Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
20 octobre 2009 2 20 /10 /octobre /2009 01:58

De lais, twaalf Oudfranse sprookjes over de liefde, is de bekendste en eerste bundel van Marie de France, de vroegst bekende Franse schrijfster. Ze woonde en werkte in de tweede helft van de XIIde eeuw aan het hof van koning Hendrik II Plantagenêt en Eleonora van Aquitanië. Na meer dan acht eeuwen zijn haar verhalen nog altijd fris en herkenbaar. De wereld die zij schept is er een tussen droom en daad, liefde en dood, vol van magie en ironie.

Marie de France’ vertellingen zijn van Keltische oorsprong. Ze worden bevolkt door feeën, een weerwolf, toverdrankjes, een vogelman, een gescheiden tweeling, een vrouw met vier minnaars en een man met twee vrouwen. Alles vindt plaats in een ridderwereld. Zo komen we Tristan als hoofdpersoon tegen in ‘Kamperfoelie’ en ontmoeten we koning Arthur, Walewein en Iwein in ‘Lanval’.

Paul Verhuyck en Corine Kisling publiceerden in 1980 de eerste Nederlandse vertaling van de lais, in verzen. Nu hebben ze gekozen voor een prozavertaling, vooral omdat het vers bij Marie de France eigenlijk het equivalent is van hedendaags literair proza.

 

MARIE DE FRANCE, De lais. Liefdessprookjes uit de twaalfde eeuw, Amsterdam, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 142 blz., 17,50 €.

Partager cet article
Repost0
14 octobre 2009 3 14 /10 /octobre /2009 14:02


Van l. naar r.: Minister van Cultuur Rika de Backer, Bert en Delphine Decorte, 1980

(coll.  Henri-Floris Jespers)

Ingmar Heytze vestigde in 2007 de aandacht op Bert Decorte, de dichter rond wie het in Vlaanderen wel oorverdovend stil was geworden. Heytze publiceerde nl. ter gelegenheid van het Utrechts Literatuur Festival waar Decorte gevierd werd als “Vlaanderens oudste dichter”, een selectie uit het werk van de dichter van Germinal, onder de meer dan ooit veelzeggende titel Ik kom liefst wat laat (Breda, De Papieren Tijger, 2007).

In de recensie door NBD/Biblion luidde het kernachtig:

De eerste gedichten van deze 92-jarige Vlaming ademen de deels schelmachtige, deels epicuristische sfeer van dichters die hij zelf vertaald of gebloemleesd heeft: Charles Baudelaire, François Villon en Tijl Uilenspiegel [...]. In een barokke woordenstroom, maar stevig in toom gehouden door klassieke vormen als het sonnet en de rederijkersballade, reidanst de dichter door het leven, omringd door vrouwen die hij soms ouderwets met "kind", soms op hoofse wijze met "de vrouw"aanduidt. Zijn latere gedichten staan veeleer in het teken van inkeer, van berouw en van reflecties, ingegeven door ontgoocheling. En er is sprake van kritiek m.n. op conventies en op huichelarij. Toch blijft de ondertoon die van genieten, kommer en kwel van de ouderdom inbegrepen. Inleider Ingmar Heytze verbeeldt aardig hoe hij Decortes klassieke, klankrijke poezie onderging. Hij geeft daarmee zijn generatiegenoten een 'lift' naar meer inleving in dit werk.

*

Over de dichter Bert Decorte vloeide er al veel inkt, sinds de destijds toonaangevende scherprechter van de Vlaamse Parnassus Marnix Gijsen hem in De Standaard van 8 mei 1937 uitriep tot “het eerste fenomeen, het eerste wonderkind dat wij in de Vlaamse poëzie zien verschijnen” sedert Paul van Ostaijen. In zijn autobiografie Kortom, Brugge, Uitgeverij Orion / Desclée de Brouwer, 1971 zou Decorte terecht noteren:

Ze bevatte haast al de epitheten waarmee ik later in de schoolboekjes werd bedacht, want de samenstellers dezer laatste zijn doorgaans schaamteloze beroepsroofvogels.

*

Bert Decorte werd geboren op 2 juli 1915 als achtste van tien kinderen, te Retie in de Kempen waar zijn geboortehuis nog staat. Na hem kwam nog Marc (22 oktober 1918-8 november 1981), die gedurende lange tijd aan het (toenmalige) NIR verbonden was, echtgenoot van Jo Crab (vooral bekend als de koffie-madam uit de TV-soap De Collega’s) en vader van enfant terrible uit de toneelwereld Jan Decorte. Het nakomertje Willy (17 februari 1926-27 december 2002) sloot de rij. Wie zal er ooit zijn herinneringen schrijven over deze kleurrijke figuur die in de Antwerpse cafés zijn versjes verkocht?:

Bert Decorte volgde de Grieks-Latijnse humaniora aan het Klein Seminarie te Hoogstraten. Na de poësis werd hij om allerlei redenen niet toegelaten tot de retorica.Hij kwam dan terecht in het St.-Jan Berchmanscollege te Mol waar hij als leraar engels Herman van Fraechem had, de latere (1953) uitgever van de Bladen voor de poëzie, die ook het schooltoneel regisseerde. Bert Decorte speelde ooit de rol van de oude grootmoeder in Radèske van Anton van de Velde. Radèske werd vertolkt door de toen twaalfjarige Bert Leysen, de latere directeur van de Vlaamse Televisie.

Belangrijker voor Decorte was de kennismaking met zijn nieuwe leraar Frans en Duits, Denijs Dille (1904-2005). Hierover zegt hij zelf:

Om een idee te geven van Dille’s waarde als leraar volstaat het eigelijk even te vermelden waarmee we ons zoal bezig hielden in de les. Wat de omvang van het voorgeschreven programma was weet ik niet, maar als ik signaleer dat ik de namen van Cocteau, Apollinaire, Paul Valéry, François Mauriac, Claudel en welke nog uit de Franse letteren van het eerste derde van vorige eeuw, voor ’t eerst in de literatuurlessen van D. Dille heb horen vernoemen en dat wij in de les van Duits gedichten van Rilke en George lazen, dan hoeft daar, geloof ik, niet veel aan toegevoegd. Of de meeste leerlingen daarvan veel meedroegen weet ik niet, maar voor de besten onder hen is dit toch wel een basis geweest, meen ik, voor literaire belangstelling tijdens hun verder leven. Dille heb ik het eerste jaar dat ik hem kende wel als een uitzonderlijk en met zijn heftig karakter soms wat zonderling leraar meegemaakt, maar onze eigenlijke vriendschap en de wenken die hij me heeft gegeven en waarvoor ik hem nooit genoeg dankbaar kan zijn, zijn van latere datum, toe hij mij raad en bijstand heeft verstrekt op meer dan een gebied, maar nooit met een andere bedoeling dan om mij te helpen iets terecht te brengen van hetgeen hij aan mogelijkheden in mijn aanwezig giste. Toen dit enig resultaat opleverde heeft hij daarmee nooit opgeschept of hoog van de toren geblazen. Toen mijn eerste succes, dat misschien wel wat voorbarig was, openbaar werd, schreef hij me in alle eenvoud dat hij me nu niet verder brengen kon, omdat zijn invloed niet tot meer in staat was.”

De verslechterde financiële situatie van het gezin Decorte maakte dat er van verder studeren na de humaniora geen sprake meer was. De jonge Bert kwam in 1934 terecht in Antwerpen. Als loopjongen bij Delhaize Frère Le Lion, destijds gevestigd op de hoek van de Anselmo- en de Sanderusstraat, klopte hij zware en karig verloonde werkuren, maar hij voelde zich vrij. Hij verkende de stad en maakte er zijn eerste literaire vrienden. Vervolgens vervulde hij zijn legerdienst in Brussel en zwaaide af in 1936. Het daaropvolgende jaar bleef hij werkeloos bij zijn ouders wonen. Hij vervulde tijdelijke opdrachten en karweitjes, maar had tijd om te schrijven. Ward Schouteden (ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) en Lode Baekelmans (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen) zorgden ervoor dat hij financieel gesteund werd. Decorte informeerde Marnix Gijsen terloops over zijn penibele financiële toestand. Hij vertelde hem ook dat hij had deelgenomen aan een examen maar daarvan niets meer gehoord had. Marnix Gijsen nam de zaak ter harte en vernam van Firmin van Hecke dat Bert geslaagd was. Zes weken later (in de laatste dagen van 1937) belandde hij in het Octrooienkantoor, een dienst van het ministerie van Economische Zaken, waar hij zijn latere echtgenote zou leren kennen. Gemobiliseerd in 1939, Bert Decorte werd tijdens de meidagen van 1940 licht gewond. In 1942 trad hij in het huwelijk met Delphine De Backer, die hem vier dochters en twee zonen zou schenken.

*

Tijdens de bezetting zou Frans Buyle, criticus van Het Vlaamse Land, geen gelegenheid onbenut laten om Decorte als verzenmaker en rijmelaar aan de kaak te stellen. Dat gaf aanleiding tot een van de zeldzame polemieken gevoerd in versvorm. In de ‘Ballade van de criticus’ stelt Decorte vast:

Een muil die meetelt is Frans Buyle,

de criticus van ’t Vlaamse Land,

sinds hij de zoete lier ging ruilen

voor de kolommen van een krant,

waarin hij, zonder kroon of tuilen,

wie dichten wil ten dode bant

Een zot beklimt papieren zuilen,

De man is immers navenant?

In het manuscript van de ballade, bewaard in het AMVC-Letterenhuis te Antwerpen, wordt Buyle bestempeld als dictator der letteren, Führer en Duce, wat in bezettingstijd natuurlijk niet kon en derhalve door Decorte uiteraard geschrapt werd.

De strijdvaardige Buyle reageerde met de ‘Ballade van den dichter’:

Wie dichter is heet Bert Decorte

en waant zich van ’t heelal de spil,

zoals het dier met de te korte

vlerken gewapend, vliegen wil,

en dat, om zich in ’t ruim te storten

zich opwekt naar de duiventil:

een kip beklimt kaaklend de sporten,

maar wie nauw toekijkt, ziet ‘t verschil!

*

In 1946 ging Decorte over naar het ministerie van Openbaar Onderwijs (bestuur Kunst & Letteren). Van 1958 tot 1964 werd hij letterkundig adviseur bij het het ministerie Nederlandse Cultuur, waar hij vanaf 1964 de functie waarnam van adviseur-hoofd van dienst Letteren en Toneel.

Memoires

Gemobiliseerd in 1939, Bert Decorte werd tijdens de meidagen van 1940 licht gewond.Dat is het uitgangspunt van Knobbelgeschiedenis (Antwerpen/ Amsterdam, C. de Vries-Brouwers, 1986), het verhaal van Decortes belevenissen tijdens de mobilisatie en de Duitse Blitzkrieg in mei 1940. In veertig korte hoofdstukken roept hij aan de hand van alledaagse (nou ja… ) voorvallen een prangende sfeer op.

Het is gek, dat van zulke momenten na verloop van jaren de algemene indruk erg vervaagt, zodat men hem niet of haast niet meer oproepen kan. Daarentegen zijn er dan weer enkele kleine details die men voor de rest van zijn leven zich als levende tonelen voor de geest kan roepen.

Deze kleine details nu bepalen precies de menselijke waarachtigheid die onomwonden uit het boek spreekt. Net als in Erich Maria Remarques Im Westen nichts Neues (1928), is het Decorte in de eerste plaats om te doen de gedragingen te registreren

van diverse jonge en ook iets oudere mensen, die worden geconfronteerd met het onzinnigste bedrijf op aarde.

Zonder grote woorden vertolkt Decorte zijn aangeboren afkeer voor (militair) geweld en wapengekletter. De nuchtere toon en de rechtstreekse stijl die het boek kenmerken, staan in dienst van Decortes anti-militaristische boodschap. Hier worden geen grote gevoelens bespeeld – noch literatuur gepleegd. De hoofdletters die de oorlogsliteratuur al te vaak ontsieren, werden hier zorgvuldig vermeden. Gezond verstand, redelijkheid en milde menselijkheid bepalen de toon van dit realistische, vlot leesbare proza.

De talrijke anekdotes waarrond het boek opgebouwd is, illustreren een aantal stellingen die in hun naakte nuchterheid niet altijd optimistisch te noemen zijn:

Veel verder dan de levensbeschouwing van de koppensnellers heeft het mensdom het in feite niet gebracht.

De aanzet tot het schrijven van deze onopgesmukte memoires dient overigens niet zozeer in het verleden dan wel in het heden zelf gezocht te worden:

Wat ik na de oorlog heb gezien, gelezen en afgebeeld, blijft me aanzetten om, waar ik er de gelegenheid toe krijg, mij tegen oorlog uit te spreken. Tegen oorlog betekent: tegen wapens en legers.

Droogjes merkt Decorte op dat Erasmus reeds vier eeuwen geleden er de wereld van wou overtuigen

hoe dwaas het is mekaar uit te moorden om politieke en godsdienstige geschillen op te lossen.

Vandaag echter

wil men dit nog altijd niet begrijpen en de hoge heren vinden dat zij nooit wapens genoeg kunnen produceren en opstapelen om toch maar vreedzaam te kunnen coëxisteren.

Knobbelgeschiedenis wordt gekenmerkt door dezelfde literaire zuinigheid die reeds werkzaam was in Decortes autobiografie Kortom: de auteur hoedt er zich angstvallig voor te vervallen in de woordeninflatie die reeds zoveel kwaad aangericht heeft. Zijn bescheidenheid en de luchtige toon die hij spontaan hanteert verhullen echter een stille maar niet minder hardnekkige onverzettelijkheid. Decorte veroorlooft zich de luxe voor de vuist weg, op de man af, te zeggen wat hij niet wil, niet kan verzwijgen. Zo haalt hij schamper uit tegen de na de oorlog “aan de lopende band gefabriceerde krijgsauditeurs” of (impliciet dan) tegen het mythologiseren van Staf de Clercqs Militaire Organisatie:

Ik geloof trouwens maar weinig wat daar tegenwoordig allemaal over wordt uitgekraamd en ik verdenk er sommige oud-collaborateurs van dat zij zich een rol toedichten, die zij eigenlijk, niet hebben gespeeld gedurende de mobilisatietijd en de achttien dagen Belgisch verweer .

En wat het heden betreft is zijn oordeel ook al nuchter, wars als hij is van verleidelijke retoriek. Hij laat zich niet op sleeptouw nemen door de gelijkhalers en scherpslijpers

Is het niet zo dat de politici… met drogredenen het vervaardigen of de aankoop van raketten zus en zo, van chemische wapens en wat voor tuig allemaal, trachten te rechtvaardigen. Het gekke is dat de afschuw voor wapens en oorlog nooit met de eenvoudige meerderheid-minderheid-test wordt gemeten” .

Decorte beschrijft zichzelf als

iemand die gemakkelijk Gods water over Gods akker laat lopen en zich niet ergert aan een boel dingen, die meestal niet eens enige aandacht waard zijn.

Dat betekent echter niet dat het vermogen tot oprechte verontwaardiging aangetast werd, integendeel. Het bevrijdende effect ligt echter bij Decorte minder in de satire dan wel in de relativerende blik, het nuchtere observatievermogen en de zuinige formulering.

Decortes gezonde oneerbiedigheid komt ook puntig tot uitdrukking in zijn bewerking van Reinaard de Vos, “berijmd door Bert Decorte om het oude gedicht direct leesbaar te maken voor mensen van nu” (Antwerpen, Walter Soethoudt, 1978), of in zijn Thijl Ulenspiegel (Antwerpen, C. de Vries-Brouwers, 1986), een bibliofiele editie met de oorspronkelijke houtsneden uit de oudste bekende uitgave van het Vlaamse Uilenspiegelboek (ca. 1518), “gheprint Thantwerpen in die Rape by my Michiel van Hoochstraten”. Het enige bekende exemplaar van de eerste druk wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen.

De schalksheid van Decortes vakmanschap stond geheel in dienst van een spitse en volkse toonaard die zelden aan frisheid inbloette.

*

Het debuut van Decorte in Forum gaf meteen aanleiding tot een gedenkwaardige polemiek, waarin ”roes” en “beroezing” de twee sleutelwoorden waren op de achtergrond van tegengestelde poëticale opvattingen. Achteraf bekeken, een mooi voorbeeld van wat Hegel “de list van de rede” noemt: de poëtische zegging van Decorte zou immers evolueren tot een exemplaire nuchterheid.

René F. Lissens (De Vlaamse letterkunde van 1780 tot nu, Elsevier, 19674) heeft het over “de baldadigheid” van Decorte, die “kennelijk geen weekheid en geen pijn [heeft] om het bestaan af te reageren”.

Zijn poëzie,met haar beweeglijke ritme en haar volheid van beelden, is een doorlopende uiting van dynamisch levensgevoel. […] Zijn debuut, Germinal (1937), bracht de revelatie van een 'wonderkind' let levensdrift, die nog nergens door bewustheid was aangetast, en een verrassende virtuositeit […]. Na een korte periode van ontnuchtering en bezinning […] schrijft Decorte kloek gehamerde verzen, vaak in de vorm van refreinen en balladen, welke soms al eens grof en met flitsen van ondeugendheid en sarcasme, wel en wee van het bestaan verheerlijken […].

Onder de treffende titel 'Bert Decorte: Rimbaud & Van Ostaijen in één persoon' blikte Geert Buelens in zijn meesterlijke studie Van Ostaijen tot heden (2001) indringend en uitvoerig terug, niet alleen op de receptie van Germinal (1937) maar ook op de ontwikkeling van Decortes dichterschap.

*

Het Ministerie kocht destijds tien exemplaren van de debuutbundel Germinal van Bert Decorte tegen het tienvoudige van de winkelprijs. Meer dan dertig jaar later noteerde de dichter:

Hoe kon ik vermoeden dat ik later zelf officiële sinterklaas aan de rijkssteun aan de letteren zou worden? Mijn mening omtrent subsidies aan schrijvers en artiesten is echter, van sedert ik er kennis mee maakte, dezelfde gebleven: verleen hun hulp als ze in nood zitten en een flinke beloning als ze wat hebben gepresteerd. Maar beeld u niet in dat overheidssteun de degelijkheid van kunst en letteren kan waarborgen. De historie is er om het tegendeel te bewijzen.

Als gewetensvolle en verantwoordelijke ambtenaar huldigde Bert Decorte vanzelfsprekend de principes van de verdelende rechtvaardigheid, daarbij strevend naar die objectiviteit die als absolute eis uiteraard nooit te bereiken is. Dat kan alvast niet gezegd worden van de commissieleden van het Vlaams Fonds voor de Letteren die al te vaak, de eigen subjectieve poëticale opvattingen als alleenzaligmakende norm hanteren.

Henri-Floris JESPERS

 

Partager cet article
Repost0
14 octobre 2009 3 14 /10 /octobre /2009 07:25

Op uitnodiging van de Kring ExLbris hield Joke van den Brandt op 7 december 2005 een lezing over haar oom Bert Decorte. Hier volgt de tekst.

*

1946. Ik was acht jaar en zat in de derde klas van de lagere school in een Franstalig pensionaat te Gierle. Op een dag in januari werd ik uit de klas geroepen, ik moest mij begeven naar het bureau van Assistante. Onmiddellijk begon ik mijn geheugen te pijnigen om te weten wat ik mispeuterd had... maar neen, Mère Assistante verwelkomde mij met een brede glimlach. De nonnen hadden over de radio vernomen dat mijn oom Bert Decorte de Staatsprijs voor Poëzie had gekregen.

Ik wist wel dat in mijn vaders bibliotheek enkele “boekjes” stonden geschreven door nonkel Bert. Mère Assistante stond erop dat ik nog dezelfde avond een brief met gelukwensen zou schrijven. Later hoorde ik van een tante dat deze brief door de familie bewonderd werd omdat hij “zo schoon geschreven was, en dat voor een kind van acht jaar.” Zo ziet u maar...

Vanaf dat moment was mijn belangstelling voor dichters en hun kunst gewekt.

*

Bertvvl3.jpgBert werd geboren op 2 juli 1915 als achtste kind in een reeks van tien, te Retie in de Kempen waar zijn geboortehuis nog staat.

Na hem kwam nog Marc, die gedurende lange tijd aan het (toenmalige) NIR verbonden was, echtgenoot van Jo Crab (vooral bekend als de koffie-madam uit de TV-soap “De Collega’s) en vader van enfant terrible uit de toneelwereld Jan Decorte.

Het nakomertje Willy sloot de rij. Over deze kleurrijke figuur die in de Antwerpse cafés zijn versjes verkocht, schreef Bert:

Deze laatstgeborene mag ik absoluut niet vergeten, want in de wankele tijden die we beleven is het mogelijk dat later zal blijken dat hij onder het gezelschap dat mijn vader de wereld inhielp de enige is geweest die het bij ’t rechte eind had, het hippy-end. Ik bedoel Willy, de enige konsekwente vagant uit ons gezin, die de wereld heeft afgereisd als donkeyman op een Noorse cargo in de wilde vaart, vertrokken zonder boe of ba en vier jaar weggebleven zonder dat zijn ouders wisten waar hij rondhing; die daarna een baantje vond, wellicht omdat hij Engels kende, bij de Britse legerbasis en op het stadsarchief van Turnhout en er de belezen en vriendelijke archivaris trachtte wijs te maken dat hij in Trondjem aan de universiteit had gestudeerd en dat hij tijdens zijn reizen in den Oost in drie weken tijds grondig Chinees had geleerd; die daarna weer verdween, een tijdje in Duitsland verbleef en dan plots uit Marseille per telefoon door het consulaat aan mij liet vragen of ik bereid was een spoorticket Méditerranée-Brussel voor hem te betalen. Ik had hem zo al eens uit Hamburg en uit Parijs helpen overkomen. Hij deelde daar het leven van de meest progressieve artistieke kringetjes te Antwerpen. Ik had eigelijk, toen de uitgever mij vroeg mijn avonturen op schrift te stellen, hem naar mijn jongste broer moeten verwijzen; die is tenminste een echt dichter, die poëzie tot zijn dagelijks, zij het voor ’t ogenblik nogal groezelig bestaan heeft gemaakt.”

Nadat Bert tot in de poësis op het klein seminarie van Hoogstraten had gezeten werd hij om allerlei redenen niet meer toegelaten tot de retorica.

Een van die redenen was waarschijnlijk het feit dat mijn grootouders in 1932 noodgedwongen naar Turnhout verhuisden om het Vlaams Huis uit te baten. Boven het café was ook een kantoor van het syndicaat van de Frontpartij gevestigd. Noodgedwongen omdat ze hun bloeiende boomkwekerij zagen teloorgaan in de crisisjaren rond 1930.

Een andere reden was een ernstig herexamen van wiskunde waar hij niet in slaagde.

Hij kwam dan terecht in het St.-Jan Berchmanscollege te Mol waar hij als leraar engels Herman van Fraechem had (de latere uitgever van de Bladen voor de poëzie). Herman regisseerde ook het schooltoneel en daar speelde Bert ooit de rol van de oude grootmoeder in Radèske van Anton van de Velde. Radèske werd vertolkt door de toen twaalfjarige Bert Leysen, de latere (veel te jong gestorven) directeur van de Vlaamse Televisie.

Belangrijker voor Bert was de kennismaking met zijn nieuwe leraar Frans en Duits, Denijs Dille. Hierover zegt hij zelf:

“Om een idee te geven van Dille’s waarde als leraar volstaat het eigelijk even te vermelden waarmee we ons zoal bezig hielden in de les. Wat de omvang van het voorgeschreven programma was weet ik niet, maar als ik signaleer dat ik de namen van Cocteau, Apollinaire, Paul Valéry, François Mauriac, Claudel en welke nog uit de Franse letteren van het eerste derde van vorige eeuw, voor ’t eerst in de literatuurlessen van D. Dille heb horen vernoemen en dat wij in de les van Duits gedichten van Rilke en George lazen, dan hoeft daar, geloof ik, niet veel aan toegevoegd. Of de meeste leerlingen daarvan veel meedroegen weet ik niet, maar voor de besten onder hen is dit toch wel een basis geweest, meen ik, voor literaire belangstelling tijdens hun verder leven. Dille heb ik het eerste jaar dat ik hem kende wel als een uitzonderlijk en met zijn heftig karakter soms wat zonderling leraar meegemaakt, maar onze eigenlijke vriendschap en de wenken die hij me heeft gegeven en waarvoor ik hem nooit genoeg dankbaar kan zijn, zijn van latere datum, toe hij mij raad en bijstand heeft verstrekt op meer dan een gebied, maar nooit met een andere bedoeling dan om mij te helpen iets terecht te brengen van hetgeen hij aan mogelijkheden in mijn aanwezig giste. Toen dit enig resultaat opleverde heeft hij daarmee nooit opgeschept of hoog van de toren geblazen. Toen mijn eerste succes, dat misschien wel wat voorbarig was, openbaar werd, schreef hij me in alle eenvoud dat hij me nu niet verder brengen kon, omdat zijn invloed niet tot meer in staat was.”

Daar de toestand bij mijn grootouders verre van rooskleurig geworden was na het débâcle van de boomkwekerij was er van verder studeren na de humaniora geen sprake meer.

Bert kwam terecht in Antwerpen bij Delhaize Frères Le Lion op de hoek van de Anselmostraat en de Sanderusstraat waar hij als loopjongen 150 fr en kost en inwoon kreeg. Hoewel hij veel uren moest werken hij zich vrij voelde, er begon voor hem een nieuw leven. Hij verkende de stad langs alle kanten, maakte er zijn eerste literaire vrienden en schreef er zijn eerste verzen, nog sterk beïnvloed door Van Ostaijen en Apollinaire. In die periode begon hij te corresponderen met Denijs Dille die hem openhartig kritiek gaf op de verzen die hij hem voorlegde. Enkele ervan zijn terecht gekomen in zijn eerste bundel Germinal. Waaronder het mooie sonnet dat trouwens opgedragen is aan Denijs Dille.

Al de tranen, vergaard in ’t ogenbleek

der schemering, die ze weg zal wenen

over de handen en de moede benen

van het ziekelijk lichaam dat bezweek,

 

zullen de rozen wekken in de gaard

opdat ze een laatste maal nog mogen blinken

op deze trage tafel waar wij drinken

een tere wijn het vorig jaar vergaard.

 

Dan, als de tafel zal verlaten zijn

en enkel rozen en een weinig wijn

bleven van al hetgeen gij hadt verkozen,

 

gaat gij, -vol van een trage treurigheid,

aan deze tafel liggen en ge schreit

om wind die weent en het welken van rozen.

Bert was al redelijk vertrouwd met het werk van Baudelaire en Villon toen Denijs Dille hem aanraadde om Rimbaud te lezen. Op slag trof Bert hier een poëzie aan die verwantschap met zijn eigen wezen vertoonde. Hij zegt hierover zelf:

Sedert Rimbaud me te pakken had begon ik andere gedichten te maken d.w.z. een gedicht werd voor mij iets als een symfonie, waarvan ik het schema in mij meedroeg, zonder daarom iets anders te noteren dan hier en daar soms een paar verzen of woorden. Op een avond ben ik toen ineens beginnen door te werken aan iets wat werd bewogen door dezelfde innerlijke stuwing die ik in de eerste gedichten van de geniale knaap uit Charleville gewaar werd. Ik zette me aan het schrijven, schreef, kribbelde, schrapte, verbeterde en om 4u in de ochtend was het gedicht af. Ik zond het aan Denijs Dille. In zijn antwoord sprak deze zijn ver- en bewondering uit. Dat behoort tot de filière van bateau ivre scheef hij als slot. Door mijn broer liet ik mijn gedicht overtikken en ik stuurde het naar de redactie van Forum. Na enkele weken wachten werd ik ongeduldig omdat ik geen reactie ontving en ik schreef een kwade brief naar Marnix Gijsen. Ik kon die brief echter dezelfde avond niet meer posten omdat ik geen postzegel had en, o wonder, ’s ochtends was daar voor mij een omslag met drukproeven. Mijn boos epistel voor Gijsen werd natuurlijk onmiddellijk verscheurd. Veertien dagen nadien was ik ineens beroemd, want Walschap schreef een dithyrambe op mij in het weekblad, waarvan hij toen redactiesecretaris was. Een paar dagen later kwamen vrienden oud-klasgenoten mij opzoeken om mij te feliciteren”

Tijdens zijn legerdienst, hij zwaaide af in 1936, had hij voldoende gedichten kunnen schrijven om een bundel uit te geven. Herman van Fraechem die hij nog eens bezocht stelde hem voor om de uitgave te verzorgen. Het werd een zonderlinge editie want Staf Volders, de drukker uit Mol die door Van Fraechem aangezocht was, had nog nooit een boek of boekje gedrukt. Voor de luxe-uitgave werd papier gebruikt bestemd voor huwelijksaankondigingen. Alle boekjes, luxe of gewoon, kregen straffe nieten in de rug.

 

Bert stuurde onmiddellijk een exemplaar naar Marnix Gijsen die toen een wekelijkse kroniek van de poëzie schreef in De Standaard. Hij wijdde een bijzonder enthousiaste en lovende kritiek aan Germinal. Hij besloot zijn stuk in de krant met het citeren van “Het wit en wankel kind”.

Het wit en wankel kind

 

Het wit en wankel kind, weemoedig als de meeuwen,

verzeilt, verzinkt in slaap midden de bloemenzee,

wier vlokken vederschuim als kussen nedersneeuwen;

zijn kusbesneeuwde slaap wil met het water mee...

 

De wimpers, die zijn oog met schaduwen beschermen,

schuilen de schimmen weg, die nevelig en groot

aan de zeegroene kim van zijne dromen zwermen,

of sterven soms aan de boord van een gebroken boot.

 

Wanneer de warme mond, die hem zijn naam zal noemen,

de wimpervlinders wekt der ogen van het kind,

daalt zacht de stilte van hun vleugels op de bloemen,

die bloeien blauwbenauwd en ziek van avondwind.

 

Dan plukt het kind de bloem, die sterreblauwe geuren

giet op zijn gouden hoofd en op zijn wangenrood,

het drinkt de toverdrank der klanken en der kleuren

het weet noch wenst een woord het drinkt en droomt zich dood.

Het laatste lange gedicht uit Germinal getiteld “Arion” vormt reeds een aanloop naar zijn tweede bundel Orpheus gaat voorbij en andere gedichten. Die vangt aan met “Neftali” waarvan hier de eerste regels:

Beklaagt hem die, te klein op aarde neergekomen,

niet dragen kon de kroon zijn slapen voorbestemd...

wien, pleegkind door een paar van mensen aangenomen,

de zondoorlaaide vaart ten hemel werd geremd;

 

wie, aan zijn kinderlijk geluk te vroeg bedrogen,

niet weder binden kon de stukgetrokken draad

en, uitschot, door de spot gebraakt en uitgespogen,

als bedelkinderen schobt langs de levensstraat;

 

wien, zoals mij, de ziel tot aan de naad versleten,

verweet dat hij zijn schuld niet tijdig heeft geboet,

wie in de woning van zijn ruwverweerd geweten

de vuile vloeren en de muren schuren moet,

 

rust soms; een rein gevoel kan hem dan overstelpen

lijk zomerslaap een dier; een vrouwelijk gebaar

verwarmt hem lijk de buik der moeder weelge welpen;

hij weent en wordt weerom een knaap van vijftien jaar.

De verzen uit deze bundel waren geschreven in 1938 en 1939 terwijl hij ook werkte aan de vertaling van Baudelaires Les Fleurs du Mal.

De meeste gedichten uit Orpheus hadden iets te maken met zijn geestelijke en andere buitelingen uit die periode, zoals de dichter zelf zegt, ze vertellen daarover in hele en halve beeldspraak en er schemert ook door dat Decorte na iedere salto toch weer met beide voeten op de grond kwam.

Asinus is een ezels name

 

Vaak denkt gij: zal ik aan dit leven

de goede draai nog kunnen geven,

alsof ge uzelf geen raad meer vond:

het geeft de pap u in de mond.

 

Want leven, dat u dwingt te leven,

eist van op tijd katoen te geven,

zoals een trekos voort te gaan

en als ge valt weer op te staan.

 

Maar telkens hebt ge u flink bezopen

en zijt de drekput ingelopen;

nochtans: een ezel stoot zijn teen

slechts eenmaal aan dezelfde steen.

 

Hoe dikwijls naamt ge u voor/uw eigen

gemeenheid kort en klein te krijgen,

doch na een gaaf en goed begin

duwt ge alles weer de doofpot in.

In de zomer van 1937 werden Joz de Voght pastoor van Retie en Pater Emiel Fleerackers gehuldigd door de Kempische Schrijvers. Pater Fleerackers SJ is bij mijn generatie nog bekend van o.a. “Het ezelsbruggeske” dat we in de derde humaniora klas lazen in Zuid en Noord. Paterke Fleerackers kwam ook geregeld bij ons thuis in de Gasthuisstraat te Turnhout. In vaders bibliotheek stonden zijn boekjes met korte, raak getypeerde schetsen en historische verhaaltjes, waarvan sommige echte pareltjes zijn. Nu echter totaal vergeten. Ik zie deze kleine man nog van tram 42 stappen, gehuld in zijn lang priesterkleed met een grote zwarte gebreide sjaal om zijn schouders. Die sjaal hoorde volgens mijn broer bij het uniform van de Jezuïeten. Ik moet hem geloven want ook Jos van Laer SJ (Jeugdlinie -bijvoegsel bij De Linie) en Karel Schoeters SJ (schrijver van werken over de Orde), twee illustere kozijns van mijn vader, hadden zo’n kledingstuk.

Op dat bewuste banket was Bert Decorte aanwezig en werd door Emiel van Hemdonck voorgesteld aan Ward Schouteden (ambtenaar van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) en aan Lode Baekelmans die aanwezig was namens de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen. Beiden zorgden ervoor dat Decorte financieel werd geholpen want dat hele jaar bleef hij werkeloos bij zijn ouders wonen die toen naar de stille Mermansstraat verhuisd waren.

Hoewel hij tijdelijke opdrachten vervulde, had hij hier volop de tijd om te schrijven. Het werd dan ook een ongemeen vruchtbare periode. Terwijl hij vertalingen van Franse poëzie maakt, werkt hij ook door aan gedichten die uitdrukking geven aan een toestand van ontgoocheling en berusting, maar ook aan een bereidheid om met een rustiger aanpak opnieuw te beginnen. Het resultaat hiervan is de bundel Een stillere dag die gepubliceerd wordt in 1942 en waarvoor hij in 1946 de Staatsprijs ontvangt. Dat dit meer dan drie jaar na verschijnen gebeurt, vindt zijn oorzaak in de oorlog. Dat hij het geld van die prijs pas eind 1947 kreeg heeft dan weer andere redenen.

De bundel bevat vierentwintig sonnetten en vangt aan met:

Geen zomerweelde meer en geen geweld

van zon en zilver en azuren vuren,

nu nevelfulp over wegen en veld

waas blaast. Voorbij zijn de avonturen

 

van wispelturig, vurig minnespel.

De fakkelvlammen luwden tot flambeeuwen

die rouwen rond het lijk van de rebel

die Lente heet. Geluid van verre vogelschreeuwen

 

als uit verleden eeuwen. Plotseling,

alsof niet alle opstandigheid verging,

de trappeldraf van een paard in de dreven.

 

Alles ontverft, kwijnt weg en sterft;

om alle heuvels hangen in de herfst

gele guirlanden tussen dood en leven.

Voor mij vormen deze sonnetten een hoogtepunt in het werk van Bert Decorte, hoewel hij zelf daarover getuigt:

“In zijn geheel beschouwd schijnt mij deze bundel achteraf mijn zwakste toe, want de meest literaire... Na zijn verschijnen, alhoewel de kritiek over ’t algemeen zeer gunstig was, zag ik ook wel in dat ik in aanleg niet iemand was om verder in stillere dagen te leven en te dichten.”

Een van de bekendste verzen, ook mijn liefste sonnet is:

Ik ben geworden als het winterbleek,

de witte, gans met ijslaag overwelfde,

geheel gedempte – en toch is zij dezelfde

die levensader in het landschap leek

 

bij lentedag. Nu ligt het lijf, dat vrij

en vrolijk buitelde doorheen de weiden

of aan een vlakland zich in vijvers vlijde,

goed ingedekt onder de blanke sprei.

 

Maar ergens aan een bocht, waar het verval

wat groter is, waar ’t ijs niet heel en al

de bedding dekt en nog het water huivert,

 

hoort hij, die hare lente heeft bemind

en blij was om de weelde van dit kind,

het oud geluid verinnigd en gezuiverd.

In die Turnhoutse periode kwam Bert tijdens de weekends vaak helpen bij mijn ouders, die pas getrouwd waren (1937) en een patisserie hadden geopend in de Gasthuisstraat. Hierop alludeert hij in de poëtische opdracht die hij in één van zijn latere bundels schreef voor mijn ouders.

Aan Rik en Nieke

 

In jullie boekje wil ik graag wat schrijven

maar nooit, helaas, kwam het ervan,

doch ‘k wil niet langer in gebreke blijven,

en doe het nu zo goed ik ook maar kan,

op maat en rijm, lijk het een dichtend man

heel ’t jaar zou doen, zo hij dan geld verdiende.

Nu dicht hij voor de grap, bij glas en kan,

want niets gaat boven goede en gulle vrienden.

 

Waar is de tijd dat wij, drie jonge mensen,

samen begonnen een konditorei

en dat wij wat een fijntong maar kan wensen

aan teer gebak en zoete snuisterij,

choux de Paris, roomtaartjes en pastei,

toverden uit de deeg die daarvoor diende.

s Levens geluk is een Colombusei:

niets gaat er boven goede en gulle vrienden.

 

Alles gaat vlug, kindren zijn gauw gebakken,

maar niet zo gauw volledig afgewerkt,

t leven zit ons aanhoudend op de hakken,

en er is veel te doen dat men niet merkt.

Goed dat wij dikwijls wat werden gesterkt

door een warm woord, als de verdrieten grienden

in ons gemoed, die vogel zwak-gevlerkt.

Want niets gaat boven goede en gulle vrienden.

 

Prins Worstenbrood, Prinsesje Marsepijn,

een glas bij vrienden maakt mij helderziende!

Zingt mee “Waar kunnen wij nog beter zijn,”

want niets gaat boven goede en gulle vrienden.

De twee volgende bundels Refreinen en Aards gebedenboek zijn in zekere zin een terugkeer naar Germinal maar op een meer nuchtere wijze verwoord.

Ik zou hier ook nog kunnen uitweiden over de kunstenaars die hij in die jaren leerde kennen, maar dat zou ons te vér leiden. Eén ervan wil ik toch even vernoemen namelijk Herman Diels, die lesgaf aan de Turnhoutse tekenschool en één van zijn beste vrienden werd. Diels heeft Bert drie maal geportretteerd en vooral het schilderij met de gele T-shirt hangt al jaren op dezelfde plaats en is voor mij een fundamenteel onderdeel van het huis te Strijtem. En nu het onderwerp toch ter sprake komt nog deze anekdote:

Berts vrouw Delphine wilde graag een portret van Bert geschilderd door Felix de Boeck. Ze brachten daartoe een bezoek aan de schilder en op de vraag van Delphine “Mijnheer De Boeck, wij willen dat u een portret schildert van Bert antwoordde Felix: “Madammeke, gij hebt hier niks te willen”

Na enkele uren over en weer gepraat was hij dan toch bereid om het schilderij te maken. Het werd één van de indringendste portretten ooit van Bert gemaakt.

Hoe is Bert dan op het Ministerie terechtgekomen? Tijdens zijn correspondentie met Marnix Gijsen over een extra nummer van Dietsche Warande & Belfort waarin enkele lange gedichten van hem zouden opgenomen worden, informeerde hij Gijsen terloops over zijn penibele financiële toestand. Hij vertelde hem ook dat hij had deelgenomen aan een examen maar daarvan niets meer gehoord had. Marnix Gijsen nam de zaak ter harte en vernam van Firmin van Hecke dat Bert geslaagd was. Zes weken later (in de laatste dagen van 1937) belandde hij in het Octrooienkantoor, een dienst van Economische Zaken. Het familiepension op de Rogierlaan waar hij een onderkomen vond in “une chambre garnie avec ou sans pension” bij Madame Ledresseur en haar dochters Mimi (die er de pak zwaaide) en Jeanne moest niet onderdoen voor Villa des Roses. Het was bevolkt door een bont allegaartje: Belà Bohak, een Hongaars artiest die elke week voor het filmblad Hebdo een “star” tekende voor de voorpagina, en een landgenote van hem Ilona Cvek, een Rus Pawel, die gebrekkig Frans sprak, twee Turnhouters die de weg naar de Rijksadministratie hadden gevonden, en het Kempisch team werd nog vergroot met Raymond van den Brandt, een kozijn van mijn vader, die later de schelmenroman Ik, Jan Crabbe publiceerde en koos voor een avontuurlijk leven in Afrika.

Ook broer Marc kwam zich vestigen in huize Mimi en vond al snel werk in het typen van adressen voor publiciteit. Daar hij razendsnel kon typen - hij was jarenlang Belgisch kampioen in de wedstrijden georganiseerd door Remington - kon hij hiervan een winstgevend beroep maken. In Brussel leerde Bert Delphine Debacker kennen die ook op het Ministerie werkte en door haar, die 1942 zijn vrouw werd, leerde hij Hubert van Herreweghe kennen die een vriend voor het leven werd. Tijdens de oorlog woonde het jonge koppel in bij Berts schoonvader en zijn ongetrouwde dochter Maria. Daar kwamen wij op een mooie zomerdag in 1947 aan.

Ik zie nog hoe wij om beurten de zware bruine valies meesleepten. Eerst ging het met de tram naar Antwerpen en vandaar met de trein naar Brussel. In Brussel moesten we een taxi nemen naar de Halle-poort en dan de tram op richting Ninove met halte te Strijtem.

En daar lag het aards paradijs, het pittoreske dorpje Strijtem in het plooien van het idyllische Payottenland. Ik herinner mij nog mijn verbijstering over het feit dat de gevierde dichter daar op klompen rondliep (iets wat hij nog steeds doet) en mijn verwondering over Louis, de broer van Delphine, die fruitkweker, maar ook burgemeester was. In mijn kinderlijke visie was een burgemeester iemand als nonkel Fons, een oom van mijn vader (en burgervader van Turnhout), de vader van Jef van Hoeck (van Voorlopig Vonnis en directeur van het tijdschrift Kunst & Cultuur) en van Bert van Hoeck, die rechter in Congo was en indringende verhalen hierover schreef.

Nonkel Fons was een statige heer die ontzag inboezemde en dat beeld kon ik niet rijmen met Louis De Backer. En dan was er nog dat rare dialect dat Bert zich heel snel eigen had gemaakt!

In zijn inleiding tot zijn Verzameld werk schrijft Bert Decorte: “Na Aards Gebedenboek ben ik opgehouden met schrijven, omdat mijn programma mij als afgewerkt voorkwam.”

Toch heeft hij nog zeer veel geschreven en gepubliceerd; heel wat dichtwerk in vertaling, vooral Franse dichters. Bewerkingen van Japanse poëzie: Geishaliedjes-Japanse motieven, De mooie ontrouw, vertalingen van wereldpoëzie; Gedicht en omgedicht, poëzie door Vlamingen vertaald; Een lied der Blijdschap en andere refreinen-De nieuwe rederijkerij, hierin een aantal “opdrachtelijke refreinen” zoals hij ze zelf noemt; Kwatrijnen voor heel het jaar, 365 kwatrijnen waarvan er een aantal in tijdschriften verschenen.

Och mensenlief! Het is niet te vertellen

wat kwalen soms de brave dichter kwellen.

Gelukkiglijk bezorgt al wat hem deert

hem prima rijmstof voor zijn ulevellen.

 

Het duurt geruime tijd eer we beseffen

dat we altijd pogen onszelf te overtreffen.

Zo gaat het verder door tot op ’t moment

dat het zwaar wordt om nog wat voort te sleffen.

 

Ik ben op verre na niet meer zo dartel

als indertijd, maar ja, zolang ik spartel

of poog te spartelen, is het niet van doen

dat ik omtrent dit punt mijn hersens martel.

 

Vrienden, indien het mij mocht overkomen

dat ik wat onvoorziens wordt weggenomen

uit uw gezelschap, denkt dan tot besluit:

t is de vervulling van een van zijn dromen.

Deze kwatrijnen werden uitgegeven bij De Vries & Brouwers ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van de dichter. En ten slotte Kop of letter waarin ook het refrein voor de vijftigste verjaardag van Frank-Ivo van Damme (1982)

Je naam, beste behuwdneef Frank

(genoemd ook Frank-Ivo van Damme),

doet, nu je al vijftig jaar ’t gejank

van ’t mensdom mee poogt in te dammen,

in mij het kniedichtvuur ontvlammen,

want graag richt ik op rijm mijn dank

tot wie, ter heling van de schrammen,

aanvaardt des levens kruidendrank.

 

Jawel, al loopt de schepping mank,

wat zit er op dan maar de tamme

remedies, die er tegen ’t krank

bestel bestaan, steeds zonder brammen,

weer aan te wenden om de stammen,

waar nog wat goeds in steekt, met klank

te stutten en niet te verlammen,

aanvaardend ’s levens kruidendrank.

 

ga op die weg maar voort en tank

op tijd bij om niet te verstrammen;

teken en schets, bewerk de plank

met kervingen en met inhammen;

laat je door ’t leven niet vergrammen;

blijf, schepen van je eigen bank,

uit baard en haar je luizen kammen,

aanvaardend ’s levens kruidendrank.

Frank, zet je tweede halve eeuw vrank

en vrij in, al moet je soms drammen:

(ik hou intussen op met zwammen)

drink verder ’s levens kruidendrank!

 

24.11.1982

De vele refreinen die Bert Decorte schreef voor talrijke vrienden zijn geen grote literatuur maar, zoals José de Ceulaer ooit in een interview opmerkte, “bewijzen van het grote gemak waarmee Bert Decorte de taal hanteert en schijnbaar moeiteloos deze verzen tevoorschijn tovert.”

Bert Decorte heeft ook een uitgebreide briefwisseling gevoerd met tijdgenoten kunstenaars allerhande. En zijn correspondentie met Denijs Dille omvat vele honderden brieven. Hieraan zal het AMVC-Letterhuis later nog een vette kluif hebben.

Dat later schijnt zich nog niet aan te kondigen want toen we hem onlangs bezochten liep hij nog altijd vrolijk rond op zijn klompen. Zijn conversatie is nog even spits en relativerend als steeds, hij woont nog immer in zijn groot huis met zijn boeken, zijn herinneringen, zijn uitzicht op de boomgaarden in de glooiende heuvels van het Breugel-landschap.

Joke VAN DEN BRANDT

Partager cet article
Repost0
12 octobre 2009 1 12 /10 /octobre /2009 19:38

Het Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs heeft vorig jaar de traditie ingezet om jaarlijks een masterclass te organiseren over een literaire bouwsteen. De masterclass wordt georganiseerd in samenwerking met het Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden (ISLN, Universiteit Antwerpen) en wordt gesponsord door De Diamanten Kogel.

Dit jaar handelt de gerenommeerde Britse misdaadschrijver, biograaf en royalty watcher Tim Heald over

Criminal characters: good guys, bad guys and the grey guys in between.

In het eerste deel van zijn masterclass, dat een uur zal duren, put hij uit eigen schrijfervaring en voert drie van zijn vaste personages op: Simon Bognor, Dr. Tudor Cornwall en Fiennes van The Yard. Na een korte pauze bestudeert hij een selectie personages van Sherlock Holmes tot Guido Brunetti, onder andere Campion, Alleyn, Wexford, Zen, Warshinsky. Na de masterclass is er mogelijkheid tot vragen.

Tim Heald (1944), studeerde in Baillol College, Oxford en haalde een MA in Moderne geschiedenis. Hij publiceerde meer dan dertig boeken en schreef geregeld voor Punch, The Sunday Times, Daily Express, The Times en The Daily Telegraph. Hij is lid van het eerbiedwaardige MCC (Marylebone Cricket Club, 1787).

Wie alvast kennis wil maken met Tim Healds stilistisch vermogen en zijn fijne maar niet minder bijtende spot, raadplege zijn blog over royalty:

http://blogs.telegraph.co.uk/expat/author/timheald/.

I have only once combined crime with royalty in a work of fiction. This was a novel called Caroline R which was first published by Arbor House, the American publishers established in 1969, by Don Fine. The book was subsequently published here by Hutchinson under the pseudonym, David Lancaster, and was serialised in a popular newspaper. It concerned the heir to the British throne, a man bearing a definite resemblance to the Prince of Wales. He marries an American girl called Caroline who bears two sons but the marriage goes off the rails.

Shortly after my book was published the real Prince of Wales married Diana and people stopped talking about my novel, which was widely regarded as being in rather poor taste. (I disagree and still do.) In the British version of my book the Princess was assassinated by the secret service though in the States she was allowed to survive and given a new identity.

People persist in saying that real life is stranger than fiction. They sometimes seem to me to be unnervingly similar.”

 

Masterclass Tim Heald

wanneer
woensdag 14 oktober 2009, van 20:00 tot 22:40 uur

waar
Universiteit Antwerpen, Hof van Liere, Prinsstraat 13, 2000 Antwerpen

prijs
€ 5 ( leden van het Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs, studenten: gratis)

inschrijven en info



Partager cet article
Repost0
12 octobre 2009 1 12 /10 /octobre /2009 07:40


We schreven 1962 toen de poëzie van Hans Magnus Enzensberger mij in Nederlandse vertaling ('Schuim') geopenbaard werd door het onovertroffen tijdschrift Randstad. Van 1965 af las ik zijn zo sobere maar epoque makende tijdschrift Kursbuch. Nadien volgde ik op de voet de messcherpe analyses van de essayist Enzensberger.

René Smeets spreekt in Revolver terecht van

Een stem met gezag. Een pen die respect afdwingt. Een stijl die bekoort. Een immers bruisende bron van intellectueel genot.

Het gaat echter niet om kalligrafie, om een bekoorlijke stijl of om intellectueel genot, wel om nuchtere analyses. Wat blijft er over van de in bekoorlijke stijl en met intellectuele wellust geschreven en gelezen essays van de Franse “nouveaux philosophes”? In de meeste gevallen: blubber.

Wanneer je uit nostalgie maar met passende afstand de moeite neemt nog eens te gaan grasduinen in de lopende meters boeken die zwierig bijeengeschreven werden door bijv. essayisten als Michel Butor, Régis Debray, Bernard-Henri Lévy e tutti quanti dan stel je vast dat de bekoorlijkheid en de fioritures van de schriftuur het soms of zelfs vaak nog altijd doet, maar daar blijft het bij. Wanneer je een (ogenschijnlijk tijdgebonden) opstel van Enzensberger leest, dan beleef je nog de eerste morgen. Dat is ook het geval bij het herlezen van Jean Améry of Herbert Marcuse, maar zelden met de magistrale uiteenzettingen van Adorno of Habermas, laat staan met de neo-scholastieke discours van de pauzen van het postmodernisme.

*

Dit alles tussen haakjes, gewoon om te benadrukken hoeveel “intellectueel genot” ik mocht ervaren bij de lezing van de jongste aflevering van Revolver.

René Smeets stelde de focus op Enzensberger samen: gedichten, een essay over schrijvers in het algemeen en dichters in het bijzonder, een dialoog, eigenlijk een essay in theatrale vorm, en een voor de goede en vooral erudiete lezer een verrassende en bij wijlen hilarische toneeltekst over Goethe, tevens (Thomas Mann achterna) een ironische kritiek op het verkeerde begrip van het Duitse Bildungsdenken.

*

De lezers van Revolver krijgen er nog drie bijzonder lezenswaardige essays bij. Joris Note breekt impliciet een lans voor een verhelderende, namelijk politieke, gecontextualiseerde lezing van Gorter; Georges Wildemeersch wijst overtuigend op de invloed van het surrealisme op Hugo Claus; en Charl-Pierre Naudé behandelt speels maar niet minder overtuigend zijn elektronische briefwisseling met Breyten Breytenbach.

*

Samen met die 143ste aflevering brengt uitgever Gerd Segers echter een droeve mare. Met “pijn in het hart” heeft hij besloten de uitgave van Revolver vanaf 2010, na 42 jaar werking, stop te zetten. Ik laat hem hier aan het woord.

Als gevolg van een wet van 16 juli 2008 geldt er voor auteursrechten een nieuwe fiscale regeling die ingrijpend belastend is voor een door een kleine vzw uitgegeven tijdschrift.

De vzw Revolver […] is nu 'werkgever' geworden. Zij wordt belast met de verplichte broninning van een roerende voorheffing op de auteursrechten, het berekenen ervan en het overmaken van een gedetailleerde aangifte aan het Ontvangkantoor der Directe Belastingen. Een hele extra-administratieve rompslomp. De vzw doet zo in feite werk dat de belastingsdiensten in het verleden zelf deden.

De in België gedomicilieerde auteur moet niet langer auteursrechten op de belastingsaangifte vermelden en komt goed weg. Niet goed vergaat het de in het buitenland gevestigde auteur (Belg, Nederlander, e.a.). Die wordt verplicht een kafkaiaanse procedure met de eigen belastingsdienst op te starten om de auteursrechten te kunnen ontvangen. De door het tijdschrift Revolver steeds beoogde gelijke behandeling van Vlaamse en Nederlandse schrijvers wordt door de nieuwe auteurswet geschonden. Dit is onaanvaardbaar.

De almaar toenemende administratieve taken en de daaruit voortvloeiende groeiende verantwoordelijkheden zijn te zwaarwegend voor onze vzw geworden. Ze zetten duidelijk een verstikkende domper op het redactionele, op de 'echte' missie van Revolver: het uitgeven van een degelijk literair tijdschrift.

De beslissing van Gerd Segers illustreert nogmaals ten volle hoezeer de zogenaamde professionalisering de literaire sector genadeloos fnuikt. Literaire tijdschriften verdwijnen een na een. Niet uit gebrek aan belangstelling, neen, louter als gevolg van gecumuleerde, elkaar overlappende domme beslissingen die zonder enige dossier- of terreinkennis getroffen worden.

Henri-Floris JESPERS

Partager cet article
Repost0
12 octobre 2009 1 12 /10 /octobre /2009 07:33

Na Paul de Vree was het wachten tot 1987 alvorens de visuele poëzie (in brede zin) in Vlaanderen opnieuw een gedreven gangmaker vond, nl. Luc Fierens.


Luc Fierens: Boom

In april 2008 werd werk van Fierens in Rovereto getoond naar aanleiding van de voorstelling van het tijdschrift ApARTe. Dat gebeurde in het Mart (Museo di Arte Moderna e Contemporanea di Trento e Rovereto), waar de zonder meer verbluffende tentoonstelling plaatsgevonden had 'La parola nell'arte. Ricerche d'avanguardia nel '900. Dal futurismo a oggi attraverso le collezioni del Mart'. (1)

Van meet af aan heeft Fierens zijn tijdschrift (Parallel) en zijn publicaties (Postfluxpostbooklets) breed weten te verspreiden, net zoals destijds Theo van Doesburg en H.N. Werkman vaak via ruilabonnementen. Mede daardoor was hij goed ingelicht over de evoluties in de parallelle wereld van visuele disciplines, werd hij geïntroduceerd in het universele, maar niet geïnstitutionaliseerde Eternal Mail Art Network en kon hij als practicus en organisator ook een rol spelen, zoals zijn deelname aan vele internationale tentoonstellingen en evenementen bewijst. (2)

In eigen land werd werk van hem geëxposeerd bij de Verbeke Foundation te Kemzeke en opgenomen in de rondreizende expo 'Jeux de mots, jeux d'images' (Musée Ianchelevici te La Louvière en Sint-Felixpakhuis te Antwerpen).

*

Luc Fierens (°1961) debuteerde met lyrische gedichten en stichtte in 1982 het “tweemaandelijks kreatief tijdschrift” Parallel. Van 1982 tot in 1987 publiceerde hij gedichten in de tijdschriften Appel, Initiatief, De Windroos, Gist en Weirdo's. Tegelijkertijd experimenteerde hij met de interactie tussen gedicht en tekening en legde hij zich toe op collages. Hij verspreidde Lotta poetica in België en werd aldus geconfronteerd met het werk van De Vree, Sarenco, Cavellini, Ray Johnson e.a. Door het contact met het wereldwijde “Art-Mail netwerk” ging hij zich uiteindelijk toeleggen op visuele poëzie. Hij had zijn weg gevonden.

In 1987 ging de publicatie van start van zijn serie POSTFLUXPOSTbooklets, waarvan volledige sets bewaard worden, niet alleen in privécollecties over de gehele wereld, maar ook in op dat gebied toonaangevende openbare collecties en bibliotheken (R. & M. Sackner Archive; MoMa Library; Rare Books Collection, University of Buffalo en MaRT, Trento e Rovereto).

In 2002 organiseerde hij in Galerie C. de Vos te Aalst 'Visual Poetry', een internationale mail-art tentoonstelling waar driehonderd deelnemers uit veertig landen aan deelnamen, waar hij ook werk toonde van pioniers als Carlo Belloli (1922-2003), Julien Blaine (°1942), Guillermo Deisler (1940-1995), Sarenco, Paul de Vree en Emmett Williams (1925-2007).

*

Niet alleen als animator en organisator staat Fierens vandaag aan de spits van de strijdvaardige avant-garde. Het gaat hem immers om relevante communicatie, niet om 'kunst' of om een zoveelste recupereerbare esthetica, zoals terecht aangestipt door Jan de Vree:

Zo bekeken staat voor Luc Fierens niet de materialisatie van kunst tot artefact centraal, maar het leggen van contacten, het uitbouwen van een netwerk, het proces van uitwisselingen: acties met een sociale relevantie. Bijgevolg bestaat de artistieke arbeid van Fierens uit het kritisch ingrijpen in het door de massamedia bepaalde tijdsbeeld, en de structuur, de functie en de manipulatie van diezelfde massamedia ironisch te becommentariëren en waar nodig te ontmaskeren. Uiteindelijk schuilt achter dit idee de hoop dat kunst de maatschappij zou kunnen veranderen. In de vormelijke verwezenlijking schtaplichtig aan het Dadaïsme en het Surrealisme, inhoudelijk verwant aan de visuele poëzie, ideologisch aansluitend bij Fluxus, punk & underground, schakelt hij zich daarbij helemaal in de traditie van de internationale avant-garde in. (3)

In die zin bestendigt Luc Fierens met vernieuw(en)de middelen het engagement van Paul de Vree, Sarenco en Lotta Poetica.

HFJ

Paul de Vree

(1) (Cat.), La parola nell'arte, Genève/Milano, Skira, 2009, 749 p., 80 €

(2) Renaat RAMON, 'De parallellen van Mr. Luce – Luc Fierens, Bellezza Pericolosa en de visuele poëzie', in: Kluger Hans, nr. 1, maart 2009. http://klugerhans.web-log.nl/weblog/2009/03/de-parallellen.html

(3) Jan DE VREE, 'Streams of messages, streams of sciousness', in: Luc Fierens – visual writing re-connected, 2006, p. 8.

Zie: Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, nr. 104, 27ste jg., nr. 3, herfst 2009 104: Van 'poesia visiva' tot 'poesia totale'. Kritische bijdragen van Henri-Floris Jespers & Luc Fierens.

Anthologie: Pierre Garnier en Seiichi Nikuni, Henri Chopin, Ivo Vroom, Pierre-Albert Birot, Frans Vanderlinde, Hans Clavin, Paul Neuhuys, Luciano Ori, J. F. Bory, Paul de Vree, Clemento Padin, Julian Blaine, Lucia Marcucci, Alain Arias-Misson, Peter Spence, Keischi Nakamura, Niko Vassilakis, Geof Huth, David Baptiste Chirot, Calleja, John Al Bennett, Andrew Topel, Giovanni Fontana, Mike Basinski, Altemus, Lamberto Pignotti, Spatola, Sarenco, Gino Gini, Carla Bertola, Eugenio Miccini.

www.gierik-nvt.be

gierik.nvt@hotmail.com

Partager cet article
Repost0
9 octobre 2009 5 09 /10 /octobre /2009 02:37


Het herfstnummer van Gierik & NVT focust op de concrete, sonore en visuele poëzie. De redactie van het tijdschrift onderstreept dat het om een poëtische vorm gaat

die door 'gevestigde' (moeten we zeggen vastgeroeste?) literaire commentatoren en geschiedschrijvers vrijwel altijd met een bemoedigend schouderophalen wordt onthaald. 'Ach, onschuldige Spielerei', lijken deze gemummificeerde smaakmakers vergoeilijkend te poneren. Dat bij deze niet orthodoxe poëzievormen heel wat durf, creativiteit, verzet, vernieuwingsdrang, avant-garde en originaliteit, ja soms humor aan de basis liggen, ontgaat velen zoniet de meesten. […] De beeldenanthologie die dit thema opsmukt en vervolledigt zal heel wat ogen doen opensperren.

De inleidende tekst werd geschreven door Jespers & Fierens, waarna de eerste terugblikt (ook aan de hand van onuitgegeven teksten) op de jaren zestig van vorige eeuw, terwijl de tweede de evolutie van ruwweg 1980 tot heden voor zijn rekening neemt.

*

Vermeldden we in dezelfde aflevering een indringend essay van Lukas de Vos over Hugo Raes en beklijvende teksten van Wim Meewis.

*

Om geheel onbegrijpelijke en alleszins ongegronde en zonder meer onaanvaardbare redenen wordt Gierik & NVT niet langer gesteund door het Vlaams Fonds voor de Letteren.

*

We zullen over dit alles hier uitvoeriger op ingaan.

HFJ

Partager cet article
Repost0
28 septembre 2009 1 28 /09 /septembre /2009 15:15

Tijdens een academische zitting in het restaurant ‘Kasteel van Laarne’ werd zondag 27 september de laureaat van de eerste poëzieprijs Melopee – gemeente Laarne bekendgemaakt. Het gedicht ‘Onvoorbereid’ van de dichter Charles Ducal werd door de jury bekroond met een prijs van 2.500 €.

De poëzieprijs Melopee 2009 bekroont het meest beklijvende, oorspronkelijk Nederlandstalige gedicht dat in 2008 voor het eerst gepubliceerd werd in een van de geselecteerde Vlaamse literaire tijdschriften.

Charles Ducal, is in het dagelijkse leven beter gekend als Frans Dumortier. Hij is geboren in Huldenberg op 3 april 1952, studeerde Germaanse filologie in Leuven en was lang actief in de Marxistisch-Leninistische beweging en de Maoïstische AMADA. In 1987 debuteerde hij als dichter met Het huwelijk, twee jaar later volgde een andere dichtbundel, De hertog en ik. Die laatste bundel werd bekroond met de Prijs van de Vlaamse Gids en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Charles Ducal is leraar Nederlands in het Sint-Albertuscollege in Haasrode.

Ducal was onder de indruk van de short list van 21 gedichten en dit “maakt de prijs nog dat ietsje specialer”, vertelde hij achteraf.

*

Onvoorbereid

 

Als alles instort om dit onooglijk huis

is de kans groot dat wij, de aandacht afgeleid

door vegen, spatten, ogen op de ruit,

ons zullen moeten melden bij de tijd.

 

Het boek zegt: de stad wordt aan de gel gelijk,

de honden zullen van hun meesters eten,

het wordt zo heet dat alle vocht verdwijnt.

Het boek is oud, men zou dit kunnen weten,

 

maar men sterft makkelijker onvoorbereid.

 

Wij ook hebben gezwegen, druk bezig

met het peillood in de inkt

om van diep in ons de peilloosheid te meten

en niet te merken dat het stinkt.

*

Poëzie is niet het meest populaire thema in het gemeentelijke politiek bedrijf. En toch is poëzie, net als andere kunstvormen, één van die stille facetten die de culturele eigenheid van een volk vormen. Daarom investeert een kleinere gemeente als Laarne in een poëzieprijs die in Vlaanderen zijn gelijke niet kent.

De prijs sluit aan bij de visie om kunst en kunstenaars bij het publiek te brengen. Voor de volgende editie wordt onderzocht of bij de Melopee poëzieprijs ook een evenement rond poëzie voor een ruimer publiek kunnen organiseren om deze visie nog meer kracht bij te zetten.

 

Bloemlezing

Naar aanleiding van de prijsuitreiking is een bloemlezing uitgegeven met de 21 geselecteerde gedichten. De bundel is verkrijgbaar bij de cultuurdienst van Laarne en kost 10 €.



Voor meer informatie: cultuurdienst Laarne

Dorpsstraat 2, B – 9270 Laarne

Sofie Van Waes

+32 (9) 365 46 26 / jeugd.cultuur@laarne.be

www.melopeelaarne.be

Partager cet article
Repost0
25 septembre 2009 5 25 /09 /septembre /2009 18:38

Dag 2. Zondag 26 februari 1995

Vroeg in de voormiddag te voet naar het Vaticaan. In een stille straat, die nu nog verlatener is doordat het zondag is, hou ik een auto in de gaten waarvan de chauffeur zich vreemd gedraagt. Terwijl de motor blijft draaien laat hij een grote zwart-wit gevlekte Deense dog uit de wagen springen, doet de halsband van het dier af, slaat alle portieren dicht en rijdt dan weg terwijl de hond eerst verbaasd ronddrentelt en dan ten slotte toch maar achter de auto aan probeert te lopen. Wat een ellende, het zoveelste slachtoffer van een slechte baas. Wat zal hem in deze miljoenenstad, in dit dier-onvriendelijke land, overkomen?

Ik kan nu eindelijk de Sint-Pietersbasiliek eens heel rustig bekijken, tegen mijn eigen tempo en met in het achterhoofd enkele bijzondere details. Er is nog niet teveel volk. De Piëta is nog steeds wondermooi – een stenen beeld met een onvoorstelbaar sensuele geladenheid, net als de David in Firenze trouwens – al blijft het kogelvrije glas een hinderlijke scheiding vormen. Ik bekijk aandachtig de koepelpilaren met hun respectieve heiligen en relikwieën, zoek op de vloer nog maar eens de kathedraal van Antwerpen, en duik dan de crypte in die, zo constateer ik nu, eigenlijk behoorlijk mooi is opgevat. Vooral het schrijn van de pallia houdt mij even bezig. Na de crypte sta ik onverwacht plots weer buiten, maar in het winkeltje koop ik alvast Vaticaanse postzegels en verstuur mijn kaartjes. Terug de basiliek in, waarbij ik nu vooral de versiering van de vijfmaal twee deuren bestudeer. Ook de moderne basreliëfs op de bronzen deuren zijn erg mooi en verdienen beslist meer aandacht dan ze doorgaans van de meeste toeristen krijgen. Ik loop langsheen de belangrijkste pauselijke en andere grafmonumenten, kijk nog eens goed naar de stoel van Petrus en die van kerkvader Chrysostomus ernaast (de ene met een ‘gouden’ voet, de andere een gulden mond) én naar de gynaecologische versieringen op de sokkels van de zuilen van het baldakijn. Vreemd, heel vreemd, hoe dan ook.

Rond twaalf uur loopt het Sint-Pietersplein half vol, en dat betekent een massa volk. Ik blijf meeluisteren naar de actualiteitscommentaren van de paus, die aan het raam van zijn bureau verschijnt. Achter mij begint één groep pelgrims, voorzien van reusachtige spandoeken, luid te roepen en exuberant te gesticuleren. Ze proberen duidelijk de aandacht van de pontifex te trekken, maar ik vrees dat die toch wat te ver weg staat.

Middagmaal bij de paters, zoals afgesproken; de refter zit goed vol met vooral Franse, Engelse en Ierse paters maar er zijn nog andere nationaliteiten aanwezig. Ik zit aan tafel met twee Vlamingen en een Ghanese pater die in Rome een thesis over moraaltheologie aan het schrijven is. Een andere, erg jonge zwarte religieus bedient enkele tafels in dit hoekje van de refter. Als hij vlak naast mij een schotel vlees op de tafel deponeert, kijk ik even naar hem op en zeg hem gemeend “Merci beaucoup, mon père”. Waarop hij direct, haast achteloos maar duidelijk zonder enig greintje ironie riposteert: “Pas de quoi, monsieur, nous sommes habitués à vous servir.” Die zit. Met één korte zin wordt onze hele koloniale geschiedenis mij hier voor de voeten geworpen. Beduusd en verward probeer ik mijn aandacht weer op mijn tafelgenoten te richten. Gelukkig schenkt pater econoom een voortreffelijke wijn uit die hij zelf bij de wijnbouwer is gaan proeven en kopen, zodat ik mijn schuldgevoelens toch enigszins kan doorspoelen. Het eten is erg lekker; het feit dat ook bloemkool met witte saus wordt geserveerd verraadt de stevige Vlaamse aanwezigheid hier. Of is dat ondertussen internationale kost geworden?

Na het eten neemt mijn gastheer mij mee voor een bezoek aan het huis. We gaan eerst naar de kapel, die een niet zo gebruikelijke cirkelvorm heeft; ze vertoont byzantijnse invloeden maar blijkt voor het overige vrij sober. Daarna gaan we naar de crypte onder de kapel, waar erg interessante voorwerpen en documenten worden bewaard in verband met de geschiedenis van de orde. In eerste instantie zijn er heel wat herinneringen aan de stichter, kardinaal Lavigerie, maar ook aan bepaalde ordeleden en hun werk in Afrika, aan de pioniers (een drietal paters die in de 19de eeuw als eersten de Sahara introkken en vermoord werden door Toearegs), heel wat verwijzingen ook naar de martelaars van Oeganda uit de 19de eeuw: een tiental zwarte jongemannen die weigerden in te gaan op de wensen en bevelen van de toenmalige koning en op vaak beestachtige manier werden vermoord. Ik zie nu voor de eerste keer ook foto's van het Maison Carrée in Algiers, het moederhuis, dat onlangs door de Algerijnse Staat werd genationaliseerd en waar nu, als ik het me goed herinner, een school in gevestigd is. We bezoeken tevens het graf van ordestichter, dat overgebracht werd vanuit Algiers. Tegen de muur van diezelfde crypte hangen enkele grote witte marmeren platen waarop de namen van alle vermoorde paters gegraveerd staan. Ik word er stil van maar kan de omvang en de implicaties van al die tragedies moeilijk inschatten. Sommigen van deze missionarissen brachten zeer merkwaardige collecties tot stand, b.v. op het vlak van inheemse kunst of entomologie (in casu exotische vlinders). Een aantal van die collecties, waarvan in dit huis enkele fragmenten bewaard worden, blijken vandaag een grote wetenschappelijke waarde te hebben.

Nu naar het dak, waar we vanop een reusachtig terras een prachtig zicht hebben over de stad: Monte Mario, de Janicolo, villa Doria Pamphili. Bij goed weer moeten van hieruit ook de heuvels rond Frascati te zien zijn. De pater toont mij in een groot berghok een aantal watertanks die permanent gevuld blijven voor noodgevallen: het gebeurt wel meer dat de normale watertoevoer het laat afweten en dan kunnen de paters toch nog een tweetal dagen verder met deze voorraden. Typische voorzorgsmaatregelen van doorgewinterde avonturiers die hun hele leven in woestijnen en savannen hebben doorgebracht.

Daarna nog even langs zijn eigen kamer. De muren verraden zijn grote liefde voor ikonen; hij laat mij een tweetal zeer fraaie voorbeelden ervan zien. We drinken samen nog een kopje koffie en vertellen wat, over Vlaanderen, over Rome. Rond 16 u. neem ik afscheid en beloof nog eens binnen te springen voor ik vertrek. Ik begin aan mijn namiddagwandeling.

Te voet tot aan het Cavaleggeri-plein, dan een kronkelende straat op die de Aureliaanse muren volgt. Er lijkt geen eind aan die muren te komen, nergens is een doorgang naar de Janicolo. Ik moet tot aan de Porta San Pancrazio wandelen, en dan aan de andere kant van de muur de Viale Janicolense volgen helemaal terug tot aan Sant'Onofrio, een kerk die helaas opnieuw gesloten blijkt. Een Romein zegt me gerust aan te bellen – wat ik doe, maar niemand reageert. Ik keer terug naar de Piazza Garibaldi via de Faro en de eik van Tasso, een plaats die meteen ook herinnert aan Filippo Neri. De Romeinen zijn nu volop bezig aan hun zondagse passeggiata, de kinderen zijn opgetut tot en met. De panorama's over de stad zijn vanaf hier wondermooi, nog mooier misschien dan vanop de Pincio: een zee van daken, koepels en torens die ik met enige moeite met behulp van mijn plattegrond probeer te doorgronden. Op Piazza Garibaldi wordt poppenkast gespeeld, er staat een grote groep kinderen aandachtig te kijken samen met hun glunderende vaders.

Ik daal verder de Janicolo af richting Fontana Paola, die ondanks het grijze weer toch wel mooi blijkt te zijn – hoewel Egeraat beslist overdrijft wanneer hij deze fontein de mooiste van Rome noemt – en beland dan bij San Pietro in Montorio, kerk die ik gelukkig kan bezoeken evenals de Tempietto van Bramante op een aanpalend klein binnenpleintje. Montorio, Monte d’oro: het is al goud dat in deze stad de klok (-ken van Rome) slaat, dit keer zelfs een hele heuvel. Van het graf van Beatrice Cenci onder het hoofdaltaar vind ik geen tastbaar spoor. Maar eindelijk krijg ik dus fysiek contact met één van de eerste voorbeelden van renaissance-architectuur in Rome, het eerste werk van Bramante in deze stad trouwens. Ja, de proporties zijn perfect harmonisch, maar het tempeltje geeft in deze erg sombere en, naar het mij toeschijnt, ook ietwat verwaarloosde en ingeknelde omgeving toch een trieste en vervallen indruk, die nog versterkt wordt wanneer ik in het kleine kale interieur rondwandel. De renaissance verdient beslist beter.

Verder naar beneden nu, tot ik uiteindelijk aankom in het hart van Trastevere, aan Santa Maria. Het plein vóór de kerk heeft zoals vele jaren geleden nog steeds die plezierige en gastvrije, ongedwongen atmosfeer. Enkele kinderen zijn aan het voetballen, vele andere zijn uitbundig gecostumeerd voor carnaval, een groepje muzikanten maakt zich klaar voor een optreden en vele wijkbewoners zitten te kletsen, wandelen rond of houden de kinderen in het oog. Heerlijk gewoon, en het ruikt hier ook lekker naar de Romeinse keuken. Heb altijd gehouden van dit plein en de kerk, waarvan ik de campanile en de mozaïeken tegen de schuin oplopende gevel bewonder. Dan naar binnen in het indrukwekkende interieur. Langzaam komen de herinneringen aan de zuilen uit de Isistempel en aan de Fons Olei terug. Met de gidsen in de hand bestudeer ik grondig de mozaïeken in de absis; op de triomfboog inderdaad het merkwaardige symbool van het gekooide vogeltje. Twintig jaar geleden stond ik hier met Pitje ook, maar toen scheen buiten de zon ongenadig en waren we blij een koele kerk te kunnen binnengaan. Ik zoek tevergeefs naar de martelwerktuigen (van welke heilige ook alweer, waar heb ik dat in godsnaam toch gelezen?) en vind ze niet.

Aan de Piazza Sonnino kan ik niet weerstaan aan de drang om even de kerk daar, San Crisogono, binnen te wandelen. Niks speciaals, dunkt me (hoewel ook hier weer cosmatenwerk in de vloer) maar da's niet erg. Neem de bus naar Largo Argentina. Voor ik terugkeer naar de zusters duik ik toch nog Sant'Andrea del Valle binnen, met de tweede grootste koepel van Rome. Het is – niet verwonderlijk uiteraard – weer een typevoorbeeld van barok, maar deze kerk is wat mij betreft mooier, want lichter dan de Gesù.

Naar huis nu, vlug een douche en dan aan tafel. Morgen naar het Archivio. Hoe zal dat aflopen? Smakelijk en slaapwel, ook aan Pitje en de meisjes thuis, slechts twee uur vliegen van hier verwijderd maar uiteindelijk toch 1500 km ver. Tutto a posto a casa?

Luc PAY

(Volgende aflevering: “Vandaag de grote dag”)

 

Partager cet article
Repost0
23 septembre 2009 3 23 /09 /septembre /2009 20:31


Van Patrick Lateur verscheen bij Davidsfonds/Literair Kijken naar jou uit duizend ogen.
Afrodite en Eros, Venus en Amor: de liefde heeft vele gezichten. Volgens Hesiodos is de liefde 'de mooiste van alle onsterfelijke goden', 'de wrede moeder van zoete lust' voor Horatius en bij Sapfo een 'bitterzoet en onweerstaanbaar sluipdier'. In de verzen van Grieken en Romeinen wordt liefde zelden geassocieerd met rozengeur en maneschijn. Waar liefde is, is haat, bloed en dood, wellust en genot.
Uit de Griekse en Latijnse poëzie selecteerde Lateur ruim tachtig teksten: epische en lyrische verzen, fragmenten uit tragedies en komedies, didactische regels en epigrammen. Naast bekende namen als Homeros en Euripides, Catullus en Ovidius staan er minder bekende als Anyte, Sulpicia en Rufinos. Van de achtste eeuw vóór tot de zesde eeuw na Christus.

Illustraties: Gerda Dendooven

Garengenaaid met stofwikkel, 144 p.
ISBN 978 90 6306 593 5
NUR: 294 en 306
Prijs: 22,50 €

Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche