Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
8 mars 2009 7 08 /03 /mars /2009 23:22

Jan de Roek nam op 13 februari 1970 deel aan de solidariteitsverklaring met de stakende mijnwerkers in het Limburgse steenkoolbekken (zie de blog van 6 maart). Hij las toen het gedicht 'In hoc signo', dat pas in 1980 in zijn Verzamelde gedichten verscheen.


Goudblommeke in Papier, Brussel, 4 maart 2009: Kris Kenis leest 'In hoc signo'


In hoc signo


In deze wereld van beschermde gebouwen

van humoristen, zangers, couturiers, reisbureaus en romanciers

niet van dichters, in deze wereld, deze wasserij

van ambtenaars, in deze wereld van vergaderingen,

van vergaderingen, met dezelfde, de eeuwige sprekers en schrijvers

in deze gevoerde tijd van nerts en pels, in deze geschminkte

voorzichtige tijd, deze papieren tijd van papieren

mensen, deze tijd van verzekeringen en krijsende pausen

in deze verdovende tijd, niet van dichters,

van tekstschrijvers, van journalisten en reklame

lees ik vanavond als dichter dit gelegenheidsgedicht – dit zal nog blijken.

In deze tijd van stempels en loketten, van formulieren,

niet van handen, in deze gedesinfecteerde, geprefabriceerde

tijd, lees ik deze, mijn geloofsbrief voor.

In deze tijd van pluche, deze kleverige tijd

in deze haperende tijd. In deze rituele tijd

van hoofdletters. In deze razende tijd.

In deze tijd waarin alleen de bordelen bloeien.

In deze tijd van pruiken en van pruilen

sta ik samen met u mijzelf te verdedigen.

Ik wil dat er geluisterd wordt. Ik wil met iemand

spreken in deze geluiddichte tijd, in deze ernstige,

beleefde, zakelijke tijd. In deze chronisch aan welvaart

lijdende wereld, deze besmettelijke wereld van prestige

en ambitie. In deze wereld van fotocopieën,

van vergrotingen, in deze lage landen waar de hulde in rijen

wordt gekweekt, waar men graag aan herdenkingen doet.

In dit blussende land, in dit land van buigen of barsten

dit knarsende land, in dit land van nagelbijters

waar de priesters norse rechter zijn. In dit humanistisch

land van voor de renaissance. In deze late middeleeuwen.

In deze tijd van eufemismen, in deze, de tijd

van aanvoegende wijzen, in deze belle époque

in deze fin-de-siècle, in deze tijd versierd met slagroom

en met mayonaise, deze tijd van crèmerieën

en middagconcerten, tracht ik een gedicht te schrijven

met woorden, die mij eigen zijn. In dit land van

dertienduizendnegenhonderddrieënzeventig parochies

waar de kerk met jukeboxes de ratten vangt.

In dit land van geven en nemen en van grijpen

van grijpen. Temidden van dit herdersvolk,

temidden van de schapen, in deze, de applaudisserende tijd.

In deze tijd van open deuren, waarin de generaals

zich in het openbaar ontkleden. In deze hygiënische tijd

In deze tijd van naaktcultuur. Met een minister van scoutisme.

In deze tijd van nikkel, in deze verchroomde, verzilverde,

vergulde tijd van sporttrofeeën en medaljes.

In deze tijd van immortellen. In deze tijd van voorspraak

en van huisbezoek. In deze tijd spreekt men nog altijd nederlands,

spreken zelfs de dieren nederlands,

maar er zijn geen dichters meer.

In deze, de lauwe, de geleidelijke, lijdelijke tijd.

In deze tijd van indirecte redes, in deze, de bedeesde tijd,

deze tijd van excuses, deze tijd van tijdsgebrek aan

tijdsgebrek. In deze slenterende, gevederde tijd. In de slaapwagens

van deze, de geeuwende eeuw, de geeuwende eeuw

tracht ik te spreken.

Zie wij geraken onder vuilnis ingesneeuwd,

in lawines van kranten. Het kwijl der nieuwsberichten

kleeft aan ons gezicht. Wij kennen onze schoonheidskoninginnen.

Soms worden wij in het midden van een film wakker.

Soms zeggen wij dat heb ik reeds gelezen: oog om oog

en tand om tand en slapen verder. In deze, de obscene tijd,

in deze, de neutrale tijd. In deze tijd,

waarin de dichters niet meer vloeken.

In deze, de bittere tijd.

Hier gaat niets verloren. Hier is alles bruikbaar,

voor de ene of de andere. In deze, de concurrerende tijd,

deze tijd van voor of tegen. In deze wereld van etages

en torens, in deze, de steile wereld wordt op elke

verdieping de wereld kleiner voor deze, de overlevende babyloniërs

(Nieuwenhuys, jij kan het weten) en groeit de angst

onder de bevers. In deze wereld van omheiningen

kent een dichter slechts de schaamte.

En hij schaamt zich voor de Wiener Sängerknaben

evenzeer als voor de onvermijdelijke ijsrevue.

In deze, de idyllische tijd, in deze tijd van pastorales

en ballades. Hij is onwennig in de sauna's van de politiek,

in de pasklare confectie achter de schermen en in de coupés der partijen

in de schuimende toekomst. In deze tijd van namaak,

van kurves en krommen, van gemiddelden. In deze letterlijke

tijd, in deze gemillimeterde tijd, in deze tijd van conserven van blik,

in deze gesteriliseerde tijd, deze museumtijd,

in deze schaduw van oude meesters, naast de glans

der vetten kan een dichter niet meer spreken.

Hier wordt alles aangelengd, verwaterd en versneden,

vermeden in de afgelegen raffinaderij van het gezag.

Hier, in deze diepvriestijd, wordt elke adem afgesneden,

doodgevroren. Hier staan slechts de kazernes open.

In deze, de wereld van serres, bloeien slechts de aandelen

en de vergeetmijnieten, niet de gedichten,

en een gedicht is elk nodig woord dat moet gezegd

worden in deze, de verbeten tijd.

Want geloof mij, niet tot handeldrijven dient de poëzie

maar tot discussie, in deze, de eenzijdige,

de bijgelovige tijd. En ook is zij geen revolutionaire

floorshow, geen internationale rock of beat, maar

zij houdt de aandacht gaande in deze, de tijd van vooruit

en hoera en hosanna. In deze, de tijd van geigertellers

en atoom. In deze tijd van valse tanden en tanden witter

dan wit. In deze tijd van maquillages, deze tijd van

radarschermen, fiches en archieven. In deze tijd

waar halt een scheldwoord is. Weerloos ziet de dichter

het aan met zijn gezwollen keel. In deze tijd van

polyester, in deze, de plastieken tijd en zingt vals.

En nog altijd leven en sporen tot geduld aan de loterijen. In deze, de trillende

tijd. In deze, de papieren tijd. Deze geschreven tijd,

deze gezongen tijd. Nog altijd lokken vanachter hun

gepantserd glas de showrooms van de politiek

de rattenvangers en gelovigen. De dichter hij ziet het aan

hij ziet het aan met zijn ondergrondse vrienden

hij kan het desnoods ondermijnen.

13 februari 1970


Partager cet article
Repost0
5 mars 2009 4 05 /03 /mars /2009 13:37


Lucienne Stassaert, Goublommeke in papier, 4 maart 2009.


Tijdens een poëzieavond, ik meen in de loop van 1969, zou ik Jan de Roek voor het eerst zijn gedichten horen voordragen. Jan was zeker niet de meest bekende dichter, maar vanaf het moment dat hij 'Mijn vriend' voorlas, was het gedaan met de gezapigheid van lyrisch bedoelde, wel of niet maniëristische of zijdelings geëngageerde poëzie. Zijn zegging getuigde van een gestrengheid, die geen halve poëtische waarheid toeliet, alsof hij zijn verzen let een mespunt had neergeschreven. Die sprongen als bloemen open – maar in hun stuifmeel zat dynamiet. Dit was een dichter die trefzeker met beelden omging en deze zo wist op te laden dat ze iets onherstelbaars in zich droegen, een lading voor een kaalslag. Dat gebeurde gedurig net niet, al behoorde dat tabula-rasa-element alleszins tot de mogelijkheden.

Dat vermoeden werd nog eens bevestigd toen ik hem, een korte tijd later, zijn 'pièce de résistance' – c'est le cas de le dire – of het gedicht 'Don Juan' hoorde voorlezen: een gedicht als een kathedraal met zowel water- als vuurspuwers. Het eigenaardige van zijn lyriek kwam er naar mijn gevoel op neer dat, ondanks al de metaforen, elk vers als een pijl werd afgeschoten. Hij bleef mikken op het

ere punt van de zelfontraadseling: in de roos die ook voor een mystica als Hadewych het streefdoel was. Het ritme van zijn verzen was meteen herkenbaar en even duidelijk als een litteken.

Dat Jan de Roek zijn collega-dichters op een bijzonder spitsvondige manier kon voorstellen, bewijst het gedicht 'Dien avond', geschreven naar aanleiding van een poëziemanifestatie in het Romi Goldmuntz Centrum. Zonder binnenpret of een bepaalde soort leedvermaak, dat nu in de mode is, wist hij telkens de zwakke én sterke kanten van de aanwezige dichters met een rake typering te illustreren. Een van de 'poètes admis' stelde Jan aan het publiek voor als 'de professor', een aanfluiting of karikatuur van zowel zijn persoon als zijn dichtkunst. Zo voelde ik dat tenminste aan. Hijzelf wou er met geen woord op ingaan, daarna. Maar zijn reactie sprak boekdelen.

Een ander, minder opvallend facet van zijn werk, komt vooral in het 'gelegenheidsgedicht' 'In hoc signo' tot uiting, namelijk de ingezouten kritiek op 'deze gedesinfecteerde, geprefabriceerde tijd'. Dit gedicht klinkt nog steeds alsof het vandaag is ontstaan. De feitelijkheid die altijd al bij het poëtisch proces hoorde dat hij zowel met als tegen zichzelf wou inspannen, wordt hierin via een reeks vaststellingen in het geheel geïntegreerd. Hier is een onheilsprofeet aan het woord, in het land van de ondergang. Jan had mei 68 niet nodig om te protesteren – zijn verbeelding was al lang aan de macht.

Als mens zou ik hem beter leren kennen tijdens informele bijeenkomsten in De Muze. En dan kwam hij eens niet als een 'poète du mal d'exister' op mij over, wel als een heel beminnelijk man met een geheim gehouden kwetsbaarheid. Daar zou ik hem ook voor de laatste keer ontmoeten. Jan was toen als jurylid betrokken bij de Poëziedagen in Deurle, de plek waar ik zijn dood nog zou vernemen. Kort voordien had ik een akelige droom gehad van een begrafenisstoet, onderweg naar een graf? Mar: van wie? Ik veronderstelde tenslotte dat ikzelf ten grave werd gedragen. Niemand leek mij te zien, ik was de spookbegeleidster van een groep.

Een van zijn gedichten eindigt met 'Niets gaat ooit verloren'. Ik hoop dat een of andere verlichte uitgever weldra bereid zal zijn om een nieuwe uitgave te verzorgen van zijn verzameld werk.

Lucienne STASSAERT

Partager cet article
Repost0
2 mars 2009 1 02 /03 /mars /2009 08:35


Lucienne Stassaert heeft in haar rijke carrière als dichteres veel verschillende paden bewandeld die uiteindelijk leidden tot een zeer sterke, zelfbewuste, originele poëzie met grote gevoeligheid voor de mogelijkheden, maar ook grenzen van taal – taal zonder opsmuk of irrelevante details; uitgepuurde poëzie, zeg maar, waarin vele boegbeelden of mentoren als dramatis personae werden opgevoerd met wie Lucienne Stassaert zich dan ook deels identificeerde, en dit vooral om het proces dat die paradigmatische personages hadden doorlopen (ik denk aan spirituele gidsen zoals Hadewych, Sylvia Plath, Aphra Behn en Emily Dickinson), om dat proces verder uit te diepen, om het te continueren in een nieuwe, heel eigen richting. Met die dramatis personae kwam zij zelf 'in aanraking', om het met de titel van haar bundel uit 2005 te zeggen. En wijzelf kwamen met hen in aanraking via het prisma van de dichtkunst van Lucienne Stassaert. De thema's die haar een leven lang beroerd hebben verstrengelden telkens in nieuwe configuraties van verzen, nieuwe poëtica's inzoverre een bepaalde poëtische kijk van de dichteres aan herziening toe was. Want één ding is duidelijk: ze maakte het zich nooit makkelijk, ook niet in dit overduidelijk testament, waarin ze niet in de valstrik van een bepaalde poëtische formule wil lopen.

De indruk die ik krijg is dat Lucienne Stassaert aan een weefgetouw zit, waarvan ze de draden steeds opnieuw uit elkaar haalt, om de figuren die ze eerder geweven heeft nog maar eens ongedaan te maken, en uit te zoeken of de creatie van nieuwe figuren en vormen aan de orde zijn. Ze kiest voor de route van de verdamping, zoals Emily Dickinson, wier vluchtige poëzie – vluchtig in de zin dat het geviseerde object kantelt, wentelt, alweer een kwartslag gedraaid is door nieuwe kennis, nieuwe ervaring – wier vluchtige poëzie via brieven verstuurd werd, brieven als poëzie, brieven die daardoor opgetild werden uit hun gebruikelijke status, of anders gezegd, bekeken vanuit het standpunt van de poëzie, brief geworden verzen die de 'gravitas van druk' omzeilden, de autoritaire ernst van druk, het heilig geloof van dichters en uitgevers in de definitieve bezegeling, misschien zelfs ook aan de wens om gedrukt te worden, aan de druk als einddoel van de poëtische arbeid. Toen ik haar daar een keer over polste, reageerde Lucienne Stassaert veelzeggend dat de 'noodzaak' van haar poëzie zo groot was dat ze ontsnapte aan alle publicatie-opportuniteiten. Het proces zélf, daar was en is en blijft het haar om te doen. Al mogen we niet vergeten dat er zich, net zoals bij Sylvia Plath, bij Lucienne Stassaert een verlangen laat voelen om erkend te worden, 'begrepen'. Niet zozeer door de lezers van De Morgen of De Poëziekrant, maar door die ene lezer die de confrontatie met haar aangaat. U dus. U en ik. Er moet een taal worden gehanteerd die 'aankomt'. Maar dat is niet eenvoudig, gegeven het complex karakter van de poëtische ervaring.

Vergeten we ook niet dat het poëtisch proces van Lucienne Stassaert zich in diverse media voltrekt, en zelfs binnen eenzelfde medium in verschillende vertakkingen. Lucienne creëerde niet nààst maar door elkaar heen muziek, visuele kunst en literatuur, en binnen de literatuur wijdde ze zich aan poëzie, toneel en proza. Er werd getekend naar een tekst toe, teksten werden geïllustreerd, pianocomposities inspireerden poëzie, enzovoort.

Lucienne Stassaert is een zeer intelligente vrouw, maar ze 'voelt' in de eerste plaats. Ze scant inhouden, zoals een scanner in het ziekenhuis het lichaam van een patiënt aftast. Net zoals de scanner vindt ze inhouden die slechts kenbaar blijken in momenten van genade. Ik gebruik het beeld van de scanner, omdat we hier in deze nieuwe verzenbundel te maken hebben met een oncologische pathologie. De wildgroei wordt bestudeerd. Wildgroei van cellen, dat zeker, maar ook een wildgroei die eigen is aan het leven zelf en die doorgaans aan het zicht onttrokken blijft. We zien dat leven immers veel te graag als een controleerbare groei, als beantwoord aan prognoses en verwachtingen. Niet zo in deze nieuwe verzen, die op zoek zijn naar ontsporing, naar reacties die het automatisme van gebruikelijke actie-reactie fnuiken. Lucienne breekt met alle conventies, legt haar leven op de operatietafel en laat de scanner van haar taal het ware werk doen.

De pathologie van het leven – het leven en vooral de liefde als een ziekte, Proustiaanse invalshoek die ook Beckett gehanteerd heeft, de pathologie van het leven maakt als thema dankbaar gebruik gebruik van een haarscherp geobserveerd ziekenhuisverblijf. Het lichaam kan zichzelf, behalve de benauwende momenten van angst en vertwijfeling, ook alle passiviteit veroorloven om te laten gebeuren wat noodzakelijk of onafwendbaar is, om het even of het nu gaat om een zoveelste onderzoek of een langdurige rust in bed. Er wordt geleefd, de actieradius van het eigen initiatief is beperkt topt het uitzoeken van de juiste taal. En zelfs dan nog lijkt het alsof de taal zélf het selectieve werk doet. Alsof de enige taal die past bij de beschrijving van deze moeilijke situatie uit eigen beweging naar de dichteres toekomt. Het 'overkomt' haar allemaal. We zijn als lezer mee getuige van dat proces van overname. De ziekte neemt over, de ziekte van het leven. De ziekte van de liefde. De dichteres is niet 'gelaten' in de zin dat de evolutie van die ziekte haar koud zou laten, ze is wel op een heel inspirerende manier 'passief' in de zin dat ze een dankbare kans benut om het levensproces in volle 'actu exercitu' te betrappen.

Ik zou deze bundel niet willen vergelijken met een stilleven, al vind ik veel picturale en evenwichtige, netjes gechoreografeerde elementen, maar wel – en nu gebruik ik een vers van Lucienne Stassaert – met een soort stilleven dat zich oplaadt, of om het energetisch te laten klinken, met een tableau vivant dat gaandeweg aan kracht wint. Er is in elke geval een hechte samenhang die zeer mooie verbanden van het ene naar het andere gedicht toelaat.

We komen in deze bundel over de pijn van het bestaan terecht in een licht-donker wereld die aan Edward Hopper doet denken. Net zoals je bij Hopper heen en weer geslingerd wordt tussen de pijn en de rust van het isolement, ervaar je in de gedichten van Lucienne Stassaert hoe de existentiële pijn door ziekte geïntensifieerd wordt, maar hoe de verwoording van die intensifiëring tegelijk ook berusting mogelijk maakt. Taal helpt. En de vraag is dan eigenlijk hoe dat komt. Het antwoord op die moeilijke vraag houd ik nog even in petto.

Let u straks eens, bij het voorlezen door Lucienne, op de toon van deze poëzie; die is ondanks het onderwerp en de behoorlijk compromisloze zelfconfrontatie toon heel luchtig.

Die luchtigheid is het excuus voor een vector die zich onzichtbaar haast uitstrekt van het banale en tijdelijke naar het meta-existentiële en eeuwige. Niet voor niets wordt de bundel aangekondigd als zeven cycli die de dichteres moeten toelaten alledaagse thema's om te toveren tot poëzie. Elke cyclus is een excuus voor transformatie, transformatie is hoe dan ook een centraal, cruciaal gebeuren in de hele bundel. Van keerpunt tot keerpunt vervolgt de lezer zijn reis met Lucienne Stassaert doorheen de tijd. Hààr tijd, maar dankzij de poëzie ook de tijd van de lezer. Het zijn immers zijn dagelijkse, overbekende onderwerpen die op een verfrissende en verrassende wijze worden aangesneden in deze heel open, ademende poëzie. Wat mij opvalt is de overdrachtelijke veelkantigheid van de notie dood. Dood wordt, a.h.w., elke transformatie in ons leven. Elk afscheid nemen. Ik had het over een vector. Dood is het eindpunt van de vector. Het beginpunt is elk nieuw moment van transformatie.

De meest krachtige wezenstrekken van deze nieuwe poëzie zijn telkens te herleiden tot een hardnekkige poging van de dichteres om de grote tegenstellingen in haar bestaan (maar ook in ons bestaan) zo dicht bij elkaar te brengen, dat ze haast in een poëtische paradox gaan samenvallen. Het doet me denken aan de 'coincidentia oppositorum' van de Duitse mysticus meester Eckardt. Pijn wordt schoonheid, dood wordt niet langer een gevreesd eindpunt, maar een bestemming, of sterker nog, een inwijding in een ultieme werkelijkheid, een excuus tot onthechting ook, tot het ervaren van een afwezigheid die ook aanwezigheid kan worden. Het is de omgang met die zeer moeilijke paradox die deze poëzie zo magnetisch maakt, en Lucienne Stassaert als een mystica doet verschijnen voor ons. En als mystica neemt ze dan graag (in de geest van alle mystici die ons zijn overgeleverd) de gelegenheid te baat om haar weinig aan de verbeelding overlatend anti-katholicisme te verwoorden. Deze poëzie-mystiek is een daad van verzet: verzet tegen gevestigde ideeën, tegen een door macht getekende omgang met de ziekte, zoals we die allemaal al eens ervaren in onze ziekenhuisbezoeken.

Het gevaar waaraan de dichteres zich blootstelt, is dat ze zich in een hoek geschilderd zou hebben. Ze is de existentiële pijn zo diep binnengedrongen dat ze rakelings in de buurt komt van de dood. Niet zozeer letterlijk, dan wel figuurlijk. De poëzie is eschatologisch, gaat in de richting van het extreme. Als je zelfs de dood bezongen hebt en meester bent in zekere zin, wat vermag je poëzie dan nog, wat is dan de volgende stap? Het is een Beckettiaans probleem. En beslist ook een afrekening die Sylvia Plath parten speelde.

Laat ik even inzoomen op dat raadselachtige onderwerp van de dood. Dood is bestemming, zei ik al, inleiding tot ultieme werkelijkheid. Maar dood is niet een gefixeerd, monolitisch, stabiel of monumentaal einde. Dood is 'in beweging' als het ware. Dood komt in crescendo en decrescendo. Dood komt er ook in diverse gradaties (Wat voor dood? Vraagt Lucienne Stassaert zich veelzeggend af).

Dood is de eigen schaduwzijde in deze poëzie, een schaduwzijde die niet wordt weggemoffeld maar juist gethematiseerd. Dood komt in crescendo en decrescendo. We ervaren de momenten vlak ervoor, de momenten die tot in de eeuwigheid gerokken worden. Ja, er zit veel rek in deze woorden. Lucienne Stassaert beschrijft in kleine details een zog. 'bladval' met alle verraderlijke details.

Dood is natuurlijk niet alleen de eigen dood, waarvan de realiteit heel moedig en haast vanuit een houding van afzijdigheid geconfronteerd wordt. Dood is ook de dood van anderen. De anderen roepen Lucienne Stassaert. De anderen zijn dan vooral (of vallen samen met) de man, de vriend en de vader. Je zou kunnen zeggen: het verbeelde, ultieme, utopische, ideale personage, de 'Hem' die vergoddelijkt is, verdroomd. Deze zoektocht naar de essentie van eigen existentie is ook een doorgronden van de existentie van 'Hem', met een hoofdletter, wie dat ook weze. De ander, het alter ego, de mysterieuze vriend, de vader, of (wqaar voorgaanden samenkomen) de problematische god daarboven waarvoor Emily Dickinson, haar hart een beetje vasthoudt, omdat de naam 'god' niet noodzakelijk synoniem is voor het allermooiste, het allerbeste; er is ook de dytopische connotatie van het kwaad, het ergste, het in onze nachtmerries gevreesde.

Dood is vooral ook de dood van de andere patiënten, dood is de dood van de ander die je nodig hebt. Toch blijven al die anderen gewoon 'mensen' zoals u en ik. De mens als een dier.

Dit leidt haar tot een analyse van dood en ziekteproces bij andere patiënten en tot een bikkelharde afrekening met de medische wereld. Die medische wereld staat tegenover de emoties, de emoties die het ware voedsel voor een galgenmaal worden.

De bundel van Lucienne Stassaert is een soort superfoetatie: het ontsporende gezwel verwijst naar de dracht van een baby, de dracht van de poëzie wellicht.

De woekering van het gezwel is eveneens de woekering van de woorden, die een halt moet worden toegeroepen in een poëzie die juist een excisie is, een indijken, een afremmen, een uitsnijden. Maar er is ook een positieve manier om naar de woekering te kijken: de poëzie woekert in de zin dat ze haar gang gaat met Lucienne Stassaert. Lucienne moet er zich aan overleven, aan die poëzie die haar eigen weg gaat. En gelukkig maar is er die overgave. En die overgave maakt Lucienne Stassaert tot een wondermooie dichteres.

Maar het allerbelangrijkste is de muziek van de pijn. Heel de bundel is muziek, commentarieert op muziek, maar wil zelf ook muziek zijn, fugatische muziek in een verstrengeling van thema's.

Een van die grote thema's is – vanzelfsprekend – de tijd. Tijd is in een leven geconditioneerd door ziekte uiteraard vijandig, zou je denken. De vraag is voortdurend, net zoals voor Marcel Proust die gedreven, zelfs opgehitst wordt door de tijd tijdens het schrijven van zijn monumentale Recherche, de vraag is voortdurend hoeveel tijd er nog rest. Tijd is ruimte; tijd is, net zoals bij Proust, diepte. Lucienne 'zinkt af naar het onbekende', lees naar de donkere bodem. Maar paradoxaal genoeg is er ook sprake van een 'gewist heden', in de zin dat het heden (zegt de dichteres) 'een mikpunt wordt van het verleden'. Alsof het heden vanuit het verleden geviseerd wordt. Elders wordt de tijd opgeheven in een gevoel van virtualiteit. 'Ik verwacht hem elk moment te zien verschijnen', als zullen de betekenisvolle herinneringen en personages uit het verleden die er toe doén in deze poëzie samen als schimmen aan tafel komen zitten. Het verleden is blijkbaar ook in staat de aftakeling te compenseren: het peil van de herinnering blijft maar stijgen terwijl het verdriet 'vernageld' wordt, zodat we samen met Lucienne een kruis contempleren, een kruis dat in zekere zin ook een excuus is om het verleden te laten voortbestaan, in poëtisch bruikbare virtualiteit. Een kruis dat haar ook 'en passant' tot bittere kritiek op een bigot katholicisme aanzet.

Het is hoe dan ook in de virtualiteit, de levende leegte, dat ik de kern van de poëzie van Lucienne Stassaert weervind. 'In tegenstelling: ieder woord veroverd op de leegte van dit niemandsoord' stelt ze ergens. Het is een niemandsoord waar elke krimp een kramp wordt, maar waar het lichaam samen met de woorden krimpt. Dat krimpen is niet nieuw, leer ik. Hoe lang al druppelt hars van je af, als van een bekorven boom. Het druppelt in verzen met een wondermooie karigheid.

Het enige wat niét krimpt, is de geest. De geest, die weliswaar niet helemaal meer past in het door ziekte belaagd lichaam, maar toch vaststelt dat ze groeit, groeit naar een proces van genezing, genezing van een spiritueel kaliber: 'of je wel of niet geneest, aldus Lucienne Stassaert, zal aan je eigen zoekgedrag e danken of te wijten zijn'. De sterke geest stelt zelfs vast dat er geen hoop meer nodig is; geen soelaas van 'ontschaduwingen'. De geest grijpt wél nieuwe kansen aan om nog sterker te worden, en die fortificatie is een door-en-door poëtisch gebeuren. Wacht tot er gevoelens botten zo teer als woorden, lees ik, 'in een gebotteld liefdesgedicht', alsof de enige gevoelens die nog van tel zijn de 'verwoorde' (lees: poëtisch uitgewerkte) gevoelens zijn. Het gaat hier om een belangwekkend voornemen. Er wordt steeds minder in de 'gewone' wereld geleefd, steeds intenser en exclusiever in de poëzie. Zo ook worden de doden reëler als afwezigen met wie Lucienne kan sympathiseren in haar verzen. Niet alleen sympathiseren, trouwens, maar ook échter – meer doorleefd – liefhebben. Thanatos en Eros gaan samenvallen hier. Of misschien moet ik dat wat afzwakken met het woordje 'bijna'. Een woord met een werkelijk cruciale betekenis hier. 'We raken elkaar nooit anders dan bijna', weet Lucienne. De ziel valt bijna met haar lichaam samen. Alles bijna. Niets ooit helemaal.

De vraag of er na de pathologische ramp zaligheid in zicht komt, kan in het zachte nachtregister dat Loucienne hanteert, alsnog positief beantwoord worden, en dat zeg ik niet vanuit een verlangen naar een triomfantelijk hoera, maar wel vanuit mijn nuchtere observatie, als was ik zelf een dokter bij het ziektebed. 'Mijn god, hoe vruchtig voelt ik me nu. Maak van deze rampzalige zo vlug mogelijk een engel' vraagt Lucienne. Hier wordt geen doodverlangen geformuleerd, maar een hoop dat, in het vinden van de dood in het leven, ook de resurrectie voor de dood kan worden beleefd, een beetje zoals verwoord in de apocriefe evangeliën. Via de poëzie, die deze resurrectie zo mooi gezegd krijgt. Het is deze resurrectie die Lucienne symboliseert in haar vlucht uit de dierenwereld (als ik dat zo mag zeggen): eerst lensen, dan poezen, dan vogels, dan – via het vliegen – engelen. Lucienne Stassaert heeft zoals Rachel Baes radicaal met haar 'période choux-fleurs' gebroken. Ook bij haar gaan herinneringen, angesten en verborgen wensen zich steeds hechter vermengen met elkaar. De poëzie heeft, net zoals Rachel Baes, iets lugubers over zich, maar daarin vindt ze ook haar bevrijdende kracht.

Dames en Heren, zoals u voelt heb ik erg kunnen 'genieten' van deze moeilijke, maar bevrijdende verzen. Ik hoop van harte dat u dat ook vergund zal zijn, en ik wil hiermee Lucienne Stassaert van harte feliciteren met haar bundel en eigenlijk met heel haar carrière als dichteres. Het is een puur genot om te mogen grasduinen in haar verzen. Misschien raak ik met deze zin de ultieme transformatie aan, een keerpunt dat niet toevallig kan zijn – als lezer overkomt je namelijk de meest verrijkende ervaring die poëzie in petto kan hebben – deze poëzie zelf transformeert immers de lezers die haar aandurven. Ik wens u daarom dan ook allemaal een moedige confrontatie.

Bart STOUTEN

Partager cet article
Repost0
18 février 2009 3 18 /02 /février /2009 21:21


Niettegenstaande een ondankbare locatie wist Gaëtan Faïk (Kinshasa, 1971) tijdens het Circa Festival te Antwerpen in 2007 een gedenkwaardige prestatie neer te zetten. Alumnus van het Institut des Arts de Diffusion, specialisatie: toneel (Louvain-la-Neuve), acteur, regisseur, Gaëtan Faïk is een meeslepende verteller met sterke scenische présence. Niet voor niets dat hij in een gesprek met Robin de Salle, gepubliceerd in Connexion, het belang en de universaliteit onderstreept van de orale traditie, van het sprookje, de vertelling, de fabel, dragers van geschiedenis. (De appel valt niet ver van de boom: de moeder van Gaëtan is prof. dr. Clémentine M. Faïk-Nzuji die aan de UCL linguïstiek, orale literaturen en Afrikaanse culturen doceert sinds 1981 en een hele rits gezaghebbende publicaties op haar naam heeft, o.m. over de semiologische lectuur van initiatieke symbolen. Bovendien werd hij gevoed door de orale overleveringen van zijn grootvader.)

Henri-Floris Jespers handelt verder over de tentoonstelling van Paul Joostens in de Brusselse galerie Saint Laurent (1957). Nu verschijnt Michel Seuphor ten tonele, die gelijktijdig met Joostens exposeerde, maar dan wel op de tweede etage. De eens zo medeplichtige vrienden waren al meer dan een kwarteeuw gebrouilleerd. Seuphor reikte een verzoenende hand naar Joostens die daar niet op reageerde en, integendeel, in allerlei brieven die hier voor de eerste keer geopenbaard worden, zijn obsessionele afkeer voor zijn vroegere vriend heel krachtig en plastisch verwoordt.

Verder een verhaal / gedicht van Gaëtan Faïk dat feilloos zijn opvattingen vertolkt:

Les mots les plus simples éveillent le plus l'imagination. Donc, j'essaie toujours d'écrire des histoires avec des mots […] tellement simples qu'ils ne nécessitent plus de phrases étant donné que l'évocation seule du mot provoque une référence à un imaginaire commun […].

Wat RodeS betreft, hij publiceert een reeks 'croquis sans regarder le papier'. ■



Connexion, revue d’art et de littérature, nr. 16, februari 2009, 6 €.

46/2 rue Blaes, 1000 Bruxelles.

revueconnexion@yahoo.fr

www.revueconnexion.over-blog.com

Partager cet article
Repost0
12 février 2009 4 12 /02 /février /2009 05:03

Paul Van Melle publiceert in Inédit nouveau een mooi meditatief artikel over het node afstand nemen van boeken en wisselingen van humeur (waar ik mij geheel in terugvind).

Personne n'est à l'abri de ces changements, pas plus que des poussées de fièvre ou des moments un peu dépressifs. Je n'ai pas encore découvert le moyen magique de rester constant dans tous les cas, dans tous mes choix, et il m'arrive fréquemment de regretter tel gros dictionnaire de grec ancien, relié en toile rose, que j'ai revendu, il y a plus de cinquante ans, dans un moment d'impécuniosité, et que je ne retrouverai plus jamais!

Paul Van Melle heeft het natuurlijk over het ongeëvenaarde woordenboek van Anatole Bailly (Paris, Hachette), waarvan ik een zesde herziene druk uit 1910 (2227 blz.) nog haast dagelijks raadpleeg. Het exemplaar was ooit in het bezit van mijn grootoom Firmin Gardien, broer van mijn grootmoeder (Olympe Jespers-Gardien) en van mijn groottante (Germaine Bertels-Gardien),. Nonkel Firmin bezocht geregeld Pol de Mont en vooral Max Elskamp (toen de dichter al het zogenaamde rationele contact met de realiteit verloren had). Ik kan de goede Paul Van Melle troosten en geruststellen: dit kapitale woordenboek, een summa van eruditie, wordt tot op heden geregeld herdrukt.

In de jongste editie van Inédit nouveau zijn er eens te meer voorbeeldige vertalingen in juxtapositie te lezen: 'Flügelnacht' van Paul Celan (vertaald door Colette Rouselle) en 'die Spitzen' van Christine Langer (vertaald door de onvolprezen Rüdiger Fischer, hier vaker vermeld).

Verder werd ik vooral getroffen door de poëzie van Gérard Pinsart (°1934), Caroline Rey (°1984) en door '4 cadavres exquis' van Élodie en Éric Cuissard.

Bij het lezen van de substantiële rubriek 'À tous mes échos' van Paul Van Melle word je telkens opnieuw door het gevoel een groot van Ali-Baba te betreden. Hij signaleert de tekst van Alain Germoz over Paul Joostens verschenen in het jongste Bulletin de la Fondation ça ira, alsmede het in memoriam Marie-Jo Gobron, 'pour qui je partageais l'admiration des amis Paul Hellyn et Gérard Prévot (encore deux de ces oubliés des années 1950!) parmi bien d'autres (quels souvenirs encore si vivants de ces années révolues!) rappelés par Jespers'.

Het (hier steevast besproken) tijdschrift Connexion krijgt een goede beurt.

Je retourne à la même époque avec la revue Connexion (Robin de Salle responsable) où j'ai pris mon pied (grâce à Jespers encore) en retrouvant le patron de la célèbre galerie Saint-Laurent, Philippe-Edouard Toussaint (que nous appelions familièrement Toussy). La galerie prenait les trois étages d'une maison étroite et il n'est pas surprenant dans ce sympathique désordre que la vente aux enchères organisée par Van Bruaene en 1951 n'ait 'pas attiré un chat' selon l'organisateur lui-même. J'avoue à ma courte honte que je n'aurais pas songé à acheter chez lui que je considérais comme un bouquiniste plutôt que comme un galeriste. Et cependant que d'artistes il a exposés, et parmi les plus grands. Jespers d'ailleurs, qui commence ici un exposé complet sur ce lieu mythique, commence par l'exposition Joostens de 1957. Mais il se plaît déjà à citer le groupe des 'Nucléaires' de Milan. Jan Burssens et le brave Aubin Pasque que j'aimais fort, les premiers abstraits belges, parmi lesquels Flouquet et Gaillard, qui me portraitura si finement beaucoup plus tard ou Jacques Lacomblez. L'analyse de Jespers pour le seul Paul Joostens est un modèle de documentation et d'étude sur un peintre. C'est toute une époque, entre Anvers et Bruxelles, où bien sùr n'apparaissent bien des noms qu'aujourd'hui seules les revues Ça ira et Connexion rappellent sans cesse, Paul Neuhuys et les autres représentants de l'avant-garde d'alors, les flamands Gust Gils ou Paul Snoek, de la revue Gard Sivik. Je me suis amusé avec les croquis de l'illustrateur attitré des couvertures des Mededelingen, RodeS, excellent croqueur de musiciens, qui n'y va jamais avec le dos de la cuiller, en particulier lorsqu'il charge le séparatiste Bart De Wever, qui a ridiculisé ses interviouveurs de la RTBF, stupidement agressifs. Je ne connaissais pas le peintre et poète à l'origine de la Jeune Peinture Belge Charles Pry, alors que j'ai presque assisté en direct au suicide d'un de ces jeunes si décriés encore aujourd'hui. J'attends la suite de l'étude que lui consacre Hugues Mahieu.

Laten we hier alvast één geheim onthullen: de huistekenaar van deze Mededelingen is niemand minder dan Robin de Salle, hoofdredacteur van Connexion.


Inédit nouveau, no 229 (février 2009), 32 p., ill., 11 av. du Chant d’Oiseaux, 1310 La Hulpe. Jaarabonnement (11 nummers): 35 € te storten op rek. 001-1829313-66 van Paul Van Melle.

Partager cet article
Repost0
17 janvier 2009 6 17 /01 /janvier /2009 11:45

In Scherpschuttersfeest (1968) zag Lieve Scheer ‘een teken te meer […] hoeveel er op menselijk en artistieke vlak aan onze tijd te genezen valt’. Van de Voorde redivivus, stelt ze onomwonden: ‘wie aan de verspreiding van zulke “kunst” meewerkt, schrijver, uitgever of criticus, is de diepste zin, de kern en de betekenis van wat cultuur is, kwijt’.1

Dat was voor Paul de Wispelaere aanleiding om drie citaten te bloemlezen van onverdachte ‘vertegenwoordigers van de cultuur’, nl. kardinaal Mercier, het Duitse episcopaat en paus Paulus VI, en vast te stellen:

onveranderd stroomt hetzelfde beschamende, kleffe jargon over de wereld, om de macht en de rijkdom van enkelen in stand te houden of te ontzien, en de onmondige massa in slaap te wiegen met hypnotische toverformules. De officiële wereld, de wereld van de Eerbiedwaardige Cultuur, bestaat bij de gratie van een ontzaglijke woordzwendel.

De Wispelaere gaat hier impliciet in op Van Maele’s uitspraak: ‘Stop mooie woorden een prop in de mond’. Voor het overige is het duidelijk dat Scheer met geen woord rept ‘over de werkelijke drijfveren en bedoelingen’ van het werk van Van Maele.

Schrijven is voor hem in de situatie staan van outsider en outcast tegenover de gevestigde maatschappij en officiële orde: een situatie die hij bewust en opzettelijk schept door zijn woordgebruik. Hij weet dat een gevestigde orde en georganiseerd systeem in de eerste plaats een kwestie van gevestigde en volgens een bepaalde logica georganiseerde woorden is. En daarom is al zijn werk, ook het boek Scherpschuttersfeest, wezenlijk een schrijfervaring, een woordenervaring, in de rand van de bestaande maatschappelijke ‘orde’, waardoor de schrijver zich in zijn revolterende apartheid uitdrukt, bevestigt en zelfs schept. En wie dit grotere en ergere wartaal vindt dan de hoger geciteerde Heilige Bloemen, werp ik vanuit de verte een kushandje: adieu.

Ook Van Vlierden is kennelijk ‘de diepste zin, de kern en de betekenis van wat cultuur is, kwijt, want hij werkt als criticus mee aan de verspreiding van zulke ‘kunst’ mee. Hij situeert Scherpschuttersfeest in het verlengde van Kraamanijs, nl. als ‘een gelijkaardige poging tot zelfherkenning, zo al niet tot zelfschepping’. Deze poging bestaat nu

in een voortreffelijke compositie, waarbinnen verklarende glossen de écriture automatique begeleiden. […] Op een horde van woordenkraam wordt een nieuwe (witte) orde van woorden veroverd. In de taal zelf grijpt hier de strijd plaats tussen de chaos en een nieuwe taal waaruit een nieuwe werkelijkheid ontstaat.2

Eugène van Itterbeek stelt vast dat in de stijl van Van Maele het woord zijn vrijheid herwonnen heeft: ‘de haast barbaarse humor van de schrijver is daar een niet gering bestanddeel van’.

De verbeelding heeft de wereld op zijn kop gezet: hierin ligt de vrijheid van de kunstenaar. […] De functie van het dichterlijke bij Van Maele lijkt mij symbolisch voor de groeiende behoefte aan irrationaliteit en creativiteit als een vorm van verzet. De verbeeldingswereld van Van Maele is destructief, het is een aanval op de hele sociale werkelijkheid van vandaag. Het is een kunst die haar vitaliteit put uit een haast grenzeloze spot met de wereld en uit een tragi-comische verafgoding van het eigen dichterlijk talent.3

Koreaanse vinken (1971) vormt het sluitstuk van de romantrilogie. De herinnering – een van de sleutelwoorden van de dichtbundel Winteralbum (1970) – speelt opnieuw een belangrijke rol ‘als materiaal in een sterk gestructureerde taalcompositie waarin andere elementen een even belangrijke rol spelen’, aldus Willem M. Roggeman. In Van Maeles trilogie is het ‘structurerend vermogen’ van de auteur gaandeweg toegenomen. Koreaanse vinken is geschreven ‘van uit een centrale kern’ en vertoont ‘een webconstructie, waarin elke element onmisbaar is’. Roggeman gaat in op de mathematische opbouw van het boek, waarin

het verhaal tot één groot bewustzijnsmoment wordt herleid’. Fundamenteel vertolkt de roman ‘de negatie van de begrippen ruimte en tijd, die herleid worden tot hier en nu. Na de woordenroes, die zijn vorige werken kenmerkte, valt Koreaanse vinken op door de technische beheerste schriftuur en de strenge structuratie, waardoor het schrijverschap van Marcel van Maele een nieuwe dimensie heeft gekregen.4

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

1 Lieve SCHEER, Nu schizofrenie wordt toegejuicht, in: Dietsche Warande & Belfort, jg. 113, nr. 10 (1968), pp. 789-790.

2 B. F. VAN VLIERDEN, op. cit., p. 178.

3 Eugène VAN ITTERBEEK, Daad en beschouwing. Beschouwingen over literatuur en maatschappij. 1968-1970, Brugge, Orion/Desclée de Brouwer, 1972, p. 61.

4 Willem M. ROGGEMAN, Bij nader inzien. Van Achterberg tot Weverbergh, s.l. [Antwerpen], De Galge, 1976, pp. 96-98.

Partager cet article
Repost0
7 janvier 2009 3 07 /01 /janvier /2009 21:36

In Nederland zijn er naar schatting 1,5 miljoen laaggeletterden. Deze mensen hebben grote moeite met lezen en schrijven waardoor zij in het dagelijkse leven of op het werk minder goed kunnen functioneren. Van de 1,5 miljoen mensen is 1 miljoen autochtoon en 500.000 allochtoon. Van de één miljoen autochtonen zijn 250.000 mensen vrijwel geheel ongeletterd.

Een op de tien Nederlandse 15-jarigen heeft moeite met het lezen en begrijpen van eenvoudige teksten, zo blijkt uit onderzoek.15 % van de bevolking kan niet genoeg lezen om een boek ter hand te nemen.

Vlaanderen telt zowat 800.000 laaggeletterden (16 % van de bevolking). Eén op zeven volwassen Vlamingen kan onvoldoende lezen of schrijven om naar behoren te kunnen functioneren in de maatschappij. Dit is functioneel analfabetisme of ongeletterdheid zoals gedefinieerd door de UNESCO.

In de Franse gemeenschap : « 10 à 25 % des adultes ne peuvent lire et écrire, en le comprenant,  un exposé simple et bref de faits en rapports avec leur vie quotidienne. » 28 % van de 15-jarigen haalt nauwelijks het laagste leesniveau.

*

Bij bepaalde groepen stelt zich echter in Vlaanderen een reëel probleem van geletterdheid en gecijferdheid.

Zo’n 31 % van de leerlingen van het algemeen secondair onderwijs (ASO) presteert op het hoogste niveau van leesvaardigheid, terwijl slechts 5 % van de leerlingen in het technisch (TSO) en beroepsonderwijs (BSO) dit niveau bereikt. Eén derde van de BSO-leerlingen presteert op het laagste vaardigheidsniveau of eronder. (Centra voor basiseducatie Vlaanderen en Brussel, Dossier laaggeletterdheid.)

(Bronnen: Taalunie, Laaggeletterdheid in de Lange Landen, 2004; Centra voor basiseducatie Vlaanderen en Brussel, Dossier laaggeletterdheid, 2004; Lire et écrire, La Belgique survit, l’analphabétisme aussi !, 2005

Boeken (willen) lezen

Onder de provocerende maar vooral misleidende titel “Lezen is elitair en daarom voor iedereen”, publiceert Alexandra de Laet in TAALschrift een interview met Aad Meinderts, directeur van de Stichting Lezen in Nederland en Majo de Saedeleer, die de Vlaamse Stichting Lezen leidt. Ziehier enkele hoogtepunten uit dit dubbelgesprek.

Vooral in het beroeps- en technisch secundair onderwijs, waar lezen zeker geen sterk imago heeft, moet men jongeren duidelijk maken dat ze zich niet hoeven te schamen omdat ze lezen. Je hoort immers nog steeds mensen zeggen dat ze wel wat beters te doen hebben. Lezen wordt inderdaad nog altijd vaak gezien als een luxe of als iets voor wie sociaal toch niet helemaal aangepast is en leest uit eenzaamheid.

Je hoort vaak zeggen dat Internet een bedreiging voor het lezen vormt. Natuurlijk kan je ook lezen op het scherm. De computer als de grote vijand van het lezen en schrijven? Er is nooit zoveel geschreven als nu. Het blijkt trouwens duidelijk dat mensen nog altijd naar verhalen hunkeren. Het volstaat te kijken naar het succes van soaps.

Kijk maar hoeveel poëzie er online staat, hoeveel zondagsdichters er zijn en hoeveel lezers ze hebben. Die lezers chatten over waarom een gedicht nu mooi is of niet. Op die manier krijg je gemeenschappen, wel niet aan de dorpspomp, maar het doet er toch aan denken. Of kijk maar naar de weblogs.

(Bron: http://taalschrift.org/reportage/000943.html; 20 december 2005)

De lectuur heeft nochtans wel degelijk een toegevoegde sociale waarde. Lezen scherpt immers het vermogen aan tot empathie, tot het zich inleven in anderen, het zich kunnen verplaatsen in de gevoelens of de gedachtengang van een ander.

Boeken lezen

Uit een recent tijdsbestedingonderzoek van TOR (Tempus Omnia Revelat, een onderzoeksgroep voor de studie van tijd, cultuur en samenleving aan de Vrije Universiteit Brussel.

 blijkt dat 35 % van de Vlamingen het afgelopen jaar geen boek las, nog eens 35 % las één tot vijf boeken en 30 % zes of meer boeken.

Lezen neemt na tv en video de tweede plaats in in de vrijetijdsbesteding van de Vlaming, maar moet terrein prijsgeven aan de oprukkende nieuwe media. Bovendien staan bij lezen de “boeken voor ontspanning” slechts op de derde plaats.

In opdracht van het Vlaams Centrum voor Openbare Bibliotheken verrichtte TOR in 2004 een grootschalig gebruikersonderzoek onder ruim 32 000 bezoekers. Daaruit blijkt dat meer vrouwen dan mannen de bibliotheek bezoeken en dat 60-plussers en laaggeschoolden ondervertegenwoordigd zijn.

Ontspanning is de belangrijkste drijfveer om naar de bibliotheek te trekken (voor 81 procent is dat vaak of altijd het geval), daarna volgen “informatie over onderwerpen die me bezighouden” (54 procent) en een bezoek “omwille van de kinderen” (35 procent).

*

In 1975 las bijna de helft van de Nederlanders geregeld een boek, 25 jaar later is dat minder dan eenderde. Bovendien besteedt de Nederlandse lezer steeds minder tijd aan boeken.

Twee op de drie Nederlandse achttienplussers hebben wekelijks minstens één keer een boek in handen. Romans, woordenboeken en kookboeken voeren de topdrie aan. Slechts zeven procent van de Nederlanders vindt boeken saai. Dat blijkt uit een onderzoek waarbij in opdracht van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) 1 100 Nederlanders werden bevraagd. 28 procent van de bevraagden leest vooral in bed, 67 procent leest op vakantie. Meer dan de helft (57 procent) zou graag meer boeken lezen en volgens 45 procent heeft lezen een belangrijke invloed gehad op hun leven.

Tegelijk blijkt uit gegevens van het Nederlands Sociaal Cultureel Planbureau dat het aantal boekenlezers terugloopt: van 49 procent in 1975 naar 31 procent in 2000. Bovendien besteedt een lezer wekelijks nog slechts 0,9 uur (54 minuten) aan boeken in 2000, zowat een halvering sinds 1975. Dezelfde trend is te vinden bij de bibliotheken, waar volwassenen minder boeken uitlenen (min 17 procent tussen 1995 en 2004). Vooral de non-fictie krijgt klappen. Bibliotheken bereiken in Nederland een minderheid van de meerderjarigen en een meerderheid van de minderjaren.

*

 Boeken blijven de belangrijkste publiekstrekker van de bibliotheek”, zo staat met zoveel woorden te lezen in het onderzoek van TOR. Wat een merkwaardig onthullende vaststelling! De auteurs van zo’n rapport beseffen niet eens hoe belachelijk een dergelijke uitspraak klinkt in de oren van een nuchter denkend mens. Typisch voor de postmoderne wereld waarin we leven: in postkantoren word je om de oren geslagen met publiciteit voor bankieren en spaarrekeningen (en dan heb je nog geluk wanneer je niet verbaal aangerand wordt door een daartoe opgejutte loketbediende), maar brieven tijdig bestellen? Dat is een andere zaak. Binnenkort zullen we daarvoor misschien bij een bank moeten zijn…

(februari 2006)

Partager cet article
Repost0
3 janvier 2009 6 03 /01 /janvier /2009 23:29

Als vrouwen beminnen, zo luidt de titel van een feuilleton ofte mengelwerk dat Louis Paul Boon voor de krant Vooruit schreef. Het werd op 30 oktober 1954 aangekondigd. Nu verschijnt het ter gelegenheid van de jaarwisseling in een oplage van 1500 exemplaren exclusief voor vrienden en relaties van Uitgeverij De Arbeiderspers. De elegante uitgave kwam tot stand in samenwerking met het L.P. Boon-documentatiecentrum.

Als schuilnaam koos Boon voor Bertha Peelman-Loth (hij gebruikte zijn eigen initialen, zij het in omgekeerde volgorde – een spiegelbeeld… )

‘De naam leek […] te verwijzen naar het lot van de wegens collaboratie veroordeelde en zich in zelfmedelijden wentelende Bert Peleman’.

Kris Humbeeck, Britt Kennis en Matthijs de Ridder tekenen voor de teksteditie en het nawoord. Ze onderstrepen dat Boon zijn bezigheden als pulpschrijver niet al te serieus nam. Hij schreef die liefdesverhaaltjes louter om geld te verdienen.

 

Bertha PEELMAN-LOTH [Louis Paul BOON], Als vrouwen beminnen, Amsterdam-Antwerpen, De Arbeiderspers, 2005, 205 blz.

(januari 2006)

Partager cet article
Repost0
3 janvier 2009 6 03 /01 /janvier /2009 05:30

Redactioneel

Elk genuanceerd commentaar is er thans een teveel. Indien de potsierlijke politieke kronkelingen van de afgelopen dagen en weken iets hebben duidelijk gemaakt, dan is dat wel de onthutsende mediocriteit van het samenraapsel dat zich aandient als de nieuwe regerende klasse. Partijbelangen en persoonlijke carrièreplanning primeren meer dan ooit op het algemeen belang. Nu een gentleman als Herman van Rompuy in de arena wordt gegooid, blijft zeer de vraag of hij in de rol van Super Mario Bros de machinerie opnieuw op gang zal kunnen brengen.

De aangerichte schade is immers onherstelbaar. De verleiding is groot om daar op in te gaan, maar zwijgen is nu eenmaal goud. De schaamteloze babbelzucht van politici is zonder meer misprijzenswaardig. Met hun verklaringen te pas en te onpas dienen ze niet eens hun eigen belang – en zelfs dat zien ze niet in.

Dan zwijg ik nog zedig over het betweterige gezwam van commentatoren en duiders die, staatslieden in ‘t diepst van hun gedachten, toch allemaal och zo bezorgd zijn om ’s lands belang.

Infotainment? Niet eens: een lamentabel spektakel.

&

Van spektakels gesproken: toen ik “Het gat in de cultuur” van Stefan van den Broeck las (Bokblog, 30 december, www.wever-bergh.com) dacht ik meteen aan de uitspraak van Roland Beyen, de eminente kenner van het oeuvre van Ghelderode: “Il suffit que les metteurs en scène cessent de jouer au dramaturge”. Ik ben Bokblog-uitgever Julien Weverbegh dankbaar dat hij meteen positief op mijn voorstel inging die scherpzinnige beschouwing over het contemporaine theater hier te publiceren.

&

Eergisteren viel het winternummer van Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift in de bus. Dank zij een aantal mecenassen die zich spontaan aangeboden hebben zal het (afgeslankte) tijdschrift nog minstens twee jaargangen kunnen afwerken.

&

In 2008 kreeg u 171.790 woorden te lezen, zowat 1875 standaardpagina’s van 30 regels van 60 aanslagen. De jaargang werd helaas geopend én afgesloten met necrologische bijdragen. Van oud naar nieuw gedacht ik Gerard Bergers, Gerald Dauphin, Stefaan van Bossele, Wilfried Adams, Henri Chopin, Michel Bartosik, Jean-Marie Henri Berckmans, Marie-Jo Gobron, Wannes van de Velde, Jef Denkens, Carl Ridders en John Bel. Ik mag me bevoorrecht achten dat ze allen een rol in mijn leven hebben gespeeld.

&

Mijn nicht Christine ontviel mij. Ze was amper 57. We zagen elkaar in jaren niet, maar haar foto stond op mijn schouw.

Op 25 december stierf Cocteau, eigenzinnige maar wijze kater. Hij stierf in mijn armen, maar ik kon de moed niet opbrengen hem in zijn laatste tocht te begeleiden. Hij werd door Kris in bijzijn van Pruts in de tuin van Lucienne Stassaert begraven.

Henri-Floris JESPERS

Inhoud

 

Necrologisch: Harold PINTER, John BEL.

Poëtisch: Rik LANCKROCK: Licht in 2009

Melpomene: Stefan VAN DEN BROECK: Het gat in de cultuur

Caleidoscopisch: Renato Mambor; Edward Leibovitz

Door de leesbril bekeken: Boelvaar Poef: Angèle Manteau en Hugo Claus; Paul Joostens, Charles Pry en Wout Vercammen in Connexion; Inédit nouveau.

Agenda

Partager cet article
Repost0
31 décembre 2008 3 31 /12 /décembre /2008 02:43

John Bel was een zeer liefdevolle man. Hij straalde genegenheid uit en door dit beminnelijk karakter wist hij iedereen te winnen voor “zijn” exlibris. Men kon dan niet anders dan positief reageren op zijn vraag om gratis een lezing te geven. Omdat hij zo zachtmoedig was verdroeg hij geen disharmonie. Ooit riep hij mij ter hulp om te bemiddelen bij een geschil tussen twee exlibrisvrienden dat jarenlang aansleepte. John leed daaronder.

Wat ik het meest bewonderde in John was zijn tolerantie. Hij luisterde steeds naar alle standpunten, hoe uiteenlopend die vaak ook waren. En als er commentaar kwam op een spreker werd die door John afgewimpeld met de woorden “ iedereen mag zijn mening verkondigen en moet zich hier thuisvoelen!”

Hij was ongelooflijk trots als Exlibris goed vertegenwoordigd was op een of andere culturele manifestatie: “Kijk eens” zei hij dan “de helft van de aanwezigen hier zijn exlibrismensen!”

Dankbaar was John ook. Voor de Boekenbeurs, de ideale plek voor hem om auteurs te ontmoeten, bezorgde ik hem gedurende vele jaren een uitnodiging voor de openingsavond en een zestal inkomkaarten. Telkens hij een kaart gebruikte kwam hij mij even groeten en bedanken.

Bij de presentatie van Lof van het stof (de boeiend geschreven historiek van het AMVC ) van Gwennie Debergh in het Letterenhuis dachten we John voor het laatst gezien te hebben. Hij had een asgrauwe kleur en kon nauwelijks lopen. Hij vertelde me nadien dat Marc Somers en Leen Van Dijk hem ondersteund hadden tot aan de tram.

Maar veertien dagen later ontmoetten we hem weer springlevend, bolleke Koninck in de hand, op een receptie in het Provinciehuis. Wanneer we begin vorige week vernamen dat hij met een longontsteking in het ziekenhuis lag hoopten we dat ook dit maar tijdelijk zou zijn.

Toen Frank-Ivo hem twee dagen voor zijn heengaan belde gingen zijn gedachte nog steeds naar zijn geliefd Exlibris, waar wij het nu zonder hem moeten stellen.

Joke VAN DEN BRANDT

(Zie ook de berichten van 29 december.)

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche