Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
3 juillet 2011 7 03 /07 /juillet /2011 09:21

 

DeAuteurjuni11.jpg

Voor De Auteur, het driemaandelijks tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, voerde Tony Rombouts (°1941) een boeiend gesprek met Ivo Michiels (°1923), gewezen ondervoorzitter (1973-1981) en (sinds 1999) erelid van de VVL.

Michiels vervulde een pioniersrol in de kunstwereld van de jaren vijftig en componeerde een indrukwekkend oeuvre dat internationale erkenning geniet. (Hans Magnus Enzensberger en Martin Walser beschouwden Het boek Alfa (1963) als een belangrijke bijdrage tot de Europese literatuur en Samuel Beckett was enthousiast over Orchis militaris (1968).)

*

Tussen 1948 en 1957 publiceerde Ivo Michiels bijna 400 literaire kritieken in Het Handelsblad. Ze werden verzameld en geannoteerd door Bart Nuyens en Yves T'Sjoen. De publicatie wordt verspreid over drie delen. Vorig jaar verscheen het eerste deel. De bedoeling van Yves T'Sjoen was 'om aan de hand van die prille teksten aan te tonen hoe ik als zeer traditioneel en katholiek auteur langzaam maar zeker evolueerde naar een modernistische visie in de letteren en in de kunsten in het algemeen'.

Michiels bekent dat hij aanvankelijk 'alles behalve enthousiast' was. Terugblikkend op dat wat hij wat minimaliserend als 'knutselkwerk' uit zijn leerjaren beschouwde, stelt hij echter vast:

Nu ik die vrijwel vergeten teksten opnieuw onder ogen krijg sta ik versteld van de sérieux waarmee ik tewerk ging […] De actualiteit van toen die aan bod kwam geeft voor vandaag een beeld van onze toenmalige boek- en denkcultuur. Bovendien lees ik nu zelf hoe ik, de conservatief, reeds in september 1951 drie uitvoerige artikels wijdde aan William Faulkner. Nou!

In het gesprek met Tony Rombouts komt ook de herziene uitgave het tiendelige Journal brut (1983-2001) uitvoerig aan bod. Toen bleek dat geen enkel deel nog op de markt was en dat 'in deze tijden van literaire onderdruk' een herdruk commercieel onbegonnen werk was, kwam na veel palaver een voorstel uit de bus:

Waarom niet van de tien delen journaal een nieuw poëem gemaakt. Nieuwe structuur, nieuwe zang. […] Er lag na maanden een reconstructie klaar van ongeveer duizend bladzijden en ik moest naar het hospitaal. Toen ik weer thuis kwam lag er een mail met de titel: 'De verpleegsters hebben hun werk gedaan'. Verdomme, welke verpleegsters? Die van De Bezige Bij namelijk. Ze hadden daar in Amsterdam nog wat geschrapt. Ik weer op de proppen. En daar ligt het nu […]. Met het eigen oeuvre van toen een herschepping voor vandaag. […] Natuurlijk mis ik de verhalen die niet zijn opgenomen. Wel, mijmer ik dan, misschien volgt er ooit nog zoiets als een reconstructie na de reconstructie. Wie weet.

Dit jaar verscheen ook Meer dan ik mij herinner, de neerslag van gesprekken met Sigrid Bousset,  een soort orale autobiografie. Michiels is 'niet zo happig op het prijsgeven van biografische achtergronden'. Echter, 'wat ik nooit zou hebben opgebracht met een andere gesprekspartner, kon wel en met geringe remmen met Sigrid'. Aan Rombouts vertelde Michiels:

Toen Sigrid Bousset bij het verschijnen van haar / ons boek, mij vroeg haar exemplaar te signeren, schreef ik boudweg: 'Voor Sigrid aan wie ik niet alles heb verteld...'

Een ondeugendheid, eerder bedoeld als plagerijtje. Vraag: Wat precies heb ik achter de tandjes gehouden?

Ik zou het, op dit ogenblik  [ik cursiveer], niet weten.

Het altijd verraderlijke geheugen is een vast Michiels-thema. En ook het vaste geheugen wordt nu eenmaal gekenmerkt door verdichting, wat (onbewuste) autofictionele constructies nooit uitsluit, zeker niet wanneer traumatische ervaringen in het spel zijn.

De lectuur van Rombouts' interview kan geen enkele lezer van Michiels onverschillig laten.

*

De redactie van De Auteur maakt er kennelijk werk van het blad aantrekkelijker te maken. Bert Bevers en Roger Nupie brengen uitvoerig verslag over de eerste Herman J. Claeysprijs. Publicaties worden besproken van o.m. Miel Vanstreels, Erik Heyman, Tine Hertmans, Richard Foqué, Paul Cox, Erik Bindervoet, Frank de Vos, Niels Hav, Willem M. Roggeman, Lucienne Stassaert, Joris Iven, André van der Veeke, Coen Peppelenbos en Bert Bevers. In de vierde aflevering van zijn 'Poëtisch logboek' introduceert Roggeman de radicale dichter, linguïst en strijder voor de mensenrechten Jack Mapanje (°1944) die in zijn geboorteland Malawi zonder vorm van proces gedurende vier jaar opgesloten werd in de gevangenis.

*

'Pour la petite histoire': op 25 februari 2009 en 28 juni 2010 stuurde de VVL een brief naar Jos Geysels, voorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Er kwam geen antwoord. Op 17 november 2010 volgde dan een aangetekende brief. Er kwam geen antwoord. Op 21 april 2011 beloofde Jos Geysels mondeling, in bijzijn van minister van Cultuur Joke Schauvliege en Jan Vermassen, medewerker van de minister, schriftelijk te antwoorden op het schrijven van de VVL. Er kwam geen antwoord. Transparantie en goed bestuur?

Men zegge het voort!

HFJ

De Auteur, driemaandelijks tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen juni 2011, 20 pp., ill. [Of er losse nummers kunnen verworven worden is niet duidelijk.]

Bart NUYENS en Yves T'SJOEN (eds), Ivo Michiels, Het literatuurkritisch werk in 'Het Handelsblad', Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2010, 511 p., geb., 37 €.

Sigrid BOUSSET, Meer dan ik mij herinner. Gesprekken met Ivo Michiels, De Bezige Bij, 2011, 272 p., geb., 27,50 €.

Ivo MICHIELS, Mag ik spreken? Journal Brut – Een reconstructie, De Bezige Bij, 2011, 688 p., geb., 39,90 €.

Partager cet article
Repost0
29 juin 2011 3 29 /06 /juin /2011 05:08

 

-PkrantSpinoy.jpg

Onder de enigszins gemaniëreerde titel 'Gemythologiseerd spiegelschrift zonder echo's' publiceert Poëziekrant een bijzonder lezenswaard interview van Anneleen de Coux met Erik Spinoy naar aanleiding van diens jongste bundel, Dode kamer (2011). De dichter beleeft kennelijk zijn kringen naar binnen en legt zich een retraite op, 'een terugplooien op een minimaal bestaan' :

Het gaat me hier niet om onze verhouding tot de buitenwereld en om onze identificaties met bepaalde posities daarin, maar om momenten waarop we terugplooien op onszelf en ons rekenschap geven van onze asociale kern. Dat zijn heel spanningsvolle ogenblikken.

*

Spinoy debuteerde in oktober 1985 bij Contramine, de uitgeverij van Tony Rombouts en Maris Bayar. De tweemansbundel Golden Boys bevat de zeven gedichten tellende cyclus 'Kerkhofbloesems' van Spinoy en de cyclus 'Een kapitein besmeurd' van Dirk van Bastelaere (eveneens zeven gedichten). De reeks 'Kerkhofbloesems' verwijst nadrukkelijk naar Gezelle en werd daarna ingrijpend bewerkt opgenomen in De jagers in de sneeuw (Antwerpen, Manteau, 1986). In 1987 verscheen dan Twist met ons (Wommelgem, Den Gulden Engel), gedichten van Spinoy, Van Bastelaere, Bernard Dewulf en Charles Ducal.

Bart van der Straeten onderstreepte (in Tijd-Cultuur van 30 januari 2002) dat Spinoy en Van Bastelaere de Vlaamse poëzie nauwer wilden laten aansluiten 'bij de vigerende trend in de Westerse literatuur: die van het internationale postmodernisme'. Van der Straeten stelt:

Eerder dan dichters, werden zij op den duur poëzie-ideologen, soevereine en onaantastbare leiders van het Vlaamse dichtersland. Bejubeld door menig criticus, groeiden zij uit tot de iconen bij uitstek van de Vlaamse poëzie in de jaren negentig.

'Onaantastbare leiders'? De 'invloed' van Spinoy (en Van Bastelaere) op de Vlaamse poëzie mag écht niet overschat worden. Ik ben bovendien eerder geneigd te stellen dat hun werk overschaduwd wordt door hun vaak gezwollen en aanmatigende 'ideologische' beschouwingen... Voer voor psychologen eerder dan voor literatuurwetenschappers.

*

De postmodernistische mode is nu passé. Spinoy bekent dat Dode kamer 'vooral op een intuïtief-associatieve manier tot stand gekomen' is.

Ik wilde gedichten schrijven die gewoon iets met de lezer doen, zonder van hem te vragen: 'Ga er nu eens achter zoeken wat ik heb willen zeggen'.

Spinoy erkent nu dat er toch wel zoiets bestaat als 'een soort harde kern', dat die 'roerloos' blijft en distantieert zich dus met zoveel woorden van het etiket 'postmodernisme'. Hij wijst op de fenomenologische 'procedure' ('reductie' ware hier juister geweest) en komt aldus dicht bij Paul van Ostaijens 'Geranien-Erlebnis' (1).

Anneleen de Coux stelt hem dan terecht de vraag of hij zich niet meer verwant voelt met Dirk van Bastelaere:

Niet meer verwant is overdreven. Ik zal wat hij doet altijd wel met bijzondere aandacht blijven volgen. Maar er is al heel niet meer zoiets als een postmodernistisch clubje, ook al hebben sommigen dat blijkbaar nog steeds niet begrepen. Als je naar de literatuurgeschiedenis kijkt, zie je trouwens dat zoiets altijd weer gebeurt. Op een bepaald moment zie je jonge schrijvers zich groeperen, en dan zie je dat die groepering een heel beperkte houdbaarheidsdatum heeft en dat de leden algauw in alle richtingen uiteenzwermen, hun eigen fascinaties cultiveren, zich stilistisch ontwikkelen... Dat het allemaal uit elkaar drijft. […] Het omgekeerde zou ik nogal vreemd vinden: dat je op je vijftigste nog altijd met een vlag zou staan zwaaien.

*

Poëziekrant heeft ook aandacht voor het door sommigen bejubelde debuut van Y. M. Dangre. Pascal Cornet is echter niet mals:

De bundel Meisje dat ik nog moet heeft een zorgvuldig opgezette structuur en bevat enkele prachtig wrange gedichten die bloemleesbaar zijn, maar met al die – wat je vergoelijkend zou kunnen noemen – jeugdzonden is dit debuut verre van volmaakt en zeer ongelijk in kwaliteit.

*

Het lange gedicht Mathieu - een figuur om voor altijd te verdwijnen en de verzameling essays Maar waar is het drama? van Huub Beurskens (gelijktijdig verschenen bij Meulenhoff in september 2010), worden besproken door Carl de Strycker. Hij typeert 'duizendpoot' Beurskens als 'een van de allerbeste dichters en knapste essayisten van ons taalgebied'.

Na de 'duizendpoot' komt 'de man die sneller schiet dan zijn schaduw – Lucky Luke' aan bod: 'slangenmens' Jan Lauwereyns, die sinds 1999 een onthutsende, eigenzinnige en intelligente creativiteit ontplooit. Yves T'Sjoen onderkende meteen het talent van Lauwereyns en bezorgde een van die beslist epoque-makende afleveringen van Revolver, 'Vivisectie van een dichtbundel' (jg. 30, nr. 2, september 2003).

LauwereynsRevolver.jpg*

In de jongste aflevering van Poëziekrant komt Hagar Peeters uitvoerig aan het woord in een vraaggesprek met Jooris van Hulle en focust Stefan van den Bossche op het enigszins steriele oeuvre van Claude van de Berge. De jongste bundel van Roger de Neef, Luchthaven voor vogels (Gent, Poëziecentrum, 2010) wordt besproken door Anneleen de Coux, die in het jongste nummer van Deus ex Machina een bijzonder relevant interview met De Neef publiceert (jg. 35, nr. 137, juni 2011).

PoeziekrantDeNeef.jpg

Tot mijn vreugde stel ik vast dat de Chileense dichter Vicente Huidobro (die meewerkte aan het Dada Almanak 1920) toch niet helemaal vergeten is in Vlaanderen / België. Piet de Vos (die aan een proefschrift werkt over de poëzie van Huidobro, Van Ostaijen en Benjamin Péret) vertaalde de tweede zang uit Altazor. O el viaje en paracaidas ('Hogevalk. Of de reis aan de parachute'), een krachttoer. Jacques Lothaire vestigde al in 1922 de aandacht op Huidobro (1893-1948) in het Antwerpse tijdschrift Ça ira! (nr. 18, mei 1922), erop wijzend dat diens 'créationnisme' zich 'geestelijk' parallel ontwikkelde met het Spaanse 'ultraïsme'. Guillermo de Torre (1900-1971), de spilfiguur van het 'ultraïsme' die brieven wisselde met de Antwerpse dichter Paul Neuhuys (1897-1984), was het daar niet mee eens, zoals genoegzaam blijkt uit zijn in het Brusselse tijdschrift Écrits du Nord (uitgegeven door de Université Libre de Bruxelles, eerste jaargang, tweede reeks, december 1922) gepubliceerd artikel.

*

In de jongste afleveringen van Poëziekrant werden ook gedichten opgenomen van o.m. Norbert de Beule, Frank de Crits, Stefaan van den Bremt, alsmede een 'graphic poem' van Peter Theunynck & Lies van Gasse.

Henri-Floris JESPERS

(1) Henri-Floris JESPERS, 'De "Geranien-Erlebnis" en de terugkeer van het landelijke', in: Spiegel der Letteren. Tijdschrift voor Nederlandse literatuurgeschiedenis en voor literatuurwetenschap, jg. 39, 1997, nr. 2, pp. 131-146.

 

Poëziekrant, jg. 35, nr. 3, april-mei 2011; jg 35, nr. 4, juni 2011; 94 p.,ill.

Abonnement België: 38 €. Nederland en EU-landen: 44 €.

Los nummer: 7 €.

Inclusief verzendkosten: 10 € (België); 12 € (Nederland en EU-landen).

Andere: 14 €.

Poëziecentrum vzw, Vrijdagmarkt 36, B 9000 Gent.

Partager cet article
Repost0
24 juin 2011 5 24 /06 /juin /2011 06:13

 

lieke.jpg

De C. Buddingh'-prijs (1200 €) bekroont jaarlijks het beste Nederlandstalige poëziedebuut dat tussen 1 maart en 28 februari van het voorgaande jaar is verschenen. Dit jaar werden vier dichters genomineerd: Y. M. Dangre (°1987), Dennis Gaens (°1982), Marjolijn van Heemstra (°1981) en Lieke Marsman (1990).

De vier jonge dichters verdienen ieder aanmoediging, aldus Ron Rijghard in NRC Handelsblad, 'maar de prijs voor het meeste talent zou naar Marsman moeten gaan'. Jurre van den Berg stelde categorisch: 'Dit jaar zou het een daad van pure recalcitrantie zijn als de twintigjarige Lieke Marsman niet de C. Buddingh'-prijs krijgt voor haar intrigerende bundel'.

Piet Gerbrandy dacht er anders over en brak in De Groene Amsterdammer een lans voor Y. M. Dangre: 'Deze nazaat van de Occitaanse troubadours verdient de Buddingh’-prijs’.

De voorkeur van de jury − bestaande uit Anja de Feijter, Koen Stassijns en Maarten Elzinga – ging naar Lieke Marsman, die tijdens het 42ste Poetry International Festival Rotterdam de prijs ontving uit handen van Ingmar Heytze.

*

De voorkeur van de recensenten ging duidelijk naar de twee jongste dichters: Y. M. Dangre en Lieke Marsman.

Op de literaire weblog Tzum gaf Jurre van de Berg al zijn mening te kennen op 20 november 2010:

Het is een wonderlijk terugkerend verschijnsel dat jonge dichters neigen tot ouwelijk schrijven, maar verjongen naarmate ze ouder worden. (…)Wat ik mijzelf graag voorhoud  is soms nog wat onevenwichtig maar toch vooral een eigenzinnig en meeslepend debuut. Dat Lieke Marsman nog grotere stappen gaat zetten in haar poëtische carrière ligt in de lijn der verwachtingen.

In Het Parool (30 december 2010) onderstreepte Victor Schiferli dat Marsman – 'een dichteres van wie we in de komende jaren veel zullen horen – een voorkeur heeft

voor proza-achtige gedichten, met breed uitwaaierende regels, maar soms is ze ook heel compact. Voor een jonge debutante heeft ze een duidelijke eigen toon: helder, weloverwogen en met gevoel voor de kracht van ritmiek en herhaling. Op dagboekachtige wijze doet ze verslag van herinneringen, gebeurtenissen en gedachten […] Humor heeft Marsman zeker, een prettig soort onderkoeld absurdisme dat aanspreekt, met daarbij een flinke dosis zelfrelativeringsvermogen: Met haar laconieke, geestige manier van filosoferen slaat Marsman geregeld de spijker op zijn kop.

Guus Middag (NRC boeken, 9 januari 2011) vond dat Lieke Marsman 'geen gedichten in de strikte zin van het woord' schrijft.

Het zijn grillig verlopende, vreemd uitwaaierende, prozaïsch gestemde poëziedagboekbladen. Ze lijken vaak licht en humoristisch, maar ze kunnen, zoals in het geval van het zwemlesvers, ook heel vilein zijn. Ze zien er uit als achteloos gebabbel, maar ze zitten vol met allerlei gedachtesprongen. Er is nauwelijks dichterlijke vormgeving, maar Marsman weet de verhaallijnen wel in de hand te houden – en aan het slot toch weer mooi bij elkaar te laten komen.

Een nieuw geluid zou ik Lieke Marsman niet willen noemen – daarvoor zijn haar toon, haar woordkeus en haar beeldspraak niet bijzonder genoeg. Maar een eigen blik heeft zij wel.

Op deReactor, platform voor literaire kritiek (19 januari 2011), onderstreept Peter van Lier:

Debuteren op je twintigste, dat komt niet zo vaak voor. In 1994 deed Mustafa Stitou dat met Mijn vormen, kort geleden Lieke Marsman met Wat ik mijzelf graag voorhoud. Marsman beschrijft in deze bundel de ervaringswereld van de adolescent. Nog niet eerder zag ik het specifieke van deze levensperiode zo inzichtelijk beschreven. Marsman toont de adolescentie niet als een fase in het leven met een eigen identiteit, maar als de periode waarin kindertijd en volwassenheid elkaar treffen. Juist door de samenkomst van een nog bijna kinderlijke onbevangenheid en de (in potentie) onstuitbare denkkracht van een volwassene krijgen de gedichten een hele specifieke spanning en bekoring.

Op de voortreffelijke Zuid-Afrikaanse blog Versindaba (28 februari 2011) stelt Luuk Gruwez vast dat het debuut van Lieke Marsman 'door enkele Nederlandse recensenten bejubeld [wordt] als een der beloftevolste debuten van de jongste jaren':

Daar valt inderdaad veel voor te zeggen, hoewel – zoals steeds bij een debuut dat boven het maaiveld uitsteekt – het klassieke gevaar van overschatting dreigt. Waarom charmeert deze poëzie? Lieke Marsman is jong en fris. Op foto’s die men in de pers gretig van haar afdrukt, oogt zij ontwapenend. En zij staat er: haar gedichten laten voor iemand van haar leeftijd een onmiskenbare eenheid van toon horen, iets wat haar blijkens een uitspraak in een interview na aan het hart ligt. Vrijwel alles in haar bundel is herkenbaar uit dezelfde pen gevloeid. Wat zij schrijft zijn absurdistische reflecties, meditaties, bespiegelingen. En als Marsman haar bestaan niet bijeen denkt of droomt, verzint zij het wel.'

*

De laatste jaren komt 'een opwindende hoeveelheid bovengemiddeld poëtisch talent' op, aldus Erik Menkveld (de Volkskrant, 11 juni 2011). Hij typeert Dangre als 'een echte bevlogen liefdeszanger met decadente trekjes':

Soms is hij nog wazig, te gewild 'poëtisch'; er tuimelen nog wat veel beelden en grote woorden over elkaar die elkaar vervolgens voor de voeten gaan lopen. […] Maar aan lef, talent en power ontbreekt het deze bruisende neo-Rimbaud niet. Van hem kunnen we ongetwijfeld nog veel verwachten. […] Dangre leunt nog sterk op zijn grote voorbeelden en voegt daar naast zijn flair vooralsnog vooral zijn eigen onhandigheid aan toe.

Janita Monna heeft het in Trouw (11 juni 2011) over 'een vet jaar voor poëziedebuten'. Meisje dat ik nog moet van Y. M. Dangre is 'een buitenbeentje':

Zijn liefdesverzen laten een bijna ongewone volwassenheid zien voor een zo jonge dichter. (Meermaals vroeg ik mij af of dat mysterieus klinkende Y. M. Dangre geen pseudoniem is voor een al langer publicerende dichter.) Hij klinkt hooggestemd en ook ironisch […].

Wat ik mijzelf graag voorhoud is een 'onbevangen, maar doordracht debuut':

Marsman heeft een acrobatische geest: overwegingen, droombeelden en herinneringen kunnen bij haar aanleiding zijn voor een uitdijend heelal van gedachten. Over de relatie tussen het ik en de buitenwereld, de stad, mens, taal, poëzie. Ze kan haar gedachten zo aanschroeven, dat je lijkt te verdwalen in haar woordenvloed. […] Maar uiteindelijk raakt ze de weg nooit kwijt.

Wie van deze jonge dichters het meest nieuwsgierig maakt naar volgend werk? Ik ben benieuwd naar de weg die Y. M. Dangre na zijn debuut zal inslaan, en vooral naar wat Lieke Marsman in een volgende bundel gaat doen.

*

Principieel had ik het juryrapport over Marsman gepubliceerd, maar het hangt aaneen van citaten en verwijzingen (Wordsworth, Seamus Heaney over Sylvia Plath...) terwijl enkele (weinigzeggende) regels over de bekroonde bundel gaan...

Dan maar lievergeronde oordeel van de jury over 'de heer' Dangre.

Meisje-dat-ik-nog-moet

De meest excentrieke bundel van het afgelopen jaar is zonder enige twijfel Meisje dat ik nog moet van Y. M. Dangre. Niet omdat de heer Dangre zo experimenteel of vernieuwend zou schrijven, maar omdat hij zich integendeel durft te bedienen van een idioom dat aanknoopt bij de oudste tradities van de Europese liefdeslyriek.

Uitbundig in zijn zinnelijkheid, in zijn synesthetische beeldspraak, geëxalteerd in zijn bezwerende recitatieven, heeft dit werk toch een bijna ascetisch karakter door de monomane toewijding waarmee Dangre bij zijn onderwerp blijft - de liefde in haar meest zintuiglijke, anti-platoonse gedaante - en van daaruit de allegorische resonantie met de kunst en de dood opzoekt. In het parlando-koor van hedendaagse intimisten is Dangre een van de weinigen die voluit durft te zingen en te bezingen. Het quasi klassieke vocabulair en de afwezigheid, nagenoeg, van verwijzingen naar het moderne leven verlenen deze minnezangen een zekere tijdloosheid. Modern, ongehoord zelfs, zijn ze door de consequent ontwrichte, briljant verhaspelde zinsbouw, hun specifieke lichtvoetige virtuositeit - en in de homeopathische druppel ironie die er – Dangre zij dank - in is bijgemengd. Een bastaard van Hugo Claus en Louise Labé in ons taalgebied: dat is een verbluffende aanwinst.

*

Lieke Marsmans bundel werd ook bekroond met de tweejaarlijkse Debuutprijs Het Liegend Konijn. De laureate krijgt 2500 €, de publicatie van één gedicht (in casu 'Oerknal') dat vertaald wordt in de 23 officiële EU-talen, en de integrale vertalingen van haar werk in het Frans, Duits en Engels. De jury – bestaande uit Jozef Deleu, Marjoleine de Vos, Erik Menveld, Willem Thies en Joke van Leeuwen – was erg onder de indruk van Wat ik mijzelf graag voorhoud.

Uit het juryrapport:

In Wat ik mijzelf graag voorhoud  verschuift Lieke Marsman het brandpunt van haar blik voortdurend. Marsman onderzoekt tastend, speels en beschouwend werkelijkheid en taal. De lezer volgt de dichteres in haar denkbewegingen – hij is getuige, wordt deelgenoot.

Dat maakt deze bundel zo intrigerend. Er is een 'vertrekpunt' en er is, na vele lussen en wendingen, een 'uitkomst' en daartussen gebeurt het gedicht. Het voltrekt zich via redenerende stappen en associatieve sprongen, via paradoxen, parallellen, vergelijkingen en metaforen.

Marsmans poëzie wekt de indruk dat zij ter plekke ontstaat en zich ontrolt, alsof de dichter zélf verrast wordt door de loop en monding van haar gedachten – gedachten over dromen, herinneringen, gebeurtenissen, de taal. Maar hoezeer de focus telkens ook wordt verlegd, de gedichten zijn van A tot Z helder, de beelden treffend, de verzen welluidend.

De officiële uitreiking van de Debuutprijs Het Liegend Konijn- 2011 vindt plaats op dinsdag 27 september 2011 in de Nederlandse Ambassade in Brussel. Iedereen welkom!

HFJ

Partager cet article
Repost0
19 juin 2011 7 19 /06 /juin /2011 22:11

 

10 juni.Toon van Overstraeten overleden. Mijn vorige levens worden verder ontvolkt. Overspoeld door het verleden raadpleeg ik summier mijn chaotisch archief, neem enkele losse aantekeningen voor een in memoriam. In feite had Toon iets sfinxachtigs.

11 juni. Ik kan het niet laten de boeken van Toon ter hand te nemen. Van het een komt het ander en uiteindelijk zit ik geboeid te grasduinen in nummers van De Vlaamse Elsevier  en van (De  Nieuwe) Impact. (Dank zij Jan Scheirs kan ik nu eindelijk mijn immense collectie tijschriften moeiteloos raadplegen.) Ik laat mij verleiden tot het diagonaal herlezen van omslagverhalen die ik voor De Vlaamse Elsevier  schreef over Karel Jonckheere, Willy Vandersteen of diamant in Antwerpen; ik herlees commentaarstukken die ik op beslissende momenten in de geschiedenis van de Volksunie schreef: 'Hugo Schiltz, de nieuwe roerganger' (De Vlaamse Elsevier, 26 november 1973) en 'De terugkeer van de verbannen zoon' (De Nieuwe Impact, 15 maart 1981). qs

14 juni. Walter Soethoudt heeft altijd een enorme bewondering voor Toon van Overstraeten gehad. In zijn herinneringen, Uitgevers komen in de hemel (Meulenhoff / Manteau, 2008), noteert Soethoudt:

Toen Toon in 1985 op zoek was naar een titel voor zijn boek over 30 jaar Volksunie, suggereerde ik hem eentje door hem te wijzen op de plek waar ze waren gevestigd: het Barricadenplein. Toen het boek eenmaal was verschenen onder de titel Op de barrikaden, schreef Toon in mijn exemplaar de opdracht: 'Met dank voor het leveren van de titel, aan Walter Soethoudt'. (p. 234).

'La mémoire est un poète, n'en fais pas un historien' is een van de bekendste citaten van Paul Géraldy. Herinneringen zijn immers bijgebleven indrukken en het geheugen werkt nu eenmaal verdichtend (in alle betekenissen van het woord). Walter volgt kennelijk de raad van Géraldy: zijn memoires ontsnappen niet aan de verdichting. (Overigens, wie herinneringen publiceert doet dat zelden om zichzelf een bescheiden rol aan te meten...) In het geval van Op de barrikaden gaat het echter om een onbetwistbaar wapenfeit, waarover Walter naar eigen zeggen 'tot op vandaag zo trots is als een aap'. (Vermits de opdracht dateert van 29 januari 1985 is het echter evident dat Toon in 1984 naar een passende titel zocht...)

Walter komt de verdienste toe twee boeken van Toon van Overstraeten te hebben uitgegeven: De grote mutatie  (1976) en Daarenboven zegt zijn natte vinger hem...(1982). In dat laatste schreef Toon:

'Soethoudt, een uiterst merkwaardige uitgever, ditmaal niet zijn broek scheurend aan Toon van Overstraeten, zo hoop ik' – hiermee verwijzend naar de intekenlijst voor zijn nieuwe boek en de flop van De grote mutatie.' (Uitgevers komen in de hemel, pp. 234-235.)

17 juni. Maurits las het in memoriam Toon van Overstraeten verschenen op de blog Mededelingen (14 juni). Net terug van de begrafenis, stuurt hij een kort mailtje:

Ja,dit was iemand zoals er weinigen zijn en dit tot in zijn laatste levensdagen. Velen in de VU mochten hem niet, omdat ze niet tot aan zijn knieën raakten. En toch heeft hij nooit op 'minderen' neergekeken. Wat een werk- en levenslust, wat een talent, wat een kennis!

Ik hoef het je niet te zeggen.'

Maurits van Liedekerke (°Teralfene, 21 juli 1945) debuteerde in september 1965 in het tijdschrift Podium dat toen onder de redactie stond van Gust Gils en Remco Campert. In de herfsttijd van de Vijftigers hadden beide dichters een grote invloed op Maurits, die al eerder ingezonden had bij Vlaamse tijdschriften doch steeds beleefd afgewezen was. Gust Gils schreef hem in juli 1965:

Een van de droeve zijden van het tijdschriftredacteurschap is het moeten lezen van waardeloos werk van goedbedoelende debutanten en het moeten teleurstellen van deze laatsten. En een van de prettige dat er af en toe een aangename verrassing zoals uw inzending uit de bus komt. Als dit werkelijk uw proefstukken zijn, zie ik benieuwd uit naar uw verdere evolutie.

Zo verschenen in Podium  gedichten en verhalen van Maurits van Liedekerke, die in 1971 een eerste bundel in eigen beheer publiceerde, Als een glas water.Tien jaar later verscheen dan bij Stichting Dimensie te Den Haag de bundel Van het oog geen kwaad. In 1982 verscheen De wolk  (Sint-Niklaas, De Kleine Uitgeverij), geïllustreerd met vijf potloodtekeningen door Marc Gijsels, een gevoelig en als het ware geëtst kortverhal zonder fioritures. In Huis van gras (Antwerpen, Facet, 1987) neemt de dichter afscheid van het ouderlijke huis.

 

Ik heb het huis uit de hand gegeven

en zal voor altijd kwetsbaar zijn.

 

Ik bezit niets meer dan de kleur

van schaduw, de naam van een schip

 

Hoop Op Welvaart. Aan het bed van

een kind lieg ik elke avond verhalen.

 

Ik bouw een huis met blauwe regen

en zuigende lammetjes en een lachende schipper

 

die “Mosselen!”. Maar elke nacht

sterft onder het slagwerk van de seizoenen

 

de blinde boomgaard van mijn jeugd.

Ik heb het huis uit de hand gegeven

 

en in de kamers van mijn hart

schrijft een schaatser tekens van verraad.

 

In de poëzie van Maurits van Liedekerke zijn de beveiliging van het eigen universum en de koestering van een onvervangbaar gevoel van geborgenheid zonder meer fundamenteel. Hij koestert daarbij een intimistische heimwee naar de familie en de geboortegronden noteert:

 

Ik streel de bakstenen,de naden van de tijd.

Ik wrijf de korrels, de scharnieren kraken,

en lik de lome geur van regen op de daken.

 

Ik heb geen antwoord op de vragen

die uit de ramen staren. Ik weet niet

waarom de onrust aan de beenderen bijt.

Ik weet alleen, ik ben een schakel.

 

Vervolgens schreef Maurits een requiem voor Jan Van Liedekerke, geboren te Herzele op 16 augustus 1894 en gesneuveld te Diksmuide op 24 juli 1915. Voor een soldaat van de grote oorlog  (Aalst / Brussel, Vredeshuis / VOS Brussel, 1989) verscheen in een royale viertalige editie, geïllustreerd door Harold Van de Perre. Heinz Schillings verzorgde de Duitse vertaling, Peter Stinson de Engelse en ik nam de Franse tekst voor mijn rekening.

In het woord vooraf, 'Oorlog en vrede of De eindeloze geschiedenis van de slapeloze ruiters' onderstreept historicus en Boon-kenner Frans-Jos Verdoodt dat de stelling dat alle oorlogen vermijdbaar zijn

'klinkt als een avondlijke panfluit in een ver dal: na één of twee korte echo's valt de donkere nacht.

De rationele bestrijders van de oorlog lijken wel onmachtige slapeloze ruiters, alert doch nooit ter bestemming komend.

Misschien blijft er alleen nog een emotionele uitweg. Die van de kunstenaar en de boodschap van zijn werk [...].


AVvvl.jpgJaarvergadering van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen (medio de jaren 1980). Centraal: Maurits van Liedekerke, geflankeerd door Clara Haesaert en Willie Verhegghen. Op de achtergrond, van l. naar r.: Tony Rombouts en Ludoviek Andries

 

In ZilverWerk  (Torhout, deBeer, 1992) bundelden Van Liedekerke en Willie Verhegghe een kleine selectie vroeger werk (ingeleid door Bert Decorte). Dat deden ze 'uit pure nostalgie – die goedaardige kwaal waaraan de meeste dichters in meer of mindere mate lijden'.

Over Voeten in de aarde  (Antwerpen, Contact, 1994), bij mijn weten de jongste dichtbundel van Maurits, waarin o.m. de pakkende cyclus 'In memoriam matris', schreef Yves T’Sjoen in Ons Erfdeel: 'Deze poëzie bevat een rijke plastische beeldspraak die, gegoten in pretentieloze taal, ontroerende inzichten biedt.' Het gedicht dat als motto voor de hele bundel fungeert, 'Ik lig aan het einde van de wereld', werd opgenomen in de onvolprezen bloemlezing Hotel New Flandres  (Gent, Poëziecentrum, 2008).

In het in memoriam 'Ben Cami ging, van Nod naar Eden' (Het oude land van Edigen en omliggende, jg. XXXIII, nr. 2, april-mei-juni 2005) onderstreept Van Liedekerke dat naam maken de betrachting niet was van de Kantieke Schoolmeester, die niet naast zijn schoenen liep. Hij roept 'de realistische dichter die waarnemende poëzie schrijft' op, 'de gepijnigde dichter die zijn afschuw voor oorlog en geweld uitschreeuwt', 'de berustende dichter die zich wel miskend voelt, maar er niet onder gebukt ging.

Ook Van Liedekerke is een verstilde, waarnemende dichter die grootspraak schuwt en niet te koop loopt met grootsprakerige en gezwollen gevoelens. Rijke beeldspraak, pretentieloze taal, ontroerende inzichten, inderdaad. Net als Ben Cami koos hij (niet alleen als dichter trouwens...) voor een low profile.

Maurits zoekt zelden publieke aandacht, dat is nu eenmaal de aard van het beestje. Toen hij een paar dagen geleden ereburger werd van Herne, besloot Maurits zijn dankrede met een citaat naar Herman van Veen:

Alles wat ik weet, weet ik van een ander en alles wat ik laat, laat ik voor een ander. Alles wat ik heb, is alleen een naam en die heb ik van een ander.

Dat typeert hem ten voeten uit.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
16 juin 2011 4 16 /06 /juin /2011 21:23

 

Parelduiker.jpg

De Parelduiker  is een Nederlands literair-historisch tijdschrift dat in Vlaanderen nauwelijks bekend is, en dat is jammer. Het blad verschijnt vijfmaal per jaar en is een uitgave van de Stichting Het Oog in ’t Zeil i.s.m. Uitgeverij Bas Lubberhuizen. Onder het motto van Multatuli ‘een parelduiker vreest den modder niet’ doet het verslag van altijd interessante en soms spectaculaire speurtochten naar verborgen literaire schatten. Ongepubliceerde brieven en handschriften van Louis Couperus, F. Bordewijk, Geert van Oorschot en Franz Kafka komen in De Parelduiker  boven water. Onbekende episodes uit het leven van W.F. Hermans, Gerard Reve en Bob den Uyl worden ontvouwd. En ook aan (bijna) vergeten figuren blijken boeiende verhalen te kleven. De dubbelnummers, uitgebreide ‘dossiers’ inclusief een biografische schets, stellen sleutelfiguren uit de literatuurgeschiedenis centraal zoals Johan Polak, Maurice Gilliams, Willem Elsschot, Willem Kloos en André Gide.

 

De nalatenschap

 

Nummer 2 van jaargang 16 is net verschenen en bevat heel wat leerrijks. Het openingsartikel is van historica Ludy Giebels en handelt over ‘De nalatenschap van Jacob Israël de Haan.’ Een zo goed als onbekende auteur in Vlaanderen en precies daardoor een nadere beschouwing waard. Ludy Giebels vangt aan met het schetsen van de redenen waarom Jacob Israël de Haan in januari 1919 naar Palestina uitweek. Hij had een homo-erotische roman Pijpelijntjes  in 1904 gepubliceerd, wat tot een schandaal leidde en ontslag van de schrijver als onderwijzer en als redacteur van de kinderpagina van Het Volk. De heftige geloofscrisis waarin hij rond 1915 verzeilde leidde tot de emigratie naar Palestina, waar hij zich aansloot bij de religieuze partij van de zionistische organisatie.

JJdeHaan.jpgVervolgens gaat zij dieper in op zijn activiteiten aldaar. Zijn felle kritiek op het zionisme die hij als correspondent in Jeruzalem schreef in het Algemeen Handelsblad en zijn diplomatieke activiteiten voor de antizionistische orthodoxie in Jeruzalem, verenigd in de internationale Agoedat Israel, en ten slotte de moordaanslag op hem op 30 juni 1924 in Jeruzalem.

 

De omstandigheid

 

Dat de afwikkeling van de nalatenschap van een dergelijk bewogen leven niet van een leien dakje ging, laat zich raden. Haar artikel gaat overigens niet over de literaire nalatenschap, maar over de fysieke zaken: het huisraad, de papieren, de financiën. Op het eerste gezicht lijkt het niet relevant, maar tussen de lijnen door leer je een auteur kennen en de omstandigheid van de moord. ‘Het tuinhuisje in de Mamillastraat (vlak bij de Jaffapoort), waar De Haan sinds december 1920 had gewoond,’ zo schrijft Ludy Giebels, ‘en dat hij huurde van de Arabische familie Aweidah, moest in verband met het politieonderzoek worden verzegeld. In de Palestijnse verhoudingen van die tijd was het nog niet zo eenvoudig uit te maken wie de bevoegdheid daartoe had. Was het –voor de hand liggend – de politie, die toch de daders moest opsporen, of de Nederlandse consul, die de belangenbehartiger van de Nederlandse onderdanen was? In het Palestina van de mandaattijd was nog steeds – een overblijfsel uit de Ottomaanse tijd – in enkele gevallen een bijzondere positie ingeruimd voor buitenlanders. Daarom moest op aandringen van de Nederlandse legatie in Caïro de verzegeling door de lokale autoriteiten al na een paar dagen worden vervangen door het consulaire zegel. Zij gaf tevens opdracht alleen papieren uit de nalatenschap van de overledene aan de politie ter inzage te geven in aanwezigheid van iemand van het consulaat en geen originelen mee te geven. Intussen had de politie wel degelijk enige papieren met aantekeningen meegenomen, maar niet bekend is welke dat waren en of alles is teruggegeven. In het archief van De Haan bevindt zich een cahier met opschrift “Dit schrift met aantekeningen is aangetroffen in den zak van den overledene”. Maar het vervelende is dat dit schrift leeg is: blijkbaar zijn die aantekeningen eruit gescheurd. Een andere bijzonderheid is dat het donkere vlekken vertoont. De drie schoten die een eind maakten aan het leven van De Haan hadden tot groot bloedverlies geleid: volgens getuigen zou de aktetas, waarin logischerwijze het schrift zou hebben gezeten, doorweekt zijn met bloed. Pathologisch onderzoek van de vlekken geven echter geen bloed aan. Dit kleine feit intrigeert, gezien de mysteries rond de moord. Pas in de jaren zestig werd, dankzij een onderzoek van de Israëlische journalist Chaviv Chanaan, officieel erkend dat De Haan het slachtoffer was van een politieke moord, uitgevoerd door een speciaal commando van de Haganah, de zionistische zelfverdedigingsorganisatie uit die tijd.’

grafJJdeHaan.png

Mysteries rond de moord

 

Zeer gedetailleerd gaat Ludy Giebels in op de mysteries rond de moord, zonder echter achter de ware reden te komen, ‘om de eenvoudige reden dat de dader, de 21-jarige Avraham Tehomi, later de Haganah verliet en een der oprichters werd van de joodse terroristische organisatie Irgun. Hij emigreerde uiteindelijk, teleurgesteld in Israël, naar de VS. Het is overigens nog steeds niet bekend hoe ver het politieonderzoek in 1924 kwam. Al snel werd het uitbesteed aan Scotland Yard, maar de resultaten ervan zijn alsnog niet te vinden.’ Noodgedwongen moet zij zich beperken tot de afhandeling van de nalatenschap, zoals huisraad en literaire eigendommen – al dan niet van eigen hand, zijn financiële toestand, en de vriendenkring van de schrijver. Dat doet zij zeer gedetailleerd. De lezer leert de schrijver van nabij kennen. Het belangrijkste aan dergelijke artikels is dat het kan leiden tot nader onderzoek en de oorzaak van de moord ooit achterhaald wordt. Elke precaire zaak vraagt nu eenmaal een werk van jaren en tientallen verslagen.

De grote verdienste van De Parelduiker is dat het deze verslagen in de openbaarheid brengt. Want slechts de openbaarheid, al stapt hij mee in de processie van Echternach, is de weg naar de waarheid.

 

Ter afronding

 

De overige artikels van het tweede nummer van jaargang zestien gaan o.a. over de belangstelling van Jacob Israël de Haan en de kring rond Oscar Wilde, Joseph Roth en de erfenis van Marlene Dietrich, en het publiceert een onbekend interview met Hans Andreus uit 1957 voor een studentenblad, waarschijnlijk het allereerste. Halverwege het nummers staat een tot nog toe onbekende foto van Louis Couperus, waarin hij te zien is als acteur in De Koopman van Venetië. Het begeleidend kort artikel van Caroline de Westenholz leidt tot de fascinerende vraag waarmee haar artikel eindigt: ‘Was Couperus misschien eigenlijk liever acteur geworden? Heeft de druk van zijn familie ertoe geleid dat hij uiteindelijk voor de literatuur gekozen heeft?’

Opmerkelijk is ook de publicatie van een gedicht van de zo goed als onbekende Hollandse socialistische, later communistische dichter Abraham Eliazer van Collem (1858-1933).

 

Jodenbuurt


Dit is de wijk der ventende profeten,

En profetessen wiegend aan de kar,

En bonte kindren-stoet, doorwie’ schrei-star

Aanvalsgeluid wordt passig afgemeten.

Tusschen de woelig van veel roods bekreten

Heftige’ buurt-gang, – Oostersche bazar –

Het riekt er wee – zoet, er tocht stem-gewar

Van oude vrouwtjes leem, in lach versleten; –

Tusschen de kraam-klitten die uitzicht smoren

Op uitgehangen vellen en af-val; –

Tusschen gefluister van wie kijk-verloren

Uitziet naar kooper die nog komen zal,...

Gaan zij bij ochtend-vuur en avond-val

En roepen voort dat zij zijn uitverkoren.

 

De Parelduiker is telkens weer een goudmijn voor wie geen genoegen neemt met wat half onder de grond te vinden is.

Guido LAUWAERT

 

www.lubberhuizen.nlen www.vanhalewyck.be

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 21:06

-49.jpg

(Foto: Geert  Bastianen)

Dangre schrijft lyriek – geen ‘zuivere lyriek’ à la Van Ostaijen maar muzikale lyriek die herinnert aan b.v. Bijbelse poëzie (de psalmen of het Hooglied van Salomo), aan de litanieën van een Dylan Thomas of een Nic Van Bruggen, of aan de zangerige metaforiek van een Hugo Claus. Dangre ziet Claus, aan wie hij een ‘In memoriam’ wijdde onder de titel ‘De laatste zanger’ (2), als een inspiratiebron zowel op het biografische als het literaire vlak.

Voor mij blijft Claus de beste dichter die het Nederlandse taalgebied ooit gekend heeft. Het zangerige, het duistere en tegelijk vitale, het symbolische en het tegendraadse: het zit er allemaal in.” (3)

De klankrijkdom en muzikaliteit van Dangres verzen kunnen slechts bij een innerlijke (of werkelijke) declamatie tot hun volle recht komen. Dangre stelde uitdrukkelijk: “Klankspel, ritme, cadans, kortom de orale dimensie van een gedicht is fundamenteel in mijn gedichten. Een gedicht moet zingen, daar ligt de oorsprong van de poëzie. Maar dat neemt niet weg dat de gedrukte tekst primair blijft” (4).

 

Die muzikaliteit ontstaat door de syntaxis, de alliteraties of assonanties, de subtiele echo’s en klankverschuivingen of de soms erg verrassende enjambementen.

Let b.v. op het gebruik van de /ij/-, /ui/- en /i/-klanken in sargedicht ‘6’ of de alliteraties en binnenrijmen in sargedicht ‘13’ – om maar iets te noemen. Het merkwaardigste is wel dat deze klanksnufjes nagenoeg nergens geforceerd aandoen maar veeleer organisch lijken te groeien uit de lyrische ‘stroom’ van de tekst zelf.

Twee voorbeelden van verrassende enjambementen: “Dan kreun ik tegen jouw koppig licht / en doe jij zwijgend mijn lichaam uit / al zijn zachtste bochten gaan.” Of, in de context van de uitgebluste huwelijkspartners: “Wanneer wij de trap oplopen om middernacht / uit onze kleren te schudden”.

 

De superieure taalbeheersing van deze woordenfluisteraar leidt tot plezierige verbale pareltjes: omkeringen, metaforen, woordspelingen en allusies, betekenisverbanden en andere verwijzingen (historisch-cultureel, b.v. naar de klassieke Oudheid, of intertekstueel, b.v. Dante en Vergilius) waarbij abstract en concreet, synesthesieën of lichamelijkheid en taal probleemloos in elkaar overgaan. Dangre beheerst de kunst om de lezer op een erg subtiele manier op het verkeerde been te zetten, bv. met verdraaiingen van bekende zegswijzen of een onverwachte spelling die een woord doet kantelen in een ander.

 

Krabbel mij recht / en zonder rede” (zonder –n dus), vraagt hij aan Aurora: een orthografische pervertering van de gebruikelijke zegswijze die nogal verregaande implicaties heeft (ratio versus romantiek). Elders stelt hij dat het “meisje” zijn verzen “beliegt, want zij leidt almaar de tuin / van mijn poëzie om”.

In het huwelijk heerst een verstandhouding van “afgezaagde moppen en poten”, en in ‘Gratia plena’ galoppeert de dichter-hengst “richting jou, als een zee richting oud zeer”.

In de context van dat uitgebluste huwelijk lezen we deze lichte verdraaiing van een zegswijze: “op onze oude voeten / van oorlog”. De huwelijkspartners stellen vast: “al tijden dekken wij / elkaar niet meer.”

Gericht tot de muze: “hoe ik de kousenvoeten kus / waarmee je uit mijn verzen loopt”. Elders spreekt Dangre over “verleerde lippen”: wellicht ‘vergeten, niet meer gekend’, maar vooral ook ‘tot leer/leder geworden’, dus onbuigzaam, stroef, gevoelloos.

 

Sommige beelden zijn bekoorlijk: “de aubade / van je heupen” b.v., met alle prikkelende connotaties (literaire én erotische) vandien. En zo zijn er wel meer. Ik wil maar zeggen: een rijke en verrassende lyriek boordevol ironische knipoogjes die speels en organisch uit Dangres pen vloeien. Eén van de aantrekkelijkste aspecten van deze bundel is immers het feit dat deze speelse ironie als tegengewicht fungeert voor de permanent dreigende ernst en hoogdravendheid: “knip mij / in stukken met de gulden snede / tussen je benen”. In de context van de bijen: “elke steek / die ik voor jou liet vallen … tot mijn angel de jouwe is”.

In het semantisch veld ‘zee/water’: “Onvergankelijk ben jij, lieveling, / met je eb en je vloed waarvoor ik / mijn paal boven water zing”.

Denk aan de muze genaamd “Grieks Roodkapje”, dat natuurlijk in het bos de wolf (Apollo-Dangre met de lier) moet ontmoeten maar zegt: “ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend” (een verfrissende omkering van de dreiging).

Ik verwijs in dit verband andermaal naar die “korte broeken vol / muzieknoten” en die “kerfstokken” in de cyclus ‘Vivaldi’, waar vooral ook het enjambement een erg ondeugend effect oplevert.

 

De dichter bekent tegenover Aurora dat zijn lichaam uitpuilt “van haar vingers”, wat onmiddellijk herinnert aan de “roosvingerige dageraad” van Homerus. Een mooie allusie op Homerus ook in sargedicht ‘11’, waar de “heel kleine muze” vergeleken wordt met een “Trojaanse prinses” (mogelijk Cassandra, wier naam trouwens ‘mannenverleidster’ zou kunnen betekenen en die Apollo afwees, met alle gevolgen vandien). De dichter associeert zichzelf (meer dan eens) met deze Apollo (Lykeios), b.v. in: “In mijn wolfsvacht beklim ik haar, / mijn Olympus” (let ook op de dubbelzinnigheid van ‘beklimmen’), maar “zij klapt mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht” – waarbij de wolf andermaal refereert aan Apollo maar de ‘wolfsklem’ meteen ook verwijst naar de vleesetende bloem en dus naar de vagina.

 

Dangre blijkt zijn Vergilius goed te kennen, zoals ten overvloede blijkt uit de ‘Vierde aurora’, die gebaseerd is op het beeld van de muze als honingbij. Bijen werden in de Oudheid geacht inspiratie te verlenen aan het orakel van Delphi, de lippen welsprekend te maken (ze verleenden aan Pindaros de gave van de poëzie) en taal, intelligentie en wijsheid te schenken. In GeorgicaIV, 1, schrijft Vergilius over de honing als “aerii mellis caelestia dona”, wat vertaald werd als: “Het hemelse geschenk van honing, in de vlucht vergaard” (C. Van Zuylichem) of als “De overluchtse gave, de honing die van boven komt” (A. Van Wilderode). Inderdaad: “Suivant une croyance des anciens, le miel venait du ciel, des airs ou des astres, et tombait avec la rosée sur les feuilles, où les abeilles le recueillaient” (5). Die ‘rosée’ verwijst dan weer direct naar Dangres Aurora, b.v. in de eerste strofe van de ‘Vierde Aurora’.

Homeros en Vergilius openen hun onsterfelijke gezangen met de bekende apostrofen van de Muze, terwijl Lucretius zich bij de aanvang van zijn De rerum natura ” (I, 28) tot Venus richt in het volgende vers: “Quo magis aeternum da dictis, diva, leporem”– “Verleen des te meer, Godin, eeuwige bekoorlijkheid aan mijn woorden”. Een verre echo hiervan misschien bij Dangre:

 

O godin, hou nooit op en omvat / mij, rijd en berijd mij, maak mij /

wagenziek van liefde.” (mijn cursiv.)

 

Het is onmogelijk om in kort bestek alle voorbeelden exhaustief op te sommen. Ik wil alleen nog even signaleren dat de ironie beslist ook ontstaat door het klankspel, de echo’s die naar elkaar verwijzen en dan weer onverwachte betekenissen of connotaties kunnen oproepen bij een alerte lezer.

 

*

 

Poëzie (en zeker lyriek) is nagenoeg altijd een vrij weerbarstig en voor de lezer veeleisend literair genre – ook in het geval van ‘poeta doctus én faber’ Dangre, die blijk geeft van wat men in de Renaissance ‘sprezzatura’ noemde: het talent om op een schijnbaar nonchalante, onopvallende wijze zijn virtuositeit te etaleren. Savoureer deze gedichten dus met aandachtige, maar ook geamuseerde, omzichtigheid.

Anderzijds: hoe aantrekkelijk de muze ook mag zijn, af en toe blijkt ze inderdaad ietwat “vermoeiend”. Wilfried Adams zei het al: “Kuisheid is je leren beheersen in je gedichten.” Als Dangre de soms onstelpbare (over-) vloed van zijn metaforiek, zijn onmiskenbare neiging tot een zekere retorische zelfgenoegzaamheid, iets meer binnen de perken houdt, kan hij een groot dichter worden.

Luc PAY

-19.jpgLuc Pay en Y.M. Dangre (Foto: Geert Bastianen)

 

(2) Zie <mededelingen.over-blog.com>, 21 maart 2008.

(3) Interview door Jeroen Dera, <http://meandermagazine.net>, 20 februari 2010

(4) Interview door Paul Demets, De Morgen, 15 september 2010, p. 37.

(5) Annoteringen en vertaling van Georgica IVdoor M. Sommer resp. Aug. Desportes in de reeks ‘Les auteurs latins’, 1853. Volledig te downloaden op <http://gerardgreco.free.fr>.

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 20:50

 

Eind augustus 2010 verscheen Dangres roman Vulkaanvrucht, die heel wat reacties uitlokte zowel in de schrijvende als de sprekende pers.

Nauwelijks vier maanden later verscheen zijn debuutbundel Meisje dat ik nog moet, die – als enige Vlaamse debuut – genomineerd werd voor de C. Buddingh’-prijs.

-28.jpgY.M. Dangre (Foto: Geert Bastianen)


Thematiek


Meisje dat ik nog moet is de dubbelzinnige want elliptische titel van deze dichtbundel, die vijf cyclussen telt en die, zoals je kan verwachten van een debuterende jongeman, de liefde tot centraal thema heeft. Zijn het oden aan zijn grote liefde of elegieën voor één of ander ‘verloren’ meisje, hoe anoniem en verliteratuurd ze ook moge zijn? Zo simpel is het niet, althans niet bij een auteur als Y.M. Dangre.

 

Het “meisje dat [de dichter] nog moet” krijgt diverse namen. In de eerste cyclus‘Aurora pro nobis’ heet ze “Aurora”, in de ‘Sargedichten’ gaat het om een “heel kleine muze” of een “Grieks Roodkapje”, en in het gedicht ‘Gratia plena’ wordt ze aangesproken met “meisje dat ik nog moet”, “dat ik nog wil”, “dat ik niet mag”, “dat ik nog zal” of: “meisje in mijn midden”.

Gratia plena’ is echter wél expliciet opgedragen aan een zekere “Marie”: mogelijk een meisje/vrouw van vlees en bloed, maar gezien de titel – ‘[Wees gegroet, Maria/Marie] Vol van genade’ blijft ook deze opdracht op zijn minst dubbelzinnig.

 

Bij nader toezien gaat het in die drie cycli om een apostrofe en invocatio van de Muze: Aurora bijvoorbeeld, godin van de dageraad die de zon aankondigt. Dangre richt zich biddend tot haar en smeekt haar om haar liefde, haar gunsten, om de honing die uit haar lichaam stroomt – de hemelse dauw die, metaforisch of allegorisch, ook naar de poëzie verwijst.

 

Elke ochtend lik ik de dauw / uit je monden […] en open je wonde / tot je honing breekt en mijn lichaam / reinigt.”

 

In de cyclus ‘De sargedichten’ – de bepaling ‘sar-’ verwijst naar ‘sarren’ of ‘plagen, pesten’ – krijgt de Muze geen naam maar gaat het om een dartel, ondeugend en zelfs gevaarlijk klein meisje dat verstoppertje speelt met de dichter en ongrijpbaar blijft, onvindbaar

 

tussen de woorden / van mijn wagenwijde verbeelding.”

Met als gevolg:

Halsstarrig blijf ik roepen: kom toch / tevoorschijn om mij te openen / als een blik op jou.”

Maar helaas, zo zegt de dichter: “klapt zij mij toe / in de wolfsklem van dit gedicht”.

 

Deze “gekke meid”, die zich de hele tijd “vermomt […] in een vrouw”, blijkt een Grieks Roodkapje dat zegt: “Ik ben jou / moe, want ik ben zo vermoeiend.” En dan verdwijnt ze weer, deze erotisch-poëtische fee(ks), precies in de verzen die de dichter neerschreef: zij maakt zijn werk mogelijk en tegelijk onmogelijk, zij is erin aanwezig én afwezig.

 

Gratia plena’ is een lang litanie-achtig gedicht waarin Dangre opnieuw de aandacht, de aanwezigheid van de muze afsmeekt en oproept: “Luister je al, meisje dat ik nog zal” Of: “Voel mij bidden, meisje in mijn midden, / meisje smeulend in de vrieskou / van mijn zingende handen.” Maar ook zij blijft ongrijpbaar, en bij het afscheid in het slotgedicht klinkt het zo:

 

Gegroet, meisje dat ik nog moet, / meisje ooit en nooit meer hier, / veel te hijgend verwoord, paars / en ijselijk word jij weer het december / van mijn verbeelding […]”

Of: “Verdraag toch mijn zenuwtrekkend geloof / en vergeef en vraag en vul, val, wees vol / van mijn genade.”

 

Schrijven blijkt een wanhopig herhaalde beweging naar een centrum dat zich altijd aan de periferie bevindt, dat zich even toont in de schriftuur en dan weer onherroepelijk verdwijnt – net zoals de liefde zelf een eindeloze queeste is naar de ander die je uiteindelijk telkens weer ontglipt. Bed en gebed liggen erg dicht bij elkaar. Mocht er al enige anekdotisch-biografische aanleiding voor deze liefdesverzen hebben bestaan, dan verdampt ze in en door de poëticale implicaties tot een synthese met universele allures. “Te veel jonge debutanten staren zich blind op zichzelf”, gispte Dangre (1): een klip die hij zelf inderdaad in deze verzen omzeilde.

 

Opmerkelijk ten slotte lijkt me het feit dat de muze vaak gezien wordt als een kind. Zij heet “vrouw van diepten” of “godin”, inderdaad, maar ook: “Roodkapje”, “meisje”, “heel kleine muze”, “gekke meid” met “meisjesogen” die zich “vermomt in een vrouw” of “heerst met zachte kinderhand”. De ambiguïteit blijft echter, ook expliciet binnen één gedicht, gehandhaafd: “die vrouw / verstopt in een geverfde kinderhuid, / dat meisje vermomd in een voltooide bruid.” Herinnert dit niet aan de roman Vulkaanvruchtwaar het ‘verlies van de jeugd’, het ‘verval’ door de voortschrijdende ouderdom, zo prominent aanwezig is?

Ook het motief van de ‘femme fatale’ duikt hier even op: “mijn stem zal vallen / voor de kattin en de puntige vrouw / en het ‘ik zie je doodgraag’ / van haar laatste klauw” (vgl. met de “harpij” elders in de bundel).

 

Naast deze drie cycli, zowel speelse als ernstige smeekbeden aan het muzenmeisje, bevat de bundel nog twee cycli die enigszins apart staan en die de langste, breedvoerigste gedichten bevatten van de hele bundel.

 

De cyclus ‘Vivaldi’, een uitbundige lofzang aan de liefde en het leven, is opgebouwd rond de vier seizoenen van de componist. Hier geen lyrisch ‘ik’ meer tegenover een ‘jij’ maar de ruimere collectiviteit van het ‘wij’. De dichter ‘beschrijft’ hoe ‘wij’, naargelang van het seizoen, de liefde beleven en ervaren; maar tegelijk vormen deze vier seizoenen allegorieën voor de grote fasen in elk mensenleven. Bijvoorbeeld, als het zomer is:

 

In dit zomerse lied zingen wij van zon / en zaad de liefde leeg, dansen wij vrouwen / en mannen met onze korte broeken vol / muzieknoten en strekken onze kerfstokken / tot eer”.

 

Met deze vijf verzen moge voldoende aangeduid zijn hoe heerlijk dubbelzinnig Dangre zijnlyrische strijkstok hanteert. Ondanks de onafwendbare vergankelijkheid klinken deze seizoengedichten nog optimistisch, want zelfs in de winter gaat het als volgt:

 

[wij] weten al lang niets meer / dan dat wij nog snakken naar elkaars / snaren, naar het tikken, strijken, / blazen en zuigen op elkaars zonnewijzers, / want zelfs nu, ondergesneeuwd in ouderdom, / zijn wij van water en van muziek en van elkaar / de schunnigste partituren.”

Heel anders is de tonaliteit in de cyclus ‘Onze woonst, waarin Dangre de verloren vitaliteit, de uitzichtloosheid, de uitgedoofde liefde binnen het huwelijk lyrisch omcirkelt. Deze genadeloos treffende maar opnieuw erg (en misschien overdadig) beeldrijke gedichten, eveneens in de wij-vorm geschreven, getuigen van een pijnlijke gevoeligheid van een 22-jarige voor de huwelijksproblematiek en tillen zijn poëzie ook in dit opzicht hoog uit boven de al te ik-betrokken probleempjes van de doorsnee adolescentenpoëzie-op-vrijersvoeten.

 

Een voorbeeld: het echtpaar weet van het echtelijke bed dat zij

 

er toch zullen instappen op onze oude voeten / van oorlog en schimmelende wellust.”

 

Datzelfde bed wordt omschreven als

 

een slagveld van lijfgeur en paringsdans, / van vroeggestorven warmtes” waar de “trouwe nacht als een loopgraaf onder de lakens” ligt.

 

De grote boeman blijkt de tijd te zijn, de voortschrijdende ouderdom, de aftakeling, het verlies van de jeugd – een fundamenteel thema, blijkbaar, bij Dangre.

 

Wij worden oud en kinderlijk en denken / dat het went, dit stilzitten in elkaars mond, / met versleten tongen en zere knieën / wachten tot één van ons eindelijk begint te lekken en de woorden sijpelen / op het tapijt, op de verleerde lippen / die de ander niet meer wil oprapen. / Nooit meer.”

 

Structuur

 

De bundel bevat drie hoofdafdelingen, waarvan je de titels als één zin kunt lezen: “Meisje (1), wij bidden u (2): gratia plena (3)” – zin die dus als ruggengraat van de hele bundel fungeert.

Vermits afdelingen 1 en 2 elk twee cycli tellen, bestaat de bundel uit 5 cyclussen in het totaal. (Zou het al te vermetel zijn om in dat aantal ‘5’ ook de structuur van een Griekse tragedie te zien?)

De tweede afdeling vormt de kern en bestaat precies uit die twee cycli (‘Vivaldi’ en ‘Onze woonst’) die opvallen tegenover de andere drie (door het veralgemenende ‘wij’ en de ruimere, algemeen-menselijke thematiek van leven en huwelijk).

 

Maar er zijn nog andere opvallende structurele ingrepen.

De cyclus ‘Aurora pro nobis’ bevat 9 gedichten, net zoveel als er muzen zijn; de gemiddelde lengte van de gedichten bedraagt 18 verzen, waarvan slechts één ernstige afwijking te constateren valt.

De sargedichten’ bestaan eveneens uit een oneven aantal gedichten (13) met een gemiddelde lengte van 11 verzen. De cyclus ‘Vivaldi’ telt dan weer 4 gedichten met respectievelijk 21, 19, 19 en 21 verzen – wat, (on-)bewust (?), een mooi spiegelbeeld oplevert.

Gratia plena’ ten slotte bestaat uit 14 gedichten van elk 7 verzen (14 x 7), maar op elke bladzijde staan twee gedichten afgedrukt, zijnde 14 verzen. Gevolg: 14 gedichten in de cyclus én 14 verzen per bladzijde. Maar ook: 7 bladzijden met telkens 14 verzen (7 x 14, andermaal een spiegelbeeld).

De openingsgedichten (I en II) van deze cyclus beginnen elk met “Gegroet, meisje dat ik nog moet”, wat dan (gedeeltelijk) herhaald wordt in de slotgedichten XIII en XIV: “Gegroet, meisje dat ik nog moet” tegenover “Voor de laatste maal vaarwel en gegroet” (omarming door herhaling en variatie). De overige gedichtenparen van de cyclus, verdeeld over vijf bladzijden, beginnen telkens met dezelfde versregel.

 

Ook de afzonderlijke gedichten vertonen een strakke opbouw rond variërende of letterlijk herhaalde woorden of zinspatronen, ofwel rond één centraal motief of betekenisveld. In de ‘Eerste Aurora’ b.v. opent elke strofe met de naam van de godin (strofen 1 en 2 vormen elk een lange aanspreking in de vorm van een syntactische ellips, de derde is gebaseerd op een imperatief). De ‘Tweede aurora’ is opgebouwd rond het semantische veld ‘autorit’, de vierde rond het motief van de bij en haar honing. Vergelijk: sargedicht ‘2’ wentelt rond het motief van de vogel, sargedicht ‘3’ rond een tuinlabyrint, sargedicht ‘7’ rond Dante, en ga zo maar door.

 

Nog afgezien van het feit dat de getallen 5, 7, 9 en 13 symbolisch geladen zijn, versterken de herhalingen en echoënde variaties door hun retorisch en bezwerend karakter de sacrale tonaliteit van het geheel, om nog te zwijgen van de uitgesproken vormwil die uit de afzonderlijke gedichten, bepaalde cycli én de opbouw van de hele bundel spreekt.

Luc PAY

(wordt vervolgd)


(1) Interview door Ilse Dewever, Gazet van Antwerpen, 29-30 januari 2011, p. 92.

Partager cet article
Repost0
15 juin 2011 3 15 /06 /juin /2011 05:36

 

Als journalisten en schrijvers, taalgebruikers par excellence, zich niet langer de moeite getroosten correct te schrijven, hoe zou men het dan van de modale taalgebruiker kunnen verwachten? Ondertussen is er een generatie taalanalfabeten les beginnen te geven. Ze zijn gepokt en gemazeld in het schrille toontje van permanente zelfemancipatie, maar tijdens die amechtige zelfontplooiing is men even de taal vergeten. Het is de MMN-  en MTV-generatie. Zij hebben van roepen, dialect, reclametaal, leuk en gemeenzaam taalgebruik hun handelsmerk gemaakt. Hoe noemde gij trouwens? Van die dingen, ja, zouden Koot en Bie gezegd hebben. Maar zelfs taalmaniak Elsschot, geïnspireerd door het ‘Hollands’, schreef toentertijd ‘hoe de vork aan de steel zit’, en dat staat opgetekend in een geredigeerde versie van 1995. Bart Brinckman moet dus niet ongerust zijn.

Ik heb in dit essay een aantal namen genoemd van taalboosdoeners. Ze zijn exemplarisch maar even zo goed willekeurig. Wie radio of televisie aanzet, wie kranten en tijdschriften leest, wie Vlaamse auteurs of acteurs bezig hoort, kan het bij ieder van deze cultuurmensen vaststellen.  De beklijvende vraag luidt dan ook: zullen de Vlamen, een term ooit gemunt door Jeroen Brouwers, het dan nooit leren? Want de slotsom van dit alles is, dat welke Vlaming ook, geschoold of ongeschoold, doorgestudeerd of niet, academicus of journalist, een soort eigengemaakt en eigengereid Vlaams blijft praten, ook al verkeert hij in de waan keurig Nederlands te spreken. Ze zullen het dus nooit leren, vrees ik. Elke cultuurmens heeft de bedoeling ‘van’ iets te doen in plaats van ‘om iets te doen’ en Paul Goossens blijft emmeren over een ‘resolutie stemmen’. Het is er met een scherp mes ingeslepen, het gaat er nooit meer uit en zelf zullen ze het als tevreden lieden nooit merken.  Hun slijpsteen van de geest is een bot, niet ambachtelijk gemaakt mes. Het excuus dat onze elite ooit naar Amsterdam toog om daar de Gouden Eeuw mee gestalte te geven en het dus hier in Vlaanderen een plattelandsboeltje bleef, het eeuwige mekkeren over de voortdurende overheersing door andere mogendheden die ons de kans ontnam een eigen taal deftig te formeren, die drogredeneringen zijn ondertussen erg lachwekkend en een gotspe. Men kan niet blijven ‘kapitaliseren’ op zijn ongeluk. Als voorts de aimabelste onder de aimabelen, Guy van Hengel, samen met Eric van Rompuy, eigenlijk een wandelend gallicisme is, als Sarah Vankersschaever in De Standaard het blijft hebben over ‘aan 100 km/uur in de bochten’, als Bart Brinckman ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ door elkaar husselt en daardoor het tegenovergestelde zegt van wat hij eigenlijk bedoelt, als Geert Joris, de patron van boek.be het in een Franse bui  over ‘de hoge kost’ heeft, als de altijd olijke semi-macho Tom Heremans ‘doorheen’ als voorzetsel gebruikt, als Mark Platel dezelfde taalfout maakt en het onbekommerd over ‘frontpaginanieuws’ heeft, en als de Cerberussen van Radio 1, het olijke duo Peeters en Pichal, unverfroren spreken van ‘zijn eigen’, van ‘lavabo’ en ‘sacochen’, dan, tsja, dan wat? Maakt niet uit: als we het maar verstaan, dan kunnen we het ook begrijpen.

De Vlaming is taalkundig gesproken een raar wezen: hij blijft ervan uitgaan dat taal in de eerste plaats spelling is, terwijl dit onderdeel eigenlijk het minst met echte taalkunde te maken heeft; daarom ook scoort hij/zij zo goed bij taalspelletjes waarin spelling de hoofdmoot vormt en denkt de Nederlander dat de Vlaming daardoor zijn leuke taal zo goed beheerst. Zijn fixatie op dt-fouten is aandoenlijk. Niet dat dit deel van de spelling niet belangrijk zou zijn, maar haast elke geschoolde Vlaming gaat er impliciet vanuit dat wie zonder dt-fouten kan schrijven, zijn taal kent, quod non, want ondertussen worden de afgrijselijkste taalmisbaksels onbekommerd neergepend. Ik heb het bedrijfsleiders vaak horen zeggen: wéér een sollicitatiebrief vol dt-fouten ontvangen. Toen ik die epistels onder ogen kreeg, stelde ik altijd weer vast dat men andere, veel ergere ‘enormiteiten’ niet eens had opgemerkt! Een ander merkwaardig gegeven is de gedrevenheid waarmee de modale taalzuiverende mens Vlaamse woorden of archaïsmen uit de taal wil bannen. Ik heb het dan niet over woorden als het reeds bovengenoemde ‘sacoche’: die worden uit een dom soort luiheid geboren. Ik heb het dan eerder over woorden als ‘begeestering’ (een oud germanisme), ‘euveldaad’, ‘koninginnenhapje’ (typisch Vlaams), ‘goesting’, ‘als de wiedeweerga’ of  ‘houtekster’ (gewestelijk woord voor ‘Vlaamse gaai’). Met die woorden is niets mis: ze wikkelen de taal in de aura van het oude of het typische. Een ander heikel punt zijn Engelse of Franse woorden die in het Nederlands worden opgenomen. De Vlaming vindt nu eenmaal dat zulke woorden al te vaak uit snobisme ontstaan, om te epateren, of om te tonen dat men geen intellectueel van de koude grond is. Het is het typische minderwaardigheidsgevoel dat hier spreekt en dat zijn absolute tegenhanger vindt in Nederland waar allerlei exotische leenwoorden door de radical chic van de Grachtengordel  met veel aisance, con gusto en met sprezzatura in de mond genomen worden. In die zin is de woordenschat van de Nederlander automatisch rijker dan die van de timide Vlaming die al bloost als hij een moeilijk woord boven tafel brengt (en dus niet onder de pet houdt…). Ook al is de Nederlander (de Hollander) vaak een psittacist, zijn taal is die van een calvinist, van een ouderling uit de romans van Jan Siebelink. Heel wat uitdrukkingen, gezegden en archaïsmen uit de bijbel zijn immers het Hollands binnengeslopen en worden zowel door rekkelijken als preciezen zonder air d’importance gebruikt. Katholieken kennen hun bijbel niet, helaas, en dat heeft zijn uitwerking op de taal niet gemist. In die zin alleen al zijn Nederlanders en Vlamingen niet ‘cor unum et anima una’ en zal er nog veel water in de zee moeten vloeien, willen de twee talen één worden; niet één via een koude uniformiteit, maar één in de betekenis van ‘eenheid in verscheidenheid’. Maar die mag dan weer niet uit oblomovisme ontstaan, uit gemakzucht, maar uit een verstandige ‘weldoordachtheid’. De Vlaming moet creatiever met zijn taal om durven te springen. Wat de Nederlander allicht aan taalarrogantie te veel heeft, heeft de Vlaam helaas te weinig. Wie een doorsnee Nederlander of Vlaming op radio of televisie hoort spreken, zal weten wat ik bedoel. De Vlaming stapelt taalfout na taalfout op, stottert, is onverstaanbaar,  maakt geen enkele zin af, is een clichémannetje van haver tot gort, beëindigt elke half-afgemaakte zin met ‘en zo’, ‘allez’ of de dooddoener par excellence ‘meer moet dat niet zijn’, terwijl de Nederlander zijn volzinnen met radde tong produceert (ook de Gooise vrouwen met hun Gooise ‘r’) en die hier en daar lardeert met een bon mot of een andere taaltrouvaille. Wie de gasten bij Pauw en Witteman ‘beluistert’, hoort zelden taalfouten en merkt mooie en vaak kekke woorden en uitdrukkingen op die nooit in het hoofd van de Vlaming zouden opkomen. Die vindt dan ook dat ze daar bij die twee snelle jongens te vlug en vaak raar spreken, en met dat laatste bedoelen ze dan dat ze niet begrijpen wat ‘ten detrimente van’ betekent. Neen, het wordt nooit wat met die Taalunie.  

Nogmaals en uitentreuren: ik heb er begrip voor dat sommigen menen dat de bovengenoemde taalfouten onbelangrijk zijn en dat het schoolmeesterachtig is ze telkens weer op te merken, ook al zijn het de 19de- en 20ste-eeuwse schoolmeesters geweest die onze taal mooi geboetseerd hebben en aan de basis liggen van het voortbestaan van het Nederlands in Vlaanderen. Maar laten we dat vooral gaan vertellen aan de leerkrachten Nederlands, dan hoeven die zich niet meer uit te sloven om bijvoorbeeld het gebruik van ‘moest’ aan te leren / af te leren. Het blijft een merkwaardig gegeven dat mensen het materiaal waarmee ze ambachtelijk werken, niet beheersen. De Vlaming is een mens van à peu près, als het er maar wat op lijkt: daarin, zegt men, ligt zijn charme. Het is dezelfde charme die ingezet wordt door belgicisten om op een bijna triomfalistische manier het surrealisme van de Belgische levenswijze en politiek te duiden, alsof dat een pre zou zijn! Een zwaktebod, als je het mij vraagt, een geval van zelfingenomen narcisme. Laten we dat niet op onze taal overdragen.

Soms beweert iemand als Ludo Permentier in een misplaatste bui weleens dat de laatste decennia  een Belgisch-Nederlandse standaardtaal gegroeid is die haar plaats inneemt onder en tussen andere ‘subtalen’. De algemene democratisering van de maatschappij zou daartoe geleid hebben. In die visie passen we onze taal aan de situatie aan, een fenomeen dat in de socio-linguïstiek heftig bestudeerd wordt. Was het maar waar! Was het maar waar dat de Vlaming volautomatisch zou kunnen overschakelen van taalregister naar taalregister. Ik vrees echter dat de zaak anders in elkaar steekt: de Vlaming spreekt ofwel dialect ofwel een zelfgebrouwen tussentaal omdat hij de standaardtaal niet beheerst. Als zelfs in een krant als De Standaard, de krant van de goede Vlaam, zoveel taalfouten staan…. Als zelfs op de VRT zoveel ‘taalkrakkemigheden’ opgelepeld worden…. Als zelfs de teksten van de meeste Vlaamse schrijvers  doorspekt zijn met taalslordigheden… Tja, dan kan ik toch niet anders dan vaststellen dat er dan misschien wel beter geschreven wordt maar wel met oneindig veel taalfouten. In Nederland hoort men dat graag, percipieert men het als mooie folklore. Stellig als de Hollanders zijn, maken ze er onmiddellijk een pluspunt van en  spreken ze over dat mooie Vlaamse taalgebruik. Het is nog straffer: vaak nemen de Nederlanders de taalfouten over van de doorgestudeerde Vlaming. Ze merken het niet eens meer! Een nieuwe paradox, een nieuw surrealisme, zeker een nieuw geluid, maar zeker geen nieuwe lente.

Wim VAN ROOY


Partager cet article
Repost0
14 juin 2011 2 14 /06 /juin /2011 05:33

 

In de postmoderniteit degradeert alles, things fall apart, the centre cannot hold:  eerst moest  het waarheidsbegrip eraan geloven, later degradeerde zowat alles wat los en vast hing. Justitie werkt niet, de stiptheid van de treinen is een hel voor de forens, de wegen liggen er als in een failed state belabberd bij, het multiculturele onderwijs, dat vertrekt vanuit een nieuwe en gevaarlijke staatsideologie, is failliet maar de minister weet het nog niet, de migratiepolitiek leidt alleen maar tot miserie voor alle betrokken partijen, de criminaliteit wordt driester, de social engineering van de maatschappij leidt tot een nieuwe vorm van gelijkheidstirannie en de zorgsector kreunt onder de wachtlijsten. Het zou dus verwondering wekken mocht de taal er niet ook onder lijden. Niet alleen is ze Orwelliaans geworden en politiek correct, vol van maatschappelijke waanzin, gemunt door wat men in het Duits zo mooi ‘Tugendwächter’ noemt. Flaubert wist het al: met de toenemende eis tot democratisering wordt ook de idiotie gedemocratiseerd, en aristocraat Alexis de Tocqueville had in de negentiende eeuw al een voorgevoel van wat, gaande de democratische weg, ‘Gesinnungstyrannei’ zou kunnen worden, en dit met behulp van taalmanipulatie.  De idee achter de taalpolitieke correctheid bestaat in de veronderstelling dat een taal die veranderd en gemanipuleerd wordt ten voordele van minderheden ook de status van die groepen zal veranderen. Dat gaat ver: de neger in Mark Twain’s Huckleberry Finn wordt in een nieuwe vertaling / hertaling slaaf genoemd. De negers werden eerst gemuteerd tot ‘colored people’, dan werden ze terug black people genoemd, dan weer Afro-Americans. Zo heeft de dwaze politieke correctheid een griezelige lingua franca geschapen, net zoals dat gebeurde onder het Derde Rijk met de LTI, de Lingua Tertii Imperii, uitmuntend en exhaustief beschreven door de Duitse romanist Victor Klemperer.  Samen met de verslonzing van de taal, met op de achtergrond het anything goes en het eclecticisme van het postmodernisme, is de taalpolitieke correctheid een omineus teken van een tijd in verval, waarin ‘mere anarchy is loosed upon the world, en waarin ‘the best lack all conviction, while the worst are full of passionate intensity’, zoals Wiliam Butler Yeats het profetisch uitdrukte. Of is het niet significatief dat Agatha Christie’s Tien kleine negertjes in sommige vertalingen zo niet meer mogen heten? Met de titel ‘En dan bleef er geen meer over’ werd m.i. het summum aan ijverige dolheid en hallucinant surrealisme bereikt. Dit in wezen malicieuze denken van de Gutmensch zet de toon: vanuit de taal tracht men de maatschappij te veranderen en op die perverse manier wordt een dakloze  ‘residentieel flexibel’. De hele perversiteit doet soms eerder aan Anthony Burgess’ roman 1985 denken dan aan Orwell, een strakke aanklacht tegen elke staatsideologie en tegen de maatschappelijke anarchie en weerloosheid die een ver-psychologiseerde samenleving opwekt. Een eeuw van psychologie heeft het Westen in het nauw gedreven, zo schreef Cioran. Daaraan heeft de taal een grote steen bijgedragen door niet meer durven te benoemen wat benoemd moest worden. En zo kwam taal vanaf de jaren zeventig terecht in een geparfumeerde wolk van feministische, daarna van multiculturalistische verdwazing. Eco schreef erover in zijn Guerre calde e populismo mediatico uit 2006. Taal werd modieus gedeconstrueerd tot ze in het Procrustesbed van een lichtzinnige postmoderniteit paste. De moderniteit zelf werd, zoals de Poolse socioloog Zygmunt Bauman het beschreef, vloeiend, ongrijpbaar, visceus zou Sartre hebben gezegd. Samen met het gebrek aan kennis van het Nederlands en de groeiende nonchalance ten opzichte van de eigen taal, levert het een nivellerend taaltje op dat om de haverklap en om zijn leeghoofdigheid te maskeren  ‘ik bedoel’, ‘en zo’, ‘hoe noemt dat’, ‘allez’ en ‘leuk’ uitbraakt. Er is het opgepimpte taaltje van de Marcel van Tilts van deze wereld die het uitschreeuwen van de opgepompte pret, dat alles doorschoten met  dialecttaal die ouwejongenskrentenbrood moet suggereren, of Koen Crucke die heel familiair tot ons spreekt: ‘Ge kent den blik’.  Als het maar leuk is!           

Degenen die zouden menen dat boven genoemde taalperipetieën iets taalfrikkerigs hebben, moet ik resoluut tegenspreken. Waarom immers zou men niet trachten zo correct mogelijk te spreken en te schrijven? Waarom zou een schrijnwerker (de oude timmerman, Joris Notes versie ervan in de roman Tilllwerk) niet proberen zo’n stevig en mooi mogelijk meubel te maken, een artefact waarop hij trots kan zijn? Misschien heeft het postmodernisme de geesten zo geïnfecteerd met het anything goes dat het à peu près al goed genoeg is. In de tijd van het modernisme en de daarbij horende volksverheffingsgedachte ging men ervan uit dat aandacht en nauwgezetheid van belang waren; misschien sprak men toen archaïscherwijs wel van een ‘edel goed’ of van ambacht. In het Duits betekent ‘die Andacht’ het gebed, een houding die aandacht en ‘attentio’ vergt. Daar moeten we nu helaas een beetje om lachen, maar de schoolmeesters uit die tijd wilden ook in de taal een soort fatsoen en craftsmanship hooghouden, net zoals ze daarmee, zoals de arts and crafts-beweging,  de hele samenleving wilden doordringen. Maar fatsoen is een verouderd begrip geworden in een anomische wereld, zowel in de echte als in de taalwereld. Fatsoen is een deugd, een soort oude aristotelische houding die vandaag op menig obstakel botst. En de leerkracht Nederlands of de journalist is allang geen ambachtsman meer. De leraar is een coach, zoals men dat nu noemt – alsof de school een bedrijf is, en de journalist holt amechtig achter de feiten aan, zijn taak is ingebed in infotainment en commercialisering, en zijn historisch bewustzijn spoort met het onachtzaam hanteren van de taal, zijn eerste werktuig. In een interessant werk spreekt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett over de craftsman. Hij ziet zijn werk als ‘an enduring, basic human impulse, the desire to do a job well for its own sake’. Originaliteit en ‘zijn eigen ding doen’ hebben de hang naar perfectie vervangen in een maatschappij die ook taalkundig ‘deskilled’ is. Dat resoneert ook in het impliciete motto ‘ieder zijn eigen taal’, als wat ik zeg (stotter, stamel, uitroep) maar verstaan en begrepen wordt. De kakofonie die daaruit voortspruit, weerspiegelt de domme luidruchtigheid van de postmoderne tijd met zijn bagger aan ignorante opinietjes.  Ambacht is sociaal kapitaal, maar zo ziet de postmoderne taalgebruiker het niet. Hij kakelt erop los, zijn enige kapitaal berust op het pecuniaire en vertaalt zich in een vermoeiende hyperkinetiek.

Wim VAN ROOY

(wordt vervolgd)

 

Partager cet article
Repost0
13 juin 2011 1 13 /06 /juin /2011 05:29

 

Ook in literaire en semi-literaire bladen vindt men hetzelfde on-Nederlands: de voorbeelden zijn legio. Het onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt meer en meer ‘die’ als betrekkelijk voornaamwoord (het huis die, het contract die): men kan het elke dag op radio en televisie horen. Zo heeft Inge Vrancken het in het VRT-journaal over Duitsland die…  De verwarring tussen ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ (in DS door Luckas Vander Taelen, maar zowat elke journalist treedt dat onderscheid met voeten) is hallucinant, elk probleem ‘stelt zich’ en het verschil tussen ‘te danken aan’ en ‘te wijten’ aan, kent blijkbaar niemand meer. Er wordt ook nogal wat met de voeten getreden en voor velen is het vaste prik te spreken van iets dat ‘had geweest’. Het ligt in de mond van elke Vlaming bestorven. In de reclamewereld blijft ‘aan een aantrekkelijke prijs’ een evergreen en het meervoud van zo’n blijft, zoals gezegd, raar genoeg zo’n i.p.v. zulke: ‘zo’n’ fouten, jongens toch! Men kan uit dit soort slordigheden makkelijk afleiden dat de desbetreffende schrijvers, journalisten e.t.q. meestal dialect praten. Twijfel er niet aan: bij de dokter doen ze zeker hun best. Ze spreken dan een veredeld dialect, een soort doktersnederlands.  Enfin, het lijkt er soms op of al die taalwerkers nooit Nederlands geleerd hebben of  - hoe dan ook  - geen moeite doen om het fatsoenlijk te hanteren, uit onkunde of slordigheid, of een mix van beide.  Allebei zijn ze even erg, niet alleen omdat taal de prima materia is van die scribifaxen, maar misschien nog meer omdat men zo gestreden heeft voor dat Nederlands en het nu zo molesteert. Als leerkracht Nederlands zou ik er nu al mijn conclusie uit trekken: het maakt allemaal niet uit.  In Antwerpen passen ze dat adagium al toe want daar afficheert men op grote borden dat ’t Scheld van elke Antwerpenaar is’, en over het taalgebruik van de modale Antwerpse politicus zwijg ik zedig.

Een ander, merkwaardig facet van het actuele taalgebruik, is het aanwenden van superlatieven, leuke kreetjes en - als het ware - gezongen taal.  Het superlativisme uit zich bijvoorbeeld in het jolig toespreken van de kijker. Die wordt nu ‘heel welkom’ geheten, of hem wordt een ‘héél goede morgen’ gewenst, geen gewone goede morgen, maar een speciaal voor hem gebrouwen ‘héél goede morgen’.  De vriendelijke toeschietelijkheid wordt dermate in de verf gezet dat ze uiteindelijk niets meer inhoudt. Het postmoderne taalgebruik creëert nu eenmaal zijn eigen entertainment-maniërismen. De leuke kreetjes komen uit zo verschillende monden als die van Martine Tanghe en Kurt van Eeghem, twee toffe peren die er alles aan zouden doen het de kijker of luisteraar zo fijn naar zijn zin te maken, zodanig dat hij / zij, langzaam onderuitgezakt in zijn/haar fauteuil of bankstel, zelfs het treurigste nieuws als een fait divers verwelkomt.  De nieuwe song lines, niet die van de Australische aboriginals maar het bijna gezongen Nederlands, vernemen we van Lisbeth Imbo: die neemt nagenoeg elke dag ’s morgens afscheid van weerman De Boosere op een manier die op een zekere montere verliefdheid wijst.  

Ook de uitspraak is soms een kleine taalramp. Het is niet erg dat men lichtjes hoort uit welke streek iemand afkomstig is. Iedereen mag het algemeen Nederlands op zijn manier effleureren. Maar sommigen bakken het wel heel bruin. Lisbeth Imbo spreekt van ‘parlemantairen’, op zijn Frans dus; Kurt van Eeghem, de man met de geaffecteerde uitspraak en de vele taalfouten,  spreekt met een rare emfase, hij roept en tiert, legt rare klemtonen, is daarbij soms licht hysterisch en heeft het in een bui van jovialiteit over ‘nen aap’ en ‘ne zotten aap’; Martine Tanghe doet het weer anders: zij spreekt van ‘foor fanafond in Flaanderen, maar een paar woorden later is het vette vis, met vette ‘v’. Minister-president Peeters, maar ook Johan Vande Lanotte, betracht een mooie uitspraak, lichtjes nijgend naar het Hollands, maar ze maken ondertussen de ‘meest Vlaamse’ (de ‘Vlaamste’) taalfouten. Renaat Landuyt, naast Herman de Croo superkampioen in carnavalesk taalgebruik, spreekt soms ongegeneerd Brugs (met makanders). De baas (bazin) van het Vlaamse onderwijs, Mieke van Hecke, spreekt dan weer een vreemd soort Nederlands, doorspekt met alle denkbare taalfouten, en dat is toch merkwaardig als men bedenkt dat elke dag brave leerkrachten zo aandoenlijk hun best doen om fatsoenlijk Nederlands aan te leren. Maar klopt dit laatste nog wel? Mijn 30-jarige ervaring in het onderwijs heeft me geleerd dat zelfs vele leerkrachten Nederlands een raar amalgaamtaaltje spreken. Hoe kan het ook anders? Een tycoon (sit venia verbo) als Tony Mary zegt ergens in een interview dat we vandaag keurig Nederlands spreken, maakt ondertussen taalfout na taalfout en beweert en passant ‘een Vlaams sprekende Brusselaar te zijn’.  Vlaams? Of Nederlands misschien? Net kreeg ik een scriptie, ingediend bij de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, onder ogen: alleen al in de titel prijkte een domme taalfout. Ook onder professoren merkte men dat dus niet op. Mijn collega-docenten in de Lerarenopleiding spraken een veredeld soort Antwerps en realiseerden zich nooit dat ze geen Nederlands kenden. Ze waren dan ook hevig verontwaardigd toen ik hun dat vertelde en hun een lijst meegaf met veelvoorkomende taalfouten die ze elke dag weer maakten. Ze konden het niet geloven, zo’n lange lijst!, en stotterden beteuterd dat ze dan wel nooit Nederlands hadden gesproken, q.e.d. Als deze Vlaamse voormannen, deze circulaire elite van Vlaamse koppen, bestaande uit journalisten, bobo’s allerhande, cultuurfreaks, politici, hoogleraren en communicatieboys het al niet kunnen, wie dan wel? Ik vraag het opnieuw: is dat erg?  Sub specie aeternitatis natuurlijk niet, maar in het licht van de inspanningen die vele leerkrachten zich ondanks alles elke dag getroosten om toch op zijn minst wat fatsoenlijk Nederlands te praten (ook al slagen ze daar steeds minder en minder in: één op de zes leerlingen blijkt wat de eindtermen betreft de eisen inzake Nederlands niet te halen) en zeker in het licht van het postmoderne relativisme, is een en ander zeer noodlottig. Waarom immers zou men in de school nog aan kennisoverdracht moeten doen en regeltjes, grammatica en spelling van het Nederlands  aanleren, als het er later toch allemaal niet toe doet? Als zelfs docenten, de nieuwe managerial class in onderwijs, professoren, journalisten and the like het Nederlands schandelijk mishandelen, wat zou het er dan verder toe doen! Als die taalmensen ons willen doen geloven dat het toch niet zo erg is dat men de eigen taal niet kent, als ze niet eens weten dat men ze radbraakt, hoe zou men dan willen dat men er trots op zou zijn, dat men ze foutloos kan spreken! Er zijn bij ons nauwelijks voorbeelden die dienst kunnen doen als model. Bij de eerste spontaneïteit gaat het al fout – niet als men zijn dialect mag spreken, maar als men verondersteld wordt Nederlands te praten. De moedertaal van de modale taalmens is dan ook nog steeds zijn dialect, uitzonderingen niet te na gesproken: Johan de Boose of Johan van Cauwenberghe, of Frans Boenders bijvoorbeeld, de vroegere woordproducer van Radio 3, een zender van de BRT (nog geen VRT!) die nog vrij was van het kinderlijke, postmoderne gebazel en geneuzel van de Bart Stoutens van vandaag en die daarbij ook nog ‘formatvrij’ was -  want ook vandaag moet op Klara alles leuk en fijn zijn, opgeleukt en opgepimpt met wat adolescentengegiechel en kekke prijsvraagjes.  

Wim VAN ROOY 

(wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche