Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
26 octobre 2008 7 26 /10 /octobre /2008 18:20

Piet Joostens, redacteur van Yang, wijst mij op een feitelijke onjuistheid in mijn vorig bericht: Sven Vitse is geen redacteur of redactieraadslid van Yang. Hij is redactieraadslid van DW B.

Inderdaad, waarvoor excuses.

In de geciteerde kritiek van Ferre Denis op het VFL (De Auteur, driemaandelijks tijdschrift van de VVL, september 2008, p. 4) las ik met zoveel woorden: “Sven Witse is lid van de redactie van het literaire tijdschrift Yang”.

De naam Sven Vitse associeerde ik meteen met een treffende bijdrage over Sybren Polet in  DW B. Ik ging er echter van uit dat in een kritisch stuk dat zich uitsluitend toespitst op de werking van de commissie tijdschriften van het VFL, de doorlichting van de commissieleden zorgvuldig was gebeurd.

Mea culpa, maar m.i. stof genoeg voor het pleiten van verzachtende omstandigheden, niet?

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
26 octobre 2008 7 26 /10 /octobre /2008 05:17

De teerling is geworpen: het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft Gierik voor subsidiëring geschrapt (zie hier de berichten van 29 september en 6, 7 en 23 oktober). Of het tijdschrift zal blijven voortbestaan weet ik niet. Ik heb er doelbewust voor gekozen geen contact op te nemen met de redactie. Het gaat me immers hier niet om de toekomst van Gierik, wel om de m.i. meer dan betwistbare beslissing van het VFL.

Na lezing van de elektronische editie van de Mededelingen van het CDR (nr. 126-127, 20 oktober) reageerde Julien Weverbergh meteen in Bokblog. Hij bestempelde de beslissing van het Fonds als “schandelijk” (www.wever-bergh.com):

Er is slechts één gedrukt tijdschrift waarvoor ik me nog kan neerzetten om het met plezier te lezen: Gierik. Aan mijn tijdschriftenplezier komt een einde.

*

Gierik bleef altijd eigenzinnig, weinig voorspelbaar en bracht dus weinig offers aan de idolen van de markt. Dat wreekt zich, vroeg of laat. Maar wanneer je terugblikt, dan stel je met de nodige afstand vast dat er in de loop der jaren heel wat boeiends in het “literair tijdschrift met initiatief” verscheen.

Wat treft mij nu, even vluchtig bladerend in oude jaargangen en in mijn aantekeningen?

Toneel van Jan Fabre en Stijl Devillé (nr. 97); een aanvechtbare maar daarom juist niet minder lezenswaardige studie van Toon Esch over Kaas van Willem Elsschot (nr. 96); gedichten van Alain Germoz en Werner Lambersy door Guy Commerman (nr. 96); de aflevering over “multicreatieven” (nr. 95), met o.m. Luc Boudens, Bavo Dhooge en Renaat Ramon); bijdragen van Fernand Auwera, Frans Denissen en Weverbergh (nr. 94); de “aangespoelden” Jelica Novakovic, Hazim Kamaledin, René Depestre, Abdou Sow en Kostas Mavroudis; de bijdrage van Jan Lampo over de Antwerpse haven in de letteren en de beschouwingen van Lieven David over Bourdieu (nr. 89); het essay van Marc Galle over Maeterlinck; het opstel van Olivier Boehme en Matthijs de Ridder over conservatieve revolutie en literatuur in Vlaanderen tijdens het interbellum; de beschouwing van Dirk Martin over Alfred Rosenbergs ideologen en de toekomst van België (nr. 88); de meeste bijdragen in het speciaal nummer over migratie (nr. 87); Wim van Rooy over het multiculturele ideaal; de revelerende dagboekachtige aantekeningen van theatermonster Tone Brulin en het interview met de Franstalige Vlaamse romancière Nicole Verschoore (nr. 86); alweer Tone Brulin (nr. 84); de aflevering “Laveloze letters” samengesteld door Micheline de Ridder (nr. 82); de prominente aanwezigheid van Kenneth White in nr. 78; de beschouwingen over Fransschrijvende Vlamingen van Christian Berg, Jacqueline Caenberghs, Danny de Laet, Jan Lampo, Bart Vonck en Paul Willems (nr. 75); de benadering van Ward Ruyslinck door Paul van Aken en Jean Weisgerber (nr. 63); de beschouwingen over de Amerikaanse en Russische roman door resp. Wim van Rooy en August Thiery (nr. 60); het nummer over De Nevelvlek, een baanbrekende bijdrage tot de herwaardering van de jaren vijftig (nr. 57); enz.

Eigen lof stinkt, maar het zou van hypocrisie getuigen indien ik mijn eigen bijdragen niet zou vermelden waar ik nu opnieuw mee geconfronteerd word. In “Vlaanderen: van droom tot nachtmerrie” gaf ik de primeur van de briefwisseling Max Elskamp/Paul Neuhuys aan Gierik (nr. 76) alvorens ze te publiceren in Textyles (“Max Elskamp et Paul Neuhuys: correspondance inédite”, nr. 22, 2002, pp. 67-81) Marie Gevers stond centraal in “De dichter behoort tot een minderheid in ballingschap” (nr. 75) en Dada in Vlaanderen in “Paul Neuhuys en Ça ira (nr. 64). In die drie bijdragen werd dankbaar gebruik

gemaakt van eerder ontoegankelijke en daarom onuitgegeven bronnen. En dan laat ik hier nog essays over de onmogelijke identiteit bij Alain Germoz (nr. 65), over het proza van Paul Snoek (nr. 72) of over de duistere achtergronden van Dada-President Clément Pansaers (nr. 66).

En moet hier nog gewezen worden op het dubbelnummer 49-50, gewijd aan Paul van Ostaijen, met bijdragen van o.m.  Sjoerd van Faassen & Hans van den Boef, Paul Hadermann, Dirk Martin, Wim Meewis, Anne Marie Musschoot, Annie Reniers en Michel Seuphor…

*

Het beschermcomité van Gierik bestaat uit leden “die hun morele en daadwerkelijke steun toezegden en hun intellectueel, creatief en maatschappelijk gewicht in de waardenschaal leggen om het tijdschrift mede in stand te houden”.

Ik beperk me hier tot het vermelden van de leden die op het vlak van theater, poëzie, essayistiek, maatschappelijke, kunst- en literaire kritiek hun sporen verdiend hebben: Ludo Abicht, Peter Benoy, Frans Boenders, Lionel Deflo, Bart F. M. Droog, Walter Groener, Rik Hancké, Wim Meewis, Frans Redant, Lucienne Stassaert en Rik Torfs.

*

Name dropping? Inderdaad.

In Bokblog schrijft Weverbergh:

Het argument van belangenvermenging: daar heb ik oor naar, dat wil ik gretig geloven, en ik vermoed intuïtief dat Denis gelijk heeft. Maar om mij compleet over de streep te krijgen, wil ik in plaats van verbaal lawaai liefst feiten. Denis moet namen noemen en aantonen dat commissielid A (of zijn levenspartner) ook nog zitting heeft in de redactie van het blijvend gesubsidieerde tijdschrift Uppeldepup, of dat hij regelmatig of uitsluitend in dat (deze) tijdschrift(en) publiceert. Verder zou het bijzonder nuttig zijn voor leken als ik, als alle commissieleden worden voorgesteld.

Welnu, Ferre Denis (“De dood van het literaire tijdschrift Gierik”, in: De Auteur, driemaandelijks tijdschrift van de VVL, september 2008, pp. 5-6) heeft wel degelijk namen genoemd: Stijn Geudens (Streven), Leen Boereboom (Muziek en Woord), Elke Brems (KUL), Alexander Roose (UG), Sven Vitse (Yang).

Ik heb het commentaar van Ferre Denis niet geciteerd, omdat ik het nogal voortvarend en overtrokken vind. Bovendien is het onproductief.

Wie er ook in een commissie (of in een jury) moge zetelen, het verwijt van belangenvermenging zal immers altijd opduiken, zeker in hoofde van wie zich onrechtvaardig behandeld voelt of gewoon uit de boot valt.

Waar het echt om gaat is de manier waarop een commissie haar taak waarneemt. En dat geldt des te meer voor het VFL. De taak (in dit geval) van de commissie tijdschriften bestaat er niet in een eigen visie te ontwikkelen en door te drukken, maar de door de gemeenschap ter beschikking gestelde subsidiegelden rechtvaardig te verdelen. Commissieleden dienen daarbij de minimale objectiviteit op te brengen, afstand te doen van eigen opvattingen.

De beslissing Gierik niet langer in aanmerking te nemen voor subsidiëring op grond van “gebrek aan kwaliteit wat betreft teksten en thema’s” en “weinig of geen impact op het literaire landschap” (zie de verklaring van Guy Commerman in de reeds aangehaalde aflevering van De Auteur) is onaanvaardbaar.

Name dropping? Jazeker. Namen noemen is hier op zijn plaats, want het aanmatigende oordeel van vijf scherprechters blijkt zwaarder door te wegen dan dat van de medewerkers en beschermende leden die zich inzetten voor Gierik.

*

Ach ja, ik kan ook een rubriek volschrijven met geërgerde kritiek op Gierik – of op andere tijdschriften die wel rijkelijk bedeeld worden door het Fonds. Maar daar gaat het niet over.

Van de debutanten die de jongste vijf jaar publiceerden en / of debuteerden in Vlaamse literaire tijdschriften vonden er 23 een reguliere uitgever, waarvan 18 auteurs publiceerden in Gierik, dit is tachtig procent.

En voor het overige ben ik het, une fois n’est pas coutume, met De Morgen (6 april 2004) volmondig eens:

Geschrapte tijdschriften hekelen ‘postmoderne monocultuur’: Commerman en Deflo vrezen dat op termijn enkel ‘prestigieuze, luxueuse en/of modieuze bladen nog hun zaligmakende postmoderne poëtica zullen mogen uitdragen. Het veelkleurige en inhoudelijke gevarieerde tijdschriftenlandschap in Vlaanderen wordt door deze onverantwoorde ingreep (van hooguit vijf mensen!) in de toekomst verschraald tot een postmodernistische monocultuur die het leeuwendeel van de subsidies binnenrijft.

Hier raken we de kern van de problematiek: neen, geen belangenvermenging, wel een genadeloze wegwals.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
24 octobre 2008 5 24 /10 /octobre /2008 23:26


© Marco Magielse

Het Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs zal zijn aanwezigheid affirmeren op de Boekenbeurs middels een sterke poster.

GVM-webmaster Roland van Wanrooy wist “een bevriende – hoe kon het ook anders – fotograaf, Marco Magielse, te bewegen om tijd, benzine, moeite en vakmanschap van hemzelf en het blauwbekkend model te investeren in een financieel noodlijdende doch voor de rest geestelijk gezonde en goedbedoelende club”… Roland zelf speelde gewillig voor lijk. En Standaard Uitgeverij / Manteau nam de drukkosten voor haar rekening.

Op de webstek van het GVM verscheen ook de eerste column van Diamanten Kogel-winnaar Simon de Waal.
 
“Het is de bedoeling dat ik er iedere twee weken een schrijf, wat ik met veel plezier zal doen, aldus Simon. In de eerste, enige overpeinzingen betreffende de geweldige avond die we met z'n allen mochten beleven in Antwerpen!”

En nu we toch bezig zijn: een bezoek de webstek van GVM-lid Max Moragie loont echt wel de moeite.
 
Marco Magielse: www.deafbeelding.nl
Genootschap Vlaamse Misdaadauteurs: www.misdaadauteurs.be
Max Moragie: www.moragie.com

Partager cet article
Repost0
23 octobre 2008 4 23 /10 /octobre /2008 05:56

Weverbergh reageerde op het dossier Gierik in de jongste aflevering van de Mededelingen van het CDR (nr. 126-127, 20 oktober 2008; zie ook vorige berichten):

Ik heb al een paar keren beweerd dat gedrukte literaire tijdschriften geen rol meer spelen in de het 'literaire leven'. Uit eigen ondervinding: ik blader in de bibliotheek (on)regelmatig in al dat gedrukte papier. Er is slechts één gedrukt tijdschrift waarvoor ik me nog kan neerzetten om het met plezier te lezen: Gierik. Wat mij betreft mogen alle andere literaire tijdschriften ophouden te verschijnen: geen haan zal er naar kraaien, behalve de opperhanen van de redacties. En hun kippenhok. Verder geen enkele rimpel te bespeuren in de Vlaamse letteren.

Aan mijn tijdschriftenleesplezier komt een einde. Uitgerekend Gierik wordt door de commissie tijdschriften van het almachtige Vlaams Fonds voor de Letteren voor subsidiëring geschrapt. Schandelijk.

Weverbergh citeert de reactie van Ferre Denis in De Auteur, het driemaandelijkse tijdschrift van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. (Cf www.wever-bergh.com – rubriek “Bokblog”, bericht van 20 oktober.)

 (wordt vervolgd)

Partager cet article
Repost0
22 octobre 2008 3 22 /10 /octobre /2008 23:31

Maurits van Liedekerke over Ben Cami.

Jaren geleden wees prof. dr. Ada Deprez in een kranteninterview op de bijzonder waardevolle bijdrage van de heemkundige kringen tot de geschiedschrijving. Zo werd in de jongste aflevering van Het oude land van Edigen en omliggende (HOLVEO) het referaat opgenomen over “Erasmus of Alva: de Nederlanden in de XVIde eeuw”, door bestuurslid Herman Vandormael uitgesproken ter gelegenheid van het eredoctoraat dat hem uitgereikt werd in de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godsdienst te Brussel.

Ook wat de actualiteit betreft vervullen heemkundige kringen en hun tijdschriften vaak een noodzakelijke aanvulling op de collectieve amnesie. Het overlijden van Ben Cami op 15 november 2004 werd nauwelijks opgemerkt door de media. Het zou tot 27 januari 2005 eer De Standaard Letteren een artikel publiceerde: “Vergeet Cami niet”. En dat was niet eens een initiatief van de redactie, maar wel van medewerker dr. Jos Joosten, docent aan de universiteit van Utrecht en auteur van Feit en tussenkomst. Geschiedenis en opvattingen van Tijd en Mens (1949-1955) (Nijmegen, Vantilt, 1996). Hij benadrukte: “Dat ook Vlaanderen deze dichter met een carrière van meer dan een halve eeuw vergeten was, is een feit van louter poëtisch onrecht.”

In HOLVEO onderstreept Maurits van Liedekerke dat naam maken de betrachting niet was van de Kantieke Schoolmeester, dat hij niet naast zijn schoenen liep. Maurits schrijft herinneringen neer aan “de realistische dichter die waarnemende poëzie schrijft”, aan “de gepijnigde dichter die zijn afschuw voor oorlog en geweld uitschreeuwt”, aan de berustende dichter, die zich wel miskend voelde, maar er niet onder gebukt ging. Het kon niet anders of er was iets van wederzijdse aantrekkingskracht of onderlinge Wahlverwandschaft. Ook Van Liedekerke (°1945) is immers een verstilde, waarnemende dichter die grootspraak schuwt en niet te koop loopt met gezwollen gevoelens. Ook hij gaf uitdrukking aan zijn afschuw voor oorlog. Hij debuteerde in de jaren zestig met gedichten en kortverhalen in Podium, en publiceerde een zestal dichtbundels (Als een glas water, 1971; Van het oog geen kwaad, 1981; De wolk, 1982; Huis van gras, 1987; Voor een soldaat van de Groote Oorlog, 1989). Over Voeten in de aarde (1994) schreef Yves T’Sjoen in Ons Erfdeel: “Deze poëzie bevat een rijke plastische beeldspraak die, gegoten in pretentieloze taal, ontroerende inzichten biedt.” Meteen een passende typering voor Maurits bijdrage over Ben Cami. (Over Ben Cami in de Mededelingen van het CDR: cf. II, nr. 31, 15 september 2004, pp. 8-10; II, nr. 48, 25 mei 2005, p. 11.)

In de aflevering van april-mei-juni 2001 publiceerde Van Liedekerke “Nog over gipten en gippenessen”, een bijzonder lezenswaardige bijdrage over de verschijning van de zigeuners in het Pajottenland en hoe de bevolking aldaar en elders tegen hen aankeek.

Het oude land van Edingen en omliggende: driemaandelijks tijdschrift van de gewestelijke kring voor oudheidkunde, geschiedenis en heemkunde van het Pajottenland, verschijnt viermaal per jaar.

HFJ

 

Het oude land van Edigen en omliggende, jg. XXXIII, nr. 2, april-mei-juni 2005, 71 blz., ill. Men wordt abonnee van de Kring door storting van 22 € op rekening 068-0500160-55 van Holveo.

Partager cet article
Repost0
22 octobre 2008 3 22 /10 /octobre /2008 23:28

Menich maeckt een roe tot sijns selfs eers. (Proverbia communia, ca 1480).

Jeroen Brouwers heeft vaker te kennen gegeven dat hij zich eigenlijk in de eerste plaats essayist voelt. In De schemer daalt onderneemt hij een zwerftocht door zijn boekenkast en verschaft hij een overvloed aan eigenzinnig, dikwijls geestig commentaar, niet in de laatste plaats over zichzelf. Kortom, het soort boek waar je overvloedig uit zou willen citeren.

Brouwers schrijft met evenveel zwier over Menno ter Braak of Bob den Uyl als over vrijwel onbekende grootheden als Frans Buyle ( cf. Mededelingen van het CDR, nr. 44 de dato 17 maart 2005), Lode Quasters (waarbij ook Willem Elsschot en Blanka Gyselen bij komen kijken) of Maria Messens. Hij doorprikt voor de zoveelste keer de mythes rond Angèle Manteau en neemt de gelegenheid gretig te baat om uit te halen naar Jos Vandeloo en Ward Ruyslinck, “heden aan de rand van hun graf en spoedig; evenals zijzelf, terecht totaal vergeten”. Herwig Leus was “au fond een parvenu”, Karel van het Reve is “een zeur, een zeikerd en een stuk chagrijn”. In een stukje over het “hysterisch sleutelboekjeDe opdrachtgeefster van “de Vlaamse schrijfdreutelGreta Seghers, maakt hij haarfijn het onderscheid duidelijk tussen dijen en billen en vaart hij uit tegen een “onkundig aanmodderende Amsterdamse persklaarmaker”. Luuk Gruwez iseen onuitstaanbare ijdeltuit, zelfingenomen kraanhals en vileine roddelwind”, “gewezen dorpsschoolmeester met te veel tijd”. Hij schrijft

geeuwverwekkend vervelende boekjes met de tot in eindeloosheid uitgevezelde herinneringen aan opa Bing en opa Knor, tante Sabbel en nonkel Kluts, neef Smurf, nicht Patatje, buurman Prot en nog een queue van andere figuren uit zijn boeiend bestaan, alle aangeduid met dergelijke of soortgelijke nomenclatuursels. […] Je zou scheurbuik oplopen van het niet te stuiten schateren.”

En dan komt de genadeslag, die trefzekere, laconieke, dodelijke, onvergetelijke typering: “een soortement John Gielgud van de B-film”.

Brouwers neemt gevoelig afscheid van Freddy de Vree, die hij vroeger onderschatte.

In een terugblik op zijn voorgeslacht definieert hij heimwee als volgt:

Het verlangen naar vertroostende schoonheid, de wankele hoop dat de mooie illusie misschien ooit in mijn leven nog zal worden verwezenlijkt, dat is wat ik ervaar als heimwee.

Was het niet Hugo Claus die ooit tegen Brouwers zei: “Rustig, rustig, dat komt nog wel, niet meteen zo toegeven aan het ongeduld der jeugd.”

HFJ 

 

Jeroen BROUWERS, De schemer daalt. Slenteren door mijn boekenkast. Feuilletons 7, Zutendaal, Uitgeverij Noli me tangere, onder protectoraat van Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2005, 235 blz., 18,50 €.

Partager cet article
Repost0
21 octobre 2008 2 21 /10 /octobre /2008 23:07

Frank de Vos (°1956) debuteert met de dichtbundel In Omstandigheden, een uitgave van Berghmans uitgevers. Op de cover prijkt “Man in blue” van Francis Bacon. De bundel werd op 3 oktober in galerie De Zwarte Panter te Antwerpen door Frans-Jos Verdoodt voorgesteld. Hier volgt de tekst van zijn toespraak.

 

Geachte  kunstminnaars, geachte kunstenaars in het algemeen en dichters in het bijzonder,

daaronder begrepen de zogenaamde “gevestigden” en de zogenaamde “aanstormenden”.

 

Als ik die aanspreking uitspreek - wat bijna klinkt als een alliteratie –

dan verwijlen mijn gedachten als “ouderling” – ik ben namelijk voor de Tweede Wereldoorlog geboren – dan verwijlen mijn gedachten nog even naar de bijna vergeten generatie artiesten-dichters hier in Antwerpen.
Een generatie van wie enkelen zich hier destijds zo graag de Pink Poets lieten noemen. Een begrip dat een aantal mensen onder u zich wellicht nog best kan herinneren?

Precies zoals vele jongeren vandaag, bezaten zij groot artistiek talent en tegelijk ook veel talent voor (bijna) bacchantische queesten.

Antwerpen is nooit een brave stad geweest en vele kunstenaars beleefden er – ook na de chaotische maar geestverfrissende jaren zestig – een heel apart leven. Dat slingerde hen letterlijk en figuurlijk doorheen een hype wereld die zich bevond tussen de huidige en de toenmalige Zwarte Panter en de toenmalige VECU.

Dat roemruchte wereldje van figuren als Hugues Pernath en Nic Van Bruggen en Henri-Floris Jespers en anderen slaagden er toentertijd zelfs in om een brave en christelijke politicus, die later een zeer aanzienlijk staatsman zou worden, te begeleiden van een leven van volstrekte ascese naar een leven als volstrekte libertijn.

Dat is natuurlijk geschiedenis.

Zoals die zwarte panter in het portiek boven de deur, dat is ook geschiedenis.
En niet alleen geschiedenis, maar ook zo’n raadselachtige verschijning.

Een panter, ja.

Maar een zwàrte panter, waar vindt men die nog, tenzij in het weleer buitenissige Antwerpen en in de eindeloze steppen van Java en India.

Zwart van kleur, ja. Maar als je er met een fel licht op schijnt, dan ontwaart men nog de vlekkentekening van de gewone panter.

Waarmee ik wil zeggen dat ook de artiest in de zwarte panter – of omgekeerd: de zwarte panter in de artiest - nog de vlekkentekeningen van het waarachtige dagelijkse leven vertoont.

De dagelijkse kwetsbaarheid, de dagelijkse drift, de dagelijkse eenzaamheid en honger.
Beste vriend Frank,

Ik weet dat u geporteerd bent voor de klassieke kunst en de klassieke auteurs.

En daarom wil ik hier aan het begin van mijn korte inleiding de namen van twee Romeinse dichters naar voren schuiven, nl. Ovidius (43 v.c.- 18 n.c.) en Cicero (11-43 v.c.).

Die twee Romeinen waren natuurlijk onvervalste en na te volgen dichters.

Maar zij waren ook redenaars. En u weet dat Ovidius minder bespraakt was dan zijn voorganger Cicero.

En ik troost mij hier als inleider deze avond met de gevleugelde woorden van de snedige woordkunstenaar Cicero “Fac tantum incipias, sponte disertus eris”, begin te spreken en uw welbespraaktheid zal wel volgen.  

Hopelijk, zou ik zeggen. Want een groot redenaar zal wel niemand onder u in mij ontwaren.  Tot nog toe was het misschien wel eerder zoals u in uw vers (“Monumentenzorg”) zo treffend hebt verwoord:

Ik hotter en stotter

ik val uit balans en cadans

ik blaas en kaak mijn letters.

Mocht u zich tot hiertoe nogal verveeld hebben bij de slechte balansen en de slechte kadansen van mijn woorden, dan is er dus, geloof hechtend aan de geciteerde woorden van Cicero,  toch nog hoop op gevoelige beterschap. Hoop op meer mondigheid

Of om het men een vers uit gedicht “Dèja vu “te zeggen:

wij spraken mondig menig gesprek.

Mooi allitererend, wij spraken mondig menig gesprek.

Zoals je zou kunnen zeggen – maar dat is dan een onbesuisd vers van mij, voor deze gelegenheid gekoppeld aan een degelijk vers van u – “wij waren gehoekt en gehoofd” en “spraken mondig menig gesprek”, wij hadden scherpe hoeken aan ons karakter en wij hadden een koppig hoofd. In verzin maar wat.

Als in een bioscoopzaal naar een film zit te kijken en er verschijnt een heel mooi landschap, met een ondertitel erbij die vertelt hoe mooi dat landschap wel is, dan is het voor mij eigenlijk reeds een beetje over.

Datzelfde gevoel heb ook als ik een kunstwerk bekijk, en bij wijze van toepassing eveneens bij een gedicht.

Ik voel mij namelijk niet in staat om te verklaren waarom een gedicht goed en mooi is.

Poëzie lezen is voor mij geen wetenschap, die moet gesteund zijn op wat Immanuel Kant, de zuivere oordelen noemde, oordelen die universeel zijn, meetbaat, algemeen, in parameters te vangen.

Ik zal mij dus niet de bevoegdheid en evenmin de bekwaamheid aanmeten om te oordelen waaróm uw poëzie poëzie is, waarom zij goed is, degelijk, solide.

Misschien voegt zich daarbij ook het feit dat uw werk “geen gemakkelijke poëzie “ is, zoals de inleider bij uw bundel, Martin Carette, stelt.

En ik volg uw inleider trouwens tevens in zijn beklijvende wenk dat wij “bereid moeten zijn op weg te gaan”, dus deze poëzie te lezen.

Dit gezegd zijnde, wil ik u natuurlijk niet onthouden wat ik denk over wat poëzie in het algemeen is of kan zijn, als een verschijnsel, als een fenomeen dat dit soort uniciteit van verzen en dichtbundels creëert.

Een paar weken geleden stond ik de kerk van Santa Maria sopra Minerva in Rome nog tegenover een onafgewerkt gebleven van Michelangelo. Daar moest ooit door Michelangelo nog heel wat aan weggekapt worden, maar de kwaliteit van de figuur die nog moest verschijnen werd toch reeds duidelijk. Er zat dus echte, potentiële kunst in verborgen.

Ik durf dat te vergelijken dat met poëzie: soms is zijn niet voldoende af om “vol” te zijn, “af” te zijn. Het is de bijna grappige tegenstelling van vol en ledig.

Maar de poëzie is er reeds in aanwezig. Gewoon, zonder dat je daar parameters kunt op kleven, zonder dat men het kan verklaren. Het is klaar, het is verklaard.

Roland Jooris vertelde een paar weken geleden op Klara (Ramblas, 25 september) nog dat poëzie voor hem een vorm van kaalkappen is. Het kaalkappen van een zware steen, tot de alleen essentie over blijft.

De dichter als beeldhouwer. En Roland Jooris, die nu toch wel de kaalkapper bij uitstek is, Roland Jooris bevestigde de dromerige gedachten die ik enkele dagen voordien nog had gekoesterd bij dat bijna-beeld van Michelangelo in Rome.

Toen ik enkele ochtenden geleden een blaadje weghaalde van mijn scheurkalender – waarlijk een ritueel in mijn leven, net zoals het ontbijten en zoals het lezen van de grollen van Hagar de Verschrikkelijke in de krant – toen ik dat scheurblaadje weghaalde, toen bedacht ik eigenlijk een andere bepaling voor de poëzie.

Ik presenteer die huis- en keukenwijsheid hier voor wat zij waard is: een dichter is iemand die zijn levensverhaal kan neerschrijven op de weinige witte deeltjes die resten op de achterkant van dat kleine, afgescheurde blaadje van die kleine scheurkalender.

Alles wel beschouwd, liggen die twee typeringen, die van het steenkappen en die van het schrijven op het kalenderblaadje heel dicht bij elkaar.

De dichter-steenkapper kapt elke brok steen weg die er niet meer nodig is voor het pure beeld.

De dichter-kalenderscheurder slaagt er in om zich spontaan te beperken tot enkel hoekjes wit

en daarop zijn leververhaal te schrijven.

Akkoord, beste vrienden, akkoord beste Frank, het zijn slecht metaforen.

Bescheiden metaforen.

Maar, om nogmaals de titel van de bundel van Frank te parafraseren, “in [de] omstandigheden” waarin wij ons hier bevinden, kunnen wij eens even de proef op de som trachten te leveren. En dus uw bundel in de hand nemen.

Ik garandeer u bijna dat de proef lukt.

Want die proef is makkelijker dan via de alchemie hout in goud veranderen.

Frans-Jos VERDOODT

Partager cet article
Repost0
19 octobre 2008 7 19 /10 /octobre /2008 23:19


Christian Laporte (1954) is politiek socioloog. Hij werkte o.m. voor Le Vif/l'Express, was jarenlang redacteur bij de krant Le Soir en is vandaag journalist bij La Libre Belgique. Op La Libre.be (11 oktober 2008) publiceert hij een korte beschouwing over Het gesloten schrijn: ‘Un autre regard sur le Schiltz du temps de guerre’. Hij stelt dat de postume gedichten van Hugo Schiltz (1927-2006) licht werpen op zijn ‘période collaborationniste’.

Le recueil poétique […] qui vient de sortir chez Meulenhoff / Manteau n’interpellera pas que les amateurs d’un Néerlandais aussi finement ciselé que les miniatures flamandes du Moyen-Âge… Il apporte aussi un regard nouveau sur la jeunesse du ministre d’État de la VU. Et plus particulièrement sur le temps de la collaboration en 40-45.

Schiltz (1927-2006) was tijdens de bezetting lid van de ééngemaakte jeugdbeweging. Na de Bevrijding werd hij als zestienjarige enkele maanden geïnterneerd, een beslissende ervaring waar hij zelden gedetailleerd over sprak, tenzij tegenover intimi.  

Laporte brengt terecht in herinnering dat Schiltz in een van zijn laatste interviews verklaarde dat hij zwaar genoeg geboet heeft

 ‘pour quelques coups de tambour’, expliquant que son engagement était plus flamand qu'ouvert à l'idéologie nazie. Un label de famille : nombre de ses aïeux avaient été ‘des rebelles’, ici au sein du Meetingpartij, là au sein du Vlaams Front ‘au nom d'un certain idéalisme flamand’.

In hoeverre enkele introspectieve gedichten eventueel dateren van Schiltz’ interneringsperiode is een vraag die nog kritisch onderzocht moet worden. Laporte gaat er evenwel van uit dat dit wel het geval is en dat ze die idealistische instelling van de jongeman bevestigen.

Les poèmes écrits en prison confirment cette approche tout en montrant, comme le souligne l'homme de lettres Henri-Floris Jespers dans un commentaire, que le verbe y était utilisé comme une arme contre un grand bouleversement intérieur.

De vroegste gedichten hebben in ieder geval niets van een oratio pro domo; ze getuigen integendeel van een intellectuele zelfkritiek die een ingrijpend bewustwordingsproces op gang brengt. Ze werpen vooral licht op Schitz’ afrekening met zijn ‘période collaborationniste’.

'Il avait du reste tourné le dos à l'extrémisme fasciste dès sa remise en liberté’, aldus Christian Laporte.

*

Nu is het wachten op de biografie van Schiltz door Paul Huybrechts (°1946), ex-journalist bij De Morgen en voormalig directeur van De Tijd, die exclusief toegang kreeg tot het volledige archief van de staatsman, inbegrepen zijn dagboeken en persoonlijke notities.

 

Van l. naar rechts: Henri Vellut, Henri-Floris Jespers, Karel Coeckx en Hugo Schiltz, ca 1980.

Hugo SCHILTZ, Het gesloten schrijn, Antwerpen / Amsterdam, Meulenhoff / Manteau, 79 p., 19,95 €. Met een nawoord van Henri-Floris Jespers.

HFJ

Partager cet article
Repost0
19 octobre 2008 7 19 /10 /octobre /2008 19:46

De jury van de Knack Hercule Poirot-prijs heeft de nominaties voor de beste Vlaamse misdaadroman van 2008 bekendgemaakt.

Niets is ooit, Toni Coppers, Manteau
Pitbull, Deflo, Manteau
Kwelgeest, Kisling & Verhuyck, De Arbeiderspers
De engel met de zaag, Jan Lampo, Davidsfonds
De Shatila erfenis, Joris Tulkens, Houtekiet
Een bespreking van de vijf kanshebbers vindt u in Weekend Knack van woensdag 29 oktober.
De winnaar wordt bekendgemaakt op vrijdag 31 oktober om 11 uur tijdens de Boekenbeurs in Antwerpen (Oranje Zaal). Op die prijsuitreiking is ook het grote publiek welkom. De laureaat ontvangt een geldprijs van 5000 € en een gegraveerde Waterman-pen.

Partager cet article
Repost0
18 octobre 2008 6 18 /10 /octobre /2008 06:17

In een recente aflevering van Zuurvrij, het onvolprezen tijdschrift dat door het AMVC / Letterenhuis uitgegeven wordt, behandelde Gwennie Debergh een stuk geschiedenis: “Het Letterenhuis tijdens de Tweede Wereldoorlog”.

Het Museum van de Vlaamsche Letterkunde werd opgericht in 1933.

In 1945 kreeg de instelling de benaming Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven.

Met de nieuwe naam AMVC-Letterenhuis werd ervoor gekozen om de literatuur een centrale plaats te geven. Het Letterenhuis bewaart immers een unieke collectie literair erfgoed.

 

Naar aanleiding van 75 jaar AMVC/Letterenhuis verschijnt bij Meulenhoff / Manteau Lof van het stof van Dwennie Debergh. Het boek wordt feestelijk gepresenteerd op zaterdag 25 oktober om 14 uur in het AMVC / Letterenhuis, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen.

Programma:

Welkomstwoord door Leen van Dijck (directeur AMVC-Letterenhuis)

Harold Polis (uitgever Meulenhoff | Manteau) gaat in gesprek met Jef Geeraerts, Xavier Roelens en Gwennie Debergh.

Literaire uitsmijter door Christophe Vekeman.

Aansluitend receptie.

U bent van harte welkom!

Graag uw bevestiging vóór 22 oktober via pers@standaarduitgeverij.be of tel. 03 285 73 28.

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche