Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
14 septembre 2013 6 14 /09 /septembre /2013 16:00

 

SIGNOL.jpg

Christian Signol

Voor mijn werk was ik vele malen in Hong Kong. Elke morgen hing The South China Morning Post aan de deur van mijn hotelkamer. Ik stond altijd versteld van de rijke, wereldwijde berichtgeving, die dagelijks alle continenten bestrijkt. Willen we bij ons iets over Latijns Amerika of Azië lezen moet er in Peru al een paard met zeven ezelsoren worden geboren, in Bangladesh vierhonderd mensen hun grote teen verstuiken.

In zijn laatste Dagboeknotities stipte Henri-Floris Jespers eveneens aan dat illo tempore een journalist “ zich probleemloos kon veroorloven culturele artikels te publiceren die vandaag in de zelf geproclameerde kwaliteitskranten meteen geweigerd zouden worden wegens té highbrow ofte elitair. In een plaatselijke, provinciale krant kon dat destijds wél. (Dat was nota bene ook het geval voor andere Antwerpse dagbladen als Het Handelsblad, Gazet van Antwerpen of De Nieuwe Gazet.)”(1). Ook het literair gebeuren in de ons omringende landen is veelal een blinde vlek. Behoudens Angelsaksisch vertaald proza zijn Duitsland en andere landen omzeggens een Terra incognita. Frankrijk blijft dank zij Amélie Nothomb en Michel Houellebecq iets overeind. O fel gebekte, correcte critici van die beruchte Vlaamsche Naevelstaerderij. Hoe gretig strelen zij die navel, een gezelschapsspel van de grote uitgeverijen en de media…

Dank zij dichteres Christina Guirlande kwam ik in contact met het werk van de bij ons totaal onbekende Franse schrijver Christian Signol (Quatre-Routes-du-Lot, 1947).

Naar aanleiding van onze gesprekken over Mensen achter de dijk, dat terecht als het meesterwerk van Filip De Pillecyn wordt beschouwd, schreef Christina me:

'Net als het aangehaalde werk van Filip De Pillecyn staan de romans van Christian Signol ver boven de streekroman. Het thema van het werk van beide auteurs is universeel en van alle tijden: de verbondenheid van mens en natuur, (in deze werken zijn stroom en rivier echte personages), de machteloosheid tegenover het natuurgeweld , de karaktervolle personages, de angst en het gevecht om het bestaan, de strijd tegen uitbuiting en onrecht, maar ook het plichtsgevoel en het eenvoudige geluk.'

LeSomail.JPG

Librairie Ancienne, Le Somail.

Tijdens mijn laatste bezoek aan mijn geliefde Languedoc vond ik in Le Somail in een prachtige boekenschuur aan het Canal du Midi, La rivière Espérance. (2)

Christian Signol studeerde Letteren en Rechten en debuteerde in 1984 met de roman Les Cailloux bleus. In 1990 verscheen zijn trilogie: La Rivière Espérance, Le Royaume du Fleuve en L’Ame de la Vallée.

Het is opmerkelijk dat er nog niets van deze auteur in het Nederlands werd vertaald. Hij is een succesauteur en van zijn romans worden er in Frankrijk jaarlijks tussen de 200.000 en de 400.000 exemplaren verkocht, meer dan Amélie Nothomb. Van La Rivière Espérance gingen er, alleen al in Frankrijk, een miljoen exemplaren over de toonbank. Deze roman werd in twintig talen vertaald en werd eveneens verfilmd.

Riviere-Esperance.jpg

Christian Signol houdt zich ver van het Parijse mediacircus. Zo geeft hij geen televisie-interviews. Deze auteur blijft in zijn geboortestreek gepoot waar hij zich met herinneringen aan de lange juni-avonden, de dauw, de geur van een houtvuur, de geluiden, de bomen enz die hem naar zijn jeugd terug voeren, wil omringen: 'C’est pourquoi, moi qui crois sincèrement que la sensation du bonheur est intimement liée à la sensation d’éternité, je n’ai jamais coupé le lien qui s’est noué dans mon enfance avec le monde naturel’.

In onze huidige tijd voelt hij zich onbehaaglijk en keer op keer botst hij met het leven dat “wordt gevuld met onbenulligheden, en dingen zonder enig belang die worden opgehemeld als levensnoodzakelijk’.

Zowel in Trésors d’Enfance (3) als in Les vrais bonheurs (4) ontpopt hij zich met zijn lyrische pen als een missionaris die zijn lezers van de trivialiteit van de alledaagsheid wil genezen. Een auteur dus zonder een ‘open gulp’ zoals Guido Lauwaert een heldere ster aan ons literair firmament beschreef. (5)

Frank DE VOS

  1. http://mededelingen.over-blog.com/article-henri-floris-jespers-dagboeknotities-guy-vaes-119930961.html

  2. Christian SIGNOL, La Rivière Espérance, Robert Laffont, 329 blz ISBN 9782221067857

  3. Christian SIGNOL, Trésors d’Enfance, France Loisirs-Paris, 92 blz ISBN 2846943621

  4. Christian SIGNOL, Les vrais bonheurs, Albin Michel, 209 blz ISBN 9782226158512

  5. http://mededelingen.over-blog.com/article-tom-lanoye-moet-dringend-vermageren-119861897.html

Partager cet article
Repost0
14 septembre 2013 6 14 /09 /septembre /2013 07:07

 

SerialThriller15.jpg

De onvermoeibare en erudiete Danny De Laet publiceert een overzichtelijk maar niet minder grondig essay, 'John Dickson Carr en de gesloten ruimte: een afgesloten hoofdstuk', aangevuld door een zorgvuldige, gedetailleerde chrono-bibliografie van de Nederlandse vertalingen (pp. 11-25 van de meeester van de whodunit. Tevens wordt het kortverhaal 'Het verkeerd probleem' (The wrong problem', 1937) gepubliceerd in de vertaling van Willy Courteaux.

Danny De Laet rekent terecht John Dikson Carr (1906-1977)  tot 'de allergrootste onder de grote misdaadauteurs', maar vreest, wellicht niet ten onrechte, dat de naam John Dickson Carr ofte Carter Dickson de huidige lezer nog maar weinig zegt.

Dat is dan jammer voor de 'de huidige lezer' die zich laat beïnvloeden door de waan van de dag.

*

De Laet vestigt ook de aandacht (pp. 25-30) op het misdaadoeuvre van de nog steeds bijzonder productieve Aster Berkhof (°1920), die sinds 1993 elf misdaadromans publiceerde bij Houtekiet, maar nog altijd onterecht al te zeer onvolprezen bleef. De Laet wijdde in 2006 een monografie over Berkhof, die als misdaadauteur in 1944 debuteerde met een klassieker, De Heer in grijze mantel.

*

Bij the way, de eigenzinnige para-surrealist Marcel Lecomte (1900-1966) publiceerde in 1931 L'homme au manteau gris clair (1931) en werd aldus later afgebeeld door René Magritte.

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

SerialThriller, The Unique Crime Magazine, nr. 15, najaar 20013, 47 p., ill., 6 €. Redactie: Pothoekstraat 46, 2060 Antwerpen.

Partager cet article
Repost0
14 septembre 2013 6 14 /09 /septembre /2013 02:12

 

Bernardo_Ashetu.jpg

Bernardo Ashetu

Den Haag, een avond begin jaren tachtig. Het appartement van Jozef Eijckmans (1907 – 1996).

De dichter veert plotseling op uit zijn leunstoel, loopt naar de boekenkast en plukt een boek uit een rij. Hij bladert even en leest dan voor.

Ik ben sprakeloos. Wat een schitterend gedicht. De maker, Bernardo Ashetu, ken ik niet.

'Het is een vriend, hij woont in Den Haag, zegt Jozef. Ik drink af en toe koffie met hem. In de cafetaria waar hij altijd zit. Hij zit daar maar en leest. Een stille, kwetsbare man. Hij praat met niemand. De cafetariabaas houdt een oogje in het zeil, zodat hij niet gepest wordt of zo.'

De bundel waaruit Jozef Eijckmans voorlas heet Yanacuna  (1962, uitgegeven als dubbelnummer van de Antilliaanse Cahiers). Ik heb het voorgelezen gedicht nadien zelf een aantal malen gelezen, als ik Eijckmans weer eens bezocht.

En toen… deed de tijd zijn onvermijdelijke werk. Jozef Eijckmans overleed, zijn boekenbezit verdween en de titel van het gedicht dat zo’n indruk maakte, ontglipte me.

Af en toe kwam de gedachte aan het sublieme gedicht en de stille dichter in de cafetaria bij me op. Ik zocht dan her en der naar de Antilliaanse Cahiers en naar een spoor van Ashetu. Steeds tevergeefs.

In 2007 verandert dat. Ik zie een bundeltje aangekondigd (Dat ik zong, Sandwichreeks, redactie Gerrit Komrij). Ha, denk ik, gedichten van Ashetu opeens binnen bereik. Ik krijg het boekje in handen, maar ‘het’ gedicht staat er niet in.

Via internet kom ik erachter dat er belangstelling is ontstaan voor het werk van Ashetu. De belangstelling moet het helaas doen met de 37 gedichten van Dat ik zong. Meer is er niet.

De kennismaking met de poëzie van Bernardo Ashetu blijft me bezighouden. Die vondst van Jozef Eijckmans, dat prachtige gedicht… ik moet  het weer vinden.

Beslommeringen houden mij een tijdje af van het hogere, maar als ik het eens niet kan laten om op Bernardo Ashetu te googelen voltrekt zich een wondertje. Eind 2011 verschenen: Dat ik je liefheb, ruim 100 gedichten van Ashetu (gekozen en uitgeleid door Michiel van Kempen).

Ik bestel, haal op en sla open. Het veertiende gedicht herken ik onmiddellijk.

 

                  Wacht lang

 

Kleed je aan

en wacht bij de brug.

Wacht lang.

Wacht tot de eerste ster opkomt.

Dit huis zal leeg zijn

en de hele straat zal leeg zijn.

Roep m’n naam

en houd rekening met een kleine

beweging in de modder langs de

gracht en wacht tot ’t licht

van alle sterren de hemel mooi

en bedwelmend heeft gemaakt.

Wacht op me bij de brug.

Wacht lang.

 

Bernardo Ashetu (pseudoniem van Hendrik George van Ommeren) werd in 1929 in Paramaribo geboren als zoon van een Surinaamse vader en een Europese (Joodse) moeder. Hij overleed in 1982 in Den Haag.

Erick KILA

Bernardo ASHETU, Dat ik je liefheb, Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2011.

Partager cet article
Repost0
12 septembre 2013 4 12 /09 /septembre /2013 20:27

 

De nieuwe aflevering van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift wordt voorgesteld op donderdag 3 oktober. Nummer 120 is het feestnummer n.a.v. het 30-jarig bestaan van het tijdschrift. Kurt van Eeghem is ceremoniemeester, Minister van Werk Monica De Koninck opent de literaire werkzaamheden (wat dit ook moge betekenen), bestendig-afgevaardigde Rik Röttger legt uit waarom er mag worden gefeest, (dank u), Lut De Block en Elvis Peteers lezen hun poëzie, Claire Huynen “raconte pourquoi Paris etc etc” en de onvermoeibare Guy Commerman, motor van Gierik & NVT bedankt het publiek, waarna receptie, glazen der vriendschap, hapjes, bubbels en babbels.

Donderdag 3 oktober om 19 uur in het Bernarduscentrum, Lombardenvest, 2000 Antwerpen.

Partager cet article
Repost0
10 septembre 2013 2 10 /09 /septembre /2013 17:05

 

Walter-Simons--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Partager cet article
Repost0
8 septembre 2013 7 08 /09 /septembre /2013 03:41

 

KinderjarenIVeen.jpg

Met moeder, Antwerpen, april 1948 (nog geen vier jaar)

Ik heb de hand nog niet kunnen leggen op de herinneringen aan mijn kinderjaren die ik een paar jaar geleden optekende en persklaar maakte. Het manuscript en de uitgetypte versie liggen verscholen in een van de tientallen archiefdozen 'Eigen werk' die met de niet te onderschatten medewerking van Jan Scheirs haastig en rudimentair gevuld werden. Ik keek er niet meer naar, had ondertussen wel wat beters of dwingenders te doen. Voor zover ik mij herinner, ging het om globale, min of meer chronologische herinneringen. Maar ja, we weten het, het geheugen 'verdicht', in alle betekenissen van het woord. De foto's 'uit de oude doos' die ik in de voorbije dagen 'ontdekte' stimuleren mij nu om toch bij gelegenheid werk te maken van die herinneringen, al ben ik zeker niet van plan ze te publiceren.. Wat er ook van zij, ze maken het mogelijk scherper te focussen om voor eigen gebruik een gedocumenteerde 'tijdslijn' samen te stellen. Foto's zijn immers ook documenten. De details van die momentopnames spreken immers boekdelen.

Hier dus enkele foto's die daartoe bijdragen.

KinderjarenIVtwee.jpg

Met moeder, Antwerpen, november 1948 (vier jaar)

KinderjarenIVdrie.jpg

Met broer Pierre en moeder, Antwerpen

KinderjarenIVdrieBis.jpg

Met mijn drie jaar jongere broer, Knokke, zomer 1953 (nog geen negen)

*

Heel wat foto's betreffen voorouders en familieleden die ik alleen maar van horen zeggen ken, maar waar ik wel over schreef. Dat wordt dan een nieuwe reeks, waar ik nog een titel voor moet uitbroeden.

Hier dan, alvast als kantelmoment, de huwelijksfoto van mijn ouders (Brussel, 1944).

KinderjarenIVvier.jpg

Partager cet article
Repost0
8 septembre 2013 7 08 /09 /septembre /2013 01:28

 

VaesVonck.jpg

Van l. naar r.: HFJ, Guy Vaes en Bart Vonck

Woensdag 4 september met Thierry Neuhuys op bezoek bij Lydie Vaes, Scheldebuilding op Linkeroever, vijftiende etage. “Jamais deux sans trois”: na de Lange Noordstraat en de Jan van Rijswijcklei, nu de Beatrijslaan.

Guy Vaes (1927-2012) was een overtuigde wandelaar – of moet ik zeggen: straatslijper? Zolang hij nog in mijn buurt (nou ja...) woonde, kwam hij geregeld aan de Marialei onverwacht aanbellen, ook, vooral, in de late avond.

Een exemplaar met eigenhandige opdracht aan grootvader in groen inkt van zijn eerste dichtbundel, (Ce qui m'appartient, 1952, uitgegeven door Saint-Rémy, toen nog Remy de Muynck) bevond zich in de bibliotheek van grootvader. Jaren geleden leende ik dit zeldzaam exemplaar uit aan een of andere promovendus en kreeg die nooit terug.

Tsja, de hel is geplaveid met goede bedoelingen, en op dat vlak ben ik nogal genereus (geweest). Het door grootvader uitvoerig geannoteerde exemplaar van Mark Edo Tralbauts Van Gogh-reflekties op Van Ostaijen leende ik uit aan promovenda – en kreeg ik ook al niet terug, niets eens een exemplaar van haar proefschrift. Een paar jaar later kocht ik haar (duur) boek. Zij had niet eens gebruik gemaakt van de bijzonder relevante aantekeningen van Floris Jespers. Jaren later, eind vorige eeuw, kocht ik een exemplaar (nr. 1 van de 70 op Hollands geschept Van Gelder) van Tralbauts boek bij een gerenommeerd antiquariaat. Kostprijs: 2.500 F (ca 63 €). Ach, ik heb er geen spijt van, boeken zijn er om een eigen leven te leiden. Habent sua fata libelli. Ik ben wel voorzichtiger geworden met het uitlenen van boeken, vooral dan aan studenten... Schluss damit. Ik ben weer eens zijpaden aan het bewandelen!

Thierry Neuhuys en Guy Vaes waren tijdens de bezetting klasgenoten in het Koninklijk Atheneum Berchem, waar ik ook school liep. Ik heb Guy exact een halve-eeuw geleden voor de eerste keer ontmoet. Hij was toen journalist bij het Antwerpse liberale dagblad Le Matin, waarin hij zich probleemloos kon veroorloven culturele artikels te publiceren die vandaag in de zelfgeproclameerde kwaliteitskranten meteen geweigerd zouden worden wegens té highbrow ofte elitair. In een plaatselijke, provinciale krant kon dat destijds wél. (Dat was nota bene ook het geval voor andere Antwerpse dagbladen als Het  Handelsblad, Gazet van Antwerpen of De Nieuwe Gazet.) Een loutere vaststelling. Ik ben écht geen laudator temporis acti, maar die zorgvuldige culturele berichtgeving verscheen toen gewoon binnen de krant, niet in het glanzende papieren ghetto van allerlei bijlagen die niemand nog leest (ook al omdat ze onderling zonder meer verwisselbaar zijn).

Tsja, ik ben weer aan het afdwalen. Mijn ontmoeting met Guy was zoiets als een “coup de foudre”. Mijn eerste kritische benadering van zijn werk publiceerde ik op 30 januari 1964 in Le Courrier d'Anvers: 'Guy Vaes ou les mystères de Londres'. Op 29 februari 2012 publiceerde ik hier zijn in memoriam.

Werk van Guy Vaes werd vertaald door Chris Van de Poel (Eindeloze zondag in oktober, Haarlem, In de Knipscheer, 1988) en Bart Vonck.

VAESverzegeldeTijd.jpg

Guy Vaes, De verzegelde tijd. Vertaling en voorwoord van Bart Vonk, Brugge, Pablo Nerudafonds, 1993, 63 p.

*

Daags na mijn gesprek met Lydie vergaderde de jury van De Diamanten Kogel 2013 voor de vierde keer. Terwijl we van gedachten wisselden over de merites van de 122 kandidaten dacht ik af en toe aan Guy, net als zijn neef Alain Germoz (1920-2013) amateur en kenner van thrillers en strips.

Henri-Floris JESPERS

 

Zie: http://caira.over-blog.com/article-guy-vaes-decede-100325714.html

En, op deze blog:

http://mededelingen.over-blog.com/article-guy-vaes-overleden-100392680.html

 



Partager cet article
Repost0
5 septembre 2013 4 05 /09 /septembre /2013 14:00

 

MetMoeder46.jpg

Antwerpen, 12 april 1946

MetMoeder1950.jpg

Brussel, 1950

MetMoeder1959.jpgKnokke-Zoute, 1958

Partager cet article
Repost0
4 septembre 2013 3 04 /09 /septembre /2013 20:00

 

 

TomLanoye.jpg

Steeds vaker zie je na de voor- en familienaam van een e-mailadres een cijfer staan. Zelfs als de voornaam achteraan wordt geplaatst of beperkt wordt tot de eerste letter. Het toont de veelvuldigheid van namen aan. Het moet ook Tom Lanoye opgevallen zijn. De twee hoofdpersonen van zijn nieuwe roman, Gelukkige slaven, hebben dezelfde voor- en familienaam: Tony Hanssen.

 

Beide Tony’s hebben bovendien nog heel wat anders gemeen. Ze zijn allebei schurken, verzuurd, op de vlucht, hun familieleven wankelt. Tony A [voor de gemakkelijkheid] verblijft bij aanvang van het verhaal in Zuid-Amerika [San Telmo], Tony B in Afrika, Zuid-Afrika om precies te zijn. Tony A, een voormalig chefsteward op een cruiseschip, heeft speelschulden en is verplicht om toyboy te spelen voor de volvette vrouw van zijn schuldeiser, een Chinese moneyboy. Tony B heeft als computerspecialist een zakenbank laten crashen. Niet zozeer door de crash zit de beveiliging achter hem aan, maar omdat hij allerlei interne info heeft gejat die bezwarend kunnen zijn voor klanten en directie.

 

De roman bestaat uit drie delen en een proloog. Het voorspel detailleert de twee Tony’s. De ene is iets jonger dan de andere, ze vertonen een zekere fysieke gelijkenis en beide weten ze van elkanders bestaan niet af en nog minder vermoeden ze dat hun wegen elkaar zullen kruisen in weer een ander continent. Dat weet de lezer wel. Een gevaarlijke truc. Hij weet al wat er komen zal. Gelukkig kan Tom Lanoye vlot schrijven en blijf je lezen om dat laatste restje te weten te komen: het verloop van de confrontatie.

 

Lanoye mag dan een rasverteller zijn, in de eerste plaats is hij een toneelauteur. Dat uit zich in de heerlijke dialogen, maar verder… verder is het plot van Gelukkige slaven zeer dun en de detaillering vaak achterhaald. Waarom een bank crasht en wie daar verantwoordelijke voor is, is al honderden malen verteld. Dat hoeft de lezer niet nog eens te lezen. Mochten er onthullingen zijn uit de privé-sfeer van de gokkers en hun bank- en/of beurs, zou die info relevant zijn, maar dat is hier niet het geval. De info is cliché. Of al te simpel. Zoals de Culturele Revolutie wijzigen in Moeilijke Jaren [blz 147].

 

Extra irritatie is er door vanaf de eerste bladzijde seks in al zijn varianten prominent in beeld te brengen. Eerste alinea van het eerste deel: ‘Wat zou mijnheer Bo Xiang hiervan denken, vraagt Tony Hanssens zich beklemd af, terwijl hij in San Telmo zijn voetzolen tegen de bedrand schrap zet om zijn liefdesarbeid meer pressie en diepgang te verlenen. Met goed gevolg. Het tot nu toe beschaafde, ingehouden hijgen van de matrone onder hem verandert in gekreun. Iets laags en dierlijks. En zonder reserve. ’Een vrouw of man is niet nodig om een stijve te krijgen.’

Soms is een variante light version al voldoende om de lezer een zucht te laten slaken: ‘Na iedere voltreffer kreeg mijn maat een knoert van een stijve. Pas die erectie van hem, zei hij, bracht zijn slachtoffers dichterbij. Niet hun zwakke kreten, niet het weinige bloed dat hij had gemerkt in zijn vizierkijker. Zijn stijve. Die maakte hen tastbaar. Hij voelde zich erdoor besmeurd. Dat was het woord dat hij gebruikte. Besmeurd.’ [blz. 134]

 

Aan het eind van het hoofdstuk is de matrone bezweken door een combinatie van zijn gepomp en haar eigen gekreun. Maar dat is niet het einde van de sekspraatjes. Ze blijven opduiken. Vervelend is tevens de vinger te leggen op een zwakheid van Vlamingen, het hanteren van verkleinwoorden. Daar een hele passage aan wijden is storend, omdat de modale lezer van Lanoye, geen dwaas, dat ook al weet. De auteur maakt er zelf een spelletje van na een glas te veel, een bezoek aan een rusthuis, een ziekenhuis, een restaurant. Fragment: ‘Een biefstukske met een glazeke wijn erbij. Een toerke rond den hof. Gazetje, sigaretje, bakske koffie: alles op zijn gemakske.’

 

De wijdlopigheid van sommige passages stremt het verhaal. Is het nu werkelijk nodig te weten of ‘twee Porsches Cayenne, meer uitgestald dan geparkeerd’ staan? ‘De ene in jet green metallic, de andere in sand yellow, allebei met lederen bekleding in eenvoudig luxor beige.’ En of de chauffeurs ’gekleed [zijn] in een uniform van een soort blauw dat Tony zich herinnerde uit zijn jeugd.’ Het lijkt wel vrouwenliteratuur uit de magazines De Standaard en De Morgen. Je schilt op die dingen niets eens je aardappelen. Zonder die snelgroeiende bodembedekkers, zou de spanning beter zijn en de roman een thriller. Maar ja, dat mocht het wel zijn, maar dan op z’n minst een ‘literaire’ zoals dat tegenwoordig heet.

 

De wederwaardigheden van beide protagonisten botsen tegen elkaar aan het eind van het eerste deel. Beide Tony’s blijken voor eenzelfde baas te werken. De onthulling halverwege het boek, aan het eind van het eerste deel, doet het vermoeden ontstaan dat het tweede en derde deel een eindsprint met een lange surplace is. Dat is er een beetje over, maar niet zoveel. De oplossing van het probleem heeft Lanoye menen te vinden in de confrontatie tussen beide Tony’s en ze een lange dialoog te laten voeren. Het is theatertaal in romanvorm. Op toneel kan het spannend zijn – hangt van de regisseur af, maar op papier is het fraai maar zonder franje. Vlot schrijven garandeert geen vrij lezen.

 

Op z’n best is Lanoye bij lange monologen. Hij is uitvoerig in bronvermelding in zijn toneeltekstboeken, maar niet in zijn romans. Daar houdt hij het op een beperkte ‘Noot van de auteur’. Nu is leentjebuur spelen geen doodzonde. Was dat wel het geval dan verdienden alle auteurs die na de Grieken komen de eeuwigdurende slappe lul, om even in de lievelingswereld van Lanoye te blijven. Het tweede hoofdstuk van het tweede deel is zo’n pracht van een alleenspraak dat je hem een tweede leven wenst, als monodrama. Lanoye haalt dan het niveau van Beckett en O’Neill. Al ruikt de passage naar dezelfde brousse als de lange opwelling van de sergeant in Voyage au bout de la nuit, van Céline.

 

De zwarte Zuid-Afrikaan, die Tony A houdt voor Tony B en hem z’n laatste cent heeft afgetroggeld, houdt een pracht van een klaagzang over de vrijheidstrijd van de zwarten. Hoe hij en velen met hem beduveld werden door hun eigen leiders, vóór, tijdens en na de strijd, wanneer de macht in de mand van de voordien verboden partij ligt. De schurk blijkt ook een held te zijn. Hij is een schurk om het dochtertje van een dode strijdgenoot te helpen. ‘Maar een kind moet niet opdraaien voor de daden van zijn ouders. Ik zal haar toekomst garanderen. Rechtstreeks. Wat je zelf aan steun kunt geven, moet je niet overlaten aan een buitenlandse ngo.’

 

Bij Céline is sergeant Alcide de schurk als held. Hij belazert de Franse staat, zijn overste, de zwarte bevolking, zijn ondergeschikten, de kolonialen en steelt als de raven. Wanneer Bardamu, Céline in hoogst eigen persoon, de dief wil bestelen wordt hij betrapt en vertelt Alcide waarom hij steelt. Het dochtertje van zijn broer is wees. Hij zorgt vanuit de kolonie voor een goede opvoeding bij de nonnen in Frankrijk. Daar is geld voor nodig, veel geld, want die nonnen zijn niet goedkoop. Hij zal zelfs meer jaren in die tropische hel blijven dan zijn dienstcontract voorschrijft.

Na zijn biecht valt de sergeant in slaap. En Céline, de keiharde, altijd recht voor zijn raap, besluit hoofdstuk XII met een immens tedere alinea: ‘Hij sliep onmiddellijk in bij het kaarslicht. Ik stond tenslotte op om zijn trekken eens goed te kunnen bekijken. Hij sliep net als iedereen. Hij zag er heel gewoon uit. ’t Zou toch niet zo gek zijn als er iets bestond waardoor je goeie mensen van slechte kon onderscheiden.’

 

Gek genoeg gaat het boek vanaf dat moment in zesde versnelling. Het monodrama van de zwarte Afrikaan is een plateau, en na de top volgt logischerwijze de afdaling. Die maar aan vaart wint. Onopvallend geeft Lanoye de lezer een duwtje. Hij beseft het pas eenmaal hij op tempo komt, de belangrijkheid van dat duwtje, als volgt weergegeven: ‘Het was tijd voor retributie.’ [blz. 239]

Al is de afdaling een afdaling zoals hij moet zijn: met bochten, versmallingen en hobbels. Waardoor er geremd moet worden. De duimstok niet geheel ontvouwd is. Het verhaal aan geloofwaardigheid inboet. Lanoye weet er een functionele draai aan te geven, maar professor in de logica Leo Apostel, had hij nog geleefd en de afdaling aanhoord of onder ogen gekregen, zou gezegd hebben: ‘Ik zie u in september weer.’

 

Tom Lanoye is de meest gelezen schrijver van Vlaanderen. Maar hij is lang geen Ier of Rus. Dat waren / zijn rasvertellers. Al evenmin een Coetzee of Hermans. Hij mist de kunst van de beperking. Met vijftig bladzijden minder zou Gelukkige slaven een een vrij aardige roman zijn geweest. De afloop van het verhaal onthullen zou niet fraai zijn. De lof zal groots zijn en het applaus staande, want Lanoye is met de jaren de Vlaamse knuffelbeer geworden. Het is dus weer als vanouds, om een gezegde van de Nederlandse recensent Loek Zonneveld te parodiëren: u moet echt het boek kopen en zelf lezen. Na zowat 100 van de 300 bladzijden zal de lezer weten of deze kritiek de spijker op de kop sloeg. 

 

Lanoye heeft getracht een roman te schrijven ontsnapt aan de Vlaamse klei. Daar is hij maar ten dele in geslaagd. Maar het siert hem dat hij het heeft geprobeerd. Die weg op gaat. En al heeft Lanoye het moeilijk met kritiek, hij is niet dom. Hij weet de kernpunten uit de kritieken te halen. Ze te parkeren in zijn achterhoofd. Om ze weer te voorschijn te halen bij het schrijven van een volgende roman. Hopelijk eens seksloos. Want een met een open gulp wordt al gauw goedkope pulp.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
4 septembre 2013 3 04 /09 /septembre /2013 14:00

 

MetBroer1.jpg

In foto studio

MetBroer2.jpg

Antwerpen, De Keyserlei, in de tijd dat beroepsfotografen hun kost ook op straat verdienden, bijvoorbeeld Lucky-Foto, Appelmansstraat...

MetBroer3.jpg

Knokke-Zoute, 1953

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche