Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
29 décembre 2008 1 29 /12 /décembre /2008 23:13

John was het voorbeeld van de correcte, goedgemutste ambtenaar die zijn werk met plezier deed en nooit misbruik maakte van zijn functie. Ik moet hem zo'n 50 jaar geleden leren kennen hebben aan het begin van mijn accountantscarrière, hij was toen hulpverificateur personenbelasting in Borgerhout en werkte zich rustig op tot hoofdinspecteur. Hij was ook sportief, kwam dagelijks te voet van de Karel de Preterstraat naar zijn kantoor, ik speelde in die jaren met hem tafeltennis bij Atlantic, die nu een jaarlijks tornooi onder zijn naam organiseert. Hij woonde met zijn zoon iedere thuiswedstrijd bij van Antwerpse BBc, en we zaten naast elkaar op de tribune van "den Antwerp"(voetbal), kortom, we waren beroepsmatig tegenstanders en tegelijk van die verre/nabije vrienden die een enorm wederzijds respect voor elkaar koesterden. Zijn collectie eerste drukke uitgaven was zo groot dat hij zich met momenten zorgen maakte dat de vloeren in zijn huis het gewicht van al die boeken niet meer konden dragen.
Ik wist van een ander dat hij aan een of ander kwaal leed - (doen we dat niet allemaal?) met mij pratte hij er nooit over. Welkom bij de "bij-gepasten" schreef hij me op een prentkaartje toen ik in 1986 in het ziekenhuis lag voor een bypassoperatie (hij was zes maanden eerder geopereerd).

Ik kan een boek vol schrijven met herinneringen, maar ik zal niet de enige zijn.

Hij heeft genoten van het leven. Dat is ook wat waard.

Bob MENDES

Partager cet article
Repost0
29 décembre 2008 1 29 /12 /décembre /2008 23:04

De dichter Gert Vingeroets meldt mij dat John Bel overleden is op zaterdag 27 december. John Bel werd als romanpersonage vereeuwigd in De Fraudejagers van Bob Mendes, waar hij als de sympathieke Jan Belmans, dienstleider van het Centraal Taxatiekantoor te Antwerpen, op pagina 33 zijn intrede in het boek doet:

Hij was een grote, breedgeschouderde man, met een hoog gerimpeld voorhoofd, hangwangen en een permanente glimlach. Hij had altijd al een merkwaardig geheugen gehad voor details […]


John Bel opent een zitting van Ex-Libris

John was een bibliofiel in hart en nieren. Zijn hoogst merkwaardige collectie vormt een kunstwerk op zich. Anderzijds was hij een taaie sportbeoefenaar. Tot op zijn hoge leeftijd doorkruiste hij de stad per fiets, op zoek naar het kleinood dat nog geen weg had gevonden naar zijn monumentale, liefdevol opgebouwde collectie.

John verzamelde niet alleen boeken, hij las ze ook nog. Als gepassioneerde maar kritische lezer liet hij zich niet beïnvloeden door vooroordelen. Dat het over Felix Timmermans of Tom Lanoye ging, hij kon spits en vaak verrassend uit de hoek komen.

*

De culturele kring Ex-Libris viert in 2009 zijn twintigjarig bestaan. Deze kring kent geen lidgeld of formeel lidmaatschap. De eerste woensdag van elke maand is er (van 21.00 uur tot 22.00 uur) een lezing over een cultureel, historisch, heemkundig of maatschappelijk onderwerp in ‘Taverne Rochus’, Sint-Rochusstraat 67 te 2100 Deurne. Deze lezingen zijn gratis en iedere geïnteresseerde toehoorder is welkom.

Joke van den Brandt herinnert zich haarfijn hoe het allemaal begon.

“Op 4 juli 1989 kwamen we met enkele vrienden bijeen in het volkscafé Exlibris dat uitgebaat werd door Johnny, de zoon van Joanna Bel, Johns zuster. We waren uitgenodigd door Bert Peleman die op vraag van Joanna een aantal bevriende kunstenaars van allerlei slag bijeenbracht met het plan om dit maandelijks te herhalen, steeds op de eerste woensdag. In september had Jos Vandeloo een nieuw boek uit en John vroeg hem hierover iets te vertellen. Dat was eigenlijk de allereerste voordracht.

Nadien werd besloten om steeds van 21 tot 22 u. iemand aan het woord te laten. Zeer informeel in den beginne, maar vanaf 1992 werd iedereen per post uitgenodigd. De eerste “officiële” voordracht werd op 5 februari 1992 gehouden door Liane Bruylants. Na de plotse dood van Johnny werd uitgeweken naar Taverne Rochus.”

De (voorlopig) laatste lezing van Joke van den Brandt ging over Lambert Jageneau en de zaak Jan Berghmans (zie hier de berichten van 29 september en 29 oktober 2008).

*

Op uitnodiging van John Bel gaf ik in 1994 mijn eerste lezing: Franstalige avant-garde schrijvers en de Vlaamse Beweging in de jaren twintig. Mijn (voorlopig) laatste ging over “Hugo Claus: definitief voorlopig of voorlopig definitief?” (zie hier de berichten van 2 en 7 juni 2008). Ondertussen waren ook al aan bod gekomen: Paul van Ostaijen en de Vlaamse Beweging; Gaston Burssens; Liane Bruylants en een apologie van de misdaadroman.

*

De minzame John Bel kon blijkbaar moeiteloos sprekers van allerlei slag overtuigen om bij Ex-Libris het woord te voeren, nota bene zonder honorarium.

Uit het geheugen vermeld ik hier Manu van der Aa, Marc Andries, Fernand Auwera, Patrick Bernauw, Luc Boudens, Liane Bruylants, Karel de Cat, Beatrijs van Craenenbroeck, Gaston Durnez, Ernest van der Eyken, Jo Gisekin, Katelijne van der Hallen, Ben Klein, Gerd de Ley, Line Lambert, Mieke de Loof, Marcel van Maele, Bert Peleman, Bart Plouvier, Adriaan de Roover, Wim van Rooy, Marc Somers, Werner Spillemaeckers, Lucienne Stassaert, Jos Vandeloo, Erik Verstraete, Leopold Vermeiren (+), Jos Vinks (+), Erik Vlaminck en Herman Vos.

*

Gert Vingeroets schrijft mij terecht:

“We kunnen John niet beter eren, dan het Ex-Librisprogramma voor 2009 (dat hij nog mee heeft vastgelegd) plaats te laten vinden in de geest waarin John het ons op zijn onnavolgbare manier heeft voorgedaan: in een geest van vriendschap.”

*


In het eerste semester spreken Stan Lauryssens (Eindelijk internationaal van Antwerpen tot Tokio, 7 januari), Erik Vlaminck (De kronieken van Erik Vlaminck, 4 februari), Wilfried Patroons (Van ’t Schijn tot ’t Scheld’ - 400 jaar drinkwatervoorziening in Antwerpen, 4 maart), Luc en Thierry Neuhuys (Vertaler, verrader? Over het vertalen van poëzie, 4 april), Gert Vingeroets (Op zoek naar Cyriel Coupé in enkele gedichten van Anton van Wilderode, 6 mei), Rik Wouters (Eigen gedichten over Catalunya, Barcelona, de Guerra Civil, 3 juni).

Op 1 juli wordt het 20-jarig bestaan van de kring gevierd.

*

John Bel (Borgerhout, 18 september 1925 – Antwerpen, 27 december 2008), ere-inspecteur van de Directe Belastingen, was ere-voorzitter van Koninklijk Sportverbond Antwerpens Handel (KSAH) -Tafeltennis en SAF-Tafeltennis en lid van o.m. Oxaco Seniorenclub.

De plechtige uitvaartliturgie vindt plaats op dinsdag 6 januari 2009 om 10 uur in de kerk van O.-L. Vrouw van het Heilig Hart, te Boelaarlei, Borgerhout.

Samenkomst en gelegenheid tot groeten, achteraan in de kerk, vanaf 9.40 uur.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
28 décembre 2008 7 28 /12 /décembre /2008 23:29


Jean Cocteau’s Orphée werd meesterlijk vertaald door Carl Ridders (zie blog de dato 7 december). Toen ik Carls vertaling in 1990 publiceerde vroeg ik hem een kort woord vooraf. Hij was te bescheiden om daar meteen op in te gaan. Na stevig aandringen wist ik hem toch over de streep te trekken. Hij schreef toen scherpzinnige Aantekeningen bij een gedroomde voorstelling, waaruit volgend citaat:

Duizend keer heb ik Cocteau’s Orpheus al gezien, gespeeld, geleid, gedroomd, en telkens wordt het completer, complexer. En een eventuele realisatie ervan een hachelijke, waanzinnige onderneming. Maar de liefde groeit.

[…]

Het is een kwartier voor de voorstelling. Het publiek wordt per twee binnengelaten. De voorste geblinddoekt en geleid door de tweede die gemaskerd is. Tot dat ze op hun plaats zitten, horen ze flarden Monteverdi en poëziefragmenten van l’Ange Heurtebise. Op hun plaats aangekomen zien ze projecties van achterstevoren afgedraaide filmfragmenten – het samenstellen van een hibiscusbloem, het terugvloeien van poëzie in een pen, duizend spiegelscherven die terug één worden. Dan zien ze ook dat op de voorscène een jongen klaarstaat. Nee, het is een centaur.

Bij het herlezen van Carls aantekeningen valt het mij even pregnant als toen op, hoezeer Cocteau’s Orpheus deel was van zijn persoonlijke mythologie.

“C’est du sang que je saigne, c’est de l’encre qui coule”.

Henri-Floris JESPERS

 

Er zijn nog bij het CDR enkele exemplaren beschikbaar van Carl Ridders’ vertaling.

Info: hfj@skynet.be

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2008 3 24 /12 /décembre /2008 21:54

Er was geen plaats in de herberg.

 

Een jong koppel, uit een andere streek,

ongehuwd, zij hoogzwanger.

 

Ook in het opvangcentrum mochten ze niet naar binnen.

 

Zij werden van het kastje naar de muur gestuurd,

van Pontius naar Pilatus

door cynische bestuurders,

door harteloze bewoners,

door geldgierige eigenaren.

 

Zij waren immers vreemd in deze streek, en arm.

 

Daarom kraakten zij een leegstaand armoedig optrekje,

zonder meubilair.

Het leek wel een stal.

Op een strooien matras die er lag

beviel de jonge vrouw van een jongetje.

 

Zij bleven er hokken tot zij er uitgezet werden.

 

Niemand zou aan dit mensonterend voorval

verder aandacht hebben geschonken,

ware het niet dat de jongen later

wereldberoemd is geworden

vanwege zijn performances.

 

Zo komt het dat deze gebeurtenis

al meer dan twee millennia jaarlijks herdacht wordt

op vijfentwintig december,

 

het feest van de krakers.

 

                                               Herman J. Claeys

 

herman.j.claeys@telenet.be 

www.hermanclaeys.tk

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2008 3 24 /12 /décembre /2008 05:43

KT is een uitgave van het Bonner Krimi Archiv [Sekundärliteratur].
Drijvende kracht van KT is 
Thomas Przybilka (quizvraag: in welke roman van een Vlaamse misdaadauteur wordt een personage met dezelfde naam opgevoerd?).

In de jongste aflevering (KT 51, mei-december 2008, 100 p.) wordt Thriller versus roman gesignaleerd, alsmede het boek dat ter gelegenheid van De Diamanten Kogel 2006 gepubliceerd werd.


“Die „Diamanten Kogel“ ist der Preis, der im flämischsprachigen Belgien für den besten Kriminalroman des Jahres vergeben wird. Von Konzeptkünstler Wim Delvoye entworfen, macht die „Diamanten Kogel“ im Bücherregal der Preisträger wirklich etwas her: Die Kugel besteht aus 500 Gramm Sterling Silber und ist mit vier Diamanten (0,35 Karat pro Stück) besetzt. Im September 2007 ging die Auszeichnung an Patrick Conrad für seinen Kriminalroman „Starr“. […]

Zuvor hatten die belgischen und niederländischen Krimischriftsteller ein Kolloquium organisiert, auf dem u.a. der Stellenwert des misdaadroman (Krimi) im Kontext der Literatur niederländischer (resp. flämischer) Sprache diskutiert wurde. Weiterhin beschäftigten sich Vorträge mit der Geschichte und der Entwicklung der Kriminalliteratur in den Niederlanden. Jim Madison Davis, Professor an der University of Oklahoma, referierte über Kriminalliteratur in den USA und Jooris van Hulle liferte eine „case-study“ zum südafrikanischen Kriminalliteratur. Jos van Cann (Journalist und Autor des Nachschlagewerks Moordgids) und Henri-Floris Jespers (Literaturwissenschaftler) haben die Vorträge gesammelt und den Reader Thriller versus roman herausgegeben. Beide Herausgeber dürften den Lesern des Krimi-Tipp nicht unbekannt sein, ebenso wie andere Autoren dieses Reader, da im Krimi-Tipp bereits verschiedendlich auf ihre Publikationen hingewiesen wurde. […]

*

Weiter oben habe ich auf den Reader Thriller versus roman herausgegeben von Cann & Jespers hingewiesen. Henri-Floris Jespers war so freundlich, und hat mir diesen Reader, der fast noch die Restwärme der Druckerei aufwies, zugeschickt. Seiner Sendung beigefügt hat er De Diamanten Kogel 2002 – 2006, eine Broschüre mit verschiedenen Aufsätzen zur Kriminalliteratur beziehungsweise zu verschiedenen Kriminalschriftsteller/innen. Diese Broschüre erschien 2006 in einer Auflage von 500 Exemplaren, war nie im Handel erhältlich und ist daher in den Niederlanden und Belgien ein gesuchtes Objekt der Begierde von (Spezial-)Bibliotheken und Sammlern. Da der Krimi-Tipp sich nicht ausschließlich nur als review-newsletter versteht sondern auch zeitweise auch als Informationsbulletin zur Kriminalliteratur, erlaube ich mir daher den Hinweis auf diese Broschüre. Inhalt […].

In 2009 worden twee afleveringen van Krimi-Tipp gepland.” 

 

Jos van CANN & Henri-Floris JESPERS, Thriller versus roman, Antwerpen, Garant Uitgevers, 142 p., 15,90 €. 978-90-441-2363-1

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2008 3 24 /12 /décembre /2008 05:24


Daar is de dader
van Danny de Laet is niet alleen een onmisbaar naslagwerk, maar ook best prettige lectuur. De Laet neemt immers geen blad voor de mond. Hier en daar moeten critici het ontgelden. (Cf  de blog de dato 5 november.) In de tweede (en laatste) “Updating” (2005) overtreft De Laet zichzelf.

Updating 2 zet een punt achter de Daar is de dader-serie, die samen met enkele nummers van Detective story een redelijk en tamelijk volledig bibliografisch inzicht geeft van misdaadfictie in Vlaanderen, zowel in literatuur (verhaal, roman, theater en strip) als hoorspel en film en televisie.

We hopen nu maar dat anderen die werk mogen vervolledigen en voortzetten.

Updating 2 brengt een overzicht van verschenen boeken tot augustus 2005, enkele kritische noten en een beknopt overzicht van misdaadtijdschriften in de Nederlanden.

Vaya con dios!

Enkele kritische noten”?… Dat De Laet geen krasse uitspraken schuwt, is genoegzaam bekend.

Whipping boy is Luk de Vos, “een trieste plant, “oen” en ”zeikerd”, wiens beknopte geschiedenis van het Vlaamse misdaadverhaal (Schrillers. De stille, de stoere en de schoft, Gent, Academia Press, 2003) neergesabeld wordt door een kennelijk uitermate verbolgen Danny de Laet die op een aantal slordigheden wijst in dit zogezegd goed gedocumenteerd overzicht. Hij speelt echter ergerlijk op de man. De Vos “valt op zijn academische bek”, komt “schofterig” over, leest zelf geen misdaadboeken maar laat zijn vrouw die klus klaren. “Lukasje El Zorro” krijgt dan ook de raad uit De Laets gezichtsveld te verdwijnen. En voor wie het nog niet wist, Chris Vandenbroucke, samensteller van een nummer van Kreatief over misdaadliteratuur, is ook al “een schoft”.

Veel nieuws valt er niet te vertellen, tenzij dat Pieter Aspe ten tweede male in het huwelijk is getreden en dat een Vlaamse de Gouden Strop om haar hals wist te leggen; voor de rest is het nog altijd hetzelfde liedje: een pak onbeduidende debuten en een tweestrijd tussen Manteau en Davidsfonds, daar waar Houtekiet een beetje suf toekijkt en de spreekwoordelijke derde hond (of is het hier de vierde), House of Books dus, in zijn vuistje lacht.

Het is waar: Nederland ontdekt meer en meer Vlaamse auteurs en weet dus dat er buiten Mendes, Vermeulen en Geeraerts nu ook een Johanna Spaey aan de weg timmert; of dat voldoende reden was om haar te bekronen is zeer twijfelachtig. Dood van een soldaat is allesbehalve boeiend en in mijn ogen geen misdaadroman maar eerder een slechte Walschap met reminiscenties aan Streuvels, een heimatroman met misdadig sfeertje, ni plus ni moins.

De Laet heeft het verder over “slappe debuten” (Coppers, Bogaerts, Spaey), “een flink pak auteurs die schrijven om te schrijven (Sonnst, Van Laerhoven, Van Camp, Pierreux, Van Laere), en ook “ons aller fenomeen Lauryssens” viel met Doder dan doodals een tientonner door de broze mand”. Ontgoochelingen waren ook D. van de Walle en Pieter Duthoit. “Beter, stukken beter”, dixit De Laet, waren De Vodkwa-wraak van Hubert van Lier en Zwarte suiker van Roger Schoemans.

Uitgevers zijn “laf en dom”, slagen er telkens opnieuw in “lelijke covers te verzinnen” en moeten hun auteurs beter begeleiden (als voorbeeld geeft De Laet Benny Baudewyns).

*

De Laets (positieve) bespreking van mijn monografie Bob Mendes, meester in misdaad (Manteau, 2005) eindigt als volgt:

Terloops nog deze opmerking: opvallend hoe kritisch en neerkijkend Fred Braeckman, de alom bekende zoniet gevreesde recensent van De Morgen, doet over Mendes. Is er iets tussen die twee dat we niet mogen weten? Ook John Vermeulen is al jaren persona non grata bij grote Fred, nochtans een minzaam man die gedreven, belezen en pertinent over misdaadliteratuur schrijft. Zijn haarklieverij wekt meer wrevel op dan respect en dat is jammer.

Je moet echt niet te kwader trouw zijn, noch over een teugelloze verbeelding beschikken, om die uitspraak spontaan te betrekken op Danny de Laet. Wellicht beseft hij het zelf, maar kan hij het echt niet laten:

Dit lijkt wel op een schiettent waar ik schot na schot de stenen pijpen in het rond doe vliegen, jongens toch!

Een verwittigd man is er twee waard.

Henri-Floris JESPERS

(oktober 2005)

 

Danny DE LAET, Updating 2. Daar is de dader! Vlaamse Krimi-bibliografie, 2005, Brussel, VPOB, Magdalenasteenweg 47, 1000 Brussel, 66 blz., ill., register.

Partager cet article
Repost0
24 décembre 2008 3 24 /12 /décembre /2008 04:33

Rik Lanckrock (°Gent, 16 juli 1923) debuteerde in 1944 in het tijdschrift Klaverendrie (waar het vierde jaarboek van het Studiecentrum Johan Daisne geheel aan gewijd is). In 1945 was hij medeoprichter en, vanaf de derde jaargang, hoofdredacteur van het merkwaardige, pluralistische of misschien juister neutrale tijdschrift Arsenaal, waarin hij poëzie en proza publiceerde, maar (net als Erik van Ruysbeek en Jan Walravens) vooral ook kritische artikels. Na 48 afleveringen en voltooiing van de zesde jaargang hield het tijdschrift in 1950 op te bestaan. Twee afleveringen vormen zelfstandige publicaties met eigen paginering, nl. Confrontatie Urbain van de Voorde-Marnix Gijsen door Rik Lanckrock (1946) en Karel Jonckheere als dichter door Erik van Ruysbeek (1947).

Van 1947 tot in de jaren zeventig was Lanckrock medewerker aan de cultuurbladzijde van Vooruit en van De Morgen  (na 1991 werkte hij bij gelegenheid mee aan De Standaard  - de krant waarin hij in 1948 zo zwaar aangepakt was geweest door dr. Karel Elebaers wegens zijn lof op Gijsens Het boek van Joachim van Babylon).Van 1974 tot 1990 was hij lid van de Commissie letterkunde van de provincie Oost-Vlaanderen, evenals van de interprovinciale commissie, en zetelde aldus in tal van jury’s. In 1992 nam Lanckrock het initiatief tot de oprichting van het Studiecentrum Johan Daisne, waarvan hij de eerste voorzitter werd.

Vooral in de toneelwereld was Lanckrock zonder meer “incontournable”. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het NTG (Nederlands Toneel Gent), dat hij mede hielp oprichten en waarvan hij van 1965 tot 1989 lid (en ondervoorzitter) van de raad van bestuur was. Hij zetelde in de Hoge Raad voor Nederlandstalige dramatische kunst (1963-1975), en oefende een rits bestuursmandaten uit: lid van raad van bestuur van het Documentatiecentrum voor dramatische kunst (1972), van de Toneelcommissie van de provincie Oost-Vlaanderen (1977), van de raad van bestuur van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen (1984) en van de consultatieve commissie van de KNS-Gent – om hier slechts de belangrijkste te noemen.

Van 1959 tot 1965 was hij redactiesecretaris van Podium, het tijdschrift van de Gentse Multatulikring die in Vlaanderen een prominente rol speelde bij de introductie van Brecht in Vlaanderen en tussen 1955 en 1965 op het toppunt van haar kunnen stond. ( Cf. Dieter VAN DE PUTTE, De socialistische beweging en politiek theater (1960-1980). Scriptie voor het behalen van de graad van licentiaat in de geschiedenis, RUG, academisch jaar 2003-2004. Promotor: prof. dr. G. Deneckere.

De opstandigheid van Rik Lanckrock tegenover “la condition humaine” vindt men terug in alle genres die hij beoefent: poëzie, aforismen, kritiek, essay en vooral in zijn honderden “praatjes van een humanist”, die in 1961 bekroond werden met de Letterkundige Prijs van de Stad Gent. Vrijblijvende stellingnamen zjn hem wel vreemd. Zo nam hij in 1965 actief deel aan de organisatie van de opvoering van Rolf Hochhuths Der Stellvertreter en nam hij deel aan het geruchtmakende televisiedebat over dit zo fel betwist (en in Antwerpen verboden) toneelstuk. Hij speelde niet alleen een belangrijke rol in de reactie op het verbod van Fernando Arrabals En ook de bloemen werden geboeid door Teater Arena in 1971, maar trad ook een jaar later op als deskundige in het proces voor de correctionele rechtbank te Gent tegen de medewerkers aan de productie.

Rik Lanckrock publiceert geregeld in de Mededelingen van het CDR. Ziehier een bijdrage gedateerd augustus 2005, verschenen in nummer 56 de dato 18 oktober 2005.(HFJ)

 

Ik zit voor mij uit te staren. De jongste jaren doe ik dat vaak, veel te dikwijls. Twintig keer heb ik naar mijn pen gegrepen, mijn toeverlaat om spanningen, ontmoedigingen en teleurstellingen, zelfs pijn weg te schrijven. Dat is nog altijd het meest probate middel.

Eindelijk lukt het mij en glijdt mijn pen over het maagdelijke witte papier dat mij meer dan eens heeft geholpen om narigheden te overwinnen.

Die sombere momenten werpen mij steevast terug op mijn verleden, op vervoeringen, verrukkelijke belevenissen, boeiende ervaringen, onvergetelijke uren, maar ook op pijnlijke gebeurtenissen.

Zopas zat ik het tijdschrift van het Vlaams Theater Instituut (VTI) te doorbladeren en het was alsof ik geconfronteerd werd met een editie van een andere planeet.

Niets, maar dan ook niets, gaf mij nog dat zo eigenaardige gevoel van herkenning dat zo typisch is voor de dramatische kunst.

Sinds de bevrijding tot lang na mijn pensioen leefde ik in het toneelmilieu: als essayist, criticus, jurylid, voorzitter en beheerder van talrijke gezelschappen, als lid van talrijke commissies en raden, als voordrachtgever. Ik kende in de kringen God en klein Pierken, was bevriend met velen en soms ook biechtvader en diplomaat in geschillen. En nu in dat tijdschrift van het VTI wandelde ik door een wereld die voor mijn volstrekt onherkenbaar was. Dat vreemd proces van vervreemding (ik dacht aan Franz Kafka) voltrok zich op amper één decennium. Had men mij dat vroeger voorspeld, ik zou er schamper mee gelachen hebben. Zoiets kon mij immers niet gebeuren.

En vandaag werd ik met mijn neus op de onweerlegbare feiten gedrukt.

Meteen ging ik denken aan de andere zo talrijke kringen waarin ik heb geleefd en gewerkt. En jawel, ook op die gebieden diende ik te erkennen dat het vrijwel op dezelfde wijze is verlopen.

Het zonderlinge woord aliënatie gonsde door mijn hoofd. Ik zocht het op in ‘van Dale’. Vervreemding, verstandsverbijstering in figuurlijke zin, afstand van rechten e.d. stond er. Die drie betekenissen waren juist.

Ik dacht verder over die nieuwe wereld. Ik hoorde in de verte Antonin Dvoraks negende symfonie. Prachtige muziek, maar het gevoel van in die nieuwe wereld terecht te komen, is minder luisterrijk. Ik dacht verder en belandde bij Albert Camus’ L’Étranger. Het klopte. Ook ik ben zoals de hoofdpersoon die op zijn proces getuigde dat hij een misdaad beging à cause du soleil. Die “zon” is uiteraard een metafoor, zoals Camus dikwijls zinnebeelden, gebruikte om iets duidelijk te maken. Denk aan Le Mythe de Sisyphe, La Peste, L’Homme révolté.

Zo voel ik mij nu en ik durf hopen dat deze verwijzingen volstaan om te beseffen dat elke mens ooit in een wereld belandt die hij nooit had vermoed... à cause du soleil of iets anders.

En of men thans moet juichen of schreien, laat ik aan de lezer over.

Ikzelf vond in dat alles het voedsel dat mijn melancholische aard de kracht verleent om het onvermijdelijke te aanvaarden, soms met flink wat inspanningen, desnoods met een traan in de ogen, een kramp rond het hart en een depressieve pijnscheut.

Met Horatius kunnen we ons inderdaad afvragen: damnosa quid non imminuit dies – wat tast de vernietigende tijd niet aan?.

Rik LANCKROCK

Partager cet article
Repost0
23 décembre 2008 2 23 /12 /décembre /2008 04:37

In de jongste aflevering van Boelvaar Poef (zie vorig bericht) onderstreept Kevin Absillis dat “vanaf zijn stormachtig onthaalde romandebuut” De Metsiers er over “Claus’ hoogbegaafdheid grote eensgezindheid bestond”.

Hij vergist zich echter wanneer hij Hubert Lampo rekent tot de critici die Claus’ talent “in twijfel durfden te stellen”.

*

In 1952 werd Hugo Claus de twee laureaat van de Arkprijs van het Vrije Woord. Na een tweede stemronde kaapte hij (De Metsiers) 11 stemmen weg; Jan Walravens (Roerloos aan zee) kreeg er drie en een jurylid bracht zijn stem uit op Eva en ik van Pliet van Lishout. Marnix Gijsen, die in de VS verbleef, onthield zich.

Hubert Lampo sprak op Hemelvaartdag 1952 de laudatio uit. Hij typeerde Claus als

 een geïnspireerde wandelaar door de grensgebieden van droom en wake, een nieuw wonderkind in het laboratorium, waar “l’alchimie du verbe” wordt beoefend.

Is nu De Metsiers of de Eendenjacht een “onbetwistbaar, afgerond” en “onaantastbaar” meesterwerk?

Ik denk het niet, vriend Hugo Claus, en gij ook niet. En het is misschien goed, dat het niet dààrom was, dunkt mij. Er verschijnen wel eens meer “schijnmeesterwerken”, die de hoogste bekroningen in de wacht slepen. Doch wat wij in uw Metsiers hebben willen huldigen is dat rijke, genereuze erts, zwaar met goud dooraderd en misschien hebben wij derwijze een daad gesteld, die enig is in de annalen van de letterkundige lauweringen: meer een talent dan een werk zochten wij te bekronen, méér de onmiskenbare geut en merkslag van een geboren schrijver dan het geheel als esthetisch verschijnsel, méér die duizend onnaspeurbare imponderabilia van het verbale kunstenaarschap dan een toevallig boek, zoals gij, hopen wij, er nog vele en misschien zelfs betere zult schrijven.

Lampo besloot zijn lofrede als volgt:

Wij zijn er trots op, Hugo Claus, dat naast de naam van de tot in de vingertoppen klassiek voelende Christine D’Haen, deze van U, jonge barbaar die gij zijt, op onze symbolische Ark zal prijken! 1

De Metsiers wordt uiteraard door Lampo behandeld in een panorama van de Vlaamse roman tot midden 1952.2 Hij wijst erop dat Claus’ eersteling

hoegenaamd niets heeft van onze klassieke plattelandsroman: schriftuur, emotioneel klimaat en psychologische gesteldheid der personages staan véél dichter bij deze uit Erskine Caldwell’s Tobacco Road of God’s little Acre dan bij die van Streuvels of Buysse. Waarmede niet bedoeld wordt, dat laatstgenoemde twee auteurs voorgoed de criteria van de landelijke roman zouden vastgelegd hebben, doch wel, dat er in het werk van Hugo Claus een zo groot apport van buiten uit dient aangestreept, dat de pastiche, zeer waarschijnlijk de opzettelijke pastiche benaderd wordt.

Geen haar op het hoofd van Lampo

denkt er aan het uitzonderlijke, ja, zelfs verbijsterende karakter van deze korte roman te betwisten of te twijfelen aan het uitzonderlijke talent van de jonge, toenmaals negentienjarige schrijver […].

Hij heeft het over de “exceptionele begaafdheid” van Claus die

van de eerste lijnen af onloochenbaar in het oog springt […].

Wel maakt hij enigszins voorbehoud wat betreft een zijns inziens te overheersende beïnvloeding door Erskine Caldwell.

Toen hij inhaakte bij zijn Amerikaans voorbeeld was de schrijver van De Metsiers met een talent als het zijne bij voorbaat een zeker welslagen gewaarborgd, doch spijtig genoeg werd derwijze het belangrijkste, het enige wat ons werkelijk zonder voorbehoud interesseert, grotendeels weggemoffeld: Hugo Claus zelve, hij, die ons door zijn persoonlijkheid in de eerste plaats fascineert, niet omdat hij gevelschilder te Parijs was, arbeider in de Noordfranse suikerfabrieken of nachtwaker te Londen, ach kom, alle niets ter zake doende aanbevelingsbrieven, doch wel omdat men in De Metsiers toch wel duidelijk een zeer persoonlijke stem verneemt, benevens de verbale virtuositeit van een krachtig temperament ondergaat, zoals wij er ongetwijfeld weinige bezitten […]

*

Gaandeweg steeg nog de waardering van Lampo voor Claus als romancier. Bij de verschijning van De Verwondering schreef hij een artikel van meer dan 2.800 woorden in Volksgazet, waarin hij Claus uitriep tot “een waarachtig en groot romancier”.3 Het werd haast verbatim opgenomen in de bundel De ring van Möbius.4

Henri-Floris JESPERS

 

1 Hubert LAMPO, De Arklaureaat, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 6, mei 1952, pp. 996-98.

2 Hubert LAMPO, De Vlaamse prozakunst. Panorama tot midden 1952, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, VII, 1953, pp. 281-326.

3 Hubert LAMPO, Van wonderkind tot rasschrijver, in: Volksgazet, 18 oktober 1962.

4 Hubert LAMPO, De Ring van Möbius, Brussel/Den Haag, Manteau, 1966 [= Maerlantpocket 4], pp. 73-83.

Partager cet article
Repost0
23 décembre 2008 2 23 /12 /décembre /2008 04:03


In Boelvaar Poef, het tijdschrift van het L. P. Boon Genootschap, blikt Kevin Absillis terug op de loopbaan van uitgeefster Angèle Manteau (1911-2008).

Het werd tot in den treure herhaald: Claus tekende een contract met De Bezige Bij als gevolg van de krenterigheid van Angèle Manteau die bovendien zijn talent onvoldoende aanvoelde. In de jongste aflevering van Boelvaar Poef zet Kevin Absillis de puntjes op de i: Angèle Manteau  “geloofde rotsvast in de commerciële en literaire waarde van Claus”, wiens romandebuut De Metsiers ze wel degelijk in Vlaanderen en Nederland gepromoot heeft.

Het gaat niet te ver om te stellen dat Claus mede door Manteaus goede zorgen door Nederlandse uitgevers met lucratieve aanzoeken werd bestookt.

Absillis betoogt dat de uitgeefster zelf bijgedragen tot de legendevorming.

Om zich te verdedigen tegen het verwijt dat Claus en Boon zo snel met haar gebroken hadden, heeft Manteau later altijd benadrukt dat “vrijzinnige” fonds in Vlaanderen door de katholieke zuil werd geboycot en dat ze normdoorbrekende auteurs hierdoor niet de kansen kon geven die ze volgens haar verdienden.

Dat verhaal moet “flink worden gerelativeerd”, aldus Absillis.

Vooral de relatie tussen het “bekrompen” katholieke Vlaanderen en de “mondaine” artiest Claus was dubbelzinniger dan sommigen schijnen te geloven. In De bron, een bloemlezing bestemd voor het katholieke scholennet, wordt Hugo Claus al in 1955 geïntroduceerd als één van de belangrijkste contemporaine auteurs. En het gerucht dat de verkoop van zijn boeken werd gesaboteerd, kan ook best met een korreltje zout worden genomen.

Claus heeft trouwens zelf in de jaren vijftig op beslissende wijze bijgedragen tot de schepping van de hardnekkig gebleken mythe die hem voorstelt als een “internationaal gewaardeerd, maar in Vlaanderen misprezen genie”.

Absillis onderstreept dat “vanaf zijn stormachtig onthaalde romandebuut” De Metsiers er over “Claus’ hoogbegaafdheid grote eensgezindheid bestond”. Hij vergist zich wanneer hij Hubert Lampo rekent tot de critici die Claus’ talent “in twijfel durfden te stellen”.1

Op een ruim lezerspubliek konden Claus (net als Boon trouwens) in de jaren vijftig niet rekenen. In “De slechte boeken van madame Manteau” vermeldt Absillis dat de oplage van De Metsiers 2500 exemplaren bedroeg.

Ondanks de vele positieve reacties in de Vlaamse en Nederlandse pers werden er daar in vier jaar tijd amper 1740 van verkocht. Het resterende aantal werd in 1955 overgemaakt aan Claus’ nieuwe uitgeverij De Bezige Bij, die er nog eens drie jaar mee toekwam 2

*

Kevin Absillis (°1980) is als postdoctoraal navorser van het FWO verbonden aan het Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden (ISLN) van de Universiteit Antwerpen. Het is nu met spanning wachten op het door hem in mei 2008 verdedigde doctoraal proefschrift Literaire kwaliteit uit Arm Vlaanderen. Uitgeverij A. Manteau en de verzelfstandiging van het literaire veld (1932-1971) dat in de loop van 2009 bij Meulenhoff / Manteau zal verschijnen.

HFJ

 

1 Henri-Floris JESPERS, Hubert Lampo en Hugo Claus: een eerste benadering, in: Mededelingen van het C.D.R., nr. 84, 26 december 2006, pp. 7-16.

2 Kevin ABSILLIS, ‘De slechte boeken van madame Manteau’. Een niet confessionele uitgeverij in de ban van de kerk?, pp. 157-173, in: Kevin ABSILLIS & Katrien JACOBS (Red.), Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging 1950-1960, Antwerpen-Apeldoorn, Garant, 2007, 282 p., 22,90 €.

 

Boelvaar Poef, jg. 8, nummer 4, december 2008, 111 p., ill., 8,50  €.  Boelvaar Poef wordt ten behoeve van het L.P. Boon Genootschap uitgegeven door de Stichting Isengrimus te Utrecht.

Redactiesecretaris: Geert Goeman, J. V. Biesbroeckstraat 26, B 9050 Gentbrugge.

geert.goeman@telenet.be

Zetel: Oude Vismarkt 13, B 9300 Aalst.

www.lpboon.net

mail@lpboon.net

Partager cet article
Repost0
22 décembre 2008 1 22 /12 /décembre /2008 06:29


Marie-José Coevoet
(Roesbrugge-Haringe, 1 maart 1916 – Brugge, 3 november 2008), de oudste van vijf kinderen, bracht haar jeugd door te Poperinge, waar haar vader een baksteenoven runde. Na de economische crisis, ingezet met de beurskrach van New York (1929), verliezen de ouders van Marie-Jo, Firmin Coevoet (1884-1971) en Marceline Camerlynck (1884-1963), het grootste deel van hun bezittingen. Ze vestigen zich te Brugge. Marie-Jo wordt afgesneden van de weidse ruimten van haar gelukzalige kinderjaren. In 1961 zou ze getuigen:

J’eus à Poperinge une enfance merveilleuse. Mon pays vallonné, argileux et fleuri de houblon devint mon plus bel héritage. J’y goûtai toutes les joies de la liberté; une liberté presque outrancière lorsque je me remémore nos prairies, nos vergers, nos jardins, la cour de l’usine et tout ce qui était au-delà et que je m’adjugeai. L’habitude des grands espaces a fait de moi une dévorante, le jour que je fus coupée d’eux.

Haar heimwee naar die « grands espaces » zal haar poëzie rijkelijk voeden.

*

In 1942 wordt Marie-Jo verliefd op de schilder en musicus Roger Gobron (1899-1985), die een relatie heeft met zijn model, Fabienne Roman (1909-1990). In 1944 beslissen Marie-Jo, Roger en Fabienne samen te leven en vestigen ze zich in het dorpje te Oost-Eeklo. Twee jaar later treedt Roger in het huwelijk met Marie-Jo; ze verhuizen naar Eeklo, mét Fabienne.

Caprine, de zuster van Roger, is getrouwd met de dichter Maurice Carême die de literaire roeping van Marie-Jo beslissend zal beïnvloeden.
 

In 1951 wordt Marie-Jo Gobron onderscheiden met de Prix Marcel Wyseur. In een gesprek met Claude Vial ( La Flandre libérale, 22 september 1951) onderstreept ze dat Villon haar lievelingsdichter is, gevolgd door Apollinaire, Verlaine en Henri Michaux.

Et n’oublions pas Verhaeren. Je me sens très proche de lui, peut-être tout simplement parce qu’il est Flamand.

In 1953 valt Gobron de Prix Hubert Krains te beurt.

Datzelfde jaar wordt haar enige zoon geboren, Jean-Noël. Terwijl Marie-Jo buitenshuis als verpleegster werkt, neemt Fabienne de jongen onder haar hoede. Van 1941 tot 1961 was Marie-Jo werkzaam als bezoekende verpleegster aan het dispensarium van Eeklo; in 1961 werd ze inspectrice voor West- en Oost-Vlaanderen van het Belgisch Nationaal Werk ter bestrijding der tuberculose.

Houles, de bekroonde bundel, verschijnt in 1955 en wordt gunstig onthaald door de kritiek. Ze mocht bovendien bogen op persoonlijke lofbetuigingen van o.m. Paul Neuhuys, Noël Ruet, Norge, Gérard Prévot, zonder Julia Tulkens en André Demedts (die een bespreking publiceerde in Het Nieuwsblad) te vergeten. Johan Daisne schreef haar:

Quel message magnifiant, ce coup d’archet qui est en même temps un splendide coup de balai dans l’art ordurier de nos jours.

Naar aanleiding van Gobrons tweede bundel, De visage à visage (1961) publiceert de dichteres en gezaghebbende critica Marie-Claire d’Orbaix een bijdrage van een volle pagina in Le Journal des Poètes. Andrée Sodenkamp, Paul Neuhuys, Norge, Franz Hellens, Pierre Albert-Birot, Henri Cornélus en Louis Dubrau betuigen hun waardering.

Eveneens in 1961 verschijnt de befaamde Anthologie de la troisième décade (1950-1960), een publicatie van La Maison du Poète, uitgever van het Journal des Poètes. Pierre-Louis Flouquet neemt niet minder dan zeven gedichten van Gobron op.

In 1962 verhuist de familie, steeds in het gezelschap van Fabienne, naar Brugge. Roger Gobron sterft in 1985, Fabienne vijf jaar later.

*

Terwijl Instants (1984), Gobrons derde bundel, weinig weerklank krijgt in de pers, zijn het nu Jeanine Moulin, de schrandere en erudiete exegeet van Nerval en Apollinaire, alsmede de dichters Pierre Menanteau en Lucienne Desnoues die zich waarderend uitspreken.

Name dropping? Misschien, maar dit wijst er genoegzaam op dat Gobron gedoemd werd een writer’s writer te blijven. Gedoemd of… uiverkoren?

*

De welluidende naam Marie-Jo Gobron was mij al opgevallen in Les Soirées d’Anvers, de cahiers die Paul Neuhuys in de eerste helft van de jaren zestig uitgaf, maar mijn belangstelling voor haar werk werd pas onweerstaanbaar gewekt door de voortreffelijke monografie van Jan van der Hoeven (Bibliotheek van de Westvlaamse Letteren, XXIII, 4, 1988), die onomwonden stelde dat de bescheidenheid “de stille tragedie” is van de rijke persoonlijkheid van Gobron,

die zonder enige rancune, met haar warme aandacht steeds bij anderen en niet in het minst bij haar zoon, de begaafde kineast, dag aan dag, roem en erkenning aan zich voorbij ziet gaan.

Zo te zien pareert zij deze counters met de glimlach, wel beseffend dat de vreugde van het dichterschap in het schrijven zelf ligt, afgezien van de waarde die de wisselvallige smaakmakers eraan toekennen.

*

We wisselden al een paar jaar brieven toen ik in de herfst van 1990 Marie-Jo Gobron toevallig ontmoette bij de erudiete en eigenzinnige Brugse boekhandelaar Arthur van de Velde. Dat was kort na de publicatie bij de éditions Saint Germain des Prés te Parijs van haar vierde bundel, Paysage intérieur. De tijd was rijp om een essay aan haar oeuvre te wijden. Het verscheen in augustus 1991.

*

In 2001 publiceerde Marie-Jo Gobron haar enige bundel in het Nederlands, Onder de maretak.


De illustraties zijn van de hand van Roger Gobron over wie Alcyon film in 1999 een monografie uitgaf. Jan van der Hoeven schreef een kort nawoord waarin hij niet aarzelde te verwijzen naar Louise Labé.

Essentieel lijkt mij de pendelbeweging tussen de verrukking, ingekleurd met een vleugje erotiek, en het acute besef van vergankelijkheid, van tijdelijkheid. […] Bij een dichteres van haar gehalte mag het duidelijk zijn dat poëzie uiteindelijk het finale redmiddel is, ‘het bloedeigen woord tot genoot’. In deze fundamenteel ernstige en authentische belijdenislyriek verlegt een gepaste dosis speelsheid af en toe de dominerende accenten, echter zonder te bagatelliseren. Zoals in elke poëzie die aanspraak maakt op existentiële authenticiteit valt ook hier bij Marie-Jo Gobron een opvallende identiteit waar te nemen tussen haar persoonlijkheid en haar lyrische projectie ervan.

Dat laatste was ook de boodschap die Gobron mij meegaf in een lange opdracht: ‘de bundel is wat ik ben, zonder veel franjes en hindernissen’.

Dr Luc R.C. Deleu hield een fundamentele lezing met als onderwerp “De zes ayatana’s in de poëzie van Marie-Jo Gobron”. Hij verduidelijkte dat ayatana zintuig betekent in het Pali, een taal nauw verwant aan het Sanskriet. Volgens de boeddhistische psychologie bestaan er zes zintuigen, de vijf bekende en de geest. Elk zintuig wordt in verband gebracht met een gewaarwording: de ogen met het zien, de oren met het horen, de tong met het proeven, de neus met het ruiken, het lichaam met de tastzin en de geest met zijn neigingen.

Dr Deleu onderstreept dat Gobron ‘in een goed beheer van die zintuigen’ leeft: ‘ze verfijnt het gebruik ervan’.

Om een gedicht te schrijven beroept de dichteres zich op het geheugen van haar gewaarwordingen, indrukken en beroeringen, een geheugen zonder sentimenteel residu of existentieel stof. Deze ervaringen, gefilterd in het labo van de geest, worden bouwstenen die resulteren in pure poëzie. […]

De dichteres verzint en bezint. Ze verliest zich nooit in details en futiliteiten. […], bespeelt haar taal wonderwel en de gedichten zorgen voor rake verrassingen. Een klankexpressionistische melopee alterneert met een ballade, een elegie wisselt af met een liedje van spijt om de tijd die verstrijkt. […]

De bundel Onder de maretak kent allerlei toonaarden. Zowel direct als indirect, omfloerst en nevelig, flamboyant als uitdagend, meeslepend of boordevol enthousiasme. Soms wordt een vers uitgefluisterd met verstilling en verstomming, dan weer neemt de dichteres geen blad voor de mond. Haar lyriek is zowel impressionistisch als expressionistisch, met de bedrieglijke schijn van een spontaan elan en vertolkt met de nodige aandrift. De toonaard klinkt ernstig niet ernstig, de ondertoon vaak guitig.

Maar de gedichten blijven steeds autonoom en sluiten anekdotiek uit. Haar poëzie is geen reconstructie van de realiteit maar wordt zelf werkelijkheid.

*

In 2002 speelde Marie-Jo op haar hoge leeftijd mee in La Strada van Federico Fellini en Tulio Pinelli, een productie van de Koninklijke Toneelvereniging De Valk. Ze koestert een rits literaire projecten, waaronder de publicatie van Mimi, haar eerste roman, en van Souvenirs, de bundeling van een dertigtal novellen; een achttal bundels liggen klaar om uitgegeven te worden en ze begint te werken aan een tweede roman.

Sinds jaren maakte Marie-Jo Gobron bij gelegenheid collages die ze met de naam Marichou tekende. Ze werden tentoongesteld te Brugge (galerie ’t Leerhuys, 2001; galerie Mansarde, 2003) en Bergen (Espac’Art Gallery, 2004).

Le grand chef, collage


Sancturaire du mime, collage


Jean-Noël Gobron, cineast en auteur van de intimistische kunstdocumentaire Portrait de mon père aquarelliste, (1987) waarin Marie-Jo even verschijnt, beëindigde dit jaar de kroniekfilm Portrait de ma mère poète, een zestig minuten durende documentaire over leven en werken van zijn moeder.

*

Zowel in haar non-conformistisch leven als in haar poëzie ging Marie-Jo Gobron haar eigen weg, bescheiden en vastberaden. “Une force de la nature”, schreef Maurice Carême; en die kracht wortelde in haar jeugd:

Toen ik als kind voor het eerst op de hoogste duin van Koksijde kroop, voelde ik het. Ik werd als het ware deel van de natuur en dat joeg me schrik aan. Gelijktijdig vroeg ik me af of dit de geboorte van de poëzie in mij was.

Haar vitalistische gretigheid kende geen perken en was te fel om zich te laten ondergraven door welke zwarigheden ook. Ze typeerde zichzelf als “une dévorante”, en je moet dat in alle betekenissen van het woord vertalen. “Et vous devez du cœur dévorer ces leçons (Molière, L’École des femmes, III, 1)…

Marie-Jo Gobron eiste voor zichzelf de vrijheid op om alles te zeggen, alles te denken, alles te voelen. “De poëzie laat het ons toe, zei ze, dank zij haar vergeeft men ons heel wat vermetelheden…”

Henri-Floris JESPERS

 

www.mariejogobron.com




Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche