Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
5 juillet 2008 6 05 /07 /juillet /2008 05:46

Eerstdaags verschijnt de nieuwe aflevering van het bulletin van ça ira, dat door Christine Neuhuys in een nieuw kleedje werd gestoken. De redactie werd versterkt met romanist Rik Sauwen, baanbreker van de studie van dada in België, en historicus Robin de Salle.

Mei 68 wordt zijdelings herdacht door dagboekaantekeningen van Paul Neuhuys die tevens als volwaardige homo ludens een aantal gezelschapspelletjes aanreikt onder het motto “Le fric et l’Afrique”. Een treffend artikel uit 7 Arts (1923) over Le Zèbre handicapé van Neuhuys van de hand van Léon Chenoy,  en een beschouwing van Neuhuys over Chenoy’s Le Feu sur la banquise, verschenen in Sélection (1925), worden terecht uit het stof gehaald.

Henri-Floris Jespers publiceert een grondig dossier over de relaties tussen “Paul Neuhuys & Maurice Gauchez”.

 

Maurice Gauchez, lino van Pierre-Louis Flouquet, 1928


Als schrijver is Maurice Gauchez vergeten. Tussen 1920 en 1930 was hij echter alomtegenwoordig als onbaatzuchtige en onvermoeibare animator en uitgever van La Renaissance d’Occident, een eclectisch tijdschrift dat misschien niet gezaghebbend was en vandaag nog maar zelden de aandacht van literatuurhistorici trekt. Tussen die duizenden vergeelde bladzijden valt er echter nog heel wat te ontdekken en in een passende context te situeren. De verdiensten van de gelijknamige uitgeverij kunnen niet zomaar over het hoofd gezien worden. Gauchez heeft zich immers hardnekkig ingezet voor de verspreiding van het theater van Michel de Ghelderode toen het in Franstalig België zogoed als geïgnoreerd werd, en hij publiceerde proza van o.m. Marie Gevers, Franz Hellens en Paul Neuhuys.

In de vaste rubrieken komen o.m. Henri Chopin, Geert van Bruaene, Paul van Melle, Wout Hoeboer en Clément Pansaers aan bod. Thierry Neuhuys brengt verslag over de opvoering te Argenteuil van Sofokles’ Œdipoes koning door het Théâtre de l’Homme.■

 

Bulletin de la Fondation ça ira, no 34, juillet 2008. 50, Chaussée de Vleurgat, 1050 Brussel. Abonnement (4 nummers) : 20 €, te sorten op rek. 068-2287225-89 van Fondation ça ira.

 

www.caira.over-blog.com

Partager cet article
Repost0
3 juillet 2008 4 03 /07 /juillet /2008 14:20

Kris Humbeeck onderstreept in een uitvoerig interview met AlfabetA dat het sommigen van de ca. 165.000 kopers van Mieke Maaike’s obscene jeugd wellicht ontgaat dat het pornografische gedeelte van het oeuvre van Boon is bedoeld als maatschappelijke satire en morele aanklacht.

“Boon heeft altijd voor meer menselijke vrijheid gepleit, maar als hij begint te vrezen dat de seksuele revolutie is doorgeschoten, en het geweld in de mens wederom de bovenhand haalt, look in de seksuele beleving, hekelt hij als schrijver de geleidelijke pornificatie van de samenleving. Als er iets is wat je Boon onmogelijk kunt verwijten, is het wel dat hij de onverschilligheid zou hebben gecultiveerd. In zijn parodistisch bedoelde pornografische werk confronteert hij de lezer metlink de rauwe ‘sadistische’ manier waarop mensen ook in hun liefdesleven met elkaar omgaan. Hij houdt ons een spiegel voor, in de hoop een reactie uit te lokken. Al zijn romans zijn confronterend, altijd zit er een morele component. In mijn ogen is Boon een averechtse moralist, een oneerbiedige nazaat van Blaise Pascal.”

Boononderzoeker en –biograaf K. Humbeeck heeft de wetenschappelijke leiding over de editie van het op 24 delen begrote verzameld werk van Louis Paul Boon, waarvan nu al zeven delen bij De Arbeiderspers zijn verschenen.

 

AlfabetA, driemaandelijks magazine van de Universiteit Antwerpen, jg. 22, nummer 76, juni-juli-augustus 2008. Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen. (Coördinatie en inlichtingen: Gilberte Somers, tel. 03 220 47 10 / gilberte.somers@ua.ac.be ).

Partager cet article
Repost0
1 juillet 2008 2 01 /07 /juillet /2008 05:04

Onuitgegeven: Paul van Ostaijen, dokter Mutsaars en het sanatorium te Waterloo-La Hulpe.

Memoires: Herinneringen aan La Rade en Pink Poet.

VECU revisited: 16 december 1978: Georges Adé over Het bed van Procrustes

van Henri-Floris Jespers.

Misdaad loont: Charles den Tex, Gouden Strop 2008.

Door de leesbril bekeken: Archief Paul-Gustave van Hecke & Emile Langui geveild bij Bernaerts; Honest Arts Movement; L.P. Boonprijs 2008: Philippe de Chaffoy.

Citaat: Bernard Dewulf; Le Réseau

Agenda

 

 

Redactioneel


 

Stijgende olieprijzen, toenemende hongersnood - wereldwijd. Geen commentaar.

Treffender, een gedicht van Bert Bevers.

 

Aubade met geheven vuisten

 

Dit schamel verweer op krakende podia mag

de ochtend niet verontrusten. Terstond herzien

dan ook de dauw op krekels, dit houten gevoel,

deze verleden zonden. Oliehandelaren sturen

jonge soldaten met lege helmen ongekende landen

 

in. Zij kennen letters slechts van televisieschermen.

Straks zijn ze verder van huis. Verder zijn ze dan.

 

Partager cet article
Repost0
30 juin 2008 1 30 /06 /juin /2008 23:48


Op donderdag 10 juli 2008 is Ruth Lasters te gast bij De Muzeval.

Inleiding en presentatie Herman J. Claeys en Bart van Peer. Na de pauze: vrij poëzie-podium.

Deuren: 19u30.

Aanvang: 20 u.link

Toegang: gratis.

Locatie: literair-artistiek café Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat, 2000 Antwerpen.

(Openbaar vervoer: Groenplaats)

Naast schrijfster van een roman, korte verhalen en gedichten is Ruth Lasters romanist en in die hoedanigheid lerares te Antwerpen.

In 2006 debuteerde zij met de roman Poolijs ( Meulenhoff/Manteau). Zij schrijft ook columns en korte verhalen die tot hier toe verschenen in tijdschriften als Deus ex machina, De Brakke Hond en in de bloemlezing Mooie Jonge Honden.

In oktober 2008 verschijnt haar poëziedebuut Vouwplannen (Meulenhoff/Manteau). Losse gedichten verschenen tot nog toe ondermeer in Het Liegend Konijn, Deus Ex Machina, Revolver, En er is, Lava, Krakatau, NRC Handelsblad en in de bloemlezing Op het oog, 21 dichters voor de 21ste eeuw.

www.ruthlasters.be

Partager cet article
Repost0
19 juin 2008 4 19 /06 /juin /2008 20:34

De briefwisseling tussen Willem Elsschot en Paul-Gustave van Hecke (een briefkaart en twee brieven van Elsschot en de kladversies van Van Hecke’s brieven aan Elsschot, december 1949 – januari 1950) omtrent de verfilming van Het dwaallicht door de Société Belge de Production cinématographique (in wording) en bijgevoegde technische documenten, geschat op 600 à 800 €, haalde gisteren op de hier aangekondigde veiling bij Bernaerts te Antwerpen 1.500 € (plus 23 % commissie)? Dat is wel erg duur betaald. De brieven van Van Hecke zijn immers reeds gepubliceerd, zo ook het “Projet de convention”. (Zie: Willem Elsschot, Brieven. Verzameld en toegelicht door Vic van de Reijt met medewerking van Lidewijde Paris, Amsterdam, Querido, 1993, pp. 768-772.)

(HFJ)

 

Partager cet article
Repost0
17 juin 2008 2 17 /06 /juin /2008 21:28

 

Hugo Schiltz, Georges Adé en Henri-Floris Jespers

Op 16 december 1978 werd mij bundel essays Het bed van Procrustes, een uitgave van Walter Soethoudt, in VECU voorgesteld. Georges Adé (1936-1992) belichtte het boek als volgt:

 

Caro Arrigo,

We moeten je dit boek benijden. Het tekent “een krachtig intellectueel verzet” aan “tegen de dreigende existentiële massificatie en geestelijke nivellering” (blz. 136; je speelt er een voortreffelijke dubbele rol in: die van de “dilettant”, die vrede neemt “met het besef van de absurditeit”, “die berust”, en die van de “dandy”, die aanhoudend vecht “om het bewustzijn van de absurditeit te overtreffen” (blz. 146).

In beide gevallen maak je de “sociale onschadelijkheid” van het intellect wat minder definitief.

Je identificeert je met de legendarische figuur Prokroustès, wiens naam zoals je het zelf zegt naar het Griekse werkwoord prokrouoo verwijst: “ik raak, ik duw, ik stoot (ook in de geslachtelijke zin)”. Maar je beweert ook, en niet altijd tussen de lijnen, dat dit werkwoord in de eerste plaats jezelf als voorwerp heeft: dit schrijven is een “behoedzame zelfkwelling”, je beweert tussen boeken en schrijvers te laveren “als een dronkaard in een smalle, al te smalle impasse”.

Men kan het werkwoord nochtans ook anders begrijpen.

Met enige aandrang leid je ons naar “het onvoorwaardelijke” feest – samen met Oscar Wilde, George Noel Gordon Byron, Hugues C. Pernath pp, Lode Craeybeckx, Maurice Gilliams, Gaston Burssens, Jos de Haes, Patrick Conrad, Paul de Vree, Albert Szukalski, Guy Vaes, Ivo Michiels, Paul Joostens e.v.a. – in een duidelijk doorluchtig en intelligent gezelschap, om begenadigde en vluchtige ogenblikken te kunnen bestendigen, begenadigd met “de lichtende genade van een ontredderende waarheid”, dit is: de “ongenaakbare vrijheid”.

Je leert ons ook welke die vrijheid is: die van een “ontbonden subject”, in een metaforische stad. Mogen we dit als volgt begrijpen: het ik-samen-met-anderen-in-de-wereld, dat alle dwingelandijen onderstellen, wordt nu feestelijk verlaten, voor het meervoud van een veelzinnige vreugde?

Waarde vrienden, dierbare Henri,

Bij het verschijnen van een dergelijk boek, dat een culturele identiteit, hier, eindelijk denkbaar maakt, past niet zozeer een of andere kritische redevoering. Ik werk al enige tijd aan zo iets als een gedicht, waarvan ik tot voor kort maar stukken en brokken bezat. Ik die nu tot een geheel kunnen verwerken, met citaten uit je boek, Henri. Ik zou dan dit “gedicht” nu willen voorlezen, als een hommage, bij deze feestelijke gelegenheid. Het is een beetje lang, ik vraag dus even aandacht, het is iets minder komisch dan gebruikelijk.

Na Georges Adé voerde Hugo Schiltz het woord.

&

Het lange gedicht van Georges verscheen in januari 1979 in een geïllustreerde “Special” van VECU-Express. Het bevat grondig bewerkte fragmenten van, in volgorde, Laurent Veydt, Henri-Floris Jespers, Pierre-Jean Jouve, Adriaan Roland-Holst, Werner Spillemaeckers, Michel Bartosik, Herakleitos, Hugues C. Pernath, Niccolò Machiavelli, Patrick Conrad, Henry David Thoreau, Nic van Bruggen, Roland Barthes, Paul Snoek en Anne Adé (vier jaar).

(HFJ)

 


Jacques Lacrosse, directeur-generaal van Impact, koopt een boek. Naast hem:

Clara Haesaert en Wilfried Adams.


 

Partager cet article
Repost0
17 juin 2008 2 17 /06 /juin /2008 02:57

 

De Antwerpse “Vecu”, het privé-clublokaal van de Vereniging voor Europese Cultuur Uitwisseling, was in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een begrip. Vaste tooghangers waren o.m. Wilfried Adams, Georges Adé, Michel Bartosik, Maris Bayar, Walter Blockhuys, Raymond van den Broeck, Nic van Bruggen, Hendrik Carette, Patrick Conrad, Gerald Dauphin, Leo Dohmen, Hugues Pernath, Jan de Roek, Tony Rombouts, Julien Schoenaerts, Lucienne Stassaert, Paul Snoek, Hugo Schiltz, Albert Szukalski, Walter Soethoudt, Werner Spillemaeckers, Guy Vandenbranden, Jef Verheyen en Mark Verstockt.

Frank Albers, André Glavimans, Hugo Claus, Paul Danckaert, André Goezu, Marcel van Maele, Phil. Mertens, Michel Oukhow, Saint-Rémy, Eddy van Vliet kwamen er vrij geregeld over de vloer.

André Fontaine (hoofdredacteur van Le Monde), Max-Pol Fouchet, Gustav René Hocke, Eugène Ionesco, Jacques Isorni, Hubert Lampo, Stan Lauryssens, Harry Mulisch, Paul Neuhuys, Guy Vaes, hielden er lezingen.

Ik was nauw bij VECU betrokken, maar schrijf dit nu gewoon uit het geheugen neer.

In de komende maanden zal ik hier kriskras allerlei herinneringen ophalen worden, vaak aan de hand van fotografisch materiaal als geheugensteun. De rubriek “VECU revisited” wordt dus zoiets als een kladboek voor een later essay.

Documenten (bijvoorbeeld uitnodigingen, krantenknipsels en exemplaren van het tijdschrift VECU-Express) en persoonlijke herinneringen aan VECU worden derhalve in dank aanvaard: via reacties op dit adres of via hfj@skynet.be.

Ziehier als uitsmijter een foto (1978-1979), gekiekt in de tentoonstellingzaal van VECU, met, van links naar rechts:

Jef Geeraerts, Roger J.M. de Neef, Marl Verstockt, Henri-Floris Jespers, Georges Adé, Rosette Keirsmaekers, Clara Haesaert (Leo Pleysier tussen Rosette en Clara) en Marcel Obiak.

Partager cet article
Repost0
13 juin 2008 5 13 /06 /juin /2008 01:54

Vandaag verschijnt aflevering 119 van de Mededelingen van het CDR.

 

rodes.over-blog.com

In opdracht van Het Nieuwsblad werden 1001 Vlamingen door onderzoeksbureau iVOX bevraagd over de toekomst van het koningshuis.

Als koning Albert op 6 juni van volgend jaar 75 wordt, kan hij maar beter troonsafstand doen, vindt 43,6 % van de ondervraagden in deze internet-enquête. 24,2 % vindt dat Albert na zijn verjaardag in 2009 koning moet blijven.

Amper 25,8 % is ervan overtuigd dat Filip een waardige troonopvolger is en 46,3 % deelt de stelling niet dat hij klaar is om de troon te bestijgen.

Het republikeinse gevoel leeft bij de Vlaming, maar heeft evenveel voor- als tegenstanders, telkens ruim 36 procent.

 

Inhoud

 

Onuitgegeven:

Hugues C. Pernath over Paul de Vree

Henri-Floris Jespers: Hugo Claus, voorlopig definitief, definitief voorlopig

Misdaad loont:

Charles den Tex, Gouden Strop 2008; John Vervoort over Vlaamse thrillers.

Door de leesbril bekeken:

Manifeste du Surréalisme geveild te Parijs; Gregor van Rezzori, Memoires van een antisemiet; “Waarom de Amerikanen geen Nederlands spreken”; Dieter Van Ierland, Ubaldo Guicciardini en Paul Neuhuys; Fonds Gala-Salavador Dalí dient een klacht in tegen Stan Lauryssens; Nieuwe onthullingen in de zaak Berghmans / Jageneau?

Agenda

 

Proefnummers van de CDR-Mededelingen kunnen aangevraagd worden via: hfj@skynet.be

Partager cet article
Repost0
10 juin 2008 2 10 /06 /juin /2008 03:23

Een blijkbaar vrolijk mystificerende blogger die schuilgaat onder het pseudoniem “Dieter Van Ierland”, publiceerde volgend bericht (http://demistdertijden.skynetblogs.be/archive-week/2007-39):

“In het gemeentemuseum van de Italiaanse stad Modena trof ik een foto van ene Ubaldo Guicciardini. Die zou in Modena geboren (31 december 1891) en getogen zijn, en er (merkwaardigerwijze op zijn verjaardag, 31 december 1953) ook de laatste adem hebben uitgeblazen. De opname in kwestie zou op 17 september 1938 gemaakt zijn tijdens een vakantie in België, in Verviers meer bepaald. Guicciardini zou vrienden in Antwerpen en Brussel hebben gehad. Hij schreef onder meer het toneelstuk La Poponaia (La Melonnière), waarvan bekend is dat het in elk geval op vrijdag 19 januari 1951 is opgevoerd in Antwerpen. Dat gebeurde in het toenmalige Théatre du Foyer, aan de Paleisstraat 41. Ubaldo Guicciardini schreef ook de dichtbundel Nei prossimi giorni. (“In de eerstkomende dagen”). Er doen vreemd genoeg geruchten de ronde dat Ubaldo Guicciardini helemaal niet bestaan zou hebben, en een alter ego van Paul Neuhuys zou zijn geweest.”

Het gevolg was dat een goedmenende leek zich in alle ernst geroepen voelde mij schriftelijk terecht te wijzen. Hij beseft blijkbaar niet dat “Dieter Van Ierland”, wiens ware identiteit ik wel degelijk vermoed, zich graag minzaam opstelt als discreet en intelligent mystificerende blogger.


Neen, La Poponaia is wel degelijk een toneelstuk van Paul Neuhuys. Om zich daarvan te vergewissen volstaat het de 31ste aflevering van het Bulletin de la Fondation ça ira (pp. 42-44) te lezen.

“t Staat in de gazet”, zei de volksmond destijds.

“’t Staat op het net” zegt vandaag de weinig kritische surfer.

Nihil novi sub soli.

Henri-Floris JESPERS

Zie ook: www.caira.over-blog.com     

Partager cet article
Repost0
7 juin 2008 6 07 /06 /juin /2008 01:16

Henri-Floris Jespers en ExLibris-voorzitter John Bel

 

Op uitnodiging van de kring ExLibris hield Henri-Floris Jespers op  4 juni een lezing onder de titel “Hugo Claus: definitief voorlopig of voorlopig definitief?”. Hierna volgen enkele uittreksels.

Op 22 november 1963 zat ik rond half zeven met moeder naar televisie te kijken. Het programma werd onderbroken met een bericht over de aanslag op president Kennedy. In de late avond van 9 augustus 1974 zat ik met Werner Spillemaeckers in VECU te kijken en te luisteren naar de afscheidsrede van president Richard Nixon. Op zaterdag 26 april 1986 zat ik met kamerarrest in Hotel Intercontinental te Praag. De ramp van Tsjernobyl zou ik pas een dag of twee later vernemen. Op 11 september 2001 hoorde ik vaag een radiobericht bij mijn krantenboer. Er was een aanslag gepleegd op het WTC, wist hij me te vertellen. Ik dacht aan het WTC te Brussel, waar ik jaren een kantoor had.

Van l. naar r.: Thierry Neuhuys, dr. Paul Hoffbauer, Luc Neuhuys, Jan van Oostende en
een peinzende Marga

 

Op 19 maart 2008, in het “Goudblommeke van papier” te Brussel, waar ‘s avonds een literaire avond zou plaatsvinden naar aanleiding van een aflevering van het tijdschrift Connexion over de legendarische kunsthandelaar en kroegbaas Geert van Bruaene, vernam ik rond 16 uur het overlijden van Hugo Claus.

Een rits journalisten en persfotografen kwamen ‘s avonds opdagen. Neen, niet uit belangstelling voor Van Bruaene, maar op zoek naar dankbare slachtoffers die Claus gekend hadden en bereid waren op scherpzinnige vragen te antwoorden als daar bijvoorbeeld zijn “Wanneer en waar hebt u hem voor de eerste keer ontmoet?”, “Hoe was hij in de omgang?”, “Kunt u een anekdote vertellen?”

De 84-jarige dichteres Clara Haesaert, die in de jaren vijftig met haar man Gentil de drijvende kracht was achter het kunstcentrum Taptoe, waar de schilder Claus in 1956 zijn eerste persoonlijke tentoonstelling in Brussel hield, kreeg zo de cruciale vraag voorgeschoteld: of ze verliefd is geweest op Claus, of hij op haar…

Kortom, het was duidelijk dat de schrijver al meteen herleid was tot een dankbaar onderwerp voor de rubriek “People”. In de komende dagen ging het van kwaad tot erger.

Van l. naar r.: Pruts Lantsoght, Maria Houthoofd, Erik Verstraete en Gert Vingeroets

Het eerste huwelijk van Claus werd op 31 mei 1955 in het “Goudblommeke van papier” gevierd. Geert van Bruaene, acteur bij het Vlaamse Volkstoneel, compagnon van Paul van Ostaijen in de kunstgalerie La Vierge Poupine en weggenoot van de surrealisten, Magritte op kop, trad als parodiërende officier van de burgerlijke stand op. Karel Appel, Corneille, Jan Cox en Roger Raveel waren aanwezig, en Albert Bontridder, Maurice d’Haese, Lucebert en Simon Vinkenoog, en Parijse en Romeinse vrienden.

De anders nuchtere en feitelijk wat schuchtere Jan Walravens was nogal beschonken. Hij schoof in de schoenen van een kaal Academielid en improviseerde een grafrede voor de toen 26-jarige Claus:

“Claus, heb ik geroepen, die wij vandaag alle bewenen, was een onzer gelukkigste schrijvers. Hij was schatrijk toen hij stierf, niet alleen lid van de Leopoldsorde zoals Louis Paul Boon, maar ook lid van de Kousenband. Hij won alle prijzen… Hij kende eerst een fantastische opgang, ging dan verschrikkelijk aan de drank, maar realiseerde omstreeks zijn veertigste jaar een werk, dat wreedheid met fantasie paarde.”

&

In 1954 achtte Claus het oeverloze debat over de “experimentele” poëzie als voorbijgestreefd. In de vierde aflevering van Taptoe stelde hij onomwonden:

Daar de meeste critici (noodgedwongen) lui zijn en onbekwaam, hebben zij van hetgene waarover zij zich in het publiek uitlaten slechts de meest oppervlakkige noties. En daar critici clichés als dagelijks voeder nodig hebben werd van het woord: ‘experimenteel’ gretig gebruik gemaakt. Experimenteel werd het gedicht dat niet rijmde, dat geen lestekens had, het gedicht met een Engels of een obsceen woord in. Experimenteel werd elke vorm, elke gedachte, elk gevoel waarmee zij (lui, onbekwaam) niet onmiddellijk vertrouwd waren. Ter afwisseling dienden de woorden: nihilisme, Van Ostaijen, dadaïsme, existentialisme, enz.

(Daartegen werd dan onherroepelijk het woord: klassiek gesteld. Op de vertrouwde manier scholen onder deze benaming: Euripides en Vondel, Shelley en Corneille. Klassiek werd het symbolisme zoals de barok, Van de Woestijne zoals Reimond Herreman). Het is overduidelijk dat de voorlopigheid die aan het woord ‘experimenteel’ hing in 1949 thans is opgeheven.

Wie dit niet merkt en nog verder in slagersstijl met de woorden existentialisme, Van Ostaijen, dadaïsme, experimenteel aankomt wanneer het bijvoorbeeld uw dienaar betreft, beschouw ik als een windbuil, een geestelijk minderwaardige.

Joke van den Brandt en HFJ

Hierbij stelde Claus geenszins dat “experimenteel” een overwonnen standpunt was, neen, integendeel, “experimenteel” was al canoniek geworden. De herleiding van de experimentele poëzie (van zijn poëzie) tot vroegere stromingen bestempelt hij (terecht) als een minderwaardig argument. Het wordt trouwens, gek genoeg, vooral door de conservatieve kritiek gehanteerd : “Het is niet eens nieuw…” Net alsof een sonnet schrijven of een academisch naakt schilderen wél iets nieuw is. Anderzijds houdt de verklaring van Claus ook een sneer in tegen de trendgevoelige na-apers.

Enige zin voor provocatie was Claus nooit vreemd maar de bezwaren tegen de jongeren die hij voor “neo-experimentelen” sleet, waren reëel. In een gesprek met Gaston Burssens zou hij anno 1957 opnieuw dit thema zijdelings maar zwierig aanboren.

Op zijn veertiende had Claus een lijvige historische roman geschreven over de XIVde-eeuwse Vlaamse opstandelingenleider Nicolaas Zannekin. Hij deelde Burssens mee dat hij onder de invloed van Rodenbach en Tollens het grootste gedeelte van dit boek in versvorm had geschreven, en voegde daar aan toe:

Lach maar niet. Rodenbach en Tollens schijnen nu wel heel belangrijke figuren te zijn, want zij duiken nu opnieuw op bij de neo-experimentelen met hun gezwollen beeldspraak, hun gebrek aan wat men in het Frans rigueur heet en het overtollige belang dat de opgezweepte woorden krijgen”.

Waarop Burssens laconiek reageerde:

Ik vrees dat de neo-experimentelen, zoals jij ze noemt, het niet helemaal met je eens zullen zijn. Misschien zien zij het later wel in.

Op de vraag wat is er met die historische roman gebeurd, antwoordde Claus dat hij die helaas vernietigd heeft.

Waarom helaas?, vroeg Burssens.

Waarop het typisch Clausiaanse antwoord kwam: “Misschien had hij nu wel sensatie verwekt.”

Dirk Maeyens en Kris Kenis

Een van mijn leermeesters, de enige nog in leven, professor Jean Weisgerber, heeft het duidelijk onderstreept:

Claus is geen denker die zijn indrukken logisch systematiseert, hij ziet de dingen los van elkaar, afzonderlijk, net als kleurvlekken in een caleidoscoop, maar zo hij ze van elkaar scheidt, dan wordt dit ontbindingsproces aan de andere kant gecompenseerd door een tegenovergestelde kracht die de dingen weer tot een splinternieuw patroon verbindt.

Dat maakt dat zijn poëtisch denken overwegend plastisch is, picturaal, beeldend. Maar dan als (passieve) afbeelding, maar als (actieve) verbeelding – het maken van beelden.

Vandaar dat de poëzie van Claus (afgezien van zijn sterke, sensuele liefdesgedichten) erudiet heet, hermetisch, moeilijk toegankelijk. Iedereen zal meteen aannemen dat je enige inspanningen moet leveren om een goeie boogschutter, slager, pokerspeler, of loodgieter te worden. Waarom zou het met literatuur anders zijn? Iedereen zal sowieso aanvaarden dat je enige kennis van zaken moet hebben om over de kwaliteit, de deskundigheid van een boogschutter, slager, pokerspeler of loodgieter te mogen oordelen. Maar iedereen matigt zich een oordeel over kunst en literatuur.

Herman Teirlinck, een van onze (uiteraard vergeten) klassiekers, heeft er op gewezen dat de hermeticiteit van het gedicht geen muur is, “wel de omheining die het poëtisch gebied afsluit”.

“Men moet ertoe doorgang kunnen krijgen. Voor de ene is zulks bezwaarlijker dan voor de andere, minder naargelang van de hermeticiteit van het gedicht dan naargelang van de ontvankelijkheid van de lezer (of toehoorder). Het probleem van de doordringbaarheid, zegge de begrijpelijkheid van een dichtstuk heeft zich te allen tijde gesteld.”

Mieke de Loof en Christian van Haesendonck

Een vast thema in het poëtische oeuvre van Claus is dat van de dichter die als het ware neerschrijft wat hem door een ander “ik” gedicteerd wordt. De schrijver noteert wat hem dwingend toegefluisterd wordt en koestert die geheimzinnige aanwezigheid die hem overrompelt. 

De door bederf veranderde zanger

Die in mij overnacht,

Steeds ongelegen met zijn streken.

 

Een visser in de netels van mijn stem,

Zit hij in het licht der gevechten

Met mij te vergaan.

 

Nooit raad ik, hoezeer ik door zijn gas en gif,

Door zijn lucht en licht verwrongen,

Allengs veroverd werd.

 

Ik leef waar hij zingt. En

Zo teer als ik zorgt nooit een hoveling

Voor zijn bloedzieke koning.

 

Of nog, maar nu in een geheel andere toonaard (en voor andere interpretaties vatbaar):

 

In die tijd, in den beginne, ontsnapte de taal

uit het middenrif.

 

Bronst, nood, honger. En jij.

Een bron, een tegenvorm.

 

Tussen vele waarschuwingen,

Geschift tussen tong en tand

Leerde ik:

 

haat     nood    vlies

wraak  moord  verlies

 

Vanaf het indrukwekkende Bericht aan de bevolking (1962) [1] zou Claus zowat tien jaar lang gestalte geven aan zijn engagement. Een van de hoogtepunten was het libretto voor de opera van Bruno Maderna (1920-1973) naar Hölderlin, Hyperion en het geweld (1968), een striemende aanklacht tegen het imperialisme dat zich met wapens opdringt en in stand houdt, hetzelfde verzet tegen het militarisme dat reeds bleek uit zijn film De Vijanden (1967), waarin zijn vriend Hugues C. Pernath (1931-1975) de rol van deserteur speelt.

Dirk Maeyens en Jean Emile Driessens

(Tussen haakjes: Met Pernath bracht Claus soms een avondlijk of nachtelijk bezoek aan het clublokaal van de Vereniging voor Europese Cultuur Uitwisseling, beter bekend als de Vecu. Het was aandoenlijk hoe Hugues de door hem zo bewonderde meester in bescherming nam voor de vermeende opdringerigheid van andere kunstbroeders. Het was net of Claus zijn persoonlijk bezit was…)

&

Ja, het waren woelige jaren. Op 11 juli 1967, aan de ingang van de Koningin Elisabethzaal waar burgemeester Lode Craeybeckx zijn jaarlijkse toespraak zou houden, verdeelden Claus en Pernath een pamflet, ondertekend ’t Gemeen. In dit zeldzame document, Gij, Vlaming, gij, Vlaams-nationalist, stelt Claus dat in 1302 het Vlaamse gemeen was misleid en misbruikt door de grafelijke partij. In datzelfde jaar 67, op 30 december, ging Masscheroen in première in het kader van het Experimenteel Festival in de Casino te Knokke. De H. Drievuldigheid verscheen op het toneel belichaamd door drie spiernaakte mannen: Bob Cobbing (Brit, vertegenwoordiger van de Sound Poetry) als God de Vader, Freddy de Vree als God de zoon en Hugues Pernath als de Heilige Geest. Het optreden verwekte schandaal en leidde tot de veroordeling van Claus wegens openbare zedenschending.

De tijden zijn veranderd…

Henri-Floris JESPERS



[1] Gedichten 1948-1993, p. 327

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche