Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
16 juillet 2014 3 16 /07 /juillet /2014 05:16

 

Kopie-van-Hendrik-Carette--c-Bert-Bevers-.jpg

Foto: Bert Bevers

Stel je even voor dat ik gastheer zou mogen zijn om op onze televisiezender Canvas gedurende acht zomeravonden acht bijzondere gasten te ontvangen. Op de VPRO in Nederland is het programma Zomergasten elk jaar weer (dit jaar begint het op zondag 20 juli) een aangenaam avondvullend programma dat ook hier navolging zou verdienen. Wie zou ik uitkiezen als gasten die de hele avond in een drie uur durend interview hun favoriete beeldfragmenten zouden mogen uitkiezen en becommentariëren?

Een programma verspreid over de twee zomermaanden juli en augustus van bijvoorbeeld het jaar 2015. De voetbalgekte is dan al voorgoed voorbij en ook de geforceerde (gesubsidieerde) herinneringen aan de Groote Oorlog zijn dan al verdampt en verdrongen. En ik ben zeker dat deze onverwachte gasten, alle acht, niet enkel goede vertellers zullen zijn, maar ook de zwoele hitte binnen de ruimte van de studio zullen weerstaan. En dat de kijkcijfers tijdens deze avonden pardoes de hoogte in zouden gaan. Geen enkele gast wordt gecensureerd en mag vrijuit kiezen wat hij aan de verbaasde en verdwaasde kijkers wil laten zien en om welke reden. Heel Vlaanderen zou elke week gekluisterd zijn aan de hier soms zo treurige beeldbuis en eindelijk worden wakker geschud uit een bijna letale lethargie.

P.S. : En beste lezer, luisteraar en kijker voor elke gast heb ik – in geval van weigering, ziekte of dood – ook een vervanger (vervangster) voorzien. Maar deze namen mag ik nu nog niet vrijgeven of openbaren.


1. Hubert van Herreweghen


Onze oudste (°Pamel, 1920) en allicht meest speelse dichter. Bovendien illustreert hij het versleten cliché van de wijn die verbetert met te verouderen alsmaar meer. Zijn meest recente dichtbundels Webben & Wargaren (Leuven : Uitgeverij P, 2009) en Een Brussels tuintje (Leuven: Uitgeverij P, 1999) zijn parelwit en pikzwart als etsen in het Brabantse landschap. Luister maar naar zijn kort gedicht met de titel ‘Luisteren’: “Ik, als ik scherp toeluister / en ik werk een beetje mee, / hoor ik ’s nachts, te Brussel, / de zee.”


2. Hubert Decleer


Deze oosterse Oostendenaar woont al dertig jaar in Nepal waar hij als een Tibetaanse boeddhist zijn contemplatieve leven leeft. Hij heeft nu een zware vergrijsde snorbaard, maar al in de jaren zestig van de vorige eeuw klonk in Oostende en omstreken zijn naam als een magische goeroenaam. Binnenkort (in september van dit jaar) verschijnt een boek Himalayan Passages: Tibetan and Newar Studies in Honor of Hubert Decleer door Benjamin Bogin (USA: Wisdom Publications, 2014). Ik wilde allang naar het koninkrijk Bhutan dat ingeklemd ligt tussen China en India, maar misschien kan deze unieke man op deze zomeravond onze wijsheid verhogen en onze domheid laken. De V.R.T. moet dan wel bereid zijn om zijn hoge reis- en verblijfkosten te betalen.


3. Frans Boenders


Wie ooit de Antwerpenaar Frans Boenders heeft horen spreken in het heldere Nederlands, het fraserende Frans, het engelachtige Engels en het diepste Hoogduits weet dat deze voormalige radioman (geen klaterende Klara, maar BRT 3) ten onrechte niet meer of slechts zelden in de media komt. Ik laat hem de hele avond aan het woord als een hommage aan andere schrijvers als prins Kropotkin, Bakoenin, F.C. Terborgh, Maurice Gilliams en Marguerite Yourcenar. En misschien kiest hij ook nog voor een filmfragment over de Japanse Yukio Mishima want deze erudiete Frans is ook nog een kenner van het mysterieuze Nippon.


4. Pjeroo Roobjee


De exuberante en provocatieve Gentenaar Pjeroo Roobjee is een zeer kleurrijke (letterlijk en figuurlijk!) kunstschilder, romancier, toneelschrijver en bijna geniale geestigaard. Ik ben de gelukkige bezitter van het boek met de lange titel Hoe crapuleus het licht op het tempermes (dat de verzameling van harten in scherven met kerven doorsnijdt)Kabinetportretten 1962-2006 (Gent: Zebrastraat, 2007). Tijdens ons gesprek mag hij van mij gerust rustig verder roken (hij heeft toch altijd een sigarettenpeukje in de mond).


5. Charlotte Mutsaers


Deze Hollandse dame van Vlaamse afkomst is de levende incarnatie van de vrouwelijke charme, de eruditie en de schrijfkunst. Niemand schrijft zo’n heerlijk verrassende essays zoals alleen zij nog kon en wilde schrijven: ik verwijs hier graag naar drie boeken van haar : Kersebloed, Paardejam en Zeepijn. Alle drie bij Meulenhoff in de jaren negentig van de vorige eeuw. Eén van haar hink-stap-sprong essays heeft trouwens als omineuze titel ‘Le plaisir aristocratique de déplaire’.


6. Leo Camerlynck


Deze tolk-vertaler is een oeverloze prater over Zuid-Afrika (hij spreekt ook het succulente Afrikaans van de Afrikaanders en bruinmense), Zuid-Vlaanderen of Frans-Vlaanderen, het land van Kleef, het land van Gelre en Gulik en… Friesland. Hij reist alom en allerwegen op zoek naar de laatste sporen van voormalige Nederlandse nederzettingen of cultuurhistorische restanten in de randlanden van ons verboden en verloren vaderland. Hij is al jaren voorzitter (voor het leven) van de vereniging en stichting Zannekin en tijdens zijn culturele strooptochten vindt hij elke keer weer zijn vondsten.


7. Peter Holvoet-Hanssen


Peter Holvoet-Hanssen heeft geen last van de zwaartekracht. Hij is een exuberante dichter die zich graag als een kleine zeekapitein voordoet en zijn boot is zeker geen modderschuit en ook geen ouderwetse trekschuit. Hij vaart soms op een hoge zee, klimt naar de masttop van zijn zeevaarder en roept ons vanuit de uitkijk zijn zeer zeewaardige uitroepen. Zijn verzamelbundel De reis naar Inframundo met een woord vooraf van zijn vrijpostige muze Noëlla Elpers (Amsterdam: Prometheus, 2011) is verreweg de meest originele dichtbundel van de afgelopen vijf jaren. Peter H.-H. doet mij denken aan het gedicht ‘Böhmen liegt am Meer’ van Ingeborg Bachmann met die strofe : Kommt her, ihr Böhmen alle, Seefahrer, Hafenhuren und Schiffe / unverankerrt . Wollt ihr nicht böhmisch sein, Illyrer, / Veroneser, / und Venezianer alle. Spielt die Komödien, die lachen / machen…


8. Herr Seele


Het moet toch niet altijd Kamagurka zijn en Herr Seele staat te vaak in de schaduw van zijn veel bekendere kompaan. Laat deze pianostemmer, tekenaar, schilder, cartoonist en performer maar eens vertellen waar hij zijn inspiratie vindt en hoe ver zijn bewondering voor James Ensor reikt. Tot waar durft hij te gaan en hoe geestig is zijn bijna natuurlijke excentriciteit. Zijn magere gestalte en zijn kale schedel maken hem ook zeer fotogeniek. En zijn levendige geest zorgt ongetwijfeld voor een verrassend slot van deze acht spetterende zomeravonden.

Hendrik CARETTE

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
11 juillet 2014 5 11 /07 /juillet /2014 12:40

 

Ron-Scherpenisse-en-het-Jongenszakboek--foto-Veronic-Scherp.jpg

Foto: Veronic Scherpenisse-Booij Liewers

En plots bevind ik mij op een onbewoond eiland. Onbewoond klinkt voor een stadsmens niet bepaald uitnodigend. Parelwitte stranden, azuurblauwe zee, wuivende palmen, ik moet er niet aan denken. Om de eenzaamheid draaglijker te maken zou ik minimaal twee kinetische strandsculpturen van Theo Jansen meenemen. Verder Het jongenszakboek (deel 1 en 2) van F.H.N. Bloemink, in 1947 uitgegeven door A.W. Sijthoff Uitgeversmaatschappij N.V..

1001-dingen-Ron-Scherpenisse.jpg

De ondertitel van deze twee deeltjes is 1001 onderwerpen waarin jongens belang stellen, als daarin niet iets over een onbewoond eiland staat. Als blijkt dat er tussen de 1001 onderwerpen geen bruikbare informatie te vinden is om de eenzaamheid van een onbewoond eiland te verdragen neem ik ter herlezing ook graag de drie delen van De man zonder eigenschappen van Robert Musil mee. Films laat ik liever thuis. Niet dat er geen goede films zijn hoor, maar het lukt me hoogst zelden een hele film uit te zitten. Met wat muziek van het Deense Efterklang op de achtergrond en hoop op een snelle terugkeer naar het bewoonde, moet het rottige strandzand in mijn schoenen snel vergeten zijn.

 

Ron Scherpenisse, Bergen op Zoom

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
10 juillet 2014 4 10 /07 /juillet /2014 21:37

 

guido-lauwaert2.jpg

                                                                                                   voor Jasmijn Rose


Een late lentemiddag in juni met een woestijnlucht die de stad uitdroogt. De rokjes worden korter en de bloesjes doorzichtiger. Op de terrasjes en binnen in de koffie- en theehuizen zitten jongeheren met speurende ogen en een vuurtoren in hun pastelkleurige linnen broeken.
De organisator zegt tegen de schrijver:
‘Schrijf mij een column. Voor de festivalkrant.’
‘Dan zal je een ander hoofd op je schouders moeten zetten,’ zegt de schrijver.
‘Welk hoofd wil je?’
‘Een hoofd dat ik niet ken. En jij kent er geen en je kan er geen verzinnen. Ik heb mensen snel door. Daaraan heb ik mijn leven te danken.’
‘Lul niet zo en schrijf die column. Ik ken je stijl en die bevalt me.’
‘O, die bevalt je! Dank je wel maar ik trap niet in de val. Ik wil niet eens twintig bladzijden voor je schrijven zonder iets te zeggen.’
‘Je hebt alle vrijheid, zolang het thema gerespecteerd wordt,’ vervolgt de organisator alsof hij de schrijver niet gehoord heeft.
‘Veeg met je thema je kont af, man. Ik schrijf niet op bevel.’
Pauze. Stilte. Ingekeerde blikken.
Tussen hen in staan andere wetten. Hij denkt: zal ik zeggen dat ik goed 60 jaar gekozen heb voor wat ik wil doen, dat ik dat gedaan heb zoals mij het beste leek en dat ik daar een grote voldoening in heb gevonden. Als ik dat niet meer doe dan is die hele periode niks meer waard, zero, en zal de rest van mijn leven een geestelijke marteling zijn, een stille, traag oprukkende demon die ik in tegenstelling tot de andere niet zal kunnen verdringen om te…
‘Wat drink je?’ vraagt de organisator. ‘’t Zelfde?’
Zijn hoofd knikt naar de lege kop, die kort geleden door een bevallige jongedame voor de schrijver is neergezet. Ze zitten in Café Labath. De jazzdeuntjes volgen elkaar op, niet te luid, zodat de bezoekers niet hoeven te schreeuwen om een rustig gesprek te voeren. Onder het praten heeft Louis Armstrong het van Lena Horne en haar versie van Stormy Weather overgenomen.
De schrijver staart naar de organisator. ‘Je hoeft mij niet te trakteren.’
‘Waarom niet?’ vraagt deze.
Hij denkt aan wat hij zo kort geleden had gedacht, maar ach, wat had die man eraan. Hij denkt alleen in thema’s en in motieven van muzikanten, imitators die imitaties kopiëren en wil die wereldwijd verspreiden.
‘Eén: Schrijven op bevel is dwangarbeid. Twee: We hebben afgesproken om vijf uur en om half zes moet ik je bellen. Je zegt dat je in een vergadering zit, maar aan je stem te horen lag je te slapen. “Over vijf minuten ben ik er,” zeg je, en drie minuten later kom je binnen. Je bent on-be-trouw-baar! Nee, geen traktatie. Voor geen goud.’

Je hebt er niets bij te verliezen, enkel te winnen, zegt de organisator. Zo’n column is publiciteit, en die kan je goed gebruiken. Geen mens hecht belang aan iemand die geen publiciteit voor zichzelf maakt. Laat maar aan mij over om van je column een fanfare te maken.
De schrijver kijkt weg van de organisator. Een fanfare. Naar buiten. Zoals een kano schuift over een kalme rivier bij het breken van het licht. Auto’s, fietsers en bussen snijden elkaar de pas af, alsof ze zo snel mogelijk de broeierige stad willen ontvluchten. Een man wandelt voorbij die niet de bewoners maar de toeristen schrik aanjaagt. Zijn blik glijdt weer binnen en houdt halt bij de toog. Hij ziet de bevallige jongedame. De eerste blik met een korte sluitingstijdvertelt ons alles. Op- en top een vrouw in elk opzicht. Hij wil haar nog niet kwijt. Doet hij dat wel dat zal het een zelfontslag zijn van een kijkgenot als het verlangen van wat men begeert zonder het te willen bezitten. Als ik me wat milder opstel, zal het genot van de bevallige jongedame bezig te zien langer duren en zal ik wel iets vinden, verder in het gesprek, om mijn schijnbare zachtheid in wrede hardheid om te zetten. Een makkie. Een spelletje wat ik wel duizend maal duizend heb gedaan.
‘Goed dan! Van mijn steen een hart gemaakt. Een cappuccino! Wat is het thema? Maar denk eraan dat ik niet behoor tot die stinkende troep honden van columnisten die op hun achterste poten gaan staan voor een half klontje suiker en een rondje dansen en luchtsprongen maken op de maat van de arm van hun baasjes. Totale vrijheid; begrepen?’
De organisator stoot een lach uit die de eindtune van Armstrongs Blueberry Hill de nek omwringt. Hij draait zich naar de bar en roept, terwijl Ella Fitzgerald Isn’t This A Lovely Day inzet: ‘Eén cappuccino en één groene thee!’
‘Je bent onbetrouwbaar en je hebt geen manieren,’ sist de schrijver. ‘Een bestelling schreeuw je niet over de hoofden en boven die prachtige muziek uit.’
‘Het thema van de volgende editie…’
‘Ik weet wel dat het voor de volgende editie is,’ kapt de schrijver de organisator in het gezicht. ‘Het thema… of ik bestel een derde cappuccino op jouw kosten.’
‘… is Verandering. In al zijn variaties. Dus niks klontje suiker en dansje naar mijn broekspijpen.’
De schrijver veegt zijn aardappelneus af.
‘Mooi gevonden,’ zegt hij. ‘Je schuift er alle last mee van je af. Voelt de pers en het publiek weinig verschil met de vorige edities, kun je de schuld bij de artiesten leggen. Je bent onbetrouwbaar, hebt geen manieren en speelt voor Pilatus. Heb jij een geweten?’
‘Ik denk het niet,’ zegt de organisator, ‘want ik ben niet van plan je te betalen. Een paar drankbonnen, meer zit er niet in.’
‘Ben je zo krenterig dat er geen honderd euro voor een schrijver afkan?’
‘Ik ben niet krenterig.’
‘Wat ben je dan wel? Een profiteur.’
De drukte buiten neemt toe. Het terras zit stampvol. Er wordt gelachen en geflirt. Meisjes hebben hun rokje wat hoger opgeschoven, jongens de pijpen van hun shirts tot boven hun schouder opgerold. Oudere dames wuiven zichzelf koelte toe met een weekblad. Mannen op leeftijd zijn er niet.
‘Het budget is beperkt.’ De zin van de organisator valt koudweg op tafel.
De nieuwe bestelling wordt door de bevallige jongedame op de tafel gezet. Ze kijkt beiden aan met een kokette glimlach. Eerst de organisator, dan de schrijver. Ze maakt een lichte reverence, vraagt of ze nog iets willen. Wat een zachte stem. Fluweel. De schrijver kijkt haar aan zonder zijn kaaksbeenderen te bewegen. De organisator pakt zijn op kop op, neemt een slok. Hij slurpt. De bevallige jongedane draait zich om en verdwijnt. Haar wijde plooirok wappert als het loof bij een briesje. Hij ziet vaak bevallige jongedames, maar deze is bevalliger dan de andere. Ze dringt ook geen herinnering aan een andere op. Ik begeer haar zonder dat ik avances zal maken, want wachten is een amusante ondraaglijkheid. Haar bezitten zou een vernedering voor haar zijn. In mijn hoofd is zij een lijdensweg waarop geen troost te vinden is. Maar ach, wat is troost? Een middenstandsbegrip. Ze zal me nooit meer ontsnappen. Voortaan heeft zij de heerschappij bezitten over al mijn gedachten, meningen over vrouwen in de hemel, op de aarde en in de hel.
Een regel uit een operette dringt zich op: Puppchen, du bist mein Augenstern.
De schrijver grijpt naar zijn hoofd, stoot een kakafonie van klanken uit, schuift van de stoel en valt met een harde klap op de grond.
De organisator schiet toe, tilt het hoofd van de schrijver op. ‘Doe niet flauw. Schrijf eerst die column en dan mag je desnoods dood vallen.’
‘Jezus, ik ben al bezig,’ fluistert de schrijver. ‘Zie je dat niet, idioot. Een schrijver zoekt naar de juiste invalshoek. En ik voel, ik voel… [hij doet er nog een schepje bovenop] dat de invalshoek een mond-aan-mond-ademhaling is van de bevallige jongedame. Zit haar adem in mijn lijf kan je elke verandering krijgen die je maar wilt.’
De organisator wenkt de bevallige jongedame. ‘Juffrouw, het voortbestaan van Gent Jazz hangt er niet van af, maar het scheelt niet veel.’
De bevallige jongedame aarzelt geen seconde. Terwijl Nat King Cole zingt I’m In The Mood For Love schopt ze de schrijver voor rot, tot hij van de pijn recht kruipt.
‘Zo, dat is weer geregeld,’ zegt de organisator. ‘Aan je gekreun te horen is de column al dente.’
De schrijver schudt het hoofd. ‘Snel. Bel de hulpdienst.’
De hulpdienst wordt gebeld. Vijf minuten later arriveert een ambulance. Terwijl de verpleegkundigen hem oplappen zingen ze Dry Bones, bijgestaan door de aanwezigen die met vorken, messen en lepeltjes op kopjes, flessen en glazen tikken, kreten uitslaan en op de tafels dansen. De bevallige jongedame laat de koffiemachine sissen na elke strofe en blaast op een fluitje.
Een gekkenhuis, denkt de schrijver, een gekkenhuis. Ondertussen heeft de interventiedokter een spuit gevuld. Hij toont hem aan de schrijver, wijst op de inhoud en terwijl hij de transparante smurrie in een ader spuit zingt hij Rum And Coca Cola.
De schrijver glijdt weg en ontwaakt in een ziekenhuisbed. Van zijn enkels tot zijn nek zit hij onder het gips. Hij ziet de organisator met de bevallige jongedame op zijn schoot. Samen neuriën ze neus aan neus Into Each Life Some Rain Must Fall.
‘Ik heb haar voor je meegebracht,’ zegt de organisator na hun liedstonde.
‘Wat heb ik aan haar,’ piept de schrijver. ‘Ze schopte me en zit op jouw schoot.’
‘Ze heeft pen en papier mee. Van beroep is zij een puntenslijpster. Je hoeft maar te dicteren. Rechtdoor. Zij weet wel waar en welke lettertekens er bij horen. Maar maak geen misbruik van haar vrije tijd als je bij je volgende bezoek aan Café Labath geen haar in de soep wil of in de cappuccino een klodder spuug.’
De organisator verdwijnt al fluitend Take The A’Train.
‘Je verdient de kogel!’ schreeuwt de schrijver hem na. ‘En ik doe het niet. Geen letter zet ik voor jou op papier, al kom je af met het argument als “de kunst als sociale grondwet”.’
‘Ik luister,’ zegt de bevallige jongedame, terwijl ze met een rode schrijfstift achter een oor een blanke rol behangpapier ontrolt. ‘Denk aan een ezelsbruggetje en de redding is binnen handbereik. Iets ongewoons, zodat niemand het begrijpt. Dan vindt iedereen het een meesterwerk.’
De schrijver staart met wijd opengesperde ogen naar het plafond waaruit het woord Verandering regent, in alle soorten lettertypes, kleuren en talen.
De waterwoorden vullen de kamer. De bevallige jongedame opent het raam.
Dolenthousiast banen de schuimende waterwoorden zich naar buiten.
Ze vermenigvuldigen zich en overspoelen de aarde. Al duikend in het water verandert de bevallige jongedame in een zeemeermin. Het bed van de schrijver wordt een bootje en hijzelf een zeemeerman; de schrijfstift een mast en de rol behangpapier een zeil. De kamer verdwijnt. Hij drijft over een jazzy zee. In de verte klinkt de stem van de organisator. Hij zingt We’ll Meet Again. Scherend over de Noordzee, landinwaarts.

Guido LAUWAERT

GENT JAZZ FESTIVAL – www.gentjazz.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
9 juillet 2014 3 09 /07 /juillet /2014 06:32

 

F.J.Verdoodt.JPG

Zoals Streuvels vanuit zijn Lijsternest heeft deze academicus vanuit zijn ruime en met boeken volgestouwde werkkamer uitzicht op de contouren van de molen van Oordegem, een beeld waaraan hij niet kan weerstaan. In december vallen steevast zijn eindejaarwensen in de bus, steevast in versvorm, steevast gedrukt op mooi, handgeschept papier.

Onze kansen zijn nu verkeken, de moor is niet meer wit te wassen/ Tenzij alweer die overdosis goede wil, dat helpt vaak maar niet altijd/ Draai nu elke pessimist meteen de nek om en lees een heel goed boek'.

Het zijn voortreffelijke gelegenheidsverzen met wat mespuntjes ironie gekruid. Wat gebruik ik graag dat woord “voortreffelijk”, het aretheiavan de oude Grieken. Noem het wat mij betreft ‘voornaamheid’, vandaag bijna une ariette oubliée van Claude Debussy, de getoondichte poëzie van Verlaine. Noem het wat mij betreft ook ‘burgerlijk’ of ‘bourgeois’: iemand netjes aanspreken, iemand keurig de hand schudden, geen sms-gekakel, geen ‘Hoi’s, Hi’s en Greetz’ en ander losgeslagen Vlangels. Kortom, het staat voor de haast vergane beelden van etiquette uit de zwart-wit film van mijn jeugd. Altijd draaft dit aretheia door mijn hoofd als ik aan Frans-Jos Verdoodt (°Moorsel 1939) denk en aan Lieve, zijn charmante echtgenote-met-toepasselijke-voornaam.

Naar aanleiding van deze bijdrage vroeg ik hem naar zijn drijfveren, zijn voorkeuren, zijn lievelingen en het waarom van zijn belangstelling voor literatuur en poëzie in het bijzonder.

Laat ik eerst en vooral stellen dat dit (ten dele) aansluit bij mijn taal-passie: ik heb sinds de geboorte van mijn eerste zoon in mijn privéleven – en uiteraard in mijn beroepsleven – uitsluitend Algemeen Nederlands gesproken. Daar hoorde natuurlijk ook mijn specifieke opleiding talen en literatuur bij. Wat de geschreven taal betreft, doet het schrijven van taal- en spelfouten mij meer pijn dan een klap met een lineaal op mijn kreupele (en dus reeks jicht-pijnlijke) vingers. Dat betekent natuurlijk dat ik meteen erg veeleisend ben voor mijn medewerkers (en was voor mijn studenten).

Daarnaast is literatuur, als onderdeel van de kunst, steeds mijn middel geweest om mijn heel zwaar professioneel leven in evenwicht te houden.

Zo’n tweede leven is voor mij inderdaad steeds noodzakelijk geweest: ik zou nooit slecht met één ding kunnen/willen bezig zijn, noch professioneel noch qua bijkomende belangstelling. Uitsluitend directeur zijn, uitsluitend kunstenaar zijn, uitsluitend met wetenschappelijk onderzoek bezig zijn ? Neen, dank u, onmogelijk.

Via de lesopdracht die ik jarenlang uitvoerde in het kunstonderwijs, heb ik tevens enorm veel relaties opgebouwd in die milieus, evenwijdig met de wetenschappelijke milieus waarin ik reeds decennia vertoef. Is dat evident ? Ik weet het niet echt. Als men langs de ene zijde van de weg staat, heeft men toch vaak het gevoel dat men zich maar beter aan de overzijde kan bevinden. En omgekeerd.

O ja, ik schreef natuurlijk (uiteraard verdwenen) jeugdgedichten en ik ben daar nog lang mee doorgegaan en ik heb effectief bundels poëzie gepubliceerd (zelfs Nederlands-Italiaans) naast recensies, korte verhalen enz. enz.

Dat is een voorbij verhaal, ik schrijf nog alleen gelegenheidspoëzie. Ik zou overigens niet naar buiten kunnen/willen treden met het vele dat ik nog in de lades bewaar. Bewaren voor wat en voor wie? Uiteindelijk besef ik dat dit slechts derderangs is.

Ik ben een alleslezer en verteer soms drie-vier werken tegelijk, wetenschappelijk, literair enz. Jarenlang waren de kanjers uit de Noord-Amerikaanse en Zuid-Amerikaanse literatuur mijn keuze, naast Italiaanse en Spaanse natuurlijk. (Zo zouden Rode Duivelgekken misschien wel eens ‘Brazilië, Brazilië’ van Ribeiro moeten lezen …) Maar de “markt” is letterlijk en figuurlijk open gegaan: kijk maar eens hoeveel goeds wij op onze leesplank vinden vanuit Oost- en Centraal Europa, Armenië, Turkije enz. Als men bijvoorbeeld’ Onverzadigbaarheid’ van de Pool Witkiewics heeft gelezen, dan weet men het natuurlijk wel.

Als jurylid van een aantal literaire prijzen, heb ik tussen 1970 en vandaag systematisch de productie in de Vlaamse letteren gevolgd. En om eerlijk te zijn, geweldig onder de indruk ben ik daarvan nooit geweest. Met uitzondering van de poëzie, waar wij sinds jaren in een zekere weelde vertoeven. Maar ik mag niet generaliseren, er verschenen/verschijnen soms wel erg goede dingen in de romankunst, maar niemand steekt er echt bovenuit. Overigens vond ik ook Claus over het paard getild als romancier.

Dit betekent niet dat al het “vroegere” prima was en het eigentijdse minderwaardig. Met Boon zal ik wel mijn hele leven bezig blijven (ik heb er ook reeds talloze lezingen over gehouden).

*

In de poëziewereld zette ik mijn eerste danspasjes tijdens het kunstproject “Belle op aarde” in het mooie Schellebelle. We schrijven 2005 toen er enkele van mijn gedichten werden geselecteerd voor een wandelroute langs de Schelde en in de Kalkse Meersen. Trots hing ik er te blinken naast illustere namen zoals Patricia De Maertelaere en Ramsey Nasr. In de nasleep van dit helaas ter ziele gegane project-meoie naam in 2007, kwam ik in contact met Frans-Jos Verdoodt. Ik werd bij hem thuis uitgenodigd voor een denktank rond een nieuw poëzie initiatief. De vergaderingen werden culinair stevig omkaderd met de nodige pompoensoep en kaasschotels waarmee Lieve vanuit de keuken uitrukte. En zo belandde ik uiteindelijk aan de jurytafel van de Melopeepoëzieprijs met Frans-Jos Verdoodt als voorzitter.

In 2009 werd deze prijs in Laarne voor de eerste maal uitgereikt aan Charles Ducal (1) en in november volgt dit jaar de zesde editie.

Jury-Melopee.JPGDe jury van de Melopeepoëzieprijs. Van l naar r: Herman Elegast, Frank De Vos, Dorethea Van Hooyweghen, Trees Veeckmans, Roel Richellieu Van Londerzele, Erwin Steyaert, Jan De Meester en Frans-Jos Verdoodt.

 

De Melopeepoëzieprijs onder het gedreven voorzitterschap van Frans-Jos Verdoodt is uniek in zijn soort en onderscheidt zich van de anderen doordat er niet met inzendingen wordt gewerkt. Deze put namelijk uit de poëzie die werd gepubliceerd in onze literaire tijdschriften. Zodoende worden jaarlijks honderden en honderden gedichten onder het vergrootglas bekeken. Er zijn verschillende selectierondes waarbij elk jurylid eenentwintig gedichten selecteert en aan elk gedicht zijn punten geeft. Puur rekenkundig wordt er gewerkt en dus zonder deliberatie. Dit om elke beïnvloeding te voorkomen en om haar onafhankelijkheid te verzekeren. De laureaat ontvangt 2500 € en de eenentwintig genomineerde gedichten verschijnen in een verzorgde bloemlezing. Traag maar gestaag wordt door de jury aan de bekendheid van deze prijs gewerkt.

Verschillende bijdragen waaronder deze over het ‘Historisch pardon’ van Frans-Jos Verdoodt kunnen in de encyclopedie van Mededelingen worden geraadpleegd.(2)

Frank DE VOS

  1. http://mededelingen.over-blog.com/article-36620829.html

  2. http://mededelingen.over-blog.com/article-het-historisch-pardon-van-prof-dr-frans-jos-verdoodt-109388659.html

Zie ook: http://mededelingen.over-blog.com/article-voorzitterswissel-in-het-advn-124083470.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
7 juillet 2014 1 07 /07 /juillet /2014 19:59

 

Een-hinkelbaan-in-de-wolken.jpg

Omwille van hun roodwit geblokte wapenschild heb ik altijd de impuls om voor Kroaten te supporteren. Dat komt omdat ik uit Noord-Brabant kom, en de roodwit geblokte vlag van deze provincie immer wonderschoon heb gevonden. Ik werd dan ook onmiddellijk vrolijk toen ik het boekje Brabants vlag – Historiek en gedichten  uit de enveloppe haalde, want tegen een blauwe achtergrond wapperde hij daar trots.

Het gaat hier om een uitgave van de Stichting Hoeders van de Brabant Bokaal en het Prins Bernhard Cultuurfonds, samengesteld door Pien Storm van Leeuwen. Paul Spapens en Jac. Biemans, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Brabantse Hoeders, lichten de geschiedenis van het Brabantse dundoek toe. De hoofdmoot van de bundel bestaat echter uit zeventien speciaal voor deze gelegenheid geschreven gedichten van evenveel dichters. In alfabetische volgorde zijn dat Rick Baggermans, Catharina Boer, Frans August Brocatus, Olaf Douwes Dekker, Christina Guirlande, Albert Hagenaars, Bauke van Halem, Kees Hermis, Marijke van Hooff, Peter Korsman, Pieter Luykx, Kees van Meel, Jasper Mikkers, Ronella Moser, Pien Storms van Leeuwen, Jace van de Ven en Willem van de Vrande.

Hier en daar scheren sommige dichters griezelig langs de rand van het chauvinisme. Neem mijn tweekleur wappert trouw, door wind gedreven, / verbeeldt de mooiste zin ooit neergeschreven: / “en nergens ligt een glimlach zo gereed / als waar de wereld land van Brabant heet”. van Pieter Luykx (° Ginneken, 1935). Of: En gedenk, geschapen op de zesde dag / gaan wij ooit over in water, aarde, lucht en vuur, / de vier levensbronnen van ons gewest / waar deze vlag altoos zal blijven wapperen.van Albert Hagenaars (° Bergen op Zoom, 1955). Alsof de elementen buiten de grenzen van de provincie niet zouden bestaan. Gelukkig is de rest van zijn bijdrage erg sterk. Een fragment: Over de schaamte na de nederlaag, / de grafelijke banier beslijkt in het mistig woud / dat respijt bood voor vernedering, verlies / aan meer dan domein, ontvallen eer.

Marijke van Hooff (° Haarlem, 1944) omschrijft het vaandel mooi als Een hinkelbaan in de wolken. Ook de bijdrage van Christina Guirlande (° Moerzeke, 1938) mag er zijn: En luister maar: de wind / herinnert zich nog feilloos alle / woorden van het oude lied. Treffend vind ik voorts het gedicht van Catharina Boer (° De Bilt, 1939), waaruit: Ons dundoek lijkt op Brabants Bont, / geblokt als moeders trouwe schort en / keukendoek die nog gekoesterd wordt / als eens haar zult, haar kersenstruif of soep.

Een charmante uitgave, wat mij betreft.

Bert BEVERS

 

Brabants vlag – Historiek en gedichten, samenstelling Pien Storms van Leeuwen, Uitgeverij Ceedata, Chaam, 2014, ISBN 978 90 71947 44 5

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
3 juillet 2014 4 03 /07 /juillet /2014 19:17

 

 

Gezin Barnard

Laat ik niet proberen te schitteren met mijn antwoorden. Dus geen ‘Duidelijke voorbeelden van huttenbouw’ (laat staan I quattro libri dell’architettura  van Palladio) of ‘Hoe slacht ik een inlands dier met mijn blote handen’; zelfs Robinson Crusoe  laat ik thuis (hoewel ik een exemplaar bezit uit 1719). In plaats daarvan een exemplaar van de Statenvertaling, want die bibliotheek heb ik nog niet uit en het gelezene begrijp ik maar ten dele. En voorts een zo uitgebreid mogelijke bloemlezing uit de Engelse poëzie (gaarne met de Oxford English Dictionary).

Muziek... zelfs de goddelijke Mozart gaat vervelen, dus in plaats daarvan alle cantates van Bach; dat past ook beter bij het vrome gedeelte van mijn lectuur. En kamermuziek van Brahms, het klarinetkwintet bijvoorbeeld.

Als film de eerste Heimat: de Duitse geschiedenis, hoofdzakelijk in zwart-wit, lijkt me een interessant contrast met de deprimerende, onhistorische uitbundigheid van de tropen (dat eiland ligt onvermijdelijk in de tropen). En een box met een paar seizoenen van Midsomer Murders, om de plaatjes en de dialogen, want de plot begrijp ik zelden.

Aan mijn palmboom hang ik een weemoedige Picasso (daarvan zijn er meer dan u denkt). Maar vooral deze  foto van mijn gezin. Ik vind mijn vrouw erg mooi en mijn kinderen aanbiddelijk – al is dat natuurlijk geen kunst.

 

Benno Barnard, Sint-Agatha-Rode

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
30 juin 2014 1 30 /06 /juin /2014 19:15

Volgen...

GeelZucht-live-02.png

GeelZucht-live-01.png

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
28 juin 2014 6 28 /06 /juin /2014 02:18

 

Om de klok van zes stommelt hij

naar beneden in zijn slobberkleren

en verlaat het pand met zijn volgeladen stolp.

 

Om de klok van zeven stapt hij

op een rode stadsbus

naar Steenbrugge, naar het kerkhof.

 

Daar plant hij bloemen en planten

in de bevochtigde grafgrond

bij het kruisje van Magdalena Philomena V.

 

Hij helpt minzaam

een vroege bezoeker

die zoekt naar een nummer en een naam.

 

En staart heel even

naar een zwarte zwaar ingezonken tombe

met een eeuwige vergunning.

 

Om de klok van elf eet hij een boterham

met kruimels, drinkt buiten een glas bier

en veegt het schuim van zijn paarse lippen.

 

Zijn dag bij de doden eindigt met het angelus.

Hij loopt naar de poort, stamelt een zin

van Gezelle en keert terug naar de zwanenstad.

 

Daar wacht hij dan op de nacht;

haalt een brief uit Canada uit zijn archief

of mompelt langzaam een haiku.

 

Na de dagsluiting vlijt hij zich neer

op een veldbed

waar hij de rust vindt en de zaligheid.

 

Hij gelooft in de goedheid van zijn God

en zijn lot en droomt luid van een graf

aan de haag dicht bij de kerkhofdreef.

 

Hendrik CARETTE

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
26 juin 2014 4 26 /06 /juin /2014 11:12

ScheirsFelix.jpeg

 

Donderdag 19 en vrijdag 20 juni, verder met Jan Scheirs gewerkt aan de klassering van mijn archivalia. Tot nu toe hebben we meer dan 250 archiefdozen en mappen min of meer definitief samengesteld (van “Wilfried Adams” tot “Wereldoorlog I”). Bovendien kregen 272 tijdschriften over vier etages een vaste plaats (Van Acte Unique tot De Zwijger). En ik vrees dat we nog goed twee maanden intensief met dit karwei bezig zullen zijn. Een optimistische schatting.

Eens te meer heel wat significante foto's uit de oude doos herontdekt. En het zal voorlopig niet ophouden. De overduidelijke belangstelling van lezers van de blog voor de publicatie van dergelijke foto's zal niet dus onbevredigd blijven... Belofte maakt schuld!

*

Dinsdag 24 juni: vergadering van de jury van De Diamanten Kogel 2014. Dit jaar werden 117 titels, verschenen tussen 1 juni 2013 en 15 juni 2014, ingezonden. Het hoogste aantal ooit! Enkele prolifieke auteurs dingen met meerdere boeken mee.

's Avonds, viering van een kwarteeuw bestaan van de unieke culturele vriendenkring Exlibris. Boeiend gesprek met componist Wilfried Westerlinck over onze gemeenschappelijke, dierbare vriend Pink Poet Renier van der Velden (1910-1993).

WWenHFJ-copie-1.png

Met componist Jan Hendrik Van Damme en troubadour Frank De Vos ging het vooral over tango-icoon Carlos Gardel.

JanHendrik-HFHenFrankDeVos-copie-1.jpgNa meer dan twee decennia kameraadschappelijke medeplichtigheid hebben kalligrafe Joke van den Brandt, graficus Frank-Ivo van Damme en ik nog maar weinig woorden nodig om elkaars aanwezigheid gevoelig te waarderen...

HFJenJVDB.png

FYvDenHFJ.png

*

Dezelfde avond vond op initiatief van de Antwerpse schepen van Cultuur Philip Heylen (reeds tweemaal te gast bij Exlibris) de zoveelste “Zwoele Zomeravond” plaats. Bij die gelegenheid werd ter plaatse door Jan Scheirs, op vijf uur tijd, een monumentale schildering van 20 meter lang in de Lichtstraat van het FelixPakhuis verwezenlijkt: “Tien jaar Cultuurschepen Heylen in 't lang en in 't breed...”.

Jawel, een uitputtingsslag: hoe goed je ook mentaal voorbereid bent, onder dwingende tijdsdruk ter plekke compositorische beslissingen nemen, kleur tegenover elkaar zetten, enz. Geen sinecure, voorwaar!

Ondertussen verneem ik dat Scheirs' schildering bij uitzondering nog een week langer door het publiek kan bekeken worden.

Hamvraag: wat gebeurt er nu met zo'n kunstwerk?

(Ik moet hier denken aan het reuzegrote decoratief paneel (11 meter op 30, waar ik als school spijbelende vlakkenvuller aan meegewerkt heb) van Floris Jespers voor Expo 58, dat achteraf – in stukken gezaagd – voorgoed verdween in de catacomben van de Belgische staat – en dat is nog een optimistische visie op die onverkwikkelijke zaak die ik, ondanks herhaalde pogingen, tot nu toe niet kon ophelderen...)

ScheirsFelix14.jpeg

*

En zo worden in deze blog heden en verleden vanzelfsprekend verstrengeld, de blijde toekomst tegemoet.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
23 juin 2014 1 23 /06 /juin /2014 10:19

 

Weer eens een lijvige aflevering...

MDD233-234.jpg*

Henri-Floris Jespers, Guido Lauwaert, Yoeri Vanlangendonck en Jan Scheirs brengen hulde aan Guy Vandenbranden.

1003950_600518873362651_1334293432_n.jpg

Het manifest van De Nieuwe Vlaamse School (1960), mede-ondertekend door Vandenbranden, wordt van onder het stof gehaald en bondig gecontextualiseerd.

Kees Snoek haalt gevoelige herinneringen aan Leo Vroman op.

Scherpe waarnemers Lukas De Vos (“Rooksignalen. Over het Nut van de Sigaar te Zijn”) en Guido Lauwaert (“Woestijnvis zoekt oase”) nemen eens te meer geen blad voor de mond...

Frank De Vos had een gesprek met Frans-Jos Verdoodt, die per 6 augustus zijn functie als voorzitter van het ADVN beëindigt. Hij wordt opgevolgd door Dirk Rochtus.

Frank De Crits is te gast met het gedicht “korte geschiedenis van het wandelen” en Hendrik Carette mijmert over “De raadgevingen van Rainer Maria Rilke”.

De genealogische wortels van Hergé, de vader van Kuifje, worden blootgelegd door Frans Depeuter.

Uiteraard werden ook een aantal eerder op deze blog gepubliceerde berichten opgenomen.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche