Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
20 février 2014 4 20 /02 /février /2014 12:00

 

Ik heb geen verrekijker nodig om te weten

met wie ik wil duiken en spuiten:

grienden en bultruggen zijn mijn vrienden.

 

En zie, zie, die dolle kleine dolfijnen

die ons volgen

boven en onder de golven.

 

 Toch moet ik het bekennen:

bovenal bemin ik de narwal,

de eenhoorn van een noordelijke zee.

Hendrik CARETTE

Partager cet article
Repost0
16 février 2014 7 16 /02 /février /2014 04:48

 

Maarten-Embrechts.jpg

Maarten Embrechts, pseudoniem voor Luc Mertens, is dichter-kunstschilder. Pas de zestig voorbij, is hij gaan publiceren. Vanaf 2008 verschijnen zijn gedichten in diverse tijdschriften en wordt hij opgenomen in een paar bloemlezingen. In 2010 en 2011 wordt hij genomineerd voor de Melopeeprijs. Met Dagen van koffie en van brood volgt nu zijn debuutbundel.

Hij noemt het zelf een doorlopende vertelling in dichtvorm, die de ontwikkeling schetst van een opgroeiende jongen in de vijftiger/zestiger jaren tot aan het afscheid op latere leeftijd van zijn demente moeder. Embrechts doet dat in vijf korte cycli, die ieder een fase uitlichten uit het opgroeien van kind tot volwassene.

Vanaf het eerste vers is Embrechts duidelijk, deze gedichten gaan over hemzelf, zijn onzekerheid over wie hij is: Er is aan ons huis een haag waar ik in kan / kruipen en zelfs recht kan staan Na school / moet ik daar altijd even in en uit…en verder in het laatste vers van het openingsgedicht Hoe kan mijn hoofd van / jongens houden als mijn lijf iets anders zegt Moet / ik dan mijn voeten in mijn moeders schoenen zetten. Het zijn de schoenen van zijn moeder, damesschoenen, die de rode draad vormen doorheen deze bundel en metafoor zijn voor de zoektocht naar zijn identiteit, zijn geaardheid en de worsteling daarbij met zijn ontwakende seksualiteit: Van vrouwen kan ik de wandel niet meer / dragen Ze halen alle mannen bij me weg en in de derde kantelcyclus Malonne: Het moet volstaan voor de tussenwereld / die ik bouw halverwege man en vrouw.

De intense moederbinding en de totale afwezigheid van de vaderfiguur doordesemen elk gedicht. Waar in de eerste twee cycli Het Duifhuis en De schoenen van mijn moeder de dichter zoekt en twijfelt, tracht hij te aanvaarden in de laatste twee cycli. In Jezus spelen wil hij in het reine komen met zijn vader Iedereen heeft een vader nodig / De mijne is pas laat gekomen / Eerst moest hij nog dood, in Oud papier met het afscheid nemen van zijn dementerende moeder De dagen zijn van koffie / en van brood / Wat rest is stilletjes / naar onkruid zitten kijken / De leegstand groeit.

Ondanks het sterk autobiografische karakter van deze bundel omzeilt Embrechts, op een paar clichébeelden na zoals de rechtse praat van Vlaamse Jezuïeten…en hun obsessie met seks, de valkuil van het therapeutische schrijven. Zijn gedichten zijn geschreven in een strakke eenvoudige taal, wars van onnodige epitheta of verbloemde beeldspraak, gedragen door een aangehouden sterk ritmische cadans. Ze stralen een soort ingetogen tristesse uit en emotionele spanning, die doet denken aan de 19de-eeuwse romantici. Daarom is het spijtig dat Embrechts nergens leestekens gebruikt maar daarentegen wel een nieuwe zin aankondigt met een hoofdletter. Het dient geen enkel doel, verstoort aanzienlijk de leesbaarheid en werkt contraproductief ten aanzien van de onmiskenbaar pregnante zegging, die van zijn poëzie uitgaat.

Richard FOQUÉ

Kaft-Dagen-van-koffie-en-van-brood.jpg

Maarten EMBRECHTS, Dagen van koffie en brood, Antwerpen-Rotterdam, C. De Vries-Brouwers, 2014, 47 p., 14,90 €. ISBN 978-90-5927-591-1

Partager cet article
Repost0
15 février 2014 6 15 /02 /février /2014 15:49

 

Boekenmanie.jpg

Ik heb een ongeremde liefde voor de uitgave van de klassieken door Uitgeverij Athenaeum. Een reeks die koudbloedig wordt afgesneden. Ik koester Ploetarchos’ Beroemde Romeinen (ook al koos de schrijver voor de schrijfwijze Ploutarchos), Paul Claes’ vertaling van Herakleitos (Alles Stroomt), Empedokles’ Aarde, Lucht, Water en Vuur, en misschien meest nog van Ammianus Marcellinus, Julianus, de Laatste Heidense Keizer, in een meesterlijke omzetting door Daan den Hengst. Apostaten, ik heb er een zwak voor. Dat geldt ook voor uitgevers. En met name voor wat bedremmelde, soms benepen, maar onmiskenbaar door liefde gedreven atavisten als Johan Polak. Jood, homoseksueel, traditionalist, met meer smaak en verzamelwoede en geld dan met het aanvoelen van kerende winden.

Koen Hilberdink gaat dit jaar zijn volledige biografie uitgeven. Ik ben radeloos. Want als Polak een gortdroge letterenknorhaan was, dan is zijn biograaf, helaas, een perkamentverweerde pennenlikker, die er nergens in slaagt een vonk van echt leven te doen ontbranden. Stroef als een rasp, stug als schuurpapier. Dat blijkt uit het “feestboek” dat bij het vijftigjarig bestaan van de uitgeverij gewijd werd aan de aanloopjaren van een getormenteerd, en vooral zeurderige uitgever, en dat het eerste deel uitmaakt van de beoogde biografie. Aan aanleidingen ontbreekt het nochtans niet. Polak koketteerde maar wat graag met zijn behoudsgezindheid, met zijn slachtofferschap, met zijn manuscriptenjacht, met zijn familiaal mecenaat, met zijn onbegrensde bewondering voor wat ik, met de mantel der liefde, maar zal omschrijven als de hoogdravende romantiek van J.H. Leopold, P.C. Boutens en P.N. Van Eyck. Zijn afkeer van de Vijftigers was legendarisch, zijn verdediging van de tekst-en-niets-dan-de-tekst in de Vorm of Vent discussie even wereldvreemd als zijn beleggingen. Het doet de wenkbrauwen fronsen als je dan ziet dat hij een stukje over Marsman kwijtkon in het gestencilde blaadje Braak. Foute tijd, foute plaats, foute dichter. En ergst van al: foute schrijver, in het gezelschap van Campert, Kousbroek, en later Lucebert en Schierbeek. Hilberdink neemt het stukje (er is geen ander woord voor) in extenso op (blz. 45-6), en besluit zelf dat Polak geen zinnig oordeel kon verwoorden, maar uitstekend kon citeren. Dat “debuut als essayist” bestond uit twee “brokstukken” van Marsman, in het Duits en het Nederlands, een citaat dat ook J. de Haan aanhaalt, en een fragment van Leopold, aaneengelijmd met acribische verwijzingen naar Trakl of Apollinaire, en enkele boekhoudersnotities dat “het verzameld werk overal bij de erkende boekhandelaar verkrijgbaar” is. Zijn tekst leest als wat Lucebert bij de Tachtigers beschimpt: “Zodat de vreugde met een vreemde vrouw in bed, des anderendaags in kuise verzen omgezet, niet ruisen als het zaad, maar kraken als kostschoolse gewaden”.

Polak hield zich verre van de vrouwen (behalve zijn moeder). Hij hield van ranke mannen, en verafgoodde Frits Staal en Rob Van Gennep. Dat deed hij goed. Polaks tekortkoming was de polemiek van de daad, het krampachtig terugharken naar andere tijdsgewrichten. Had hij zich daartoe beperkt, in plaats van stoffige (Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde) , bestofte (Maupertuus) en afgestofte (Cartons voor Letterkunde, Merlyn) tijdschriften, reeksen en uitgeverijen (De Beuk) te lanceren om jongeren te kapittelen, dan was zijn historische verdienste er minder besmuikt uitgekomen. Want hij heeft aangetoond dat hij aanleg had om als belezen filoloog zijn verering tot hoge toppen te voeren: met tekstuitgaven (het werk van Leopold), tekstbewaring, keurige en fraaie uitgaven, en met gevoel voor schoonheid.

Kritische zin daarentegen bleef geborneerd, en dat geldt voor zijn biograaf nog meer. Hilberdink gedraagt zich meer als een middeleeuwse kopiist dan als een diepgravend schilder van een tijdsgebeuren. De familie Polak hield er bij voorbeeld een boeiende sociaalgerichte loonpolitiek op na. Dat verdient alle lof. Ze werd gered door de oorlogsuitgever Cook Brummer die “ervoor gezorgd had dat de familie Polak een stempel op het persoonsbewijs had gekregen waarmee ze vrijgesteld was van deportatie” (blz. 17). Later kregen ze geld toegestoken en valse persoonsbewijzen omdat het zelfs in Amsterdam “ook voor joden met een zogenaamde vrijstelling levensgevaarlijk was geworden”. Waarom dat zo was, hoe dat werd toegepast, welke uitwegen Johan Polak kreeg, wie hem de hand boven het hoofd hield, Hilberdink glijdt er bijna achteloos over. Hij is gebiologeerd dat de zestien-, zeventienjarige jongeling (die best rijp was voor verplichte arbeid, of wie in een treuriger en meer vanzelfsprekend geval een enkel ticketje naar Auschwitz of, zoals zijn grootmoeder, Bergen-Belsen wachtte) “de fraaie boeken miste uit de bibliotheek van zijn vader die zo vanzelfsprekend in het huis van zijn jeugd hadden gestaan”. Zijn boekenmanie, dat is blijkbaar de focus, verenigde “twee belangrijke aspecten van zijn leven: het jodendom en homoseksualiteit” (blz. 28). Nochtans zijn niet de vermeende wereldvreemdheid en letterkundige tunnelvisie van Polak op dat ogenblik wezenlijk, maar zijn angst en zijn troost, die hem voorgoed “alert op wat hij noemde ‘de nieuwe golf van antisemitisme’”maakte (blz. 19). Hilberdink slikt slaafs alles wat in het jaloers bewaakte archief, in het Stadsarchief van Amsterdam, bewaard wordt en “toegankelijk is voor de biograaf”, van kritische afstandelijkheid of vraagtekens bij de wonderbaarlijke ontsnapping aan de nazivervolging is nauwelijks sprake.

Natuurlijk, zal Hilberdink opwerpen, ik schrijf een literaire biografie, geen sociologisch beredeneerde. Maar kun je een flambouwdrager van de Nederlandse uitgeversgilde zomaar loskoppelen van Europese en persoonlijke tragedies, die hoedanook hun stempel drukten op de uitgavepolitiek en de gemaakte keuzes ? Moeilijk. En als we het dan toch moeten terugbrengen naar literaire accenten, dan wordt wel de samenwerking met Rudy Kousbroek en Rob Van Gennep, zij het ruw geborsteld, getrouw belicht, maar nergens vind ik een uitleg waarom in een spraakmakend tijdschrift dat Merlyn in zijn korte bestaan toch was, een diep verfoeide jongere als Lucebert, zelfs in de eerste jaargang, ruimschoots aan bod kwam – als dichter, als tekenaar, én als analytisch tekstobject. Ik heb het even nagetrokken. In het eerste nummer al (november 1962) verschenen drie alles behalve eenvoudige gedichten: ‘Adieu Tropenweelde’, ‘Noach’ en ‘Communiqué’. Op dat ogenblik is Lucebert natuurlijk al in ruime kring geconsacreerd als woordkunstenaar, en in het canon opgenomen, maar de ommezwaai die Polak daarvoor moest maken komt niet te berde. Overigens had Lucebert zelf kort voor en in de oorlog Heine en Hölderlin nauwkeurig bestudeerd, wat toch een gemeenschappelijk platform legde voor de dichter en de uitgever. Maar goed, verder. Nummer 2, alweer drie duistere gedichten: ‘Het gelijk – een Chanson’, ‘gij zult rondtasten in de middaghitte’ en ‘topkonferentie’. In datzelfde nummer al maakt H.U. Jessurun d’Oliveira een lange stilistisch-poëticale ontleding van één ander gedicht, ‘Op het Gors’. Van nummer 3 tot 5, nog altijd in de eerste jaargang, ontspint zich een polemiek tussen C.W. Van de Watering, W.J.M. Bronzwaer en Aldert Walrecht over ‘De Visser van Ma Yuan’.

De gedachte dringt zich op dat behalve jodendom en homoseksualiteit vooral (makkelijk verkrijgbaar) geld een doorslaggevende rol speelde. Dat bewijst niet alleen de financiering (veelal door zijn moeder) van al zijn stukgelopen tijdschriften, en Polaks lapidaire opmerking: “Het geld is geen probleem”. Polak als de vleesgeworden Heer Bommel. Geld was de brandstof voor zijn échte obsessie: verzamelen. Caroline De Gruyter heeft dat in een dooraderd, levendig stuk nadrukkelijk aangetoond. Het werd niet toevallig gepubliceerd in Money van december 1990 en droeg als titel: “Verzamelen. Literaire Prijzen” – waarbij prijs verwijst naar wat Polak neertelde voor manuscripten die hij onmiskenbaar als belegging zag. Zijn eigen tulpenbollenhandel, als het ware.

Over zijn gedrag moet geen oordeel geveld worden, want laten we eerlijk zijn, Polak heeft vele teksten behoed voor vergetelheid en beschimmelde of uit het collectieve geheugen verdwenen teksten opnieuw ter beschikking gesteld. Dat is een verdienste die hem nooit nog afgenomen wordt. Maar een vrolijk man kun je hem moeilijk noemen: zelfingenomen, praalzuchtig, hooghartig, wat decadent, etherisch (hij geloofde zelfs in grafologie en in de “gedachtenmachine”, de nieuwe technische versie van mesmerisme – waarin zelfs Aldous Huxley meeging – en vooral van spiritisme en esoterie à la Blavatsky), kortom een nuffige, Haagse regent. Zie het hoofdstukje “Haagse Vrienden”, blz. 61-73. Hilberdink, de dorknoper van dienst, heeft op bijna dezelfde, verdorde maar aanbiddende wijze over Polak geschreven als de Meester zelve, van wie de waardige essayist Kees Fens terecht schreef (en wat Hilberdink gelukkig als afsluiter van zijn proeve tot biografische aanzet gebruikt): “Als uitgever een voortzetter van de traditie, geen vernieuwer van de literatuur”. Dat is knap, maar krijgt alleen zijn soortelijk gewicht omdat andere uitgevers ruimte hebben gelaten voor een dergelijke insteek in het naoorlogse uitgeversuniversum – en dan denk ik in eerste instantie aan Geert Van Oorschot (wiens Russische bibliotheek moeiteloos naast de klassieke teksten van Polak mag staan), Geert Lubberhuizen (de modernen bij De Bezige Bij) en Emile Brugman (Atlas). De liefde voor het boek heeft bij Polak, als ik Hilberdink volg, eerder te maken met een psychische afwijking dan met een bewuste maatschappelijke keuze. De vergoelijking van Hilberdink valt anders moeilijk te vatten, laat staan te verdedigen, als hij vooropstelt : “Door terug te grijpen naar de traditie en de band met een verleden van voor de Tweede Wereldoorlog gaf hij vorm aan zijn maatschappelijke betrokkenheid”. Het lijkt mij eerder een op zichzelf terugplooien, op vaste waarden, op een wereldbeeld dat niet langer bestond, op de zekerheid van de klassieke poëtica en de erkende grootmeesters. Daar is niks verkeerds mee, als de biograaf de intellectuele eerlijkheid behoudt om getuigenissen en polemieken af te toetsen aan de uitgegeven teksten zelf, en aan de denkwereld van de uitgever en de behouden kringen waarin hij verkeerde. Die wereld moet contextueel geduid worden in een ruimere maatschappelijke dynamiek. Nu blijft de anekdotiek te vaak de enige drijfveer om Polak aseptisch te maken, tot eponiem te verheffen van de voorbeeldige uitgavenpolitiek. Als heiligenbeeld op een voetstuk gezet (als ik niet geweten had dat hij uit een vrijzinnig, atheïstisch milieu kwam). Een onbesneden en onversneden liberale jood. Die niet van vrouwen hield. Gelukkig is er ook nog Sappho. Haar Gedichten zijn vertaald en uitgegeven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep in 1999. Door Mieke de Vos (echt geen familie van me). Maar wat laat. Johan Polak was al in 1992 gestorven.

Lukas DE VOS

Koen HILBERDINK, Boekenmanie. De Geboorte van Johan Polak als Uitgever. Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep 2012, 103 blz., 14,95 €.

Partager cet article
Repost0
8 février 2014 6 08 /02 /février /2014 11:44

 

Lecompte-baldadige.jpg

De bundel van Delphine Lecompte telt vijf delen en een epiloog. In tegenstelling tot haar vorige bundels werkt ze vanuit een observatie om tot een conclusie te komen. Vertrouwde vorm. Met de waarneming gaat ze op de loop, als wil ze haar dagelijkse geschiedenis vertellen zoals ze die waarneemt. Elke nieuwe dag is een nieuwe geschiedenis, maar met dezelfde rituelen en mechanismen. Ze tracht die te doorbreken met een voorgebakken luciditeit. De tijd van waanzin heeft Lecompte al ver achter zich gelaten, maar ze tracht hem te reconstrueren. Het is een manier om de sleur van de gemeenschap en de burgerlijke setteling die zich voortdurend opdringt te weerstaan.

De gedichten van Lecompte zijn artificiële dagdromen. Waren haar gedichten in vorige bundels spontane explosies, in De Baldadige Walvis ontmijnen ze de bommen uit haar woest verleden. Wat lucide was is nu vaak krampachtig geworden, vooral als haar vader en moeder, afzonderlijk wegens een gescheiden leven, verschijnen. Toch wordt de lezer vaak verrast. Als zij van de buitenwereld het binnenbestaan induikt. Dan vermoordt zij de heiligheid en herrijst die in de boosheid. Omdat zij doodmoe is van het geknoei van de maatschappij. Haar muze, de oude kruisboogschutter, is haar afleidingsmanoeuvre, haar virtuele bodyguard, bovendien de man die haar ijdelheid verzorgt en onderhoudt. Ze bekent het, eerlijk en oprecht, niet onder maar achter de verwijzingen naar hem.

Lecompte verpakt haar aangeboren venijnigheid in een hinkstapsprongtaal. Bij de voordracht zorgt die voor hilariteit, mede door haar gepoederde puberale stemgebruik, annex lichaamsmechaniek. Zonder de theatrale trucs valt aan te raden haar gedichten met mate te consumeren. Het is dus beter, en hier spreekt de criticus als dokter, slechts één gedicht per dag te nemen en in het weekend geen. Zoals elke gedicht voor haar een afkickproces is, is dat ook het geval met de lezer als consument.

Overdaad, daar is waar Lecompte moet op letten. Ze schrijft dagelijks en is door haar succes minder kritisch geworden. Dat levert een teveel aan Me, myself and Iop. Daarenboven heeft ze van elke leugen, en daar wemelt het van in haar gedichten, een woordgrapje gemaakt. Charmant maar ambetant. Ik heb haar door, denkt de lezer, en slaat het blad om.

Toch blijft haar poëzie behoren tot de origineelste van de 21steeeuw in de Nederlanden. Dat vraagt om meer. Ze zou echter zelf de kracht moeten opbrengen de lezer niet te verwennen. Want dat doet ze met De Baldadige Walvis. Schoonheid, namelijk, is net als alcohol of comfort, je went eraan. Poëzie mag wel een walvis zijn, maar geen baldadige.

Als voorbeeld is een gedicht gekozen zonder ‘ik’. Het is een pareltje, in een zee van mossels in hun menopauze, haaien zonder vinnen, kreeften met botte scharen en zeepaardjes op hun retour.

 

Zo word je een kind

 

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:

Hol naar het dichtstbijzijnde bos

En laat je adopteren door wolven

Ook al kun je INSECT al spellen, en op de valreep NEILPAARD

Het is beter laat dan nooit, en je bent nog maar zeven.

 

Wolven zijn laat happig om kinderen aan te nemen

Zolang de kinderen niet te veel noten op hun zang hebben

En bereid zijn de waarschuwingsfabels van hun ouders achter te laten

En hun twistzieke zussen, en hun aanstellerige namen, en hun brevetten En de dommige dashond, en de pedofiele tuinman, en het vlindernet, en de waterput.

 

Nu ben je een kind geworden dat een wolvenfamilie kan verzinnen

Het hoeft niet te stoppen in het bos, je moet je niet beperken tot wolven

Je kunt ook naar de Zee en onder de hoede van de onstuimige Neptunus

Slierten kweken, zeepaardjes berijden en baarzen belazeren

Of naar de steppe om je te laten koesteren door korzelige kamelen.

 

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:

Ga naar het hoenderhok, strooi granen in het rond

En laat de achteloze kippen je toekomst voorspellen

Ze komen uit hun hok en ze zijn gulzig

Dat kan maar 1 ding betekenen: het wordt een verrukkelijk leven!

 

Guido LAUWAERT

 

Delphine LECOMPTE, De baldadige walvis, Antwerpen, De Bezige Bij , 239 p., 15,95 €

Partager cet article
Repost0
7 février 2014 5 07 /02 /février /2014 11:15

 

Wij-totale.jpg

De bundel van Peter Verhelst telt acht cycli, waarvan 'Totale vlam' de eerste en de langste en 'Wij' een tweeluik is. Tussen beide staat een lang gedicht … 'Nooit was en zal zijn'. Het lijkt wel alsof Verhelst even de pauzeknop heeft ingedrukt want het tweede luik sluit aan op het eerste. In het eerste deel staat de vrouw centraal en is de man getuige, in het tweede reflecteert de man op de tijd tussen hen beiden. Is die kort, lang geweest? Verhelst is daar niet duidelijk over, omdat de tijd geen rol mag spelen. De stille tederheid overwint, vanuit een introspectie.

Verhelst zegt in deze gedichten, maar ook in de andere van de bundel, wat hij moeizaam tot niet kan zeggen in de conversatie met de medemens. Hij is een man die zijn woorden wikt en ongeschikt bevindt. Soms zegt hij ze toch, een mens is nu eenmaal verplicht te spreken, gezien de maatschappelijk omgeving waarin hij vertoeft, maar Verhelst stottert geestelijk. Zijn gestotter is voor hem een vorm van beleefdheid. Hij houdt niet van grote woorden, wel van afgebroken gedachten. Ze wandelen de adem, woordvoerder van de innerlijke stem, in en uit, maar behouden een dunne, breekbare tred, die langs de rivier van de herinnering wandelt.

De rivier, symbool voor de levensloop in lichaam en geeft, in daad en contradaad. Opmerkelijk is de aanwezigheid van water in zijn poëzie. Het water als een vuur. Water en vuur, de tweeling van de zon. Maar de vuurbal van Verhelsts zonnestelsel implodeert in elk gedicht. Het maakt dat de lezing eist om herlezing. De lezer ziet wat er staat, maar pas na herlezing krijgt hij een beeld van wat er dieper en dieper in het staan staat.

De poëzie van Peter Verhelst is helder als een bergmeer en toch zie je de bodem niet. Bewust. Een vermoeden is meer dan voldoende, al hoeft zelfs dat niet. Gewichtloosheid is de oerwil, zwaartekracht gewurgd.

Wij totale vlam is een bundel voor de windstille momenten. Wie snel wil lezen valt. Wie de onmetelijke tijd neemt, vindt het groene zeewier.

De gedichten van Peter Verhelst zinken en zweven in het menselijk gemoed.

 

We moeten in beweging blijven – waarom zwoegen we anders elk

in onze kleine olieblauwe kajak uit de riviermond naar zee

tot we eerst geen land en daarna geen vogels meer zien?

 

We staan in ons mangat als mast en houden onze jas

als een zeil open, samen vormen we geen groot schip.

 

We hadden nooit kunnen denken deel uit te maken van een zon

aan de overkant van wat we kennen.

 

Het is vermoeiender dan gedacht

elkaar niet uit het oog te verliezen – ons geschreeuw weerkaatst

tegen onzichtbare bergen.

 

Het is koud en helder als glas ’s nachts.

 

Ik heb geprobeerd in contact te blijven

[schoof mezelf als een antenne uit],

 

maar

de stilte

totaal

de stilte.

[eerste pagina van het lange gedicht 'Blauwe kajak / Eiland Sandy]


Guido LAUWAERT

Peter VERHELST, Wij totale vlam, Amsterdam, Prometheus, 64 p., 15 €

Partager cet article
Repost0
6 février 2014 4 06 /02 /février /2014 02:44

 

Mon but dans la vie : aujourd’hui. Mon but aujourd’hui : maintenant.

Marcel Mariën, La Licorne à cinq pattes

 

Denkend aan de Brugse weefkunstenares Corinne Toussein (°Brugge, 1942 – Tielt, 2012) denk ik verbijsterd aan het krachtige en prachtige Franse verleden deelwoord abasourdi want Corinne was zo mooi en zo jong toen ze nog jong en mooi was en nu bij haar dood ben ik echt verbijsterd, want ze was al zo verrimpeld en verschrompeld.

*

Het boek De soldaat Johan van Filip de Pillecyn maakte van mij al heel vroeg een soldaat in dienst van een verboden en al bij voorbaat verloren staat.

*

De repressietijd : Toen Dr. August Borms werd gefusilleerd in de kazerne van Etterbeek luisterde Stijn Streuvels naar de zanglijsters in de haag van zijn Lijsternest. Hij kon allicht niet anders, of ook hij werd gearresteerd.

*

De tijdsgeest : Toen Charles Baudelaire zijn haar groen liet verven, las Guido Gezelle hier zijn brevier.

*

Ik geloof dat die maarschalk en prins; Prince de Ligne, of gewoon met zijn naam Charles-Joseph de Ligne (Brussel, 1735 – Wenen, 1814), een poosje mijn nieuwe nachtvriend wordt… Zijn boek Pensées & Fragments (Paris : Arléa, 2000) met een kort voorwoord van Madame de Staël ligt al weken op mijn nachttafel en ik blijf almaar lezen en bladeren in dit zeer curieuze boekje. Wat een hoogverheven humor! Wat een hooghartige geest en wat een hoge figuur (een nobiljon pur sang ) die tot het einde van zijn leven loyaal bleef aan de Oostenrijkers. Eén voorbeeld van één van zijn vele geestige gedachtesprongen : Pour ridiculiser le premier auteur bourgeois qui écrirait contre la noblesse, il faudrait le faire baron. Il y serait pris, et l’homme d’esprit deviendrait le plus fier des barons.

*

Ik ben helaas geen vrijmetselaar en ook geen joodse kosmopoliet, maar de weinige echte (geen valse broeders) vrijmetselaars (de meesten van het Groot-Oosten) die ik persoonlijk goed heb gekend of enkele keren ontmoet waren elke keer weer toch zeer bijzondere burgers die mij zeer genegen waren.

*

Twee keer heb ik nu al de film Melancholia van de Deense regisseur en cineast Lars von Trier mogen zien met de mooie Kirsten Dunst en de minder mooie maar charmante Charlotte Gainsbourg, met Charlotte Rampling en Kiefer Sutherland. Ondertussen schuift ook voor mij de planeet Melancholia almaar dichter en dichter bij onze aardedonkere aarde.

*

Binnenkort reis ik met de trein naar Aken of Keulen om daar in een boekhandel te zoeken naar één boek : Das Reich der niederen Dämonen van Ernst Niekisch. Wedden dat ik het zal vinden? Een literaire criticus moet altijd ook een beetje een literaire detective zijn. En uiteraard koop ik daar dan in een krantenkiosk het weekblad Junge Freiheit. De naam en de faam van deze Duitse nationaal-bolsjewist blijft mij achtervolgen en fascineren.

*

Hoe komt het toch dat dat wondermooie Afrikaans van de blanke Afrikaners en de bruinmense zo klank- en kleurrijk klinkt in onze oren? Ik weet het : omdat het lijkt op het Zeeuws-Vlaams, maar dan minder gezouten en minder gepekeld. Dadelijk klaar voor oraal gebruik. En sappig en succulent als een tropische vrucht in de Karoo, in Stellenbosch, in Paarl of in het oude Oudtshoorn.

*

Onlangs was ik even voor een paar dagen in Parijs en bezocht er voor het eerst het huis Carette op de Place du Trocadéro. Een vreemde ervaring : je ziet overal je eigen Franse familienaam en toch ben je daar incognito…Ik dacht aan de dichter Paul Celan die hier ergens in 1970 in Parijs in het koude water van de Seine sprong en aan de Luikenaar Georges Simenon die het hier in Parijs echt naar zijn zin had en een grote fan was van de zwarte zangeres Joséhine Baker met haar bekende meeslepende chanson J’ai deux amours, mon pays et Paris… En in de boekhandel van Gallimard op de boulevard Raspail deed ik een nieuwe prachtige ontdekking en kocht er prompt mijn eerste boek van Bernard Groethuysen. Ja, ik word echt een maniakale bibliofiel op zoek naar het ultieme boek.

*

In mijn bureau die ook als bibliotheek fungeert bevindt zich al heel lang een merkwaardige biografie van P.C. Boutens, de bekende classicus en ook dichter en Zeeuw uit Middelburg. Het boek met als titel Uit het leven van P.C. Boutens werd geschreven door Dr. Karel de Clerck (Amsterdam : Athenaeum – Polak & Van Gennep, 1969, tweede herziene druk) en voor de bibliofielen onder ons : het boek heeft zelfs geen ISBN-nummer, maar misschien werd dit toen nog niet vereist. Op het rode stofomslag staat een niet ondertekende tekst die het volgende vermeldt: ‘Mede door de onderzoekingen van dr. Karel de Clerck valt de laatste jaren een opleving te bespeuren in de belangstelling voor het werk van Boutens, die na zijn dood in 1943 al spoedig in de vergetelheid scheen te geraken, hoewel hij eens na Willem Kloos de meest gevierde dichter van zijn tijd was. Inmiddels is een nieuwe uitgave van Boutens’ volledige lyriek verschenen (1968). In 1970 zal het feit worden herdacht dsat de dichter honderd jaar geleden werd geboren.’ Een wat droge wervende tekst die evenwel niet werd bewaarheid want de dichter P.C. Boutens werd vier à vijf decennia later niet eens opgenomen in de canon van Paul Claes (Lyriek van de Lage Landen). Maar daarover gaat het nu niet. Op pagina 141 van dit boek herlees ik een in de marge aangestreepte uitspraak : ‘Ik heb Versailles gehaat. Omdat het meende, het Duitsche volk te kunnen knechten. Omdat voor 22 jaren de toenmalige overwinnaars geen gebruik van de gelegenheid hebben gemaakt, om een waarlijk verbonden Europa te stichten. Wat noodig is, want eens zullen wij de rassenstrijd moeten voeren. Men heeft in Engeland en Frankrijk gezeurd en gekletst. Daardoor kon in Duitschland een man opstaan, die op één ding telkens weer hamerde. Een man die zichzelf gelijk bleef; hij heeft heel wat weggevaagd, weg-ge-vaagd, verstaat ge. Weet u dat Hitler voor Frankrijk een geluk is geweest? Anders was het ver-blumd. Jammerlijk ver-blumd. Wij moeten daarvan leeren. Maar wij moeten echte Nederlanders blijven. Onszelf. Als onszelf moeten wij deelnemen aan een Europeesch geheel, dat thans kan komen.’ Vooraleer dit te citeren meldt de auteur op pagina 140 : ‘In De Telegraaf van 3 augustus 1940kon heel Nederland lezen, wat Boutens tijdens een interview verklaard had.‘ Mijn besluit : Dichters en politiek, het blijft een gevaarlijk nog niet ontmijnd domein.

*

Voor de westerling komt het gevaar veelal uit het oosten (zoals het licht).

*

Een dichtende boerenzoon zei gisteren in mijn ochtendkrant (De Standaard van 30 januari 2014) : Ik ben een kosmopoliet. En ik dacht; het rijmt op de woorden suikerbiet en kierewiet en noteerde een naakte waarheid onder het afdak van een mooi allitererend aforisme : ‘Het exil is het laatste elixir voor de elite.’

*

Wie nooit één boek, één paragraaf of ook maar één zin van Marguerite Yourcenar in haar gebeeldhouwd Frans wil of kan lezen zal nooit of nooit weten hoe hoog verheven de Schoonheid en de Waarheid klinkt.

*

De wijze levensles van de Noord-Amerikaanse antropoloog was klaar en duidelijk : Blijf niet in Parijs, Londen of New York. Kies voor een tropisch of een subtropisch woud in Borneo, in Mexico, in Peru of bij de Papoea’s van Nieuw -Guinea. Draag daar dan een peniskoker en mijd de malariamug. Maar mijd vooral de veldweg en de bosweg die naar nergens leidt.

Hendrik CARETTE

Partager cet article
Repost0
5 février 2014 3 05 /02 /février /2014 10:32

 

Lakens met de vorm van een kinderlichaam nog,

voetstappen in de sneeuw,

bloemen die nog lijken te luisteren

naar een bluesnummer uit de jaren 60.

 

Ook waar er niets is, is er iets gebeurd.

 

Het bed waarin een kleinkind sliep,

de wandelaar met de zwarte hond,

de oude platenspeler, die klik zegt :

dit alles behoort tot mijn kleine

vaderlandse geschiedenis.

 

Kris GEERTS

Partager cet article
Repost0
1 février 2014 6 01 /02 /février /2014 21:20

 

VonkenZonen.jpg

Op Gedichtendag, donderdag 29 januari, vond de slotavond plaats van de tournee van Achterom, een initiatief van het jonge promobureau Vonk & Zonen, dat met poëzie rijk en beroemd denkt te worden. Op het programma gedichten die in de loop van 2013 op de laatste pagina van De Morgen verschenen. De opdracht was toevertrouwd aan vijf dichters, waaronder twee van de drie CEO’s van het promobureau, Michaël Vandebril en Maarten Inghels. Aangezocht waren verder nog les amis de mes amis Delphine Lecompte, Max Temmerman en Ruth Lasters.

 

Om beurt schreven ze een gedicht voor de donderdagse editie van de krant. Het was vaak de mooiste en beste pagina van de krant, want onder ons gezegd en niet gezwegen, die krant gaat er aan een vaart van een Chinese hogesnelheidstrein op achteruit. Nog even en het doel is bereikt. Maar misschien is dat ook de bedoeling, een krant te maken voor pubers met een IQ 90. Maar laat ik terugkeren naar de oorspronkelijke bedoeling van dit artikel.

 

Het programma bestond uit een greep uit de korf met de Achteromgedichten. De zelf beter bevonden gedichten door de dichters werden gekozen, gelieerd aan – en nu citeer ik uit de promotekst geplukt van de website van Vonk & Zonen, ‘De naweeën van Fukushima, het klokkenluiden van Snowden, het bloedvergieten in Syrië, de homofobe sfeer in Rusland, onze kersverse koning Filip, de GAS-boetes en de dood van Margaret Thatcher’.

 

Het is niet de bedoeling de dichters op de slachtbank te leggen en hun gedichten een voor een te fileren en te analyseren. Waar ik me wel wil aan wagen, en nog vóór dit artikel is uitgetikt al van kan zeggen dat ik daar op een briljante wijze in geslaagd ben – het artikel heeft een degelijke voorverwarming gehad, ik diende het enkel in de oven te schuiven, is een algemene impressie over het programma te geven.

 

Max Temmerman was niet in levende vorm aanwezig. Door het binnenhalen van een prijs moest hij die avond in de Antwerpse Arenbergschouwburg zijn. Het programma begon dan ook met een videoboodschap waarin hij zijn afwezigheid verantwoordde. Hij deed dat op een rustige, stijlvolle wijze, zodat het publiek in de Vooruit applaudisseerde voor een projectie op een scherm. Beetje vreemd, vindt u ook niet? Je slaat de handen toch niet op elkaar na een aflevering op de televisie van FC De Kampioenen. In de loop van de avond las hij nog enkele vacuüm getrokken gedichten voor.

 

De vier overige dichters dienden dus de contractueel afgesproken lengte van de verbale expositie te vullen. Dat deden ze met een keurigheid die verrast. Zijn zij de dirigenten van de eerste generatie dichtersfanfare van de 21ste eeuw? Dan staat ons heel wat teleurstelling te wachten. Stuk voor stuk is het viertal, maar ook de virtueel aanwezige Max Temmerman, de schoonzoon of – dochter die elke moeder wil voor zijn kant & klaar uitgebroed en dus huwbaar kind. Zelfs Delphine Lecompte, ooit een junkiepunkie, nu een onderwijzeres aan de rand van de tweede leeftijd. Met dit vijftal wint men de zesdaagse niet en sneuvelt er geen vlieg.

 

De gedichten van Michaël Vandebril hebben weliswaar meer diepte gekregen dan deze uit zijn poëziedebuut en gebundeld in Het vertrek van Maeterlinck, en zijn presentatie heeft minder paradetrekjes, maar ze voegen niets toe aan wat al vaststaat. Hij verwoordt de actualiteit nuchter en zelfs met een zekere afstandelijkheid. Dat is een keuze die ik respecteer, maar niet accepteer. Mijn karakter laat dat niet toe. Hetzelfde geldt voor Maarten Inghels, zij het dat zijn gedichten een overmatig zoetgehalte en hijzelf een groot snoepgehalte heeft. Hij is zo minzaam dat je hem je dochter cadeau zou willen doen. Ik mag dit gerust zeggen.

 

Ruth Lasters presenteert zich als de Mater Dolorosa én de woordvoerster van de VVM, de Verenigde Vlaamse Malcontenten. Haar poëtische ontboezemingen laten zich lezen als verkleurde protestborden en stoot zij uit haar vervuilde stem als versleten klaagzangen. In Rusland werd of word je niet gearresteerd voor een aanklacht maar wel voor een protest. Dat was al zo tijdens het tsarenbewind, werd vervolgd in de periode van het Sovjetsysteem en vertoont geen slijtage onder de nieuwe Raspoetin van het Kremlin, Pater Poetin. Vraag het maar de dames van Pussy Riot. Ruth Lasters zou, indien zij in Rusland dichtte, geen verbanning naar Siberië, niet eens een wenkbrauwgefrons van een neuspeuterende censuurambtenaar riskeren.

 

Delphine Lecompte stelt ook vast, maar haar gedichten hebben een lucide humor, wat haar onschadelijk maakt. Zij is de Dorpsidioot des Vaderland. Dit is geen belediging, integendeel, een felicitatie. Want al mag zij geen protestdichter zijn, en ik denk dat zij dat ook niet wil zijn, zij weet wel prachtige verbale a capella’s te componeren en ze als een lustige weduwe vanuit een droge humor en dus op nasale wijze ten gehore te brengen. De climaxen op papier verliezen niets aan kracht en macht bij voordracht.

 

Op weg naar huis, en in aanloop naar deze, het kan niet genoeg gezegd worden, briljante beschouwing, kwam ik tot het besluit dat het kwintet de vertegenwoordigers zijn van een Ikeageneratie. Alles stofvrij, fris en beeldschoon, maar met een beperkte houdbaarheidsdatum. Zij kijken op naar Simon Vinkenoog, zijn bloedbroeders en de Beatgeneration, maar hebben niet hun strijdbaarheid. De huidige nieuwe dichters wagen hun leven niet, evenmin hun naam en faam. Die is hun te dierbaar. Geloof me, de enige ware protestdichter van 1970 tot op de dag van vandaag is Johan Joos.

 

En o ja, er was ook nog muziek. Van De Held, een duo gitaristen waarvan eentje onder het getokkel gedichten zong, gevonden in de restafval van een vegetarisch restaurant. Nog flauwer van geur, kleur en smaak dan de pap die Miel Cools serveerde. Voor Miel had en heb ik nog enige waardering. Hij wist meisjesbroekjes nat te krijgen. Daar is het heldenduo niet toe in staat.

Guido LAUWAERT

 

Zie ook mijn bijdrage op :

http://mededelingen.over-blog.com/article-literatuur-in-de-lift-en-in-een-hongerwinter-122338765.html


http:// www.vonkenzonen.be

Partager cet article
Repost0
31 janvier 2014 5 31 /01 /janvier /2014 05:54

 

Stijn-Vranken--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: (c) Bert Bevers

In een gesprek met Cyrus Sadrabadi (gepubliceerd in de jongste aflevering van De Nieuwe Antwerpenaar, gedateerd 1 februari) definieert Stijn Vranken de poëzie als 'de mooiste vorm van twijfelen'.

Bovendien is een gedicht geen lange trip zoals een roman, maar een “shotje” geconcentreerde, pure taal. Ik hou wel van die bondigheid. [...] Sowieso krijgt elke stadsdichter de volledige artistieke vrijheid. Wat dat de volgende twee jaar juist zal opleveren, weet ik nog niet. Ik hou van poëzie die plots in het straatbeeld opduikt, die mensen even doet stilstaan. Weinig mensen lezen uit eigen beweging poëzie, maar iedereen die enkele jaren geleden de Boerentoren passeerde, heeft toen wel het gedicht van Tom Lanoye gelezen. Ik schrijf over wat mij fascineert in de stad. Neem nu Park Spoor Noord. De impact van dit park op de hele buurt is ronduit indrukwekkend. Een stad is een levend organisme, dat in staat is om hele wijken in positieve zin te transformeren.'

Stijn Vranken studeerde af als productontwikkelaar. Hij zegde zijn goedbetaalde job als researcher op om om zich te wijden aan de poëzie – 'Mijn beste slechte beslissing ooit!'. Hij is bekend van 'De Sprekende Ezels', een maandelijkse poëzieavond in verschillende steden voor jong talent en schrijft voor 'De Eenzame Uitvaart', 'een onwezenlijk mooi initiatief van Maarten Inghels waarbij we voor eenzaam gestorven Antwerpenaars een persoonlijk gedicht voordragen op de uitvaart'.

Partager cet article
Repost0
27 janvier 2014 1 27 /01 /janvier /2014 13:50

 

PD-James.jpg

Donderdag, na de hier eerder vernoemde nieuwjaarsdrink, las ik pas in bed de licht nostalgische maar verhelderende en dus bijzonder aanbevolen beschouwing van P. D. James (Baroness James of Holland Park, °1920), 'A nice gentle murder. The pleasures of “Golden Age” detective fiction – and why it can no longer be written', verschenen in The Spectator van 14-28 december 2013 ( – met dank aan Karin Lebacq die mij een fotokopie bezorgde).

P.D. James focust op de vrouwelijke auteurs en hun personages en deelt impliciet de inzichten van de Antwerpse marxistischehoogleraar (VUB) Ernest Mandel (1923-1995) over de Britse misdaadliteratuur van het interbellum (cf. Delightful Murder: A social history of the crime story, 1984). Klassenverschil en snobisme waren alomtegenwoordig – en oefenden vaak een niet geringe invloed op de ontwikkeling van het verhaal.

A character in Alan Bennett's play Forty Years On describes English literature as “snobbery with violence”, words which are more commonly applied to crime fiction, and to detective stories in particular. […] Where modern sensibility detects snobbery, the writer was probably describing a social distinction which was generally accepted and seldom challenged. Even so there is for many of the women writers of the Golden Age a clear division between “our kind of person” and those who are not.'

Dorothy L. Sayers stelde onomwonden vast: 'Death in articular provide the minds of the Anglo-Saxon race with greater fund of innocent amusement than any other single subject.' Te oordelen aan de wereldwijde populariteit van het genre zijn het niet alleen de Angelsaksen die verslaafd zijn aan moord en mysterie, aldus P.D. James.

Twee boeken van haar werden voortreffelijk verfilmd door de BBC: Death in Holy Orders (2003) en The Murder Room (2004), met in de rol van de dichtende Commander Adam Dalgliesh Martin Shaw (die ook meesterlijk gestalte gaf aan inspecteur George Gently en de onvergetelijke Judge John Deed).

Phyllis Dorothy James, FRSA en FRSL, werd bedolven onder de prijzen en onderscheidingen; ze werd in de adelstand verheven (en zetelt dus als 'life peer' in de House of Lords) en verzamelde een achttal ere-doctoraten. Sinds 1997 is zij president van de welstellende en invloedrijke Society of Authors. P.D. James is bovendien OBE (Officier of the Order of the British Empire).

KimPhilby.jpg

Kim Philby (1912-1988), leidinggevend lid van de Britse Secret intelligence Service was eveneens OBE – maar ook Held van de Sovjet-Unie. In 1963 wist hij (in nog altijd onopgehelderde omstandigheden) te vluchten naar de Sovjetunie vanuit Beyrouth, waar hij als journalist werkte. Hij werd in Moskou begraven met alle militaire eer verschuldigd aan een generaal van de KGB. Verrader of held? Alleszins een fascinerende persoonlijkheid. Philby is hoe dan ook een icoon.

The Spectator (6 augustus 2011) publiceerde een bijzonder revelerende bijdrage over de lectuur van Kim Philby in Moskou: 'Kim Philby's library. The traitor' revealing letters to his Cambridge bookseller'. Zonder meer aanbevolen...

Zie: http://www.spectator.co.uk/books/7140658/kim-philbys-library/

*

Minder bekend is de fabelachtige Trebitsch-Lincoln (1879-1943) over wie – in laten we zeggen, 'esoterische' kringen (bewust of louter uit onwetendheid of verblinding) – heel wat rubbish gepubliceerd werd. Maar dat is een ander verhaal.

*

Ceterum censeo: in verband met heel wat (ook vermaarde) schrijvers en hun bindingen met inlichtingendiensten allerhande valt een boeiend essay te schrijven.

'Elementary, my dear Watson'. Deze vaak aangehaalde woorden van de vermaarde detective zijn echter in geen van de 68 Sherlock Holmes novellen te vinden die Sir Arthur Conan Doyle schreef...

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche