Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
12 août 2008 2 12 /08 /août /2008 00:00

Vader (rechts), aan boord van RMS Queen Elisabeth, 1959.

 

Nic van Bruggen, HFJ, Patrick Conrad, Georges Adé en Paul de Vree, Boekenbeurs, Antwerpen, 1967.

 

Paul de Hasse en E.M. Noël: kunstcritici in gesprek, Antwerpen, 1967.

 

Voorstelling van Toekomstig en onafwendbaar herdenkingsceremonieel, een uitgave van Walter Soethoudt met een woord vooraf door Hugues C. Pernath, VECU, 27 april 1974.

 

Michel Oukhow keurt de opdracht in zijn exemplaar…

 

Van l. naar r.: Rob Goswin, Nic van Bruggen en Tony Rombouts.

 

 

Partager cet article
Repost0
10 août 2008 7 10 /08 /août /2008 07:52

Jeanine Terpougoff, Angèle Vannier en Henri-Floris Jespers, 24 februari 1962

 

Emma Lambotte en haar dochter May, 22 oktober 1963.

 May Morlet, Emma Lambotte en Henri-Floris Jespers, 22 oktober 1963.

 

Missembourg, tekening in Oostindische inkt door Frans Willems, echtgenoot van de romancière Marie Gevers. In de eerste helft van de jaren zestig kwam ik er vaak op bezoek. Begin de jaren zeventig bracht ik er een laatste bezoek aan Marie Gevers.

 

In het teken van Paul van Ostaijen: Henri-Floris Jespers, Geo van Tichelen en Oskar Jespers, 1966.


Partager cet article
Repost0
10 août 2008 7 10 /08 /août /2008 06:08

Maurice Gilliams, Stan Lauryssens en Henri-Floris Jespers, ten huize Gilliams, juli 1970.         

 

Wilfried Adams, Hugues C. Pernath, Henri-Floris Jespers en Michel Bartosik, UFSIA, 6 mei 1974.

 

Michel Bartosik en de Trap-prijs, een beeld van Renaat Ramon, VECU, 13 mei 1976.

 De Trap-prijs werd ingesteld door uitgeverij Contramine. Laureaten:

Ben Klein, 1974.

Werner Spillemaeckers, 1975.

Michel Bartosik, 1976.

Henri-Floris Jespers, 1977.

Jan van der Hoeven, 1978.

Hendrik Carette, 1979.

Frans Denissen, 1980.

Renaat Ramon, 1981.

Marcel van Maele, 1982.

Emiel Willekens, 1983.

 

Walter Soethoudt, Saint-Rémy en Henri-Floris Jespers, 1976.

 

Minister van Staat Frans Grootjans, Henri-Floris Jespers en mr. Jacques Isorni, 1978.


 

Partager cet article
Repost0
10 août 2008 7 10 /08 /août /2008 00:00

Paul de Vree en Henri-Floris Jespers, 1966.

 

Paul de Vree en Henri-Floris Jespers, 1967.

 

Karel Geirlandt en Henri-Floris Jespers, Galerie Margareta de Boevee, Assenede, 1967.


In gesprek met Guy Vaes, 1967.

 


In  gesprek met Paul Snoek, 1 september 1976.

 

 

Partager cet article
Repost0
9 août 2008 6 09 /08 /août /2008 09:37

Met Floris Jespers (1889-1965) en Stroeps, Knokke, Vijfringenhuis, 1948-1949.

 

Van l. naar r.: Jan de Roek (1941-1971), Henri-Floris Jespers, Jean-Pierre (later: Christophe) DecarpentrieSuzanne de France, weduwe van "Louis XV en ballade", Tony Herbosch en zijn Peruaanse vrouw, in Akropolis te Antwerpen, 1965.

 

Met Oscar Jespers (1887-1970), Antwerpen, Campo, 1966.

 


Jacqueline Ballman ten huize Henri-Floris Jespers, Antwerpen, 1966.


Partager cet article
Repost0
9 août 2008 6 09 /08 /août /2008 05:59


Michel Bartosik spreekt een dankwoord uit bij de uitreiking van de Trap-prijs,

VECU, Antwerpen, 13 mei 1976.

“Te weinig bekend, onvoldoende gewaardeerd en te vroeg gestorven. We hebben zijn bescheidenheid te weinig attentie gegeven: als dichter, als docent, als mens”, zo wordt Michel Bartosik (1948-2008) in freespace Nieuwzuid getypeerd door Hans Vandevoorde.

En verder: “Hij meende dat de Universiteit als institutie zijn inzet niet genoeg waardeerde. Maar daarom gaf hij zich niet minder aan de studenten, die hij leerde lezen wat er stond.”

Met publicaties in academische tijdschriften (doorslaggevend criterium in dit tijdperk van de kwantiteit) is Bartosik inderdaad uiterst zuinig geweest. Zijn bezonnen en bezielende colleges hebben echter meer bijgedragen tot de universitas dan zovele strategische en tactische publicaties die al bij verschijnen gedoemd zijn tot roemloze vergetelheid. Carrièreplanning was hem vreemd. Bovendien stond hij stilzwijgend afwijzend tegenover overheersende modeverschijnselen in de campuskritiek. “Onder professoren” leefde hij in de waan dat erkenning wel vanzelf zou komen. Meer dan hem lief was te bekennen, leed hij onder de herhaalde weigering van zijn gedichten door Nederlandse uitgevers. Hij leerde leven met het gevoel dat hem als dichter en als docent onrecht aangedaan. Hij was te lucide om dat met bitterheid te dramatiseren.

Dat Michel Bartosik “literatuurgeschiedenis heeft geschreven”, is een milde overdrijving die toegeschreven mag worden aan het in memoriam-gehalte van Hans Vandevoorde’s bijdrage.

Henri-Floris JESPERS

freespace Nieuwzuid. Driemaandelijkse discursieve machine voor cultuurkritiek en amusement, jg. 8, 2008, nr. 29, 79 p. + portfolio kleur, 9 €.

Abonnementen: 24 € (CJP, studenten: 19 €; Bibliotheken, verenigingen en instellingen: 35 €) over te schrijven op rek. 000-0213368-65 op naam van Kraftwerk vzw, Patroonschapstraat 14, B 3010 Kessel-Lo.

IBAN: BE 18 0000 2133 6865.

BIC BPOTBEB

Over Michel Bartosik, cf.  de blogs van 3 en 5 februari 2008.

Partager cet article
Repost0
9 août 2008 6 09 /08 /août /2008 02:37

Bob Mendes is ervan overtuigd dat er geen boek kan bestaan zonder eigen achtergrond, zonder eigen geschiedenis. De personages, het verhaal, de stijl, de emoties, de spanning, alles wat er achter de gedrukte woorden schuilgaat, is product van de sociale herkomst en de opvoeding van de schrijver, en wordt bovendien gekleurd door zijn persoonlijke belevenissen, zowel individuele als collectieve. Tot die persoonlijke belevenissen hoort de lectuur: zeg me wat je leest, en ik zal zeggen wie je bent.

In de afgelopen zeg maar vijfenzestig jaar, heeft Mendes naar eigen zeggen veel gelezen,

“duizenden goede boeken, honderden uitmuntende boeken en misschien een paar meesterwerken. Tenzij je me die noemt kan ik ze me niet herinneren, tenzij dan die boeken die raaklijnen vertoonden met mijn eigen leven. Stepping stones die mij geleid hebben tot de schrijver die ik ten slotte geworden ben.”

Het eerste boek dat de vroegrijpe Mendes verslond was Van het westelijk front geen nieuws (Im Westen nichts Neues, 1929) van Erich Maria Remarque (1898-1970), de internationale bestseller die het einde van de heroïsche verheerlijking van de Grote Oorlog in de literatuur bezegelde. [1] Van de Nederlandse vertaling waren al in 1932 meer dan 90.OOO exemplaren over de toonbank gegaan. Meteen al bij verschijnen zorgde Im Westen nichts Neues voor hevige controverses. Na de nationaal-socialistische machtsovername werd het boek in mei 1933 als “schadelijk voor de Duitse geest” openbaar verbrand onder het motto: “Gegen literarischen Verrat am Soldaten des Weltkrieges, für Erziehung des Volkes im Geist der Wahrhaftigkeit! Ich übergebe der Flamme die Schriften von Erich Maria Remarque”. Later werd hij vervallen verklaard van de Duitse nationaliteit. Tijdens de bezettingsjaren werden in België de boeken van Remarque uit de openbare bibliotheken verwijderd, maar Benjamin Mendes, de vader van Bob, was een verwoed lezer en beschikte over een kleine huisbibliotheek.

“Enkele uren na zijn arrestatie in juli 1942 bood zich bij ons thuis een luitenant aan van het verzet, die alles opruimde wat zowel voor ons als voor het verzet belastend kon zijn. Ik neem aan dat hij het exemplaar van Van het westelijk front geen nieuws meenam.”

Na de arrestatie van zijn vader dook Bobs broer Armand (toen achttien) onder bij een verzetsgroep in Luik om te ontsnappen aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Bob en zijn broer Henri werden opgepakt, maar worden gered door een onbekende. Bob bracht dan om veiligheidsredenen de meeste tijd door in het huis van een verzetsman van Nederlandse afkomst. Daar las hij Hollands Glorie (1940) van Jan de Hartog (1914-2002). Hoofdthema van de epische roman is de strijd tegen overmacht en onrechtvaardigheid en de invloed daarvan op de hoofdpersonages. Zowel in de schrijver als in de held van het verhaal zag Mendes zijn alter ego. Het boek maakte zo’n indruk dat hij zich voornam te gaan varen.

Tot op vandaag brengt Mendes een grote waardering op voor de in Amerika, Frankrijk, Duitsland en Engeland hooggeschatte Jan de Hartog, die in Vlaanderen en Nederland bijna door alle critici hooghartig terzijde geschoven wordt.

“Het grootste compliment die ik ooit kreeg, was toen Rinus Ferdinandusse De kracht van het vuur vergeleek met Gods Geuzen.”

Twee boeken, de aanhouding en deportatie van zijn vader, de clandestiniteit waarin hij leefde, het feit dat hij de school diende te verlaten en zelf voor zijn levensonderhoud diende te zorgen, dat alles was beslissend voor de verdere ontwikkeling van Bob Mendes. In die vormingsjaren liggen de kiemen van zijn schrijverschap. De jonge David Mendes werd Bob en leerde wat het betekent in de verdrukking te moeten leven:

 “Ik heb toen een hoop problemen gehad met mijn voornaam David. Ik moest constant met een bewijs van het stadsbestuur op zak lopen, waaruit bleek dat ik van Arische afkomst was. Telkens wanneer ze bij een controle op mijn pas de naam David Mendes lazen, werd ik meteen meegenomen. Zelfs met de Belgische politie is me dat overkomen. Je hebt dan absoluut niets te zeggen, ze duwen je in een auto en je bent weg.”

Eveneens van Remarque las Mendes enkele jaren later Arc de Triomphe (1946), een roman die speelt in het milieu van opgejaagde emigranten die, op de vlucht voor de barbarij van Hitler-Duitsland, ondergedoken leven in Parijs. In deze personages die gekweld en bedreigd worden door de druk van de geschiedenis herkent Mendes “de echte sans-papiers”.

The Young Lions van Irvin Shaw (1913-1984) werd meteen bij verschijning in 1948 een wereldwijd succes. Het werd verfilmd in 1958 met in de hoofdrollen Marlon Brando, Montgomery Clift en Dean Martin en twee jaar geleden op DVD gebracht. Toen in 1968 de zestiende Nederlandse druk verscheen, gold De jonge leeuwen als de meest gelezen roman van de eeuw. Na zowat veertig jaar herinnert Mendes zich nog passages uit die roman.

“Irvin Shaw was in mijn ogen de voorloper van het New Journalism in geromantiseerde versie dat het latere handelsmerk zou worden van Tom Wolfe. Hij was ongetwijfeld sterk beïnvloed door de verslaggeving over de GI, de gewone soldaat in het leger, van oorlogscorrespondent Ernie Pyle (Pulitzer Price 1944) die door een kogel uit een Japans machinegeweer sneuvelde in 1945 op Iwo Jima. Zelf diende hij als “warrant officer” in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en in heel Europa. Met De jonge leeuwen schreef hij een volledig geromantiseerd oorlogsverhaal met de hoogste werkelijkheidsgraad. Zijn werkwijze en stijl hebben vermoedelijk veel invloed gehad op mijn aanpak.”

Mendes kreeg naar eigen zeggen meer inzicht in het antisemitisme door de lezing van Exodus (1958),

“een geopolitieke bestseller over de onafhankelijkheidstrijd van het joodse volk dat na de holocaust Europa probeerde te ontvluchten, een schitterend boek dat diep indruk op mij maakte”.

In Exodus borstelt Leon Uris (1924-2003) een panorama van de lotgevallen van de Europese joden vanaf het eind van de negentiende eeuw tot de stichting van de staat Israël. De roman dankt zijn titel aan het schip “Exodus”, dat in 1947 met 4500 immigranten in Palestina aankwam, maar door de Britten niet tot de haven werd toegelaten. Uris geeft een zionistische interpretatie van de moderne joodse geschiedenis en maakt daarbij kortaf met een aantal culturele stereotypes. Tegenover taaie gemeenplaatsen als de geleerde jood, de vrome jood, de vernuftige jood als geslepen ondernemer of als overlever in een vijandelijke urbane omgeving, stelt hij de joodse verzetstrijder aan wie Paul Newman krachtig gestalte gaf in de succesrijke verfilming van Exodus door Otto Preminger (1960).

Twee boeken van Nobelprijswinnaar Ernest Hemingway (1899-1961) maakten rond hetzelfde tijdstip indruk op Mendes. Voor wie de klok luidt (For Whom the Bell Tolls, 1940) speelt tijdens de Spaanse burgeroorlog. Centraal staat een onheldhaftige strijder voor een idee, die een strategisch belangrijke opdracht tot een goed einde moet brengen. De oude man en de zee (The Old Man and the Sea, 1952), een novelle, kan gezien worden als een nuchtere maar krachtige metafoor van de eenzame, trotse enkeling in strijd met de blinde krachten van de natuur.

 

Dat waren, ruwweg anno 1960, de boeken die indruk hadden gemaakt op Bob Mendes, epische romans met een hoog werkelijkheidsgehalte en als gemeenschappelijke kernmotieven de oorlog en de vlucht. De oorlog is concreet of symbolisch (zoals in Hollands glorie en De oude man en de zee), de vlucht echter altijd concreet. Geen escapisme dus, neen, de (al dan niet) noodgedwongen fysieke vlucht vooruit die dynamiek geeft aan het verhaal. De (hoofd)acteurs worstelen met een noodlot dat niet alleen bepaald maar ook onlosmakelijk verknoopt is met de historische dimensie die alomtegenwoordig is. Ze worden daarbij (on)bewust gedreven door een al dan niet assertief gevoel van zelfrespect en door een aangeboren zin voor rechtvaardigheid. Ze hoeven trouwens geen heldendaden te stellen om van moed te getuigen.

 

Niet alleen de avontuurlijke romans, ook de auteurs vertonen gemeenschappelijke kenmerken. Remarque en Hemingway, notoire anti-fascisten, hebben net als Shaw en Uris de gruwel van de oorlog lijfelijk meegemaakt. Hollands glorie was gaandeweg een symbool van verzet tegen de Duitse bezetter geworden, en De Hartog vluchtte uit Nederland om zich, na een avontuurlijke zwerftocht, in Londen in dienst te stellen van de Nederlandse regering in ballingschap. Alle vijf waren succesauteurs die wereldwijd miljoenen exemplaren verkochten en sterke banden hadden met de film. Op Hemingway na, werden ze door critici die het monopolie van de literaire canon opeisten veelal hooghartig terzijde geschoven.

&

Het zou tot 1969 duren voor een eerste misdaadboek een blijvende indruk maakte op Mendes, maar dat was dan ook een mijlpaal in de geschiedenis van het spannende boek: The Godfather (De Peetvader) van Mario Puzo (1920-1999). De auteur legt voor de eerste keer de wereld van de georganiseerde misdaad open en bloot maar, aldus Mendes, “hij slaagt er ook in de personages zo voor te stellen dat de lezer sympathie krijgt voor de slechteriken”. Puzo slaagt er inderdaad in, meedogenloze criminelen die voor de meest barbaarse methodes niet terugdeinzen, moeiteloos om te toveren tot tragische helden met een strenge erecode, aldus in beslissende mate, en tot op heden, bijdragend tot de mythevorming rond de maffia. Drie jaar later, in 1972, werd de roman meesterlijk verfilmd door Francis Ford Coppola met een onvergetelijke Marlon Brando in de titelrol. De Peetvader draait rond macht, een thema dat Mendes fascineert.

Henri-Floris JESPERS

Van links naar rechts: Peggy Verhoeven, John Hoelen, Ludo Abicht, Henri-Floris Jespers, Bob Mendes en Wim Verheije,  13 september 2005.

[1] De realistische verfilming door Lewis Milestone, All Quiet on the Western Front (1930) - “one of the most powerful anti-war statements ever put on film” - toont talrijke gedenkwaardige scènes en een onvergetelijk slot en wordt tot op vandaag door The New York Times gerekend tot de beste duizend films ooit.

 

Partager cet article
Repost0
9 août 2008 6 09 /08 /août /2008 01:16

Voor Manifesta 7 werd de regio Trentino-Alto Adige wegens haar industrieel erfgoed en culturele infrastructuur gekozen. De regio heeft een autonome status onder de Italiaanse legislatuur. Het is de eerste keer dat de International Foundation Manifesta (IFM) een gastregio koos i.p.v. een gaststad.

De biënnale is een open structuur en groepeert tentoonstellingen en manifestaties op verschillende locaties die zich bevinden op de route die het Oostenrijks en Italiaans Tirol verbindt.

 

Als enige buitenlandse deelnemer aan de tentoonstelling POESIA VISIVA (curator: prof. Eugenio Gianni) werd Luc Fierens (°Mechelen, 20 december 1961) gekozen.

Info: www.acp-kkw.com

Ziehier de drie tentoongestelde werken:

 

Communic

 

Glorious

 

Faces6

 

Luc Fierens publiceerde experimentele poëzie publiceerde in het tijdschrift Lotta poetica (Sarenco-Paul de Vree) en heeft zich sinds de tweede helft van de jaren tachtig scherp geprofileerd als beoefenaar van de visuele poëzie en van de mail-art.

Hij gaf een hele rits POSTFLUXPOSTBOOKLETS uit (een tachtigtal afleveringen).

Bij Prego Editions verscheen het kunstenaarsboek Bellezza Pericolosa.

Zie: http://clochart.blogspot.com/2008/06/luc-fierens.html

&

“Italië brengt me meer geluk dan Vlaanderen, maar ik ben er nog niet rijker van geworden (qua centen niet, qua levensvisie wel)”, aldus Luc Fierens.

Renaat Ramon (zie blog de dato 26 juli) zal in Poëziekrant een essay over Luc Fierens publiceren.

Over Luc Fierens:

http://www.vansebroeck.be

Henri-Floris JESPERS

 

Partager cet article
Repost0
8 août 2008 5 08 /08 /août /2008 03:34


Op 18 september 2008 wordt De Diamanten Kogel voor de zevende keer uitgereikt.


91 titels werden ingezonden.

De toplijst wordt bekendgemaakt op 29 augustus.

Ziehier alvast de tiplijst.

René APPEL, Schone handen, Amsterdam, Anthos, 2007, 292 p.

Pieter ASPE, De zevende kamer, Manteau, 2008, 289 p.

Patrick de BRUYN, Passie, Antwerpen, Manteau, 2008, 357 p.

Marc CAVE, Vals goed, Antwerpen, Manteau, 2007, 327 p.

Jo CLAES, De zaak Torfs, Antwerpen / Amsterdam, Houtekiet, 2008, 367 p.

Toni COPPERS, Niets is ooit, Antwerpen, Manteau, 2008, 251 p.

DEFLO, Pitbull, Antwerpen, Manteau, 2008, 289 p.

Bavo DHOOGE, Stand-In, Westerlo, Uitgeverij Kramat, 2007, 241 p.

Ruben van DIJK, Het Kyoto-complot, Utrecht, Bruna, 2007, 317 p.

Lieneke DIJKZEUL, Koude lente, Amsterdam, Anthos, 2007, 284 p.

ESCOBER, Ongenade, Amsterdam, Anthos 2008, 359 p.

Paul GOEKEN, De oversteek, Utrecht, Bruna, 2008,

Danielle HERMANS, Het  tulpenvirus,  Utrecht, Bruna,  2008,  301 p.

Aad van den HEUVEL, De oorlogsverslaggever,  Breda, De Geus, 2008, 303 p.

Henry de HOON, Dood vermogen, Maastricht, TIC, 2008, 139 p.

Martine KAMPHUIS, Kift, Amsterdam – Antwerpen, Arbeiderspers,  2008, 268 p.

Patricia van MIERLO, De namen van Maria, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 348 p.

Max MORAGIE, Vals gedacht, Antwerpen, Manteau, 2007, 271 p.

Almaar OTTEN, Verdwenen chemie, Deventer, ArtNik, 2007,  339 p.

Abraham PEPER, Het duister van de nacht, Amsterdam / Antwerpen, L.J. Veen, 2007, 239 p.

Elvin POST, Geboren verliezers,  Amsterdam, Anthos,  2007,  289 p.

Tomas ROSS, De Marionet, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 416 p.           

Ashe STIL, De hoer van Babylon, Schoorl, Conserve, 2008, 279 p.

Charles den TEX, Cel, Breda, De Geus, 2008, 411 p.

 Felix THIJSSEN, De blauwe nacht, Amsterdam, Sijthoff, 2007, 367 p.

Jac. TOES en Thomas HOEPS, Kunst zonder genade, Breda, De Geus, 2007, 316 p.

Herman VEMDE, Tequila sunrise, Arnhem, Ellessy, 2007 p., 322 p.

Simon de WAAL, Pentito, Amsterdam, Lebowski, 2007, 303 p.

Peter de ZWAAN, De Charlesville Jackpot, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 285 p.

 

De jury bestaat uit Frank van den Auwelant, Ineke van den Bergen, Jos van Cann, Henri-Floris Jespers, Kris Kenis, Jan Lampo, Hugo Seeldraeyers, Geert Swaenepoel en Magali Uytterhaegen.

Partager cet article
Repost0
6 août 2008 3 06 /08 /août /2008 14:55

Misschien bestaat de echte beschaving erin dat je geen illusies creëert.

Joseph BRODSKY

 

Weinig mensen worden zo miskend als de weekbladfilosoof Benno Barnard. Nochtans verdient hij beter. Wie anders dan Benno Barnard, een intellectueel van groot kaliber, kan ons immers op het gevaar wijzen dat ze bezig zijn België kapot te maken [1]? Wie anders dan Benno Barnard kan met barokke penseelvoering de volle rijkdom van ons dierbare België schilderen? België als model van een mogelijk verenigd Europa [2] ! Het koninkrijk België als laatste restant van het oude Oostenrijks Habsburgse Rijk, een laatste poging om verschillende volkeren bij elkaar te houden in een accolade van verzoening, begrip, meertaligheid, tolerantie en intelligentie [3]!

We mogen ons gelukkig prijzen dat bij zo een schrander denker als Benno Barnard, die in een hand vuur en water weet te dragen, de mini-meervolkerenstaat België hoog in het vaandel staat. Benno Barnard, de Belgisch nationalist, die in zijn Huizinga-lezing van 2002 schrijft: Naar de hel dan met al die nationalistische dwazen![4]

Natuurlijk beseffen we maar al te goed wat voor weg België nog moet afleggen vooraleer het zelfs nog maar een flauwe afspiegeling van het Habsburgse Rijk wordt. Een soort Europese Unie avant la lettre, waarvan de resten nu in elf landen worden aangetroffen. Met een heel mild, heel menselijk en vooral heel realistisch regime[5], als we Benno Barnard, erudiet kenner van de Middeleuropese cultuur, mogen geloven. Kortom, een heilstaat. De heilstaat k u. k (kaiserlich und königlich) of Kakanië zoals Robert Musil de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie in zijn levenswerk Der Mann ohne Eigenschaften spottend omschreef.

Laten we ons aan de hand van Benno Barnard, zelfverklaard kosmopoliet, dichter en nadenker[6], meevoeren naar die heilstaat, naar de Donaumonarchie van keizer Franz Joseph, waar allerlei volkeren in wederzijds respect naast en met elkaar leefden (…) Joden, Duitsers, Roemenen, Polen, Hongaren, Roethenen en zelfs Armeniërs, allemaal onderdanen van de ene, oeroude keizer-koning, de zo omstreeks 1908 al haast in een anatomisch preparaat veranderde Franz Joseph[7] . Maar daarvoor zullen we wel heel even abstractie moeten maken van de historische feiten. We zullen het dus niet hebben over de zeer hoge werkloosheid in de Donaumonarchie toen, niet over de woningnood, niet over de sociaal-economische onrust en niet over de klassenbotsingen en zeker niet over de gewelddadig onderdrukte betogingen tegen hongersnood. Nee, samen met Benno Barnard dompelen we ons onder in het weke substraat geheten heimwee (…) waar de utopie ontspringt[8] . Waar de gefluisterde schreeuw dat alles moet blijven zoals het nooit geweest is[9] - een favoriete zin van Benno Barnard, die hij regelmatig recycleert – hoorbaar wordt. Wat stellen we dan vast? Is het de kleinburgerlijke hang naar een verheerlijkt verleden, waar ook Adolf Hitler niet ongevoelig voor was, die ons tegen de borst stuit? Ik durf mijn vreselijke vermoeden bijna niet uit te spreken, maar toch moet het. Ik kan niet anders, zou Luther zeggen. Als Benno Barnard, Belgisch nationalist en bestuurslid van B Plus, de Donaumonarchie van keizer Franz Joseph model laat staan voor het koninkrijk België, als hij België looft als laatste restant van het oude Habsburgse Rijk, dan pleegt hij met die vergelijking majesteitsschennis.

Het grenst aan het onvoorstelbare, maar als Benno Barnard door zijn schrijfsels Zijne Majesteit koning Albert II met de oeroude keizer Franz Joseph vergelijkt, dan spreidt hij een elementair gebrek aan etiquette ten toon. Hoe onkies. Een montere, gezonde, blozende koning Albert II, recent uitgerust met een spiksplinternieuwe heup, vergelijken met een anatomisch preparaat. Nee, mijnheer Barnard, dit gaat te ver. Of wil Benno Barnard met de vergelijking iets anders suggereren? Beschikt hij, als bestuurslid van B Plus, over geheime informatie? Geheime informatie over het katholieke Belgische Hof?  Wat staat er immers in het dagboek van aartshertogin Marie Valerie, keizer Franz Josephs dochter, die volledig onder de invloed van haar biechtvader, de reactionaire jezuïet Heinrich Abel, stond? De volgende uitspraak van de keizer: Ja, ja, we doen natuurlijk alles om de joden te beschermen, maar wie is er nu eigenlijk geen antisemiet? Beticht mijnheer Barnard Zijne Majesteit koning Albert II nu van crypto-antisemitisme? Nee, dit kan mijnheer Barnard toch niet bedoeld hebben. Met die modder zou hij nooit naar Zijne Majesteit gooien. Maar wat mag Benno Barnard dan wel bedoeld hebben met zijn nostalgisch-romantische vergelijking? Richt hij zich tot het kringetje ingewijden en suggereert hij iets wat het verstand van gewone burgers als wij te boven gaat? Vertoeft Benno Barnard in kringen die meer weten en gaat het zelfs helemaal niet om majesteitsschennis maar denkt hij het ondenkbare? Weet Benno Barnard, die de sensationele uitspraken niet schuwt, meer over keizer Franz Joseph en koning Albert II, beiden het enige cement van hun uiteenvallende monarchie? Heeft Albert II, koning van België, net zoals Franz Joseph, keizer van de Donaumonarchie, zijn koninklijke gade iets cadeau gedaan? We weten in ieder geval dat Keizer Franz Joseph voor een mooi cadeau voor zijn Sisi heeft gezorgd: hij bezorgde haar syfilis. Maar kunnen we hier zomaar een parallel maken tussen deze twee excellenties? Of zijn we hier toch getuige van het onvoorstelbare en ontbloot Benno Barnard, torser van een ontzaglijke culturele bagage, hier letterlijk en figuurlijk de Belgische kroon? Als B Plusser? Delft hij zijn eigen graf en hoeft hij in de toekomst niet langer meer te hopen op een audiëntie aan het Hof, een ereteken, een koninklijk lintje of een adellijke titel – baron bijvoorbeeld? We mogen er niet aan denken.

Onze grote intellectuele voorganger Benno Barnard verdient beter. Laten we dan ook zijn advies volgen en België als gidsland van Europa profileren of als hedendaagse reïncarnatie van het Habsburgse Heilige Roomse Rijk. Tijd om de feiten te laten spreken.

De Donaumonarchie was een gammele constructie waarin minderheden meerderheden onderdrukten. In Oostenrijk heerste het overwegend Duitstalige derde deel van de bevolking over de overige twee derden. In Hongarije domineerde 40% Magyaren de 60% niet-Magyaren, waaronder veel Slaven. Alle Slavische aanspraken werden deskundig genegeerd. Iedere vorm van decentralisatie – de vraag van de Tsjechen bijvoorbeeld – werd geweigerd. Een geliefd en succesrijk adagium van die tijd was: “Das kann man dem alten Herrn doch nicht mehr antun”. Dat kun je de oude heer, keizer Franz Joseph, toch niet meer aandoen. Een vaste uitdrukking in de Habsburgse Dubbelmonarchie waarachter velen zich verschuilden en die uitmondde in een politiek die zorgde voor stabiliteit – volgens de enen – of inertie en verregaande sclerose – volgens de anderen. Benno Barnards visionaire advies is duidelijk: kies voor stabiliteit, ook al hoort daar wat nevenschade bij. Hoewel we het onkies blijven vinden dat hij de stokoude keizer van de Donaumonarchie met de nog zo jeugdig ogende koning van België vergelijkt, tóch heeft Benno Barnard een punt. Er zijn parallellen tussen de Donaumonarchie en België: ook in België houdt een minderheid een meerderheid in haar houdgreep en zorgt de kleinste verandering, de minste verstoring van dit wankele evenwicht voor acuut instortingsgevaar van de geliefde natie. Waarschuwt Benno Barnard ons, als een ware cassandra, voor de naderende catastrofe? Voor het uiteenvallen van België? Herinnert Benno Barnard zich de uitspraak van een van de personages van Joseph Roths Radetzkymars: “Zodra onze keizer de ogen sluit vallen we in honderd stukjes uiteen” en vervaagt in zijn profetenbrein het woord ‘keizer’ en leest hij ‘koning’? Hoopt hij daarom heimelijk dat koning Albert II het eeuwige leven heeft?

Terug naar de feiten. Tussen 1908 en 1913 werden de totale uitgaven voor bewapening in de Donaumonarchie verdubbeld. Vanaf 1880 zien we trouwens in alle grote Europese landen een intensieve, versnelde wapenwedloop. Angst werd aangezwengeld. Met vervalste cijfers, die tactisch werden gelekt, suggereerde men dat de vijanden enorme sommen besteedden aan bewapening en dat de beste manier om zich te beveiligen nog meer en nog gesofistikeerdere wapens waren. De grote wapenfirma’s als Krupp, Skoda, Creusot, Schneider en Vickers-Maxim deden gouden zaken en werden slapend rijk. Bedoelt Benno Barnard dit als hij ons de Donaumonarchie van keizer Franz Joseph tot voorbeeld stelt? Heeft hij aandelen in de Europese of Amerikaanse wapenindustrie en wil hij, nu we binnenkort aan een door de NAVO gestimuleerd Europees defensiebeleid moeten werken, een graantje meepikken van de toekomstige reusachtige winsten? België doet alvast goed zijn best. De kernwapens liggen nog altijd keurig in Kleine Brogel, klaar om afgeschoten te worden en de Antwerpse haven heeft haar beste beentje voorgezet als doorvoerhaven van dodelijke wapens naar Irak.

Tussen 1880 en 1900 verdubbelde de bevolking van de hoofdstad van de Donaumonarchie. In 1900 woonden in Wenen 1 700 000 mensen, waarvan grote groepen in mensonterende omstandigheden. Duizenden mensen hadden geen dak boven hun hoofd en leefden in kanalen en riolen met de ratten of in de parken, sommigen zelfs in de bomen. Massademonstraties, tegen de fabelachtig gestegen vleesprijzen bijvoorbeeld, werden bloedig neergeslagen. Maar wat een geluk dat in deze Donaumonarchie van keizer Franz Joseph, waar allerlei volkeren in wederzijds respect naast en met elkaar leefden[10] keizer Franz Joseph beroep kon doen op de Hongaarse cavalerie – de Huzaren – en de gevreesde Bosnische Fuβtruppen – Bosniaken – om de vreedzame demonstraties bloedig neer te slaan. In 1913 werden in twee maand tijd 120 gewelddadige confrontaties tussen werkloze arbeiders en politie en leger geteld. 30 arbeiders werden toen vermoord en velen zwaar gewond. Ook bij de politie en het leger vielen dodelijke slachtoffers en gewonden. Willen we Benno Barnards heilstaat met een heel mild, heel menselijk en vooral heel realistisch regime [11] in België kopiëren en nog maar een fractie van dit verbluffende resultaat van doorgedreven ordehandhaving behalen, dan moeten we dringend onze pas hervormde politie bijscholen.

In het Oostenrijks-Habsburgse leger kreeg iedere militair een boekje met de eed en de krijgsartikelen. Er waren elf verschillende boekjes omdat er in de Donaumonarchie elf officiële talen waren. In de praktijk lagen de zaken echter ietsje ingewikkelder. De meeste officieren spraken alleen Duits. Maar ook al spraken ze alleen Duits en hadden ze het geluk het bevel te mogen voeren over een overwegend Duitstalig bataljon, dan nóg was de kans groot dat ze geen Tiroler-Duits, laat staan Trans-Sylvanisch Saksisch verstonden. Veel erger was de toestand in de doorsneebataljons, de taalgemengde bataljons. Daar werden alleen de commando’s ‘links’, ‘rechts’, ‘halt’, ‘ter plaatse rust’ en ‘vuur’ in het Duits gegeven. Voor de rest heerste er een babelse spraakverwarring en sprak men een soort koeterwaals, het zogenaamde ‘Armee-Slawisch’, met veel Tsjechische woorden, dat dikwijls voor hilarische situaties zorgde. In de meeste bataljons waar men vier of meer talen sprak, werd het uitschelden in dit pidgin-Slavisch door bepaalde officieren tot een ware kunst verheven. Scheldwoorden als ‘Boheems zwijn’, ‘sufferd’, ‘zeeleeuw’, ‘stuk vee’, ‘varken’ of ‘onanist’ waren aan de orde van de dag. De meeste officieren van het Oostenrijks-Hongaarse leger waren er immers van overtuigd dat Azië aan de oostgrens van Wenen begon. De ontgroening van jonge kadetten, de zogenaamde zuigelingen, in de militaire scholen was zeer gewelddadig. Over de gruwelijkheden die daar plaats vonden schreef Robert Musil zijn schitterende roman: Verwirrungen des Zöglings Törless. Geen greintje fantasie maar pure realiteit, zei Musil hierover in een van zijn zeldzame interviews. Niet te verwonderen dat het Oostenrijks-Habsburgse leger het hoogste zelfmoordcijfer van alle legers in Europa telde: 12,53/10 000. Het Duitse leger: 2,6/10 000. Het Britse 2,09/10 000. Het Belgisch leger heeft dus nog een hele weg te gaan, wil het voldoen aan het Barnardiaanse model waar de verschillende volkeren bij elkaar worden gehouden in een accolade van verzoening, begrip, meertaligheid, tolerantie en intelligentie.[12]

Ten slotte het parlement. De Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie was met 516 zitplaatsen het grootste parlement van Europa. Dit is het enige gebied waarop België de Habsburgse Dubbelmonarchie de loef afsteekt. Geen rijk deed het ooit beter dan België nu en samen met onze verlichte nadenker[13] Benno Barnard kunnen we hier terecht fier op zijn: zeven parlementen met 625 betaalde volksvertegenwoordigers voor 10 309 725 Belgen tegenover 516 volksvertegenwoordigers voor 51 000 000 inwoners van de Donaumonarchie. Dit kan tellen.

In het parlement  van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie zetelden 20 parlementaire fracties en 27 partijen. De 5%-kiesdrempel gold er niet zodat er een breed spectrum van volkeren en religies was vertegenwoordigd. Officieel sprak men er tien talen maar vaak heerste er een babelse spraakverwarring. Soms debatteerden de vijfhonderdzestien volksvertegenwoordigers dagenlang over de taal waarin een wetsvoorstel mocht worden ingediend. Het Duits kreeg een voorkeursbehandeling, maar na een tijdje ontaardden discussies dikwijls in scheld- en schreeuwpartijen. Vooral Duitse, Tsjechische en Italiaanse scheldwoorden waren bijzonder geliefd. Als die niet voldeden, klepperden de volksvertegenwoordigers met de deksels van hun lessenaar, floten, bliezen op kindertrompetjes, lieten hun zakhorloges luid aflopen en brachten zelfs misthoorns mee om de kakofonie compleet te maken. Niet te verwonderen dat voor Wieners een bezoek aan het parlement een geliefkoosd tijdverdrijf was. Beter dan theater vonden ze het en nog gratis op de koop toe. Op de galerie eerste rang zat de elite, op de tweede rang de rest. Ook Adolf Hitler vergaapte zich op de tweede rang vaak aan dit schouwspel en het beroofde hem meteen van ieder geloof in de parlementaire democratie.

Voortdurend ontwikkelden de parlementariërs nieuwe technieken. De Tsjechen waren bijvoorbeeld heel bedreven in het afsteken van urenlange obstructieredevoeringen. Bij voorkeur tot diep in de nacht. Een dertien uur durende redevoering over een bagatel was geen uitzondering. Soms hieven de volksvertegenwoordigers gezangen aan: de Christelijk Socialen zongen dan God erhalte, de Tsjechen Kde domov muj? de Sociaal Democraten Lied der Arbeit en een eenzame Reichsdeutscher Wacht am Rhein. Het liefst allemaal tezamen. Af en toe kwam het zelfs tot een handgemeen. Dan rukten de heren volksvertegenwoordigers elkaars kragen en jasslippen af en beten ze in de vingers van hun politieke opponenten. Politici veranderden in wilde beesten en keizer Franz Joseph kon maar weer eens het fameuze Notstandsparagraph 14 in werking stellen: het parlement opheffen wegens arbeidsongeschiktheid. Een even eenvoudige als geniale oplossing. Maar wel een oplossing met grote gevolgen: onbeperkte perscensuur, uitzonderingswetten op politiek vlak – klinkt ons bekend in de oren sinds The War on Terrorism – permanent samenscholingsverbod en een algemene inperking van de grondrechten van 1867. Sommige historici menen zelfs dat zonder de opheffing van het parlement in maart 1914 de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 nooit uitgebroken zou zijn. Volgens hen zou het parlement het Habsburgse leger nooit de toestemming hebben gegeven om Servië op 27 juli 1914 de oorlog te verklaren, want ijzervreter generaal Franz Conrad von Hötzendorf had al sinds 1906 vijfentwintig keer vruchteloos voor een oorlog tegen Servië gepleit.

Nee, mijnheer Barnard, zelfverklaarde kosmopoliet, dichter en nadenker, ik denk niet dat we ons comfortabel moeten nestelen in het weke substraat geheten heimwee (…) waar de utopie ontspringt[14]. Integendeel, echte intellectuelen nemen hun verantwoordelijkheid op en zien de werkelijkheid zoals ze is. Daarvoor is moed nodig. En beschaving.

Mieke DE LOOF

(Uit: Mededelingen nr. 100 de dato 30 augustus 2007, pp. 12-18)

Mieke de Loof (°1951) is socioloog en filosoof. werkt aan een cyclus zogeheten “spannende boeken”. Ze deed levenservaring op als wetenschappelijk onderzoeker, docent, chauffeur, dienster in een nachtkroeg en als Kyokushin-karateka. Duivels offer (2004) werd bekroond met de Hercule Poirot-prijs en genomineerd voor de Schaduwprijs.  In 2006 verscheen Labyrint van de waan.



[1] Michel KRIELAARS, Vraaggesprek Benno Barnard. Het ware Europa stierf in 1914, Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 8 november 2002.

[2] Benno BARNARD, Het geslepen potlood, Knack, 20 juni 2007.

[3] Dirk HANSSENS, In het spoor van Europese dichters, Tertio nr. 368, 28 februari 2007, p. 11.

[4] Benno BARNARD, Tegen de draad van de tijd, Huizinga-lezing 2002, II, p. 11.

[5] Danny KEUPPENS, Over Mevrouw Appelfeld, interview van Benno Barnard op de weblog van theater Malpertuus, 9 januari 2007.

[6] Geciteerd in “Wij – kosmopolieten, dichters, nadenkers…”, Mededelingen van het CDR, nr. 85,  3 januari 2007, p 5.

[7] Benno BARNARD, Tegen de draad van de tijd, Huizinga-lezing 2002, p. 7.

[8] Benno BARNARD, ibid, p. 14.

[9] Benno BARNARD, ibid, p. 14. + Michel KRIELAERS, Vraaggesprek Benno Barnard. Het ware Europa stierf in 1914, Cultureel Supplement NRC Handelsblad, 8 november 2002. + Benno BARNARD, Links conservatisme, Knack, 13 september 2006.

[10] Benno BARNARD, Tegen de draad van de tijd, Huizinga-lezing 2002, p. 7.

[11] Danny KEUPPENS, Over Mevrouw Appelfeld, interview van Benno Barnard op de weblog van theater Malpertuus, 9 januari 2007.

[12] Danny KEUPPENS, Over Mevrouw Appelfeld, interview van Benno Barnard op de weblog van theater Malpertuus, 9 januari 2007. + Dirk HANSSENS, In het spoor van Europese dichters, Tertio nr. 368, 28 februari 2007, p. 11.

[13] Geciteerd in “Wij – kosmopolieten, dichters, nadenkers…”, Mededelingen van het CDR,  nr. 85,  3 januari 2007, p 5.

 [14] Benno BARNARD, Tegen de draad van de tijd, Huizinga-lezing 2002, p. 14.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche