Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
13 août 2013 2 13 /08 /août /2013 20:00

 

GestolenBrein.jpg

Het valt mij op hoe weinig weerklank in de media de thrillers van Fred Van Den Bergh vinden. Hij debuteerde in 2011 met Dertien kilo, gevolgd door Kluis veertien (2012) en Min vijftien (2012). Die 'miljardairstrilogie' vormt een spannende, kritische en goed gedocumenteerde thrillerreeks over de ondergang van 'de drie rijkste mannen van België'. Dit jaar publiceerde hij Gestolen brein, een hallucinant avontuur waarbij een Vlaamse hoogbegaafde student een speelbal wordt van de internationale misdaad. Eens te meer bewandelt de auteur geen platgetreden paden...

Fred Van Den Bergh (°1946) studeerde scheikunde en milieusanering aan de RUG en behaalde een graduaat bedrijfseconomie aan de KUL. Hij werkte als hoofd van de laboratoria in diverse chemische bedrijven in het Antwerpse. Hij was actief in de ontwikkeling van chemische procedés, katalysatoren en analytische technieken en stond mee aan de wieg van een bedrijf dat een nieuw soort hooggeleidende koolstof op de markt introduceerde. De laatste jaren werkte hij in de vestiging van Bayer (nu Lanxess) op de Antwerpse Linkeroever. Beroepsmatig reisde hij naar meer dan 25 landen in vier continenten als technisch consultant. Hij stopte op zestigjarige leeftijd en begon een tweede leven als auteur van misdaadromans en korte verhalen.

De romans van Fred Van Den Berg verschijnen bij Lannoo.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
13 août 2013 2 13 /08 /août /2013 13:00

 

DDKtrofee-copie-1.jpg

In het najaar wordt De Diamanten Kogel – een oorspronkelijk kunstwerk van Wim Delvoye – voor de twaalfde maal uitgereikt.

Jan Hoet was gastspreker bij de eerste uitreiking die in 2002 plaatsvond in Studio Herman Teirlinck te Antwerpen. De lijst der laureaten illustreert ten volle de rijke verscheidenheid van de Nederlandstalige misdaadliteratuur.

  • Benny Baudewyns (De Emerson Locomotief)

  • Jef Geeraerts (Dossier K)

  • Bob Mendes (Medeschuldig)

  • Esther Verhoef (Onder druk)

  • Felix Thijssen (Het diepe water)

  • Patrick Conrad (Starr)

  • Simon de Waal (Pentito)

  • Bavo Dhooge (Stiletto libretto)

  • Mieke de Loof (Wrede schoonheid)

  • Elvin Post (Roomservice)

  • Almar Otten (Blauw goud)

Voor de editie 2013 van De Diamanten Kogel werden niet minder dan 122 titels ingediend – het record aantal ooit. De derde plenaire vergadering van de jury vindt plaats op 5 september. De nominaties worden bekendgemaakt op 8 november.

De jury bestaat uit Frank van den Auwelant (secretaris), Jos van Cann, Ineke van den Bergen, Eric Diepvens, Henri-Floris Jespers (voorzitter), Jürgen Joosten, Kris Kenis, Alain Sohier, Geert Swaenepoel en Magali Uytterhaegen.

Diamanten-Kogel-2009-056.jpg

Van l. naar r.: laureaat Bavo Dhooge, juryleden Geert Swaenepoel en Kris Kenis, gastvrouw Leen van Dijck, directeur van het Letterenhuis (2009)

Diamanten-Kogel-2081--2-.jpg

Colloque singulier”: initiatiefnemer, ere-voorzitter van de vzw De Diamanten Kogel Bob Mendes en juryvoorzitter Henri-Floris Jespers

Partager cet article
Repost0
13 août 2013 2 13 /08 /août /2013 03:58

 

BierkensMeliMelo.jpg

J. G. Bierkens (aka Max Kazan) was zo vriendelijk mij een teruggevonden exemplaar te schenken van Meli Melo (Ko-Ko editions, 2010), een selectie van eerder niet gebundelde teksten verschenen onder diverse pseudoniemen in de tijdschriften Labris, Ko-Ko, Tempus Fugit, R-pr-R-HTN en Sjeppelroot. Jammer genoeg zijn er geen exemplaren meer beschikbaar.

Naast creatief proza en gedichten werden in Meli Melo ook 'kritische' teksten opgenomen. Ronduit hilarisch is het dadaïstische 'zomerzondaggesprek' uit 1999 waarin Kristien Hemmerechts zwaar (en, ja, grof) op de korrel genomen wordt. In de 'Denkbeeldige toespraak voor de konveksspiegel' (2000) brengt Kazan treffend hulde aan Labris-medestichter en voortreffelijke essayist Hugo Neefs.

Henri-Floris JESPERS

Over Max Kazan, zie ook:

http://mededelingen.over-blog.com/article-swingcerely-yours-max-kazan-alive-and-kicking-113532320.html

Partager cet article
Repost0
11 août 2013 7 11 /08 /août /2013 08:08

 

BentowBOEK.jpg

De naakten kleden, het is een werk van barmhartigheid. Behalve als zij zichzelf willen omhullen. Met kleding van eigen maaksel en eigen obsessie. Dan loopt het op bijna surrealistische wijze uit de hand. De kranke misdadiger in Bloed en Veren bezweert een jeugdtrauma (dat blijvende, lichamelijke gevolgen meebrengt) met een sadistisch, vrouwhatend spoor dat hij nalaat. Hij kondigt zijn wraak aan als een flasher. Mantel open, daar fladdert een goudvink weg, die frenetiek probeert uit de kamer te ontsnappen waar zijn slachtoffer helemaal van slag de zin van deze onbegrepen waarschuwing tracht te plaatsen. Niet veel later komt het beestje terug. Dood, ontpluimd, bebloed, opengesneden. De goudvink, ook bloedvink genaamd, gaat de wreker voor, zoals het pilootvisje de haai.

De – uitsluitend blonde, dikharige - vrouwen ondergaan dezelfde foltering:

De jonge vrouw lag naakt op haar bed, haar armen lagen naast haar hoofd, haar benen waren verdraaid. Iemand had haar ogen uitgestoken, donker gapende holtes (…) Haar buik vertoonde een diepe cirkelvormige snijwond; exakt in het midden ervan (…) lag een ontweide vogel met gebroken vleugels” (van ‘ontweien’, ingewanden weghalen uit een dier dat je gedood hebt). Haar hoofd was zo goed als kaal, bezaaid met ontelbare snijwonden. Plukjes haar, stoppelig kort en doordrenkt met bloed, stonden alle kanten op. Boven de linkerslaap hing de hoofdhuid half naar beneden, alsof iemand geprobeerd had de jonge vrouw te scalperen” (p. 41).

Het is nog maar het begin van een lange martelgang, waarbij de hypochondrische inspecteur Nils Trojan in Berlijn zwalpt van droefgeestige buien tot hulpeloze praatjes met zijn psychiater, Jana Michels, op wie hij al even hulpeloos verliefd raakt. Voorspelbaar dat ook zij het ultieme offerdier zal worden. Minder voorspelbaar is de dramatische afloop, en de verklaring voor de afwijking die de moordenaar cultiveert. De oorspronkelijke Duitse titel is daarin meer richtinggevend en minder hitsig: Der Federmann. De debuutthriller van Max Bentow (°1966), een toneelacteur, weet hoe hij personages moet aankleden. Voor de unheimliche angsten die Trojan belagen is hij te rade gegaan bij Hitchcock, en niet alleen bij de brutale nietsontzienheid van The Birds.

Der Mord in der Nachbarschaft, den er als Kind beinahe mit angesehen hätte, und sein nagender Verdacht, sein eigener Vater könnte mit dem Verbrechen etwas zu tun haben, haben ihn einige Jahre darauf veranlasst, Kriminalkommissar zu werden”

het wordt allemaal aangebracht in de tweede thriller met Trojan, Die Puppenmacherin (2012), en doorgetrokken in deel drie, Die Totentänzerin (2013). Vaagheid en achterdocht vormen een vruchtbare bodem voor ongerustheid, aangetast zelfvertrouwen, en irrationele schrik voor de eigen schaduw. Elk moordonderzoek is altijd een aantasting van de eigen onzekerheden, is altijd een vrijblijvende poging tot moord op de vader – of liever, de schaduw van de vaderfiguur die Trojan voor zichzelf geconstrueerd heeft.

Voor de geesteszieke dader in Bloed en Veren heeft Bentow zich laten inspireren door de schilderkunst. Als hij de kamers doorzoekt van de verdachte, stuit hij op de sleutel: “Hij vond een paar kunstkaarten. Overal stonden buitenissige vogelfiguren op. Op een ervan was een gedaante afgebeeld: half mens, half vogel. Ze droeg een imposante jas die uit veren leek te zijn gemaakt. (…) Rechtsonder hurkte een duivelachtig wezentje – half man, half vrouw – met vier borsten en lang haar” (blz. 273). Trojan herkent het schilderij, dat het midden houdt tussen de kobolden van Jeroen Bosch (het rechterpaneel van De Tuin der Lusten) en de plantaardige verstening van René Magritte (Le Prince Charmant, de gesluierde vogel). Het is met name La Toilette de la Mariée van Max Ernst (1939-1940), een kantelmoment in de theorieën van de schilder. Het borduurt voort op een ander werk dat Femme se Changeant en Oiseau (1939) heet, en van beide schilderijen zegt wat ze voorstellen. Maar het “Aankleden van de Bruid” is scherper gecontrasteerd: de naaktheid van het vooruitstekende lichaam steekt fel af bij de kapmantel van karmozijnrode veren, die het gezicht tot een ruwe uilvorm omturnen (een idee dat Magritte vastlegde in Les Compagnons de la Peur). De openlijke verwijzing naar de Rozenkruiserstekst Die Chymisches Hochzeit Christiani Rosenkreutz (offer en vervogeling) versterkt de scène door vermenigvuldiging van de ultieme sterilteit (die ook de dader in Bentows thriller kenmerkt): het beeld van twee vrouwen (de bruid en de kleedster), de gruwelijke kronkelende homunculus aan hun voeten, de verscheurende monstervogel die de bruid achteraan bespringt, puntige bek en speer in aanslag, de herafdruk van de scène in de spiegel (het procedé heet decalcomania), ze herhalen tot bloedens toe de onmacht tot voortplanting (en vormen in hun agressiviteit tegelijk een sarcastische pastiche van de maagdelijke baring). Bentow kent zijn klassiekers en perverteert ze tot een afstotelijk, ontregelend verhaal van alledag.

BentowMaxErnst.jpgDat er autobiografische verwijzingen in de inspiratiebron meespelen, durf ik niet te transponeren naar Bentow. Maar Jonathan Jones houdt wel vol in zijn bespreking van Ernst (The Guardian, 6 december 2003) dat de afgebeelde bruid vaak vereenzelvigd wordt met Ernsts minnares, Leonora Carrington. Een misschien onopgemerkt bewijs is dat Carrington zelf in 1939 een portret schilderde van Max Ernst als ‘meerman’, met dezelfde scharlaken mantel, in tegenfase met zijn pijnlijk witte haardos, en onderaan met een middeleeuwse, felgele kous. Ernst staat gevat in een bevroren landschap. In de rug wordt hij geflankeerd door een even onbeweeglijk geworden symbool van de maagdelijke partner, de gesneden, ‘onthoornde’ eenhoorn.

ErnstZeemeerman.jpgDe afstoting-aantrekking, de zucht naar versmelting en de onmacht tot voortzetting, de psycho-analytische trauma’s, ze beheersen de thrillers van Bentow. Dat dit soms ten koste gaat van geloofwaardigheid of eenvoudige logica, doet weinig ter zake: het doel van Bentow is de intense schildering van een psychologisch slagveld. Ene Guido Huisintveld maakt er zich op De Spanningsblog losjes vanaf met dooddoeners:

De schrijfstijl van Max Bentow heeft geen enkele literaire pretentie, het is krantenberichtproza. De plot zit boordevol clichés en tamelijk stupide gebeurtenissen. Een evident volgend slachtoffer krijgt bijvoorbeeld geen politiebescherming, maar het advies om een paar dagen bij een vriendin te logeren”.

Ja, de alwetende recensent (zeker met terugwerkende kracht na lectuur van het boek) gaat op een drafje voorbij aan de eigenlijk drijfveer van Trojan en de Berliner Luft.

Want dat zijn twee dingen die Bloed en Veren wel degelijk in de haak houden, en een veel rijkere dimensie geven dan oppervlakkige stationslectuur kan of wil opgraven. Dat zijn de literaire modellen (“clichés”) en het Berlijnse kader (“het frame”).

Het meest nadrukkelijk heeft Bentow zich laten beïnvloeden door de eindstrijd tussen Sherlock Holmes en professor Moriarty. Dokter Watson vindt op het bergpad bij de Reichenbachwaterval de wandelstok en verderop de sigarettendoos van Holmes. Daarin steekt het testament van de speurder, die zijn heengaan voorzien had. En Watson leidt daaruit af: “Een onderzoek door deskundigen ingesteld liet weinig twijfel, dat een twist tusschen de beide mannen eindigen moest, zooals die wel nauwelijks anders kon eindigen, namelijk daarmede, dat zij in elkaars armen gekneld in den afgrond stortten. Een poging om hun lijken te vinden was geheel hopeloos, en daar diep in den ketel van draaiend water en kokend schuim liggen voor altijd bedolven de gevaarlijkste misdadiger en de voornaamste kampioen voor het recht” (uit de oorspronkelijke vertaling verschenen in Rijswijk, bij Blankwaardt en Schoonhoven). Tot ze later bijna mirakuleus terugkeren.

Die opening heeft ook Bentow gelaten. In spiegelbeeld. Aan de dakrand van het Badeschiff bij de Spree vechten speurder en dader een gevecht op leven en dood uit. De misdadiger verliest het pleit, maar achteraf krijgt Trojan een bericht zonder geluid op zijn antwoordapparaat. “Kalm blijven, dacht hij. De duikers zullen zijn lijk vinden”. Maar Berlijn is een grote stad, en water is onbetrouwbaar. Misschien komt de vogelman ooit terug, misschien ook niet. Want Trojan kent dan wel de hoekjes en kantjes van Midden-Berlijn, maar elke grootstad heeft haar geheime deuren, haar ondergrondse, haar te brede lanen, te duistere steegjes, te onverwachte ontmoetingen. En daar kijk ik nu al naar uit.

Lukas DE VOS


Max BENTOW, Bloed en Veren. Amsterdam/Antwerpen, Q, 2013, 315 p., 19,95 €.

Partager cet article
Repost0
9 août 2013 5 09 /08 /août /2013 05:32

 

DeBomWrakken.jpg

Emmanuel de Bom, Wrakken, Amsterdam Wereldbibliotheek, 1938

Voor het eerst op bezoek in het Antwerpse Letterenhuis bekeek ik de vaste expositie. Heel de literaire geschiedenis van Vlaanderen is daar smakelijk geëxposeerd. Alle schrijvers – grootheden, maar ook minor poets – zijn er vertegenwoordigd. Alle schrijvers? Nou, misschien niet. Het kwam opeens bij mij op om de ‘vitrine’rustplaats te zoeken van een auteur die in mijn Hollandse vorming tot literatuurliefhebber een bijzondere plaats inneemt.

Halverwege de jaren zeventig fluisterde een medestudent aan de Haagse School voor Taal- en Letterkunde mij in dat ik voor mijn examen eens boeken moest lezen ‘waarin bijna niets gebeurt’. Het eind van de 19eeeuw was rijk aan stilstaand literair water. Hij noemde onder meer Verveling van Frans Coenen, de boeken van arts/schrijver Arnold Aletrino en de kleine roman Wrakken van de Vlaamse schrijver Emmanuel de Bom.

In de Haagse Openbare Bibliotheek bleek zich één exemplaar van de laatste titel te bevinden.

DeBomenCo.jpgVan l. naar r.: Cyriel Buysse, Georges Minne en Emmanuel de Bom

Wrakken zag in 1898 het licht in het tijdschrift Van Nu en Straks. Het bibliotheekbandje dat ik voor mijn literatuurlijst ging lezen was de eerste publicatie in boekvorm (uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam,1938). In 1988 kwam de (voorlopig) laatste druk uit bij Manteau.

Hoe ik ook zocht in het Letterenhuis, ik vond het vitrineplekje voor de schrijver van een van de opmerkelijkste 19deeeuwse Vlaamse romans niet. Wellicht keek ik met mijn neus.

Het vergeefse zoektochtje prikkelde mij in ieder geval tot herlezen. De inhoud van het boek was in de loop der jaren weggezakt. De herinnering aan een interessante leeservaring was mij helder bijgebleven.

 

Ik werd niet teleurgesteld. De Bom sloeg onmiddellijk weer toe. In een sobere en ingetogen stijl neemt hij ons sluipenderwijs mee naar een wereld die lang verdwenen is, maar die tegelijk – op gevoelsniveau – waarachtig is. Tegen de achtergrond van Antwerpen als moderne havenstad in wording volgen we drie personen in de ‘ontwikkeling’ van hun emotionele (deels sociaal bepaalde) stilstand. Stilstand, omdat van een daadwerkelijke ontwikkeling in het zielenleven van de personages geen sprake is. En dat komt gelukkig allemaal niet vooropgezet of geconstrueerd over.

Met als contrasterend decor het vitale van een internationale haven (dokken, buitenlandse zeelui, kroegen, laden & lossen) gaat het verhaal in een paar vanzelfsprekende stappen de diepte in van de geestelijke machine. Drie mensen doemen op: matroos William Breede, de jonge musicus Richard Koenen en Elly, kelnerin in een havenkroeg. In kort bestek wordt duidelijk hoe de drie hun levens met zich meeslepen, hoe onvervuld die levens zijn en hoe gedetermineerd door afkomst en verleden. Aangejaagd door een driestemmig liefdesverdriet komt een levensgevoel tot uitdrukking dat zich kan meten met wat de 21steeeuwer regelmatig door de bol suist: een mix van egoïsme, schuldgevoel, wellust en twijfel. Gedurfd in die tijd.

Soepel en ingehouden tekent De Bom de innerlijke staat van zijn protagonisten. Onvergetelijk traag en verfijnd verbinden gedachten zich met het decor. De nachten, de lege straten, de benarde kamergezelligheid bij de familie Koenen, het huurkamertje van Elly: het worden beelden die het onontkoombare van het stuurloze leven accentueren. In die sfeer kan zelfs een lach‘mistroostiger dan tranen’ zijn. Prachtig broeierig en teder beklemmend.

 

Zij hadden het oneindig weemoedige gevoel, dat het leven hun te sterk was, dat alles in dit leven onvermijdelijk is, en dat zij moesten medegaan, zich laten drijven als hulpelooze wrakken…

 

Emmanuel de Bom (1868 – 1953) heeft ons nog steeds iets te zeggen.

Erick KILA

Partager cet article
Repost0
5 août 2013 1 05 /08 /août /2013 12:00

 

Couperus-culinair.jpg

Het moet maar worden afgewacht welke moderne Nederlandstalige auteur over een eeuw nog gelezen wordt. Er zijn er heel veel, en op veel van hen is een mooie uitspraak van Jules Renard van toepassing:“Un écrivain très connu l’année dernière.” Maar er zijn er die ontegenzeglijk naam gemaakt hebben. Iemand als Harry Mulisch bijvoorbeeld moet er bij leven heilig van overtuigd zijn geweest dat zijn werk de generaties zal overleven. Dat echter zal nog moeten blijken. Blijft men Claus lezen? Leest men Vestdijk nog? Wie van de jongere lezers slaat nog werk van Hugo Raes (die leeft nota bene nog), of van Hubert Lampo, of van W.F. Hermans op? En goed, Kristien Hemmerechts wordt (getuige de vele exemplaren van haar boeken op rommelmarkten als die van de Dageraadplaats) wel verkocht, maar heeft iemand die uitgaven ooit gelézen? Het valt eenvoudigweg niet te voorspellen wie er zal overleven.

Negentig jaar geleden overleed Louis Couperus. Hij schreef talloze bijdragen voor kranten en tijdschriften, immens populaire feuilletons als Eline Vere en een fors oeuvre aan symbolistisch proza. Wie had gedacht dat hij in de 21steeeuw nog gelezen zou worden? Hijzelf waarschijnlijk in de laatste plaats.

Voor literaire tijdgenoten van Couperus als Marcellus Emants en Willem Kloos moet wellicht een voorzichtige uitzondering worden gemaakt, maar wie o wie leest nu nog boeken van Geertruida Bosboom-Toussaint, Jan ten Brink, Frans Netscher, Everhardus Johannes Potgieter, Anna de Savornin Lohman of Carel Vosmaer?

Couperus blijft nieuwe lezers aanboren. 133 jaar na zijn geboorte werd de uitgifte van zijn Volledige werken  (in 50 delen) afgerond, er is een Louis Couperus Genootschap dat het tijdschrift Arabesken uitgeeft en in zijn geboortestad Den Haag kun je het Louis Couperus Museum bezoeken. Het literair tijdschrift Extaze wijdde onlangs een volledige aflevering (nummer 6, nummer 2 van 2013) aan ’s mans leven en werk: De wegen van Couperus.

En alsof dat allemaal niet volstaat, is er nu Couperus Culinair – De lievelingsgerechten van Louis Couperus  van José Buschman. Ik moet nog zien of er begin volgende eeuw zo’n liefdevol vervaardigd boek zal verschijnen rond de culinaire voorkeuren van Harry Mulisch.

Bart van den Tooren gaf het boek voorbeeldig vorm. Het is rijkelijk geïllustreerd, ook met foto’s van gerechten waar de auteur graag van smulde. Couperus was een zoetekauw. Levenslang bleef hij een voorkeur houden voor de keuken van het land waar hij zijn hart aan verloor, aan de Indische keuken. Hij hoefde later maar een Indische lekkernij te proeven om in één klap terug in zijn kindertijd te zijn, zoals bij het proeven van kwee kleplon: ‘ronde koekjes, wit van klapper als sneeuw, en beetje er in, druipend van Javaansche suiker.’

Hoewel hij zelf niet kookte schreef hij vaak over eten. Vaak liet hij zijn romanfiguren rijsttafelen, waarbij hij expliciet gerechten als dengdeng, pisangrijst, roedjak, sambals en stroop soesoe vermeldde. In de tijd dat hij en zijn vrouw Elisabeth in Italië woonden sloop de Italiaanse keuken zijn werk binnen: macaronipastei met hanenkammen, levertjes en olijven, Asti-bowl met stukjes abrikoos en ijs. Hij was dan zelf wel geen keukenprins, hij wist wél wat lekker was.

Voor dit boek ploos José Buschman Couperus’ oeuvre na op gerechten waarvoor het recept te reconstrueren viel. Ook raadpleegde zij de kookboeken die zich ten huize Couperus bevonden. Zo had Elisabeth Couperus La Scienza in cucina e l’Arte de mangiar bene van Pellegrino Artusi (uit 1891, maar nog immer in druk!), Recepten van de Haagsche Kookschool van mejuffrouw A.C. Manden (1895) en Moderne Kookkunst van François Blom (1891) in de kast.

Hoe rook de eeuw van Louis Couperus,” vraagt Buschman zich in haar inleiding af. “Welke geuren kon men in huis en op straat zoal opsnuiven tussen 1863, Couperus’ geboortejaar, en 1923, het jaar dat de beroemde schrijver overleed? Sinds een paar jaar is er niemand meer in leven die ons dat uit eigen ervaring kan vertellen […] over hoe het rook als de meubels in de boenwas stonden, het haar was gepommadeerd, de paarden voor de koets werden aangespannen, de gaslantaarns waren aangestoken en de inktpotjes op school opengingen. Er is echter één geur die nog altijd voortleeft: de heerlijke geur die hing in de keuken en de eetsalon van onze overgrootouders. Want we hoeven maar te koken volgens een recept van vroeger om ons meteen terug in die tijd te wanen.”

Couperus-culinair-2.JPGBuschman mag dat zeggen, want Couperus Culinair  staat boordevol van de meest verfijnde recepten. Dit boek is aardig om te lezen en te bekijken, maar beslist ook om te gebrúiken. De recepten worden begeleid door toepasselijke citaten. Een culinair en literair festijn! De lezer gaat gegarandeerd aan de slag met (bijvoorbeeld) zwezerik met asperges, gefarceerde lomboks met garnalen, maccheroni alla Napoletana, bruschette con caviale of patrijs in gelei. Een smakelijke aanrader! Zo, en nu even mijn lippen afvegen….

Bert BEVERS


Couperus Culinair – De lievelingsgerechten van Louis Couperus, José Buschman, met een voorwoord van Johannes van Dam, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam, 2013, 176 p., ill., 29,95 €. ISBN 978 90 593 7337 2

Partager cet article
Repost0
5 août 2013 1 05 /08 /août /2013 06:09

 

Zuurvrij24.jpg

Met de nieuwe Zuurvrij ben ik eens te meer volop in terra cognita.

In Mededelingen 213 wees ik al op de bijdrage van Yannick Dangre als gastschrijver in Zuurvrij, het onvolprezen tijdschrift van het Letterenhuis te Antwerpen.

Uiteraard staat er meer lezenswaardig in de jongste aflevering (nr. 24, juni 2013).

Aan de hand van in het AMVC bewaarde documenten handelt Johan Vanhecke over 'De teloorgang van een dichter. Mistsluiers rond Kamiel Top'. Jarenlang heb ik het hardnekkige en secure onderzoek van Werner Spillemaeckers pp naar leven en werk van Kamiel Top op de voet mogen volgen, en ik heb zelf vertrouwelijke gesprekken over Top gevoerd met Karel Jonckheere. Gaandeweg werd het duidelijk dat Jonckheere en Roger Pieters (twee bevoorrechte getuigen) jarenlang een rookgordijn hebben opgetrokken om de reputatie van Top, overleden op 4 maart 1945 in het concentratiekamp Flossenburg in Beieren, te beschermen.

De eerder schroomvolle en bescheiden Werner Spillemaeckers aarzelde niet met zoveel woorden te stellen:

De teksten van Karel Jonckheere en van Roger Pieters - en van anderen in hun spoor - zijn onbetrouwbaar. En ik ben ervan overtuigd geraakt: gewild onbetrouwbaar. Er wordt gemanipuleerd en verzwegen. De vraag is: Waarom?

('Is Kamiel Top een zoon van Willem Elsschot?', in: Vlaanderen, jg. 45, 1996, pp. 282-286)

Dit alles wordt nu gedocumenteerd bevestigd door het overzichtelijke artikel van Johan Vanhecke. Het laatste woord is echter nog niet gesproken. Maar dat is uiteraard niet de bedoeling van Zuurvrij. Ik zal het er wel ooit nog over hebben...

*

De samenwerking van briefwisselende leden van Pink Poets Ivo Michiels en André Delvaux wordt door Isabelle van Ongeval als 'magisch' bestempeld. Michelle Crickemans blikt terug op de strijd van het theater van Fred Engelen en Tine Balder (vrienden van Floris Jespers en van Gaston Burssens) in Zuid-Afrika. Manu van der Aa publiceert, de biograaf van Paul-Gustave van Hecke, publiceert dit najaar het verzamelde Nederlandstalige proza van Pégé. Hij blikt terug op de 'voordrachten en andere esbattementen' van het tijdschrift De Boomgaard.

Randstad5.jpg

Het tijdschrift Randstad, waar ik in de jaren zestig veel aan had (ik ontdekte er o.m. de poëzie van Hans Magnus Enzensberger) wordt aan de (voorlopige) vergetelheid onttrokken door Saskia van de Molengraaf.

Jan Robert heeft het over de late maar nog tijdige ontmoeting van Elisabeth Eybers met Jan van Nijlen en Jan Lampo focust op Mathieu Ignace van Brée.

Zuurvrij24TWEE.jpg

Zuurvrij dient zich neutraal aan als 'berichten uit het Letterenhuis'. Achter dit bescheiden uithangbord gaat echter een voorbeeldig vormgegeven en rijkelijk geïllustreerd tijdschrift schuil dat geen enkele connoisseur van de Nederlandse letteren onverschillig kan laten. Zuurvrij verschijnt twee keer per jaar (juni en december), een abonnement voor twee jaargangen (4 nummers) kost slechts 20 € (losse nummers: 6 €.) Zuurvrij, Zacht Lawijd, Kunsttijdschrift Vlaanderen en Wetenschappelijke tijdingen zijn vier tijdschriften die ik voor geen geld van de wereld wil missen.

Henri-Floris JESPERS

 

De bijdrage van Werner Spillemaeckers over Kamiel Top in Vlaanderen is online te raadplegen:

http://www.dbnl.org/tekst/_vla016199601_01/_vla016199601_01_0082.php

Partager cet article
Repost0
1 août 2013 4 01 /08 /août /2013 21:32

 

Het ambtskleed

 

Een paar dagen na de dood van professor Marcel J.

staat in De Standaard onderaan het overlijdensbericht

in cursieve letters: De toga wordt gedragen.

 

Ik besef dat dit gericht moet zijn aan zijn nog levende

Leuvense collega’s, maar de vraag die mij kwelt:

zou Marcel ook in zijn kist zijn toga hebben gedragen?

 

Want wie weet? Aan de open poorten bij de hel,

bij het betreden van de hemel of het vagevuur

helpt het dragen van dit ambtskleed misschien wel.

Hendrik Carette

 

Partager cet article
Repost0
1 août 2013 4 01 /08 /août /2013 18:14

 

Stijn-Vranken--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers

Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Partager cet article
Repost0
31 juillet 2013 3 31 /07 /juillet /2013 15:00

 

SToutenKersen

Om de meerstemmige toon van dit magistrale prozawerk weer te geven, begin ik liefst met een citaat: Sommige van de boeiendste partituren die ik leerde kennen, bewoonden een onverkend gebied aan gene zijde van de tegenstelling tussen pessimisme en optimisme. Ze introduceerden me in de rijke wereld van de muziek geworden melancholie – een mooie voelhoorn voor een eindig wezen om de oneindigheid te betasten. De thematiek die hij op een polyfone manier in zeven hoofdstukken ontwikkelt – net geen octaaf, maar wel hetzelfde aantal als de loopjes van do tot si die hij als kind op de piano uitprobeerde – stemt hiermee volledig overeen. Op geen enkel moment, ook niet naar aanleiding van het auto-ongeval waarbij zijn ouders en tweelingzusje om het leven komen, krijgt de dramatiek het voor het zeggen. Dit boek is niet alleen “een overrompelende ode aan de klassieke muziek”; het is tevens een levensverhaal met Johann Sebastian Bach en Marcel Proust als voornaamste leermeesters.

In de inleiding tot het eerste hoofdstuk komt de architecturale schoonheid van een fuga ter sprake, die hij uitvoert op een piano waar de oudste lagen van mijn herinnering op rusten. Aanvallen van astma horen daarbij en het gevoel een buitenstaander te zijn – een kind dat vaak niet naar buiten mag om het voor een volgende aanval te behoeden: Astma was een reus op lemen voeten, en muziek kon die reus voor mij vloeren. Zelfs de eenvoudigste muziek, die van een gamma . Speelde ik zo'n sequentie van opeenvolgende noten, dan leek ik een ladder naar mijn vrijheid te beklimmen, naar de vrije lucht van zuivere esthetiek daarboven, een weldaad voor mijn belaagde longen. Gewoon een toonladder spelen heeft niet enkel een magische uitwerking; al heel vlug zal hij proberen de partituur als een grondplan te zien, waaruit ik als bouwheer een stevig overeind blijvende ruwbouw moest doen oprijzen.

Een ander belangrijk element is de genezende rol die hij de stilte toekent: een leidmotief, verbonden met de eenzaamheid waarmee hij al heel vroeg wordt geconfronteerd. Vooral de muziek van Bach houdt voor hem een “thuiskomst” in. Talrijk en steeds even scherpzinnig zijn dan ook de verwijzingen naar Bach in zijn eigen “compositie”. Muziek, taal en stilte vormen de basis in zijn zoektocht naar “woordnoten”.

Hierop volgt, in het tweede hoofdstuk, de analyse van een uitzonderlijk dramatische pianosonate van Mozart, in Parijs gecomponeerd. kort na de dood van zijn moeder. Zo bereidt hij de lezer voor op het fatale auto-ongeluk dat met veel pudeur wordt beschreven, en alweer treedt Mozart als bemiddelaar op wanneer uiteindelijk het donker toeslaat tijdens zijn verblijf in een kliniek om te herstellen van een zware hersenschudding. Daar zal hij, dankzij een vriendin van zijn moeder die hem ook verder zal opvoeden, het meesterwerk ontdekken van Marcel Proust “A la recherche du temps perdu”: Het was mijn redding in die dagen; de combinatie van een zegenende Proust-lectuur en de weldadige toepassing van zijn “verander het lijden in kunst”-advies in mijn schamele eerste schrijfpogingen. Hoe en waarom Proust zijn “Recherche” opbouwt, vormt zogoed als de kern van dit hoofdstuk.

De periode waarin hij, met zijn tweelingzus als hulpje, een denkbeeldig radio- en televisiestation heeft opgericht om aldus zijn fantasie bot te vieren in o.a. gefingeerde radio-interviews en fictieve televisieprogramma's, die periode lijkt afgesloten: Voorlopig wist ik niet of ik het redden zou. Liggend in een bed, weet je dat gewoon niet. Je tuurt urenlang naar het parkje buiten waar de kinderen stoeien, je praat 's avonds laat met een nonnetje dat je mentale pijn probeert te verzachten, je leert weer lopen en hoopt dat de hersenschudding geen blijvende schade zal aanrichten. Dat leek me al heel veel om te mogen hopen.

 

Het derde hoofdstuk opent met een gedetailleerde beschrijving van het stadje Zoutleeuw, waar hij interkt bij de familie Lafontaine. Vooral met Jean, de zoon van Mama Lafontaine, ontstaat er een intens contact. Jean is zowel zijn gids als een oudere metgezel die zijn nood aan afzondering begrijpt: Urenlang zat ik aan zijn schrijftafel te werken, of alleen wat voor mij uit te staren in de hoop dat zich bruikbare woorden zouden aandienen. Met die teksten en gedichten wil hij de schimmen van de tijd tot leven wekken. Hij kent de hoorspelen van Samuel Beckett dan al – waarin stiltes een structurele betekenis hadden – alsook de partituren van John Cage en waagt zich aan een hoorspel. Voor het eerst wordt nu ook, via de muziek van Gustav Mahler, God vernoemd: de God die Nietzsche vermoord had, opdat de moordenaar zelf tot een God zou worden, een übermensch. Nee, ik was geen übermensch in wording, ik voelde me net als Mahler de eeuwige indringer, de jongen die overal buitenstaander blijft. Een jongen die een selectie maakt uit de gezichten van God die hij heeft leren kennen.

Geen wonder dat de figuur en het oeuvre van Hadewych, die in Zoutleeuw als begijntje zou hebben gewoond, hem begint te fascineren: Via mijn trouwe koestering van de verzen van Hadewych voelde ik wel dat de liefde voor het woord zich hoe langer hoe meer met de muziek begon te bemoeien. Noten en woorden zochten elkaars gezelschap op . Niet omdat ze behoefte hadden aan elkaar. Het leek me dat ze perfect uit elkaars buurt konden blijven zonder ooit door een tekort te worden getekend. Hun samenkomst was een onverwacht geschenk, een prachtige bliksemflits.

 

Toch zal hij zijn studiekeuze op een bepaald moment moeten vastleggen: ofwel aan de muziekstudie de voorrang geven of kiezen voor een opleiding in de tolkenschool: Het vervelende was dat ik zowel met talen als met de muziek iets had wat groot genoeg was om me in een tweestrijd te doen belanden die me van mijn nachtrust beroofde.

Het wordt de tolkenschool. Daar heeft een volgende confrontatie met de “Recherche” van Marcel Proust o.a. het gevolg dat hij in Parijs alle adressen wil opzoeken waar Proust heeft gewoond. Hierop volgt een uiterst boeiend portret van Proust als auteur en een analyse van de verborgen muziek in zijn specifieke schrijfstijl: Proust is voor mij in elk geval een verkapte operacomponist en ik zie in zijn “Recherche” een dramatisch sprookje, een feeërieke muzikale vertelling... Kan een luttel woord letterlijk muziek worden? Als kind had ik ervan gedroomd verbale voetnoten uit te werken voor complexe muzikale ideeën. Ik had een hunkering gevoeld naar de “vertaalbaarheid” van muziek in taal, had woorden aan akkoorden proberen te linken om zo – in mijn naïviteit – een klein persoonlijk woordenboek samen te stellen.

Door zich te verdiepen in het werk van filosoof -filoloog Noam Chomsky ontdekt hij de mogelijkheid van eenzelfde dieptestructuur voor muziek en taal: Het was in die gedeelde kelder dat de sleutel verborgen lag voor de structurerende betekenis van de muziek in Prousts polyfone roman.

Het moment is nu aangebroken om contact op te nemen met Dries Poppe, dramaturg bij de hoorspelafdeling van de BRT, aan wie hij zijn hoorspel wil voorleggen. Die nodigt hem meteen uit om aan een seminarie voor debuterende hoorspelauteurs deel te nemen en zal hem ook vertaalopdrachten geven. Bart Stoutens mateloze bewondering voor de hoorspelen van Beckett neemt nog toe. Beckett zal hem de stilte in al haar facetten onthullen: Mooiere radio is niet denkbaar. En toch schuilt de schoonheid niet in de gehoorde klank zelf. Eerder rijst ze op uit alles wat verzwegen wordt. Zodat ik met recht en reden kan stellen dat de ultieme kracht van radio zich voor mij heel vroeg openbaarde als een kunst van het ingehouden, uitgestelde gevoel.

Wat hierop volgt, zal wellicht meer dan een lezer verbazen: zijn afzondering in het afgelegen huis van een boswachter in een niet nader genoemde omgeving. Op de vroegere pianolessen volgt nu orgelles in een plaatselijke academie. De toewijding waarmee hij zich aan het orgelspel wijdt – een dagelijks ritueel met vooral Bach op het programma in een pikdonkere kerk – wordt plots onderbroken wanneer hij de onweerstaanbare charmes van een clavecimbel ontdekt, te koop in een etalage van een winkel met muziekinstrumenten. Een nieuwe studie dient zich aan, zeker wat het toucher betreft, zodra hij het instrument in huis heeft. Wie zou denken dat het clavecimbelverhaal beperkt blijft tot zuiver persoonlijke ervaringen, vergist zich. Ook dit intermezzo is de aanleiding voor een interessante uitweiding over de instrumentenbouwer Hans Ruckers, na grondig bronnenonderzoek. Dit keer gaat hij in Antwerpen op zoek naar een renaissancefaçade met trapgevel; wie weet bevond het atelier van Ruckers zich wel op die plek in de Jodenstraat.

Wanneer het clavecimbel beschadigd wordt bij het schoonmaken met een emmertje water dat per ongeluk terechtkomt op het geliefde instrument, komt het einde van zijn passie in zicht. De conclusie – in het volgende hoofdstuk – is dan ook: De tijd was nu rijp voor mij om me te concentreren op woorden en zinnen, eerder dan op noten en akkoorden. Woorden en zinnen die me uit mezelf zouden voeren, heel ver weg van mezelf, in de richting van een ander. De grote onbekende ander. Die me nodig had. Oh, wat was ik daarvan overtuigd. Ik werd een troubadour in eigen huis. Ik had een liefde nodig om tedere gevoelens te laten klinken op de snaren van mijn prille verzen.

Wie anders dan de grote Dante zou hem hierbij niet als voorbeeld kunnen dienen... Dat is inderdaad zo. En net zoals zijn beschouwingen over de functionele rol van de eenzaamheid in Prousts leven en werk, loont wat hij weet te zeggen over de rol van Beatrice als inspiratiebron bij Dante, meer dan de moeite.

De hoofdmoot van dit zesde hoofdstuk heeft niettemin alles te maken met wat de Japanse cultuur voor hem betekent, een fascinatie die ik volkomen deel. Zijn imponerende kennis en begrip van haar symboliek en uiterst geconcentreerde zegging, zowel in haiku's als in het No en Kabuki-theater, geven ons nogmaals het bewijs van zijn operationele ontvankelijkheid. Vooral deze typische ontvankelijkheid stelt hem in staat om als esthetische bemiddelaar van alle vergankelijkheid hier op aarde te fungeren..., wat zijn typering is van de Japanse cultuur in het algemeen. Hierbij hoort ook de volgende bedenking: Liefde die duurt, zoals bij Dante, bezoekt Japan niet vaak. Liefde is een stuk papier dat je vouwt. Het vouwen wordt ook een verscheuren in eenzelfde werkwoord – Orimasu.

De ontmoeting met een zenmonnik bekroont als het ware al de vorige overpeinzingen over o.a. het Kabuki-theater. En alweer komt de stilte aan het woord in al wat Kazuo zegt of liever verzwijgt: Jij, met je muziek en taal... Zie je die preutse maan daar? Dat is de muziek. En die vijver daarginds, dat is je vijver van taal, waarin de muziek schijnt. Muziek en taal plagen elkaar. Maar de stilte is onverbrekelijk.

In het laatste hoofdstuk daagt de schim van Marcel Proust weer op, begeleid door deze van Jeam Cocteau. Hij is dan op weg naar Baalbek, het kleine en slaperige stadje in de Libanese Bekavallei. En waaraan doet Baalbek hem denken? Natuurlijk aan het Balbec van Proust.

Tijdens die rit in een overvolle bus, onderbreekt een bedoeïenenvrouw, die een trolley achter zich aan trok met daarop een kleine luidspreker de monotonie van een urenlange tocht. Zodra zij

begint te zingen, wordt Bart Stouten een soort wijsheid voorbij het lijden gewaar, wat naar mijn gevoel een goede typering van zijn proza zou kunnen zijn. In het hotel aangekomen waar Jean Cocteau geregeld verbleef, doemt als vanzelf Marcel Proust weer op: Er is iets wat de eenzaamheid bij Proust “geslaagd” maakt, juist door haar goed aan te kleden, voor te bereiden, niet weg te stoppen, maar bij voorbaat toe te geven, met de beste zorgen te verplegen en vooral niet een eigen leven te laten leiden, maar daarentegen te onderwerpen aan een eigen finaliteit die haar onmisbaar maakt.

 

In dit zevende hoofdstuk werpt Bart Stouten meer dan een terugblik op het verleden. Een ontmoeting met Peter Handke, in verband met een uitzending op Radio 3, vormt het sluitstuk met als terugkerend motief zowel de muziek van Bach als het afscheid nemen van zijn piano: Ik moet diep leven, al het merg eruit zuigen, sterk en spartaans, en, zoals de Amerikaanse filosoof Henry Thoreau dan schreef, in mezelf alles wat geen leven is uitroeien, het leven in een hoek drijven en het terugbrengen tot zijn geringste voorwaarden.

Lees dit boek! Het is een meesterwerk.

Lucienne STASSAERT


Bart STOUTEN: Kersen eten om middernacht. Muzikale herinneringen, De Bezige Bij Antwerpen: 20,00 € (met dubbelcd: 36,00 €)

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche