Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
6 juin 2014 5 06 /06 /juin /2014 02:12

 

ADVN.jpg

Zo luidt de titel van de voordracht die Ine Van inthout op vrijdag 20 juni  houdt in het ADVN te Antwerpen.

De meeste studies over het thema 'België en het Derde Rijk' onderzoeken de periode van de Tweede Wereldoorlog vanuit Belgisch perspectief. Ze bestuderen de militaire operaties, de impact van de bezetting op het politieke, economische, culturele en dagdagelijkse leven, de verschillende vormen van collaboratie en verzet, de deportaties.

In het lopende onderzoek van Ine Van linthout wordt de focus verschoven naar het Derde Rijk tijdens de twaalf jaar van zijn bestaan (1933-1945). Centraal staat de vraag wat er in nazi-Duitsland achter de schermen van de ministeries, in de propagandarichtlijnen en in het publieke discours over België werd gezegd. Er wordt gekeken naar de correspondentie, notities en verslagen van politieke instanties. Er wordt onderzocht met welke directieven, aanbevelingen en censuurmaatregelen gepoogd werd het discours over België te reguleren. Ten slotte wordt nagegaan wat de Duitse bevolking daadwerkelijk over België te lezen, te horen en te zien kreeg in de vorm van boeken, pers- en radioberichten, films, tentoonstellingen en andere activiteiten. De lezing licht enkele cases uit het reeds gevonden materiaal.

Ine Van linthout is Germaniste van opleiding. Ze doctoreerde aan de Berlijnse Humboldtuniversiteit en de Universiteit Antwerpen over de rol van het boekmedium voor de nazi-propagandapolitiek. Haar dissertatie verscheen in 2011 bij de Gruyter. Momenteel is ze onder meer als postdoc-onderzoeker verbonden aan de vakgroep geschiedenis van de Ugent.

*

De voordracht vindt plaats op 20 juni in de leeszaalvan het ADVN (Lange Leemstraat 26, 2018 Antwerpen) en start om 14u30. Nadien is er een facultatieve rondleiding in het ADVN.

Bent u geïnteresseerd? Inschrijven kan langs publiekswerking@advn.be.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
21 avril 2014 1 21 /04 /avril /2014 12:22

 

JosChabert.jpg

Voor de goede orde. Dit verhaal speelt zich af toen er nog geen sprake was van gewesten en deelregeringen. De macht van het land zat nog volledig in de Wetstraat.

Op 13 februari 1973 zat Jos Chabert zich in te werken. Hij nam een dossier van een krimpende berg, keek het in en legde het daarop op een groeiende berg. Hij was drie weken minister, en dan nog wel van het aartsmoeilijke departement van Cultuur. Altijd klagers, bedelaars en als je ze wat toestopte kon er geen woord van dank af. Nooit was het genoeg. Na de zoveelste zucht bij het sluiten van een dossier stormde plots zijn kabinetschef binnen. ‘Meneer de minister’, zei Johan Fleerackers. ‘We zitten met een probleem, een groot probleem.’

De minister keek op. Johan was normaal de rust zelve. Een staatsgreep? Een kathedraal in brand? Zo erg was het nu ook weer niet, maar erg was het wel. ‘De burgemeester van de Vorst, eigenaar van Vorst-Nationaal, heeft de Nacht van de Poëzie verboden?’ – ‘Nacht van de Poëzie, Nacht van de Poëzie, wat is dat voor iets? Heb ik daar een dossier over?’ – De minister had er geen dossier over. Het was een initiatief dat in geen enkel straatje paste. Een mix van poëzie, spektakel, muziek, dans. En dan die organisator. Die was voor geen rede vatbaar. Financieel en administratief ongrijpbaar.

Goed. Zeer goed zou ik denken,’ zei de minister. ‘Dan is er geen probleem Johan. Want wat hebben wij met die man en zijn nacht te maken?’ – ‘U heeft gelijk, meneer de minister. Die man is geen gevaar voor ons beleid, maar de burgemeester van Vorst heeft de Nacht verboden.’ De minister begreep meteen dat door die zet het probleem in de politieke hoek zat. Hij dacht even na, liet zijn pen tussen de vingers van beide handen rollen. ‘Wat stel jij voor Johan?’ – ‘Wel, meneer de minister, die burgemeester, een zekere Jacques Lepaffe, is een FDF-er. Niet zozeer hij maar zijn partij is een stoorzender in de Wetstraat. Uit goede bron heb ik vernomen dat jonge Vlaamse Brusselaars, politici in de kinderschoenen, een ouder partijlid aan het opvrijen zijn om te interpelleren in de Kamer. Een Vlaamse manifestatie verbieden is een kaakslag voor Vlaanderen. Herinner u de uitspraak van Lode Craeybeckx uit 1954: ‘Wij laten Brussel niet los.’ Er was al rumoer maar die uitspraak was het begin van de politieke taalstrijd.’

En van wie mogen die kinderschoenen dan wel zijn?’ vroeg de minister. – ‘Eric van Lerberghe van de CVP, Annemie Neyts van de PVV, Ivo Goris van de Volksunie en Jari Demeulemeester van de BSP. Ze zitten in het bestuur van de Vlaams-Brusselse Jeugdclub, en die organisator heeft bij de club onderdak en steun gevonden. Het dreigt een financieel fiasco te worden, en daarom dat ze alle politieke registers opentrekken.’ De minister nam een slok van zijn inmiddels koude koffie en trok een grijns. ‘Wat stel jij voor, Johan’. – ‘Het is al zover dat de Vlaamse kranten dreigen uit te pakken met klaagzangen over het onrecht dat de Vlamingen is aangedaan. Daarenboven is het jonge weekblad Knack sponsor en ik heb zonet de hoofdredacteur aan de lijn gehad, die me vroeg wat het ministerie van Cultuur van plan is.’ – ‘Frans Verleyen,’ murmelde de minister. ‘Een beminnelijk maar gehaaid man. – ‘Vooral een gecultiveerd man. Kunst en politiek staan bij hem voorop. Hij zingt liever Schubert dan het Belgisch volkslied.’

Laten we het kabinet verlaten en ons te velde begeven. De uren en dagen daarop is er dagelijks in de Kamer geïnterpelleerd, alle Vlaamse media stortten zich op de zaak. Nog even en een nieuwe Stomme van Portici was in de maak. Maar deze keer niet met een Muntsmaak maar met een Vorstzuur. Achter de schermen werden allerlei sporten beoefend om een compromis te vinden, maar de burgemeester hield het been stijf, geen Vlaamse Nacht in mijn Franse gemeente. Nochtans had hij het huurcontract een paar maanden voordien gesigneerd. Zoals dat echter gaat met politici van het derde knoopsgat, bladerde hij de signataire door en zette zijn naamkrabbel onder alles, zonder te lezen wat hij had gefiatteerd. Een foto van het contract verscheen in de media. En dan nog wel vooraan in het journaal of op de voorpagina’s. Hij had geen been om op te staan, maar had nog wel een grote mond.

De oplossing is uiteindelijk gevonden door de inschakeling van de vice-gouverneur van Brabant, Leo Cappuyns, de beslissing niet te vernietigen maar bezwaar in te dienen. De burgemeester kon daartegen in beroep gaan, de maandag daarop. De 1ste Nacht van de Poëzie op zaterdag 17 februari 1973 kon doorgaan. In de straten rond Vorst-Nationaal stonden flink gevulde rijkwachtwagens; een kleedkamer was overbezet met BOB-ers. Even voor aanvang daagde Johan Fleerackers op. ‘We hebben de zaak kunnen oplossen en de minister en ik wensen u een succesvolle nacht. Slechts één verzoek. Laat er de politiek buiten.’ – ‘Niet ik, meneer Fleerackers, heb er een politieke zaak van gemaakt. U en de minister kunnen gerust zijn. Poëzie… daar gaat het om, en de dichters zijn wijs genoeg om in hun winkel te blijven.’

Wat er zich afspeelde in het bureau van de minister is een literaire reconstructie. Niet naar de werkelijkheid. Maar hij is geschreven uit grote eerbied voor Jos Chabert. Mijn literaire spielerei is een ruiker gele rozen.

Na het gebeuren rond de eerste NvdP heb ik slechts terloops contact gehad met Jos Chabert. Maar zijn hele leven lang heb ik hem ervaren als een keurige, gecultiveerde man. Op welke ministerpost ook, altijd was hij een handig diplomaat. Hij paradeerde niet, zocht niet het podium op om er baat bij te halen. En wat hij tevens niet had: een air om je groter voor te doen dan je bent. Hij benaderde iedereen op gelijke hoogte. Hij was een zuiver Christelijk mens, met de grootste eerbied voor andersdenkenden.
Om wie en wat hij was zal ik dinsdag aanstaande op zijn uitvaart zijn. Al zal ik achteraan zitten in de Sint-Michielskathedraal, ik zal dicht bij hem zijn. Want hij was terecht een Minister van Staat. En als hij werkelijk in de hemel gelooft, dan wens ik hem een plaats in de naaste kring van God. Dit is geen vaarwel, meneer Chabert, maar een adieu. A-Dieu.

Guido LAUWAERT

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
11 avril 2014 5 11 /04 /avril /2014 01:45

 

VerdragSchildery.jpg

Amedee Forestier, "A Hundred Years Peace" (1914). Courtesy Library and Archives Canada.

Op de voorgevel van de winkel Esprit in de Gentse Veldstraat 47 prijkt een bronzen plaquette. Beknopt laat het in twee talen weten dat tweehonderd jaar geleden in dat pand een historische gebeurtenis plaatsvond. Van augustus tot december 1814 verbleef een Amerikaanse en een Engelse delegatie in de Arteveldestad. Na vier maanden soebatten was het zover: de Verenigde Staten van Amerika en Groot-Brittannië beëindigden hun tweede en laatste gewapend conflict. Het akkoord, 200 jaar oud, wordt in het najaar herdacht, zowel in België als in de U.S.A., Canada, en in mindere mate Groot-Brittannië.

Dertig jaar na de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog waren de Verenigde Staten en Groot-Brittannië opnieuw slaags geraakt. Na twee jaar vechten stond het Britse rijk er militair niet goed voor en Amerika bevond zich economisch in een hachelijke situatie. Er zat voor beide partijen niets anders op dan te trachten tot een vergelijk te komen.

Dat de missie in Gent doorging is een wonderlijke en tevens niet onlogische beslissing geweest. De belangrijkste Europese vastelanden, waaronder Frankrijk, Duitsland en Nederland, hadden een vinger in de pap. Maar ook Groot-Brittannië weerde zich sterk. Het voorstel om in Londen te onderhandelen was voor de Amerikaanse maar tevens voor de Franse regering dan ook onaanvaardbaar. De voorkeur werd gegeven aan een neutrale plaats en de Britse regering legde zich dan maar neer bij de keuze van een stad van waaruit men makkelijk naar Londen kon vluchten in geval een ander land zich, op z’n zachts gezegd, militair een woordje wilde mee placeren. Het tweede, Franse voorstel, Göteborg, vond al evenmin genade in de ogen van de Britten als van de Amerikanen. Zweden mocht dan neutraal zijn, de kinderloze Zweedse koning was dat niet. Hij had Napoleons ‘maréchal de France’, Jean-Baptiste Bernadotte, geadopteerd en de man werd daardoor kroonprins. Hij mocht zich dan wel tegen zijn vroegere keizer hebben gekeerd, maar door zijn afkomst kleefde er een te sterk Frans geurtje aan de Zweedse politiek. Het feit dat Bernadotte de Britse kant gekozen had, pleitte ook al niet voor de gewenste rust en het onderling vertrouwen.

Wie het was valt niet meer te achterhalen, maar iemand stelde Gent voor. Niemand die al van deze stad had gehoord. Het voorstel vond echter vrij snel bijval. Nadat Napoleon in 1814 een eerste maal was verslagen, had de Franse bezetter zich ijlings teruggetrokken en bevond België zich in een positie waarin het geen staatsvorm had. Het zou duren tot het Congres van Wenen in 1815 eer het opnieuw een staatsstructuur kreeg, als uitbreiding, zeg maar versterking van de Hollandse staat tegenover Duitsland. Dat was een wens van niet alleen Holland, maar tevens Frankrijk en Groot-Brittannië. Door de ‘statenloosheid’ was België voor alle partijen dus aanvaardbaar. Daarenboven bleek Gent nader bekeken de ideale keuze. Vanuit Gent was Londen makkelijk bereikbaar. Het had een goede verbinding met Oostende, waardoor de Engelse onderhandelaars wekelijks verslag konden uitbrengen bij de Britse koning en regering. Dat was ook de afspraak. De Britten hadden geen beslissingsmacht. Elk onderdeel moest in Londen worden gewikt, gewogen en goedgekeurd. Pas dan mocht de delegatie verder praten.
Dat was niet het geval met de Amerikaanse afgevaardigden. Wilde men overleg dan moest men naar Washington. Een reis heen en weer, en de tijd van praten, zou op z’n minst een maand duren. Iedereen die iets van media, politiek, militarisme en economie afweet, weet dat wachten gevaarlijk is. Wachten betekent stilte en stilte stilstand, met de kans op een onherstelbare breuk. Het meest voor de hand liggend voorbeeld staat in in de roman Lijmen van Willem Elsschot, waarin de oplichter Karel Boorman tegen zijn secretaris Teixeira de Mattos [Frans Laarmans] tijdens zijn grote toespraak in het hoofdstuk ‘Business’ zegt: ‘… stilte is gevaarlijk. Stilte onder ‘t lijmen komt overeen met het adem scheppen door een drenkeling.’ Het is ook niet toevallig dat het beroemdste toneelstuk van de twintigste eeuw Wachtend op Godot is.

Om dus een grote stilte in de onderhandelingen te vermijden had de Amerikaanse president, de tweede van een lange rij, John Adams, gezorgd voor een sterke delegatie. De leider was zijn zoon John Quincy Adams. [Voor zij die het onderste uit de kan lusten: de delegatieleider Adams junior zal in 1825 de zesde president worden.] De andere leden waren James Bayard, lid van het Huis van Afgevaardigden, net als Henry Clay. Tijdens het presidentschap van Adams junior is hij Secretary of State, minister van Buitenlandse Zaken. Het vierde lid was Jonathan Russel, de Amerikaanse ambassadeur in Londen. De vijfde speler was een bankier afkomstig uit Genève, Albert Gallatin. Hij was lid, maar zijn echte opdracht was om een forse lening van Nederland los te krijgen, mocht het vredesoverleg niets opleveren.
Het Britse gezantschap telde drie man en had minder naam en faam. Onnodig volgens de Britse regering, gezien het wekelijks overleg in Londen. Het bestond uit James Lord Gambier, een admiraal van de Royal Navy, een harde dobber, zo hadden de Amerikanen tijdens het embargo vaak ondervonden. Een ander lid van de delegatie was William Adams, een juridisch expert en onderlegd in maritieme zaken. De echte leider was echter Henry Goulbourn, een gewiekst diplomaat en vertrouweling van de Britse minister van Buitenlandse zaken Castlereagh.

VerdragGentPostzegel.jpgAmerikanen versus Britten

Vanaf de eerste dag had de Amerikaanse delegatie de wind mee. Zij arriveerde als eerste in Gent, op 25 juni 1814, en betrok ‘Hôtel des Pays-Bas’ op de Kouter, indertijd het sociaal-maatschappelijk centrum van de stad. John Quincy Adams dacht dat de onderhandelingen hooguit een maand zouden duren. Toen dat tegenviel en de rekening hoog dreigde op te lopen, was het de hoteluitbater zelf die zorgde voor een oplossing. Het Huis Lovendeghem op de hoek van de Veldstraat en de Volderstraat stond leeg. Voor de liefhebbers van details: de straat waar later het eerste gebouw van de Gentse universiteit verrees, dankzij de Nederlandse koning Willem I, dat zich nog steeds in zijn oorspronkelijke staat bevindt, met pal links Boekhandel de Slegte. Volgens de Gentenaars spookte het in Huis Lovendeghem, maar na heel wat over en weer gepraat werd er toch voldoende ‘ongelovig personeel’ gevonden. Na een flinke schoonmaak nam de Amerikaanse delegatie op 31 juli zijn intrek in het spookhuis.
Het gedoe rond de huisvesting draaide voor de Amerikanen goed uit. Ze socialiseerden, werden door de Gentenaars in de armen gesloten, en de inburgering maakte dat ze deelnamen aan het culturele leven. Het gezelschap verscheen bij de soirees van de notabelen, liet zich zien op de zondagse promenades, bezocht de theaters en de uitgaansbuurt van de middenklasse. Tussendoor verschenen ze zelfs op café, speelden kaart en maakten gewoon plezier. Het maakte dat ze door die verbroedering zeer ontspannen was. Dit in tegenstelling tot de Britse delegatie.
De Britten lieten op zich wachten, in de hoop dat in Wenen, waar het Congres plaatsvond dat de kaart van Europa hertekende, de positie van Groot-Brittannië versterkt zou worden, wat hun onderhandelingspositie gunstig zou beïnvloeden.
Het op de rem staan van de Britten beviel de Gentenaars allerminst. Gent heeft van bij zijn ontstaan een no-nonsens-mentaliteit en een sterk relativeringsvermogen. Hautain gedoe bezorgt de bewoners zure verbale oprispingen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Engelsen op afstand werden gehouden. Daarbij komt dat ze zelf voor een koude sfeer zorgden. Eenmaal de onderhandelingstafel verlaten, trokken ze zich terug in hun residentie, aanvankelijk ‘Hôtel du Lion d’Or’, later, op 15 augustus, in het voormalige woonhuis van Lieven Bauwens op Meerham, nu Fratersplein. De vrijdagmiddag vertrokken de Engelsen al naar Londen, om te gaan uithuilen, verslag doen aan de Engelse vorst, de legendarische King George III, wereldberoemd door de film The madness of King George. Door zijn geestelijke stoornissen werd zijn zoon regent. Hij hield meer van spel, drank en vrouwen dan van politiek en diplomatie, wat nadelig werkte op het gemoed van de Engelse onderhandelaars. Hun houding was tevens koel en afstandelijk. De vrije tijd brachten ze door in hun residentie die uitkeek op een weidse groene ruimte. Ze waanden zich daardoor op het uitgestrekte landgoed van een hoog adellijk persoon. En deftig waren ze in extreme mate. Ze liepen voortdurend in gala-uniformen rond, een parade die bij de Gentenaars in het verkeerde keelgat schoot. De Amerikanen hadden ook galakostuums, maar ze trokken ze slechts eenmaal aan: bij het afscheidsbanket in het stadhuis na het tekenen van de vrede.
Er was maar één plaats waar de Britse delegatie zich haar vrije tijd liet zien. Het Hôtel d’Hane de Steenhuyse in de Veldstraat. De uitzonderlijk prachtige interieurs maken nog steeds indruk op de bezoeker. Een van de mooiste parketvloeren van de wereld siert de grote balzaal, de ’salle à Italienne’. Samen met de Amerikanen waren de Britten er gast bij de bewoner, de intendant van het Scheldedepartement, graaf Jean-Bapitiste d’Hane de Steenhuyse. Aanvankelijk ging het er stijf aan toe. Eenmaal aan elkaar gewend buiten de werkuren werd de sfeer gemoedelijker; wat vooral voor de Amerikanen gold. De Britten hielden, noblesse oblige, wat meer afstand.
Het hotel was al beroemd vóór deze historische gebeurtenis. Napoleons minister van Buitenlandse Zaken verbleef er, net als Jérôme Bonaparte, broer van en destijds koning van Westfalen. In 1814, net voor het Amerikaanse gezelschap arriveerde, was tsaar Alexander I er te gast, en kort na het afsluiten van Vrede van Gent de prins van Oranje, de latere Nederlandse koning Willem II. De beroemdste gast was de laatste koning van Frankrijk. Louis XVIII regeerde van 1814 tot zijn dood in 1824, met een kleine onderbreking. Toen Napoleon in 1815 uit zijn ballingsoord in Elba ontsnapte en weer naar Parijs optrok, vertrok de koning spoorslags noordwaarts en belandde in Gent, waar hij zijn intrek nam in het beroemde Hôtel. Daar zou hij 100 dagen blijven, tot Napoleon in Waterloo verslagen was en Louis opgelucht weer zijn troon in Parijs kon bezetten. Dat ging nogal moeilijk, maar niet om politieke redenen. Hij was door zijn vraatzucht zo dik dat er nauwelijks een stoel te vinden was waar hij kon op plaatsnemen, zonder gevaar dat het meubel het begaf. Door zijn omvang transpireerde hij flink. Zelfs de tocht naar de plaats die mijn moeder omschreef als ou même le roi va à pied, zorgde ervoor dat het zweet uit al zijn poriën stroomde. De Gentenaars, die hem terwijl hij dineerde mochten bezoeken – mits betaling, want hij zat financieel krap bij kas – hadden een treffende bijnaam in hun diabolisch dialect voor de volvette vorst; een combinatie van zijn lichamelijke last en de zoveelste met die voornaam: Louis Dieswiet! [Louis die zweet].
Het is jammer dat de ‘hotels’ niet meer te bezoeken zijn. En moest dat zo zijn valt er niet veel te zien van de vroegere grandeur. Ze zijn verbouwd. De onderkant van de voorgevels moest plaatsmaken voor de etalage van winkelketens. De bovenverdiepingen dienen enkel nog als stapelplaats. Enkel Hôtel d’Hane Steenhuyse ontsnapte aan de commerciële beeldenstorm. De laatste tien jaar werd het grondig opgeknapt en valt het opnieuw in zijn oorspronkelijk staat te bewonderen, al moet je over een goed netwerk beschikken voor een bezoek.

Het vredesdocument

De hele onderhandelingsperiode vergaderden de diplomaten om beurten in de Britse en de Amerikaanse residentie, tot uiteindelijk op 24 december 1814 de vrede werd getekend in de residentiële ‘burcht’ van de Britten. Dankzij het dagboek van John Quincy Adams weten we precies - alsof we erbij waren - hoe de onderhandelingen eindigden: ‘Copies were signed and sealed by the three British and the five American plenipotentiaries. Lord Gambier delivered to me three British copies and I delivered to him the three Americans copies of the Treaty, which the said he hoped well to be permanent; and I told him I hope it would be the last Treaty of Peace between Great-Britain and the United States. We left them at half past six o’clock.’

Met het ondertekenen van het akkoord waren de gevechten helaas nog niet voorbij. Door de trage communicatie sloop er een haar in de boter. In januari 1815 werd er nog slag geleverd bij New Orleans. De Engelsen kregen een pandoering van jewelste. Ook op zee werd nog gevochten. De regent weigerde om die reden het vredesverdrag te ratificeren, maar de Britse regering vond het welletjes. Op 16 februari 1815 keurde de Senaat van de Verenigde Staten het verdrag unaniem goed. Op 17 februari werden de ratificatiedocumenten in Washington uitgewisseld tussen president James Madison en een Britse diplomaat en een dag later op 18 februari werd het verdrag geproclameerd.

Traiteautographe.jpgHet vredesdocument is bijzonder beknopt. Het telt tien artikels, samen goed voor een paar pagina’s. Het deel dat ruimte bood voor ondertekening en ratificering nam meer ruimte in beslag dan de wederzijdse afspraken. De belangrijkste clausule bestaat uit de belofte dat beide landen ermee ophouden mekaar te bekampen. Aan een inleiding, de oorzaak van het conflict, werd geen woord gewijd en het gevolg werd beknopt vermeld in de andere artikels. Het meest gedetailleerde is artikel 9. De Verenigde Staten verbinden zich ertoe de vijandelijkheden tegen de indianen te staken en hun het verloren grondgebied terug te geven, een afspraak die ze niet nakwamen. In artikel 10 beloofden de twee partijen zich in te zetten voor de afschaffing van de slavernij, een belofte die door de Amerikanen noch door de Engelsen nageleefd werd. Ondanks die vage papieren overeenkomst, waar niet uit opgemaakt kon worden wie de winnaar en de verliezer was, werd de vrede een feit. Het meest tevreden was Canada, dat Brits bleef, en opgelucht adem haalde. De angst voor de bezetting van het land door de Amerikanen deinde weg, al bleef het in het achterhoofd van elke Canadees, generatie op generatie, aanwezig. In een bevraging van de bevolking in februari 2012 naar het belangrijkste feit in het bestaan van het land, eindigde de Vrede van Gent op de tweede plaats.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Canada prominent present zal zijn op de feestelijkheden.

TreatyLoogo.jpgDe herdenking moest, en dit voor de detaillisten onder de lezers, honderd jaar geleden al doorgaan. De voorbereidende werkzaamheden waren zo goed als rond. Helaas, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 gooide roet in het eten. Maar deze maal is het menens.
Naast de gebruikelijke academische zittingen zijn er tientallen volksfeesten gepland. Kroon op de feesttaart is een remake van de roos. Hij zal heel toepasselijk The Treaty of Ghent heten. Hij is gekweekt in opdracht van de Gentse Floraliën, een vijfjaarlijkse bloemenexpo. Het bestuur van de Société d’Agriculture et de Botanique de Gand, zoals de Floraliën bij zijn ontstaan in 1808 heette, onderhield goede contacten met de Amerikaanse delegatie. Na het afsluiten van het verdrag werden de Amerikanen een speciaal voor de gelegenheid gekweekte roos aangeboden. Met de jaren is de variant helaas verloren gegaan. Maar de warme relatie van toen is niet vergeten. Achter de schermen wordt flink aan de touwtjes getrokken. Met de steun van de Amerikaanse ambassadeur in Brussel wordt onderhandeld om in het najaar de opnieuw gekweekte variant in de tuin van het Witte Huis te mogen planten. Er worden alvast kaarsen gebrand dat dit geschiedt door Michele Obama. Waarna het inrichtend comité hoopt in de Oval Room ontvangen te worden. Voor een statiefoto met de president en de burgemeester van Gent. Hij zal voorzeker uitvergroot worden en een plaats krijgen in het STAM, het Stadsmuseum als wegwijzer naar de culturele juwelen van Gent en een platform voor een actief erfgoedbeleid.

Guido LAUWAERT

joris_de_zutter.jpgJoris De Zutter

(Bron: Treaty of Ghent / 1814 – 2014 – Joris De Zutter – een uitgave van de Stad Gent – Departement Cultuur en Sport)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
12 février 2014 3 12 /02 /février /2014 19:36

 

DSC09157.jpg

In de vertrouwde locatie van Taverne Rochus, waar de vriendenkring nu reeds 17 jaar maandelijks samenkomt was op 28 januari auteur en historicus Staf Schoeters te gast. Daar Staf niet voor de eerste keer in Exlibris kwam, wisten we reeds dat hier een rasechte verteller aan het woord zou komen. Nu er de laatste tijd zoveel boeken, artikels, films en televisiereeksen het licht zagen nam de schrijver ons mee op zijn zoektocht naar een manier om op originele wijze de geschiedenis van de wereldoorlogen te benaderen. Voor zijn historische boeken over Wereldoorlog I en II bezocht hij honderden kerkhoven in Vlaanderen en Wallonië, maar ook in Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Engeland. Zijn partner Bib Serneels maakte honderden foto’s aan de hand waarvan Staf Schoeters een samenstelling van historische feiten en anekdotes samenschreef tot boeiende en vaak ontroerende verhalen.

Voor een derde boek verzamelde Staf postkaarten die verschenen tijdens Wereldoorlog I. Zo ontdekte hij dat tijdens de eerste WO I een groot deel van de oorlogspropaganda gevoerd werd via postkaarten. De prentbriefkaart was ook de voornaamste band tussen militairen en het thuisfront. De auteur koos 303 van de meest markante postkaarten die hij samenbracht in een boek en voorzag van boeiende achtergrondinformatie.

Joke VAN DEN BRANDT

 

Foto’s: Frank Ivo van Damme

DSC09238.jpg

 Exlibris-voorzitter Dr Paul Hoffbauer

DSC09232.jpgProfessor Walter Simons

DSC09197.jpgFrank De Vos en Will Jenssen

DSC09167.jpgBib Serneels

DSC09347.jpg

De eerste Wereldoorlog toen en nu” in monumenten en begraafplaatsen

ISBN 978 90 5826 824 2

De tweede oorlog toen en nu” in monumenten en begraafplaatsen

ISBN 978 90 5826 942 2

Het Ansicht van de Grote Oorlog” WO I in 303 postkaarten

ISBN 978 90 5826 929 4

Uitgeverij Davidsfonds

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
22 janvier 2014 3 22 /01 /janvier /2014 22:00

 

400px-Pieter_Bruegel_the_Elder_-_The_Tower_of_Babel_-Vienna.jpg

Pieter Bruegel de Oude

Op 3 januari wees ik hier terloops op de bespreking in 't Pallieterke van Karel Luyckx' Liefdesbrieven aan Antwerpen (Pelckmans, 2013) door 'De Brave Hendrik'. Tot slot van zijn bespreking stelt hij onzorgvuldig (op gezag van Luyckx?):

'Onze bekende schrijver Hubert Lampo heeft trouwens een theorie verkondigd waaruit simpelweg blijkt dat Adam in het aards paradijs uiteraard Antwerps sprak en geen Aramees...'

Niks Aramees natuurlijk. In feite bracht Lampo een bekend traktaat van Ioannes Goropius Becanus in herinnering, waarin de geleerde humanist stelt dat de Antwerpenaren een verbasterde vorm van de oertaal spreken. Becanus werkte mee aan de Plantijnse Biblia polyglotta,de belangrijkste wetenschappelijke bijbeleditie van zijn tijd. Jan Gerartsen van Gorp (1519-1572) latiniseerde zijn geboorteplaats en het nabijgelegen Beek, nu Hilvarenbeek.

goropiusportret.JPG

Goropius Becanus

In “Wat te doen met de hedendaagse Beroepsantwerpenaar?” (De Morgen,3 september 2013) – op zich een lezenswaardig opiniestuk – stelde Maarten Inghels roekeloos dat Becanus (1519-1572) wegens “dat ene Antwerpse fantasietje” nooit erkenning voor zijn werk kreeg.

Geen erkenning? Abraham Ortelius (1527-1596), Simon Stevin (1548-1620) en Baruch Spinoza (1632-1677) hemelden hem op; Josephus Justus Scaliger (1540-1609) en G. W. Leibniz (1646-1716) verwezen zijn etymologieën naar de prullenmand, maar vonden zijn werk dan toch interessant genoeg om er zich ernstig over te buigen.

Ziehier de reactie van Luc Pay:

'Becanus was de eerste die de hegemonie van het Hebreeuws als oertaal op de helling zette door interne, puur linguïstische argumenten (hoe lachwekkend ook naar ons gevoel vandaag) in de plaats te stellen van op de Bijbel berustende dogmatische stellingen – waardoor hij de ontzaglijke verdienste heeft de wetenschappelijke benadering van taalgenealogie en -verwantschap (mee) op gang te hebben gebracht.'

Dat geldt voor Becanus maar ook voor andere briljante renaissancistische geleerden, ik denk o.m. aan de Franse filoloog en oriëntalist Guillaume Postel (1510-1581).

Ongeacht de vaststelling dat een aantal van hun uitgangspunten en daaruit voortvloeiende stellingen geheel achterhaald zijn (net als een aantal eigengereide maar niet minder vernuftige en revelerende etymologieën van Plato), hun in vele opzichten baanbrekende inzichten hebben in niet geringe mate bijgedragen tot de ontwikkeling van de filologie. Die humanisten hebben o.m. filologische en historische constructies ontwikkeld om de / hun volkstaal adelbrieven te verlenen. Daarbij hebben politieke en confessionele factoren een niet onbelangrijke rol gespeeld.

In 1614 publiceerde Adriaan van Schrieck (1560-1621) Van 't begin der eerster volcken van Europen. Hij bewees dat, lang voor de opkomst van de Grieken en Romeinen, de Vlamingen uit Palestina naar de vochtige landen kwamen – 'keltige' in het Vlaams, vandaar 'Kelten' of 'Celtes'. Ze spraken een dialect, rechtstreeks ontsproten aan de primitieve Hebreeuwse taal. Het boek prijkt met een Latijnse titelblad, maar werd geschreven in het Nederlands. (Ik wil het hier nog niet hebben over de Friezen of de Britten als afstammelingen van één der tien verloren stammen Israëls – dat is een ander onderwerp... ).

*

Becanus werd al eerder door prof. dr. Piet Tommissen en uw dienaar ter sprake gebracht in Mededelingen van het CDR(nr. 105, 20 november 2007, pp. 4-19).

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
13 novembre 2013 3 13 /11 /novembre /2013 20:59

Op de dag dat ik sterf zal ongeveer 200 jaar mondelinge geschiedenis met mij verdwijnen. In een muf archief of digitaal geïnventariseerd, blijven onze resten nasmeulen: akten, geboorte, huwelijk en sterfdata, documenten allerhande…

Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde.

Het water gaat er anders dan voorheen.

De stroom van een rivier hou je niet tegen.

Het water vindt altijd een weg omheen”.

(De Steen, Bram Vermeulen)

Het verdwenen verleden met dierbaren die je blijven ontbreken, aan wie je nog zoveel wilde vragen. De antwoorden zijn de sluitstenen die in het ooit verdwenen. Mijn grootmoeder was iemand die zoals in het lied van Bram Vermeulen een markante steen in mijn rivier verlegde. Mijn adem stokt nu ik aan haar denk, haar beeld stuitert in mijn pen. Ik denk in haar lievelingskleur: beeldig oudroze zoals haar blouse die ze aan had, toen aan tafel in de keuken, de sanseveria’s stonden netjes op de vensterbank. Hesprolletjes met kaassaus of ossentong in Madeirasaus met champignons. De aardappelpuree werd een vulkaan, de krater vulde ik met de rode saus zoals het vloeibaar magma dat Pompeï ooit verstomde. Op school hadden we erover geleerd…

Anna-Rubens.JPGAnna Rubens

Ik zit nog steeds aan die tafel. Mijn weemoed blijft er verjaren. Mijn lijf blijft er zeurend naar nijgen. Is het daar dat ik dank zij haar aan het verleden bleef kleven, geschiedenis ging studeren, nog af en toe de rug van Le Petit Larousse streel, me de geur herinner van beduimelde steekkaarten in de universiteitsbibliotheek, nog steeds mijn tien jaar oude Nokia-gsm gebruik, voor velen nu een brok industrieel erfgoed, ik angstvallig over allerlei familieprullaria waak?

Ze vertelde me over het wel en wee van vóór de Eerste Wereldoorlog, over de zelfmoord van Jan, haar oudere broer vanwege een afgewezen liefde, over de verschrikking van zijn doodstrijd die drie dagen duurde( hij had een vloeibaar zuur gedronken en was hierdoor inwendig verbrand), over haar jaren op internaat bij ‘de nonnekes’, over het signum, een goede Belgische gewoonte dat ze opliep omdat ze op de speelplaats Nederlands had gesproken en deze op het einde van de dag niet tijdig aan een betrapte medeleerlinge had kunnen doorgeven, La conjugaison des verbes français die ze als straf hiervoor moest overschrijven, dat ze niet naar de cinema mocht, de Cameo want volgens haar moeder waren dat allemaal onzedige films waar mannen en vrouwen elkaar ‘aflikten’, over ‘franke’ dokwerkersvrouwen die hun zatte venten uit een van de vele cafés in de buurt sleurden, over de miserie van de mensen, hoe dezen te voet naar Beveren gingen om eieren te kopen omdat ze er een paar soukes goedkoper waren, en hoe ik als een kind van 1956, een bakelieten jaar met al veel auto’s, telefoons, het eerste nylon, transistorradio’s en plexiglas verwonderd opmerkte:” Moemoe, wat hadden jullie toch veel tijd…’

Ze verhaalde me de vlucht met een kruiwagen vol have en goed geladen toen het Duitse leger Antwerpen naderde, hoe ze als ‘Les réfugiés‘ van Alfred Ost met mijn overgrootmoeder en haar jongere zus, tante Lisa over de Schelde trok, over de noodbrug die de genietroepen van het Belgische leger had aangelegd, de ‘Petrol’ die brandde, hoe ze in Sint-Niklaas strandden en op advies van de burgemeester terug naar huis keerden, over de Ulanen, de gevreesderuiterlanciers die in de straten verschenen en die ze steels van achter het gordijn bekeken, over de geit die ze stiekem voor de melk hielden, het tekort…

Les-Refugies.JPGLes réfugiés’, 1917, van Alfred Ost ( 1884-1945)

Ik werd een luisterende spons om de familiegeschiedenis op te zuigen…

Haar vader, mijn overgrootvader was Adrianus Rubbens, het kakkernestje van een rijke herenboer uit Chaam in het Nederlandse Noord-Brabant, iemand die met zijn wandelstok langs zijn velden kuierde om de knechten te inspecteren. De marmeren communiebank en de kruisweg in de parochiekerk werd door de familie Rubbens geschonken. Twee zusters zijn in het klooster getreden. Jan-Baptist, zijn oudste broer stierf op in 1865 – hij was 24 jaar- als zouaaf voor zijn Pio Nono te Rome. Aan deze Pius IX danken we het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria en de Onfeilbaarheid van de Paus. Over de Pauselijke Zouaven, een stukje vergeten verleden, berichtte ik op 27 februari 2013 in Mededelingen. (1)

Zoals in het spreekwoord droeg mijn doortastende overgrootmoeder ‘de broek’ . Mijn overgrootvader Adrianus was eerder een terug getrokken man, had in feite nooit moeten werken en was zoals zijn achterkleinzoon gezegend met twee linkerhanden. Hij was dan ook een ‘moderne’ huisman die voor zijn twee dochters zorgde, in de keuken met een klein oog voor variatie, afwisselend ‘brokkenpap met siroop’, ‘savooistoemp’ op tafel zette…

Slechts eenmaal per jaar kwam hij buiten en toonde dan zijn katholieke aanhankelijkheid door als ‘nen Hollander’ ostentatief in de processie van zijn parochie mee te lopen. En dat in het ‘rode’ Hoboken van vóór de Eerste Wereldoorlog, tot grote ergernis van mijn overgrootmoeder Catherina of 'Trien van de nieuwe winkel'. Samen waren ze in 1906 op ‘t Heike, een kruidenierszaak begonnen en van die van ‘den baseng’ en die van ‘de metallurgie’ moesten ze leven. De pastoor van de parochie van het H. Hart in de Krugerstraat was de winkel komen inzegenen. Toen was er slechts een kapel. Voor de kerk die er nu staat te verkommeren, heeft ‘ons moe’ met allerhande activiteiten meegeholpen om de stenen te verzamelen.

Catharina was een dochter van een Kempisch keuterboertje uit Minderhout en als jong meisje uit een kinderrijk gezin moest ze zoals toen gebruikelijk was gaan ‘dienen’. Ze belandde op de herenboerderij van Rubbens in Chaam. De familie at aan een tafel met een wit tafellaken. Gelet op de standenverschillen in die tijd zat het inwonend werkvolk wat verder aan een aparte tafel zonder tafellaken. Upstairs Downstairs werd nog niet uitgezonden. Tijdens de lange winteravonden aan de haard moesten ze kousen stoppen, sjaals of truien breien want ledigheid was in die tijd nu eenmaal het oorkussen des duivels. Dagelijks werd de rozenkrans gebeden en Jan Baptist godsvruchtig herdacht.

Een van de bezigheden van Adrianus bestond erin dat hij elke morgen zijn moeder en zussen naar de kerk moest voeren in een calèche, een kleine paardenkoets. In de kerk hadden deze notabelen vooraan ieder hun privé stoel met hun naam op een koperen plaatje en een kussen om zacht te knielen. Wanneer het jaarmarkt of kermis was kreeg hij naast wat nikkel een ‘Daalder’ mee. Het was een stuk van 2.50 Gulden, in die jaren een flink bedrag. Hij mocht dit geldstuk enkel laten zien want gelet op de oranje zuinigheid moest hij dit ‘s avonds terug inleveren. Keeping up appearances avant la lettre...

Omdat Adrianus opmerkelijk veel, in feite te veel aandacht aan Catherina schonk, werd ze na enkele jaren van het erf gezonden. De zoon des huizes die met een meid aanpapte? Ondenkbaar, zo niet ongehoord was zoiets in 1884.

Catherina-Adrianus-Rubens.JPGCatherina en Adrianus Rubens

We schrijven 1894, tien jaar later is Antwerpen is de gaststad voor de Wereldtentoonstelling. Catharina en Adrianus lopen er elkaar opnieuw tegen het lijf. Cupido schiet er op los en ze blijven aan elkaar ‘plakken’. Ondertussen zijn de ouders van mijn overgrootvader overleden, in Chaam is alles verkocht. Na een aantal jaren als pachtboer voor Baron Cogels in Wijnegem te hebben gewerkt – iets wat door de Nederlandse familie keurig voor de omgeving werd verzwegen – belanden ze in Hoboken. Zo werd Catherina ‘Trien van de nieuwe winkel‘ en mijn grootmoeder ‘Anna van Trien van de nieuwe winkel’. Mijn moeder werd op haar beurt ‘Maria van Anna van Trien van de nieuwe winkel’

Mijn katholieke wortels zijn bij dezen ten overvloede bewezen. Ook mijn deels oranje bloed. Je maintiendrai!

Frank DE VOS

  1. http://mededelingen.over-blog.com/article-de-zouaven-van-de-paus-een-vergeten-geschiedenis-115720172.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
11 novembre 2013 1 11 /11 /novembre /2013 00:00

 

De-voeten-uit-de-loopgraven.JPG

Natuurlijk gun ik zo’n beetje iedereen het beste, maar ik word wel lichtelijk onpasselijk bij de reclame die ons dezer dagen voor ogen komt om mensen te lokken naar 14-18, de (godbetert) spektakel-musical die vanaf 20 april 2014 te zien is in de Nekkerhal in Mechelen. Ik heb niets tegen een in se sympathiek kereltje als Jelle Cleymans, en al absoluut niet tegen een competent acteur als Jo De Meyere maar wat beziélt mensen om de herdenking van een zo godsgruwelijke oorlog als die Groote te willen ‘herdenken’ met zo’n lage cultuurvorm als de musical? Ik kan daar echt boos om worden. Grif geef ik toe dat ik amper iets van theater weet, en vermoedelijk krijgt het spektakel jubelende recensies alom, maar ik vind het zum Kotzen.

Benieuwd wat onze theatervriend Guido Lauwaert er zal van vinden.

Het is echt niet omdat het volgend jaar 2014 en dus honderd jaar geleden en zo verder en blabla is dat ik Jünger (overigens nam ik, middels Oorlog en terpentijn, ook de herinneringen van Stefan Hertmans’ opa aan die vermaledijde krijg onlangs tot me) aan het herlezen ben. Of Robert Graves’ Goodbye To All That. De Grote Graves, waaraan we knappe poëzie en het onvergetelijke I, Claudius te danken hebben, diende ook zélf in de Eerste Wereldoorlog. Ik kwam op YouTube  diens voeten tegen in een verfilminkje van zijn gedicht Man in the Mirror. Die voeten hebben in de loopgraven in het water tussen de líjken gestaan. Met laarzen erom weliswaar, maar toch….

http://www.youtube.com/watch?v=JcJXrfwUiS4

Er zijn goede films gemaakt over Wereldoorlog I (All Quiet on the Western Front, naar Remarque’s Im Westen nichts Neues bijvoorbeeld, of nog niet zo lang geleden Un Long dimanche de fiançailles van Jeunet) maar om van die ellende nou een músical te maken is er toch over? Moet ik daar nou echt een tekeningetje bij maken?

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
2 novembre 2013 6 02 /11 /novembre /2013 18:00

 

Illustratie-voor-bijdrage.jpg

 

Ik wil niet beweren dat de Duitsers zich in augustus 1914, verontschuldigingen rondstrooiend voor de mogelijk ondervonden hinder, zonder overlast te veroorzaken richting Frankrijk hebben begeven maar dat de berichten over de gruwelen die ‘de Hunnen’ de Belgen aandeden zwaar aangezet waren realiseerde Robert Graves (1895-1985) zich destijds al. In zijn voor het eerst in 1929 verschenen memoires Goodbye To All That (in de reeks Privé-domein verschenen als Dat hebben we gehad) noteerde hij dat hij volgende krantenknipsels van destijds in chronologische volgorde zag:

 

Toen de val van Antwerpen bekend werd, werden de kerkklokken geluid [i.e. in Keulen en elders in Duitsland]. – Kölnische Zeitung.

 

Volgens de Kölnische Zeitung werd de clerus van Antwerpen gedwongen de kerkklokken te luiden toen de vesting was ingenomen. – Le Matin.

 

Volgens berichten die The Times via Parijs uit Keulen heeft ontvangen, zijn de ongelukkige Belgische priesters die weigerden de kerkklokken te luiden toen Antwerpen was ingenomen, veroordeeld tot dwangarbeid. – Corriere della Sera.

 

Volgens berichten die de Corriere della Sera via Londen en Keulen hebben bereikt, is bevestigd dat de barbaarse veroveraars van Antwerpen de ongelukkige Belgische priesters voor hun heldhaftige weigering de kerkklokken te luiden hebben gestraft door hen als levende klepels met het hoofd omlaag in de klokken te hangen. – Le Matin.

 

Om maar te illustreren dat je niet alles moet geloven omdat het in de krant staat….

 

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
24 octobre 2013 4 24 /10 /octobre /2013 18:00

 

Doorheen-de-duisternis-het-licht.jpg

Doorheen de duisternis het licht  is een reis van schrijfster Patricia De Landtsheer en kunstfotograaf Etienne Van den Bulcke naar de overblijfsels van een aantal over Europa verspreide concentratiekampen, zoals zij tot op heden bewaard bleven. Om de nagedachtenis aan miljoenen mensen, die in deze kampen de dood vonden te respecteren, hebben zowel beeldend kunstenaar als auteur beeld en woord in een stille getuigenis samengevoegd. Hier geen beelden van gruwel, geen beschrijvingen van daden, geen voyeurisme of een lichtvoetige benadering van het lijden. Doorheen de restanten van de herinnering waart een bijna sacrale stilte. De prozaïsche metaforen spreken voor zich.

Met een inleiding van prof. dr. Herman Van Goethem, UA, curator van het Memoriaal, Museum van Deportatie, Verzet en Mensenrechten te Mechelen.

Frank DE VOS

Patricia De Landtsheer &Etienne Van den Bulcke Doorheen de duisternis het licht 77 blz, C. de Vries-Brouwers ISBN BE 9789059274617 € 15,90

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
12 septembre 2013 4 12 /09 /septembre /2013 23:25

Jawel, ik was van plan de reeks “Kinderjaren” af te sluiten. Ik dacht eraan een nieuwe reeks op te starten met foto's van voorouders en familieleden die ik alleen maar van horen zeggen ken, maar waar ik in mijn memoires wel over schreef, zij het dan steunend op mondeling overgeleverde verhalen. Ik heb tijd noch zin mijn al te schaarse documentatie te raadplegen of mijn tientallen delen dagboek in te kijken om bijvoorbeeld een huwelijks-, geboorte- of sterfdatum op te delven. Dat zou dan een nieuwe reeks worden, waarvoor ik een passende titel nog moet bedenken.

De reeks “Kinderjaren” werd druk gelezen en er werd om meer gevraagd. Gek genoeg ook door jongere mensen. Leven we niet in het tijdperk van de beeldcultuur en reveleren die lichtdrukmalen uit de oude doos geen scherper inzicht dan wat je onder woorden kan brengen ?

Bij het sorteren (met medewerking van een toegewijde vriend) van honderden – of zijn het duizenden? – foto's kwam ik vandaag op het idee bij wijze van overgang foto's te brengen van familieleden die ik wél gekend heb, maar niet zoals ze in beeld werden gebracht.

Moeder1943.jpg

Hier bijvoorbeeld een foto van moeder met opdracht aan vader, gekiekt aan de Semois in 1943, voor haar huwelijk

MoederEmigreert.jpg

Moeder met haar Gentse grootmoeder (née Sauvage) emigreren anno 1929 naar de VS.

MoederChicago.jpg

Moeder in Chicago, 1929 of 1930

*

HFJ

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche