Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
2 septembre 2013 1 02 /09 /septembre /2013 14:00

 

Katharen1.JPG

Geschiedenis is en blijft mijn weergaloze muze, mijn verrukkelijke minnares. Zij vergeet niet. Het zijn wij die vergeten. In haar verhaal over de mens schets zij een pendel slingerend tussen absolutisme en humanisme, tussen de meedogenloze terreur van dogmatisch denken of ideologische vooringenomenheid en de rustpunten van schitterende menselijkheid , nuance en net de vrijheid van denken. Het blijft echter een heikele koorddans om elk facet te willen belichten, te willen bekijken om misschien te komen tot Leopold von Ranke’s adagium Wie es eigentlich gewesen…

Antwerpenaar en mijn goede vriend Jaak Geerts, nu “Audois d’adoption” uit Lézignan-Corbières , kent mijn Kathaarse afwijking. Hij bezorgde me het themanummer “Cathares” van het tijdschrift Pyrénées Histoire

Gretig las ik het artikel “Des hérétiques aux dissidents, un grand pas pour la recherche”. Het deed me onmiddellijk aan “That's one small step for man, one giant leap for mankind.".van Neil Amstrong denken. Inderdaad, door deze “ketters” als anders denkenden te omschrijven haalt men dezen uit de gekleurde katholieke historiografie.

Top-historica Anne Brenon, “Conservateur des Archives de France, détachée auprès du département de l'Aude pour le Centre national d'études cathares (CEC)”, een instituut dat inmiddels werd opgedoekt, ken ik via haar publicaties al vele jaren. Na de generatie historici zoals René Nelli, Michel Roquebert en Jean Duvernoy is zij vandaag de specialiste bij uitstek.

Na het verdwijnen van het CECrichtte zij in januari 2012 samen met haar collega Pilar Jiménez het “Collectif international de recherche sur le catharisme et les dissidences (CIRCAED)”op. Het is een internationaal collectief van vorsers uit verschillende landen die het Katharisme en andere dissidenties in een ruimere context en vanuit diverse wetenschappelijke disciplines willen bestuderen.

Begin de jaren tachtig bezocht ik de eerste maal de Languedoc. Sindsdien doet de garrigue met zijn wilde tijm, de zomerzon zinderend over de oneindige wijngaarden, de verkleurende herfstbladeren van platanen langs “Le canal du midi” me er blijvend wegdromen. Zoals elke rechtgeaarde toerist kocht ik toen “Le Guide Vert” van Michelin. Het hoofdstuk “L’épopée cathare” friste mijn geheugen op.

Katharen2.jpg

Terug thuis sloeg ik mijn oude cursussen nog eens open. En zie in “Geschiedenis van de Middeleeuwen”, van prof. W. Lourdeaux (1923-1988) blonken de katharen netjes als een ketterse sekte en

'Wegens hun moreel en sociaal nihilisme waren de Albigenzen voor de staat en de maatschappij een groot gevaar….Innocentius III preekte een kruistocht tegen hen…en slechts deze “Heilige” oorlog kon de kracht der ketters breken'.

O, K.U.L., mijn dierbare Alma Mater wandelde hier (weer) over gelovig en gecanoniseerd water…

De waarheid is iets prozaïscher. Zoals Jean Duvernoy bevestigt Anne Brenon

Le catharisme n’était pas une société initiatique, ce n’était pas une secte. C’était une église publique, qui avait pour vocation ouverte le salut des hommes. Le catharisme est un pur christianisme qui a été éradiqué de l’histoire par un autre christianisme. L’inquisition a brisé les réseaux de solidarité villageois et familiaux…Sur le plan policier, son but était de briser les solidaritées et de terroriser: expropriation, pèlerinage forcé, port des croix jaunes cousues sur la poitrine et dans le dos, prison perpétuelle, bûcher pour relapse des simples croyants et, bien sûr, l’éradication par le feu de tous les ministres de l’église interdite.'

Katharen3.jpg

Voor de goede orde: ik heb geen sympathie voor de Katharen, voor geen enkel geloof met de vernietigende fall-out in vervolging en brandstapels die in deze streek een eeuw bleven smeulen. Voor mij is deze geschiedenis een case study van - en om Anne Brenon te citeren - “une monstruosité doctrinale".

Niet meer, niet minder…

Frank DE VOS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
28 juillet 2013 7 28 /07 /juillet /2013 01:14

 

LogoPolderMAS.png

Het gebreide logo door de dame des huizes.

Care selve, ombre beate. Vengo in traccia del mio cor, (beminde bossen, gezegende schaduwen, Ik kom op het spoor van mijn hart/liefde) van G. F .Händel is een van mijn lievelingsaria’s. Naar datgene wat in die gezegende schaduw verblijft, ver weg van het momentane, en zijn onmiddellijk geheugenverlies ben ik op zoek, het scherpt mijn interesse, warmt mijn hart.

Het PolderMAS, gelegen aan de Oudendoeldijk 13 in Ouden Doel is een rariteitenkabinet met het vergrootglas op de geschiedenis van de polders langs de Beneden Schelde. “PolderMas” is een geuzennaam met een knipoog naar het Poldermuseum in Lillo-Fort en het pompeuze MAS in Antwerpen. De collectie bestaat uit een verzameling archeologica, gevonden langs de Scheldeoevers bij laag water, een verzameling fossielen en een uitgebreide verzameling kleipijpen. Verder zijn er etsen, oude kaarten, schilderijen en foto's.

DELFTS.JPG

Delfts en Antwerps blauw

Een klein deel van De schat van Het Vliegend Hert, een schip van de VOC (Verenigde Oostindische compagnie) dat in 1735 verging, wordt er geëxposeerd.

MuntenVOC.JPG

De zilveren munten van Het Vliegend Hert

Naast het geld die de VOC nodig had voor haar handel in Azië werd er eveneens geld van particulieren vervoerd, zeg maar gesmokkeld door hun dienaren waaraan een aardige ducaton werd verdiend.

Rijder.jpg

Een zilveren Rijder.

Een voorbeeld is de zilveren rijder. Op de voorzijde: een geharnaste ruiter met het provinciewapen en opschrift MO[NETA] NO[VA] ARG[ENTEA] CONFOE[DERATARUM] BELG[ICARUM] PRO[VINCIARUM] ('nieuwe zilveren munt van de Verenigde Nederlandse gewesten'), gevolgd door de provincienaam: TRANSI[SVLANIA] ('Overijssel'). De keerzijde is gekroond met het wapen van de Staten-Generaal, gehouden door twee leeuwen en eronder het jaartal ('1733'), in het omschrift het devies: CONCORDIA RES PARVAE CRESCVNT (letterlijk: eendracht doet kleine dingen bloeien of eendracht maakt macht). Voor de goede orde: begin hier nu niet het eerste kinderadempje van dit land te ruiken. Deze Romeinse wapenspreuk werd reeds door de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gebruikt.

Vergauwen.JPG

Archeoloog Benjamin Vergauwen (9 februari 1980) en zijn goedlachse Katrien, (12 maart 1980) die klassieke filologie studeerde, zijn de bevlogen veroorzakers van dit bescheiden museum. Hun liefde voor de Schelde, de magische aantrekkingskracht van deze rivier en de tergende tragedie van het ondertussen verminkte of ondergelopen polderland rond Doel hebben hen ertoe aangezet om een deel van het rijke verleden te koesteren. Bij laag water aan de oevers van de Schelde hebben zij als jutters dit verleden bij elkaar gesprokkeld: keramiekresten, kleipijpen, bierflessen en kruiken. Het is het afval dat samen met de gier uit de beerputten van “’t stad” op het land en tegen de dijken werd gedumpt. Het blijft bijzonder dat musea zoals Fort Liefkenshoek en het MAS (Museum aan de stroom) weinig aandacht hebben voor dit polderverleden. Harnassen van Japanse samoerai zijn er te bekijken, de vondsten van bijvoorbeeld de Sint-Elisabethvloed te Doel in 1421 niet.

De landbouwwerktuigen en divers alaam, dat aan het polderleven refereert, zijn iets verder ondergebracht in de stallen van een boerderij. Voorheen naamloos doopten ze deze tot “De Reinaerthoeve”, naar die rebelse, schalkse vos. Zijn warme naam past aardig in het Land van Waas. Het is een “belevingsboerderij” die ze begonnen op het verzoek van een lerares van een Freinetschool uit de omgeving van Brugge die er met haar leefschoolgroep wilde overnachten. Hun thema was in 2012 de verzetsbeweging in Doel…

Reinaerthoeve.jpg

Het PolderMas en De Reinaerthoeve zijn aanraders, ver weg van de stampedes van decibels van Summerfestivals, Tomorrowlands, sfinxen en andere zomerse bekoorlijkheden die maken dat ik hier te lande verplicht word om te allochtonen, veelal met gesloten ramen…

Te bezoeken dus en het is overigens gratis. Maar uwe onvolprezen welwillendheid zal er dankbaar een eurobriefje willen achterlaten.

Frank DE VOS

Info: Openingsuren: zondag 14:00 – 18:00 en na afspraak.

Contact: 0488/484433, e-post: dereinaerthoeve@skynet.be

www.facebook.com/poldermas

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
16 juin 2013 7 16 /06 /juin /2013 21:53

 

JorisVS.jpg

Joris van Severen, Leider van het Verdinaso

In mijn vorige blog wees ik erop dat Van Severen de opvatting van Vlaanderen als een homogeen Germaans element 'even onjuist en verarmend, ontervend' vond als de wil tot verfransing. 'Germaansheid en Latijnsheid groeien in de geest en het gemoed der beste Vlamingen zo diep dooreen dat het mij werkelijk anti-Vlaams schijnt, deze [...] geestelijke concentratie te willen tegenwerken of belemmeren.' Voor hem was de taal duidelijk niét gans het volk.

Zo vond hij Ça ira ! 'een sympathiek tijdschrift':

Zijn zeer jonge geweldige zelfzekerheid en twijfelloos idealisme, is een blijde verschijning. Er zit geloof in en liefde in overmoed ook … zeker … maar als een frissche wind is het. (Ter Waarheid, nr. 4, april 1921, pp. 231-232)

En in Ça ira !  staat over Ter Waarheid te lezen:

Très certainement la meilleure revue critique paraissant en pays flamand. Chaque numéro constitue un aperçu des plus complets de l'activité intellectuelle, tant chez nous qu'à l'étranger. Ses chroniques internationales sont rédigées avec une extrême compétence et un sens aigu de l'idée moderne dans les différents où elle se manifeste. (Ça ira !, nr. 18, mei 1922, p. 168)

*

Tijdens mijn gesprek met de Antwerpse schepen van Cultuur Philip Heylen (zie vorige blogs) heb ik er terloops op gewezen dat ook Fransschrijvende Vlamingen een rechtmatige plaats hebben in ons cultuureel erfgoed, een stelling (eerder al duidelijk geponeerd door o.m. Hubert Lampo) die de jongste jaren veld wint. Zo zal van 27 juli tot 25 augustus in de Antwerpse Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en het Letterenhuis een overzichtstentoonstelling te zien zijn over de in Antwerpen geboren Franstalige auteur Georges Eekhoud (1854-1927). In oktober vorig jaar verscheen bij Epo de monumentale biografie van Emile Verhaeren (1855-1916) door Paul Servaes (hier uiteraard gesignaleerd en nu al aan een tweede druk). De openbare vergadering van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, woensdag 3 juli in het park van het kasteel Beauvoorde te Veurne, Wulveringem staat geheel in het teken van Verhaeren.

*

Terug naar Van Severen. Uit het aantal lezers van mijn vorige blog over de 'Imperiale Staatsman' kan ik alvast afleiden dat hij allerminst vergeten is. Harry van Bokhoven stelde terecht vast: 'Sommige figuren roepen meer vragen op dan dat ze antwoorden geven'. Vandaar dat iedereen zijn eigen beeld van Van Severen koestert. Dat heeft hij dan gemeen met Van Ostaijen.

Dat heb ik genoegzaam kunnen vaststellen uit mijn gesprekken met baron Pierre Nothomb (1887-1966), E. L. T. Mesens (1903-1971) en Pol Le Roy (1905-1983)...

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
16 juin 2013 7 16 /06 /juin /2013 10:57

JvS17.jpg

 

Eens te meer word ik geconfronteerd met de fascinerende persoonlijkheid van de fascistische leider Joris van Severen. Niet alleen onder de pen van Willy Copmans in de jongste aflevering van Heibel (zie de blog van 11 juni: Piet van Aken en Joris van Severen). Ondertussen las ik immers ook het zeventiende Jaarboek Joris van Severen.

Eindredacteur Maurits Cailliau onderstreept in het 'Ten geleide' dat uit de nu gepubliceerde dagboekbladzijden (mei-september 1920) van Joris van Severen blijkt hoezeer hij 'zich grondig kon ergeren aan de mediocriteit van zijn medestrijders binnen de Vlaamse Beweging'.

'De eerste Grote Synthese – 1924', zo luidt de titel van het doorwrochte essay van Romain Vanlandschoot (pp. 71-158) waarin Van Severens diepgravende wijsgerige en staatkundige inzichten centraal staan. Uit het tijdschrift Ter Waarheid citeertVanlandschoot een passus 'die het meest Joris van Severen typeert':

Vlaanderen als een homogeen Germaans element opvatten is naar mijn mening even onjuist en verarmend, ontervend als Vlaanderen te willen verfransen. Germaansheid en Latijnsheid groeien in de geest en het gemoed der beste Vlamingen zo diep dooreen dat het mij werkelijk anti-Vlaams schijnt, deze concentratie, deze geestelijke concentratie te willen tegenwerken of belemmeren. Het is immers volstrekt verkeerd deze concentratie van Germaans-Latijnsheid, als Belgischheid in te denken. België is inderdaad systematisch anti-Vlaams, terwijl deze Vlaamse concentratie van Europeesheid instinctief, van nature anti-Belgisch is. Deze Europeesheid voelt België aan als een decadentie, als een aderverkalking, als een hoon. België is een beschaving-dodent element. Een parasiet.

Ook dit tweede citaat van Joris van Severen uit Ter Waarheid illustreert zijn scherpzinnige kordaatheid:

Het is een blijk van bekrompenheid en primaire achterlijkheid vijandig te staan tegenover een volk en tegen een bepaalde vorm van beschaving. Gemakkelijk wordt elk nationalisme in deze domheid meegesleurd. Daarom is het de dringende plicht der leiders van een volk het nationalisme uit dit onzinnig en verderfelijk extremisme te redden. Zulkdanig extremisme is het beste middel om het nationalisme in barbarie te doen uitslaan.

De inzichten van Van Severen anno 1924 worden door Vanlandschoot in de context geplaatst van gelijkaardige, vooroorlogse inzichten van August Vermeylen en Karel van de Woestijne.

Dit belangrijk, voorbeeldig geadstrueerd essay beslaat meer dan veertig procent van het Jaarboek. Eens te meer wordt de lezer geconfronteerd met de intellectuele rijkdom van Joris van Severens complex intellectueel universum.

*

Leven en werken van Louis Gueuning (1898-1971) worden in een verhelderend gesprek opgeroepen door zijn twee discipelen en medestanders Joseph Peeters (°1924) en Vic Eggermont (°1929). De Nederlandse historicus Ruud Bruijns publiceert het opstel 'Tussen rood en groen. Joris van Severen, het Verdinaso en de socialisten'.

Het zeventiende jaarboek wordt afgesloten met zes haiku's van de Brugse dichter en essayist Herwig Verleyen (°1946) 'Denkend aan Joris van Severen'. De laatste is opgedragen aan Gaby Warris, overlevende van de slachtpartij in Abbeville:

Hoogbejaard krimp je

steeds meer terug tot het kind

onder de kiosk.

*

Het Jaarboek werd alvast in 't Pallieterke van 5 juni besproken door 'De brave Hendrik' (schuilnaam van CDR-medewerker Hendrik Carette).

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

 

Jaarboek Joris van Severen, Ieper, Studiecentrum Joris van Severen v.z.w., 2013, 208 p., ill., 25 € ISBN 9789076057156. Secretariaat: Paddevijverstraat 2, B 8900 Ieper.

secretariaat@jorisvanseveren.org

www.jorisvanseveren.org

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
9 avril 2013 2 09 /04 /avril /2013 19:00

 

4.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Een beetje Sanskriet morfologie: een 'exemplum' (voorbeeld) van de verbuiging van een woord dat "arbor" (boom) betekent.


Wat is het belang van de GG voor de huidige taalkunde in het algemeen en voor de Indogermanistiek in het bijzonder?

 

Voor de huidige taalkunde is de GG niet bijzonder belangrijk. Hij is wél interessant vanuit een wetenschaps-historisch standpunt omdat hij, ten eerste, aan de basis ligt van de allereerste gedrukte Sanskriet grammatica in het Westen, met name die van Paulinus. Die is destijds wel vrij slecht ontvangen omdat Paulinus tamelijk veel fouten had gemaakt én omdat het Devanagari bij de onderzoekers net het pleit gewonnen had van het Malayalam. Ik kan niet genoeg de bijdrage van Christophe Vielle beklemtonen, die heel goed thuis is in de Indische alfabetten, ook in het zeer moeilijke Malayalam schrift waar de ligaturen op elkaar gestapeld worden. Hij heeft echt een ontzaglijke prestatie geleverd door al die woorden correct te lezen.

Meer algemeen ligt het belang van de GG op het cultuur-historische vlak of op het domein van de intellectuele geschiedenis. Het is immers vrij merkwaardig dat missionarissen zich inlieten met het samenstellen van een Sanskriet-grammatica. Hun bedoeling was in eerste instantie om grammatica's te maken van vernaculaire (levende) talen zodat die leerboeken door hun opvolgers gebruikt konden worden om de plaatselijke bevolking makkelijker tot het christendom te bekeren. Het Sanskriet echter was geen levende maar een liturgische taal, gebruikt door de hindoes. De missionering in India was dus blijkbaar geen eenrichtingsverkeer: de missionarissen waren niet alleen geïnteresseerd in hun eigen godsdienst of hun eigen culturele begrippenkader, die ze dan wilden opdringen aan de lokale bevolking. De missionaris-grammatica's van het Sanskriet tonen integendeel aan dat er ook beïnvloeding mogelijk was in de andere richting: de plaatselijke godsdienst leek zo indrukwekkend in de ogen van de paters dat ze tevens ontzag kregen voor de bijhorende liturgische taal. Zowel Paulinus als Hanxleden lieten zich enthousiast uit over het Sanskriet – je zou bijna kunnen stellen dat ze er 'verliefd' op waren – en waren daardoor ook vatbaar voor het culturele leven van de landen die ze bezochten.

 

Voor de voorbereiding van dit interview vond ik, begin september 2012, een volledige fotografische weergave van de GG op http://www.harekrsna.com/sun/features/11-10/grammatica.pdf (al wordt ze daar "a preliminary photographical reproduction" genoemd), voorafgegaan door een begeleidende notitie van je collega Jean-Claude Muller. Die weergave is daar trouwens nog steeds raadpleegbaar en downloadbaar. Hoe is het mogelijk dat deze reproductie, die overigens van een uitstekende kwaliteit is, daar terecht is gekomen?

 

 

Het gaat om een reproductie van Paolo Aranha, een godsdientwetenschapper die ook in de buurt was en foto’s heeft genomen.

 

Wat mogen we aan publicaties van of rond de GG verwachten in de toekomst? In hoeverre ben je zelf bij verdere research of tekstuitgaven betrokken?

 

De eerste stap is gezet: er staat nu een diplomatische uitgave on-line, d.w.z. enerzijds de fotografische reproductie en anderzijds de transcriptie, precies om geen discussie te laten bestaan over wat er precies in het manuscript geschreven is in de oorspronkelijke lettertekens. We hebben zelfs een programma gevonden om de nu niet meer in zwang zijnde Malayalam-ligaturen digitaal te kunnen weergeven. Voor het grote publiek is deze publicatie natuurlijk niet zo nuttig.

De getranslitereerde versie is wel belangrijker: daarin is de Sanskriet tekst omgezet in Latijns schrift en werden enkele kleine verbeteringen aangebracht op het vlak van interpunctie. Dat wil niet zeggen dat het om een kritische uitgave gaat, wel om een teksteditie die iets meer hanteerbaar wordt. Voorwaarde blijft natuurlijk dat je zowel Sanskriet als Latijn kent, wat nog altijd heel veel lezers uitsluit.

Daarom gaan we in de toekomst nog andere initiatieven nemen, o.m. een vertaling van de GG in het Frans, omdat die zal passen in een project van de vermaarde Franse Sanskrietist, de indoloog Pierre-Sylvain Filliozat, die heeft gewerkt op weer een andere grammatica, namelijk die van de 18de-eeuwse Franse jezuïet-missionaris Jean-François Pons. Jean-Claude Muller zal de spraakkunst van Roth in het Frans vertalen en Lambert Isebaert die van Hanxleden. De drie grammatica's zullen gebundeld verschijnen in Franse vertaling, waarna een Engelse vertaling moet volgen.

Mijn eigen bijdrage bij deze verdere stappen zal minder groot zijn dan bij de editie van de grammatica van Hanxleden, omdat ik mezelf niet echt beschouw als tekstuitgever noch als indoloog; anderen zijn op dat vlak competenter.

Wat mij nog wel erg interesseert zijn meer contextuele studies, b.v. over de relatie tussen Hanxleden en Paulinus; verder het werk dat verricht zou zijn door Paulinus zelf en de problematiek van de missionaris-grammatica's in het algemeen: in hoeverre schonken de auteurs ervan aandacht aan de verwantschappen tussen de talen in hun missiegebieden en die welke ze kenden uit hun eigen cultuur; welke bedenkingen formuleerden ze daarbij en kenden ze aan de beschreven talen een bepaalde (positieve of negatieve) waardering toe – of anders gezegd: welke gebreken of kwaliteiten vertoonden, althans in hun ogen, die vreemde talen?

Er ligt dus nog heel wat werk in het verschiet.

Luc PAY


De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

 

Noten

 

Toon VAN HAL (° 1981) studeerde klassieke en oosterse talen. Hij maakte zijn licentiaatthesis over Paulinus a Sancto Bartholomaeo, een indoloog op de drempel van de vergelijkende taalkunde, en een doctorale dissertatie over het vroegmoderne taalvergelijkende onderzoek in de Nederlanden (7). Sinds 2012 is hij docent Oudgriekse taalkunde aan de KU Leuven. In zijn onderzoek richt hij zich momenteel voornamelijk op de uitwisseling van opvattingen over talen in de vroegmoderne tijd tussen Europa en Azië.

 

(1) Franz Kaspar Schillinger, Persianische und Ost-Indianische Reis, welche Franz Kaspar Schillinger mit P. Wilhelm Weber und P. Wilhelm Mayr durch das Türckische Gebiet im Jahr 1699 angefangen und 1702 vollendet. Nürnberg, 1707. Op het moment van schrijven nog steeds verkrijgbaar bij b.v. <bol.com> of <barnesandnoble.com>.

(2) Bepaalde feitelijke gegevens verschillen naargelang van de bron; dat komt ervan als je het internet gebuikt. Vandaar dus de talrijke vraagtekens tussen haakjes. Ik troost me met de gedachte dat het om details gaat. Wat de naam van de dokter betreft: één bron stelde dat Johann en Franz wel degelijk één en dezelfde persoon waren. Waarvan akte, maar het geeft toch te denken.

Voor een absoluut betrouwbare versie van de feiten verwijs ik naar de inleiding bij de diplomatische uitgave van de Grammatica Grandonica, door Toon Van Hal en Christophe Vielle, op http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321of http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218.

(3) Ook genoemd: de 'Peperkust', alwaar vroeger een stad genaamd Calicut (nu Kozhikode)waar onze 'kalekutschen haan' vandaan komt, onze kalkoen dus – althans de naam van het beestje. Maar dat is een ander verhaal.

(4) Des Fra Paolini Da San Bartolomeo Reise Nach Ostindien, 1798. Blijkbaar nog volop verkrijgbaar on-line. ["Dit is een vertaalde versie van het Italiaanse origineel. Maar ‘vertaling’ mag je met een korreltje zout nemen: de vertaler lijkt het beter te weten dan Paulinus zelf, en hij geeft Paulinus er vaak van langs", aldus dr. Toon Van Hal.]

(5) Arnulf Camps & Jean-Claude Muller, The Sanskrit grammar and manuscripts of father Heinrich Roth S.J. (1620-1668) : facsimile edition of Biblioteca nazionale, Rome, Mss. Or. 171 and 172. Leiden, E.J. Brill, 1988.

(6) 'Language comparison in Paulinus a Sancto Bartholomeo (1748-1808): Aims, Methodological Principles', in Bulletin d'Etudes Indiennes (BEI), nr. 22-23, 2004-2005, p. 323-336.

(7) "Moedertalen en taalmoeders“. Het vroegmoderne taalvergelijkende onderzoek in de Lage Landen. Brussel, Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Kunsten, 2010 (= Verhandelingen Nieuwe Reeks 20).

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
9 avril 2013 2 09 /04 /avril /2013 14:00

 

3.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Eerste bladzijde in het handschrift van Hanxleden:

'De verbuigingen van de naamwoorden'

.

Wat ging er allemaal door je heen toen je die in rood papier en kranten verpakte bundel in handen kreeg?

 

Ik voelde me erg opgelucht en natuurlijk heel blij, wat de paters ook wel gemerkt hebben. Ze vonden het vertederend dat een in hun ogen 'jonge knaap' zo wild enthousiast was over één van de stukken in hun – toch wel merkwaardige – archief. Toen ze daarna dan nog eens plots het bezoek kregen van een Sanskrietist van de universiteit van Rome die toevallig in de buurt woont, erkenden ze het belang van deze grammatica. Hij werd ogenblikkelijk met meer toewijding behandeld en voortaan kon niet iedereen zo maar in dat achterkamertje gaan rondneuzen. Ze hadden begrepen dat sommige van hun stukken van onschatbare waarde waren.

Ik wil beslist geenszins het werk van die paters depreciëren. Zij beheerden hun archief naar best vermogen maar beseften gewoon niet welke kostbaarheden het bevatte. Het geeft wel te denken over gelijkaardige kleine archieven in Italië: welke andere, eventueel verloren gewaande schatten zouden nog naar boven kunnen komen als men al die zolder- of achterkamertjes systematisch kon gaan doorploegen?

Ik had nooit durven vermoeden dat deze vondst op zo veel belangstelling kon rekenen. Het is natuurlijk goed dat er interesse bestaat voor 'linguïstische archeologie', zoals je het zelf noemt, maar ik vermoed dat die vooral te danken is aan de nogal romantische omstandigheid dat ik het manuscript niet vond in een bibliotheek maar in een afgelegen klooster op een idyllische locatie.

 

Als naam van de grammatica lees je in sommige bronnen Samskruthavyaakaranam ("grammatica van het Sanskriet"), wat me Malayalam lijkt te zijn. Is dat de titel die Hanxleden zelf gaf, want ik heb de indruk dat in het manuscript de eerste bladzijde verdwenen is? Maar waar komt dan de naam 'Grandonica' vandaan, wat betekent hij? En op de keerzijde van het schutblad van het manuscript schreef Paulinus: "Grammatica linguae Samscrit elementis granthamicis": heeft dat laatste woord ook te maken met 'Grandonica'?

 

De eerste naam die je vermeldt, klopt niet helemaal. Hij wordt inderdaad soms aan het werk gegeven maar we vinden hem niet in de grammatica zelf. Hanxleden spreekt over 'lingua Grandonica', vandaar de naam GG die op de kaft geschreven werd door Paulinus. De vraag naar de herkomst of betekenis van de naam 'Grandonica' is erg interessant, maar het is voor elke historicus van de taalkunde een vrij heikele kwestie: hoe komt een taal aan haar naam? Tot in de 19de eeuw krijgt een taal vaak zonder enige verantwoording of verklaring een bepaald label dat voor ons soms onbegrijpelijk is. We kunnen alleen vaststellen dat 'Grandonica' of 'Samscredamica', of nog andere varianten, gebruikt werden als een synoniem van 'Sanskriet'. Met 'granthamicis' wordt wellicht iets soortgelijks bedoeld. De 'glottonymie', zoals men de naamgeving van talen zou kunnen noemen, blijft echter een zeer moeilijke kwestie en vereist een meer omvattende studie. In deze context wil ik even opmerken dat ik geen Sanskrietist ben zoals mijn collega Christophe Vielle, die hier veel meer over afweet en zonder wie ik overigens niet zou staan waar ik nu sta.

 

Paulinus vermeldt op diezelfde keerzijde van het schutblad de inhoud van het boek ("gramatica linguae Samscrit"), door wie het geschreven is ("per R.P. Ioannem Ernestum Hanxleden, Soc. Iesu, Malabariae Missionarium") met zelfs een expliciete lofbetuiging aan het adres van de schrijver ("virum hujus Samscritici idiomatis peritissimum" of "ten zeerste onderlegd in het Sanskriet idioom"), en ten slotte deze heel duidelijke vermelding: "Haec gramatica est omnium prima quae in Europa comparuit" (de eerste die in Europa opgedoken is), waarmee hij het eerstegeboorterecht duidelijk aan Hanxleden afstaat. Is het dan toch denkbaar dat Paulinus later 'geknoeid' (lees: geplagieerd) zou hebben toen hij zijn eigen grammatica in boekvorm publiceerde?

 

Paulinus bracht deze vermeldingen aan in zijn hoedanigheid van archivaris van indologisch materiaal in Rome, maar de exacte relatie tussen het werk van beiden blijft een lastig probleem.

In zijn eigen werken ontkent Paulinus nergens dat Hanxleden als eerste een grammatica geschreven zou hebben. Doorgaans heeft hij vooral aandacht voor Hanxledens lexicografische werken, die veelvuldig geciteerd worden terwijl de GG sporadisch wordt genoemd. Hij erkent dat de GG een heel vroege grammatica is, die bovendien geschreven werd vòòr die van hemzelf. Maar hij liegt wanneer hij suggereert dat de zijne niet gebaseerd zou zijn op die van zijn voorganger: hij zou de GG pas ontdekt hebben nadat zijn eigen grammatica van de persen was gerold, en we weten heel zeker dat zulks niet het geval was. Toch zou het te kort door de bocht zijn als we Paulinus gewoon beschuldigen van plagiaat, en wel omdat hij zelf in India aantekeningen maakte voor een door hem geplande grammatica. Hij bezat dus wel degelijk aanzetten voor een eigen spraakkunst maar besliste wellicht dat het beter was die van Hanxleden te gebruiken en die dan te stofferen met b.v. een Malayalam-alfabet; ook het onderdeel over de werkwoorden wijkt opvallend sterk af van dat van Hanxleden. Er zijn dus wel degelijk verschillen tussen beide werken, maar voor de rest komen de grammatica's erg overeen.

Paulinus verstopt zich achter het feit dat Hanxledens grammatica gebaseerd was op dezelfde bron die hij gebruikte, namelijk een spraakkunst die in zwang was in het zuiden van India, de Sidharubam, wat vrij ongeloofwaardig is omdat we vaststellen dat Paulinus ook Hanxledens Latijnse frasen haast letterlijk kopieert.

We zijn er nog niet uit wat Paulinus uiteindelijk bezield heeft. Ik veronderstel dat hij bij zijn terugkeer in Europa tot de vaststelling kwam dat Hanxledens boek veel degelijker, veel meer doorwrocht was dan wat hij zelf tot dan toe had neergeschreven, en dat hij besliste om alles samen te voegen tot één groot referentiewerk om zodoende op de meest economische en nuttige manier zijn eigen materiaal erin te integreren – maar dan wel zonder voldoende intellectuele eerlijkheid aan de dag te leggen, althans volgens onze hedendaagse wetenschappelijke normen en gebruiken.

Kortom, Paulinus' grammatica omvat voornamelijk het werk van Hanxleden, maar er zitten ook eigen bijdragen in.

 

In een voetnoot schrijft Paulinus nog het volgende: "In bibliotheca collegii Romani Romae exstat alia Smserdamica manuscripta, sed literis Nagaricis". Er bestonden dus nog andere grammatica's in handschrift, blijkbaar geschreven in het Nagari (Devanagari), een Indisch (Hindi) schrift? Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

 

Het is vrij duidelijk wat we ons hierbij moeten voorstellen: Paulinus had zonder meer de hand gelegd op de werkelijk eerste westerse grammatica van het Sanskriet, namelijk die van Heinrich Roth, een andere jezuïet-missionaris die in het noorden van India actief was. Daar gebruikte men het schrift dat men vandaag de dag nog altijd bezigt om het Sanskriet te noteren, het Devanagari, tevens het alfabet waarin vandaag ook het Hindi wordt genoteerd, m.a.w. het meest vertrouwde schrift als we aan India denken.

Het is duidelijk dat Paulinus die voetnoot pas later toevoegde, nl. nadat hij op dat manuscript van Roth was gestoten, dat in de Vaticaanse bibliotheek werd en nog steeds wordt bewaard. Hij dacht wellicht aanvankelijk dat Hanxleden de enige grammatica van het Sanskriet had geschreven, maar die mening heeft hij dus gecorrigeerd. Het was voor hem uiteraard ook moeilijk om in te schatten welke van beide nu de oudste was. Wij weten nu dat die van Roth de oudste is; hij werd niet uitgegeven maar er werd ondertussen wel een fotografische reproductie van gemaakt (5).

 

In je artikel over Paulinus (6) vermeld je Hanxleden niet. Waarom? Was het verband tussen de karmeliet en de jezuïet toen nog niet bekend?

 

In mijn vroege bijdrage over Paulinus had ik het vooral over diens ideeën over taalverwantschap. Daar heeft alleen Paulinus zich mee beziggehouden, Hanxleden helemaal niet; daarom heb ik zijn naam ook niet vermeld.

De tekst van Hanxleden zelf begint met deze regel: "Magna est in hac lingua declinationum copia" ("deze taal kent een grote overvloed aan verbuigingen"). Verderop heeft hij het over "conjugatio" (vervoeging) en op de allerlaatste pagina zag ik het woord "adverbia" (bijwoorden). Wat omvat zijn grammatica allemaal, wat behandelt hij (fonologie, morfologie, syntaxis…)?

 

De GG is een redelijk droog werkstuk. Hij behandelt voornamelijk morfologie (werkwoorden, naamwoorden) maar heeft toch ook wat aandacht voor syntaxis (functie van de naamvallen) en voor de manier waarop woorden aan elkaar gevoegd worden (zoals het Duits kan het Sanskriet heel lange samenstellingen maken). Verder is er ook aandacht voor de sandhi (assimilatie): hoe losse, afzonderlijke woorden in zinsverband fonologisch aan elkaar geplakt worden. Hanxleden rept anderzijds helemaal niet over b.v. gelijkenissen tussen Sanskriet en Latijn of Duits en geeft ook geen alfabet-overzicht, wat mogelijk wel zijn bedoeling was, mocht hij het werk hebben uitgegeven.

Het deel over syntaxis moet aanvankelijk een los manuscript geweest zijn dat hij pas later samenvoegde met het morfologische onderdeel – dat kan je zien doordat er een nieuwe, aparte nummering begint op de eerste twee bladzijden over de syntaxis.

 

Merkwaardig is wel dat alle Sanskriet voorbeelden ook geschreven worden in een ander alfabet, dat mij Malayalam lijkt te zijn. Ten eerste: is dat niet erg vreemd: Sanskriet getranscribeerd in een Dravidisch schrift? Ten tweede: vreesde hij dan niet dat zijn grammatica nooit gelezen zou kunnen worden door westerse collega's, die dit schrift niet beheersten?

 

Je hebt zeer goed opgemerkt dat het om een ander schrift gaat, en dat lijkt op het eerste gezicht een vrij eigenaardig kenmerk van deze grammatica. Maar dat is het alleen als je er met een westerse bril naar kijkt. Je moet weten dat alle alfabetten die in India in zwang zijn allemaal teruggaan op één oeralfabet, het Brahmi, dat – als ik me niet vergis – op zijn beurt teruggaat op het Aramese alfabet. Uiteindelijk is dus ook ons Latijnse alfabet, afkomstig van de Feniciërs, verwant met dat Brahmi. Daarnaast lijken er ook veel verschillen te bestaan tussen de Indische alfabetten onderling. Het valt echter wel op dat die allemaal fonetisch zeer gedetailleerd zijn: er zijn vrij veel grafemen, wat het mogelijk maakt om het Sanskriet op een fonetisch vrij adequate manier te noteren. In de 18de eeuw werd het Sanskriet in het zuiden van India genoteerd met de Malayalam-letters, en dat ging even vlot als in het noorden waar men Devanagari hanteerde.

In Calcutta, waar men het Devanagari alfabet gebruikte, waren Engelse geleerden actief, en dat is de enige oorzaak van het feit dat dat alfabet het 'gewonnen' heeft van de andere schriften; het werd o.m. door William Jones gebruikt om in leerboeken Sanskriet te noteren. Het werk van deze Engelse geleerden in het noorden deed de bijdragen van de missionarissen in het zuiden in zekere zin 'ondersneeuwen'. Eén van de latere kritieken is precies geweest dat men veel te veel gekeken heeft naar de mérites van Jones, hoewel hij uiteindelijk veel minder geïnteresseerd was in het Sanskriet als zodanig, in vergelijking met de missionarissen in het zuiden.

Het is vrij anachronistisch om te vrezen dat zijn werk niet gelezen had kunnen worden door westerse collega's omdat op dat moment toch niemand in de westerse wereld Sanskriet kon lezen. Het was nog helemaal niet uitgemaakt of zelfs voorspelbaar dat er in het Westen interesse zou kunnen ontstaan voor deze taal, en dus ook niet welk alfabet de gangbare notatievorm voor het Sanskriet zou worden.

 

Waar situeer je deze grammatica van Hanxleden in zijn eigen tijd? Waren er voorgangers geweest, waren er contemporaine collega's? Vanwaar die belangstelling in de 18de eeuw voor het Sanskriet? Ik denk hier ook aan Jones, uiteraard, maar misschien waren er nog anderen?

 

Er zijn voorgangers geweest. Ik vermeldde reeds Roth. Daarnaast waren er ook enkele handelaars die interesse hadden voor het Sanskriet, maar daar is heel weinig van tot in het Westen geraakt. Filippo Sassetti is zo'n naam, Roberto de Nobili een andere.

De enorme belangstelling die dan ontstond op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw, is een verhaal op zich. De Romantiek speelde daar een grote rol in; ook de ijdele droom dat men door de ontdekking van het Sanskriet de verloren gewaande 'oertaal' teruggevonden had, kan meegespeeld hebben. Bij de eerste pogingen om het Indo-Europees te reconstrueren, b.v. die van August Schleicher, zien we dan ook reconstructies die heel sterk op Sanskriet lijken. In het begin van de 19de eeuw was het Sanskriet niet zo maar één taal onder vele andere, zoals nu het geval is, maar de meest gezaghebbende Indo-Europese taal die bovendien als 'oertaal' werd beschouwd.

Luc PAY

(wordt vervolgd)

 

De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
8 avril 2013 1 08 /04 /avril /2013 23:04

 

1.-Montecompatri.jpg

Het Convento San Silvestro te Montecompatri, waar de Grandonica berustte.

In 1681 wordt in Ostercappeln (Nedersaksen, bij Osnabrück) Johann Ernst von Hanxleden geboren. Na zijn studies in de filosofie meldde hij zich voor vrijwillige dienst in de 'Oost-Indische' jezuïeten-missie; hij vertrok vanuit Augsburg op 30 oktober (of 8 december?) 1699 in het gezelschap van de jezuïetenpaters Wilhelm Weber en Wilhelm Mayer (Meyer, Mayr?) en de Duitse dokter (of 'barbier') Johann (Franz?) Kaspar Schillinger, die een reisverslag (1) naliet over de gevaarlijke tocht. De reis ging via Italië en Cyprus (waar hij toetrad tot de Societas Jesu), Turkije, Syrië, Armenië en Perzië naar Bender-Abbas aan de Perzische Golf, waar het gezelschap inscheepte richting Surat (nu in de Indiase deelstaat Gujarat). De twee jezuïetenpaters stierven op zee, maar Hanxleden was tijdens de reis reeds formeel aanvaard als kandidaat-jezuïet (2).

Hij arriveerde in India op 13 december 1700 en trok samen met dokter Schillinger naar Goa (nu een deelstaat, destijds de hoofdstad van het Portugese koloniale imperium in het Oosten) waar een grote communauteit jezuïeten gevestigd was en hij zijn noviciaat voltooide. Na afronding van zijn theologie-studies aan het seminarie van Ambalakad-Sambaloor (San-Paul-ur, Sint-Paulus dus) werd hij in 1705 (1706?) tot priester gewijd.

Hij was gedurende zowat dertig jaar actief in Malabar, de kuststreek van Kerala – vandaag de zuidwestelijke Indiase deelstaat aan de Arabische Zee (3). Hanxleden doorkruiste deze regio herhaaldelijk als missionaris en was professor theologie aan het seminarie van Sambaloor.

Hij overleed op 20 maart 1732 als gevolg van een slangenbeet in Pazhuvil (Kerala), waar zijn herinnering nog steeds erg levendig wordt gehouden: bepaalde gebouwen waar hij verbleef of die hij zelf bouwde, werden beschermd en er werd aan hem een museum gewijd in Velur.

Er is echter meer. Veel meer. Hanxleden, wiens moedertaal Duits was, kende uiteraard Latijn. Maar hij beheerste ook het Malayalam, dat behoort tot de familie van de Dravidische talen en dus zelfs niet verwant is met de naburige Indo-Iraanse talen; het is de officiële taal in de deelstaat Kerala. Daarnaast was hij nog machtig: het Portugees, het Tamil (alweer behorend tot de Dravidische familie) en het Syrisch, de liturgische taal van de Thomas-christenen ('Syrische christenen' of 'nasrani'), een dialect van het Aramees en dus behorend tot de Afro-Aziatische familie. Daar bovenop leerde hij van twee Brahmanen Sanskriet (Indo-Iraanse familie, dus Indo-Europees), hoewel die taal doorgaans niet aan buitenstaanders werd aangeleerd. Als je dan bedenkt dat deze talen ook nog eens hun eigen alfabetten hanteren…

Gewapend met deze talenkennis poogde de hoogbegaafde jongeman – hij was niet eens twintig toen hij in India aankwam – de westerse en oosterse culturen en literaturen te integreren. Zo schreef hij christelijk geïnspireerde liederen-gedichten in het Malayalam, essays in het Latijn over o.m. de Ramayana en de Mahabharata, woordenboeken en grammatica's: Dictionarium Malabarica Lusitana (Malayalam-Portugees), Dictionarium Samscredamico-Lusitanum (Sanskriet-Portugees), Grammatica Malabarico Lusitana (een grammatica van het Malayalam geschreven in het Portugees), en ten slotte de zogenaamde Grammatica Grandonica, waarover zo dadelijk meer.

Het zal dan ook niet verwonderen dat Hanxleden, in zijn tijd al geliefd als een deugdzaam en geleerd man, tot vandaag in Malabar geëerd wordt wegens zijn uitzonderlijke verdiensten voor de lokale talen en literatuur. Hij leeft er verder in het collectieve geheugen als 'Arnos Padre' of 'Arnos Paathiri'; 'Arnos' lijkt me een Malayalaamse verbastering van zijn voornaam 'Ernst', terwijl 'paathiri' in diezelfde taal 'priester, pastor' ('padre') betekent.

Maar het gaat dus om de Grammatica Grandonica (verder GG), een in het Latijn geschreven spraakkunst van het Sanskriet, die hij zelf nooit in boekvorm heeft uitgegeven. Het manuscript werd enkele tientallen jaren later ter plaatse opgepikt door een Oostenrijkse (Kroatische?) karmeliet, Paulinus a Sancto Bartholomeo (1748-1806), die het meebracht naar Europa – althans volgens bepaalde bronnen. Deze Paulinus, een oriëntalist, is de auteur van o.m. een reisverslag (4) en van de allereerste gepubliceerde grammatica van het Sanskriet, Sidharubam (1790).

ToonVanHal.jpg

Toon Van Hal

Hanxledens manuscript bleef gedurende lange tijd spoorloos, tot de jonge Vlaamse taalkundige Toon Van Hal het terugvond in het karmelietenklooster San Silvestro te Montecompatri, iets ten zuiden van Rome, in het voorjaar van 2010. Samen met Christophe Vielle verzorgde Van Hal de elektronische 'editio princeps' van deze grammatica, die sinds een tweetal dagen on-line beschikbaar is.

Ik had met hem een gesprek over de vondst van deze uitermate belangrijke en tot dan toe verloren gewaande grammatica.

2.-Hanxleden-Grandonica-Editio-Princeps.jpg

Keerzijde van het schutblad:

Paulinus situeert de tekst van het handschrift (inhoud, auteur…).


Hoe wist men af van het bestaan van de GG? Werd deze grammatica door Paulinus zelf vermeld in diens werk (-en), of werd hij gesignaleerd in andere contemporaine of latere bronnen?

 

Paulinus vermeldt de GG in meerdere werken, maar opvallend niet in zijn eigen Sanskriet grammatica, die in 1790 werd uitgegeven en nu grotendeels gebaseerd blijkt op die van Hanxleden. Paulinus prijst Hanxleden in andere werken wél uitvoerig en ook de GG zelf wordt af en toe vermeld. Paulinus hield b.v. lijstjes bij van manuscripten die te vinden waren in archieven te Rome en probeerde die indologische bronnen te groeperen. Uit die documenten blijkt dat hij de GG wel degelijk consulteerde én uitvoerig bejubelde; zo zegt hij ergens dat het manuscript van Hanxleden "goud waard is".

Ook andere bronnen signaleren het bestaan van de GG  maar het is toch vooral aan Paulinus te danken dat we op de hoogte waren van het bestaan ervan; anderzijds is het echter ook precies aan hem te wijten dat er zo veel mist rond is blijven hangen.

 

Is het bekend wat Paulinus met het manuscript van de GG gedaan heeft – gewoon 'fysiek', bedoel ik? Anders gezegd: tot op welke locatie en tot op welk moment wist men zeker wat er met het manuscript gebeurd was?

 

De hele transmissiegeschiedenis van het manuscript is vrij wazig.Ten eerste is het niet helemaal duidelijk wie het uiteindelijk naar Europa heeft gebracht. Het lijkt voor de hand te liggen dat Paulinus dat zelf deed, al pleiten even veel argumenten ervoor dat hij dat handschrift pas heeft gezien na zijn terugkeer in Rome. In de Nationale Bibliotheek van Rome zijn immers een aantal kladjes te vinden van de hand van Paulinus, met name aanzetten van een Sanskriet grammatica die hij zelf wou samenstellen. Die manuscripten zijn niet voltooid, maar ze tonen wél duidelijk aan dat Paulinus nog tijdens zijn verblijf in India inderdaad van plan was een spraakkunst van het Sanskriet te schrijven. Zelf zegt hij dat hij pas bij zijn terugkeer de GG heeft gevonden, en wel op het moment dat zijn eigen grammatica in druk was. We weten nu dat hij daarmee de waarheid geweld aandoet: bij vergelijking van beide werken blijken de overeenkomsten zo frappant dat er van toeval geen sprake meer kan zijn. Voor een groot deel heeft Paulinus dus het werk van Hanxleden gekopieerd; vooral de fouten die Paulinus maakte – en Hanxleden niet – wijzen erop dat Paulinus veel minder goed Sanskriet kende dan zijn voorganger.

 

Vermits men blijkbaar kon veronderstellen dat Paulinus, een karmeliet, het manuscript had meegebracht, lijkt het toch vreemd dat het zo lang in een karmelietenklooster verborgen kon blijven. Werd er dan niet naar gezocht, in het Vaticaan b.v. of bij de karmelieten zelf? Hoe komt dat?

 

Toch even corrigeren hier: het is, nogmaals, helemaal niet zò duidelijk dat de karmeliet Paulinus de grammatica van de jezuïet Hanxleden naar Rome heeft gebracht, en we weten nog altijd niet wie dat dan wél gedaan heeft. Paulinus beweert zelf dat hij dat niet gedaan heeft, en op basis van de gegevens waarover we nu beschikken, ben ik bereid hem daarin te geloven.

Er is niemand gaan zoeken in het karmelietenklooster van Montecompatri omdat dit klooster niet rechtstreeks gelieerd is met Rome. Het ligt wel in Lazio maar is toch vrij ver verwijderd van de kloosters in Rome waarover Paulinus geregeld zelf praat. Bovendien is het zo dat paters- of monniken-archivarissen die geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van hun orde, doorgaans minder aandacht besteden aan eventuele 'Fremdkörper' binnen het corpus van beschikbare documenten. Ik denk dat dit de oorzaak is van het lange ondergedoken bestaan van de GG: het ging immers om een werkstuk van een jezuïet dat terecht kwam in een karmelieten-omgeving.

Nu bestond er wel degelijk een inventaris van het archief van Montecompatri, maar dat archief was vooral van technische aard: je treft er de GG aan tussen elektriciteitsrekeningen en water- of gasmeterstanden; ook een aantal manuscripten werden gecatalogeerd, maar daar is de grammatica van Hanxleden door de mazen van het net geglipt – precies omdat het een werk van een jezuïet betrof.

 

Wat was de aanleiding voor je eigen 'queeste'? Had je voorlopers of aanknopingspunten? Hoe is je zoektocht verlopen en hoe ben je uiteindelijk bij het manuscript beland? Of heeft het toeval een rol gespeeld?

 

Ik heb destijds mijn licentiaatsthesis gewijd aan Paulinus, die voortaan het risico loopt om beschouwd te worden als een banale vervalser. Hij kopieerde wel degelijk grotendeels de GG, maar dit odium zou de man hoe dan ook onrecht aandoen. Hij bezat vele talenten en maakte zich verdienstelijk door, ten eerste, de indologische studies te Rome te systematiseren of het materiaal te ordenen, en door andere indologische traktaten te schrijven – o.a. zijn beschrijving, oorspronkelijk in het Italiaans, van zijn reis naar India, een soort Lonely Planet avant la lettre (4). Hij was wel degelijk een pionier, ook op het vlak van de vergelijkende taalkunde. Hij was één van de allereersten die het Sanskriet op een veel gedegener manier en veel gedetailleerder vergeleek met andere talen zoals het Latijn, het Zend (of Avestisch, een vorm van Oudiraans) of het Duits. Op basis van vooral lexicale gelijkenissen speculeerde hij dan over de oorzaken van die verwantschap. Daarin is hij verder gegaan dan William Jones, die hij in zijn geschriften trouwens niet gespaard heeft.

Ik kende het pre-comparatistische werk, de Indo-Europese vergelijkende taalwetenschap 'ante litteram' van Paulinus dus wel een beetje (de vergelijkende Indogermanistiek stricto sensu zag het licht met de publicatie, in 1816, van een werk van Franz Bopp en Rasmus Rask) en daardoor ook de naam Hanxleden. Deze werd in de literatuur wel vaker, maar zonder enige argumentatie, bestempeld als een veel belangrijker indoloog dan Paulinus. Bovendien deed al geruime tijd het hardnekkige gerucht de ronde dat Paulinus zijn grammatica had gekopieerd van Hanxleden, wiens manuscript echter al lang 'verloren' was gegaan.

Er zijn pogingen gedaan om dat handschrift op te delven. Zo zou het in de 19de eeuw door een zekere De Barone zijn ingekeken; helaas vermeldt die nergens de vindplaats van de GG en geeft hij geen informatie over de manier waarop hij op het manuscript gestoten was. In de 20ste eeuw wordt nog wel aan de GG gerefereerd, maar iedereen doet dat zonder het manuscript echt gezien te hebben.

In de jaren 1980 ondernam Jean-Claude Muller een nieuwe poging om het op te sporen; hij maakte een kort verslag van alle plaatsen waar hij het handschrift tevergeefs had gezocht. Ikzelf wilde vroeger al een status quaestionis schrijven over de relatie tussen Paulinus en Hanxleden, maar dat opzet kantelde snel in een stoutmoedige zoektocht naar het manuscript zelf, omdat alleen op basis van de tekst iets te zeggen valt over een eventuele schatplichtigheid van de ene aan de andere. Daarom heb ik de zoektocht van Muller verdergezet.

De sleutels die mij naar het manuscript leidden, waren ten eerste de vermelding in een catalogus van de karmelieten dat materiaal van Paulinus, meer bepaald een woordenboek, bewaard werd in 'een' klooster in Montecompatri – echter zonder verder commentaar. In het hoofdarchief van de karmelieten te Rome vond ik, ten tweede, een steekkaart waarop de GG zelf werd vermeld, met in potlood opnieuw een verwijzing naar het klooster in Montecompatri.

Vanaf dat moment krijgt mijn zoektocht wat minder alledaagse trekjes. Ik vertrok met de bus vanuit Rome, waarna een hele klim te voet volgde om het convento te bereiken, dat prachtig gelegen is op een heuveltop. Jean-Claude Muller formuleerde de hypothese – die mij erg waarschijnlijk lijkt – dat een aantal documenten op relatief grote hoogte zijn gevonden omdat het niet ongebruikelijk was om in de zomer uit Rome weg te trekken en verkoeling te zoeken in de heuvels rond de stad.

Slechts een viertal paters, hoogbejaard of in niet al te beste gezondheid, bewoonden nog het klooster. Het was duidelijk dat ze zich ietwat gegeneerd voelden toen ik informeerde naar het archief; met zo weinig handen voor zo veel taken is een archief immers één van de eerste dingen die van de prioriteitenlijst geschrapt worden. Uiteindelijk belandde ik toch in dat erg kleine archiefkamertje waar tussen de reeds vermelde waterrekeningen en gasmeterstanden ook een aantal oudere manuscripten te vinden waren: niet dat ene boek van Paulinus waar ik ook wel nieuwsgierig naar was, namelijk zijn Latijns-Sanskriet (dus 'omgekeerd') woordenboek. Ik vond er wel zijn reisdagboek, een manuscript dat heel moeilijk te lezen is omdat het grotendeels geschreven is in het Duits en dus, zoals destijds gebruikelijk, in een cursief lopend schrift. Maar ik trof er ook het manuscript van Hanxleden aan, waar ik naar op zoek was en dat bovendien veel beter leesbaar bleek: het was ingepakt in rood papier en kranten daterend van Kerstmis 1953. In dat jaar is het manuscript dus nog op z'n minst gearchiveerd of weggestopt, wellicht door iemand die het belang ervan niet direct inzag.

Luc PAY

(wordt vervolgd)

 

De Grammatica Grandonica is raadpleegbaar en downloadbaar op: Universität Potsdam,

http://pub.ub.uni-potsdam.de/volltexte/2013/6321

folgenden konstanten und zitierfähigen URN:

urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Browserfähiger Link zur URN-Auflösung:

http://nbn-resolving.de/urn:nbn:de:kobv:517-opus-63218

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
1 avril 2013 1 01 /04 /avril /2013 00:00

 

JorisVSnieuwsbriefMaart13.jpg

Van Hugo Claus naar Joris van Severen, de stap is voor mij gauw gezet. In De Verwondering (1962), het absolute proza-meesterwerk van Claus, spookt de schaduw van de leider van het Verdinaso, de “Imperiale Staatsman”, die ook expliciet ter sprake komt in Het verdriet van België (1983). Hij staat ook centraal in de roman De vijanden (1962) van Piet van Aken (nog zo'n slachtoffer van de collectieve literaire amnesie...)

De voornamelijk Latijns georiënteerde Van Severen was achtereenvolgens flamingant, bewonderaar van de Russische revolutie, Vlaams-nationalist en belgicist, niet in de huidige betekenis van aanhanger van de unitaire staat, maar als “groot-belgicist”, ideoloog van het staatkundige herstel der Nederlanden als erfopvolger van het Middenrijk of de Bourgondische Kreits.

In de loop der jaren heb ik uit historische belangstelling en dorst naar primaire bronnen een stevige verzameling Van Severiana opgebouwd, van het tijdschrift Ter Waarheid tot militante brochures van het Verdinaso en zijn na-oorlogse nasleep.

Van Severen was een fascinerende persoonlijkheid, dat blijkt voldoende uit de talrijke geschriften die aan hem en zijn elitaire beweging gewijd werden (o.m. door Rachel Baes, Arthur de Bruyne, Luc Delafortrie, Hendrik Elias, Romain van Landschoot, Piet Tommissen, A. W. Willemsen, Lode Wils – uit het geheugen, dat is nu eenmaal de huisregel bij deze “notities”).

Congo-specialist Jef van Bilsen, adviseur van Patrice Lumumba en later commissaris van de Koning voor Ontwikkelingsamenwerking, was een van de Dinaso's die na de moord op Van Severen voor het verzet kozen, net als de industrieel Franz van Dorpe, terwijl Jef François of Pol Le Roy zich resoluut en met volle overtuiging in de collaboratie engageerden. Over Van Severen heb ik gesprekken gehad met baron Pierre Nothomb (vader van...), die destijds (begin de jaren zestig) nog senator was en geregeld een hartsvriendin in Antwerpen bezocht; met de surrealistische dichter en collagist E. L. T. Mesens (“le flamingant de Londres”); uiteraard met de dichter en criticus Pol Le Roy, die leidinggevende functies bekleedde in het Verdinaso en na de dood van de Leider de Groot-Germaanse toer opging; en met mijn dierbare vriend taaltuinier Maarten van Nierop, directeur van de Standaard-Uitgeverij, die veel voor mij betekend heeft.

Niet te verwonderen dus dat ik altijd met belangstelling kennis neem van de Nieuwsbrief Joris van Severen. In de jongste aflevering (tweede trimester 2003) wordt Mededelingen nr. 203 (januari 2013) geciteerd.

Naast de driemaandelijkse nieuwsbrief publiceert het Studiecentrum Joris van Severen vzw een jaarboek, waar CDR-medewerker Hendrik Carette, (een even onvoorwaardelijke als onkritische) bewonderaar van Joris van Severen, geregeld aan meewerkt.

*

Het moet niet altijd zwart zijn. In een volgende aflevering zal ik het hebben over mijn vrienden uit het verzet.

*

Ondertussen lees ik in Gemengde berichten, de altijd even lezenswaardige als verrassende blog van mijn vriend en gewaardeerde CDR-medewerker Bert Bevers die ik dagelijks oproep: ”Mmmm, zalig geluncht. Met boterhammen met boter, een beetje mayonaise en grijze garnalen. Dit is echt een van mijn lievelingsgerechten!”. We delen dus niet alleen de belangstelling voor B-films...

Henri-Floris JESPERS


Nieuwsbrief Joris van Severen, driemaandelijks tijdschrift, is een ledenblad van het Studiecentrum JvS, p/a Maurits Cailliau, Paddevijverstraat 2, B 8900 Ieper. XVIIde jg., tweede trimester 2013. De ledenbijdrage bedraagt 29 € (inclusief het 17de jaarboek JvS, te verschijnen in mei), te storten op postrekening

IBAN BE71 0001 7058 1469 / BIC BPOTBEB1, t. n. v. Studiecentrum Joris van Severen, 8900 Ieper.

JorisBVSjaarboek15.jpgJaarboek 15, 2011, 208 p., kaftillustratie:Jan Wouters

JorisVSjaarboek16.jpg

Jaarboek 16, 2012, 208 p., kaftillustratie: Albert Poels

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
26 mars 2013 2 26 /03 /mars /2013 01:19

 

Hulpelozen.jpg

Het boek van Paul Servaes over Emile Verhaeren (zie Losse notities IV) roept onvermijdelijk “communautaire” en “identitaire probleemstellingen” op, ook al omdat Verhaeren als icoon geïnstrumentaliseerd werd. Ik zal daar op ingaan in de bespreking die in een volgende aflevering van het tijdschrift Mededelingen van het C.D.R.zal verschijnen. Wat er ook van zij, het inzicht dat in het Frans schrijvende Vlamingen hun rechtmatige plaats verdienen in het Vlaamse erfgoed, wint kennelijk veld. Het Provinciaal Verhaeren Museum voor beheerd door het Emile Verhaeren Genootschap vzw maar kan rekenen op een provinciale werkingssubsidie. Aan de Vrije Universiteit Brussel werd de Leerstoel Emile Verhaeren opgericht. De invloed van Verhaeren op de historische avant-garde (o.m. op F. T. Marinetti) wordt in kaart gebracht door prof. dr. David Gullentops die, samen met Hans Vandevoorde, ook aandacht vraagt voor de anarchisten rond Verhaeren, een thema dat ook Frans Boenders wist te boeien.

*

De hulpelozen van de macht van Jean-Pierre Rondas (°1946) uitgelezen. “Het federale graf van de Vlaamse regeringspartijen”, zo luidt de toelichting bij de titel. Meer nog dan de verhelderende, stevig geadstrueerde analyse van de binnenlandse politieke actualiteit (bijv. “Waar het fout liep tijdens de zomer van 2011” of “Suïcidale dialoog en rotte compromissen”), trof mij de brede historische context waarin Rondas (impliciet of expressis verbis) zijn visie moeiteloos situeert. Daarbij aarzelt hij niet autobiografisch op te treden (bijv. in “Een daensistische reactie op het bezweren van de bode”), wat de leesbaarheid van zijn boek niet alleen ten goede komt, maar bovendien een treffend getuigenis zinvol aanreikt. Ach, er vallen nog heel wat kanttekeningen te formuleren bij dit boek, dat vooral niet weggewuifd mag worden als tijdsgebonden pamflet.

De eerste druk verscheen in oktober 2012, de tweede in december.

FontaineVECU.jpgVan l. naar r.: HFJ, André Fontaine en Jef Denkens, voorzitter van de VECU (1978 – ik kan er een jaar naast zijn...)

Ondertussen schrijven we 17 maart. In de late avond verneem het overlijden van André Fontaine (°1921), diensthoofd buitenlandse zaken, hoofdredacteur (1969-1985) en directeur (1985-1991) van Le Monde. Naast zijn journalistieke activiteit publiceerde hij een aantal gezaghebbende boeken over de Koude oorlog en wat destijds de “Oost-West-betrekkingen” werd genoemd.

Henri-Floris JESPERS

(wordt straks vervolgd)

 

Jean-Pierre RONDAS, De hulpelozen van de macht, Kalmthout, Pelckmans, 2012, 151 p., 12 €. ISBN 978 90 289 7017 5

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
18 mars 2013 1 18 /03 /mars /2013 01:05

 

Gregorius-XIII.jpg

Onze tijdrekening, de Gregoriaanse, dateert van 1582. Paus Gregorius XIII besloot toen de kalender te hervormen omdat die van slag was geraakt. De Juliaanse kalender telde immers 365,25 dagen in plaats van 365. Voor de fijnproevers: de 2.421.894 dagen dat de Juliaanse kalender gold hadden als effect dat de jaren 0,0078106 dagen of 11,247 minuten te lang waren. In 1582 was dat opgelopen tot 12,68 dagen. Wat Gregorius betreft moest 4 oktober 1582 gevolgd worden door 15 oktober 1582. Bij pauselijke bul werd bepaald dat een jaar voortaan zou bestaan uit 365,2425 dagen. Daarmee werd ook het concept schrikkeljaar ingevoerd, om de boel op orde te houden. Wat Gregorius betreft moest 4 oktober 1582 gevolgd worden door 15 oktober 1582. Hetgeen geschiedde.

Denk nu echter niet dat zulks overal zomaar zonder slag of stoot gebeurde. In die jaren waren er – vooral in het noorden – immers ineens ook protestanten alom, die een dergelijke op zich wetenschappelijk verantwoorde herrekening alleen al niet wilden doorvoeren omdat ze van de paus kwam. Italië, Portugal en Spanje (dat mag geen verbazing wekken) schakelden inderdaad meteen van 4 oktober op 15 oktober 1582 over. Nog in hetzelfde jaar volgden Frankrijk (waar 9 december werd gevolgd door 20 december), Brabant en Zeeland (na 14 kwam daar 25 december) en Vlaanderen (dat van 21 december 1582 meteen maar naar 1 januari 1583 door ging).

Nog in 1583 pasten Holland, het bisdom Luik, Groningen (maar dat stapte in 1594 weer terug in de tijd, het zou uiteindelijk 31 december 1700 door 12 januari 1701 laten volgen), en de bisdommen Keulen en Munster zich aan. De rest van rooms-katholiek Duitsland volgde een jaar later: 21 december 1584 werd daar gevolgd door 1 januari 1585. Om maar te illustreren dat er behalve taalgrenzen ook religieuze grenzen bestaan: protestants Duitsland paste zich pas in 1700 aan. Daardoor liepen bij onze oosterburen de paasdata pas gelijk in….1776! Engeland, nooit te beroerd om Rome te jennen, volgde schoorvoetend in 1752, Rusland in 1918. Turkije volgde nooit de Juliaanse kalender, maar besloot op 1 januari 1927 mee in de onze te stappen.

Cervantes.jpg

Cervantes

Bizar, al die verdwenen dagen. Waarop toch ook mensen geboren werden (die dan officieel 1 tot 12 dagen minder oud waren dan ze feitelijk waren), en stierven. Een mooi voorbeeld daarvan: Miguel de Cervantes Saavreda, de schepper van de onvergelijkelijke Don Quichot(vereeuwigd in het meesterwerk El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha), stierf (in het katholieke Madrid) op zaterdag 23 april 1616. William Shakespeare, schrijver van teveel klassiekers om op te noemen, werd tien dagen ouder dan zijn Spaanse collega, maar stierf (in het niet-katholieke Stratford-upon-Avon) óók op 23 april 1616. Maar niet op zaterdag 23 april 1616, maar op wóensdag 23 april 1616….

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche