van deze nieuwe netwerkorganisatie. Jan Vermassen, raadgever van cultuurminister Joke Schauvliege, las blijkbaar zijn tekst voor de eerste maal en maakte een kapitale verspreking die aan ’t eind van de toespraken door directeur An Renard werd rechtgezet. Eva Wuyts stelde op een efficiënte wijze, zonder veel omhaal een exclusieve prentkaartenreeks voor: “Een ABC van Erfgoedbibliotheken”. Fotograaf Stefan Tavernier vertelt met zijn foto’s een verhaal van verzamelen, bewaren, onderzoeken, ontsluiten en koesteren. Een schitterend idee, de thema’s beginnen telkens met een andere letter van het alfabet : A voor Aquisitie, B voor bibliofiel, C voor catalogus enz.

Het is echter doodjammer dat de kaarten zo slecht gedrukt zijn (druk. Van Maele Brugge). De foto’s van S. Tavernier verliezen hierdoor hun contrast en helderheid.

De plechtigheid werd besloten met een feestelijke receptie op het Conscienceplein die echter niet gezegend werd door de weergoden.

SimonsErfgoedbibliotheek-11-6--10-035.jpgLudo Simons, Jo Gisekin en mevrouw Delsaert

Erfgoedbibliotheek-11-6--10-039.jpg

Partager cet article
Repost0
11 juin 2010 5 11 /06 /juin /2010 10:32

PVOhfj.jpg

Henri-Floris Jespers leidt in

MatthijsPVO.jpgMatthijs de Ridder belicht de reeks publicaties van het PVO-genootschap

Ben-Sluijs.jpgBen Sluys begeleidt Tom van Bauwel en Axel Daeseleire

Tom-van-Bauwel.jpgTom van Bauwel in actie

Axel-Daeseleire.jpgAxel Daeseleire leest uit de brieven van Paul van Ostaijen en Wies Moens

Strijk1.jpgStrijk2.jpg

Het Paul van Ostaijen Strijkkwartet: Nana Hiraide en Christophe Pochet (violen), Krzysztof Kubala (altviool), Hans-Ludwig Becker (cello) en Christine Verheyden (actrice).

PVOzaal.jpg

Zicht op de zaal (centraal: Gerd Segers)

HFJenBB.jpg

Henri-Floris Jespers in gesprek met Bert Bevers

Partager cet article
Repost0
9 juin 2010 3 09 /06 /juin /2010 00:52

HendryckxVoor de zesde maal werd Twee ezels herdrukt, het jongensboek van Michiel Hendryckx [1951]. Het boek zit dus aan zijn zevende druk. Michiel is fotograaf, journalist, auteur, wereldreiziger, historicus, macho, charmeur, decorateur en heeft tijd voor wie in geestelijke ademnood verkeert. Met duivels plezier slingert hij de gesprekspartner zijn mening over wat hij weet of vermoedt in het gezicht. Samengevat zou je kunnen zeggen dat hij een observator is met drie ogen en geen blad voor de mond. Hij relativeert alles en iedereen tot op het bot, inclusief zichzelf. Al is hij de helft van zijn leven uithuizig, zijn huis heeft hij volgestopt met memorabilia, zodat het uithuizige binnenshuis is en wanneer hij ver van huis is toch een thuisgevoel heeft. Het maakt dat hij kan terugvallen op zijn eigen troost, de momenten van vertwijfeling, zoals ieder van ons wel eens overvalt.

 

Dat hij een eeuwige optimist is kan verondersteld worden voor wie hem kent van nabij of van op afstand. De waarheid is dat hij een harnas rond zich heeft gebouwd. Dit ter vrijwaring van zijn vrijheid van interpretatie. Het klinkt misschien raar in de oren, maar de zondagochtend zilverwerk poetsen maakt deel uit van dat harnas. Zilver weerspiegelt scherper dan goud de gelaatstrekken en onder het poetsen worden meningen gefreesd en gevijld. Michiel heeft een socratische windmolen ontworpen. Het enige jaarlijkse onderhoud is een boek schrijven, gevuld met letters of foto’s liefst zonder verder commentaar. Literatuur en fotografie zijn minnaars, living apart together.

 

In zijn vorig jaar verschenen fotoboek uit eigen archief, Dolen, verschenen bij Lannoo, is het commentaar bij de foto’s achteraan in het boek gezet. De titelpagina staat ook niet vooraan, maar duikt plots op, na ruim vijftien foto’s. Een bewuste keuze. De kijker moet overtuigd worden via de foto’s, alvorens geconfronteerd te worden met maker, titel, en, het belangrijkst van al, de ondertitel. Dan volgen nog enkele foto’s, alvorens het voorwoord opduikt. Stoemmelings weg. En toch indringend. Hendryckx is een koppigaard. Uit liefde voor de kunst. Daarom dat niet zomaar eender wie de boekverzorging van zijn uitgaven in handen krijgt. Die persoon moet een gildenmeester zijn, iemand die niet alleen zijn vak tot in toppen van zijn vingers beheerst maar ook oog en oor heeft voor zijn opdrachtgever.

 

De zevende druk van Twee ezels komt er op vraag van de uitgever. Het was een bestseller en het is een longseller. Ook de jeugd kan zich blijkbaar vinden in de ondertitel, een jongensboek. Wat het in wezen niet is. Realistisch gezien wel, maar het realisme is er slechts om de filosofische evolutie gestalte te geven. Hier is een man aan het woord die overtuigd is van zijn talenten. Stemt juist dat niet tot nadenken? Kunde geeft niet het recht om hoog van de toren te blazen, maar heeft de plicht de fundamenten te versterken. Ter vrijwaring van vroegtijdig verval. De ondertitel benadrukt daarenboven een fundamentele karaktertrek van Michiel Hendryckx, het eeuwig jong blijven. Niet lichamelijk – hij is zich bewust van de op- en ondergang van de hardware – maar geestelijk. Wie dat niet doet kweekt een uitdeinend smaldenken dat tot discriminatie en vereenzaming leidt.

 

De multiplex van zijn persoonlijkheid ligt aan de basis van Twee ezels. Wat hij dacht te weten als volmaakt afgerond, moest getoetst. Het vervoermiddel, een ezel, was een doordachte keuze. Paard en ruiter verstaan elkaar, kort na de kennismaking. Een verstandshuwelijk. Een ezel daarentegen is koppig vanuit zijn instinct. Hendryckx wilde net als de ezel zijn kennis onderwerpen aan instinctmatige reacties. Daarom dat de reis ook niet uitgestippeld was en de bestemming, de Olympos zien, wel het oorspronkelijke maar niet het einddoel was. Hendryckx heeft geen reisweg uitgestippeld langs wegen, maar rechte lijnen getrokken. In de voorbereidingsfase was hij zich al bewust dat het geen bedevaart, geen vlucht vooruit zou worden. De toekomst uitstippelen is een vernedering van het verleden.

 

Dat de ezel een ezel is, is een misvatting. De aandachtige lezer heeft dat al begrepen door de promoteksten en recensies. Hendryckx is de grootste ezel. In de figuurlijke zin van het woord. De kleinste daarentegen is een muilezel. Of om het met de woorden van Michiel Hendryckx te zeggen: ‘Zijn moeder is een ezelin en zijn vader een paard, bij muildieren is dat net andersom.’ Het feit dat het lastdier geen echt muildier is, is een fundamenteel onderdeel van het succes van dit boek. Het dier is net als de mens, een passioneel komisch drama. Voeg beide samen en er ontstaat een dwang op overleving, van zichzelf, maar ook van de ander. De lezer voelt dat niet alleen de mens bezorgd is om het dier, maar het dier al evenzeer voor de mens.

 

Dat de ezel, niet de reiziger maar de koets, Odin heet is niet toevallig. De naam slaat uiteraard op de hoofdgod van de Noormannen, maar voor Michiel Hendryckx is Odin de verzamelnaam voor de kunsten. Zonder kunst geen leven die naam waard. De mens bestaat bij de gratie van de kunst. Al is onze cultuur vervuilt en verslijt [door de vervuiling], elementair heeft onze cultuur en een deel van de natuur zijn bestaan te danken aan de kunst. Daar wilde Hendryckx met zijn reis over nadenken. Daarom was de reis belangrijker dan het doel. Hij keerde terug in zijn eigen geestelijke zolderkamer, niet om op te ruimen, maar om plaats te maken voor nieuw vastgoed. Een andere ordening was noodzakelijk.

 

Al even belangrijk om het succes van Twee ezels te verklaren is de kennis van zijn basis. Hij vormt een driehoek: De Panne, zijn moeder en Gent. In de badstad had zijn moeder een hotel. Wie een hotel in de aders heeft, is ongeneeslijk verslaafd aan reizen. Ondanks het feit dat het een seizoenshotel was, werd hij al op jonge leeftijd op internaat gezet. Aanvankelijk ervoer Hendryckx dat als een verbanning door een moeder zonder moedergevoel, tot hij begreep dat zij hem al op jonge leeftijd bewust het nest uitstootte. Je kan niet jong genoeg op eigen benen staan. Het moedergevoel was er wel, en niet zo’n klein beetje. Immer bezorgd, maar opzettelijk, er wel voor oplettend dat bezorgdheid geen bemoeienis werd. Gent, tenslotte, was de beste keuze. Van de moeder. Gent is een stad waarvan zelfs de echte Gentenaars reizigers zijn. Ze komen graag buiten, al is het maar om de hoek om te gaan. De Oost-Vlaamse hoofdstad heeft een open mind. Wie er woont gaat er weg om weer thuis te kunnen komen. Michiel Hendryckx is daar het schoolvoorbeeld van. Voor hem is zijn huis een kompas en de kleedkamer van de reiziger. De tuin van zijn huis ligt niet aan de achterzijde, maar aan de voorzijde. Hij is de wereld met de aarde onder zijn voeten en de hemel in zijn blik.

Guido LAUWAERT

 

TWEE EZELS Manteau/Standaard Uitgeverij – ISBN 978 90 223 2520 9 – 16,95 € – www.manteau.be

Partager cet article
Repost0
1 juin 2010 2 01 /06 /juin /2010 23:49

Vorige maand telden we 3119 bezoekers (goed voor 5143 pagina's lectuur).

In 2009 noteerden we het hoogste aantal bezoekers in november: 2382 (het laagste aantal in februari: 1195).

2010 werd alvast goed ingezet:

januari: 2653

februari: 1906

maart: 2644

april: 2187

mei: 3119

Sinds de start van de blog op 26 januari 2008 werden 739 bijdragen gepubliceerd. We registreerden 46.870 bezoekers en 96.421 gelezen pagina's.

*

Als toemaatje, nog enkele foto's van de feestelijke opening van de expo 'Dicht bij Elsschot' in het AMVC...

Elsschot-28-5-2010-026.jpg

Schrijfster Diane Broekhoven, kalligrafe Joke van den Brandt en essayist Johan Vanhecke Elsschot-28-5-2010-031.jpg

 Louis Van den Eeden, de bekende grafisch ontwerper en typograaf 
verbonden aan het Plantin Moretusmuseum
Elsschot-28-5-2010-061.jpg

Jan Maniewski, Philip Heylen en Brigitte Raskin

Partager cet article
Repost0
1 juin 2010 2 01 /06 /juin /2010 04:37

Zaterdagmiddag werd bij de opening van de tentoonstelling 'Dicht bij Elsschot' in het AMVC te Antwerpen het startschot voor het Elsschot-jaar gegeven door schepen van Cultuur Philip Heylen. Dit even terzijde: ik geef nog altijd de voorkeur aan de benaming AMVC, 'Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven', boven het pseudo-trendy 'Letterenhuis'. (Ik erger mij trouwens ook mateloos aan de benaming 'Bozar', de platvloerse Beulemans-vertolking van Palais des Beaux-Arts / Paleis voor Schone Kunsten te Brussel, net als aan de politieke partijen die zich de jongste jaren aanbieden onder belachelijke merknamen, maar dat is een andere zaak.)

Elsschot-28-5-2010-013.jpgPhilip Heylen

Uiteraard waren de kleinkinderen van Elsschot aanwezig, Ida, Jan, Willem, Walter en Fons; Cyriel van Tilborg, voorzitter van het Willem Elsschot Genootschap, met wie ik enkele jaren geleden in Den Hopsack aan een memorabel gesprek deelnam tussen Vic van de Reyt en Jan van Hattem; Mark Pieters, uitgever van Athenaeum-Polak & Van Gennep en Chris Boudewijns, chef van de persdienst van WPG uitgevers; uiteraard ook enkele schrijvers: Peter Holvoet-Hanssen, Guido Lauwaert, Bob Mendes, Tom Lanoye, Brigitte Raskin, Tony Rombouts...

Elsschot-28-5-2010-006.jpgJenny en Bob Mendes

Elsschot-28-5-2010-004.jpg

Peter Holvoet-Hanssen

's Avonds werd dan het Elsschot-festival 'Tussen droom en daad' geopend met een groots literair spektakel, gepresenteerd door (Pink Poet) François Beukelaers in het nieuwe Justitiepaleis – het Vlinderpaleis ofte “het groot frietkot aan 't Zuid”. In het voorspelbare gezelschap van Chokri Ben Chikha, Charles Ducal, Jan Decleir, Yves Desmet, Kristien Hemmerechts, Rachida Lamrabet, Tom Lanoye, Tom Naegels, Yves Petry e.a., één verrassing: de 22-jarige Y. M. Dangre, die drie gedichten las.

Volgen, die jongen! Jeroen Kuypers schreef me onlangs: “Het valt me op dat Sylvie Marie altijd genoemd wordt, maar dan omdat ze de jongste is. Dat kan toch niet blijven duren? Waar blijft de nieuwste aller-jongste dichter?”

Dangre.jpgY.M. Dangre

De voorbije jaren publiceerde Dangre in Deus ex Machina en Het Liegend Konijn, hij werd opgenomen in de door Marc Verstappen en Harold Polis samengestelde verhalenbundel Print is dead en in september verschijnt zijn romandebuut bij Meulenhoff/Manteau, Vulkaanvrucht. In Mededelingen van het CDR (nr. 113-114, 26 maart 2008) publiceerde Dangre 'De laatste zanger', een gedicht in memoriam Hugo Claus.

Alfons de Ridder ter ere wil ik hier afsluiten met een zakelijke bedenking. Het zakencijfer van het uitgeversbedrijf in Frankrijk wordt geschat op 3,4 miljard €, waarvan de schrijvers zowat 4 % vangen.

HFJ

 
Partager cet article
Repost0
26 mai 2010 3 26 /05 /mai /2010 01:29

ElsschotAlumni.jpg

In het Letterenhuis te Antwerpen wordt op zaterdag 29 mei de expo 'Dicht bij Elsschot' geopend. Steven Thielemans, algemeen directeur Musea en Erfgoed Antwerpen; Leen van Dijck, directeur van het Letterenhuis; Wieneke 't Hoen, curator van de langverwachte overzichtstentoonstelling, zullen er het woord voeren, waarna schepen van Cultuur Philip Heylen de expo zal openen.

Elsschot1.jpg

Dezelfde dag, 's avonds dan, wordt het festival 'Tussen droom en daad' in het Nieuwe Justitiepaleis geopend. Burgemeester Patrick Janssens brengt de grafrede van zijn voorganger Lode Craeybeckx, Yves Petry laat Elsschot vanuit het hiernamaals aan het woord. De onvermijdelijke Tom Lanoye, maar ook Kees van Koten en Annelies Verbeke brengen een 'eigentijdse interpretatie van Elsschots gevleugelde woorden “Tussen droom en daad”'.

Het alumnifeest van de UA, op 27 mei, staat ook al in het teken van Willem Elsschot, alumnus van de Rijkshandelshogeschool, voorloper van het voormalige RUCA.

Conscience, Van Rijswijck, Van Ostaijen, Elsschot: Antwerpen muntte al altijd uit in huldigingen van dode schrijvers, zo luidt het, en kwatongen hebben het wel eens over over het AMVC/Letterenhuis als over een kerkhof voor documenten.

Tja, In beide gevallen gaat het, anno 2010, om een grove vertekening van de realiteit.

Onder het dynamische bewind van schepen Philip Heylen, en mede door de voorbeeldige inzet van Leen van Dijck en de hardnekkige aanpak van Michaël Vandebril (Boekenstad), wordt in de Scheldestad eindelijk een actief letterenbeleid uitgetekend.

Over “droom en daad” zullen we het hier nog on face value hebben...

Henri-Floris JESPERS

Elsschot2.jpg

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche