Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
23 septembre 2009 3 23 /09 /septembre /2009 19:15

De zoektocht naar de (een?) oplossing van het mysterie van Rennes-le-Château en zijn merkwaardige pastoor Bérenger Saunière voerde Luc Pay in 1995 naar de bibliotheek van het Vaticaan, of beter: naar het Archivio Segreto. Hij hield een Romeins dagboek bij dat al die jaren onuitgegeven bleef.

Het wordt hier tel quel in afleveringen gepubliceerd. Aan dit gedetailleerde document werd met het oog op deze exclusieve publicatie een epiloog toegevoegd...

*

 

Het mysterie rond Rennes-le-Château kwam in de Mededelingen van het CDR al ter sprake, ook zijdelings met betrekking tot Hubert Lampo. (nr. 75, 31 juli 2006, pp. 6-7.) Jan van Oostende bracht zijn reis anno 1984 naar Rennes-le-Château in herinnering (nr. 101, 17 september 2007, p. 12) en prof. em. Piet Tommissen wees op de 'keltomanie' van E.H. Jean-Jacques-Henri Boudet, pastoor van Rennes-les-Bains, die door de hype rond abbé Bérenger Saunière opnieuw in de belangstelling kwam (nr. 105, 20 november 2007, p. 17).


Klein Romeins dagboek (I)

Een queeste naar Bérenger Saunière in de Vaticaanse Archieven

(25 februari 1995 – 4 maart 1995)


Dag 1. Zaterdag 25 februari 1995

's Morgens vroeg met z'n vieren opgestaan en naar de luchthaven. Het is al vrij druk op de autosnelweg, ook op Zaventem. De kinderen zien er (nog) behoorlijk moe uit. Iets na zeven uur – we staan te wachten aan de grenscontrole – zeg ik hen alvast naar huis terug te keren; langer wachten heeft geen zin, over een uurtje vertrekt mijn vliegtuig. We nemen afscheid, ondanks mijn korte afwezigheid toch met een krop in de keel. Ik vermoed dat mijn bestemming – Rome – daar voor veel meer tussen zit dan ikzelf.

Waar ik nu ga kunnen ze mij echter niet volgen. Mijn zoektocht naar de (een?) oplossing van het mysterie van Rennes-le-Château en zijn merkwaardige pastoor Bérenger Saunière voert mij immers naar de bibliotheek van het Vaticaan, of beter: naar het Archivio Segreto – de naam alleen al doet mij huiveren en lijkt mij, in de context van mijn queeste, wel erg toepasselijk. Sinds mijn allereerste kennismaking met de zaak-Saunière heeft het mysterie rond deze priester, met zijn intrigerende vertakkingen naar al even fabuleuze (semi- of pseudo-) historische raadsels (Katharen, Tempeliers, Rozenkruisers, verborgen schatten, de genealogie van Christus, de Graallegendes, een Verloren Koning...), mij niet meer losgelaten. Baigent, Leigh en Lincoln staken enkele jaren geleden het vuur aan de lont; andere auteurs – onder wie Jos Bertaulet en Gérard de Sède – en vooral mijn bezoek, in 1991, aan de bron en het magische epicentrum van de legende zelf, Rennes-le-Château en het omliggende ‘pays des Cathares’, deden de vlammen van mijn nieuwsgierigheid hoog oplaaien. Eén bepaalde alinea uit De Sèdes Rennes-le-Château. Le dossier, les impostures, les phantasmes, les hypothèses (Laffont, 1988, p. 74) in het bijzonder is mij blijven achtervolgen:

Il n’y a donc guère de chances que nous sachions jamais pourquoi, contre toute attente, le Vatican donna raison à un humble curé de campagne et tort à un aristocratique prélat. Il fallait que les accusations de Mgr de Beauséjour fussent bien fragiles, ou que Bérenger Saunière eût des atouts maîtres pour faire prévaloir sa cause auprès du Saint-Siège.

De oplossing van het mysterie (of althans een ernstige aanwijzing in de goede richting ervan) moet dus ongetwijfeld nog steeds ergens verborgen zitten in de tot de verbeelding sprekende labyrinten van de Vaticaanse archieven. En dus kan die oplossing daar ook gevonden worden, dit keer wel degelijk ‘zwart op wit’: leesbaar, fotokopieerbaar, bewijsbaar, zonder pseudo-historische nonsens, zonder esoterische of occultistische hersenspinsels, los van avontuurlijke jongensdromen of literaire fantastiek – hoe aanstekelijk en fascinerend zulke verhalen op zich ook mogen zijn (en hopelijk ook mogen blijven).

Het toestel is nog maar net opgestegen of het komt terecht in enkele turbulenties zodat het flink door elkaar wordt geschud. Later verneem ik dat de vlucht van vorige zondag het nog erger te verduren kreeg, zodat het cabinepersoneel in de gang op de vloer moest gaan zitten en er zelfs enkele zieken aan boord waren. Eenmaal boven aangekomen hervindt het toestel zijn stabiliteit. Na zowat twee uur overvliegen we Rome, dat baadt in een stralende ochtendzon. Een grijze, stroperige Tiber kronkelt zich tussen de monumenten die vanop de geringe hoogte goed herkenbaar zijn: Sint-Pieter, het Pantheon, het gerechtsgebouw, piazza Navona, Sint-Jan-in-Lateranen. Alle passagiers proberen aan de juiste kant van het toestel een glimp op te vangen van het magistrale uitzicht over de stad. Ik heb zo lang uitgekeken naar deze reis, en daar zijn ze dan eindelijk: de koepels, de pleinen, de straten. Moet even slikken van de emotie, temeer daar de Italianen aan boord nu flink van zich laten horen. Siamo arrivati.

Op de kleine luchthaven van Ciampino is het erg rustig, ons toestel is het enige dat geland is; de bagage komt zeer snel op de band. In de hal houdt een rijzige man, een priester, de binnenstromende passagiers nauwlettend in de gaten. Hij ziet er erg Vlaams uit, of liever: niet zuiders. Zouden de paters mij toch komen afhalen, ondanks het feit dat pater C. mij vorige week kaartjes voor het openbaar vervoer toestuurde? Proberen maar. Hij blijkt wel degelijk een pater te zijn, is afkomstig van Gent en behoort inderdaad tot dezelfde orde als C., maar hij wacht op twee andere Romereizigers van dezelfde vlucht die in zijn ordehuis logeren. Wat een toeval! Natuurlijk mag ik mee met de auto naar het generalaat, ik logeer immers pal aan de overkant.

Een uurtje in de auto, o.m. over de raccordo. Een heksenketel, heerlijk. Onderweg zie ik de Via Appia Antica, resten van aquaducten; wegwijzers naar Ardeatina; we rijden voorbij Sint-Paulus-buiten-de-Muren (of beter: ter hoogte van, want de kerk ligt een flink eind hiervandaan en is dus niet eens te zien) en, vlakbij, de indrukwekkende hypermoderne gebouwen van de RAI die een kleine stad op zichzelf vormen. Buongiorno Roma, mi ricognosci?

Op het generalaat wordt ons kleine reisgezelschap ontvangen door pater C., de econoom, de man met wie ik correspondeerde in verband met mijn logies. Hij is zeer gastvrij en neemt ons mee naar de grote salon, de ontspanningsruimte; kopje koffie en koekje erbij. We vertellen wat over vorige reizen, de vlucht, over het leven in Afrika – want mijn medereizigers hebben er jarenlang gewoond, enzovoort. In het gezelschap van deze twee Vlaamse paters en de andere twee Vlaamse bezoekers is het niet moeilijk om je hier direct thuis te voelen, hoewel ik me toch wat onwennig voel: alle aanwezigen hier, uitgezonderd ikzelf, blijken doorgewinterde wereldreizigers. Centraal Afrika, India, Polen... het doet deugd om deze mensen reisherinneringen te horen ophalen.

Uiteindelijk brengt de pater mij naar het huis van de zusters aan de overkant, waar ik zal logeren. Het is een modern gebouw met een viertal verdiepingen, onopvallend temidden de gelijkaardige appartementsgebouwen in deze overigens rustige straat. Zoals bijna altijd hier in Italië moet eerst de cancello die op de straat uitgeeft van in het huis geopend worden, en daarna de eigenlijke voordeur. In het voortuintje staat een buste van de stichteres van de Spaanse orde waartoe deze zusters behoren. Die blijken allemaal even klein van gestalte en gaan volledig in het zwart gekleed; ze spreken gelukkig vlot Italiaans, taal waarmee ik mij toch een beetje kan behelpen. Binnen is de eerste indruk: erg stil en rustig, modern, kraaknet; de vloeren zijn volledig van travertijn, een pendule versterkt de huiselijk-intieme sfeer. Naar de kamer nu: erg ruim, twee bedden, een prachtige badkamer. Voortreffelijk! Pater C. neemt afscheid en nodigt mij meteen uit voor het middagmaal morgen in het generalaat. Valies(je) uitgepakt, papieren en documenten klaargelegd voor maandag, en onder de douche. En daarna de stad in voor een eerste wandeling, tijdens het weekeinde kan ik toch nog niet aan de slag in het archief.

Van bij de zusters wandel ik te voet de Via Aurelia af en volg de indrukwekkende massieve Vaticaanse muren. Je krijgt hier een totaal andere indruk dan wanneer je het Vaticaan nadert over de Via della Conciliazione: daar schrijd je langzaam, onweerstaanbaar meegezogen door de mensenzee, naar de navel van het christendom, aangetrokken door het indrukwekkende zicht op kerk en koepel, en ten slotte beland je, dankzij de perspectivische kneepjes van Bramante, Michelangelo en vooral Bernini, in de haast warme, fysieke omarming van de colonnade. Hier echter, langsheen de muren, krijg je het idee dat je door een versterkte middeleeuwse stad of burcht wordt buitengesloten en in de gaten gehouden. Wat een prachtig zicht toch weer, plotseling, op de basiliek en de koepel van Sint-Pieter; ik heb ze nog nooit van hieruit gezien. Verder via het Sint-Pietersplein en de Via della Conciliazione de Tiber over, de Corso op tot aan Largo Argentina. Pauze. Ik posteer mij tegen de reling met mijn gidsen en probeer opnieuw de verschillende republikeinse tempels te lokaliseren, te bestuderen. Nog steeds een poezenparadijs. Wandel even tot aan de Gesù, maar die is dicht. Op Argentina wacht ik op de bus, die mij naar de paters N. moet brengen.

Plotseling loeiende sirenes en gierende banden: gemotoriseerde polizia die de straten afzet en aan alle kanten een fluitjesconcert aanheft. Een zwarte mercedes met escorte rijdt statig de Corso af: de paus rijdt voorbij, ik herken hem zeer duidelijk; de voorbijgangers houden halt op het trottoir en roepen elkaar toe "Il Papa!"

De bus komt eraan, nagenoeg leeg. Twee haltes verder springen twee Romeinse pubertjes de bus op, ze maken veel lawaai en eentje begint op de wand te schrijven. Een oudere dame reageert onmiddellijk en begint beiden uit te schelden. Tot mijn verbazing antwoorden die kerels haar op een zeer brutale en arrogante manier; de ruzie loopt hoog op en verspreidt zich tot helemaal vooraan over de schaarse medereizigers. De chauffeur blijft onverstoorbaar en voert een niet-inmengingspolitiek. Zou het bij ons anders aflopen? Maar goed, hopelijk is pater A. thuis, ik heb mijn bezoek tenslotte niet vooraf aangemeld. Bovendien kom ik op een vrij delicaat moment: de siësta is net begonnen.

Pater B. komt mij in de wachtkamer begroeten. Nee, confrater A. is op dit moment niet thuis, maar als ik terugkom rond halfzeven zal ik hem wel aantreffen. Samen nog een sigaret gerookt en een babbel gedaan over het doel van mijn reis, over school, over M. en de andere kinderen van zijn familie. Ik neem afscheid en begin aan een lange wandeling die een grote lus zal vormen van de Aventijn via het Forum en het Capitool plus de Gesù terug naar het generalaat.

De Aventijn is nagenoeg uitgestorven, ik ontmoet haast geen wandelaars en er is bijna geen verkeer. Ik bezoek de Basilica dei Santi Bonifacio e Alessio, met als merkwaardige relikwie een groot fragment van een houten trap, volledig in een glazen schrijn gevat, waaronder Alessio leefde in het vaderlijke huis zonder herkend te worden. Het is de enige kerk van de Aventijn die open is. Dan maar voorbij Santa Prisca zonder het mithraeum nog eens te kunnen zien, naar het plein van de Maltezer Ridders: intiem ondanks de nogal protserige monumenten van Piranesi. Amerikanen staan doorheen het beroemde sleutelgat te filmen. Ik controleer het even: het zicht is nog altijd even mooi, hoewel het weer nu grijs is en het effect ietwat verloren gaat. Ook Santa Sabina gesloten. Op één van de van gras en bomen voorziene pleinen naast de kerk zet ik mij tussen de flanerende en rustende Romeinen, die genieten van hun passeggiata en het zaterdagse dolce far'niente. Sommigen zijn aan het lezen, ééntje is aan het stoeien met een zwarte hond die verdraaid goed op mijn eigen Fien lijkt, en er is blijkbaar ook net poppenkast gespeeld. Wat een prachtig zicht op de Tiber, en, schijnbaar niet zo ver weg, de koepel van Sint-Pieter. Langs die heerlijke Clivio beland ik ten slotte aan Santa Maria in Cosmedin. Veel Japanners hier, en iedereen moet natuurlijk per se zijn hand in de Bocca steken. Terwijl ik geamuseerd sta toe te kijken, wacht ik eigenlijk op het moment dat de versteende vlezige lippen van deze bron- of riviergod zich onherroepelijk aan één of andere toeristenhand vastklemmen. Enfin, waarom niet, wij hebben het vroeger ook gedaan. Wat een prachtig intiem kerkje toch, en die mooie campanile. De ronde tempel (Portunus of Hercules?) staat na twee jaar nog steeds in de steigers, de rechthoekige (Hercules of Portunus?) biedt een sombere, dreigende aanblik. Het Forum Boarium is volledig afgesloten, de boog van Janus helemaal ingepakt, San Giorgio in Velabro en de boog van de geldwisselaars blijven verborgen achter een enorme houten afsluiting. Jammer. Ook de andere kerken zijn allemaal gesloten: Sant'Omobone, San Giovanni Decollato (die ik speciaal genoteerd had en waar ik even naar heb lopen zoeken), en San Nicola in Carcere. Die laatste kerk is aan de buitenzijde erg interessant want je kan hier, beter dan waar ook in de stad denk ik, goed zien hoe ze tussen de antieke zuilen werd ingebouwd. Via het Forum Olitorium, Santa Maria della Consolazione (al Foro Romano), de Clivus Capitolinus en de Tarpeïsche rots bereik ik uiteindelijk het verbluffend mooie uitzichtspunt over het Forum. Moet mij opnieuw even oriënteren; blijkbaar worden de opgravingen hier permanent verder gezet, want ik heb iedere keer opnieuw de indruk dat het Forum, althans aan de kant van het Capitool, alweer een beetje groter is geworden. Overrompelend, altijd. Aan de rostra zie ik Cicero's hoofd hangen, ginder danst Caligula op het dak van de basilica; in de verte zijn enkele hoeren vanuit hun in het lover verscholen bordelen gehaast op weg naar de boog van Titus, en plots rijst een oorverdovend gejuich en getier op wanneer de consul verschijnt op zijn vierspan met in zijn kielzog strompelende, geketende barbaren (landgenoten, dappere Belgae?) en een circusstoet met leeuwen, tijgers, olifanten, beren en wolven. Het visioen verdwijnt, helaas. Mijn geliefde, mijn gedurende een kwarteeuw zo vertrouwde Forum, vergeef het me maar ik kom dit keer niet voor jou. Ik moet je verlaten zonder je te onderzoeken, zonder je aan te raken, zonder over je verleden en je bouwsels, je triomfen en je waanzin te lezen of te vertellen aan anderen. Met over mijn hele huid die vreemde tinteling, dat geheimzinnige gevoel van onze intieme, haast fysieke verbondenheid en in de overtuiging dat je hier bij mijn volgende bezoek nog éven voluptueus en stralend van onverschilligheid zal liggen, keer ik je dit keer resoluut mijn rug toe.

Op het Capitoolplein zet ik mij op één van de trappen en bekijk gedurende een goed half uur een grote en luidruchtige groep Romeinen, allen prachtig uitgedost, die deel uitmaken van een huwelijksstoet. Er wordt gekust, gelukwensen worden uitgewisseld, ze poseren op alle mogelijke manieren voor huwelijksfoto's met als achtergrond de monumentale beelden van de Dioscuren. Rome op z'n uitbundige, barokke best: groots, theatraal, bombastisch, luidruchtig.

Dan Santa Maria in Aracoeli binnen, een kerk waar ik verliefd op ben sinds mijn allereerste bezoek. Dat heeft alles te maken met de bambino en de aandoenlijke hoop post die kinderen van overal ter wereld naar dit beeldje schrijven. Vreemd, ik dacht dat de bambino gestolen was, zou dit dan een kopie zijn? De stapels brieven liggen er alleszins. Het baldakijntje met daaronder het altaar van Augustus goed bekeken, ook het plafond met de Lepanto-versiering en de zuil uit het slaapvertrek van de keizers. Ik zou hier nog langer kunnen vertoeven, maar het wordt tijd om opnieuw pater A. op te zoeken. Toch nog even vlug naar de Gesù, die nu beslist open moet zijn. Inderdaad, maar wat een somber interieur; bovendien is het plafond van het middenschip volledig bedekt wegens restauratiewerken. Deze kerk is té overdadig barok, vooral de vergulde cannelures van de pilaren storen me echt. Wellicht door de duisternis van deze late, grijze namiddag én door de uiterst spaarzame verlichting geeft deze kerk mij de indruk wanhopig te pogen verguld en triomfantelijk te zijn. Waar ze, mijns inziens, duidelijk niet in slaagt.

Vlug terug met de bus nu. Ontzettend druk aan de Largo Argentina, ik word opgezogen in de massa. Niemand bekijkt mij keurend of argwanend zoals meestal het lot is van onbeholpen of onbehouwen, kleurrijke – of nog erger: halfnaakte – toeristen. Da's goed zo, ik begin me hier thuis te voelen. Het openbaar vervoer in Rome is een droom: enkele minuten wachten en hop, tegen een serieuze snelheid de stad door. Waarom kan dat niet bij ons?

Pater A. komt me begroeten en neemt me onmiddellijk mee naar zijn kamer. We schudden elkaar lang de hand, het is een hartelijke eerste kennismaking na die enkele brieven, faxen en een telefoongesprek. Hij is ongeveer even groot als ik, nogal gezet, en spreekt bedachtzaam een prachtig Frans met een onmiskenbaar Provençaals accent. Heerlijk, temeer daar hij de conversatie vaak doorspekt met subtiele ironie. Een zeer intelligent man met een grote culturele bagage, en dat is ook te merken aan de uitpuilende bibliotheekrekken waartussen we gezellig gaan zitten. De intieme beslotenheid van deze kamer met de verwarmende aanwezigheid van zovele boeken contrasteert erg met de haast onmetelijke groot(s)heid van de stad die aan de voet van de verstilde Aventijn verder blijft razen. Het cadeautje dat ik voor hem had meegebracht verbaast hem maar doet hem blijkbaar veel plezier. "Vous ferez beaucoup de gens heureux ici", zegt hij. Graag gedaan, pater, dat was de bedoeling. Hij schrijft nu een aanbevelingsbrief voor de secretaris van het Archivio Segreto en een nota voor Monsignore C. van datzelfde archief. We nemen afscheid, hij moet de vespers bijwonen, en daarna volgt het avondmaal. Ik hoop dat ik hem nog ontmoet voor ik naar huis terugkeer.

Met de bus terug naar de Largo, vandaar een andere bus naar mijn zusters. Tussen de op elkaar gepropte passagiers bevindt zich een zwerver die het plots nodig vindt om luidkeels maar eigenlijk alleen voor zichzelf, een vlammend betoog af te steken pro of contra godweetwie of -wat. De passagiers kijken niet echt geamuseerd, veeleer lichtjes ongerust in de richting van de druktemaker. Bij de eerstvolgende halte manen enkele reizigers de chauffeur al roepend aan te wachten en zijn deuren open te houden terwijl twee potige kerels de dakloze zonder meer bij de schouders vastgrijpen en hardhandig de straat opgooien. De sukkelaar duikt de stoep op, valt net niet, zet zich wankelend weer overeind. En gaat dan, met half gesloten ogen, het hoofd ten hemel gericht en uitbundig gesticulerend, onverstoord verder met zijn tirade.

Kom half geplet ter bestemming, doodmoe en hongerig; verfris mij vlug, en dan aan tafel. Het eten is voortreffelijk, de zusters schuifelen stil en discreet langs de tafels; ze glimlachen voortdurend en komen zelfs vragen of ik voldoende heb, eentje fluistert me toe dat ik vooral alles moet opeten.

Geen probleem, zuster! Morgen heb ik een lange wandeling voor de boeg over de Janicolo (het zal de allereerste keer zijn na zovele bezoeken aan deze verpletterende stad, ben benieuwd), en daarna door Trastevere. Goeienacht allemaal.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 septembre 2009 2 08 /09 /septembre /2009 02:51


In 1951 werd Christine D'haen de eerste laureate van de Arkprijs van het Vrije Woord. De prijs was op initiatief van Herman Teirlinck door de redactie van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in het leven geroepen als reactie tegen de weigering van de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen de prijs voor letterkunde toe te kennen aan Het boek van Joachim van Babylon van Marnix Gijsen.

In een korte maar niet minder verstrekkende tekst blikte Christine D'haen in 2000 terug op haar bekroning.

In 1951 kwam Herman Teirlinck mij persoonlijk uitnodigen: wou ik voor één keer ergens komen, wou ik de eerste Arkprijs van het Vrije Woord komen ontvangen? Aan de charme van Teirlinck was niet te weerstaan.

Ik was jong en onnadenkend: mijn vrij woord was het erotisch vrije woord, ik interpreteerde de uitdrukking als het vrijmoedige woord. Elke interpretatie is in context: vrijmoedigheid zou in die tijd van verboden een vooruitgang zijn. Andere mogelijke betekenissen, intenties en implicaties waren mij niet bekend.

Een halve eeuw lezen en studeren heeft mij geleerd dat wij het woord met de grootste omzichtigheid moeten gebruiken. Elk woord kan velerlei betekenissen hebben, het heeft een geschiedenis (vele geschiedenissen); betekenis wisselt, evolueert, verandert (totaal); het woord is ingebed in een ideologie, het is een middel tot macht, het is een gevaarlijk wapen.

Het vrije woord is een van de kostbaarste verworvenheden van onze beschaving. Het is een onmisbaar goed – maar het vergt altijd ongeloof, onderzoek en inzicht. Elk woord, hoe fraai ook, hoe vanzelfsprekend ook, kan een werktuig zijn om een ander woord te onderdrukken.

Het motto van de Royal Society of London luidt: Nullius iurare in verba – Trust not in words. Die uitspraak duidt op de woorden van de magister. Maar ze geldt voor alle woorden. Het is nog erger, als we het citaat gedenken, toegeschreven aan Talleyrand: La parole a été donnée à l'homme pour dissimuler sa pensée.

Bron: Lukas DE VOS (red.) Een onberaamd verbond. 50 jaar Arkprijs van het Vrije Woord, Antwerpen, De Vrienden van de Zwarte Panter, 2000.

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
22 juillet 2009 3 22 /07 /juillet /2009 05:23


Affiche ontworpen door Edmond van Offel (1871-1959)

Het duurde even voor het archief van de Antwerpse journalist en schrijver Jan de Schuyter (1889-1952) al zijn geheimen heeft prijsgegeven. In de laatste te verwerken doos bevond zich een pakket met materiaal over de allereerste Vlaamse film, De storm des levens (1919): het handschrift én het typoscript van het scenario dat De Schuyter voor deze film schreef en enkele andere teksten van hem over het vroege filmleven in Antwerpen.

De openluchtscènes werden gedraaid in Antwerpen op de Groenplaats, in het Stoelstraatje, op de pont en in het Veerhuis van Sint-Anneke op de linker Schelde-oever. Voor de binnenopnamen week men uit naar de grote zaal achter het 'Syndikaat van Handel en Nijverheid' in de Korte Nieuwstraat.

In een bijzonder lezenswaardige bijdrage vertelt Johan van Hecke in detail hoe De storm des levens een storm in een glas water werd: de bioscoopuitbaters besloten de prent te boycotten. Voor de producer werd het financieel debacle.

In 1938 schreef Jan de Schuyter in Weekblad cinema:

Deze boycot van de filmuitbaters, niettegenstaande de band gerust met meerdere buitenlandsche films uit die dagen kon vergeleken worden, werd een gevoelige klap voor de Scaldis filmonderneming. Buitendien zooals het ten onzent altijd gaat, werden er velen gevonden om zoveel mogelijk de gedane poging te niet te krijgen. Niemand mag in ons landeken het hoofd boven water steken.

De film is niet bewaard gebleven.

Dit alles en veel meer over de eerste Vlaamse film is te lezen in Zuurvrij, het onvolprezen tijdschrift van het Letterenhuis te Antwerpen.

Zuurvrij. Berichten uit het Letterenhuis, nr. 16, juni 2009, 112 p., ill., 4 €.

Abonnement: 15 € voor twee jaargangen van telkens twee nummers (te verschijnen in december en juni). Losse nummers: 4 € (nrs 5-15 nog leverbaar).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 juin 2009 1 08 /06 /juin /2009 22:27

Bob en Jenny Mendes bezoeken Auschwitz (2008)

 

 

Morgen, 9 juni, wordt de reportage over het oorlogsverleden van Bob Mendes om 21u35 uitgezonden op VRT2 (Canvas).


Deze reportage over mijn oorlogsverleden heeft niet alleen bij mijn vrouw en mij heftige gevoelens losgemaakt, maar maakte ook op de makers zelf indruk: op regisseur Toon, op cameraman Jo, op geluidsman Piet, op scriptman Tim. We behoren nochtans tot drie verschillende generaties. Het sterkt me in mijn overtuiging dat het nodig was om dit verhaal te vertellen. Voor mijn kinderen, kleinkinderen en de rest van de wereld was Benjamin Mendes tot nu niet meer dan de naam op een doodsprentje. Het team van Verloren Land heeft hem met tact en sereniteit weer tot leven gebracht als een man met veel liefde voor zijn vrouw en kinderen – sterker en heldhaftiger dan ik kon vermoeden.

Bij mijn tachtigste verjaardag noemde mijn uitgever mijn oeuvre in zijn laudatio een monument dat ik had opgericht voor mijn vader. Vooral de proloog van mijn oorlogsroman De smaak van vrijheid, sindsdien in vele talen vertaald, vertoont veel autobiografische raaklijnen met wat het gezin Mendes tijdens de Tweede Wereldoorlog is overkomen. De makers van Verloren Land hebben daar een gedenksteen aan toegevoegd, in de vorm van een ontroerende en serene uitzending.

Ik heb twee of drie keer geweigerd om deel te nemen aan Verloren Land. Voor mij was de Tweede Wereldoorlog een afgesloten hoofdstuk. Een moeilijke periode, waar ik eigenlijk niet meer over wil praten, omdat ze gepaard gaat met heel veel emoties. Dat ik in eerste instantie aarzelde om mee te werken aan een reportage over mijn oorlogsgeschiedenis, had niet alleen te maken met mijn vrees dat het slopen van de beschermende muur van zwijgzaamheid, die ik in een soort van overlevingsstrategie rond me heb opgetrokken, een tsunami zou veroorzaken van pijnlijke herinneringen. Ik vroeg me ook af wie me – meer dan zestig jaar na de feiten – zou begrijpen in een landje dat sindsdien alleen vrede en welstand heeft gekend.

Toen realiseerde ik me dat ik tot de laatste – nu ook al uitdunnende – generatie behoor die de gruwel van de Tweede Wereldoorlog aan den lijve heeft ondervonden en die er nog over kan getuigen. Elie Wiesel zei het al: "Wie naar getuigen luistert, wordt zelf getuige." Dus daarom stemde ik uiteindelijk toch toe. De tiendaagse reportage werd een uiterst emotionele tocht door het verleden, een soort van wedergeboorte van een vader die ik een leven lang heb gemist. Ik was immers de benjamin van Benjamin.

Bob MENDES

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
13 mai 2009 3 13 /05 /mai /2009 17:30

Deze aflevering steunt uitsluitend op de voortreffelijke biografie van K. Coogan, Dreamer of the Day. Francis Parker Yockey and the Postwar Fascist International (Brooklyn, NY: Autonomedia, 1999, 644 p.)

F.P. Yockey werd in 1917 in Chicago geboren. Al vroegtijdig ontpopte hij zich als een goede pianist en gold hij als een begaafde humorist. In de herfst van 1934 kwam hij op de University of Michigan (Ann Arbor) terecht. Hier werd hij uit een Saulus een Paulus, d.w.z. hij gaf zijn pro-communistische overtuiging prijs en werd bij wijze van spreken een Amerikaanse nazi. Die ommezwaai wordt toegeschreven aan zijn lectuur van Der Untergang des Abendlandes, het tweedelige opus magnum van de Duitse historicus en niet-nazi Oswald Spengler (1880-1936), doch het is een uitgemaakte zaak dat hij door de spengleriaans getinte Kulturgeschichte der Neuzeit (3 delen; 1927-31) van de Oostenrijkse Jood Egon Friedell (eig. Friedmann; 1878-1938 [zelfmoord]) tot de overtuiging was gekomen, dat niet materiële factoren, doch ideeën het historisch verloop bepalen. De ironie van het lot heeft dus gewild dat twee eminente Europese niet-nazis onrechtstreeks een Amerikaanse nazi hebben voortgebracht!

Wat er ook van zij, in 1936 schakelde Yockey over naar de katholieke Georgetown University (Washington); hij immatriculeerde in het aan deze universiteit verbonden Center for Strategic and International Studies. Als reden geeft Coogan zijn belangstelling op voor het verband tussen internationaal recht en buitenlandse politiek. Meteen begon hij zich te begeesteren voor de geopolitiek, meer bepaald voor de doctrine die Karl Haushofer (1869-1946) verkondigde en die door één van zijn professoren, de pater jezuïet Edmund Aloysius Walsh (1885-1956), bestreden werd. Interessant om weten: diezelfde pater doceerde ook - andermaal afwijzend - over de theorieën van de hoger vermelde Carl Schmitt. Voor de tweede keer zorgde de ironie van het lot voor een verrassing: na W.O. II heeft Yockey zowel Haushofer als Schmitt misbruikt.

Zijn diploma behaalde Yockey cum laude in 1941 aan de rechtsfaculteit van de door jezuïeten gerunde Loyola University (Chicago), na tussendoor aan de Northwestern Law School (Chicago) college te hebben gelopen. Al dan niet onder schuilnaam geraakte hij bij rechtse initiatieven betrokken. Er mag niet uit het oog worden verloren dat rechts en zelfs fascisme op dat ogenblik ook in de U.S.A. nogal wat aanhangers hadden; het is denkbaar dat de optie van de wereldwijd bewonderde industrieel Henry Ford (1863-1947) en deze van de zeer populaire vliegenier Charles Lindbergh (1902-1974) daar niet vreemd aan zijn geweest.

Zoals talloze Amerikanen was Yockey gekant tegen de Amerikaanse militaire interventie, wat hem niet belet heeft in mei 1942 soldaat te worden. Maar in "een lijst van deloyale of subversieve personen die door het Sixth Service Command ervan verdacht werden nazis te zijn" figureert Yockeys naam! Op de begrijpelijke vraag "Was Yockey een nazi-spion?" antwoordt Coogan voorzichtig, dat het er de schijn van heeft, dat hij geen "spion in de gebruikelijke zin van het woord" was. Hij is twee maanden voortvluchtig geweest (in de terminologie van het Amerikaanse leger: AWOL = Absent Without Official Leave - in mijn ogen een eufemisme). Niettemin werd hem om geneeskundige redenen op 13 juli 1943 eervol ontslag verleend.

Anno 1946 kreeg Yockey een job aangeboden in een rechtbank in Wiesbaden die zich over de oorlogsmisdaden van tweederangsnazis uit te spreken had.

Het staat nu wel vast dat zijn door zijn overste genoteerde chronisch absenteïsme te maken had én met zwarte-markt-praktijken (sigaretten!) én met het schrijven van artikels tegen de legitimiteit van de processen van Nürnberg. Eind november 1946 werd hij aan de deur gezet. Reeds in 1947 was Yockey evenwel terug in Europa: in het Ierse dorp Brittas Bay schreef hij in zes maanden Imperium. The Philosophy of History and Politics, dat hij onder het pseudoniem Ulrick Varange uitgaf.

Ik verzaak aan een poging om dit inhoudelijk zonder Spengler, Schmitt en Haushofer ondenkbaar opus in enkele regels te willen samenvatten. Over de vaak in de illegaliteit opererende neo-nazistische organisaties, die in een soort van Internationale schijnen te hebben samengewerkt, ga ik het evenmin hebben. Niet eens Yockeys curieuze samenwerking met senator Joe McCarthy (1908-1957), de man van de anti-communistische kruistocht in de U.S.A. (mccarthysm) die zelfs de filmacteur Charles Spencer Chaplin (1889-1977) niet spaarde, zijn gesprekken met groten der aarde zoals de Egyptische president Gamel Abdul Nasser (1918-1970) breng ik te berde, zomin als zijn poging om op Cuba Fidel Castro (°1927) te ontmoeten. Het zijn stuk voor stuk themata die niets te zien hebben met het onderwerp van mijn bijdrage. Doch ik kan onder dit sub-kapittel geen streep trekken zonder iets te hebben gezegd over Yockeys einde.

Jarenlang liep hij met vervalste paspoorten rond en kon op die manier de FBI (= Federal Bureau of Investigation) telkens om de tuin leiden. Wegens een mechanisch defect werd zijn vliegtuig zekere dag omgeleid en "In de verwarring had hij zijn handtas niet tijdig kunnen meenemen". Zo kon het gebeuren dat het niets vermoedende personeel deze handtas opende om de eigenaar en zijn adres te achterhalen en een resem paspoorten vond met telkens de foto van dezelfde man! Het FBI werd verwittigd maar het heeft nog even geduurd alvorens vaststond dat men Yockey te pakken had. In zijn cel slikte de lang gezochte man op 17 juni 1960 een capsule gevuld met kaliumcyanide. Zelfmoord? Of heeft iemand hem die capsule bezorgd? Men is er niet in geslaagd de waarheid te achterhalen.

Prof. em. dr. Piet TOMMISSEN

(wordt vervolgd)

Dit is een enigszins ingekorte versie, met weglating van de voetnoten, van de tekst verschenen in de Mededelingen 137 de dato 30 april 2009.

Info over abonnementen op de tweewekelijkse elektronische PDF-versie of op de papieren editie van de Mededelingen: hfj@skynet.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
13 mai 2009 3 13 /05 /mai /2009 17:28

The Institute of Jewish Studies organizes for the second time an interdisciplinary conference concerning Jewish Studies on the Low Countries at the University of Antwerp. The purpose of the conference is to facilitate contacts between researchers working within this area of study. We especially encourage young researchers to participate in the workshop. We also hope for contributions from more established researchers, in order to establish a positive exchange between different research generations. Presentations may include works in progress. Represented disciplines in the program are history, literature, anthropology and sociology.

 

Program

 

9:00 – 9:30 
Welcome: Vivian Liska (Instituut voor Joodse Studies, Universiteit Antwerpen)
Introduction: Karin Hofmeester (Universiteit Antwerpen / IISG) & Veerle Vanden Daelen (Universiteit Antwerpen)

9:30 – 11:00 Session I: Institutions, Religion, Emancipation and Secularisation

Chair: Jean-Philippe Schreiber (Université Libre de Bruxelles)
Rosa Reicher (Universität Heidelberg): State, Religion and Jewish Identity in the Philosophical and Political Thought of Simone Luzzatto, John Toland and Menasseh ben Israel
Karin Hofmeester (Universiteit Antwerpen / IISG): State, Religion and Jewish Political Emancipation in the Netherlands
Paul van Trigt (Vrije Universiteit Amsterdam): Secularization, the Sixties and Religious Jewry in the Low Countries

11:00 – 11:15 Coffee Break

11:15 – 12:15 Session II: Jewish Economic Life in the Low Countries

Chair: Cor Trompetter (Independent Scholar, Weststellingerwerf)
Bert Schijf (Universiteit van Amsterdam): The German Bischoffsheims in the Nineteenth Century: Amsterdam, Antwerp, Brussels and Paris. The International Orientation of a Jewish Financial Dynasty
Serge ter Braake (Joods Historisch Museum / Menasseh ben Israel Instituut, Amsterdam): Jewish Entrepreneurs in the Dutch Leather Industry (1870-1940): the Possibilities and Impossibilities of a Quantitative Approach

12:15 – 13:30 Lunch Break

13:30 – 16:00 Session III: Jewish and non-Jewish Encounters: Migration, Translation, Geographic and Symbolic Space

Chair: Veerle vanden Daelen (Universiteit Antwerpen)
Kris Van Heuckelom (Katholieke Universiteit Leuven): 
The Jewish Connection: 19th Century Polish Literature in Dutch Translation
Pascale Fallek (European University Institute, Florence): Female Jewish Migrants from Eastern Europe at Belgian Universities 1918 -1940: the Life Trajectory of Hélène Temerson (1896-1977)
Anick Vollebergh (Universiteit van Amsterdam):Telling Spaces and Bodies apart in a Multiethnic Neighbourhood: the ‘Jewish’ Perspective
Gila Schnitzer (Vrije Universiteit Brussel), Gerrit Loots (Vrije Universiteit Brussel) and Carolina Valdebenito (Katholieke Universiteit Leuven): Mapping Encounters in an Invisible Arena: the (Flemish) Mental Health Care and the Jewish Community in Antwerp
Peter Tammes (Universiteit Leiden): Residential Segregation of Jews in Amsterdam Neighbourhoods on the Eve of the Shoah 

16:00 – 16:15 Coffee Break

16:15 – 17:45 Session IV: World War II in the Low Countries

Chair: Pim Griffioen (Independent Scholar, Amsterdam)
Marc Verschooris (Hogeschool Gent) and Yves Louis (Belgische Academie voor Kindergeneeskunde, estants Trying to Rescue Jews in the Surroundings of Antwerp and Louvain (1942-1944)
Jan Bernheim (Vrije Universiteit Brussel): The Shoah on the Scheldt. Reasons why Denying the ‘Antwerp Specificity’ is Tantamount to Negationism

17:45 – 18:00 Closing Remarks

*

Wednesday 20 May 2009, 9:00-18:00
Universiteit Antwerpen, Gebouw "De Meerminne", Sint-Jacobstraat 2 - M.107, 2000 Antwerpen
Contact Day in English - free entrance

Attendence is free, but you are invited to register via website http://www.ua.ac.be/main.aspx?c=*IJSENG&n=69985

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
13 mai 2009 3 13 /05 /mai /2009 05:12

Elsa (niet: Elza) Dewette zag op 12 april 1903 te Sint-Amandsberg bij Gent het levenslicht. Ze was de kleindochter van Eduard Blaes (1846-1909), een verdienstelijke componist, dirigent en muziekleraar, bij wie haar vader pianoles had gevolgd. Afgaande op haar eigen getuigenis hoorde ze haar vader en haar grootvader vaak discuteren over de filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), over de dichter Heinrich Heine (1797-1856) en over de beroemde componist Richard Wagner (1813-1883). Volgens haar latere leerling Oscar Van Malder, zouden die discussies "een diepgaande invloed uitoefenen op haar later leven en werken"; verheft hij een hypothese niet tot de rang van een feit?

Vader Dewette, ingenieur van opleiding en onderdirecteur bij de Telefoon te Brussel, kreeg bij het uitbreken van W.O. I het bevel, de plannen van het telefoonnet van de provincie Brabant in veiligheid te brengen. Dat verklaart wellicht waarom hij met zijn gezin naar Engeland is uitgeweken. In ieder geval vestigde hij zich na heel wat ronddolen in een woning in een buitenwijk van Londen. Via een zus van de later wereldberoemd geworden historicus Arnold Toynbee (1889-1975), een goede bekende van vader Dewette, geraakte Elsa op de elitaire Kensington Highschool.

Haar peter, de bekende etser Jules De Bruycker (1870-1945), bewoonde hetzelfde gebouw als het gezin Dewette; hij enthousiasmeerde Elsa voor de plastische kunsten. Anderzijds schijnt de eminente Zwitserse avant-garde kunstenaar Emile Jaques-Dalcroze (1865-1950) haar op school het abc van de muziek én de basisgedachten van de eurytmie te hebben bijgebracht. Pianoles volgde ze bij miss Barber, een oud-leerlinge van de grote Johannes Brahms (1833-1897) en verwant met de Amerikaanse componist Samuel Barber (1910-1981). Doch die artistieke impulsen verhinderden haar blijkbaar niet, zich voor de exacte wetenschappen te interesseren. In een interview vertelde ze het ingangsexamen chemie van de universiteit van Londen probleemloos overleefd te hebben.

Elsa bleef na de oorlog nog een jaar in Londen, om haar middelbare studies af te sluiten. Helaas werd dat einddiploma in België niet erkend. Van lieverlede kwam ze in een Franstalige Brusselse school terecht en dat werd een fiasco, want in Engeland had ze haar Frans verleerd! In oktober 1920 schakelde ze over naar de (eveneens Franstalige) Academie en volgde er drie jaar tereke als dagstudente de lessen van de in Watermaal-Bosvoorde woonachtige symbolistische schilder Constant Montald (1862-1946). Op een bepaald ogenblik kreeg August Vermeylen (1872-1945) het er zwaar te verduren: zijn inzet voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit werd door zijn franskiljonse collegae, waaronder de beroemde architect Victor Horta (1861-1947), de directeur, niet geappreciëerd. Elsa nam het voor hem op en werd aldus van vandaag op morgen populair in Vlaamse studentenmiddens: ze werd tot penningmeester van de afdeling Brussel van het Diets Studentenverbond gebombardeerd, een functie die ze vier jaar heeft waargenomen.

Van 1924 tot in 1931 was Elsa Dewette als tekenares tewerk gesteld bij een weekblad voor dames, voor hetwelk ze tevens de bekende acteur Douglas Fairbanks (ps. van Elton Ulman; 1883-1939) en de als "de kleine verloofde van Amerika" bekend staande actrice Mary Pickford (ps. van Gladys Smith; 1893-1979) geïnterviewd heeft. In 1922 gebeurde echter iets dat haar leven een beslissende wending zou geven: toevallig woonde ze in de Parkschouwburg te Brussel een optreden bij van Isadora Duncan (1877-1927). De schok was dermate groot dat ze daarna drie dagen met koorts te bed heeft gelegen!

De gracieuze bewegingen van Isadora Duncan, waarin de danseres als het ware haar ziel blootlegde, konden de zich voor danskunst interesserende Elsa Dewette niet onverschillig laten; ze realiseerde zich te maken te hebben met een concrete toepassing van de danshervorming die Jean Georges Noverre (1727-1810) gepredikt en wiens Lettres sur la danse et sur les ballets (1760) ze bestudeerd had. Na de danseres in Brussel aan het werk te hebben gezien, heeft ze met haar een paar gesprekken gevoerd op haar kamer in het Brusselse hotel Métropole aan het de Brouckèreplein. Meer nog: met de opbrengst van de verkoop van geërfde aandelen kon ze in 1927 in Nice bij haar idool dansles volgen. Wie weet hoe haar leven zou verlopen zijn, mocht de beroemde sterdanseres

niet in de loop van datzelfde jaar zijn overleden?

Elsa's besluit lag hoe dan ook reeds vast: ze wou en ze zou met een eigen dansschool van start gaan. De ouders waarschuwden haar: waarom een veilig bestaan aan een onzekere toekomst opofferen? Vandaar dat het tot 1930 geduurd heeft alvorens de grote stap gezet werd. Aan de Folkwangschule in Essen heeft ze een zomercursus gevolgd bij Kurt Jooss (1901-1979), eerst leerling en dan assistent van Rudolf Laban von Vàralja, beter beken als Rudolf von Laban (1879-1958), wiens theorie hij in de de praktijk toepaste; ze was vergezeld van twee dames die in Vlaanderen ook hun weg als danseres hebben gemaakt: Lea Daan (ps. van Paula Gombert; 1906-1995) en Isa Voss (ps. van Maria Voorspoels; 1909-1939).

In 1930 bracht Elsa op de voorgevel van haar woning (Kruisstraat 8 te Elsene) een koperen plaat aan met de indicatie: "Elsa Darciel - School voor Eurythmie". Bijgevolg moet ze rond die tijd voor het pseudoniem Darciel geopteerd hebben. Sommige auteurs beweren dat die schuilnaam door haar leerlingen bedacht werd. Elsa's eigen versie klinkt logischer: de naam zou afgeleid zijn van d'Arcielle, de naam van een oud-tante die in de tijd van de Franse Revolutie leefde.

Toen in 1932 vrij regelmatig gemiddeld vijftien leerlingen opdaagden, besloot de nieuwbakken Darciel alles op alles te zetten: ze huurde in Brussel de zaal van het Paleis voor Schone Kunsten (thans: Bozar) af! Maurits Wynants schrijft: "Het werd een triomf." Geen wonder dat ze de krachttoer in 1934 herhaalde, dit keer met een eigen creatie van het ballet Heer Halewijn op muziek van de door de musicoloog Charles Van den Borren (1872-1966) aangepaste Boergondische Hofdansen. De pers jubelde: "Een nieuwe vorm van dans met internationale allures is in België geboren."

Daarna volgde de grote stap, die erop gericht was gans Vlaanderen te veroveren. Met Herman Teirlinck (1879-1967) als animator begon in Aalst een ware triomftocht. Het heeft geen zin de vele successen op te sommen, daar ze in de kranten breed uitgesmeerd zijn geworden. De uitzondering bevestigt de algemene regel en dus maak ik twee uitzonderingen: in 1939 voerden op de Grote Markt te Kortrijk 1.500 danseressen en dansers 10 dagen lang het Vredesspel op en in 1944 grepen talrijke opvoeringen van Tijl Uilenspiegel op muziek van Richard Strauss (1864-1949) plaats. Bij de Bevrijding kende haar vader moeilijkheden omdat een hogere Duitse officier hem een bezoek had gebracht (cf. infra). Zij zelf reisde begin 1946 naar de U.S.A., bezocht er in diverse steden familieleden en vrienden, en hield lezingen in de Engelse taal (cf. infra).

Na haar terugkeer einde 1947 begon - dixit Jacques De Leger (°1932) - "haar belangrijkste creatieve periode". Inderdaad, van 1952 af trad ze, dit keer in opdracht van de dienst Volksontwikkeling, overal in den lande op en monteerde ze balletuitzendingen voor de televisie. Bovendien gaf ze aan diverse scholen onderricht in bewegingsleer. In 1965 hield ze het voor bekeken: ze had in de loop der voorbije 35 jaar niet minder dan 400 balletavonden georganiseerd en zowat 35 grote balletten gecreëerd! Doch zonder dralen vatte ze de studie van de Spaanse taal aan, die ze na vijf jaar afsloot. Ook maakte ze van een haar in december 1963 door de universiteit van Cambridge afgeleverd diploma gebruik om geïnteresseerde E.E.G.- ambtenaren Engels bij te brengen.

Op 89-jarige leeftijd werd in Tervuren haar huurcontract opgezegd en stond Elsa op straat. Toen heeft iemand ervoor gezorgd dat haar archief niet op het stort belandde.

Zelf belandde ze op een eenpersoonskamer in Ukkel, terwijl haar bezittingen (vooral de bibliotheek) bij een hulpvaardige ziel terechtkwamen en sindsdien verdwenen zijn. Uiteindelijk kwam ze in het rusthuis Weyveldt in Hofstade (bij Aalst) terecht, alwaar ze begin 1998 vreedzaam overleden is.

Prof. em. dr. Piet TOMMISSEN

(wordt vervolgd)

Dit is een enigszins ingekorte versie, met weglating van de voetnoten, van de tekst verschenen in de Mededelingen 137 de dato 30 april 2009.

Info over abonnementen op de tweewekelijkse elektronische PDF-versie of op de papieren editie van de Mededelingen: hfj@skynet.be

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
13 mai 2009 3 13 /05 /mai /2009 00:00

Toen ik het in het vorige sub-kapittel vermelde boek over Yockey begon te lezen, had ik er geen flauw vermoeden van dat ik één en ander zou te weten komen over een episode uit het leven van Elsa Darciel, een episode waarop de titel van de eersteling (1970) van de Amerikaanse auteur Erich Segal (°1937) toepasselijk is: Love story. In het personenregister staan enkel 'Dewette, Elsa' en 16 vindplaatsen vermeld, zodat ik niet onmiddellijk de link met Darciel legde. Plots las ik echter een paragraaf waarin Dewettes leven (correct!) samengevat wordt en besefte dat de brieven van Darciel voor Coogan gesneden brood moeten zijn geweest. Ze zijn evenwel niet aan hem gericht, doch aan Keith Stimely, die in de periode 1982-85 de negationistische Journal of Historical Review heeft uitgegeven en het plan had opgevat aan Yockey een boek te wijden.

Stimely werd helaas in december 1992 het slachtoffer van aids, zonder "ooit een bladzijde van zijn geplande Yockey biografie" te hebben geschreven.

De Darciel-brieven (een 80-tal) kwamen in het bezit van Coogan. Deze in de jaren 1981-85 geschreven antwoorden bevatten informatie over gebeurtenissen in Brussel na de Bevrijding, over Yockey in het algemeen, en tenslotte over haar love story met Yockey.

Over wat er in 1944 bij de Bevrijding van Brussel gebeurd is, vult Darciel het weinige aan dat ik hoger heb verteld. Die hogere Duitse officier, een kennis van haar vader, is verschillende keren bij haar ouders gaan dineren: de nodige en voldoende voorwaarde voor weerstanders om in de ouderlijke woning brand te stichten, zodat vader ("een groot bewonderaar van Hitler" - dixit Darciel zelf) en moeder tijdelijk elders een onderkomen moesten zoeken. De deur van haar eigen huis werd beschilderd met hakenkruizen; ze dook korte tijd onder, ging toen voorzichtig een kijkje nemen in haar dansschooltje maar werd door de politie opgepakt en verhoord. Om erger te voorkomen is ze dan, zoals supra vermeld, naar de U.S.A. getrokken.

Wat Yockey aanbelangt, valt op dat Darciel zich inspant om bepaalde beweringen over haar lover te weerleggen, op basis van door deze opgediste versies; ze doet dat soms met de nodige omzichtigheid. Ik zeg 'soms', want er zijn uitzonderingen, omdat in die gevallen omzichtigheid overbodige luxe ware geweest. Zo heeft Yockey rond zijn veertiende levensjaar een auto-ongeval gehad (met traumatische gevolgen, schrijft Coogan), dat volgens een dame een loopbaan als concert-pianist onmogelijk maakte, een conclusie die Darciel naar fabeltjesland verwijst: omzichtigheid had in dit geval geen zin, daar ze de vaardigheid van haar lover gemakkelijk kon testen. Yockey blijkt alleszins een slechte chauffeur te zijn geweest; in Beieren reed hij eens zodanig roekeloos dat het geen haar heeft gescheeld of het duo was dodelijk verongelukt. Geloofwaardig is m.i. ook de passus over zijn vader, een "noceur... qui aimait beaucoup les petites femmes" (in het Frans in Elsa's brief). Hetzelfde geldt voor de schizofrenie waardoor zijn eervol ontslag uit het leger werd gemotiveerd: hij deed Darciel in een hilarische lach uitbarsten door de comedie na te bootsen die hij te zijner tijd opgevoerd had, want die schizofrenie was "a hilarious fake" geweest.

Een complete verrassing - althans voor mij - was (en is) het feit dat Yockey met een boek van Hans Blüher (1888-1955) schijnt gedweept te hebben. In maart 1950 vertaalde hij immers, ten behoeve van Darciel, het tweede deel in het Engels, "omdat haar kennis van het Duits, bij gebrek aan oefening, ietwat wazig was geworden". Darciel moet die tekst evenmin onverschillig hebben gelaten, want in een brief aan Stimely copiëerde ze twee paragrafen uit Yockeys vertaling. Voorwaar een voor de ideeëngeschiedenis niet onaardig detail.

En nu Darciels love story! Ze valt met de deur in huis: "in 1949 ontmoette ik FPY: een mijlpaal in mijn leven." Twee obscure journalisten, niet goed wetende wat ze met de in Brussel opgedoken Yockey moesten aanvangen, vonden er niets beter op dan hem mee te nemen naar de woning van een "(niet bijzonder goede) Vlaamse schilder, vermoedelijk een vriend van hen, die er vage 'Europese' ideeën op na hield. De woning van deze schilder lag in een dorp genaamd Watermaal-Bosvoorde, in een straat vlak bij deze waar mijn ouders woonden. Toevallig bezocht ik die namiddag mijn ouders en daar vader gevraagd was aan die samenkomst deel te nemen (hij kende de schilder), werd ik verzocht mee te gaan om eventueel bij het vertalen behulpzaam te zijn. ... De schilder kende noch Frans noch Engels, Y nauwelijks wat Frans."

Ik citeer verder: " ... Mijn eerste indruk van Y? Hij had veel weg van een mengeling van een terrorist en een geïllumineerde predikant! ... Plots stond Y recht en zei dat hij een korte wandeling wilde maken met mijn vader en mij. ... Hij gebruikte dat voorwendsel enkel om met mij alleen te zijn, en mijn vader was niet van gisteren. Na de 'korte wandeling', ... vroeg Y of ik hem een lift naar de stad kon geven. ... In werkelijkheid kon hij nergens heen. Evenmin had hij geld. Dat is de zuivere waarheid - wat kon de arme Elsa doen: hem mee naar huis nemen natuurlijk." Y kreeg te eten en begon een uiteenzetting te geven over zijn boek Imperium. Tot Darciel het welletjes vond en hem naar haar grote piano loodste, waarop hij zich kon uitleven.

Het onvermijdelijke gebeurde: "Plots verloren we elke notie van de werkelijkheid. Ik kan het soort van opwinding, dat bezit van me nam, niet verklaren. Nooit had ik dit meegemaakt en - daar ben ik zeker van - hij evenmin." Enkele dagen verliepen, gedurende dewelke Y niet van zich liet horen en Darciel meende dat hij afgereisd was. Doch daags voor haar 46ste verjaardag stond hij almeteens voor de deur. Samen reden ze per auto weg: "Die nacht werden we minnaars." In juni 1949 begon het koppel aan een reis naar Beieren, die haar achteraf tot het schrijven van een bladzijdenlange en bijzonder interessante terugblik verleidde. Darciel bekende voorts, dat Y - steeds in 1949 - een huwelijk voorstelde, zelfs verschillende keren: "hij had zoals gebruikelijk volkomen over het hoofd gezien dat hij reeds getrouwd was."

Om een lang verhaal kort te maken, terugblikkend schreef Darciel in een brief aan Stimely: "Wat onze relatie zelf betreft, niets kon ooit veranderen: ze begon met een felle geestelijke intensiteit (het was bijna een mystieke ervaring), ze ontwikkelde zich tot een wederzijdse passie en ze eindigde nagenoeg in een tragedie." Het initiatief om aan de relatie een einde te maken, is van Darciel uitgegaan; het leeftijdsverschil (veertien jaar) kan bij die beslissing de doorslag hebben gegeven. Toch werden sporadisch nog brieven gewisseld.

Ik zou op de bovenstaande live story nooit hebben kunnen attenderen, indien Elsa Darciel ze zelf niet zou hebben verteld. En ik zou er geen ruchtbaarheid aan gegeven hebben, indien ze deze episode uit haar leven niet op papier had gezet, wetende dat haar informatie voor een biografie van Yockey ging dienen. Ik beroep me op Coogan: "Dewette schreef haar brieven met de bedoeling dat ze in een biografie [van Yockey] zouden gebruikt worden." En toch kon ik een bepaalde schroom niet overwinnen en ben bewust zeer selectief tewerk gegaan.

*

Rest de vraag waar die briefwisseling gebleven is? Darciels brieven bevinden zich alleszins in de U.S.A., maar ik heb geen poging ondernomen om Yockey-biograaf Kevin Coogan te contacteren. Doch wat is er gebeurd met Yockeys brieven? De laatste, twee dagen voor zijn einde, op 14 juni 1960 in San Francisco gepost, eindigt met de woorden "Te vernietigen", waar Darciel tussen haakjes bijvoegt: "wat ik helaas gedaan heb." Heeft ze meteen alle brieven vernietigd? En later ook die van Stimely? Vermits bij ons niemand hun bestaan schijnt te kennen, is men geneigd die vraag positief te beantwoorden. Maar men weet nooit...

Prof. em. dr., Piet TOMMISSEN

Dit is een enigszins ingekorte versie, met weglating van de voetnoten, van de tekst verschenen in de Mededelingen 137 de dato 30 april 2009.

Info over abonnementen op de tweewekelijkse elektronische PDF-versie of op de papieren editie van de Mededelingen: hfj@skynet.be

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
10 avril 2009 5 10 /04 /avril /2009 02:31

De Standaard van 4 en 5 april heeft een uitgebreid verslag gebracht over de zoektocht door Kris en Jan De Smet (‘De Nieuwe Snaar’) naar het oorlogsverleden van hun vader Leon De Smet. Een soortgelijke reportage bracht de VRT op 7 april in hun programma ‘Verloren Land’. Beide muzikanten waren nog erg jong toen hun vader overleed en onwetend over diens oorlogsverleden .

De voornaamste getuigenis kwam van lotgenoot Dries Timmermans. Wie belangstelling heeft voor de kwestie kon terecht in de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, nr. 75 de dato 31 juli 2006 op pagina 7 e.v.

Jan VAN OOSTENDE

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
6 avril 2009 1 06 /04 /avril /2009 11:30

Koen Dillen houdt er ook nog een andere nom de plume op na. In 't Pallieterke tekent hij met “Guitry” de altijd boeiende kroniek “Si la France m'était contée”. De aflevering van 18 maart is gewijd aan Robert Brasillach (geboren 31 maart 1909). Zowat een derde van de bijdrage is gewijd aan een blijkbaar prangende en enigszins insinuerende vraag:

Zou de Vlaamse prozaschrijver, publicist en gewezen perschef van Hugo Schiltz, Henri-Floris Jespers, zich nog herinneren dat hij in 1965, naast onder andere Michel Déon, Karel Dillen, Georges Simenon, Jean Anouilh, de voormalige weerstander Jean Paulhan en de Waalse essayist Pol Vandromme, een bijdrage schreef voor het speciale nummer dat de Cahiers des amis de Robert Brasillach dat jaar uitgaven ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de terechtstelling van de Franse dichter en polemist? Het weekblad Knack dat Jespers onlangs is gaan interviewen, heeft de voormalige redacteur en uitgever van de tijdschriften De Tafelronde en het Nieuw Vlaams Tijdschrift alleszins niet de vraag gesteld waarom hij in zijn jeugd deze hommage bracht aan de veel gelauwerde auteur van Comme le temps passe (ei zo na de Prix Goncourt in 1936), die tegelijk de verguisde polemist en hoofdredacteur was van het fascistische collaboratietijdschrift Je suis partout.

Jespers moet er zich anders niet voor schamen, Brasillach […] mag wat zijn literair oeuvre betreft alvast op talloze onverdachte bewonderaars rekenen.


Ik wil Koen Dillen meteen geruststellen: ik heb geen last met mijn geheugen. Jacques Isorni (1911-1995), de advocaat van Robert Brasillach en van maarschalk Pétain, was daar kennelijk ook van gespaard. Twaalf jaar na de publicatie van de bijzondere aflevering van de Cahiers waarvan hierboven sprake, maakte ik kennis met de beroemde strafpleiter. Hij kwam een lezing geven in de privé-club VECU te Antwerpen. Vooraf gingen we tafelen in La Pérouse. Hij schonk mij op die 22 november 1977 een exemplaar van zijn genadeloos zelfkritisch en vooral bijwijlen hilarisch boek La fière verte. “...En pensant à Robert Brasillach et pour le remercier...”

Van geheugen gesproken...

*

Tijdens de bezetting verdedigde Isorni communistische militanten, na de Bevrijding trad hij als raadsman van collaborateurs op. Als lid van de Assemblée Nationale diende hij in 1956 een wetsvoorstel in tot afschaffing van de doodstraf (de beul werd in Frankrijk pas in 1981 definitief naar huis gestuurd). Hij verdedigde Tunesische nationalisten, Franse militaire coupplegers, samenzweerders van de OAS die het gemunt hadden op het leven van generaal De Gaulle, peetvaders van het Marseillese milieu … Kortom, Isorni was advocaat in hart en nieren.

*

Retournons à nos moutons. Had Knack mij moeten vragen waarom ik in 1965 een hommage heb gebracht aan Brasillach? Ik ben daar nog niet zo zeker van. Het gesprek vond plaats naar aanleiding van de honderdste verjaardag van het Futuristisch manifest van Marinetti en ging over avant-garde. Het boeiende en overigens in Knack getrouw weergegeven gesprek met Frank Hellemans (°1957) bood mij dus ook geen ruimte om het bijvoorbeeld te hebben over diens in 1981 verschenen dichtbundel Niet zomaar niets (Yang Poëzie Reeks, 1981) of over mijn contacten met de voormalige Zaïrese premier Nguza Karl-i-Bond...

Dat ik mij er niet voor moet schamen hulde gebracht te hebben aan de schrijver Brasillach is nogal wiedes. Ook in dat verband moet ik Koen Dillen geruststellen. Bovendien wil ik graag antwoorden op de onrechtreeks gestelde vraag. Ik heb het per slot van rekening al in 1965 duidelijk gezegd – en, ja, je persiste et signe...:

Autant son engagement fut authentiquement lié au temps et aux événements, autant son œuvre échappe véritablement au temps. En dépit d'un engagement immodéré, Robert Brasillach a renoncé à l'historicité. Car Brasillach est un écrivain classique, doublé d'un romantique engagé. Il n'y a qu'un pas de l'anarchiste rebelle au tyran triomphant. D'un tel déchirement ne peut naître qu'une œuvre passionnée et équilibrée à la fois.

Je n'aime pas le propagandiste et le polémiste. Mais il convient de rendre les honneurs à tous ceux dont la conviction est sincère et la démarche droite. Surtout lorsqu'ils ont payé leurs erreurs de leur sang, après avoir pleinement assumé leurs responsabilités.

Koen Dillen besluit zijn bijdrage in 't Pallieterke met een geloofsbelijdenis: “Ik blijf ervan overtuigd dat de executie van Robert Brasillach een misdaad was.”

Ik blijf erbij dat elke executie een misdaad is.

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche