Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
31 mars 2010 3 31 /03 /mars /2010 18:35

Tommissen

 

Vandaag vind ik de bibliografie van dr Piet Tommissen (°1925) in de bus. Hij promoveerde in Antwerpen (UFSIA, thans UA) en doceerde aan de EHSAL (Brussel) en het LUC (Diepenbeek). In wetenschappelijke kringen geldt hij als een kenner van leven en werk van Vilfredo Pareto, Carl Schmitt en Georges Sorel. Hij gaf gastcolleges aan de universiteiten van Leuven, Parijs, Bonn, Rome, Athene, en nam aan binnen- en buitenlandse colloquia deel. Naast zijn talrijke publicaties gaf hij de reeksen Eclectica (Brussel; 1970-1001: 85 delen) en Schmittania (Berlijn; 8 delen) uit. Hij was (en is) medewerker aan tijdschriften in Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Zwitserland en in eigen land. In Mededelingen van het CDR publiceerde hij een aantal belangrijke bijdragen, o.m. over de wet van Brück, Rabindranath Tagore, Otto Gross, Ernst Jünger, Isidore Isou en Elsa Darciel.

De 87 p. tellende bibliografie (een uitgave van Apsis NV te La Hulpe) werd samengesteld en (boeiend) ingeleid door dr Koenraad Tommissen, professor in Management Consultancy in Brussel en Vietnam.

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
12 décembre 2009 6 12 /12 /décembre /2009 04:01

De bloeiperiode van De Dolle Mol situeert zich tussen 1972 en 1985. Als een gevolg van financiële implicaties van de censuurprocessen moest ik de Free Press Bookshop in 1975 na tien jaar sluiten, maar een deel van de (niet-commerciële) activiteit werd overgebracht naar het café. In het bovenlokaal werden met boeken, tijdschriften, posters en drukwerk thematentoonstellingen opgezet rond actuele politieke en sociale onderwerpen, meestal in samenwerking met een actiegroep of een documentatiecentrum. Ook werd met de hulp van Oxfam-Wereldwinkel wekenlang een alternatieve (vinyl)platenbeurs georganiseerd met vooral revolutionaire derde wereldmuziek. Een andere originele actie was tot driemaal toe een alternatieve stripbeurs met uitsluitend maatschappijkritische en satirische stripverhalen voor volwassenen in het Nederlands, Frans en Engels. Nog iets zeer vernieuwends was een leesbeurs van zogenaamde stadskranten uit heel Vlaanderen en Brussel, een nieuw verschijnsel van idealistische maandblaadjes die in grotere gemeenten niet-partijgebonden oppositie voerden tegen het lokale beleid – de eerste milieuacties! - en steevast een horzel waren in de nek van de bestuurders. Die en soortgelijke activiteiten trokken veel volk naar het café, dat verder ook als attractie een leesrek had met linkse weekbladen en literaire maandschriften. Broederlijk naast elkaar stonden er de strijdblaadjes van de marxistisch-leninistische Amada (later PvdA), de trotskistische RAL, de Christenen voor het Socialisme en van tal van andere klein-linkse groepjes (groupuscules de gauche) die elkaar niet zelden bestreden. In dat dagelijks bijgevulde leesrek stonden ook culturele blaadjes en brochures. Ook satirische bladen als De Zwijger, en toen het dagblad De Morgen (in 1978 de voortzetting van de opgedoekte socialistische partijkranten Volksgazet en Vooruit, onder hoofdredactie van voormalig studentenleider Paul Goossens) van de persen rolde werd dat gevierd met de distributie van honderd gratis exemplaren. Zowel de alternatieve stripbeurs als de stadskranten werden mobiel gemaakt met de Free Press boekenbus waarmee ik postvatte op festivals in Vlaanderen.

Natuurlijk vonden er ook van meet af aan poëzieavonden plaats in de gelagzaal, voornamelijk vanuit het literaire tijdschrift Enklave (Vrije Universiteit Brussel) van Frank de Crits, Frans Ariën en Jan Struelens. Een taaie mythe is dat na zo’n avond dichteres Ann Walravens, onder invloed tragisch om het leven kwam. Zij was de dochter van literator Jan Walravens (1920-1965) de theoreticus van de Vlaamse experimentele “vijftigers” rond het tijdschrift Tijd en Mens welks auteurs Ben Cami, Marcel Wauters en Albert Bontridder tot de vaste bezoekers en vergaderaars behoorden. Ook andere bekende auteurs kwamen er graag over de houten vloer; om er enkelen te noemen: Willen Frederik Hermans, Hans Plomp, Simon Vinkenoog (die er wel eens met zijn vrienden overnachtte), Willem M. Roggeman, Clara Haesaert, Pjeroo Roobjee, Jotie ’t Hooft, en van meet af aan ook zeer actieve linkse rakker, literator, stripscenarist en kineast Jan Bucqoy. Ook de Vijfde-Meridiaan-auteurs van uitgeverij Manteau zoals Marcel van Maele en Daniël van Hecke, en de medewerkers aan de polemische tijdschriften Bok en Mep: Julien Weverbergh, Herwig Leus, Jan Emiel Daele. Een jarenlang niet weg te denken stamgast was de veelgeprijsde en hooggeprezen Nederlandse schrijver Jeroen Brouwers, van 1964 tot 1976 redactiesecretaris en later (hoofd)redacteur van de Brusselse uitgeverij Manteau. Zijn Dolle Mol-ontmoetingen en -belevenissen beschrijft hij in Groetjes uit Brussel opgenomen in Mijn Vlaamse jaren (1978, Arbeiderspers). En over de tapkast kon je gestencilde of gedrukte poëziebundels-in-eigen-beheer kopen van vaste klanten, die hun nachtelijke en doordrenkte inspiratie misschien wel in embryonale vorm ter plekke op bierviltjes hadden gekrabbeld. Over de literaire aspecten tot op heden van Free Press Bookshop / De Dolle Mol zou een boeiend boekje kunnen worden geschreven.

Natuurlijk was het meer dan een literaire ontmoetingsplaats. Het “café-met-galerie” was en is net zo goed een kunst- en muziekcafé. Ettelijke troubadours van diverse herkomst stapten musicerend de gelagkamer binnen en geregeld traden er op een geïmproviseerde estrade bandjes unplugged op. In de bloeiperiode kon men er alle Nederlandse kleinkunstplaten en protestsongs beluisteren, vooral van Boudewijn de Groot, Miel Cools, Sjef Vanuytsel, Dimitri van Toren, Johan Verminnen, Hugo Raspoet, Cor van der Goten, Wim de Craene, Luk Bral, Jan de Wilde, Kris de Bruyne, Leen Persijn, Frans Dingenen, Tim Visterin, Luk Saffloer, Vuile Mong & Vieze Gasten, De Vaganten, en ook de Vlaamse folk van t’ Kliekske, De Vlier, Wannes van de Velde, Walter de Buck en Willem Vermandere. Velen van hen kwamen trouwens ook wel eens persoonlijk langs na een zaaloptreden ergens in Brussel. De kroeg bleef immers meestal tot in de vroege uurtjes open. Daarnaast waren de Franse chansonniers op de platendraaier erg in trek, en niemand leek uitgeluisterd te raken op de Angelsaksische protestsongs van Bob Dylan, Donovan en zoveel anderen.

Hoewel in dit artistiek-literaire opzicht misschien uniek in Brussel, verschilde de kroeg niet veel van andere progressieve kunstcafés in Vlaanderen: Trefpunt (van Walter de Buck) in Gent, Skalden (van Jef Sprankenis) in Hasselt, De Mok (van Koen Calliauw) in Antwerpen, De Verloren Zoon in Mechelen, Nieuw Babylon in Brugge, Ranonkel (van Nik Verdonk) in Turnhout, anti-bourgeois-oase’s waarmee intens contact onderhouden werd. Elke stad had wel zo’n “kaffee” dat geregeld in het nieuws kwam al was het maar door de pesterijen vanwege de plaatselijke politie, iets waar De Dolle Mol ruim zijn deel van heeft gehad. (“Bruxelles ne sera pas un deuxième Amsterdam” baalde de liberale burgemeester Lucien Cooremans in ’72 om zijn preventieve politieoptredens te verdedigen). Dat brengt ons bij een andere koppige mythe: die van het drugsgebruik. Met stelligheid kan ik zeggen dat er bij mijn weten op geen enkel moment marihuana-produkten werden gedeald, laat staan hard drugs. En er werd ook niet geblowd. Darvoor moest je in die tijd in de Naamse-Poortbuurt zijn. In De Dolle Mol was dat ten enen male onmogelijk al was het maar doordat het café een uitgesproken links profiel had en daardoor constant in de gaten werd gehouden door overheidsinstanties. Het tegendeel is waar: er heerste op dat vlak paranoia bij de mensen die de zaak uitbaatten. Het ging zo ver dat wij ooit - tijdens en bezoek van een illuster Nederlands literair gezelschap dat een jointje opstak - in paniek het bordje “gesloten” ophingen en de gordijnen dichttrokken, tot de rook om ons hoofd was verdwenen. Het tolereren van drugsgebruik zou een zelfmoord van het café zijn geweest. Wat ons niet belette pamflettair te ijveren voor de legalisering van softdrugs, maar dit alleen was al genoeg voor de B.O.B. (Bijzondere opsporingsbrigade van de Rijkswacht) om ons te viseren. En het café had natuurlijk politieke vijanden die het in een kwaad daglicht zetten of verdacht maakten: de kringen rond de later verboden paramilitaire extreemrechtse VMO (Vlaamse Militantenorde) – die ooit een raid uitvoerde en barman en bezoekers gijzelde - en het reactionaire FDF (Front démocratique des Francophones) dat stinkbommetjes kwam gooien en de gevel bekladden.

Herman J. CLAEYS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
11 décembre 2009 5 11 /12 /décembre /2009 03:54

“Groot was mijn ontgoocheling toen ik op de dag dat ik mijn caféboek Gruuten Dëst in 2002 aan de pers voorstelde vernam dat De Dolle Mol gesloten was. Tja, een café uitbaten is nu eenmaal ook een zaak van goed beheer, daar kun je tegenwoordig zelfs in het eerste het beste jeugdhuis niet onderuit. Ik vind het verkeerd om een café te subsidiëren. Ik heb dit ook al aan de minister laten weten in het parlement toen hij en passant zijn voornemen bekend maakt. De Dolle Mol was een legende. En legendes subsidieer je niet. Je laat ze legende blijven”

Dit schrijft Jets gemeenteraadslid en Vlaams VLD-parlementslid Sven Gatz, voormalig Spirit-partijgenoot van cultuurminister Bert Anciaux op zijn website op 3 mei 2007.

De minister ziet het echter anders. De Dolle Mol behoort tot het culturele erfgoed van Brussel en Vlaanderen, en daarom draagt zijn kabinet alle kosten voor de renovatie van het pand en de huurrkosten voor de eerste drie jaren. Daarna moet de zaak opnieuw zichzelf bedruipen.

"Het gaat zeker niet om een subsidie, maar eerder om materiële steun'', verklaarde uitbater Jan Bucquoy in een persmededeling. “Maar wij blijven onze onafhankelijkheid bewaren. De vrijheid van geest die De Dolle Mol belichaamt, blijft behouden".

Al op 1 mei vorig jaar kraakte Bucquoy het café uit protest tegen de leegstand en de woekerprijzen op de vastgoedmarkt. De politie zette hem na enkele weken illegale exploitatie uit het gebouw en Bucquoy bracht met enkele kompanen de nacht in de cel door. De eigenaar van het pand, een vastgoedmaatschappij, liet het café dezelfde dag nog kort en klein slaan opdat er zeker geen drankgelegenheid van dien aard zou kunnen worden ingericht. Toen had de minister al de mogelijkheid overwogen om het pand aan te kopen, en er is ook even sprake van geweest om het café onder te brengen in een leegstaand gebouw twee huizen verder. Maar begin mei 2007 kon Het kabinet de eigenaars toch overtuigen om het pand opnieuw te verhuren.

Deze hoogst ongewone, bijna ongeloofwaardige gang van zaken geeft alweer stof tot nieuwe legendes, iets waar De Dolle Mol sinds zijn ontstaan in 1969 mee is omringd. Het begon al met de oprichting: een alternatief handeltje met de naam Free Press Bookshop dat in 1965 in de provosfeer aan de Spoormakersstraat was ontstaan barstte uit zijn voegen omdat het als – ook avondlijke - ontmoetingsplaats fungeerde voor het literaire, artistieke en revolutionaire zootje ongeregeld dat het Brussel van de jaren zestig in zijn bonte schoot koesterde, en er werd om de hoek een keldercafé geopend als een soort verlengstuk van de Bookshop binnen dezelfde vzw. Free Press.

Van meet af aan was het café zeer controversieel. De Kaasmarkt had toen nog bijna geen restaurants, alleen veel jongerencafés en dancings. Het was een wat louche uitgaansbuurt, en om de haverklap voerde de politie pascontroles op straat en in de kroegen, wat in die onverdraagzame jaren meer regel dan uitzondering was. Het langharige werkschuwe tuig, weet je wel. Algauw werd de Kaasmarkt door de bezoekers Repressiestraat / Rue de la répression genoemd. Daarbij werd vooral De Dolle Mol geviseerd, op verdenking of beschuldiging van nachtlawaai, hasjgebruik, handel in bootlegs, drankmisbruik door minderjarigen en andere inbreuken. Tweemaal werden de hele clientèle en uitbaters na visitatie ter plekke in overvalwagens naar de Rijkswachtkazerne afgevoerd voor nachtelijk verhoor. Daarbij werden optredende muziekbands niet gespaard. Tenslotte werd het café na twee jaar van ambtswege gesloten vanwege… het te lage plafond. Dan maar illegaal voortgeboerd op de eerste verdieping waarbij de bezoekers de huisbel moesten gebruiken. In 1972 werd uiteindelijk een leegstaand café afgehuurd op nr. 52 in de Spoormakersstraat, die nog de huidige locatie is. Wij sloopten op de eerste verdieping z eigenhandig e, zonder toestemming van de eigenaar de muren tussen twee kamers en een zijgang om er een ruimte te creëren voor artistieke en informatieve tentoonstellingen, poëzievoordrachten en vergaderingen van allerhande progressieve verenigingen en clubjes. Onder andere vergaderden er het bestuur van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, de in exil werkende oppositiebeweging tegen Moboetoe, het bevrijdingsfront Merdeka voor de Zuid-Molukken, en verscheidene andere revolutionaire landencomités. Dat gaf uiteraard aanleiding tot opvallend bezoek van “stillen”.

Ook om andere redenen had politie in burger van diverse pluimage belangstelling voor wat er gezegd en gedaan werd. In die jaren zeventig was Franco nog aan de macht en in linkse kringen gingen we ervanuit dat België met het Spaanse fascistische regime “collaboreerde”. De Dolle Mol werd in het grootste geheim een doorsluispunt voor Spaanse politieke vluchtelingen die hier van een vervalst Belgisch paspoort werden voorzien voor hun vlucht over de toen nog persoonsgecontroleerde Nederlandse grens met als eindbestemming de ideale onderduikstad Amsterdam. Daar werden ze opgevangen door mensen die in de Europese antifranquistische beweging actief waren. Dat is geenszins een van de vele mythes die over de kroeg de ronde deden. Evenmin als het een verzinsel is dat de door Interpol opgespoorde Andreas Baader via ons van Amsterdam naar Frankrijk moest worden geloodst, dit na een gecodeerd telefoontje naar mij van de Amsterdamse gewezen provovoorman Roel van Duyn, een bijzonder riskante operatie, waar de staatsveiligheid net te laat lucht van kreeg, en niets kon bewijzen. Niet dat we achter de methoden van de Rote Armee Fraktion stonden. We waren merendeels pascifisten, maar we hadden in onze visie wel dezelfde vijanden als de Baader-Meinhofgroep: het militair-economische complex, het kapitalistische systeem, de politiestaat.

Dat zijn anekdotes die iets zeggen over het politieke engagement van een aantal lieden die de kroeg in die koudeoorlogsjaren frequenteerden terwijl in de huiskamers de zwart-witteevee dagelijks de gruwelijke slachtingen in Viëtnam toonde.

Herman J. CLAEYS

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
6 novembre 2009 5 06 /11 /novembre /2009 21:55

Eddy Tanghe, de waard van het bruinste cafe van Gent, zij het met een veeleer dieprood cliënteel, is overleden. Hij werd 82. ’t Keetje was in de jaren 60 tot 80 de stamkroeg van den Antwerpen Boven, ‘t Zal wel Gaan, de Trotskisten, de journalisten van de Vooruit, De Morgen en andere fellow-travellers. Het ligt nu leeg te vervallen in de St-Pietersnieuwstraat tegenover het Rectoraat en de Vooruit, en naast het gelijknamige krantengebouw van toen.

De monumentale waard Eddy Tanghe had warme, zij het vaak sarcastische gevoelens voor zijn trouwe klandizie, maar beroemde bezoekers konden helemaal zijn ..ûten kussen. Na een debat van de socialistische studenten heb ik er eens de linkse coryfeeën Ernest Mandel en Georges Debunne (toen voorzitter van het ABVV) meegebracht. Toen ik Eddy op hun aanwezigheid wees, moet ik hem de indruk gegeven hebben dat hij onder de indruk moest zijn. Ik stond voor aap: zijn eerbetoon beperkte zich tot de vraag: “Pîntse?”, en ik zat bij hem definitief in de hoek van wat later de ‘gauche caviar’ zou genoemd worden. Eddy was een onversneden anarchist. Trouwens, het was in de tijd dat de BVs nog moesten uitgevonden worden. Door zichzelf. En er waren toen nog Belgen.

Op zondagavonden was het er druk: dan stond het vol koffers van de met de NMBS aangekomen studenten die daar aan hun werkweek begonnen Op zaterdagen daarentegen, (kotstudenten naar huis…) sloot Eddy zijn Keet. Zijn sabbat bestond erin zich voor de afwisseling in ‘t Vosken te laten bedienen. Op een memorabele uitzondering na: de zaterdagnacht in 1968 waar hij voor een cornucopische tractatie een dertigtal stamgasten had uitgenodigd (voor één keer waren de Trotskisten wellicht in de meerderheid, maar Eddy had ook een fijne neus voor aanstaande vooraanstaanden, ongeacht hun toenmalige aangehorigheid). We moesten er stipt te 21u zijn; daarna ging de deur op slot.

Eddy tapte toen Vega pils, ergens uit Noord-Frankrijk, in hoge glazen, en elders dan in ’t Keetje nauwelijks genietbaar. Het debiet van Vega in Gent, die avond, zal dit van de Schelde en de Leie, ook uit Frankrijk, welhaast geëvenaard hebben. De ene pint was nauwelijks aangenipt, of zoon Jacky (nu een kunstenaar) had er al een nieuwe naast gezet. Ze bleven maar komen. Tegen 11 u kregen we stapels boterhammen met uufdvlâkke en mosterd van Tierentyn. De tabaksrook was te snijden. Het hoogtepunt van de avond had Eddy rond 2 u geprogrammeerd. Zijn gasten waren dan al uren over hun hoogtepunt. Hij sommeerde ons naar zijn bovenverdiepingen. Met zijn 25 (er waren er reeds enkele uitgeteld; die bleven suffend aan de rand van een bosje aangenipte Vegas zitten) stommelden we de nauwe trap op. De gangen en kamers van de twee verdiepingen stonden vol tegen de muren gestapelde schilderijen. De meest corpulenten, waaronder Eddy en dehoogzwangere Monique De Belder, moesten zich tussen de stapels wurmen.

Ach, Monique De Belder! Zij maakt een flashback nodig. Zij fonkelt nog steeds in mijn herinnering als de ster van een andere avond in ’t Keetje kort daarvoor, en ik moet voor haar mijn verhaallijn onderbreken. Klaartje en ik zaten daar met onze vriend Franklin Mendels, een Franco-Amerikaanse economische historicus die in Gent zijn naar het schijnt in dit vakgebied klassiek geworden doctoraat aan het schrijven was over de demografie van de overgang van huisarbeid (‘cottage industry’) naar industriële vlasverwerking in Oost-Vlaanderen. Hij kon zijn hertenogen van beau ténébreux niet afwenden van Monique, die aan de Eddy’s drukke toog stond te kletsen. “Cette fille! Son regard, son cou, ses épaules, ses seins… Elle me rend fou. Qui est-elle? Peux-tu me présenter?” Helaas, als hij ooit enige kans had gemaakt, dan was die verkeken. Het was drummen aan de toog, en hij had niet in de gaten dat iemand (Sus Van Elzen, zo bleek) hem ongeveer acht maanden was voorgeweest.

Terug naar Eddy’s hoogdag, een paar weken later. Hij sleepte ons per contingent van twee of drie (voor meer was er geen plaats) langs de rijen schilderijen en haalde er hier en daar een van tussen voor demonstratie. Volgens mijn wat benevelde herinnering waren er werken van Burssens bij. Wat Eddy bij voorkeur toonde waren knoestige boomstronken, soms drijvend in donkere vijvers. Boomstronken waren blijkbaar Eddy’s iconografisch ding. Hij was zelf een boom van een vent. Onderwijl klonk het gestommel van de 20 marxisten die in ketting op de trap moesten wachten tot ze aan de beurt kwamen. Zij hadden als tussentijdse opdracht een reguliere stroom Vega pilsjes naar boven door te geven. Degenen die hoognodig naar het toilet beneden moesten hadden de optie zich langs de morrende rij pilsdoorgevende wachtenden de trap af te wringen, maar verloren zo hun plaats in de rij. Hun alternatief was het dan maar in een pilsglas te doen. Omdat ze dan onverwijld een volgende Vega toegestoken kregen, en in evidente toestand verkeerden van verregaande incoördinatie tussen de rechter en de linker hand, knaagt enige twijfel over de precieze inhoud van sommige pilsglazen die tot boven aangereikt werden.

Herinnert zich iemand het einde van die nacht? Mijn vrouw houdt vol dat rond 3 uur Eddy nog tomaat-garnaal liet aanrukken…

In de Keet knetterden de ideeën en gierden de hormonen. Vergeet nooit de Keet.

t Keetje ligt er nu verlaten en verweesd bij. Zoals de Vooruit ernaast, moet het gered worden. Laten de overlevende gasten, BV of niet, hun getuigenissen op een webstek zetten. Iemand zal dan wel een boek uitgeven, ‘Forever ’t Keetje’ of ‘Keet in de Keet’ of zoiets.

Kan de stad Gent het pand kopen, klasseren en voor uitbating verhuren? Heeft iemand een beter idee? Eddy komt niet terug. Misschien Jacky Tanghe?

Jan BERNHEIM MD PhD, em. Professor VUB

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
5 novembre 2009 4 05 /11 /novembre /2009 05:20

Een queeste naar Bérenger Saunière in de Vaticaanse Archieven

 

Bij ontstentenis van harde feiten, van (onvervalste!) documenten of van aanvaardbare hypothesen blijft de elegantste oplossing dus: spannende romans over de affaire schrijven zoals b.v. Dan Brown het heeft gedaan, dan weet je tenminste waar je aan toe bent. Blijkbaar beschikt de man zelfs over voldoende fantasie en talent om gelijkaardige thema’s te blijven uitmelken; het weze hem van harte gegund.

Hopelijk komen onze Vlaamse schrijvers op hun beurt vlug met titels als Het Rubens Raadsel, De Congo Connectie, De Coburg Code of De Danneels Deceptie. Explosief materiaal in overvloed en vermits deze titels ook mét behoud van de alliteraties makkelijk en zelfs woordelijk in het Engels vertaalbaar zijn, wordt wereldwijd succes gegarandeerd (1).

Laten we ons er dan echter, nogmaals en tot in den treure, alleen maar goed van bewust blijven dat we ons daarmee in het ‘Parc Rennes-le-Château’ of in ‘Saunièreoscope’ bevinden – of, in het beste geval, misschien op het terrein van de goede, de grote, de belangrijke literatuur.

3. Literatuur dus. Temidden de hele onverkwikkelijke affaire blijft als een lichtend en voor mij nu balsemend baken een artikel overeind van een zeer wijs en beminnelijk man én groot auteur, Hubert Lampo. Hij publiceerde destijds zijn eigen visie op de affaire onder de titel ‘Rennes-le-Château: een mythe ontmaskerd? De feiten rond een bestaande legende’ (Bres 155, augustus-september 1992, pp. 18-32), essay dat later opgenomen werd in zijn verzamelbundel Heimwee naar de sterren onder de iets nuchterder titel ‘Rennes-le-Château. De feiten rond een legende’ (Meulenhoff 2003, pp. 299-321): een synthese, een status quaestionis die in die typische Lampo-stijl en op bondige wijze een voortreffelijk overzicht biedt van de belangrijkste aspecten van de zaak-Saunière. Ik had het artikel destijds gekopieerd en gelezen voor ik naar Rome vertrok (2).

Deugddoend is de vaststelling dat in dit essay gezond verstand én eruditie zegevieren, en dat Lampo zich ver houdt van ongefundeerde oplossingen. Integendeel: hij waagt zich weliswaar voorzichtig aan een mogelijke verklaring voor Saunières weelde, nl. beursspeculatie, maar voor de rest roept hij meer vragen op dan hij antwoorden formuleert. Terzijde: de enige kleine moeilijkheid in het artikel is het feit dat het niet altijd helemaal duidelijk is of het om Lampo’s eigen woorden of gedachten gaat, dan wel of er gesproken wordt in de erlebte Rede.

Met één detail ben ik het echter niet eens. Lampo schrijft:

In elk geval strookt het niet met de waarheid, dat onze curé uiteindelijk zijn slag bij de paus zou hebben thuisgehaald. De toestand is nog altijd stationair en negatief als Saunière in 1917 aan een infarct bezwijkt.

(Heimwee naar de sterren, p. 304)

 

Wie mijn dagboekje las, weet dat ik nooit de brieven zelf in handen heb gehad. In de ‘protocolli’ van het Archivio (zie mijn tekst) worden echter alle inkomende stukken niet alleen gerubriceerd maar tevens voorzien van een bondige omschrijving, zodat men op basis daarvan reeds min of meer weet waar de gezochte documenten over handelen. Welnu, in verband met een bepaalde brief van Saunière en de daarop volgende correspondentie van en naar het Vaticaan (wij noemen zoiets tegenwoordig op internetfora een ‘thread’) stond meer dan eens de vermelding “Reponatur”, wat zoveel betekent als ‘geseponeerd’. Het gaat hier om correspondentie die reeds van 1912 en 1913 dateert. Ik heb dus een zeer sterk vermoeden dat Rome de zaak wel degelijk als afgehandeld beschouwde, en niet in 1917 maar al vier tot vijf jaar vóór Saunières dood.

Ik waag mij zelfs aan een gedurfder veronderstelling. We weten dat in Saunières tijd de relaties tussen de Franse staat en het Vaticaan erg gespannen waren. We weten ook dat Saunière reactionair-monarchistische donderpreken afstak van op zijn kansel. En dan is daar plots een stoorzender, een luis in de pels, in eigen toprangen nog wel: een strenge en op orde gestelde maar ongetwijfeld goedmenende prelaat – Monseigneur de Beauséjour, bisschop van Carcassonne – die precies Saunière, een onbuigzame steunpilaar tegen het republikeinse en anti-klerikale geweld, wil desavoueren. Wellicht zat het Vaticaan daarom met het hele geval gewoonweg erg verveeld en beschouwde de kerkelijke overheid het conflict tussen de bisschop en zijn priester louter als een privé-vete waar ze zo vlug mogelijk van af wilde. Dit gekneld zitten tussen twee vuren – een respectabele prelaat enerzijds, anderzijds een rots van een priester – en de daaruit voortvloeiende onbeslistheid en aarzelingen bij de hoogste hiërarchie verklaren mogelijk ook de afwezigheid van de documenten destijds in ‘mijn’ mappen.

Het zou zelfs nog banaler kunnen. In de archieven zag ik verwijzingen naar brieven van een vijftal van Saunières collega’s, precies over hetzelfde probleem en dezelfde beschuldiging (handel in missen) als in zijn geval, naast enkele verwijzingen naar brieven van Franse bisschoppen over hetzelfde onderwerp of over ‘aalmoezen’. Gezien de historische context lijkt het me aannemelijk om te veronderstellen dat de toenmalige anti-klerikale atmosfeer in Frankrijk het heel wat priesters zodanig moeilijk maakte dat ze zich wel verplicht zagen hun toevlucht te zoeken tot bijvoorbeeld buitensporige aantallen missen om te overleven. (Saunière zelf moest gedurende zes maanden zijn staatswedde derven omdat hij politiek opruiende praat verkocht in zijn kerk).

Dat het Vaticaan alleen al met het hoge aantal van dat soort schermutselingen tussen Kerk en Staat meer dan verveeld zat en bovendien ongetwijfeld begrip kon opbrengen voor die ‘martelaren’ (daarmee, in het geval van Saunière, ingaande tégen het advies of de verzuchtingen van bisschop de Beauséjour) lijkt me eveneens evident (3).

Lampo’s slotbeschouwing is hoopgevend en helend. Hij omschrijft het “complex Rennes-le-Château” als “één ontzaglijke rorschachtest”, vergelijkbaar met de pyschiatrische methode om iemands “onbewuste bewogenheden” zichtbaar te maken. Misschien heeft Saunière het inderdaad allemaal zo bedoeld: de bouwwerken, de geheimzinnige visuele en tekstuele allusies in en rond de kerk, de foto’s waarop hij poseert met Marie Denarnaud. En ik denk hier nu plots ook weer aan die intrigerende witte parasol.

Hij rondt zijn essay dan af met deze terechte overtuiging:

Rennes-le-Château is een legendarische, psychologische en weldra mythische structuur met verregaande betekenis. Zij staat bol van archetypisch materiaal.

(Heimwee naar de sterren, p. 319)

 

Zijn voorbeelden: de verborgen schat, de verloren koning, de koninklijke graftombe, de erotisch geladen animafiguur en nog veel meer.

De wereld waarin wij ons goed voelen is er [...] een, onafgebroken door de menselijke verbeelding of ons invoelingsvermogen, opgeladen, en die zodoende op een speciale manier zinvol wordt. [...] Geestelijk hoger geladen plekken bestáán, daar leidt geen weg omheen. Dit niet kunnen voelen, betekent veel missen. In uitzonderlijk sterke mate behoort het heuveldorpje Rennes-le-Château in de oude Languedoc tot deze plaatsen. Al zou de hele kwestie niet meer zijn dan één wild verzinsel! Het wonder schuilt niet in iets dat iedereen normaliter als onmogelijk ervaart. Het schuilt in het ontstaan van een magische, aan oeroude, diepe menselijke verzuchtingen beantwoordende en deelnemende psychische structuur. En dat is ook een feit...!

(Heimwee naar de sterren, p. 320-321)

 

Ik ben het daar volkomen mee eens.

Bovendien: die volkomen legitieme, diepgewortelde en onweerstaanbare hunkering naar ‘helende’ magische geladenheid, naar betekenisscheppende fantasie en invoeling sluit geenszins een wetenschappelijke of rationele benadering van de werkelijkheid uit. Ook het omgekeerde is waar: een nuchtere, objectieve kijk op de zaken zal de mens nooit kunnen beletten om gedroomde zinvolheid te zoeken, zal er nooit in slagen om de aan de realiteit inherente magie teniet te doen.

Droom en werkelijkheid, fantasie en wetenschap: het zijn twee aspecten van één psychische structuur. Ze kunnen elkaar wederzijds stimuleren en zelfs bevruchten op voorwaarde dat men weet waar men mee bezig is en mits ze elkaar in een bepaald evenwicht houden. En soms, héél soms, gaan ze zo naadloos in elkaar over – in een gedicht, een muziekpartituur, een schilderij, iemands gelaat... – dat ware ontroering mogelijk en ‘schoonheid’ zichtbaar wordt.

Ik zet mij nu aan de lectuur van Lampo’s roman De geheime academie (1994) waarin, jawel, het raadsel-Saunière een rol speelt. Dan weet ik tenminste waar ik aan toe ben. En vooral wat ik eraan heb: de onschatbare rijkdom van een nooit in te perken en zingevende verbeelding.

Luc PAY

 

Zie ook de blogs van 23, 25 en 28 september; 8 en 16 oktober; 3 november.

 

(1) Voor een titel als Het Van Eyck Enigma stel ik als Engelse variant voor: The Lair of the Lamb.

(2) Het was Henri-Floris Jespers die mij tijdens een recent gesprek attent maakte op de herpublicatie van Hubert Lampo’s essay in genoemde verzamelbundel. Het was trouwens diezelfde HFJ die mij destijds naar Hocke in Genzano ‘stuurde’ (zie dagboek) en die mij nu enthousiast aanbood mijn dagboekje hier na zoveel jaar toch te publiceren. Waarvoor mijn oprechte dank.

(3) Bladerend door mijn Archivio-archief vond ik een kopie terug van een brief van Pius X aan de Franse (aarts-) bisschoppen uit 1910 met als aanvangswoorden “Notre charge apostolique”. In deze brief veroordeelt de paus in scherpe bewoordingen Le Sillon, een ‘modernistische’, republikeins-georiënteerde en sociaal-geëngageerde (socialistische) katholieke beweging die een gelijknamig tijdschrift publiceerde; ze bestond van 1894 tot 1910. Is het denkbaar dat practical jokers Plantard en De Chérisey zich op deze beweging inspireerden toen zij de Prieuré de Sion in het leven riepen? Ik signaleer het maar even voor de liefhebbers.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
3 novembre 2009 2 03 /11 /novembre /2009 05:10

Een queeste naar Bérenger Saunière in de Vaticaanse Archieven

 

Augustus 2009.

Dit Klein Romeins dagboek werd daadwerkelijk in 1995 geschreven als een dagboek dat ik op de in de tekst vermelde data nauwgezet elke avond aanvulde met de gebeurtenissen en ervaringen van de voorbije dag. Twee jaar later, in 1997, was een volledig uitgeschreven en ‘leesbare’ versie ervan klaar in digitale vorm die ik daarna tevens onmiddellijk snoeide en stilistisch oppoetste tot een publiceerbare tekst. Die laatste ‘gesnoeide’ versie diende als basis voor het dagboek zoals het hier nu voorligt: nogmaals ingekort waar het kon, stilistisch opnieuw bijgeschaafd maar nu voorzien van enkele schaarse toelichtingen of achtergronden die ik voor de lezer onontbeerlijk acht.

Ik schreef mijn originele notities na de feiten uit tot een volwaardige tekst om zoveel mogelijk herinneringen te vrijwaren van vergetelheid, louter voor mezelf dus. Anderzijds redigeerde ik die tekst eveneens tot een publiceerbare bijdrage, al beschouwde ik publicatie op dat moment alleen als een vage mogelijkheid en zag ik heel bewust af van concrete stappen in die richting. Het hele avontuur had me immers zo ontgoocheld en zelfs gedegoûteerd dat ik elke belangstelling voor het onderwerp verloor. Daarom sluimerde het dagboek twaalf jaar (of veertien, zo men wil) in papieren en elektronische vorm in mijn archief.

En toen kwam The Da Vinci Code (2003), boek dat een nog grotere hype en nog meer beroering deed ontstaan dan The Holy Blood and the Holy Grail (1982) van Baigent cum suis. Ik las het boek van Brown en dacht er niet zonder enige bitterheid het mijne van. Ik ben ondertussen echter wel van mening dat Brown met het Rennes-mysterie het beste heeft gedaan wat ermee gedaan kón worden, namelijk er een bloedstollende faction-thriller van maken (of hij daarin ook echt geslaagd is, speelt in deze context geen enkele rol). In elk geval dook Saunière weer onweerstaanbaar op in mijn herinneringen.

Het internet ontketende in de loop der jaren een exponentiële toename van websites, fora en ‘publicaties’ over Rennes-le-Château, Bérenger Saunière en alle denkbare aanverwante thema’s – de (het) ene al ongeloofwaardiger dan de (het) andere. Totaal uit de lucht gegrepen verzinsels worden in de virtuele ruimte als waar gepresenteerd en in omvangrijke dossiers geanalyseerd, meestal volslagen kritiekloos en zonder de minste wetenschappelijke deontologie, zodat de wildste verhalen tot misleidende geschiedenis gepromoveerd worden. Bepaalde ficties worden door overijverige ‘auteurs’ klakkeloos van elkaar overgenomen, andere worden aan de reeds woekerende massa toegevoegd waarbij zelfs de allerkleinste details tot mythische dimensies uitvergroot worden, b.v. een geheimzinnige witte ‘paraplu’ (veeleer een parasol, dunkt me) waarmee Saunière op bepaalde foto’s poseert. De vertakkingen van het mysterie (de genealogie van Christus, de tempeliers, de katharen, de Merovingers, het Heilig Bloed in Brugge, de Europese politieke geschiedenis, alchemisten en vrijmetselarij, de Graal, de Ark van het Verbond, het Lam Gods, ja zelfs UFO’s...) hebben een duizelingwekkende omvang aangenomen. Wie kan uit dit onoverzichtelijke labyrint van tienduizenden, zelfs honderdduizenden meestal volslagen onbetrouwbare ‘hits’ en ‘links’ nog wijs raken?

Op één van die talloze en oeverloze websites (http://www.perillos.com/sauniere_trial1.html) behandelt ene Filip (soms ook Philip) Coppens heel uitvoerig precies het probleem waar ik voor naar Rome trok: het conflict tussen parochiepriester Saunière, zijn bisschop de Beauséjour en het Vaticaan.

Coppens noemt om te beginnen zijn dossier “The trial”, al is het hoogst twijfelachtig of er in Rome wel ooit een echt ‘proces’ plaats heeft gevonden; alles wijst er integendeel op dat zulks niet het geval is geweest.

Het dossier omvat een dertiental pagina’s als je de webtekst kopieert in een word-document. Een erg boeiende en zeer gedetailleerde reconstructie van de feiten, dat is het zeker, bovendien duidelijk gebaseerd op grondige research: de verschillende fasen in de evolutie van het geschil worden uit de doeken gedaan aan de hand van een omvangrijke briefwisseling – precies die briefwisseling waar ik in Rome naar zocht en die daar onvindbaar bleek.

Probleem is alleen: nergens, maar dan ook nergens vermeldt deze Coppens waar hij de correspondentie vandaan heeft gehaald, waar de originelen zich bevinden dan wel gepubliceerd werden. Ik heb een sterk vermoeden dat hij als bron Les Archives de l'Abbé Saunière. Volume 2 (Pierre Jarnac, 1987 [?]) gebruikte, een boek waarin de volledige briefwisseling van Saunières raadsman Huguet gepubliceerd werd. (Ik kende het werk destijds niet maar het lijkt me nu documenten te bevatten die niet in Rome maar in de archieven van het bisdom Carcassonne berusten, en dan nog alleen maar de brieven van de bisschop en van raadsman Huguet, dus niet de antwoorden vanuit Rome). Of werd alles gekopieerd van een andere website, of uit nog een ander boek?

Tussen haakjes: Coppens gooit zich op diezelfde website samen met een co-auteur op een ander hot item in het hele Saunière-circus: een plaasteren maquette van een landschap waarop de graven van Christus en Jozef van Arimathea aangeduid staan... maar dan wel gelocaliseerd in Spanje, als ik het tenminste goed begrepen heb. Waar en hoe de maquette (er bestaan trouwens meerdere exemplaren van) gevonden werd, hoe ze daar terecht kwam en hoe ze precies in het bezit kwam van de auteur, dat zijn vragen die slechts in heel vage en verwarrende bewoordingen beantwoord worden (Coppens’ Engels taalgebruik is inderdaad soms irriterend slordig en inaccuraat). Er bestaan echter andere websites die over dit onderwerp wél verhelderende en systematische informatie bieden. Het strafste is evenwel het feit dat Coppens en zijn kompaan ter adstructie van dit dossier een foto van een brief van Saunière publiceren waarin de datum en een verwijzing naar een bevriende priester (nl. diens naam en woonplaats) weggecensureerd werden achter zwarte rechthoekjes. Ik weet het wel: de journalistieke methodiek is niet dezelfde als de wetenschappelijke, maar het is wel degelijk een methodiek, een ándere weliswaar maar een mijns inziens al even rigoureuze. Het hoge Efteling-gehalte van dit soort websites, de schaamteloze copy-paste techniek én het aperte achterhouden van informatie vormen een aanfluiting van om het even welke deontologie, ja zelfs gewoon van elk fatsoen ten aanzien van een lezer.

Toevallig constateerde ik dat één van de alinea’s in Coppens’ “Trial”-dossier nagenoeg woordelijk gekopieerd werd uit een ander artikel, uiteraard zonder enige referentie. Want het internet leidt ook tot interessantere contacten zoals de vereniging ‘Rennes Group’, of voluit de ‘Rennes-le-Château Research Group’. Op hun website (http://rennesgroup.pbworks.com) vond ik een verwijzing naar een artikel van Guy Patton, ‘Abbé Saunière and the Vatican’, gepubliceerd in hun magazine Rennes Observer 14, maart 1997. Twee e-mails volstonden: een naar hoofdredacteur Stephen Patterson en één naar de auteur van het artikel zelf. Guy Patton stuurde mij per kerende een scan van zijn bijdrage.

Hierin parafraseert en synthetiseert de auteur de inhoud van de correspondentie die hij vond in

nothing less than a file on the accusation made against Saunière by Mgr Beauséjour [sic], the subsequent trial and sentence and Saunière’s appeals, held in the Vatican’s Secret Archives.

(Rennes Observer 14, March 1997, p. 18)

 

Die laatste plaatsbepaling kwam aanvankelijk als een schok. Patton vervolgt: “The existence of this file was confirmed by Mgr Archbishop Crescengio [sic] Sepe, who is in charge of the Secret Archives. (1)” (ibidem, p. 18) Dat het dossier in Rome bestond, wist en weet ik maar al te goed. Maar dat Patton daar inzage van gehad zou hebben, leek me hoogst onwaarschijnlijk – en op zijn minst ‘onrechtvaardig’ – gezien mijn eigen ervaringen twee jaar eerder.

Maar dan:

Unfortunately for those anticipating some ‘explosive’ information that would reveal the ‘truth’ behind the mysteries of Rennes-le-Château, the file is little more than a copy of the Bishop of Carcassonne’s records of the Saunière affair much of which has already been published.

(ibidem, p. 18)

 

Bedoelt Patton met het gepubliceerde materiaal misschien datzelfde boek van Jarnac? Jammer genoeg geeft hij geen enkele referentie naar het hem bekende gepubliceerde materiaal.

Blijft natuurlijk ook de (intrigirende en fundamentele) vraag: uit welke bron komen de documenten dan wel die Patton zelf in handen heeft gehad? Dat het niet om de Vaticaanse archieven kan gaan maar waarschijnlijk om de bisschoppelijke in Carcassonne moge voldoende duidelijk zijn uit de citaten hoger. Ook hier krijgen we dus geen expliciete bronvermelding, wat Patton als volgt motiveert:

The source of this material has requested anonymity which of course I will respect. However, I can vouch for the authenticity of the information.

(ibidem, p. 19)

 

Ik ben echt overtuigd van Pattons eerlijkheid én van de authenciteit van het materiaal dat hij bespreekt; bovendien begrijp ik wel degelijk dat verzoek om anonimiteit. Toch blijft ook in dit geval het wegmoffelen van de bron (twee bronnen eigenlijk) een ontgoochelende en lichtjes irriterende manier van werken.

Wat er ook van zij, het contact met de Rennes Group kan ik alleen maar als positief en sympathiek bestempelen; ik ben Stephen Anderson en Guy Patton dan ook dankbaar voor hun openhartige en genereuze medewerking.

Men zou mij kunnen vragen waarom die wilde verhalen en zogenaamde ‘dossiers’ op het internet mij zo ergeren. Iedereen heeft toch het recht om zijn fantasieën elektronisch bot te vieren en wereldkundig te maken, of om naar believen te gaan graven in Saunières tuintje en zelfs ver daarbuiten? Natuurlijk heeft iedereen daar, strikt genomen en gezien de vigerende politiek-correcte normen, het recht toe en mag iedereen naar hartelust zijn gangen gaan. Ik ben echter niet van mening dat iedereen zomaar al zijn eigen fantasietjes en bezigheidjes elektronisch moet beginnen ventileren, althans niet onder het mom van ernst en degelijkheid, noch dat het internet door de veralgemeende publicatiemogelijkheid een ‘democratisch’ medium zou gaan betekenen.

Ten eerste: de ‘kennis’ die op het net verspreid wordt is in de overgrote meerderheid van de gevallen die naam niet eens waard. Het kritiekloze copy-pasten, de afwezigheid van bronvermeldingen, de totale afwezigheid van enige structuur of systematiek op het net, de afwezigheid van controlerende en evaluerende filters, de afwezigheid van elk greintje zelfkritiek, het vaak schabouwelijke taalgebruik (dat op zijn minst een gebrek aan aandacht verraadt en dus op zich al veel te denken geeft over de inhoud van teksten), de redundantie of de overlappingen van de informatie: dat alles maakt dat de intellectuele spoeling erg dun wordt. Wie dus beweert dat het net – in zijn totaliteit of, nog erger, in zijn essentie – hét ‘volksverheffende’ instrument bij uitstek zou zijn dat de ware democratie vestigt en iedereen deelachtig maakt aan de ‘universele’ kennis, die beschouw ik als een gevaarlijke demagoog (2). Alle net genoemde punten van kritiek gelden a fortiori voor veel, zoniet de meeste informatie rond het geval-Rennes/Saunière.

Ten tweede, en dit volgt gedeeltelijk uit het voorgaande: de onstelpbare stroom van ‘documentatie’ rond Rennes met zijn alsmaar uitdijende vertakkingen overwoekert de échte, gefundeerde verklaringen of inzichten en leidt bovendien de aandacht af van de kern van het probleem.

Nog zorgwekkender is vervolgens het feit dat ‘mysteries’ van dit kaliber aanslaan bij een zeer breed publiek van divers pluimage zodat er met die raadsels grof geld verdiend kan worden door verschillende ‘actoren’, in de eerste plaats uiteraard door het dorpje Rennes zelf. De eerste die dat goed begrepen had was Noël Corbu (of misschien, wie weet, nog vóór hem Saunière himself...).

Gevolg: velen hebben er alle belang bij om het potje van de waarheid gedekt te houden en juichen ongetwijfeld met genoegen de wereldwijde belangstelling en de overdaad aan de meest waanzinnige ‘dossiers’ aan.

Tweede, niet denkbeeldig gevolg is dat de terzake echt relevante bronnen in instellingen of bij privé-personen afgeschermd en zelfs gesloten worden, hetzij uit oprechte en begrijpelijke ergernis, hetzij omdat ook zij het geschikte moment afwachten om een graantje van de hele lucratieve heisa mee te pikken. Kort na de eeuwwende heb ik zelf overwogen om de archieven in Carcassonne in te duiken, tot een niet mis te verstane waarschuwing op de website van het bisdom mij daarvan weerhield, nl. dat het Saunière-archief voortaan onherroepelijk ontoegankelijk was. Terecht natuurlijk, omdat het materiaal blijkbaar al gepubliceerd wás; bovendien kan ik mij best voorstellen dat de toeloop van allerlei clowneske schattenjagers, pseudo-historici, zelfverklaarde cryptologen of UFO-spotters een archivaris op de duur danig op de zenuwen begint te werken.

Conclusie?

1. Ik blijf tot vandaag met enige bitterheid terugdenken aan de mislukking in het Archivio Segreto. Voor de afwezigheid van de Saunière-documenten heb ik geen enkele verklaring (hoewel: zie verder) tenzij ik mij natuurlijk in het voetspoor zou wagen van de dromers of de alternatief-gelovigen. Dat laatste is best leuk en ik blijf van op een afstand inderdaad graag mee fantaseren. Tegelijk hou ik toch liever verbeelding en controleerbare research van elkaar gescheiden. Waarom het Vaticaanse archief geen toegang verleent tot het dossier (of is het ondertussen ‘verleende’ geworden?) kan ik alleen maar als een op zijn zachtst gezegd betreurenswaardig raadsel omschrijven.

Bevreemdend blijft wél de vastelling dat alle stukken afkomstig van Saunière, zijn bisschop of zijn raadsman blijkbaar wel degelijk gepubliceerd werden, maar nooit de missives aan hen gericht door het Vaticaan. Maar goed: Roma tacet, causa finita.

2. Ik heb zo mijn eigen verklaring voor het geval-Saunière. Maar die doet volstrekt niet terzake omdat ze louter op intuïtie en onbewijsbare vermoedens berust en vooral omdat ik geen weet heb van alle (relevante) elementen in het dossier. Dat geldt, helaas, evenzeer voor zovelen die desondanks met een onvoorstelbaar aplomb hun hersenspinsels uitsmeren over de digitale ruimte (én op papier). De enige mogelijkheid om ‘feitelijke’ klaarheid te krijgen in het Saunière-dossier is het te ontdoen van alle ondertussen aangekoekte ballast en smurrie (een titanenwerk!) en de werkelijk belangrijke elementen van voor af aan opnieuw, maar dan serieus, volgens de regels van de ‘kunst’, te gaan onderzoeken. Ik heb daar in 1995 een bescheiden poging toe gedaan, dat is alles; niet meer, maar ook niet minder dan dat. En ze is mislukt. Ainsi soit-il.

Luc PAY

(slot volgt)

Zie ook de blogs van 23, 25 en 28 september; en 8 en 16 oktober.


 

(1) Of deze kardinaal inderdaad ooit aan het hoofd stond van het Archivio Segreto zou grondig nagegaan moeten worden. Op websites over de man zelf noch op die over het Archivio vond ik enig spoor van de aan hem toegeschreven functie terug (evenwel na slechts oppervlakkig rondklikken).

(2) Natuurlijk is het internet wél leuk, kleurrijk, boeiend en levert het een schat aan plezierige en zelfs interessante weetjes op – of standpunten, inzichten, discussies, inspiratie; maar laten we die dingen de waarde toekennen die ze verdienen. Natuurlijk bevat het net ook een schat aan direct bruikbare, praktische of instrumentele ‘kennis’ of informatie waarvoor je niet langer meer van je bureaustoel hoeft te komen; zeker in die optiek is het net ronduit een ‘zegen’.

En ten slotte: natuurlijk biedt het net ook echt degelijke en betrouwbare kennis aan. Het fundamentele probleem hier is echter dat je reeds voorafgaandelijk moet beschikken over voldoende basiskennis én vaardigheden om die betrouwbaarheid en degelijkheid überhaupt te kunnen detecteren en te beoordelen; precies die kennis en die vaardigheden verwerft men, helaas, juist niet op of via het net.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
16 octobre 2009 5 16 /10 /octobre /2009 04:33

Dag 5. Woensdag 1 maart 1995.

's Morgens gehaast naar het archief in kwestie voor een onderhoud met de secretaris én, hopelijk, een toestemming om de archieven te doorsnuffelen. Nu wordt het toch spannend, heb nog welgetelddrie dagen. Op minder dan twintig minuten bereik ik het Sint-Pietersplein. De jonge priester meldt mij echter dat de secretaris nog steeds niet is teruggekeerd uit het buitenland, hij wordt deze voormiddag verwacht; het beste wat ik kan doen is terugkeren naar de zusters, hij zal mij bellen.

Terug dus naar mijn zusters, die ik op de hoogte breng van de mogelijke telefoon. Ik wacht op mijn kamer van ongeveer halftien tot twee uur 's namiddags. Gelukkig heb ik enkele boeken bij me, die ik probeer door te lezen hoewel de zenuwen me danig parten spelen. Terwijl ik uiteindelijk gedurende een half uurtje naar buiten ga om in een bar een hapje te eten, loopt de telefoon van de ‘Congrégation’ binnen: morgenvroeg moet ik mij om negen uur aanmelden, de secretaris is al op de hoogte van de zaak. Eindelijk!

Het is halfdrie. Ik kan maar het beste opnieuw Rome gaan verkennen maar dan wel na een uurtje siësta, alles is nu toch gesloten en ik ben moe en versuft van het nietsdoen. En ik wil nu eindelijk beslist Santa Maria sopra Minerva zien.

Bus tot op de Corso, stap af vóór Largo Argentina. Wandel van hier naar het Palazzo Farnese en bezoek op een hoekje van het plein de kerk van de heilige Brigida. De Scandinavische zusters die aan deze kerk en dit klooster verbonden zijn dragen een wel erg vreemd hoofddeksel: bovenop de hoofddoek twee gekruiste witte banden over het hoofd, die herinneren aan een soort valhelm voor wielrenners. Ik kom het kerkje binnen net op het moment van het lof. Op het altaar staat het Heilig Sacrament opgesteld; vooraan staat onbeweeglijk een zuster die, met de rug naar het volk, met gestrekte armen een kruisbeeld hoog opgeheven houdt zolang er gebeden en gezongen wordt.

Van hieruit naar Campo dei Fiori. Vind nagenoeg alle belangrijke historische figuren terug in de medaillons op de sokkel van Bruno's beeld, behalve natuurlijk Erasmus. Zit die er wel tussen? Ik geef de schuld maar aan die enkele sukkelaars van clochards die tegen het beeld liggen te slapen. De laatste sporen van de markt worden opgeruimd; er staan alleen nog heel wat bloemen uitgestald en die verspreiden een heerlijke geur over het plein.

Op Argentina zoek ik even het huis van Burckhardt (waar toch?), struikel hier bijna alweer over enkele zwervers, steek de Corso over en bereik Piazza Minerva waar de kerkdeuren... geopend blijken te zijn. Prachtige, liggende grafsteen van Fra Angelico en een niet zo indrukwekkend, integendeel veeleer ontgoochelend Christusbeeld van Michelangelo.

Weer veel poezen in de schaarse resten van de thermen van Agrippa ("niet interessant", zegt Egeraat, één van de allerbeste gidsen voor Rome maar vaak zo typisch hautain en arrogant ‘Hollands’). Veel volk ook op het plein. Via het Pantheon naar Sant'Ignazio. Ondanks het evidente barokkarakter van de kerk is ze toch mooi, lichter dan de Gesù alleszins én de plafondschildering is knap - maar vermoeiend voor de nekspieren. Even stil vóór het monumentale graf van Sint-Jan Berchmans, onder wiens hoede ik twaalf jaar heb gestudeerd. Aan een suppoost vraag ik of ik het kamertje van Sint-Jan kan bezoeken. Ja, geen probleem, maar niet op dit uur van de dag, het wordt stilaan donker en er is iets mis met de elektriciteit daarboven. Het oude ventje geeft me nog een hele uitleg over de optische illusies van de schilderingen, de plaatsen waar ik moet staan of niet staan. Hij is fier op zijn kerk. En hij windt zich waarachtig op over het feit dat iedereen altijd maar kijkt naar die koepelschildering waar geen koepel is, terwijl niemand aandacht schenkt aan de échte koepels die de zijbeuken bekronen.

Loop voorbij de tempel van Hadrianus en Piazza Colonna, steek de Via del Corso over en beland onmiddellijk in de Via dei Crociferi. Waar is de tijd dat ik hier met Pitje logeerde bij die aristocratische oude Duitstalige dame met haar exclusief pensionnetje waar de grote, internationaal vermaarde cultluurhistoricus Gustav René Hocke geregeld verbleef? (Hocke belde mij hier trouwens op een avond op en de volgende dag bezocht ik hem in zijn schitterende villa in Genzano. Ik herinner mij zijn Japanse tuin, de authentieke Etruskische beelden, de Duitse journaliste die net klaar was met haar interview voor Stern, de nummers van het Nieuw Vlaams Tijdschrift in zijn boekenkast en zijn telefoongesprek met zijn vriendin Luise Rinser, die in de buurt woonde in Rocca di Papa. En die keer dat ik, o.m. in het gezelschap van Henri-Floris Jespers, samen met hem in Antwerpen in café Nord op de Grote Markt een kopje koffie mocht drinken. Hij is ondertussen al lang overleden.) Ik zoek en zoek en zoek, maar vind het huis met het pension niet meer terug. Zou Pitje daar wél in slagen? Het kleine, stemmige straatje uit en ik sta vóór de Fontana di Trevi. Ze ziet er schitterender en stralender uit dan ooit, zacht verlicht in haar gerestaureerde pracht. Deze plaats werkt terecht als een magneet. Het pleintje staat weer afgeladen vol, de bezoekers doen weer even druk en zot. Hoe komt dat toch? Ook het restaurantje waar ik twintig jaar geleden steevast elke avond met Pitje ging eten, rechts van de fontein, is ondertussen verdwenen. Ik zou de kelner, die 's avond ter begroeting van de klanten aan de deur geposteerd stond, nog uit een massa mensen herkennen. Dan maar vlug even de Santi Vincenzo e Anastasio binnen, het kerkje van Mazarin. Geen spoor echter van pauselijke ingewanden, hoe ik ook zoek.

Stilaan terug naar huis nu. Eerst even de Rinascente binnen. Jammer dat je hier alleen maar kleding vindt en mode-accessoires, ze interesseren mij niet erg. Vóór de ingang van het parlement is een rustige betoging aan de gang, ze heeft iets te maken met vakbonden. Via een labyrint van kleine straatjes, waar alleen Rome het geheim en de charme van kent, bereik ik opnieuw de Corso waar ik in een grote bar een doos ‘Baci’ koop voor Pitje. Te voet verder naar Sint-Pieter. De winkel waar ik moet zijn, vlakbij de colonnade, is tot mijn verbazing gesloten. Op de deur de oplossing: deze zaak is de hele dag zonder onderbreking open van 9 tot 18 u., vandaar. Om de hoek vind ik echter alvast iets voor de kinderen. En nog iets verder: een fles wijn.

Vlug naar de bus. Zit erin geplet als een sardientje, ik kan nauwelijk adem halen. Geraak toch tot bij de zusters, doodmoe, geradbraakt, hongerig, dorstig. Na het avondmaal loop ik even binnen bij de paters aan de overkant en doe een plezierige babbel met pater C.

Buona notte, mia carissima città, Roma grandissima. Roma pazza.

Luc PAY

(wordt vervolgd)


Zie ook de blogs van 23, 25 en 28 september en 8 oktober

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 octobre 2009 4 08 /10 /octobre /2009 04:47

Romeins dagboek. Dag 4. Dinsdag 28 februari 1995.

Vanmorgen weer vroeg opgestaan, omstreeks kwart over zeven. Als ik beneden kom, blijken de zusters nog in hun kapel te zijn voor een ochtenddienst. Wil hen zeker daar niet storen. Rond kwart over acht verlaat ik het huis, om twintig voor negen al sta ik in het Archivio: bussen zat, en ze zijn erg snel.

Ik snuffel nog wat doorheen de bundels met documenten en tref ook een en ander interessants aan, maar vind opnieuw niks van of over Bérenger zelf. Hoe ook, de geschiedenis van de Kerk in Frankrijk rond de eeuwwisseling is op z'n minst erg bewogen te noemen, zoveel wordt duidelijk uit de stukken.

Eén gedrukte pauselijke brief aan de Franse bisschoppen lijkt me zeer de moeite voor het tijdskader. Ik vraag om wat fotokopies te maken. Geen probleem: een aanvraagformulier invullen, de kopies worden naar België gestuurd en ik betaal achteraf. Opnieuw bekruipt mij het gevoel dat ik de bedienden hier met al mijn vragen en verzoeken lastig val. Hun reacties zijn niet écht onvriendelijk te noemen maar op z'n minst koeltjes en volstrekt ongeïnteresseerd, nauwelijks behulpzaam. Het is toch onmogelijk om al de geplogenheden na twee bezoeken onder de knie te hebben? Bibliotheken zijn blijkbaar overal hetzelfde.

Het enige wat ik nu kan doen is pater A. opbellen en hem de stand van zaken meedelen, wat ik ook doe omstreeks kwart na elf. Hij verwacht me onmiddellijk in zijn bureau, gevestigd in een palazzo in Trastevere (leuk toeval dat ik precies daar terug heen moet); ik moet een bus nemen vanop Risorgimento tot aan de Ponte Sisto en dan Trastevere induiken.

Terwijl ik op Risorgimento op de bus sta te wachten word ik – onvermijdelijk? – aangeklampt door een kleine groep zigeunervrouwtjes. Altijd diezelfde mini-mensjes met hun progenituur bungelend aan borsten, buiken en kleren; altijd diezelfde smachtende, miserabilistische blikken die helaas even steevast compleet onbetrouwbaar blijken te zijn. Eentje vraagt mij hoe laat het is, hoewel ik een paar minuten geleden toevallig zelf een enorme straatklok had opgemerkt die hier ergens tegen een gevel hangt. Zet een norse blik op, zeg haar vlug het uur terwijl ik haar kroost met het andere oog voortdurend in de gaten hou, en doe een paar passen achteruit. Ze druipen af. Een oudere Romeinse dame – zoals alle oudere Romeinse dames geraffineerd gekleed, geschminkt en geparfumeerd – komt naar me toe en waarschuwt mij voor de grijpgrage handen van dit opdringerige volkje. Ik antwoord haar dat het niet de eerste keer is, dat ik dit soort contacten uit eigen ervaring ken, dat het jammer is voor de stad en vooral voor die duizenden argeloze toeristen en meer van die clichématige flauwekul. Zij beaamt gretig, doet er nog een paar schepjes bovenop. Ze wenst me verder nog een prettige dag toe en uiteindelijk stappen we samen op dezelfde bus. Plezierig contact met deze bezorgde Romeinse dame, dat wel, maar het gênante incident stemt me onbehaaglijk en zelfs wrevelig.

Ik vind makkelijk het bewuste palazzo in de buurt van Santa Maria: "un édifice de style mussolinien", zoals pater A. het noemde, en het is eraan te zien ook. Rond twaalf uur ben ik er al: imposant, kubusachtig, koel, streng. A. komt me oppikken in het wachtzaaltje, we wandelen samen naar zijn bureau door kraaknette, wijdse gangen van spiegelend marmer. De vriendelijke pater schrijft nu onmiddellijk een aanbevelingsbriefje voor het nieuwe archief waar ik moet zijn en belt meteen een bevriende priester die daar werkt. Die verwacht mij vandaag nog op de ‘Congrégation’, om vijf uur deze namiddag, vanaf dan wordt er opnieuw gewerkt. Neem dankbaar afscheid van pater A. en beloof hem nog voor mijn vertrek ten minste te telefoneren, al was het maar om hem op de hoogte te houden.

Ben dus een vijftal uurtjes vrij. Wandel wat rond in Trastevere, op goed geluk: een inderdaad bijzondere, heerlijke wijk. Ga opnieuw Santa Maria binnen – prachtig gewoon, telkens weer – en vind nu eindelijk toevallig de marteltuigen (of althans iets wat daarop lijkt, denk ik toch) tegen de muur in de rechterbeuk, bijna bij het koor. De mozaïeken zijn werkelijk schitterend, de sacristie blijkt eveneens interessant. Alleen het labyrint blijft onvindbaar.

Naar het Tibereilandje, waar ik een bar binnenstap. Prima: veel Romeins lawaai, zo hoort het. Niemand stoort zich aan mijn aanwezigheid. Wij Romeinen... Aan de andere oever van de Tiber, die snel en zelfs met de allures van een stormachtige bergrivier onder de brug doorstroomt, loop ik direct naar de synagoge, die op dit uur helaas al gesloten blijkt; maar ik kan zonder probleem vanaf 16 u. terugkomen. Via het ghetto – er zijn nogal wat duidelijk pro-Israëlische graffiti te zien op de muren – beland ik andermaal op het pleintje dat ik voor geen geld ter wereld zou willen missen: Piazza Mattei. Zoveel jaren geleden hier ook met Pitje geweest en het is nog altijd even romantisch, knus, mooi, een beetje duister en ingesloten, maar ook beschut door de hoge huizen als in een liefdevolle beschermende geste voor de fragiele fonteinsculpturen. Het fonteintje met de knaapjes en schildpadjes is een droom hoewel ze dringend gereinigd zouden mogen worden; de mosbegroeiing neemt schrikwekkende afmetingen aan en bedekt bijna volledig de figuren.

Van hier naar de Via del Sudario, aan de Largo Argentina. Een regelrechte ontdekking hier: de Chiesa dei Fiamminghi of de kerk van de heilige Julianus. Een kaartje op de deur vertelt me dat dit de titelkerk is van onze splinternieuwe kardinaal Jan Schotte. Pech alleen dat die deur gesloten lijkt, hoewel ik door de hoog aangebrachte ramen fel licht zie branden in het kerkinterieur. Toevallig gaat een oude Romein net het huis ernaast binnen. Hij ziet me staan, vraagt vriendelijk wat er aan de hand is en raadt me aan de deur van het kerkje gewoon open te duwen, binnen zijn werklieden bezig met restauratiewerken (wat meteen het felle licht in de kerk verklaart). Maar al even toevallig verschijnt op dat zelfde moment een tweede oudere heer, die de directeur blijkt te zijn van de Fondazione die zich om dit kerkje bekommert. Ik zeg hem dat ik een Vlaming ben, waarop hij mij onmiddellijk glimlachend mee naar binnen troont: een kleine cirkelvormige, ietwat overdadig versierde ruimte met tegen de wanden grafstenen van Belgische edelen (een De Mérode bijvoorbeeld) en een Brugse kunstschilder. De woorden 'Flandriae' en 'Belgarum' die hier overal, zowel tegen de buitengevel als aan de binnenmuren, te vinden zijn, vervullen mij met trots – en met, nogmaals, de stellige zekerheid dat Rome voor mij gewoon een tweede thuis is. Ook even een bezoekje aan een piepkleine cortile, jammer genoeg ligt hij nu vol materiaal voor de restauratie. Ja, ik heb koning Boudewijn hier ooit nog ontmoet, vertelt de directeur van de Fondazione mij. Door deze onverwachte ontdekkingen en persoonlijke contacten wordt Rome interessanter, vertrouwder ook.

Steek de Corso over en bereik de Santa Maria sopra Minerva, een kerk die ik totnogtoe slechts één keer, en dan nog vluchtig én alleen aan de buitenzijde, heb gezien. Potdicht natuurlijk. Maar ik bekijk nu aandachtig de waterpeilmarkeringen van diverse overstromingen tegen de gevel. En dag gezegd aan dat merkwaardige olifantje van Bernini. Ik lees ook eindelijk de volledige tekst op de sokkel. Kan daarna niet omheen het Pantheon. De piazza ervóór ziet zwart van de toeristen, precies het soort carnaveleske troepen die ik vooral in deze stad eindelijk eens zou willen ontwijken. Zulke massa's zijn echter helaas onontkoombaar, zeker hier. Wat is dat Pantheon mooi, indrukwekkend, waardig en streng, maar toch op een bepaalde manier uitnodigend. Even binnenwippen. Een aantal tombes staan in de steigers, maar ik loop gedecideerd naar Victor Emmanuel II en Rafaël, die ik beiden gehaast groet.

En dan, al even onvermijdelijk, naar Navona. Als ik vanuit het smalle zijstraatje – altijd hetzelfde – het plein betreed, heb ik opnieuw de indruk een theaterruimte te betreden. Andermaal heerlijk, en de zon schijnt. Teveel groepen vreemde jongeren ontsieren het plein (Duitse en Spaanse schoolkinderen, denk ik), zoals dat bijna altijd het geval is, maar dit keer worden ze in aantal ruimschoots overtroffen door de aanwezige Romeinen met hun kinderen. Ze bereiden een carnavalstoet voor die over een kwartiertje rond het plein zal defileren. Er zijn musicerende steltlopers, ruiters in historische kostumering, er wordt gezongen, gelachen, gedanst, gek gedaan, confetti gestrooid. Blijf hier zowat drie kwartier plakken. En Sant'Agnese bewaart ook vandaag voor mij haar inwendige geheimen: we zijn er nog nooit, maar dan ook nooit in geslaagd zelfs maar een blik in het interieur te werpen. Een Romein vertelt me dat de kerk nog maar zelden open gaat. Héél jammer. Zal ik deze kerk dan nooit kunnen bezoeken? Dan maar Pasquino groeten. Hij staat er nog altijd, maar verweerder dan ooit; en die afschuwelijke graffiti rondom. Via de Parione-wijk en de Corso beland ik weer in de Via della Conciliazione en uiteindelijk “in de schoot van onze Moeder de Heilige Kerk”. Alle wegen leiden, etcetera.

Op de ‘Congregation’ word ik ontvangen door een erg jonge, zeer vriendelijke priester, maar... ik moet morgen terugkeren voor de definitieve permesso. Hij zal ondertussen de secretaris op de hoogte brengen en hem mijn aanbevelingsbrief bezorgen. Nog even geduld dus. Lichte kramp in de maag. Stap dan maar opnieuw Sint-Pieter binnen; de kerk begint vertrouwd te worden, de ruimte krijgt ondanks haar onvoorstelbare majestatische monumentaliteit zelfs menselijke dimensies.

Te voet terug naar de zusters. Heb alvast, tegenover Giardinaccio, als aperitief een wijntje gekocht in een 'Olio e vini'. Ik kan moeilijk uitdrukken hoe gelukkig Rome mij maakt. Tot morgen, bacio à tutti.

Luc PAY

 

Zie ook de blogs van 23, 25 en 28 september.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
29 septembre 2009 2 29 /09 /septembre /2009 05:45

Identiteit(en) van Franstaligen in Vlaanderen.

Pertinentie van de probleemstelling en stand van het onderzoek.

Er bestaan talrijke studies over de Belgische staatshervorming en de communautaire impact ervan, over de verfransing en vervolgens de vernederlandsing van Vlaanderen of over de Franse literatuur uit Vlaanderen. Zo genoten ook talrijke maatschappelijke deelgroepen zoals geïmmigreerde of religieuze minderheden aandacht binnen de uiteenlopende academische disciplines. Enige licentiaatsverhandelingen niet te na gesproken, is dit de Franstaligen in Vlaanderen als groep(en) niet te beurt gevallen. Rekening houdend met hun anciënniteit, hun historische invloed en hun aantal, is een wetenschappelijke analyse echter niet onbelangrijk.

Een studiedag over de identiteit(en) van Franstaligen in Vlaanderen is de noodzakelijke en globaal opgevatte aftrap voor toekomstige initiatieven. Het biedt een wetenschappelijk kader aan de onderzoeker die zich op dit onbetreden terrein waagt. Wie zijn deze Franstaligen die in Vlaanderen wonen ? Hoe worden zijn door hun andere medeburgers, Nederlandstaligen en Walen gepercipieerd en gedefinieerd ? Beantwoordt het beeld dat men van hen heeft aan het beeld dat ze van zichzelf hebben ? Kan men zich beroepen op theorieën die toepasbaar zijn op stereotypes en minderheden ? Wat is er van hen geworden sinds de laatste talentelling van 1947 ? Welke zijn de filosofische, politieke, geografische (Brusselse rand, kuststreek, grote Vlaamse steden,platteland), sociale (adel, oude industriële burgerij, intellectuele elites, ‘franskiljons’), aan de immigratie verbonden (bv. joodse) maar ook linguïstische (eentalig, tweetalig, recent of sinds vele generaties Franstalig) breuklijnen die hen scheiden ? Is het mogelijk om de ‘Francofonie’ globaal te omvatten ?

Door deze bevraging zal uiteindelijk getracht worden de werkelijke rol en plaats van Franstaligen in Vlaanderen te achterhalen. Hoe verhielden en verhouden zij zich ten opzichte van de grote historische kwesties als de Vlaamse Beweging, het taalgebruik in de administratie en het onderwijs of nog de relatie van Vlaanderen met zijn minderheden om slechts een aantal mogelijkheden aan te reiken. Het is niet uitgesloten dat de empirische studie van uitgerekend deze groep op de lange duur tot ontluisterende beschouwingen zal leiden over het wordingsproces en de aard van de huidige Vlaamse samenleving.

Programma

13.30 Verwelkoming

Emmanuel Van de Putte (voorzitter SFV)

13.35 Inleiding

Eric Laureys (afgevaardigde bestuurder SFV)

13.40 Pour une étude des stéréotypes, Flamands / francophones.

Anne Morelli (professor geschiedenis aan de ULB)

14.00 Les francophones de Flandre,une identité errant entre le civique et l’ethnique.

Céline Préaux (bestuurder van het SFV, aspirante bij het ‘Fonds de la recherche scientifique’-FNRS en doctoranda in de geschiedenis aan de ULB)

14.20 De perceptie van de problematiek rond Franstaligen in Vlaanderen door het ADVN als hoeder van het erfgoed van de Vlaamse Beweging.

Frank Seberechts (doctor in de geschiedenis en vorser op het Archief, documentatie en

onderzoekscentrum voor het Vlaams-nationalisme-ADVN)

14.40 Alliés ou ennemis ? La place des francophones de Flandre dans les combats du mouvement wallon.

Chantal Kesteloot (doctor in de geschiedenis en vorser bij het Studie- en documentatiecentrum oorlog en hedendaagse maatschappij - SOMA)

15.00 Koffiepauze

15.20 Een van de laatste bastions van ‘la Flandre bilingue’. De afbouw van de richting Romaanse filologie in Antwerpen sinds de jaren 1980, in historisch perspectief.

Herman Van Goethem (Gewoon hoogleraar geschiedenis aan de UA)

15.40 L'évolution des lieux d'habitation et de scolarisation du personnel littéraire belge francophone de 1920 à 1960. Première approche statistique.

Cécile Vanderpelen (doctor in de geschiedenis en vorser bij het ‘Fonds de la recherche

scientifique’-FNRS aan de ULB)

16.00 Une communauté en transit. Profil sociolinguistique de la communauté juive anversoise.

Barbara Dickschen (licentiate in de romaanse filologie, vorser bij de stichting voor de eigentijdse herinnering, wetenschappelijk medewerkster bij het ‘Centre interdisciplinaire d'étude des religions et de la laïcité’ - CIERL aan de ULB), met bijdrage van Veerle Vanden Daelen (doctor in de geschiedenis en postdoctoraal onderzoeker aan de UA)

16.20 Debat en slotbeschouwing.

 

29 oktober 2009

13.30 – 17.30 u.

Universiteit Antwerpen – Stadscampus

Prinsstraat 13, lokaal A107 (tweede binnenplaats, ingang zuilengalerij)

Inlichtingen : Eric Laureys - 02/519 5653 – eric.laureys@ceff-sfv.be

www.ceff-sfv.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
28 septembre 2009 1 28 /09 /septembre /2009 00:46

Luc Pay: Romeins dagboek

Dag 3. Maandag 27 februari 1995.

Vandaag de grote dag. Om zeven uur op, om kwart over zeven ontbijt (de zusters hebben het speciaal voor mij alleen moeten klaarzetten gezien het vroege uur) en dan te voet naar het Vaticaan waar ik veel te vroeg aanbeland op het Uffizio Permessi, het wachtlokaaltje waar ik mij onmiddellijk na het binnentreden door de Porta Sant'Anna moet aanmelden. De Zwitserse wachters zijn correct maar uitermate gereserveerd, op het hautaine af. Hun strenge, onbewogen blikken bezorgen mij bijna schuldgevoelens voor het feit dat ik het Vaticaanse grondgebied betreed. Hier kan noch mag gelachen worden, zoveel is duidelijk. De zwarte cape die ze dragen herinnert me in een flits aan wat ik las over het lijkkleed van Bérenger Saunière: rechtop gezeten in een stoel werd zijn lichaam tentoongesteld voor de rouwende dorpelingen van Rennes. De mensen passeerden de dode Bérenger, brachten hem een laatste groet en trokken dan telkens een kwast van het lijkkleed als een soort souvenir, of misschien zelfs als een talisman? Merkwaardig dat ook die cape van de Zwitserse Wacht aan de zijkanten dichtgeknoopt is met een vijftal mooie blauwe kwasten.

Ik krijg nu een voorlopig toegangspasje, geldig voor één dag, waarmee ik mij naar het archief kan begeven. Wandel eerst voorbij het imponerende pauselijke paleis aan de linkerkant en de Tipografia Polyglotta Vaticana aan de rechterkant, moet door een poort waar ik opnieuw mijn pasje moet tonen en sta dan in de Cortile del Belvedere, een reusachtig binnenplein inclusief fontein dat dienst doet als parking en ingeklemd ligt tussen torenhoge, ietwat dreigend uitziende gebouwen. Ik meld me in de hal van het archief. Een secretaris nodigt mij uit in zijn bureautje en vraagt me naar mijn identiteit, het doel van mijn bezoek en eventuele geloofsbrieven, die ik hem meteen overhandig. Ze maken blijkbaar indruk want ik moet nu zonder verder commentaar links en rechts mijn naam invullen, een formulier ondertekenen en het reglement doorlezen, en ten slotte krijg ik een toegangskaart die exact één week geldig zal zijn. Terug naar de inkomhal. Pasje inleveren, boekentas in bewaring geven, schrijfgerei meenemen, sleuteltje in ontvangst nemen, met de lift naar de tweede verdieping. Ik word verzocht even te wachten in een ‘kleine’ leeszaal, die volgepropt zit met prachtige boekbanden, en monster de andere bezoekers: jonge, knappe, ambitieuze geestelijken zitten hier te werken op hun draagbare computer terwijl oude, gebogen minderbroeders, als muilezels beladen met mappen of boeken, van zaal tot zaal voortsleffen. En dat decor: plafondschilderingen, antieke beelden in nissen, schilderijen tegen de muren. Verbluffend gewoon.

En dan staat plots Monsignore C. bij mij, een Italiaan die perfect Frans spreekt. Wij maken kennis, ik leg hem het doel uit van mijn bezoek. Hij begeleidt me naar de zaal met wat ik gemakshalve maar de 'registers' zal noemen en legt me grondig uit hoe ik hier te werk moet gaan om documenten te vinden: een vrij ingewikkeld systeem van rubriceringen ('rubricelle') die verwijzen naar zogenaamde 'protocolli' (zeer grote en nauwelijks hanteerbare registers waarin elk binnengekomen document uitvoerig beschreven en samengevat wordt), en die leveren op hun beurt dan weer een nummer op waarmee de documenten uiteindelijk kunnen worden opgevraagd aan de balie van de leeszaal. Enige voorwaarde is dat je de naam kent van het diocees, het jaar en de maand – de naam van het diocees uiteraard in het Latijn maar voor mij is dat gelukkig geen probleem: 'Carcassonne' is gewoon 'Carcassonnensis' (andere diocesen leveren op dit vlak wél problemen op maar er bestaat een register waarin je de Latijnse namen kan opzoeken). Monsignore C. heeft de allures van een universiteitsprof. De naam Saunière komt hem op één of andere manier bekend voor, en enkele seconden later herinnert hij zich een artikel uit L'Express van enkele maanden geleden – dat ik natuurlijk toevallig niet ken. De verbaasde blikken waarmee de bibliotheekbedienden mij bekijken als ik met de Monsignore voorbijwandel verraden dat hij in het archief een groot gezag geniet.

Ik vorder gestaag (misschien té vlug?) in de rubricelle en de protocolli, noteer de nummers en vul de aanvraagbriefjes aan de balie in. Nee, ik mag er maar drie invullen: per dag krijgt elke aanvrager slechts drie bundels documenten - heb ik het reglement dan niet gelezen? Het is nu al één uur, u weet toch dat het archief sluit om twintig over één? Een opstoot van paniek doet mijn maag lichtjes samenkrimpen en ik zie vaag maar onafwendbaar het visioen van een via dolorosa doorheen deze bibliotheeklabyrinten opdoemen. Dit is blijkbaar de eerste statie. Ik heb verdraaid maar één week, of liever vijf werkdagen, de tijd om de kaap van dit godgeklaagde bureaucratische rigorisme te ronden. Dankzij een vlugge stempel van de 'prefetto' krijg ik echter ook deze namiddag toegang. Weer naar de balie. Hoe laat kunnen we weer aan de slag? Vanaf vier uur natuurlijk - heb ik het reglement dan niet gelezen? O.K. jongens, rustig, geen probleem. Ik weet al langer dan vandaag dat Italianen van nature erg ongeduldig kunnen zijn en hoe vaak ze elk gevoel van empathie missen, maar het is telkens opnieuw even wennen aan die vervelende karaktertrek.

Dan maar een wandeling. Eerst doorheen de Borgo richting Castel Sant'Angelo. Passeer een confectiezaak voor religieuzen: schaamteloos modieuze kleding, tot zelfs ondergoed voor de dames ligt tentoon in de etalage. Alles weliswaar heel kuis en louter functioneel. Alleen draagt het ondergoed de merknaam Sinner.

De toegangsprijs voor de Engelenburcht valt mee maar ik ga niet naar binnen, ben bang teleurgesteld te worden. Hoewel, ik blijf twijfelen: die groteske versieringen zou ik toch ooit es willen zien. Steek dan maar de eeuwige Tiber over, zoek en vind een gezellige bar waar ik een kleinigheid eet en staande een beetje lees. Dan terug naar Piazza San Pietro waar ik ga zitten aan de voet van een zuil van de colonnade. Vervloekte Saunière!

Plots herinner ik mij de scavi bij het graf van Petrus. Aan de kant van de aula van Paulus VI mag ik van twee alweer even norse Zwitsers terug Vaticaanstad binnen en doe in het bureau van de opgravingen een schriftelijke aanvraag voor een bezoek. Ook hier geeft het personeel blijk van stuursheid, er wordt met nauwelijks verholen tegenzin geantwoord op vragen alsof alles voor iedereen zomaar evident zou moeten zijn. Een groet of een glimlach kan er niet af. Enfin, ik heb het begrepen, ze zullen me telefoneren indien ik nog mee kan met een groep binnen de door mij opgegeven termijn. Uit pure wraak voor zoveel vriendelijkheid wandel ik met opgeheven hoofd het Campo Santo Teutonico binnen, onder de wantrouwige blikken van enkele Zwitsers en politie-agenten die wat verderop patrouilleren. Maar dit is géén Vaticaans, wél Duits grondgebied. Men is gewoon verplicht mij hier toegang te verlenen zoals aan iedereen die een Duitse, Belgische of Nederlandse identiteitskaart of dito paspoort kan voorleggen – Teutoons dus, godbetert. In dit stemmige, zeer stille kerkhof dat door hoge muren en een gebouw (een Duits instituut) wordt ingesloten kom ik tot rust. Een in marmer gegraveerde tekst herinnert aan het feit dat zich precies op deze plaats, vlak naast de basiliek, het circus van Nero bevond en dat Petrus hier samen met andere christenen ter dood werd gebracht. Nu sta ik dus midden in dat circus. En ik fantaseer er even met pek ingesmeerde christenen bij die soms voor Nero dienst deden als tuinverlichting tijdens één of andere BBQ. Het vierkante binnenpleintje is verdeeld in vier verhoogde segmenten waarop zich de graven bevinden en waarrond en waartussen je kan wandelen via een dieper gelegen padje.

De vreedzaamheid van deze plek en de poezen die in de zonnige hoekjes liggen te soezen verzoenen mij met de minder prettige aspecten van het Italiaanse en vooral het Zwitserse karakter. Vraag mij trouwens af of die Zwitsers überhaupt wel enige plezierige kantjes zouden kúnnen hebben, die kampioenen van gedesinfecteerde bankkluizen, onverwoestbare horloges, angstaanjagende gletsjers, verschrikkelijk vlekkeloze chalets en walgelijk riekende kaasfondues. Ik concludeer dat ik zulks alleen maar ten stelligste kan betwijfelen.

Terug naar het archief. Mijn pasje opent probleemloos alle goed bewaakte poorten. Ik stel echter vast dat men verkeerde bundels documenten voor mij heeft klaargelegd en in de namiddag worden geen stukken meer uit de magazijnen opgehaald. Paniek, andermaal. Het bezoekersaantal blijkt gehalveerd en er zit nog slechts één bediende in de leeszaal, een kleine oudere man met getaande huid en spierwit haar. Maar hij blijkt uitermate bezorgd en behulpzaam, hij merkt mijn ontreddering en vraagt wat er scheelt. Rustig maar, zegt hij, we zoeken de juiste nummers van je documenten op in speciale registers die wij hier in een al even speciale kast bewaren. Prachtig! Uiteindelijk valt alles in de plooi; op de koop toe neemt hij de verkeerde bundels onder de arm, loopt ermee naar de magazijnen en komt een tiental minuutjes later weer te voorschijn met de juiste. Ik zou hem kunnen zoenen, dit is werkelijk de zonnigste kant van Italië die weer, van achter het hautaine ongeduld, tevoorschijn komt. En ik vind nu inderdaad ook wel wat: bepaalde brieven die handelen over de bisschop van Saunière en zelfs van en over de priester die als zijn advocaat is opgetreden, een zekere Huguet, maar niks wat rechtstreeks op hemzelf betrekking heeft. Jammer, maar niet zo erg want ik voel dat ik op het goede spoor zit – al ben ik ondertussen al zo vertrouwd met het systeem en de verwijzingen dat ik begin te vermoeden dat de documenten zich in een ander fonds bevinden en dus mogelijk ook op een andere locatie. Zal morgen hulp moeten inroepen: hoe geraak ik in godsnaam aan de stukken van die en die bepaalde ‘Congrégation’, waar bevinden die fondsen zich? We zien wel. Hoop ik toch.

Te voet terug naar de zusters, ongeveer twintig minuten. Ik passeer zoals elke dag het restaurant Giardinaccio, waar we twee jaar geleden met enkele vrienden kwamen dineren. Maar ik heb tijdens deze drie dagen nog steeds geen licht of enige beweging gezien in het restaurant. Serieuze klim langs de muren, en dan kom ik weer op de Aurelia. Heb grote honger. Vlug een douche, dan avondmaal en onmiddellijk in bed. Morgen vroeg eruit. En ik zou nog zó veel willen zien in Rome, wanneer moet ik dat allemaal doen? Slaapwel, vrouw en kinderen ginds in het natte, koude, nuchtere noorden. Ik zou liever nog veel langer hier blijven, maar dan samen met jullie. Ik kan het rustig zeggen omdat ik weet dat zulks ook voor jullie weinig, zoniet géén problemen zou opleveren.

Luc PAY

(wordt vervolgd)

Zie ook de blogs van 23 en 25 september.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche