Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
9 août 2011 2 09 /08 /août /2011 22:30

 

Inframundo.jpg

Donderdag 11 augustus treedt de onvermoeibare woordenkaper PHH (°1960) op als gastdichter bij de Muzeval. In zijn jongste publicatie, De reis naar Inframundo (Amsterdam, Prometheus, 2011), bundelde hij een eigen keuze uit zijn poëzie. Hij beschouwt zijn werk als een “eerste exploratie”. Die “ontsnappingspoging” (1990-2008) omvat de triptiek Dwangbuis van Houdini (1998, Vlaamse Debuutprijs 1999), Strombolicchio. Uit de smidse van Vulcanus (1999, Dirk Martensprijs 2001) en de vossensprong Santander. Ontboezemingen in het vossenvel (2001). Na de ‘anti-roman’ De vliegende monnik (2004) rondde een tweeluik de reis af: Spinalonga (2005, driejaarlijkse Cultuurprijs Vlaamse Gemeenschap 2008) gevolgd door ‘wrakhoutgedichten’: Navagio (2008, Paul Snoek Poëzieprijs 2010).

Geert Buelens, alert als steeds, heeft al tien jaar geleden het belang van PHH's poëzie onderkend. In zijn onovertroffen Van Ostaijen tot heden (2001) vraagt hij dan ook nadrukkelijk aandacht voor PPH (pp. 1109-1113). Ziehier een kort citaat:

En ergens, halverwege dat overvolle jaar 1996, kwam in de postbus van het literaire tijdschrift Yang een pak gedichten, ingepakt in met naaktfoto's beplakt zilverpapier en van zonderlinge commentaren voorzien. Peter Holvoet-Hanssen: niet de zoveelste zondagsschrijver die uit eigen navel kwam voorlezen, maar iemand met een volstrekt oorspronkelijk universum en een eigen missie kwam zich hier aanmelden. Waaruit die missie bestond was vooralsnog niet echt duidelijk. Het betrof hier voorzeker een speelse, maar alles behalve vrijblijvende debutant. Alles wat hij in zijn spel betrok, zette hij ook op het spel: drie millennia beschaving, de literaire traditie, een hele eeuw popcultuur en een sterk gecultiveerde privémythologie waarin al dan niet astrologische dieren, obscurantistische wetenschappers, tovenaars, zeerovers, sprookjes- én circusfiguren de dienst uitmaken. En zo bekeken is zijn missie wél duidelijk: hij wil zélf, als dichter, een circusfiguur zijn. Hij wil de poëzie opnieuw uitvinden voor de ogen van een verbaasd publiek. In navolging van de dichters-goochelaars Van Ostaijen en Burssens wil ook hij de wereld tonen als “splinternieuwe munt” zodat de toeschouwer verbaasd uitroept “hei je van je leven!”. Hij wil de densiteit en onbestemdheid van de postmoderne poëzie bewaren, maar hij wil tegelijk ook entertainen.

[…]

Met de komst van Holvoet-Hanssen lijkt de poëzie zichzelf weer eens opnieuw uitgevonden te hebben. Ook aan het einde van de twintigste eeuw leeft de geest van Van Ostaijen.

Met het verstrijken der jaren heeft het doorzicht van Buelens niets aan actualiteit ingeboet, integendeel.De Nederlandse poëzie wordt door PHH met verbluffende vanzelfsprekendheid en trefzekerheid bevrijd van de klassieke of neo-klassieke, post- en neo-postmoderne dwangbuizen.

Weg met de levensliederen en de ik-gedichten, leve het ik van het verdichte gedicht. Om het met Van Ostaijen te zeggen: “Weg met de costers en met de andere dominee’s. Weg met de verbetering van de mensheid, maar leve de verbetering van het koerspaardenras! Want: lang leve Pegasus, onder de naam van Fox-trott II.”

Henri-Floris JESPERS

 

Zie mijn blog van 15 april 2008: Gruwez over Holvoet-Hanssen: H. Drievuldigheid vs. Kasper in de Onderwereld:

http://mededelingen.over-blog.com/article-18759078.html

 

Info PHH:

 

www.kapersnest.be

Stadsgedichten:

www.antwerpenboekenstad.be

 

De reis naar Inframundo, donderdag 11 augustus, literair-artistiek café Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24, 2000 Antwerpen. Deuren: 19u30, aanvang 20 uur. Gratis toegang. Organisatie: Pipelines vzw in samenwerking met Masereelfonds Antwerpen en met de steun van Antwerpen Boekenstad.


Partager cet article
Repost0
7 août 2011 7 07 /08 /août /2011 02:41

 

mont-ventoux.jpg

Ook wie de Mont Ventoux (1912 meter) voor de 51ste maal beklimt, loopt het voor vertrek (le départ!) dun door de broek, langs welke kant men hem ook aanvalt: langs Bédouin/Bedouin, of langs Malaucène. Bedouin zonder accent is Provençaals Frans, of wat ik Mistrals en Occitaaans Frans wil noemen, en Bédouin mét accent imperialistisch Frans Frans, so to speak. Maar bij de moeizame beklimming van de Mons Ventosus sta je daar niet zo bij stil, ook al denderen de mooie verzen van Mirèio of van Lou tresor du Félibrige dan misschien wel door je half-bewusteloze brein, althans: van de grijze cellen van de meer intellectueel ingevoerde coureur, genre Jan Kal, Peter Winnen of Tim Krabbé. Ik laat de kant langs Sault buiten beschouwing want dat is de ‘beklimming’ voor jeanettencoureurs met een ‘triple’, ik bedoel: zo’n mannetje (en vandaag meer en meer vrouwtjes met hun sexy outfit) dat met een 32X28 amechtig naar boven sleft. De Ventoux: geen berg zo mythisch, zo winderig, zo vol van het Sublieme. Waarschijnlijk daarom alleen al beklom Petrarca hem, al was dat dan per pedes apostolorum of sul cavallo di San Francesco.

Al weken van tevoren wordt je lichaam gegeseld door een strak aangespannen touw waarvan de rafelranden je krokodillenbrein maar ook je hypothalamus prikken en teisteren. Elk zenuweinde staat scherp en soms lijkt het erop alsof al je zenuwen bloot liggen. Kortom: de Ventoux laat je op gespannen voet staan met heel je omgeving. Die begrijpt niet wat er met je Sitz im Leben en je aangeboren joculatorschap aan het gebeuren is. Mystici als Meister Eckhart, Juan de la Cruz en Theresa van Avila zouden het begrepen hebben omdat ze wisten dat alleen hard (klimmers)labeur en tellurisch gewroet je tot grote hoogten en tot je ‘innerlijke burcht’ voert – letterlijk en figuurlijk. Ook het lichamelijke aspect zou deze zoekers naar de definitieve unio mystica hebben toegelachen, het diepe verlangen het dagelijkse te overstijgen, het extatische visioen een goddelijk coureur te zijn. Van perigeum naar apogeum: tijdens dit proces, dat op de top van de Ventoux zijn toppunt bereikt, vloeien visioen van de verbeelding en visioen van het verstand (Francisco de Osuna) organisch samen. De connoisseur par excellence, Herman Chevrolet (nomen et omen!), schreef het al herhaaldelijk: renners zijn, in tegenstelling tot de barbiepoppen en modemannekes die voetballers zijn, geen normale mensen, maar dat zijn mystici ook niet. Likte Theresa - om dichter bij god te komen - niet de slijmen, de rochels en de fluimen op van haar zieke medezusters? En doet de coureur dat ook niet als hij in het zog van de betere klimmer of de forçat de la route diens snot op een of andere manier verduwt? En zei een van de broers Pélissier, steengoede coureurs, niet dat er een dag zou komen dat de organisatoren van de Tour van de France lood in het maillot van de coureur zouden steken omdat ze vinden dat God de mens te licht heeft geschapen? Met meer lood dichter bij God. Zowel de mystica als de coureur: beiden hebben ze een brandend hart.

Je bereidt je voor, voor de elfendertigste keer, om de vreesaanjagende berg te overwinnen, maar het blijft kankeren en ‘reuren’: de Ventoux oefent als baldadige kwant zijn schrikbewind con gusto uit. Le Ventoux, c’est le mal, vrij naar Proudhon. Je eet nog wat evenwichtiger, niet te veel, maar ook niet te weinig, iets tussen de vele taartjes van Roger de Vlaeminck en de lichte havervlokjes van Rasmussen in. Je traint veel maar ook weer niet te veel, een evenwichtsoefening die nooit lukt. En dan, na maanden en weken, breekt de dag ervoor aan, een dag vol lijfelijke winderigheid, onzekerheid (ja, ook na 50 maal), onaanspreekbaarheid, kinnesinne wegens de formidabele tijden die vrienden hebben neergezet, humeurigheid, angst voor de weergoden (je bent immers geen homo anemoskepès!) en de zoveelste lectuur van het magistrale, maar ook verlammende boek ‘De renner’ van Tim Krabbé. Die ultieme voorbereidingsdag echter wil men vlug vergeten want er gebeurt tegelijk niets en vanalles, de mystiek is ver weg, het is eerder de mythe van Sisyphus die heerst en de hyperkinesie van de verdoolde. De dag van de beklimming begint al tijdens de nacht: gewoel, freudiaanse dromen van lekke bidons, afgebroken guidons, versleten trapassen, vette vliegen die naar je zweetdruppels verlangen en continue bandbreuken. Je staat op en je lichaam lijkt wel een oud karkas, krachteloos, eetlustloos. Je sleept je voort want de voorbereidingen zijn dan wel achter de rug, maar het failliet zit in het kleinste detail. Zal ik dat plastic flesje krachtvoeding ook nog meezeulen? Bouwde ik genoeg eiwitten, mineralen en aminozuren op? Welk isotoon drankje neem ik mee? Zet ik 7,5 of 8 kg spanning in de bandjes, zet ik om me te beschermen tegen de loden hitte een petje onder de helm, doe ik armstukken aan, neem ik een regenjasje mee tegen de kou op de top van deze killer en voor de helse afdaling, neem ik twee grote of twee kleine drinkbusjes mee? Freek de Jonge zei het ooit: allemaal vragen, weg ermee! Dat vormt dan ook de basisattitude voor de beklimming: je bent de incarnatie van een oxymoron geworden, van oblomovistische spanning. Je rijdt om half zeven (ja, ’s morgens) vanaf de uitvalsbasis, het naturistenkamp Bélezy, traag en met een kleine versnelling (42X18) een vijftigtal kilometertjes. Je kippevelt nog tijdens dat opwarmertje want het is nog fris, de zenuwen maken je maag tot een wazig bassin maar de stilte van de natuur geef je een opkikker van jewelste en brengt je in de pre-mystieke mood. Dan begeef je je, indachtig de snelste tijd die ooit naar de top van de Mont Ventoux gehaald werd, naar het vertrekpunt in Bedouin, een kleine witte streep waarachter al honderdduizenden voor jou gestaan hebben, ieder met een idee-fixe en met slappe spieren (nieuwsoortig zeugma!). De Ventoux temmen is het hoogst bereikbare in het leven dat we lijden. Wie van mystiek heeft gehoord (weinig coureurs, helaas), lijdt dubbel. Hij weet dat hij op zijn moeder zal roepen, een bepaalde kadans zal hem in een vreemdsoortig ritme brengen, hij zal zich afvragen welke zin dit allemaal heeft, maar zoals Camus zal hij zijn roeping vinden in het zinvol maken van het absoluut zinledige. De renner is dan ook filosoof geworden, een aanwinst voor de zieltogende postmoderne mensheid.

De eerste kilometers lopen soepel en verschaffen je de illusie dat het allemaal nog wel meevalt. Even voorbij het exquise restaurant Le Mas des Vignes (geen bankcontact, geen cheques, cash betalen) realiseer je je dat je liever van het mooie uitzicht zou genieten vanop het terras van die genereuze eettent, maar het is te laat: je bent na een scherpe bocht Dantes limbo of voorgeborchte binnengedraaid, nu moet je alle hoop laten varen, niet meer omkijken (Euridike!) en gewoon op automatische piloot voortsjezen. Na wat heftig klimwerk kom je in Dantes obscure woud, de hel van de Ventoux, het klauterwerk in het bos, een diabolische plaats waar ik Laurent Jalabert met glazige ogen op de racefiets tien kilometer per uur zag wandelen. Ik rij daar met dezelfde snelheid, maar ik heb geen tweehonderd kilometer achter de rug zoals de bolletjestrui in 2001 en 2002. Ik ben heel even beschaamd dat ik mij met Laurent durf te vergelijken maar een wijle later ben ik wel weer trots: een oude knar van 63 die tegen dezelfde snelheid rijdt als een doorgewinterd klimmer…. Die gedachte maakt echter vlug plaats voor een bepaalde ritmiek die de gedachten mantra-iseert. Steeds hetzelfde wijsje komt in je op en al vlug begrijp je dat het die wat diffuse mantra is die je op de been houdt, want eigenlijk is dit waanzin, ook al rijdt dokter Toon Claes van Sparta de Ventoux vijfmaal in één dag: u leest het goed. Toen ik dertig was, zowat nel mezzo del cammin van mijn eigen vita, deed ik het tweemaal in één dag (voor de liefhebbers: 1.24 min en 1.26 min.), maar vandaag bij het niet meer lengen van mijn dagen, ben ik met één beklimming best tevree.

Het gezwoeg in de hel, op de flanken van wat een paar kilometer verderop de kale berg wordt, duurt zowat een uur, de danteske incontinentia, de onbeheersbaarheid der driften, wordt als vanzelf stilgelegd want je energie is nu alleen bezig met overleven. De kilometerpaaltjes tikken langzaam weg: nooit hebben cijfers zoveel betekenis gehad, en dan is in the state of mind waarin je bent gesukkeld een zekere kabbalistische mystiek nooit ver weg, al beklimmen Joden de Mont Ventoux niet, althans: niet bij mijn weten. Dan, aan Chalet Reynard (à votre disposition en toutes saisons), op een hoogte van 1440 meter, doemt de louteringsberg op, de kale winderige vlakte die ons van alle zonden verlost en waar het memoriaal van de door en door gedopeerde Tom Simpson staat. Als in een ceremonieel gebaar gooi ik een mueslireep op de vele parafernalia die er respectvol neergekeild werden door wielertoeristen die zich net als ik realiseren dat je de Tour de France niet op spek en eieren rijdt en dat heel het gedoe rond doping neerkomt op exorcisme van de koude grond en op een postmoderne inquisitie, want over de toenemende commercialisering bijvoorbeeld hoor je nooit een wielerbobo. Passons – dat is hier wel het woord. Nog wat gemier tegen een strot wind die op deze Louteringsberg altijd waait en die zich soms tot een kleine of grote mistral metamorfoseert. Het lijkt er tijdens de laatste 6 kilometer op alsof je de top van de Ventoux met zijn majestueuze weerstation met de hand kunt betasten: dat loutert inderdaad, maar naarmate de kilometers vorderen groeit ook de frustratie want precies het laatste stuk doet vermoeden dat je nooit het apogeum, de top van dit monster zult bereiken. Je kilometertellertje geeft zestien km/uur aan. Je denkt aan de tijd dat je hier meer dan 20km/uur haalde, maar je weet: “Mijn leven is als fietsen op de Ventoux met tegenwind” (vrij naar Kees Kraakman). Zodra je echter het laatste erg steile stukje voor de finish opdraait, daalt de mystiek in je neer en weet je: dit is het paradijs, niets is ermee te vergelijken. Het is natuur- en materialistische mystiek in één die van het iele wezen dat je in wezen bent, dat pascaliaanse rietstengeltje, een sterke unerschütterliche Nietzscheaanse mens maakt, een uitgebalanceerd en ataraktisch wezen vol equanimitas, niet klein te krijgen door de postmoderne depressiemaatschappij. Aan al die creaturen die hologig, gedeprimeerd, endorfinevrij en cocaïnevol rondlopen, zuchtend, kliemend en klagend onder de terreur van de markt van welzijn en geluk, zou je willen zeggen: beklim de dionysische reus die deze berg is, stijg op naar zijn ijle hoogten, hervind het leven, maar vergeet niet zoals Hans Castorp in Thomas Manns filosofische roman ‘De Toverberg’ terug te keren naar de aarde, naar een hervonden evenwicht.

Ik bespaar u de afdaling: het is altijd een uitermate apocalyptische rit, een gevaar sui generis, even zwaar als de beklimming was, met haarspeldbochten en auto’s die je niet voorbij kunnen rijden omdat je zelf met tachtig kilometer per uur door iets klieft wat onbenoembaar is. Het sjezen en rauzen brengen je in een andere dimensie waarbij het begrip ‘gevaar’ een nieuwe betekenis krijgt. Beneden in het dorp wacht de verlossing. Je drinkt er een echte Franse espresso en je kijkt met verwondering terug op het onbenoembare. De krampachtigheid waarmee bij een lange afdaling iedereen op de racefiets zit, vloeit uit je lijf, en je weet: domme, racefietsloze vakanties laat ik aan schlemielen, intellectuelen, mentaal ziekelijken en postmoderne politiek correcten over. Die leven immers ook in de wolken, die van hun ivoren toren, de locus van de ignorans, waar de libido sciendi zich beperkt tot wat ze al weten. Daar rotzooien ze maar wat an, weliswaar door god en van geen mens gestoord (vrij naar wijlen Albert Westerlinck), maar altijd ontevreden, pissig, feitenresistent en gefrustreerd omdat alle karavanen aan hen voorbijtrekken. Ik wil ze zeggen: koop een racekarretje, sjees en raus de Ventoux op en voel je vrij.

Wim VAN ROOY

Partager cet article
Repost0
6 août 2011 6 06 /08 /août /2011 14:30

 

And then I pressed the shell

Close to my ear

And listened well,

And straightway like a bell

Came low and clear

The slow sad murmur of distant seas,

Whipped by an ice breeze

Upon a shore

Wind-swept and desolate.

uit The Shell van James Stephens.

 

En plots werd deze schelp voor mij een metafoor voor de spiegelende geest, die wil aanraken maar nooit zal strelen. Een beeld voor het maken van een God, het zwarte gat in het menselijke denken waaruit geen licht ontsnapt. Alleen het geruis, ‘the slow sad murmur’ van de reflectie blijft over. Ik las dit gedicht in de roman ’Grace notes’ van Bernard Mac Laverty, die Annmarie Sauer me te lezen gaf na een avondlijk gesprek met Lucienne Stassaert, Jean Demey en Fred Schywek.

 

Poëzie, is er iets mooier?

 

Op 17 september is het te Antwerpen in de Permekebibliotheek verzamelengeblazenvoor de tweede editie van het Europese Dichtkunstfestival.

 

DSCF3315_filtered.jpg

 

Annmarie Sauer, Roger Nupie, Bart Stouten, Lucienne Stassaert, Catherina Boer, Peter Holvoet-Hanssen, Job Degenaar, Frank De Vos, Annie Reniers, Tim Ceustermans-Deschepper, Didi De Paris, Marleen De Crée en Paul Gellings zijn de dichters uit ons taalgebied.

Uit Frankrijk, meer bepaald Bretagne komt Olivier Cousin over. Duitsland wordt vertegenwoordigd door Fred Schywek en Wilfried Bienek. Speciaal voor deze editie komt Devorah Major, de voormalige stadsdichteres van San Francisco ( The Poet Laureate).

Devorah Major wordt begeleid door Patricia Van Nunen. Patricia zingt eveneens een gedicht van de overleden Amerikaanse dichteres Susan Birkeland.

 

Jean Demey uit België en Frank Niehusmann uit Duitsland, zijn de muzikanten/ componisten die de muziek verzorgen.

 

Van bij het eerste opzet was het festival meertalig en de organisatoren streven naar creatieve manieren om die meertaligheid aan te reiken. De vertaling van de gedichten die tijdens het festival worden gebracht, verschijnen op grote projectieschermen of worden simultaan in een van de vier festivaltalen gebracht. Men kan ze eveneens in de twee- of drietalige uitgaven van World Internet Books lezen (1). Het is een titanenwerk dat de twee dichters, Annemarie en Fred, eveneens gezegende vertalers en de onvermoeibare gangmakers van dit festival, op zich nemen. Bij dezen mijn grenzeloze respect.

 

HAVENKLANKEN’, een thema van 2010, mondt tijdens het eerste deel uit in’ HAVENS VAN HET WESTEN’. Het tweede deel omarmt zoals vorige jaar, een performance voor vrede, tegen alle oorlogsleed. Het kreeg de titel ‘MOORSOLDATEN’ mee, naar het lied dat in de zomer van 1933 door de politieke gevangenen in Börgermoor, het eerste Naziconcentratiekamp, werd geschreven. Het ’ aRtivisme’ is deze avond dus sterk aanwezig (2).

moorsoldaten.jpg

 

Het is goed om te vertoeven bij Annmarie Sauer en Fred Schywek. Hun salon noemen ze 12b. Het gezelschap dat hier verzamelt, warmt mijn hart. Dit ontmoeten verruimt mijn blik. Het behaaglijke ervan kan je vergelijken met de rust en de verwondering die uitgaat van het kijken naar uitdijende, concentrische cirkels op rimpelloos water.


In dit spectrum van het literaire wereldje klinkt geen kibbelend gehakketak.

In tegenstelling tot de spectaculaire poëziepodia, waar velen veelal van staan te likkebaarden, en waardoor ergernis en frustratie met melige tranen tiert, gebeurt alles hier in een respectvolle luwte. Zo krijgt niemand het advies om van de Gentse Boekentoren te springen.

 

Het Europese Dichtkunstfestival is gratis en er zijn slechts honderd plaatsen in het auditorium van de Permekebibliotheek. Iedereen is van harte welgekomen. Snel contact nemen is de boodschap (3).

Frank DE VOS

(1) www.world-internet-books.com

(2) http://www.frankdevos.be/bekijk.asp?type=v&id=318&reeks=27

(3) Contact :Annmarie Sauer: 03/825 3664, 0475/530784 - email: 4th-plum@skynet.be

Partager cet article
Repost0
4 août 2011 4 04 /08 /août /2011 16:07

 

cdr-tekening.jpg

Inhoud

Necrologisch

Jan F. Hendrickx

Eric Stappaerts

Column

Frank DE VOS: Clio heeft gezongen...

Bert BEVERS: Hippisch anachronisme

Caleidoscopisch

Guido LAUWAERT: Toren van Jean-Marie Bytebier

Guido LAUWAERT: Het derde oog

Kritisch

Luc PAY: Y.M. Dangre: Een meisje genaamd ‘muze’, de Muze genaamd ‘meisje’

Door de leesbril bekeken

Zuurvrij; Weirdo's en Heibel; Hubert Dethier en Leopold Flam in Knack;

onopgemerkte moorden in België; Facebook scant je hersenen; Wallonië bij Frankrijk?:

Jan Hendrickx over een Vlaams buitenlands beleid.

 

Algemeen secretariaat: Karin Lebacq

mededelingen@lebacq.com

Illustraties: Jan Scheirs

Partager cet article
Repost0
31 juillet 2011 7 31 /07 /juillet /2011 16:39

In de boeiende reeks 'Vlaamse filosofen over hun denken' staat deze week in Knack (27 juli) een interview te lezen met Hubert Dethier, waarin hij openhartig en sereen spreekt over zijn religieus atheïsme, zijn lidmaatschap van de loge, de leer van de dubbele waarheid en de actualiteit van het marxisme – en over zijn bijzondere relatie met zijn zwaar mentaal gehandicapte zoon die centraal in zijn leven staat:

Ik kan met hem niet praten, zoals ik met u praat. Maar wij kijken bijvoorbeeld graag samen naar de koersen naar avonturenfilms. En dan leg ik hem alles uit wat er gebeurt, op zijn niveau. Hij kan zijn gedachten moeilijk onder woorden brengen, maar toch kunnen wij samen over de meest onwaarschijnlijke dingen redeneren. Dat is vandaag mijn grote geluk.

Dethier-1x.jpgHubert Dethier (°1933) doceerde aan de Vrije Universiteit Brussel en aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gedreven door een onstilbare intellectuele nieuwsgierigheid en zijn onderzoeksactiviteiten bestrijken dan ook een verbluffend aantal vakgebieden: van de wijsbegeerte, via de kunsttheorie tot de semiotiek. In 1997 kreeg hij de tweejaarlijkse prijs van het Vrijzinnig Humanisme, een onderscheiding die hij o.m. deelt met Leo Apostel (1995), Hubert Lampo (2001), Jaap Kruithof (2007) en Etienne Vermeersch (2011).

Flam.jpgProf. dr. Leopold Flam

Tussen 1994 en 2002 verschenen de eerste vier delen van de cyclus De beet van de adder (VUBpress). Vorig jaar verscheen dan het vijfde en laatste deel van Dethiers filosofisch levenswerk: Op de gelukzalige eilanden: Leopold Flam en de utopie.

In het interview van Joël De Ceulaer komt Leopold Flam (1912-1995) prominent aan bod. Dethier brengt een lucide hulde aan de man bij wie hij doctoreerde

Hij was mijn grote leermeester. Hij heeft mij onder zijn hoede genomen en ik mag wel zeggen dat ik van hem hield. Al is het uiteindelijk tot een breuk tussen ons gekomen. Flam was een bijzonder moeilijke man. […] Hij is twee keer opgepakt. Eén keer werd hij als Jood naar de Dossinkazerne in Mechelen gevoerd. Door de tussenkomst van koningin Elisabeth kon hij ontkomen. Een tweede keer werd hij opgepakt als verzetsman en naar Buchenwald gevoerd. Gelukkig hebben de Duitsers nooit de link gelegd met die eerste arrestatie, want hadden ze de tweede keer geweten dat hij Jood was, dan was hij naar een vernietigingskamp gestuurd. In Buchenwald kon hij nog overleven. Hij heeft die vernederende ervaring nooit kunnen verwerken. Als verzetsman werd hij gefolterd, maar toch heeft hij niemand van zijn vrienden verraden. Later leed hij wel aan een omsingelingscomplex, iedereen was voor hem een potentiële verrader. Hij zag overal complotten, ondanks de vriendschap die je met hem kon hebben. Maar hij kon lesgeven als geen ander, Flam, dat was echt het zware geschut. Hij deed ons de filosofische wereld ontdekken. In de meeste cursussen wordende filosofen gepresenteerd als een soort wassen beelden bij Madame Tussauds. Bij Flam kwamen ze tot leven.

In Flams gespletenheid – 'een demonische werkijver de ene dag,een volkomen verlies van zelfvertrouwen de andere dag' – erkent Dethier zichzelf:

Ik heb dat ook. Momenten van groot enthousiasme en momenten dat de nachtelijke gedachten mij overmannen. […] Ik heb natuurlijk nooit zo hard afgezien als Flam, maar soms, als ik het moeilijk heb, denk ik aan hem.

*

Een oppervlakkig atheïsme, 'dat vind ik vaak ook maar geleuter, hoor', aldus Dethier die in de voetsporen van Flam in 1995 De geschiedenis van het atheïsme(Hadewych) publiceerde.

Welja, er is een vorm van atheïsme die de grote vragen gewoon ontkent of omzeilt. Een vorm van atheïsme die gewoon stelt dat God een soort Sinterklaas is en dat geloof in feite iets voor kinderen is, dat religie hoort bij de kinderjaren van de mensheid. Dat is het atheïsme van Richard Dawkins. En dat vind ik geen waardevolle analyse. Er zit in religieuze teksten vaak zo veel on,zocht, zo veel leed – ik heb daar altijd veel belangstelling voor gehad. Het is ook niet eenvoudig om een radicaal vrije geest te zijn. Een vrije geest lijkt in feite een beetje op kapitein Haddock in Kuifje: die boorde ook voortdurend gaatjes in zijn eigen boot. Dat doet een atheïst soms eigenlijk ook: zijn eigen boot saboteren.

*

Een reeks als 'Vlaamse filosofen over hun denken' is zowat een witte raaf in de Vlaamse media. Kopen dus, Knack, meteen.

HFJ

KnackDethier.jpg

Partager cet article
Repost0
20 juillet 2011 3 20 /07 /juillet /2011 23:13

 

Zuurvrij20.jpg

Iedere keer als er een nieuwe aflevering van Zuurvrij in de brievenbus ligt, wrijf ik me in de handen. Het blad heeft altijd boeiende artikelen, en steevast een aanlokkelijke opmaak. Het is naar mijn smaak reeds geruime tijd een van de meest interessante literaire tijdschriften. Zuurvrij - Berichten uit het Letterenhuis bestaat ondertussen reeds een decennium. Onlangs verscheen de jongste aflevering, nummer 20.

Ook deze keer heeft de redactie weer fascinerend materiaal uit de collecties te voorschijn weten te toveren. Zo belicht Manu van der Aa Paul-Gustave Gust van Hecke (1887-1967). Dat was een veelzijdig man, die acteur, eigenaar van een modehuis, journalist, theaterdirecteur en uitgever was. Van Aa focust op Van Heckes talenten als binnenhuisarchitect, wat ook dat was hij, en dan met name op het werk dat hij verrichtte voor Gabriël Opdebeecks huis in Borgerhout. 'Voor zover bekend, had Van Hecke geen opleiding in het vak genoten,' noteert Van Aa terloops. Alsof zulks relevant is. Zijn er onder beeldend kunstenaars, cineasten, musici en schrijvers ook niet veel autodidacten? Het gaat er om wat iemand kán, niet om wat iemand gestudeerd heeft. Neem Victor Horta en Henry Van de Velde: die genoten evenmin 'een opleiding in het vak'. Van Aa viste talrijke brieven van Van Hecke uit het archief, waarin hij geestdriftig beschrijft wat hij als interieurontwerper allemaal aan het creëren was voor zijn opdrachtgever. Het stuk is voorbeeldig verlucht met brieven en foto's.

 

Hetzelfde geldt de bijdrage van Christel A.R. van Damme, die de briefwisseling tussen de Antwerpse stadshistoricus Floris Prims (1882-1954), de man die onder meer de geschiedenis van de Antwerpse Sint-Joriskerk boekstaafde, en Jozef Muls (1882-1963) belicht. Prims en Muls, die conservator was van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, zaten samen in de redactie van het maandschrift voor Vlaamsche Letterkunde Vlaamsche Arbeid. De brieven werpen een heldere blik op de Vlaamsgezindheid van het tweetal.

 

Bert van Raemdonck brengt een stuk over de correspondentie betreffende het blad Van nu en straks, die voortaan online te lezen is. De jagers in de sneeuw is de bijdrage van gastschrijver Peter Holvoet-Hanssen, en Gabering the bocchuses de studie die Jan Robert uitvoerde naar de briefwisseling tussen Gust Gils (1924-2002) en de Pools-Engelse auteur, cineast en uitgever Stefan Themerson (1910-1988), van wie Gils (samen met Freddy De Vree) boeken vertaalde. Het Letterenhuis verwierf onlangs een aanzienlijk deel van het archief van het tijdschrift Yang, dat hier door Jan Stuyck wordt toegelicht. Lies Galle zet de schijnwerper dan weer op Willem Putman (1900-1954), die na de Tweede Wereldoorlog - omdat hij wegens 'culturele collaboratie' uit zijn burgerrechten was ontzet - onder de schuilnaam Jean du Parc populaire en dikwijls herdrukte romans als Christine Lafontaine (1947) en Marilou (1949) schreef. Hubert Lampo sloot niet uit dat Putman ooit een meesterwerk zou schrijven, maar daarvan is het nooit gekomen. Ook dit artikel is rijkelijk geïllustreerd met handschriften, boekomslagen en foto's (waaronder een heel coole van Putman op de Zeedijk in Knokke).

Willem-Putman.jpg

Willem Putman

Willem Migom duikelde de oudste gedichten Geert Pijnenburg (1896-1980) op. Die schreef hij vanaf zijn 17de in een aandoenlijk krullerig handschrift in een cahier met het opschrift Mijn eerste gedigten - Antwerpen den 16-11-1914. Mooie foto's van en uit het schrift. Dat Pijnenburg als dichter ontwaakte in volle oorlogstijd blijkt wel uit het jeugdwerk Weg Met Den Duitsch, dat gezongen moest worden 'op de wijze van de Brabançonne'....Uit de omvangrijke collectie affiches van het Letterenhuis haalde Robert Lucas het werk van grafisch vormgever Rob Buytaert, die onlangs 75 jaar werd. Er is voorts een bijdrage van de arabische auteur Baban, die vorig jaar en begin 2011 enige tijd woonde en werkte in de PEN-Schrijversflat in Antwerpen. Zuurvrij 20 besluit met een overzicht van recente aanwinsten, en met Bovendien. Dat is een soort literair nieuwsoverzicht, dat onder meer aandacht besteed aan Mijn stad, het gedicht van de ondertussen 88-jarige Adriaan De Roover dat onlangs op Linkeroever op de zijkant van een flatgebouw aan de Gloriantlaan werd aangebracht.

Adriaan-De-Roover--foto-Bert-Bevers-.jpg

Adriaan De Roover (foto: Bert Bevers)

Zuurvrij is een prachtig medium, dat de verzamelingen van het Letterenhuis telkenmale op een aantrekkelijke manier weet te ontsluiten. Ik weet het: de gustibus non est disputandum, maar het enige element in Zuurvrij waar ik me ieder nummer aan erger zijn die stupide stripjes van Cordelia. Ik begrijp ab-so-luut niet wat mensen daarin zien. Slecht getekend, en bovenal: nimmer grappig. Wellicht komt de redactie ook eens tot dat inzicht. Dat zou het tijdschrift vervolmaken!

Bert BEVERS

Zuurvrij - Berichten uit het Letterenhuis, 10de jaargang, nummer 20, Antwerpen, D/2011/0306/221

 

Partager cet article
Repost0
18 juillet 2011 1 18 /07 /juillet /2011 23:49

 

De postbode zorgde weer eens voor een (lichte) verstoring van mijn werkprogramma. In mijn bus vandaag, de jongste aflevering van Weirdo's, “anti-postmodernistisch-literair-(k)wartaalschrift”, en van Heibel, “het blad zonder blad (voor de mond”.

Ik ben een literair omnivoor en lees graag tijdschriften die nooit onder het voetlicht komen te staan.

Weirdo-sJuli11.jpg

Weirdo's is nu aan zijn 24ste jaargang toe. Je moet echt gebeten zijn om al die jaren een tijdschrift te redigeren dat vandaag verschijnt in een oplage van 160 exemplaren. Ik las alvast meteen het opstel van Guy van Hoof over Lode Zielens (een man naar mijn hart) en 'Uitverkoop', een rake column van medestichter Hubert Van Eygen.

*

Na een bewogen geschiedenis herrees Heibel  enkele jaren geleden uit zijn as. De redactie wordt vinniger dan ooit waargenomen door de historische stichters, Frans Depeuter en Robin Hannelore, die zich nog altijd wat graag als zoniet scherprechters dan toch als studentikoze zedenmeesters profileren.

In de vorige aflevering verscheen 'Het dossier Walter van den Broeck', een meer dan 40 pagina's tellende essay van Frans Depeuter. Op de cover prijkte een prent van huiscartoonist Manten: Walter van den Broeck als heilige, met de socialistische roos in de rechter- en Karl Marx' Das Kapital  in de linkerhand.

HeibelJuli11.jpgNu worden we getrakteerd op het tweede deel van dit collage-dossier, zowat 50 A-4 pagina's op twee kolommen. Ook Hendrik Carette en Chrétien Breukers krijgen er duchtig van langs.

*

Alleszins meer over beide tijdschriften in een volgende blog en, uiteraard, in de PDF- of papieren editie voor de abonnees op de CDR-Mededelingen.

*

Heibel profileert zich zowat als een literaire dubbelganger van 'rioolkrantje' 't Pallieterke, het weekblad 'voor mensen met een goed hart en een slecht karakter' dat als leuze voert: 'Wat niet vrolijk gezegd kan worden is de waarheid niet'.

Tsja, vrolijk gezegd... Het humoristische Pallieterke  van Bruno de Winter is thans verworden tot een blad dat verkrampt probeert een dodelijke ernst te verpakken in een pseudo-humoristische of satirische vorm.

Humor en satire zijn nu ook net niét de sterkste kanten van Heibel. Het stellige geloof in het eigen Grote Gelijk staat immers in de weg.

Henri-Floris JESPERS

Weirdo's, jg. 24, nr. 2, juni-juli 2011, 39 p., ill. Los nummer, 3,80 €. Abonnement: 13 €. Adres: Hubert Van Eygen, Weertersteenweg 265, B 3640 Kinrooi.

Heibel, nr. 17 van de nieuwe reeks, juni 2011, 122 p., ill. Los nummer: 10 €. Abonnement: 25 €. Adres: Frans Depeuter, De Heikens 29, B 2250 Olen.

Partager cet article
Repost0
11 juillet 2011 1 11 /07 /juillet /2011 20:46

 

Paul-Rigolle-en-Frank-Pollet.JPG

Paul Rigolle en Frank Pollet

"En, is het een beetje te doen met die mannen, Sylvie?" "Neen!" is het resolute antwoord. "We zijn veel te oud," grinnikt Paul Rigolle. Sylvie is Sylvie Marie. De mannen zijn Patrick Cornillie, Norbert De Beule, Frank Pollet en Rigolle. Die richtten vorig jaar de blog Geelzucht in, waarop ze tijdens de Ronde van Frankrijk samen met good old Willie Verhegghe dagelijks een etappe 'bedichtten'. Dit jaar is Verhegghe niet van de partij. Zijn plaats werd ingenomen door Sylvie Marie, die al weer glimlachend zit te tikken.

Norbert-De-Beule-aan-het-werk.JPGNorbert De Beule aan het werk

Dichten is een eenzaam beroep. Vrijwel niemand ziet ooit een dichter aan het schríjven. De ploeg van Geelzucht zorgt voor een interessant experiment: de zaterdagetappe willen ze gezámenlijk verslaan. Plaats van handeling: de bovenzaal van dat imposante Nationaal Wielermuseum aan het Polenplein in Roeselare. Een en ander kadert in de eerste editie van Roes, het poëziefestival dat de West-Vlaamse stad opzette.

Ze zitten ieder aan een tafel met een laptop voor zich. Voor hen een groot scherm waarop het gedicht zichtbaar ontstaat. En natuurlijk een televisietoestel waarop de rit rechtstreeks te zien is. Die voert door het Centraal Massief, van Aigurande naar Super-Besse. De ruimte heeft wel iets weg van een perszaal. Regelmatig komen belangstellenden achter de dichters zitten. Om te zien hoe het gedicht onder hun ogen groeit. Natuurlijk valt de blik ook af en toe op de koers.

Regelmatig krijgt het vijftal een ingeving. De inspiratie kan komen van een opmerking van Michel Wuyts of José De Cauwer, de commentatoren van dienst. "Aanval Tjallingii! Aanval Tjallingii!" Dat vindt Norbert De Beule een mooie naam. Onmiddellijk begint hij te tikken. Tsjalingi. "Neen, Norbert," corrigeert Frank Pollet. "Tjallingii. Met dubbele l en twee i's op het eind." De Beule vindt het een mooie, maar vreemde naam en is al helemaal verbaasd als hij verneemt dat de coureur als voornaam Maarten heeft, en nota bene een Fries is. Uiteindelijk haalt de Rabo-renner het eindresultaat niet. Marie en haar man David Troch hebben hun hondje bij zich. "Doe die hond terug in de mand," oppert iemand op zeker ogenblik. Vinokourov ontsnapt. Zou hij de gele trui kunnen pakken? De hond terug in de mand verschijnt op het grote scherm. In het uiteindelijke gedicht klinkt die opmerking door in de regel [Koest Vinok, in je hok!]. Achter de naam Contador flikkert de cursor. Ook de Spanjaard overleeft de sessie niet. "Dedju," moppert De Beule. "Mijn laptop blokkeert." Hij schenkt zich nog een glaasje wijn in, en wacht tot Rigolle hem met scrollen heeft gedepanneerd. Ondertussen zit Patrick Cornillie gespannen naar de uitzending te kijken. De rit wordt uiteindelijk gewonnen door Rui Faria da Costa. Zijn naam mag worden vereeuwigd in Het is gedicht, zoals het collectieve product gedoopt zal worden.

 

In de achtergrond veegt

Pierre Rolland de straat aan

met zijn regenjas. Vier heuvels

wachten op een beurt. Een groene

Movistar kleurt de film van de dag.

 

wordt

 

Pierre Rolland veegt de straat aan
met zijn regenjas. Vier heuvels
wachten op een beurt. Een groene
Movistar kleurt de film van de dag.

 

En:

 

Wij zetten ons sc hrap

plooi e het landschap

in een vertraagde film terug

 

wordt

 

Wij zetten ons schrap voor
het splijten van het peloton,
voor het oprollen van onze volzinnen.

 

Een regel als Een karakterkop van Cofidis / regisseert de kopgroep sneuvelt. Dichters aan het werk zien, en dan ook nog eens 5 tegelijk schrijvend aan één en hetzelfde gedicht. Het is een bijzondere ervaring. Wie benieuwd is naar waar ze aan het eind van deze hectische dag - moe maar voldaan - allemaal mee akkoord gaan kan klikken naar:

http://geelzucht.wordpress.com/2011/07/09/het-is-gedicht/


Bert BEVERS

Geelzucht-1.JPG

Partager cet article
Repost0
5 juillet 2011 2 05 /07 /juillet /2011 05:14

 

De statistieken van de blog Mededelingen van het CDR vallen positief uit. Ziehier het aantal lezers:

maart: 3535

april: 3293

mei: 3911

juni: 3859

Aantal gelezen pagina's:

maart: 7436

april: 6573

mei: 7727

juni: 7444

Sinds 26 januari 2008 werden hier 1044 (vaak uitvoerige) bijdragen over allerlei al dan niet aan de actualiteit gebonden onderwerpen gepubliceerd, die de aandacht trokken van 91.698 'unieke' bezoekers, samen goed voor de lectuur van 184.260 pagina's. De meeste bijdragen werden geïllustreerd met vaak onuitgegeven foto's en documenten uit het CDR-archief.■

 

Partager cet article
Repost0
4 juillet 2011 1 04 /07 /juillet /2011 09:11

 

In de vandaag verschenen 178ste editie van de Mededelingen van het CDR reageert Frans Depeuter vinnig op het artikel van Jef Meert over Herman J. Claeys. Hij beschuldigt Meert van 'bewuste leugens'.

*

In het redationeel staat o.m. te lezen:

Over de thans heersende politieke patstelling werd hier bewust gekozen (wellicht tot uw verwondering) voor een periode radiostilte.

Er is nl. gewoon geen 'actualiteit'.

Indien de kwaliteitskranten en de 'boekskens' hun journalistieke opdracht ernstig namen, hielden ze ook radiostilte in plaats van dagelijks futiele berichten en totaal overbodig en aanmatigend commentaar te publiceren.

Wanneer er geen nieuws is – behalve dan het zoveelste steriele dovemansgesprek tussen vermoeide en op elkaar uiteraard uitgekeken zelfgeproclameerde politieke leiders – dan is papierverspilling zonder meer uit den boze.

'Yellow journalism', inderdaad. Uit gemakzucht en vooral uit geheel misplaatste geldingsdrang verlagen ook de zogeheten 'kwaliteits'-media zich tot roddelpers en dragen aldus beslissend bij tot de grondige ondermijning van elke politieke geloofwaardigheid – en van de democratie die ze toch zo sancrosant hoog in het vaandel pretenderen te houden.

De (zacht kritische) column van Frank de Vos gaat over het G1000 manifest waarmee David van Reybroeck en Francesca Vanthielen de democratie een tweede leven willen geven. Hun initiatief kreeg uiteraard veel aandacht van het populaire weekblad Humo (28 juni 2011), dat destijds ook in hoge mate bijdroeg tot het tijdelijke succes van de lijst Rossem – een uitvoerig gemediatiseerde schurk die schaamteloos als rechtzinnige redder des vaderlands opgevoerd werd.

*

Inhoud

Necrologisch

Toon van Overstraeten

Column

Frank DE VOS, De G-spot an dit land en vrouwe Fortuna

Prijs Vrijzinnig humanisme

Guido LAUWAERT en Etienne VERMEESCH

In de marge

Henri-Floris JESPERS, Dagboekbladen

Achteruitkijkspiegel

Frans DEPEUTER, Van de eerste leugen niet gebarsten

*


De online-versie van de Mededelingen ging van start op 26 januari 2008 en mocht sedertdien bogen op 91.602 bezoekers, samen goed voor 184.088 gelezen berichten.

Wie belangstelling heeft voor de integrale PDF- of papieren-editie van de Mededelingen dient contact op te nemen met secretaris-generaal Karin Lebacq:

mededelingen@lebacq.com


Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche