Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
16 septembre 2008 2 16 /09 /septembre /2008 17:41

Morgen verschijnt Thriller versus roman (Uitgeverij Garant, Antwerpen / Apeldoorn, 142 p.).

 

Gisela Lehmer-Kerkloh en Thomas Przybilka hadden een gesprek met Jim Madison Davis (www.alligatorpapiere.de – “Die Befragungen von GL-K en TP”). Op de vraag “Crime mystery – is it literature, antwoordde Jim Madison Davis:

When we say "literature" we mean one of two things: all literary works, or we mean only quality literary works. Crime and mystery writing can be low quality or high quality. It constitutes literature, and the small part of it that is high quality is part of "literature" when we mean high quality writing. Genres are arbitrary designations, based on fluid definitions.

Onder de titel “The Pecking Order” gaat hij in Thriller versus roman verder op deze vraagstelling in:

I think most of us would agree that this separation of writing into the“serious” and the “genre” areas isn’t very useful in determining what is truly of quality. A huge flap followed the announcement that Stephen King would be receiving a major literary award for lifetime achievement. Imagine such an award going to someone who is read and understood by millions of people!

Unthinkable! As the critic Longinus wrote many centuries ago, time is the measure of greatness. All our little self-congratulatory groups, our snobberies about genre, gradually disappear in the passage of time. If a book survives, it will survive because it opens our eyes to the problems of being human, and if it does that, no one will care if it was once classified as a “serious” novel or a trivial one. Shakespeare was a moneymaking playwright in his day. Charles Dickens made crowds weep. George Eliot and George Sand were bestsellers. Balzac and Zola were scandals. Many of these authors’ great writings could be considered as crime writing, and classifying the writings as such certainly doesn’t make them less great. There are crime writers writing today who will someday be among the few authors from our time who are read in the future, if, indeed, anyone at all reads in the future.

 

Prof. dr. Jim Madison Davis (Universiteit van Oklahoma) geeft morgen een masterclass aan de Universiteit Antwerpen. Er zijn al meer dan 40 inschrijvingen.


JMD, een internationaal gerenommeerde docent, literatuurkenner en misdaadauteur is voorzitter van het AIEP/IACW (International Association of Crime Writers). Hij publiceerde o.m. de Novelist's Essential Guide to Creating Plot.  (Zie ook het bericht van 25 augustus).

Waar: Universiteit Antwerpen, Prinsstraat 13, lokaal B003.

Wanneer: woensdag 17 september van 19 tot 22 uur.

Prijs: Leden van het GVM en het GNM: 2 €. Niet-leden: 5 €.

Reserveren via sms +32 (0)498 19 80 80 of per mail: secretariaat@misdaadauteurs.be

Partager cet article
Repost0
15 septembre 2008 1 15 /09 /septembre /2008 02:49

In het Vlaams-Nederlands huis deBuren te Brussel vond op 20 september vorig jaar een colloquium plaats georganiseerd door De Diamanten Kogel: ‘Thriller versus roman: kunstmatige scheidingslijn of familievete?’. Uitgangspunt was dat in het Nederlandse taalgebied nog altijd een vrij strikt onderscheid wordt gemaakt tussen misdaadliteratuur en de ‘echte’ literatuur. Thrillers worden stiefmoederlijk behandeld, niet alleen door literatuurhistorici, maar ook door literaire critici. Behoren ‘spannende boeken’ niet tot de literatuur? Academici, critici en misdaadauteurs, elk vanuit hun invalshoek, gaven een antwoord op deze vraag.

De gereviseerde en uitgebreide versies van de papers die op het colloquium zijn gepresenteerd, verschijnen thans gebundeld bij Garant Uitgevers, Antwerpen / Apeldoorn.

Centraal staan de zowel theoretische als kritische verkenning van al dan niet vermeende tegenstellingen tussen misdaadroman en literaire roman en hun eventuele relevantie. De geschiedenis en ontwikkeling van de misdaadliteratuur in de Lage Landen komt beschrijvend en analytisch aan bod. Specifieke bijdragen handelen over de (informele) hiërarchie der genres in de Verenigde Staten en over de sociale relevantie van de Zuid-Afrikaanse misdaadliteratuur.

Thriller versus roman bevat bijdragen van René Appel, Jos van Cann, Jim Madison Davis, Jooris van Hulle, Henri-Floris Jespers, Jan Lampo, Mieke de Loof, Elvin Post, Matthijs de Ridder, Charles den Tex en Felix Thijssen.

 

Inhoud

Jos van Cann & Henri-Floris Jespers (red.): Woord vooraf

Jos van Cannn

Jos van Cann & Henri-Floris Jespers: Echte literatuur? 9

Elvin Post: Literaire thriller. Ja of neen?

Elvin Post in gesprek met Carlos van Baelen, directeur van het Vlaams Fonds voor de Letteren

René Appel & Charles den Tex: Familievete? De misdaadroman versus de literaire roman.

Charles den Tex geflankeerd door Matthijs de Ridder en Mieke de Loof

Jos van Cann: Nederlandstalige misdaadliteratuur? Voor de Tweede Wereldoorlog?

Jan Lampo: De Kachel van Maigret of Zielsverhuizing van de Lezer.

Matthijs de Ridder: Het complot der estheten. Het spannende verhaal van de Vlaamse letteren.

Henri-Floris Jespers : Waardering en misverstand. Georges Simenon en André Gide.

Jooris van Hulle: De maatschappelijke relevantie van thrillers. Case-study: de Zuid-Afrikaanse misdaadliteratuur.

J. Madison Davis The Pecking Order. The Hierarchy of Genre in the United States.

Jim Madison Davis

Mieke de Loof: De avonturen van Alice in Literatuurland

Mieke de Loof en Leen van Dijck, conservator van het Letterenhuis te Antwerpen

Felix Thijssen: Als onze taal muziek wordt en ons verhaal een symfonie.


 Felix Thijssen, laureaat van De Diamanten Kogel

Partager cet article
Repost0
10 septembre 2008 3 10 /09 /septembre /2008 02:10

Als Nobelprijzen een referentie zijn, doet de naoorlogse Poolse poëzie het bijzonder goed. In 1980 werd de alomtegenwoordige Czesław Miłosz bekroond en in 1996 was het de beurt aan de dichteres Wisława Szymborska. Wat de naoorlogse poëzie bindt, is volgens Miłosz een ‘historisch bewustzijn dat zich voedt met de tragedies van een gemeenschap’.

Peetvader van de erudiete cultuurpoëzie Miłosz, ironicus Zbigniew Herbert, publiekslieveling Szymborska en antitraditionalist Tadeusz Róźewicz vertegenwoordigen ‘de oude garde’, die in het eerste kwart van de XXste eeuw het levenslicht zag. Ook Julia Hartwig behoort tot die generatie, alhoewel ze lange tijd in hun schaduw bleef staan.

De ‘Nieuwe Golf’ biedt zich aan met Stanisław Barańczak, Adam Zagajewski, Ryszard Krynicki en Ewa Lipska. Zij ontmaskeren in hun gedichten de holle communistische ‘newspeak’. De andere ‘jongeling’ Janusz Szuber maakte pas in de jaren negentig zijn spraakmakend debuut.

De tien kopstukken komen in deze bloemlezing aan bod met ouder en nieuwer werk. Ze worden telkens ingeleid door de vertalers en uitgewuifd met een interview.

René Smeets is sinds 1999 actief als literair vertaler. Bij Uitgeverij P verschenen o.a. Kiosk (1999) en Lichter dan lucht (2001), vertalingen van Hans Magnus Enzensberger.

Kris Van Heuckelom is assistent-professor Poolse taal- en letterkunde aan de KU Leuven. Hij vertaalde reeds heel wat Poolse en Russische literatuur.

Maarten Tengbergen vertaalde romans en verhalen uit het Russisch en het Fins. Hij schreef ook een boek over meesterwerken uit de Russische literatuur.

De bundel wordt voorgesteld op 4 oktober om 15 uur tijdens Het Andere Boek in het Wereldcultuurcentrum Het Zuiderpershuis, Waalse kaai 14 te Antwerpen.

In 1978 publiceerde Willem M. Roggeman de vertaling van een aantal gedichten van Zbigniew Herbert in de “poëmatheek” De brand in het architectuur-instituut (Walter Soethoudt, 1978).

 

Na de dood stond ik midden in het leven. Kopstukken van de naoorlogse Poolse poëzie. Vertaald door René Smeets, Maarten Tengbergen & Kris Heuckelmom, Leuven, Uitgeverij P, 2008, 320 blz., 29,50 €. Verzendkosten: 3,50 €. Bestellen bij Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg 9 te 3000 Leuven. info@uitgeverij-p.be

Partager cet article
Repost0
10 septembre 2008 3 10 /09 /septembre /2008 02:06

Niet alleen Plato schreef een Sumposion. Ook Loukianos van Samosata (ong. 120-180 n.C.), de grappigste der Grieken, vergreep zich aan het eerbiedwaardige genre der filosofische tafelgesprekken. Bij hem echter geen fijnzinnige filosofische redevoeringen over de liefde. Op zijn gastmaal serveert Loukianos academische slapstick van de bovenste plank. Een feestje van filosofen loopt uit de hand en ontaardt in een scène die zo uit een film van Monty Python lijkt te zijn weggeknipt: heren professoren met zilverwit golvende haardos en eerbiedwaardige baarden slaan elkaar met geslepen syllogismen en gebraden gevogelte om de oren, ontwrichten kaken, en steken, elkaar de ogen uit. Of hoe academici toch ook maar mensen zijn. Dit kleine juweeltje van de Griekse meester van de ironie geldt als een grotesk hoogtepunt uit de klassieke literatuur.

Vertaler Wannes Gyselinck (°1980) is doctor in de Griekse letterkunde. Van 2004 tot 2008 was hij werkzaam op de universiteit Gent als wetenschappelijk medewerker binnen het kader van het FWO-project Ideologische ernst en literair spel in Flavius Philostratus’ Vita Apollonia. Dit resulteerde in een proefschrift getiteld Talis Oratio, Qualis Vita. Een tekstpragmatische benadering van de poëtica van Flavius Phulostratus’ Vita Apollonii. Hij vertaalde Loukianos’ Sumposion in de geest van Loukianos’ eigen literaire praktijk: onorthodox, baldadig en speels.

De bundel wordt voorgesteld op 8 oktober om 20 uur in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Koningstraat 18 te 9000 Gent.

 

Onder professoren. Een symposium. Een vertaling van Loukianos’ Sumposion door Wannes GYSELINCK, Leuven, Uitgeverij P, 2008, 64 blz., 14 €. Verzendkosten: 3 €. Bestellen bij Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg 9 te 3000 Leuven. info@uitgeverij-p.be

Partager cet article
Repost0
9 septembre 2008 2 09 /09 /septembre /2008 19:11

De plaag: het stille knagen van schrijvers, termieten en Zuid-Afrika (Meulenhoff, 2002, 302 blz.) van David Van Reybrouck verscheen in Franse vertaling bij Actes Sud.

In La Libre Belgique (22 juni 2008) kreeg hij heel wat lof toegezwaaid door Guy Duplat:

'David Van Reybrouck est un des plus passionnants auteurs flamands actuels. Archéologue et philosophe de formation, il a créé une forme de récit-fiction qui parle de notre monde mieux que les romans.'

In Le Monde (4 juli 2008) werd Le Fléau door Florence Noiville, ‘chef adjointe’ van boekenbijlage,  uitgeroepen tot niet minder dan een ontdekking :

'Le Fléau est un premier livre inclassable qui force l'admiration. Bref, une découverte... Ce David Van Reybrouck est à l'image de son livre. Un écrivain talentueux, original et drôle, qu'il faut décidément avoir à l'œil.'

David Van Reybrouck (°Brugge, 1971), Master in World Archaeology (Cambridge), promoveerde aan de universiteit van Leiden op een proefschrift getiteld From Primitives to Primates: a History of Ethnographic and Primatological Analogies in the Study of Prehistory.


Partager cet article
Repost0
31 août 2008 7 31 /08 /août /2008 05:05

Het solo-ballet Tussen Huis & Jaargetij van Jetty Roels werd op 18, 19, 20 en 27 oktober 1973 opgevoerd, telkens te 21 uur.


Ziehier de anonieme tekst (van de hand van Nic van Bruggen) die ter attentie van de leden van de VECU verstuurd werd:

Dit dansprogramma bestaat uit twee delen. In het eerste deel danst Jetty Roels op originele Indische muziek die zij tijdens een lang verblijf in Madras bij een der befaamdste dansguru’s aldaar aanleerde. Hoewel deze dansen voornamelijk bestaan uit een voor ons vreemde gebarentaal en mimiek, kunnen wij er toch ruimschoots van genieten omdat ook speelsheid, bewegingsvirtuoziteit en bevalligheid er essentiële elementen van zijn.

Na de pauze danst Jetty Roels “Tussen Huis & Jaargetij” een solo-ballet in een choreografie van haarzelf, gemaakt bij een cyclus van 11 gedichten van Nic van Bruggen en muziek van Gustav Mahler. De gedichten werden op klankband voorgedragen door Julien Schoenaerts. De sterk expressieve, geladen choreografie vertolkt niet op anekdotische, maar wel op een gespannen en alerte wijze de sfeer van de gedichten, waarbij de dimensies van de traditionele dansvorm tot hun verste grenzen van intensiteit verlegd worden.

De gedichten behoren tot het recentste werk van Nic van Bruggen in wiens oeuvre zij stylistisch een nieuwe periode inluiden. In de inleiding tot de bibliofiele uitgave van deze cyclus die dit najaar nog zal verschijnen, noteerde Paul Snoek: “Het zijn gedichten zoals elk dichter er zou willen hebben geschreven. Gedichten zoals men er weinig ontmoet in een letterkunde en maakt in een loopbaan.”

*

Tussen Huis & Jaargetij van Nic van Bruggen p.p. verscheen inderdaad nog in 1973 bij Pink Editions & Productions, in een oplage van 200 losbladige exemplaren, met een woord vooraf door Paul Snoek p.p., zw/w foto’s van Gerard Dauphin en facsimiles van handgeschreven gedichten.

*

In het Nieuw Vlaams Tijdschrift (jg. 27, nr. 4, april 1974) publiceerde Nic de cyclus “Fragmentaria uit een joernaal”, waarin het gedicht ‘Jetty danst [Jetty Roels, Avignon VII 73]’:

Aan het einde van een gebaar staat

Een ander weidser gebaar. Zo zal je

De lucht beschrijven als een gong,

Als de oude weg der vogels. Zal je

De ruimte betreden als een geselslag,

Een kalligrafie van spieren, een sprong

Van scherven, als een beeld van adem.

 

En, sprak je geduldig, een lijn eindigt

Nooit, tenzij in het ei van ijlheid, in

De vorm van de tijd. Aldus stolt haar lenigheid

In zijn brandend plein van traagheid, in

De voortvlucht van de begeerte van de einder.

Zo bewoont zij de bodems van winden,

Haar bladstil paleis van bewegen.

 

Aan elke hand smeedt zij haar salvoos

Naar de verte, de vleugels van een hartslag.

Aan elke voet draait de aarde als een

Drassige zon, drapeert zij een afgrond,

Draagt zij een ovalen stem van eeuwigheid.

Zo opent zij poriën, vlerken. Danst zij.

Mengt zij lucht en water, lichaam en vloed,

Gebaar en horizon, bloemen. Danst zij.

*

De cycli ‘Tussen Huis & Jaargetij’ en ‘Fragmentaria uit een joernaal’ werden opgenomen in de verzamelbundel 100 gedichten (Antwerpen, Soethoudt, 1977), “een selektie uit vorige bundels, aangevuld met nooit eerder in boekvorm gepubliceerde gedichten” , waar ik een inleidend essay voor schreef.


Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
30 août 2008 6 30 /08 /août /2008 06:56

Onze medewerker prof. dr. Piet Tommissen publiceerde op de website van het Internationale Otto Gross Gesellschaft e.V. (www.ottogross.org/) een artikel over Mieke de Loof. Hij ging vriendelijk in op het verzoek zijn opstel hier te publiceren.

 

4. Mai 2008 - Ich war völlig überrascht, als ich in der Namensliste der Damen und Herren, die am 4. Internationalen Otto Gross Kongreß in Graz (24.-26. Oktober 2003) teilgenommen haben, auf den Namen einer Landsmännin stieß:  "Mieke de Loof, Antwerpen" [1]. Da ich mich für Gross interessier(t)e und sogar behilflich sein konnte bei der Zusammenstellung seiner gedruckt vorliegenden (inzwischen längst überholten) Bibliographie [2] entschloß ich mich kurzerhand, diese Dame zu kontaktieren. Es war allerdings keine Sinekure, ihre Adresse und Näheres über ihre Person ausfindig zu machen. Gottlob war Herr Henri-Floris Jespers (geb. 1944), Herausgeber der Zeitschrift Mededelingen (Antwerpen), deren Mitarbeiter ich bin, behilflich. Am 18. Januar 2006 war ich endlich in der Lage, mich brieflich mit Frau de Loof in Verbindung zu setzen. Seitdem sind mehrere, teilweise recht interessante Briefe gewechselt worden und am 16. Januar 2007 zu einer Begegnung gekommen.

Dank dieser Kontakte erfuhr ich, daß Frau Mieke de Loof am 3. Oktober 1951 in der flämischen Kleinstadt Aalst als Tochter eines Arztes geboren wurde und in Löwen erfolgreich Soziologie und Philosophie studiert hat. Sie wurde 1978 von der Universität Antwerpen mit einem Spezialstudium (der Arbeitsunfälle) beauftragt und 1981 als Dozentin eingestellt. Ein Jahr früher hatte sie ein Bühnenstück mit und für Jugendliche marokkanischer Herkunft geschrieben. Und 1982 verfaßte sie mit ihrem Vater ein Buch über die Folgen eines Atomkrieges [3].

Um die tagtägliche Wirklichkeit kennen zu lernen, war Frau de Loof ab 1987 fünf Jahre nebenberuflich als Chauffeur tätig und hat ab 1992 am Wochenende in einer Antwerpener Nachtkneipe gearbeitet. Außerdem lernte sie Kyokushin-karateka. 1998 nahm sie jedoch ihren Abschied als Dozentin, um voll und ganz ihren schriftstellerischen Neigungen nachgehen zu können. Sie plante zunächst eine Biographie der Schwester des von ihr bewunderten Philosophen Ludwig Wittgenstein (1889-1951), Gretl Wittgenstein (1882-1958). Aus diesem Grunde hat sie Wien wiederholt besucht.

Abermals bewährte sich jedoch das Sprichwort: "Der Mensch denkt, Gott lenkt“. In Wien wurde Frau de Loof klar, daß Mittel-Europa im allgemeinen und die Hauptstadt der k.u.k. Monarchie im besonderen zwischen 1913 und 1918 das Laboratorium Europas gewesen sind. Hier wurde in politischer, künstlerischer, wissenschaftlicher Hinsicht tüchtig experimentiert. Sie ließ das Projekt Gretl Wittgenstein fallen und konzipierte eine siebenbändige Krimiserie.

In einem Interview hat sie ihr Ziel folgendermaßen genau umschrieben: "Dasjenige, was mir mit dem ganzen Zyklus vor Augen steht, ist eine Untersuchung über die Archäologie der Macht. Wie funktioniert Macht? Ist jemand in der Lage sie umzugestalten, bis in die Perversität, ohne sich dessen bewußt zu sein?"[4] In einem anderen Interview hat sie auch ihr Arbeitsverfahren unzweideutig enthüllt: "In der Malerei, z.B. im Falle der flämischen Primitiven, werden viele Farbschichten angebracht: So gehe ich auch vor. Jeder Band ist eine Schicht. Nach der siebten Schicht hat man ein gutes Bild des habsburgischen Reiches jener Zeit."[5]

Dazu gehört Forschung: Jeder Band erfordert mehrere Monate Sucharbeiten in Archiven, sowie Versuche, sich in der Atmosphäre bestimmter Gebäude bzw. Einrichtungen einzuleben. Übrigens lernte Frau de Loof im Jahr ihrer Entscheidung für die Literatur (1998) sowohl Otto Gross als auch Erich Mühsam (1878-1934) kennen. Und zwar in der von Harald Szeemann (1933-2004) zusammengestellten Ausstellung "Austria im Rosennetz. Visionäres Österreich“, die im Palast der Schönen Künste (jetzt: Bozar) in Brüssel gezeigt wurde. Diese Entdeckung hatte zu Folge, daß sie - wie bereits oben gesagt - zur Gross-Tagung in Graz gepilgert ist.

Nach ihrer Rückkehr in Antwerpen hat sie sich an die Arbeit gesetzt und den ersten Band ihrer Serie geschrieben. Das Grazer Zentralthema, d.h. das Vater-Sohn-Verhältnis, ist in diesen Roman unmittelbar eingegangen, indem die erdrückende, ja stickige patriarchalische Gesellschaft jener Zeit an Hand der Hauptperson und ihres Opfers im Mittelpunkt steht.

Er spielt sich 1913 in Wien ab. Der Jesuit und als Geheimagent ausgebildete Kasveri Ignatz von Oszietsky erhält von seinem Provinzial, Pater Hermann Wolf, den Auftrag, an Ort und Stelle herauszufinden, warum der am Hof der Habsburger tätige katholische Spion nicht länger zuverlässig ist und eine Gefahr darstellt. Kasveri ist in mancher Hinsicht ein Originaltyp: Er raucht keine Pfeife und trinkt kein Bier, sondern begnügt sich mit den vom Jesuiten Baltasar Gracián y Morales (1601-1650) gesammelten Maximen, dem nach 1945 in West-Europa viel gelesenen Handorakel.

Es ist nicht möglich, die Erlebnisse des Paters Kasaveri, die Schachzüge der aktiven jüdischen Meisterspionin Fürstin Elisabeth von Thurn, die Handlungen anderer Personen, d.h. das Intrigenspiel zusammenzufassen. Demgegenüber geht es nicht an, die Anwesenheit von Vater und Sohn Gross zu ignorieren: Es ist ja wohl zum ersten Mal, daß sie in einem Kriminalroman ihre Aufwartung machen! Dass Kasaveris eingebaute Rekonstruktion im großen und ganzen den Fakten entspricht, möge der nachfolgende Abschnitt beweisen [6].

Während eines Besuches in Graz bittet der Vater den befreundeten Kasaveri seinem Sohn seine angeblichen Wahnideen auszureden. Der gibt nicht nach und begibt sich zu dem befreundeten Ehepaar Margot und Franz Jung. Eine Kontaktperson erzählt Kasveri, daß Freund Otto gefährdet ist. Er entschließt sich zu einer Intervention, um die Pläne des Vaters zu hintertreiben. Er trifft aber zu spät in Berlin ein, denn Otto war gerade von der Polizei verhaftet worden. Etwas später drückt Peter Provinzial ihm ein Exemplar der Pariser Tageszeitung Le Figaro in die Hand und liest den Protestartikel des französischen Schriftstellers Blaise Cendrars (1887-1961).

Mit dem Erscheinen des Erstlings der Frau de Loof ist ein neuer Wind in der flämischen Thrillerliteratur zu spüren. Er hat es wohl seiner Originalität zu verdanken, daß ihm der begehrte Preis Hercule Poirot zu Teil wurde. Der von der Jury gefaßte Beschluß ist kaum beanstandet worden, einzig ernsthafter Vorwurf war die spürbare Erudition, die als die eherne Folge der Ausbildung der Autorin gedeutet wurde. Der Roman ist im selben Jahr (2004) zweimal nachgedruckt worden - der beste Beweis, dass er auf fruchtbaren Boden gefallen war.

Im zweiten Roman fehlt Otto Gross. Wenigstens unmittelbar, denn nicht umsonst spielt die Geschichte sich in der ehedem modernsten Heil- und Pflegeanstalt für Nerven- und Gemütskranke Steinhof ab, dem derzeitigen Otto Wagner Spital. Einerseits wurden geisteskranke Mitglieder adliger Familien luxuriös und Geisteskranke aus niedrigeren Schichten kümmerlich gepflegt, andererseits tüchtig Therapien ausprobiert, vom Schlammbad bis zum Elektroschock. Aus der Sicht von Frau de Loof handelte es sich um den am besten geeigneten Ort, um Personen zu skizzieren, die in der Welt des Wahns leben [7].

Es ist erwähnenswert, daß die Autorin in dieser Anstalt Freunde und Feinde der vom Monsignore Umberto Benigni (1862-1934) zur Bekämpfung des sog. Modernismus aus der Taufe gehobenen erzkatholischen Geheimorganisation Sodalitium Pianum zusammenführt. Sie verfügten über eine Geheimschrift (die Roich) und versteckten sich hinter Pseudonymen. Diese Organisation wurde am 8. Dezember 1921 vom Pabst Benedikt XV. (= Jakob della Chiesa; 1854-1922) aufgehoben.

Im nächsten Band der Serie soll der Maler Egon Schiele (1890-1918) seine Aufwartung machen, in einem späteren Band (wahrscheinlich der fünfte) die Pflegeanstalt zum zweiten Male als der zentrale Ort der Geschehnisse fungieren und Otto Gross wiederum präsent sein. In welcher Eigenschaft er auftreten wird, ist vorläufig ein Geheimnis. Als Psychiater, als Patient, als Patient-Psychiater? Frau de Loof verweigert die Aussage. Es steht allerdings fest, daß die Essenz der Vorfälle wichtiger sein wird als die komplizierten Plots der beiden ersten Bücher und die historische Annäherung einer philosophischen (existentenziellen?) weichen muss. Die Autorin verspricht, ihrem Leitmotiv in jedem weiteren Band die Treue zu halten: "Nichts ist, wie es anmutet und hinter allem lauern Doubletten."[8], oder anders formuliert: Wahrheit und Lüge durchkreuzen sich andauernd, so dass es außerordentlich schwierig ist, die Quintessenz der Realität herauszuschälen.

Zu guter Letzt möchte ich noch unterstreichen, daß Frau de Loof keine wissenschaftlichen Traktate, sondern Krimis schreibt. Darum darf sie sich gelegentlich eine Verdrehung der historischen Wahrheit erlauben. In einem recht informativen Nachwort zum zweiten Band zitiert sie ein schönes Beispiel: sie führt Julius Wagner Jauregg (1857-1940) als Direktor der Heilanstalt Steinhof an, obwohl er es nie gewesen ist [9].


[1] Albrecht Götz von Olenhusen (geb. 1935) und Gottfried Heuer (geb. 1944) (Hrsg.). Die Gesetze des Vaters. 4. Internationaler Otto Gross Kongress, Marburg: LiteraturWissenschaft.de, 2005, 497 S.; cf. S. 490.

[2] Raimund Dehmlow (°1952) und G. Heuer (Hrsg.), Otto Gross. Werkverzeichnis und Sekundärschrifttum, Hannover: Laurentius Verlag. 1999, 108 S.; cf. S. 94.

[3] Jef de Loof en Mieke de Loof, En niemand hoort je huilen (= Und kein Mensch hört dich weinen), Löwen: Kritak, 1982, 107 S.

[4] Jooris van Hulle, "Mieke de Loof over haar 'geestelijke' misdaadliteratur", in Tertio (Antwerpen), 8. Jahrg., 24. Januar 2007, S. 11

[5] Inneke von den Bergen, Interview Mieke de Loof. "Literatur is antidotum tegen fundamentalisme", in: De Volkskrant (Holland), 13. Oktober 2006, S. 25.

[6] M. de Loof, Duivels offer (= Satanisches Opfer), Antwerpen: House of the Books, 2004, 174 S.: cf. S. 71-77 (Gespräche mit Hans Gross), 89-96 (Unterhaltung mit Otto Gross), 148-152 (Verhaftung von Otto Gross), S. 168-170 (Aktion zugunsten von Otto Gross).

[7] M. de Loof, Labyrinth van de waan (= Labyrinth des Wahns), Antwerpen: House of the Books, 2006, 205 S. - 2007 ist eine korrigierte Neuauflage erschienen.

[8] M. de Loof, ob. cit. (FN 6), S. 14.

[9] M. de Loof, op. cit. (FN 7), S. 211-215; cf. S. 212.

 

Über den Autor: Prof. Dr. phil. Piet Tommissen, Brüssel. Zu den wissenschaftlichen Werken u.a. zu Pareto, Ernst Jünger, Carl Schmitt, Otto Gross cf. Bibliographie, S. 263 - 317 (etwa 500 Titel) in: Liber amicorum Piet Tommissen, La Hulpe: Apsis 2000, 319 S.

Partager cet article
Repost0
30 août 2008 6 30 /08 /août /2008 06:25

Op woensdag 3 september wordt Mieke de Loof geïnterviewd door Jooris van Hulle. Het interview begint klokslag 21 uur.

Zoals gewoonlijk is iedereen al vanaf 19.30 uur graag welkom in het lokaal: “Taverne Rochus", Sint-Rochusstraat 67 te Deurne.

&

Mieke de Loof (°1951) is schrijver, socioloog en filosoof en werkte als wetenschappelijk onderzoeker, docent, chauffeur, dienster in een nachtkroeg en is Kyokushinkai-karateka.

En niemand hoort je huilen (1982), een medisch-polemologische studie over de gevaren van een atoomoorlog, schreef ze samen met haar vader. Sinds 2000 werkt ze aan een cyclus van zeven misdaadromans, die zich afspelen in Wenen 1913-1919, met steeds dezelfde hoofdpersoon: Ignatz, jezuïet en geheim agent. Het eerste deel, Duivels offer (2004), werd genomineerd voor de Schaduwprijs (Nederlandse debuutprijs) en kreeg in 2004 de Hercule Poirot-prijs (prijs van de beste Vlaamse misdaadroman van het jaar). Labyrint van de waan (2006), haar tweede Ignatzroman, werd in 2006 genomineerd voor de Hercule Poirot-prijs. ■

&

Jooris van Hulle (°Beernem, 1948) is classicus (Katholieke Universiteit Leuven) Hij was leraar Nederlands en esthetica (1970-2004) en stafmedewerker letteren op het kabinet van de Vlaamse Minister van Cultuur (1995-1999). Recensent Vlaams proza bij Standaard der Letteren (1987-1995) en nu nog bij Leeswolf, Poëziekrant, Kunsttijdschrift Vlaanderen en Tertio. Naast een rits monografieën publiceerde hij o.m. Ik schrijf zoals ik schrijf. Vlaams proza 1980-1990 (1990) en Wilde inkt en ambrozijn. Vlaams proza 1991-1995 (1997). I.s.m. Riana Scheepers stelde hij de bloemlezing samen Verstaan my verlangste. Honderd liefdesgedichten in het Afrikaans (2003).

Partager cet article
Repost0
30 août 2008 6 30 /08 /août /2008 05:38

Enkele maanden geleden ontdekte de Belgische cineast Patrick Taliercio een prozatekst van Rimbaud (‘Le rêve de Bismarck’), verschenen onder het pseudoniem Jean Baudry in de krant Le Progrès des Ardennes (25 november 1870). Er was heel wat mediabelangstelling.

in het septembernummer van Inédit nouveau publiceert de Franse journalist, dichter en theatercriticus Jacques Lucchesi een onuitgegeven, tienregelig vers van Rimbaud, À la Française. Een achter-achter-nicht van de dichter, ene Sylvie Lacassin-Dunoyer, gaf hem de toelating het gedicht te kopiëren en te publiceren; zij is van mening dat het gedicht “wellicht” van de winter 1871 dateert.

Uitgever Paul Van Melle onderstreept dat de herkomst van het vers borg staat voor zijn echtheid …

Om bijzonder argwanend te staan tegenover de “ontdekking” van Lucchesi en de publicatie in Inédit nouveau moet je niet eens terugblikken op de beruchte mystificatie rond La Chasse spirituelle, die in 1949 voor een stevig schandaal zorgde (en tot op heden heel wat vraagtekens oproept over de al dan niet bewuste betrokkenheid en medeplichtigheid van een aantal gerespecteerde critici…).

Tot het tegengestelde bewezen is, beschouw ik de publicatie in Inédit nouveau als een flauwe grap.

&

In de altijd lezenswaardige kroniek “à tous mes échos” bespreekt Van Melle uitvoerig de Mededelingen van het CDR en het Bulletin de la Fondation ça ira.

Signaleren we ook de vertaling van het gedicht ‘Ins Lesebuch für die Oberstufe’ van Hans Magnus Enzensberger; ‘Borbicule II’, proza van Claude Haumont ; en het redactioneel van Paul Van Melle, gewijd aan Aimé Césaire en de “négritude”.

&

Op de cover prijkt een tekening van de schilder, dichter en essayist Claude Haumont (°Jemmapes, 21 juni 1936). In 1952 betekende de confrontatie met het werk van Turner, Constable en William Blake een ware openbaring voor de schilder, die zich ook aangetrokken voelde tot het surrealisme (hij publiceerde proza in het tijdschrift van Marcel Mariën, Les Lèvres nues) en niet afkerig van het situationistische discours. Naar het einde van de jaren vijftig evolueerde hij naar een abstract, lyrisch expressionisme, waarbij de figuratie nooit geheel afwezig was. Bertini, Degottex, Zao Wou-ki, Paalen, Toyen en Henri Michaux erkent hij als verwante kunstenaars. Hij komt in contact met de laatste overlevenden van de surrealistische groep van Henegouwen, sluit vriendschap met Achille Chavée en Armand Simon alsmede met André Balthazar, die hem onderdak zou geven bij uitgeverij Le Daily-Bul.

Net als Paul Van Melle, de uitgever van Inédit nouveau, is Haumont een oudgediende van de destijds befaamde éditions Marabout.


Zie ook het bericht van 27 augustus op: www.caira.over-blog.com

Henri-Floris JESPERS

 

Inédit nouveau, no 224 (septembre 2008), 32 p., ill., 11 av. du Chant d’Oiseaux, 1310 La Hulpe. Jaarabonnement (11 nummers): 35 € te storten op rek. 001-1829313-66 van Paul Van Melle.

Partager cet article
Repost0
29 août 2008 5 29 /08 /août /2008 03:22

De Diamanten Kogel wordt traditioneel uitgereikt op de derde donderdag van september.

Op 18 september 2008 wordt de trofee van Wim Delvoye voor de zevende keer uitgereikt.

De jury, bestaande uit Frank van den Auwelant, Ineke van den Bergen, Jos van Cann, Henri-Floris Jespers (voorzitter), Kris Kenis, Jan Lampo, Hugo Seeldraeyers, Geert Swaenepoel en Magali Uytterhaegen, vergaderde te Antwerpen op donderdag 28 augustus.

 

De toplijst werd als volgt samengesteld:

  1. René APPEL, Schone handen, Amsterdam, Anthos, 2007, 292 p.
  2. Patrick de BRUYN, Passie, Antwerpen, Manteau, 2008, 357 p.
  3. Bavo DHOOGE, Stand-In, Westerlo, Uitgeverij Kramat, 2007, 241 p.
  4. Lieneke DIJKZEUL, Koude lente, Amsterdam, Anthos, 2007, 284 p.
  5. ESCOBER, Ongenade, Amsterdam, Anthos 2008, 359 p.
  6. Aad van den HEUVEL, De oorlogsverslaggever, Breda, De Geus, 2008, 303 p.
  7. Martine KAMPHUIS, Kift, Amsterdam – Antwerpen, Arbeiderspers,  2008, 268 p.
  8. Patricia van MIERLO, De namen van Maria, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 348 p.
  9. Max MORAGIE, Vals gedacht, Antwerpen, Manteau, 2007, 271 p.
  10. Elvin POST, Geboren verliezers,  Amsterdam, Anthos,  2007, 289 p.
  11. Charles den TEX, Cel, Breda, De Geus, 2008, 411 p.
  12. Felix THIJSSEN, De blauwe nacht, Amsterdam, Sijthoff, 2007, 367 p.
  13. Jac. TOES en Thomas HOEPS, Kunst zonder genade, Breda, De Geus, 2007, 316 p.
  14. Herman VEMDE, Tequila sunrise, Arnhem, Ellessy, 2007 p., 322 p.
  15. Simon de WAAL, Pentito, Amsterdam, Lebowski, 2007, 303 p.
  16. Peter de ZWAAN, De Charlesville Jackpot, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 285 p.
De nominaties worden bekendgemaakt op 4 september..

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche