Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
5 avril 2009 7 05 /04 /avril /2009 03:10

Wetenschappelijke Tijdingen, het driemaandelijkse tijdschrift uitgegeven door het ADVN, slaagt er telkens opnieuw in boeiende en revelerende bijdragen te bundelen. Als antidotum tegen de collectieve Alzheimer verdient het tijdschrift een ruime verspreiding, te meer daar Frans-Jos Verdoodt er in een redactioneel op wijst dat er voldoende redenen zijn om de vraag te stellen: “Zal er morgen nog gras groeien voor de trappen van ons redactiesecretariaat?”

Frank Seberechts (°1961), onderzoeker bij SOMA (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij) en ADVN (Archief, Documentatie en Onderzoekscentrum voor het Vlaams-nationalisme) en lid van het wetenschappelijk comité van het SFV (Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen), publiceert (jg. LXVII, nr. 3, september 2008) “De Belgique j'ai assez peu de nouvelles...” de correspondentie tussen Jan Brans en Pierre Daye (1945-1950).

Jan Brans (1908-1986), tijdens de Tweede Wereldoorlog hoofdredacteur van Volk en Staat, koesterde in die jaren een project “waarin hij veel heil zag: de oprichting van een internationale organisatie van oud-collaborateurs en van Duitsers die vanwege politieke redenen veroordeeld waren”. Om hem hierbij te helpen werd gedacht aan SS-leider René Lagrou, die als señor Van Groede toen in Buenos Aires woonde, “un homme charmant et d'une intégrité intellectuelle parfaite, à l'âme généreuse”, aldus de ter dood veroordeelde ex-rexistische politicus en publicist Pierre Daye (1892-1960). Als “ideale centrale zetel” voor dit initiatief zag Brans Spanje, “het enige land in Europa waar men aan iets dergelijks kon werken zonder in de problemen te komen”.

Uit de briefwisseling blijkt dat de correspondenten gaandeweg tot de overtuiging kwamen

dat de spontaan gegroeide contacten en netwerken tussen rechtse, nationalistische en fascistische krachten, in de eerste plaats in Europa en in Zuid-Amerika, diende geformaliseerd te worden. Kringen rond Belgische monarchisten als Daye en De Man enerzijds en nationaal-socialisten en collaborateurs als Brans en Lagrou anderzijds kwamen zo met elkaar in contact en legden verbanden met Spaanse falangisten, Duitse nazi's, Argentijnse peronisten, Italiaanse fascisten, Kroatische Ustasja's en de Britse fascist Mosley. Zij speelden geen eersterangsrol in de politiek, maar konden wel een belangrijke invloed uitoefenen in verschillende landen (p. 208).

Onder de titel “Vlaanderen te weer?” onderzoekt Roel vande Winkel “Het verzwegen parcours van Flandria Film in de Tweede Wereldoorlog”. Hij brengt daarbij de (context van de) filmproductie en -distributie in kaart.

Aan de hand van recent verworven archivalia afkomstig uit de abdij van Steenbrugge werpt Luc Vandeweyer nieuw licht op de brief die Cyriel Verschaeve in naam van de frontbeweging aan paus Benedictus XV schreef.

Romain van Eenoo wijdt een grondige bespreking aan het proefschrift van Gevert H. Nörtemann, Im Spiegelkabinett der Historie. Der Mythos der Schlacht von Kortrijk und die Erfindung Flanderns im 19. Jahrhundert (Berlin, Logos Verlag, 2002, 492 p. ISBN 3-8325-0081-2). Het vertoog van Nörtemann toont “onweerlegbaar aan dat de mythe van de slag van Kortrijk en vooral het Voorwoord van de Leeuw van Vlaenderen een totaal nieuwe inhoud bracht, met name de idee van het bestaan van een Vlaams volk binnen de Belgische staat”.

Rik Verwaest (°1985) analyseert “De 'greep naar de macht' van de oorlogsburgemeesters als voorhoede van de Nieuwe Orde in Vlaanderen” (jg. LXVII, nr. 4, december 2008). De titel is enigszins misleidend; de auteur focust inderdaad op Alfred van der Hallen (1901-1975), Liers oorlogsburgemeester, broer van de studentenleider en schrijver Ernest van der Hallen (1890-1948) en van de literatuurhistoricus en Standaard-journalist Oscar van der Hallen (1903-1979).

Burgemeester Van der Hallen slaagde erin de gemeentelijke werking te moderniseren, maar dat ging gepaard met een uitgesproken politisering van het bestuursapparaat. Een sprekend voorbeeld is de aanstelling in januari 1943 van de jonge Andries Bogaert (1918-1983) als privésecretaris van de burgemeester, zonder dat daarover een stemming plaatsvond.

Een andere Van der Hallen vertrouweling streek enkele maanden na de machtsovername neer in Lier. Andries Bogaert, amper 23 jaar oud, was één van de vooraanstaande kaderleden van de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV), de aan de VNV-Eenheidsbeweging verbonden jeugdbeweging. Als gebiedsleider voor Brabant had hij het NSJV-Pinksterkamp dat in het laatste meiweekend van 1942 in Lier plaatshad, mee in goede banen geleid. […] Enkele maanden later zou de veelbelovende jonge gebiedsleider echter zijn eigen ruiten bij het NSJV ingooien door een manifest te ondertekenen waarin een aantal ontevreden NSJV-leiders het teloorgaan van het Heel-Nederlandse ideaal van het VNV aanklaagden. Staf De Clercq trad streng op tegen deze dissidentie en ontsloeg onder andere Bogaert. Deze werd echter opgevist door Alfred van der Hallen, allicht op voorspraak van diens broer Ernest (p. 307).

Rik Verwaest onderstreept dat Andries Bogaert tot op het einde zeer nauw betrokken was bij alles wat Van der Hallen deed als oorlogsburgemeester. Ik heb Bogaert goed gekend. Tijdens de jaren dat ik mij verdiepte in de culturele collaboratie ving ik meermaals het getuigenis op dat Dries in Lier tijdens de bezettingsjaren zowat de power behind the throne ofte éminence grise was...

Het mag wel ironisch genoemd worden dat uitgerekend op cultureel vlak, één van de speerpunten van zijn beleid, Alfred van der Hallen geheel faalde.

Conflicten en teleurstellingen waren er genoeg in de drie jaar dat hij het Lierse cultuur probeerde te reorganiseren. Hij zou fel botsen met enkele iconen van het Lierse cultuurleven, mislukken in zijn pogingen de macht in te perken van enkele beheerscommissies van belangrijke cultuurinstellingen en zijn voornemen om de Lierse kunstenaars te verenigen in een actieve en raadgevende vereniging liep eveneens spaak (p. 312).

Het mislukken van zijn ambitieuze cultuurbeleid, dat gaandeweg was leeggebloed en op het einde alleen nog steunde op de Nieuwe Ordepropagandamachine, is daarvoor bijzonder tekenend (p. 318).

De sterke profilering van de Nieuwe Ordegezindheid van Alfred van der Hallen leidde tot “hinderlijke controverses rondom zijn persoon, wat van de weeromstuit een performant beleid onmogelijk maakte”, aldus Verwaest, die tevens onderstreept dat het merendeel van zijn beleidsdaden na de Bevrijding niet teruggeschroefd werd. Wat meer is:

Het mag de verdienste van de oorlogsburgemeester genoemd worden dat Lier na de Tweede Wereldoorlog bestuurd werd op formaat van een middelgrote stad uit de twintigste eeuw (p. 318).

Signaleren we ook de bijdrage van Luc Vandeweyer over een pamflet van de VVO (Verbond voor het Vlaams overheidspersoneel) over de toepassing van de taalwetgeving: “Achter de schermen van radio en televisie in 1959”.

In de jongste aflevering van Wt (jg. LXVIII, nr. 1, maart 2009) wordt de lezer geconfronteerd met een controversiële maar niet minder fundamentele Auseinandersetzung, waar drie eminente historici aan deelnemen: Lode Wils (“De ideologische barst van België. Van Leopold I tot Albert II”), Harry van Velthoven (“De rol van de monarchie [vooral van Albert I] in de Vlaamse ontvoogding) en Herman van Goethem (“De monarchie en het einde van België”: een naschrift).

De toch wel buitenissige “politieke theologie” van pater Marcel Brauns S.J., dichter en auteur van Mijn waarheid, een soortement fundamentalistische ayatollah avant la lettre die ik ook al goed gekend heb, wordt behandeld door Luc Vandeweyer.

*

De redactie van Wt, uitgegeven met steun van de Vlaamse overheid, bestaat uit: Luc Boeva, Machteld De Metsenaere, Bruno De Wever, Ludo Simons, Romain Van Eenoo, Herman Van Goethem, Pieter van Hees, Romain Vanlandschoot, Harry Van Velthoven, Frans-Jos Verdoodt, Louis Vos en Lode Wils.

Henri-Floris JESPERS


Wetenschappelijke tijdingen op het gebied van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Driemaandelijks tijdschrift uitgegeven door het ADVN. Abonnement: 23 €, over te schrijven op rekeningnummer KBC 733-0215290-77. Afzonderlijke nummers: 7 €. ISSN 0774532X. Administratie: ADVN, Lange Leemstraat 26, BE 2018 Antwerpen.


Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
15 janvier 2009 4 15 /01 /janvier /2009 21:58

Op 25 januari 2009 is modehistorica Nele Bernheim te gast in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Zij vertelt er het verhaal van het Brusselse, avant-gardistische modehuis Couture Norine, dat bijna een eeuw geleden aan de wieg stond van de Belgische avant-garde mode.
Tijdens de Nottebohmlezing van 25 januari 2009 vertelt modehistorica Nele Bernheim het verhaal van het Brusselse couturehuis Norine. Geleid door het charismatische koppel Paul-Gustave Van Hecke (1887-1967) en Honorine Deschryver (1887-1977), was het modehuis bijna veertig jaar lang een kruispunt tussen diverse kunstdisciplines. Norine werkte samen met expressionisten en surrealisten zoals René Magritte, Man Ray en Max Ernst. Het modehuis stond garant voor zijn artistiek hoogstaande en vooruitstrevende ontwerpen en was het eerste dat niet kopieerde van Parijs. Daarom kan het worden beschouwd als de voorloper van de hedendaagse Belgische avant-gardemode.
Nele Bernheim (°1974) doctoreert in de Beeldende Kunsten aan de Associatie Universiteit & Hogescholen Antwerpen met een proefschrift getiteld Couture Norine, Brussels: The Embodiment of the Belgian Avant-Garde, 1916-1952.

 

Retrospectieve E.L.T. Mesens in het Casino te Knokke, 1962.

Tweede van rechts: Norine naast Paul-Gustave van Hecke

(Foto: ex-collectie barones Manteau; coll. HFJ, Antwerpen)

Vanaf haar opening in 1936 vormt de Nottebohmzaal dankzij haar intieme en mysterieuze karakter een ideaal decor voor exposities en lezingen. Eén zondag per maand vindt er een Nottebohm-lezing plaats. Tijdens deze lezingen worden telkens andere culturele en maatschappelijke thema's aangesneden. De eerste lezing van het jaar 2009 vertelt het verhaal van het avant-gardistische modehuis Couture Norine. Aansluitend op de lezing krijgt het publiek de gelegenheid om met de spreker na te praten bij een glaasje.

PRAKTISCH
Nele Bernheim
Couture Norine, 1916-1952: Kunst in Mode, Mode in Kunst.
25 januari 2008 / 11 uur
Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Hendrik Conscienceplein  4
2000 Antwerpen
Tel. 03 206 87 10
www.consciencebibliotheek.be

Na de lezing wordt u een drankje aangeboden
-Toegang 5 €
-Gelieve te reserveren via consciencebibliotheek@stad.antwerpen.be

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
3 janvier 2009 6 03 /01 /janvier /2009 05:57

December en januari zijn de twee maanden die het nauwst verbonden zijn met getallen en goden. De hele maand januari staat in het teken van het begin, onder bescherming van de oud-Italische Janus die zich in de grijze voortijd vestigde op de naar hem genoemde Janiculus, een der zeven Romeinse heuvelen. Hij heerste over Latium, waar hij gastvrijheid verleende aan Saturnus (Kronos), die zich op het Capitolium vestigde.

Janus was de godheid van begin en einde, bogen en poorten, in- en uitgangen – zowel ruimtelijk als tijdelijk. De heerser over de drempels ziet vooruit en achteruit en wordt daarom met twee aangezichten uitgebeeld: Janus bifrons (met de twee voorhoofden). De maand januari is naar hem genoemd, nieuwjaarsdag en de eerste dag van elke maand waren hem heilig.

Annum novum faustum felicemque tibi! Moge het nieuwe jaar u welvaart en geluk brengen – zo luidde reeds eeuwen voor onze tijdrekening de sacramentele gelukwensen die op de eerste dag van het nieuwe jaar uitgesproken werden. Bij die gelegenheid werden geschenken uitgewisseld (strenae – vandaar het Franse étrennes). In de eerste eeuw vond keizer Caligula zich niet te min om in de gang van zijn paleis de symbolische strenae van zijn armste onderdanen in ontvangst te nemen: een bronzen muntstuk met de beeldenaar van Janus.

Tijdens de eindejaarsfeesten offerden de magistraten van de Stad een witte stier ter ere van Janus. Vandaag eisen de feestelijkheden ter ere van de seculiere goden van oud en nieuw heel wat meer bloedoffers en veroorzaken ze een massale dierenslachting. Onder de zachte maar niet minder dwingende druk van commercie en winstbejag van enkelen werd het rituele offer van symbolische rijkdom vervangen door het blind verspillen van het noodzakelijke.

Janus opende en sloot poorten, hield toezicht op binnen- en buitengaan, hij was de wachter aan de poort. In die functie werd hij opgevolgd door de H. Petrus. De apostel met het dubbelgezicht die zijn Meester verloochende werd coeli janitor – portier van de hemel. Net als Janus heeft hij sleutels als attributen, de sleutels die door zijn opvolgers bewaard worden. De pontifex maximum of opperste bruggenbrouwer ontvangt nog steeds als nieuwjaarsgeschenk een geldelijk tribuut van zijn onderdanen – zij het nu geen minderwaardige bronzen munten.

Janus bleef een verborgen bestaan leiden en het duurde tot 556 eer het Concilie van Tours het noodzakelijk achtte een formeel verbod uit te vaardigen op 1 januari Janus te vieren. De oude god werd ten slotte in vermomming opgenomen in de kerkkalender als H. Januarius, patroon van Napels. Hetzelfde lot verging Sol invictus – de onoverwonnen Zon – die als H. Nicanor (overwinnaar) op 10 januari herdacht wordt.

&

Bon any nou 

Bòna annada 

Un an nou fericit

Pace e salute

Henri-Floris JESPERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
27 octobre 2008 1 27 /10 /octobre /2008 08:43

Vrijdag 24 oktober vergaderde het Wetenschappelijk Comité van het SFV in het SOMA (Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij) te Brussel.

Voorzitter Emmanuel Van de Putte, afgevaardigde-bestuurder Eric Laureys en bestuurders Sophie Wittemans, Bambi Ceuppens en Paul Dirkx belichtten de ontstaansgeschiedenis en de opdracht van het Centrum.

De aanwezige leden van het Wetenschappelijk Comité gaven bondig de stand op van hun onderzoek.

*

Reeds vanaf juni 2001 kwam de Franstalige minderheid (in de sociologische zin) in Vlaanderen ter sprake in uitwisselingen tussen Emmanuel Van de Putte, politicoloog en Eric Laureys, historicus en onderzoeker bij het SOMA. Tijdens ontmoetingen, gesprekken en vooral in talrijke e-mails deelden zij informatie over aangelegenheden en publicaties met betrekking tot Franstaligen in Vlaanderen.

In november 2004 werkte Eric Laureys in het kader van een onderzoeksproject over oud kolonialen nauw samen met de antropologe Bambi Ceuppens. Het kwam al gauw tot boeiende gesprekken over het identiteitsvraagstuk en de miskende Vlaamse minderheden zoals protestanten, Nederlanders en Franstaligen. Ze dachten na over het concept autochtonie en over wat zij als de dualiteit van de Vlaamse identiteit beschouwden, namelijk dat de ene ‘Vlaming’ is, gewoon omdat hij van die geografische streek afkomstig is, terwijl de andere zich eerder met de verworvenheden van de Vlaamse beweging identificeert.

Het begrip autochtonie impliceert een mythische band tussen een groep mensen en een streek. Autochtonie wordt thans door sommigen aangewend om macht te verwerven (ik was hier eerst!). Dat zorgt voor een aantal problemen. Eisen die zich op autochtonie beroepen gaan immers tegen de heersende mondialiseringstendens.

Deze drie wetenschappers meenden dat het waanbeeld van een cultureel en linguïstisch homogeen Vlaanderen nooit zou weerstaan aan een ernstige en grondige wetenschappelijke analyse.

Een vierde voegde zich bij de groep, Sophie Wittemans, licentiate in de filosofie en in de kunstgeschiedenis en archeologie. Toen in maart 2007 doctoranda Céline Préaux (ULB) haar doctoraatsproject over Franstaligen in Vlaanderen voorstelde aan de pers, werd met haar contact opgenomen en werd een ‘Rondetafelbijeenkomst’ georganiseerd die zich tot een kristallisatiepunt van de verwachtingen van de verschillende protagonisten ontpopte. Guy Vande Putte en Paul Dirkx werden eveneens uitgenodigd op de Rondetafelbijeenkomst. De eerste is germanist en auteur van meerdere bijdragen over de taalgrens en de toponymie en schrijver van een boek over taalcontacten in de Brusselse periferie; de tweede is taalkundige en docent aan de universiteit van Nancy.

Tussen april 2007 en april 2008 vergaderde de Rondetafel tot zesmaal toe onder leiding van Eric Laureys, waarna de v.z.w. boven de doopvont gehouden werd. De Rondetafel werd omgevormd tot raad van bestuur onder het voorzitterschap van Emmanuel Van de Putte. Het Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen besloot vervolgens een Wetenschappelijk Comité op te richten, een adviesraad waar vertegenwoordigers zetelen van universiteiten en wetenschappelijke instellingen uit binnen- en buitenland die voeling hebben met het studieobject. Het Wetenschappelijk Comité wordt voornamelijk geraadpleegd over wetenschappelijke aangelegenheden maar draagt ook ontegensprekelijk bij tot de legitimiteit en de geloofwaardigheid van de jonge vereniging.

Het Wetenschappelijk Comité bestaat uit:

Prof. dr. Jan Baetens (Faculteit Letteren, KUL)

Prof. em. dr. Christian Berg (Departement Letterkunde, UA)

Prof. dr. Jacques Caron (Syddansk Universitet Odense, Centre de Documentation et d’Études Francophones)

Dr. Bambi Ceuppens (Senior Researcher Koninklijk Museum voor Midden-Afrika)

Dr. Geert De Baere (referendaris Europees Gerechtshof)

Dr. Roel De Groof (algemeen coördinator Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum, VUB)

Matthijs de Ridder (vorser Instituut voor de Studie van de letterkunde in de Nederlanden)

Prof. dr. Paul Dirkx (Maître de Conférences Langue et Littérature Françaises, Université de Nancy)

Henri-Floris Jespers (Fondation Ça ira, Bruxelles)

Dr. Eric Laureys (POD Wetenschapsbeleid – SPF Politique Scientifique)

Prof. dr. Anne Morelli (ULB)

Céline Préaux (Doctorante ULB)

Dr. Marc Quaghebeur (Directeur Archives et Musée de la Littérature, Bruxelles)

Dr. Frank Seberechts (Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme)

Dr. Dave Sinardet (medewerker Departement Politieke Wetenschappen, UA)

Prof. dr. Piet Van de Craen (VUB)

Prof. dr. Herman Van Goethem (voorzitter Departement Geschiedenis, UA)

Guy Vande Putte (Collège Saint-Hybert, Watermael-Boitsfort)

Prof. dr. Yannick Vanderborght (Faculté des sciences économiques, sociales et politiques, UCL)

Dr. Hans Vandevoorde (VUB)

Dr. Christophe Verbruggen (assistent Vakgroep Nieuwste Geschiedenis, UGent)

Prof. dr. Astrid von Busekist (École Doctorale – Sciences Po, Paris)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
20 octobre 2008 1 20 /10 /octobre /2008 05:34

Het Centrum voor Lokale Geschiedenis van Watermaal-Bosvoorde geeft een bescheiden maar niet minder interessant tijdschrift uit, Tilia, een verwijzing naar de legendarische Drie Linden. In de jongste aflevering wandelt Jan De Paepe van Watermaal tot Bosvoorde, een dorp aan de rand van het Zoniënwoud. Hij besteedt vooral aandacht aan het rijke architecturaal erfgoed van de gemeente.

Aan de Léopold Wienerlaan signaleert hij de villa in Art Nouveaustijl (1902) gebouwd door architect Jules Barbier voor Eugène Keym en de villa Lagrange (nr. 96) in Vlaamse neorenaissancestijl die jarenlang bewoond werd door de gebroeders Lagrange, die beiden een militaire carrière maakten.

Nochtans zijn beiden beter gekend omwille van hun bijdrage aan en hun wetenschappelijke ontdekkingen op het vlak van de fysica. Eugène kon, dank zij de vrijgevige bijdrage van Ernest Solvay in het park van de Sterrewacht van Ukkel een ondergronds seismologisch station bouwen waar op 21 maart 1899 de eerste kleine aardbeving van ons land op wetenschappelijke wijze werd gemeten en opgeslagen.

Charles verwierf bekendheid als aanhanger van de zogenaamde theorie van de “sociale fysica”, doe door Majoor Brück ontwikkeld werd. […] Volgens deze theorie zou de mensheid zich op de wereldbol overeenkomstig een welbepaald en vast geometrisch net ontwikkelen en, zoude volkerengeschiedenis een onderdeel van de mathematische wetenschap vormen. Lagrange was docent aan de militaire School en een van zijn leerlingen was onze toekomstige koning, Albert de Eerste.

Jan De Paepe is wel erg kies in zijn benadering van de inzichten van Brück en Lagrange. Ik kan er niet aan weerstaan enkele kanttekeningen aan toe te voegen. Majoor Remy Brück (1818-1870) onderzocht het aardmagnetisme en constateerde dat de subtiele variaties in dit veld een diepgaande invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de mensheid. Na een jarenlange duik in de natuurkundige en historische literatuur zag hij dat ieder volk twee stadia van ieder 516 jaar doorloopt. Deze stadia hingen volgens hem nauw samen met het aardmagneetveld. De gang der wereldgeschiedenis werd in zijn handen een natuurkundig probleem.

De destijds beroemde Belgische wiskundige Charles Lagrange (1851-1932), lid van de Koninklijke Academie van België, werkte Brücks theorie verder uit. Hij kwam tot de slotsom dat dezelfde periode niet alleen terug te vinden is in de verhoudingen van de grote piramide van Gizeh, maar ook dat de geografische verschuiving van wereldrijken in het avondland een dergelijke periodisering kent en dus ook nauw samenhangt met het aardmagnetisme. Op grond van zijn inzichten waarschuwde Lagrange als docent de aankomende officieren tijdens zijn colleges dat België zich in militair-strategisch opzicht niet moest richten op Frankrijk maar op Engeland. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bepaalde een aanhanger van de cyclische theorie van Brück-Lagrange, generaal Emile Galet, de strategie van het leger. Hij werd hierin gesteund zoniet aangespoord door koning Albert I, wiens (geheime) initiatieven om aparte vredesonderhandelingen aan te knopen (die haaks staan op de mythe van de “Ridder-Koning”) ook in dat perspectief moeten geplaatst worden.

Emile Galet en andere volgelingen van deze ‘magnetische geschiedenis’ zullen het strategische denken binnen de militaire staf lange jarenlang blijven domineren en hebben tevens de neutraliteitspolitiek van koning Leopold III (al dan niet beslissend) beïnvloed. (Cf. in dit verband ‘De wet van Brück, een historisch enigma’, hoofdstuk zes, pp. 169-185 in: Piet TOMMISSEN, Nieuwe buitenissigheden,  La Hulpe, Apsis, 2007, waarvan fragmenten in de Mededelingen van het CDR verschenen.)

Of hoe onmiskenbaar ‘esoterische’ denkbeelden onderhuids werkzaam zijn…

&

Jan De Paepe schetst uiteraard ook de geschiedenis van de tuinwijk ‘Le Logis’, onlosmakelijk verbonden met modernistische stedenbouwkundigen als Louis van der Swaelmen en Jean-Jules Eggerickx. Hij vraagt ook aandacht voor de Kruisboogsquare met, op nr. 3 de villa gebouwd door Stanislas Jasinski.

Vlaamse neorenaissance, cottagestijl, Art Nouveau, Art Déco, functionele architectuur of bewoonbare machines à la Corbusier: Watermaal-Bosvoorde beschikt over een rijk erfgoed dat jammer genoeg de bekendheid niet geniet waar het recht op heeft.

Daar moet dringend iets aan gedaan worden!

HFJ

 

Tilia, tijdschrift van het Centrum voor Lokale Geschiedenis van Watermaal-Bosvoorde, nr. 10, juli-augustus-september 2008, Gratèsstraat 7, 1170 Watermaal-Bosvoorde. Het Centrum voor Lokale Geschiedenis is open elke dinsdag van 15i30 tot 19 u en op afspraak.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
14 octobre 2008 2 14 /10 /octobre /2008 21:28

De Oostenrijkse psychoanalyticus Otto Gross, een in leven en werk wat excentrieke en controversiële persoonlijkheid, was in menig opzicht een voorloper. De wat marginale maar niet minder reële invloed van deze sleutelfiguur op de ideeëngeschiedenis wordt nog altijd al te vaak gebagatelliseerd. Hoe men er ook tegenover moge staan, zijn baanbrekende inzichten getuigen meestal van een ongemene revolutionaire frisheid en creativiteit.

In de tweewekelijkse Mededelingen van het CDR publiceerde ik twee jaar geleden een boeiend opstel van prof. em. dr. Piet Tommissen over “Het geval Otto Gross”, (Mededelingen, nr. 77, de dato 31 augustus 2006, pp. 2-4; nr. 78, de dato 18 september 2006, pp. 5-13). De papieren afleveringen zijn niet meer leverbaar. Op vraag van belangstellenden wordt het opstel van Piet Tommissen hier gepubliceerd. De talrijke voetnoten, die vaak nieuwe pistes aanreiken, werden om louter technische redenen weggelaten.

Henri-Floris JESPERS

 

 

V

Hurwitz houdt het voor onmogelijk een biografie van O.G. op chronologische grondslag te schrijven en koos voor de thematische aanpak.  Na me in het denken van O.G. verdiept te hebben, ben ik geneigd ‘onmogelijk’ door ‘bijzonder moeilijk’ te vervangen. Vandaar dat ik, in het belang van de lezer, leven en werk gescheiden behandel, zonder de interdependentie tussen beide te loochenen. Het is helaas geen sinecure het systeem waar O.G. voor geleefd en gestreden heeft en dat los staat van zijn louter medische bijdragen, zoals deze over de schizofrenie, te resumeren. Er kunnen fasen in de wordingsgeschiedenis van dat systeem worden aangetoond en het technisch karakter van menig onderdeel is een supplementaire moeilijkheid. Vandaar een noodoplossing: ik beperk me tot een paar kerngedachten die de richting van het denken (en streven!) van O.G. aangeven.

Welnu, aan de basis ligt de situatie die O.G. in het ouderlijke huis had leren kennen, te weten het samenleven van een dominerende vader en een, volgens hem, tot onderdanigheid gedoemde moeder. Reflexies over die familiale ervaring culmineerden in de overtuiging dat een neurose het gevolg is van een conflict tussen ‘het eigene’ en ‘het vreemde’, tussen de driften die in elk individu leven (de seksuele en de ego-driften, d.i. deze die gericht zijn op het behoud van de eigenheid, zeg maar de aangeboren aard) en de invloeden van buitenaf die het inwendig leven van het individu verstoren. Bijgevolg zijn b.v. normen (b.v. de kuisheid, de trouw) en instituties (b.v. het huwelijk, de familie) verantwoordelijk voor een geknevelde seksualiteit. Weg dus met de gangbare seksuele moraal, want om te genezen moeten neurotici seksuele immoralisten worden. Leve de orgie, de enige mogelijkheid om conflictvrij te kunnen leven.

In een volgende fase concludeerde O.G. tot het bestaan van algemenere conflicten: op het sociale vlak tussen patriarchaat en matriarchaat, op het wetenschappelijke vlak tussen natuur- en geesteswetenschappen, op religieus vlak tussen ‘mannelijk’ monotheïsme en de religies die aan vrouwelijke moeder- en liefdesgodinnen de centrale plaats toekennen. Hij was gewonnen voor het matriarchaat en wou de psychoanalyse van een natuur- in een geesteswetenschap omtoveren; qua religie sprak hem de Fenicische Astarte-cultus aan. Vervolgens construeerde O.G. een tegenstelling tussen twee totaal verschillende sociale typen: het patriarchale berustend op verdrag, autoriteit en morele concepties en tot uiting komende in familiale, bezits- en machtsverhoudingen, en het matriarchale berustend op de vrije omgang van de individuen met elkaar en zich openbarend in de ontstentenis van plichten en bindingen. Anders uitgedrukt: enerzijds het huwelijk, zijnde de incarnatie van een morele en via overeenkomst geregelde onderwerping der geslachten, anderzijds een hypermorele vrijheid qua betrekkingen tussen de geslachten.

Louter ten informatieven titel zij aangestipt dat O.G. nog andere typologieën gepresenteerd heeft. Bekend is vooral deze waarin onderscheiden wordt tussen twee categorieën van individuen die beide ‘ab’-normaal zijn omdat hun persoonlijkheid van die van de doorsnee stervelingen afwijkt: de door zijn vader vermaledijde minderwaardige en de geniale mensen. Het staat bij de geboorte geenszins vast of een minderwaardige dan wel een genie ter wereld is gekomen. Onnodig te zeggen dat O.G. zodoende tegenover de negatieve zienswijze van zijn vader een positieve kijk op de feiten plaatste. Er kan zelfs aangetoond worden dat C.G. Jung in dezelfde richting dacht toen hij introverte en extraverte typen onderscheidde.

Bachofens theorie voor O.G. van kapitaal belang geweest zijnde, moet ik ook haar een bondige parenthese samenvatten. De Zwitserse jurist deelde de culturele ontwikkeling van het mensdom in drie stadia in:

het tellurisch stadium: nomaden leefden van de jacht, kenden het huwelijk niet, pasten het recht van de sterkste toe;

het lunaire stadium: de landbouw kwam in zwang, de mens werd meer en meer een sedentair wezen, geordende sociale verhoudingen ontkiemden, de moedermoord werd als het zwaarste vergrijp aangevoeld;

het solaire stadium: de arbeidsverdeling zette zich door, het conjugaal vaderrecht en de idee van de individuele eigendom gingen overheersen.

De twee eerste stadia bestempelde Bachofen als matriarchaal, het derde als patriarchaal.

Zonderling genoeg beschrijft O.G. de door hem verhoopte ontwikkeling ten goede bij middel van drie in het boek Genesis ontleende bijbelse begrippen, nl. paradijs, zondeval en verlossing. Het paradijs, dat was de oertoestand, de era van het matriarchaat. De zondeval, dat was het einde van die era: de autoriteit van de liefde werd door de liefde voor de autoriteit vervangen; over de manier waarop dat in zijn werk is gegaan heeft O.G. een m.i. zwakke verklaring bedacht. De verlossing, dat is het ongedaan maken van de zondeval en de terugkeer naar het matriarchaat. O.G. zette aanvankelijk alles op het anarchisme om die verlossing te bewerkstelligen, doch geloofde helemaal op het einde van zijn leven, dat het in Rusland aan de macht gekomen communisme de klus ging klaren. Dat geloof werd gevoed door bepaalde maatregelen die in de Sovjet-Unie van kracht werden, o.m. de afschaffing van het huwelijk en de culturele revolutie (cf. de Proletkult). Hoe zou O.G. gereageerd hebben, mocht hij gezien hebben hoe vlug die maatregelen teruggeschroefd of ongedaan gemaakt werden? Zou hij ingezien hebben dat zijn systeem in een psycho-utopie moest uitmonden, de utopie van een hemel op aarde of, in de terminologie van Hurwitz, van een paradijszoeker? We kunnen die vragen stellen, moeten het antwoord uiteraard schuldig blijven. Daarom schakel ik naar een ander aspect van de denkontwikkeling van O.G. over.

Zelfs voortrekkers komen niet gelaarsd en gespoord ter wereld, doch bouwen voort op het werk van ouderen en/of ondergaan hun invloed, bewust of onbewust. Wat O.G. aanbelangt is alleszins voorzichtigheid geboden. Zo vernoemt hij in een enkele tekst twee keer Fournier en bedoelt telkens de Franse romantische socialist Charles Fourier (1772-1837), wat voor sommigen volstaat om beïnvloeding te suggereren! Gelukkig is twijfel uitgesloten in de gevallen Adler, Bachofen, Kropotkin, Friedrich Nietzsche (1844-1900) en enkele anderen. Over enkele gevallen is het laatste woord nog niet gesproken; ik denk o.m. aan de mij tot voor kort volkomen onbekende Russische wijsgeer Afrikan Alexandrovitch Spir (1837-1890), aan wie O.G. het antagonisme tussen het eigene en het vreemde zou ontleend hebben.

Zoals ik reeds liet verstaan heeft O.G. aardig wat interessante tijdgenoten in zijn ban gezogen, soms langdurig, soms kortstondig. Er zijn enkele twijfelgevallen, o.m. Robert Musil (1880-1942) en Ludwig Klages (1872-1946). Hoe dan ook, menige auteur voert hem onder een fictieve naam in een of meer zijner romans ten tonele: Johannes R. Becher (1891-1958) als Dr. Hoch (De Abschied, 1940), Max Brod als Dr. Askonas (Das große Wagnis, 1918), Blaise Cendrars als Dr. Raymond-la-Science (Moravagine, 1923), Leonard Frank (1882-1961) als Dr. Kreuz (Links wo das Herz ist, 1952), Franz Jung als Ernst Möller (Kameraden…, 1913) en als Paul (Opferung, 1916), Emil Szyttia (ps. van Adolf Schenk; 1886-1964) als Dr. Mager (Die Internationale der Außenseiter, 1955-56), Franz Werfel (1890-1945) als Dr. Gebhardt (Barbara oder Die Frömmigkeit, 1929), Franziska zu Reventlow (1871-1918) als Dr. Bauman (Der Geldkomplex, 1916), enz. Van hun kant hebben sommigen het over hem terloops of uitvoerig in hun autobiografie: E. Mühsam (Unpolitische Erinnerugen, 1961), Fr. Jung (Der Weg nach unten. Aufzeichnungen aus seiner großen Zeit, 1961), Karl Otten (1889-1963) (Wurzeln, 1963), Richard Seewald (1889-1976) (Der Mann von gegenüber, 1963). Eigenaardig genoegd oordeelden enkelen post festum denigrerend over O.G.; tot grote ontsteltenis van Kafka ging Werfel O.G. zelfs haten!

Via die – ik weet het – dorre opsomming hoop ik er de lezer te hebben van overtuigd dat O.G. niet de eerste de beste is geweest. Als curiosum weze nog vermeld dat hij zelfs in Das Kabinettt des Dokter Caligari, de expressionistische film van Robert Wiene (1881-1938) waarin de bekende actrice Lil Dagover (ps. Van Marta Seubert; 1998-1980) een hoofdrol speelt, present blijkt te zijn. Men kan zich afvragen of de studenten die in 1968 in Parijs de verbeelding aan de macht wilden brengen, niet onbewust bezig waren, ideeën van O.G. te herkauwen? Idem voor hun Duitse geestesgenoten, die zich op Wilhelm Reich (1897-1957) beriepen, de man die Freud niet wilde analyseren, wiens Sexpol een heure de gloire heeft gekend en die volgens sommigen bij O.G. aanknoopte. Wat er ook van zij, Reich en ook Georges Bataille (1897-1962) zijn frappante voorbeelden van – voorzichtig geformuleerd – met O.G. verwante zielen.

*

Toen ik me aan het schrijven van deze bijdrage zette, stond me als een geschikte titel deze van de Duitse TV-serie voor de geest, waarin privé-detective Matula de eerst viool speelt: Ein Fall für zwei. Waarschijnlijk staarde ik me blind op het conflict tussen vader en zoon Gross, meer bepaald op een intrigerende inconsistentie in het gedrag van O.G.: hij kon zijn vader niet luchten, maar had geen bezwaar noch tegen diens financiële steun noch tegen de bescherming die hij zijn zoon op grond van zijn reputatie minstens een keer geboden heeft. Naarmate ik vorderde zag ik in, dat het bedoelde conflict slechts een belangrijk onderdeel van mijn thema is en verving ik de attractieve titel door een andere, die beter de lading dekt en waar men meerdere kanten mee uit kan.

Wat de bijdrage als zodanig betreft moet ik erop attenderen dat ik gemeend heb twee zaken uit mijn exposé te mogen weren: gebeurtenissen waarover tegenstrijdige meningen circuleren (b.v. de mogelijke betrokkenheid van O.G. bij een smokkelaffaire die voor doel had de anarchistische kas te spijzen), en personen wier naam de lezer niets zegt tenzij men er toelichting bij verstrekt (en dan nog… ). Gezien de beperkte plaatsruimte diende bovendien aan talrijke (hoofdzakelijk bibliografische) voetnoten te worden verzaakt. Desondanks troost ik me met de quasi-zekerheid over een decennialang ten onrechte verwaarloosde utopist van formaat het minimum minimorum te hebben gezegd.

Prof. dr. Piet TOMMISSEN

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
14 octobre 2008 2 14 /10 /octobre /2008 21:23

De Oostenrijkse psychoanalyticus Otto Gross, een in leven en werk wat excentrieke en controversiële persoonlijkheid, was in menig opzicht een voorloper. De wat marginale maar niet minder reële invloed van deze sleutelfiguur op de ideeëngeschiedenis wordt nog altijd al te vaak gebagatelliseerd. Hoe men er ook tegenover moge staan, zijn baanbrekende inzichten getuigen meestal van een ongemene revolutionaire frisheid en creativiteit.

In de tweewekelijkse Mededelingen van het CDR publiceerde ik twee jaar geleden een boeiend opstel van prof. em. dr. Piet Tommissen over “Het geval Otto Gross”, (Mededelingen, nr. 77, de dato 31 augustus 2006, pp. 2-4; nr. 78, de dato 18 september 2006, pp. 5-13). De papieren afleveringen zijn niet meer leverbaar. Op vraag van belangstellenden wordt het opstel van Piet Tommissen hier gepubliceerd. De talrijke voetnoten, die vaak nieuwe pistes aanreiken, werden om louter technische redenen weggelaten.

Henri-Floris JESPERS

 

IV

Alvorens verder te gaan is het nuttig erop te wijzen dat, in weerwil van zijn psychische problemen, O.G. zich op geen enkel moment op seksueel onbetuigd gelaten heeft. Zo schonk hem de Zwitserse schrijfster Regina Ullmann (1884-1961), achteraf een ‘vriendin’ van de bekende dichter Rainer Maria (von) Rilke (1875-1926), in juli 1908 een dochter, Camilla (1908-2000), die als kinderoppasje haar brood heeft verdiend. Een topprestatie leverde hij in 1916 toen hij een relatie had met de drie zusters Kuh (die drie broers hadden, waarvan er een, Anton [1891-1941], als letterkundige een zekere faam genoot); een van hen, Marianne (1894-1948), schonk hem een dochter, Sophie (1916-2005), die in 1945 de Britse ex-soldaat en grafoloog Simon Templer (oorspronkelijke naam: Groshut; 1914-1991), huwde. Wat voor de reeds aangehaalde ‘avonturen’ met de zusters von Richthofen gold, gaat evenzeer voor deze (en andere) gevallen op: O.G. zette zijn theorie in daden om. Hij ging daarbij consequent tewerk, want voor zijn vrouw vond hij een Ersatz-echtgenoot in de persoon van zijn vriend Ernst Frick (1881-1956): het nieuwe koppel ging – om het in modern taalgebruik te zeggen – een Lat-relatie aan en kreeg drie dochters, waarvan de oudste, Eva Verena (1910-2005), op aandringen van O.G. met de familienaam Gross door het leven is gegaan.

Voor O.G. liep alles min of meer gesmeerd, tot hij anno 1910 eens te meer in Ascona opdook. Hij was vergezeld van Sophie Benz (1884-1911), de dochter van een Münchense professor, met wie hij al vier jaar samenleefde en die van hem een kind verwachtte. Deze kunstenares leed aan een psychose en maakte aan haar leven een einde door vergif in te nemen. Zat O.G. daar voor iets tussen? In de pers werd de link gelegd met het oudere geval Hattemers. Gevolg: de politie zocht O.G. wegens hulpverlening bij het plegen van zelfmoord. Deze koos het hazenpad en vond onderdak bij een bevriende advocaat in Mendisio (Italiaanstalig Zwitserland), die hem, na vader Gross’ akkoord bekomen te hebben, in de plaatselijke instelling voor depressieven en alcoholiekers liet interneren. Het bleef bij een summiere behandeling, want in juni 1911 werd O.G. ‘ontslagen’. Doch onmiddellijk meldde hij zich vrijwillig in de gelijkaardige Weense instelling, Am Steinhof, waar hij evenmin lang gebleven is.

Met vriend Mühsam had O.G. het plan opgevat, in Ascona een vrije hogeschool voor anarchisme op te richten, maar dat plan ging uiteindelijk niet door. Er weze en passant vermeld dat het niet uitgesloten is dat O.G. eerder – in Amsterdam of in Ascona? – met Peter Kropotkin (1842-1921), de bekende goeroe van een anarchistische stroming van het soft-type (cf. de leer van de wederzijdse hulp), had kennis gemaakt. Wat er ook van zij, het is niet duidelijk of het mislukt plan, gevoegd bij de politionele dreiging, er O.G. heeft toe aangezet zich in 1913 naar Berlijn te begeven. In ieder geval sloot hij zich daar bij de revolutionaire groep Aktion van Franz Pfemfert (1879-1954) aan en schreef voor haar gelijknamig weekblad enkele merkwaardige bijdragen. Ik geloof niet dat men mag zeggen dat hij op expressionistische auteurs en schilders een stempel heeft gedrukt, maar hij heeft er wel een paar sterk beïnvloed; de grote uitzondering was Ludwig Rubiner (1881-1920), die zijn revolutionair credo tot tweemaal toe op de korrel nam (verwijt: de psychoanalyse is een techniek en de psychoanalytici moeten binnen de muren van hun kliniek blijven; men denke aan Freuds hoger aangehaalde uitspraak) en hem tot het schrijven van tegenartikels noopte.

Schone liedjes duren nooit lang. Hoe het in zijn werk is gegaan, d.i. of vader Gross er voor iets heeft tussen gezeten, weten we niet precies, maar vast staat dat O.G. in november werd aangehouden, uit Pruisen verbannen en onder politiebewaking naar de grens gebracht, alwaar Oostenrijkse ambtenaren klaar stonden om hem in het krankzinnigengesticht Tulln bij Wenen af te leveren. Vader Gross, die tot dan toe zijn zoon financieel bijgestaan en hem voor zijn bestwil ontwenningskuren aangeraden of verplicht had ze te ondergaan, nam de kans waar om zijn z.i. geestesgestoorde telg onder curatele te laten stellen. Gerechtelijke instanties gaven hem gelijk en stelden hem als voogd aan.

Tegen dat alles kwam, onder impuls van o.m. de vrienden Mühsam en Franz Jung en – wat hem tot zeer strekt – contrahent Rubiner, een internationale campagne op gang; in talrijke bladen (ook Franse) werd door auteurs en kunstenaars (onder hen de Franse letterkundigen Blaise Cendrars [ps. Van Frédéric-Louis Sauser; 1887-1961] en – uitermate belangrijk – Guillaume Apollinaire [eig. Guillaume Kostrowitzky; 1880-1919]) tegen de als willekeurig bestempelde arrestatie en haar gevolgen geprotesteerd. De in Wenen gevestigde Akademische Verband für Literatur und Musik liet een pamflet drukken en er 10.000 exemplaren van verspreiden. Er werd een gewelddadige bevrijdingspoging gevreesd en O.G. belandde in het Silezische krankzinnigengesticht Troppau, dat hij begin juli 1914 mocht verlaten. Overigens eindigde de protestactie in mineur, omdat O.G. zijn internering in een brief aan het college voor curatelen legitimeerde.

Gedurende W.O. I werkte hij als arts in verschillende militaire hospitalen en kon zijn gedeserteerde vriend Franz Jung een ontlastend attest bezorgen. Uit de oorlogsperiode zijn drie gebeurtenissen vermeldenswaard: (a) vader Gross stierf in december 1915 en liet een weduwe en een erfenisprobleem achter; (b) in juli 1917 troffen O.G., Kafka en Max Brod (1884-1968) zich in Praag; (c) O.G. vulde een aflevering van het door Franz Jung in Berlijn opgerichte tijdschriftje Die freie Straße. In oktober 1918 dook O.G. opnieuw in Berlijn op en trok in bij het echtpaar Franz Jung. Na de gebeurtenissen in Rusland na 1917 werd hij afgekeurd om in de prille Sovjetunie te gaan helpen bij de bestrijding van epidemieën, en moest aan de Hongaarse grens rechtsomkeert maken, omdat admiraal Miklós von Horthy (1868-1957) net een einde had gemaakt aan het communistisch bewind van Béla Ku[h]n (1886-1938) dat welgeteld 133 dagen had geduurd.

Tussendoor publiceerde O.G. in tijdschriften zoals Sowjet (Wenen) en Die Erde (Berlijn) een paar fundamentele teksten, o.m. over het probleem van het parlementarisme, waaruit blijkt dat hij zijn  ‘psychoanalytisch anarchisme’ nog verstrakt had. Dit keer beïnvloedde O.G. een paar Berlijnse dadaïsten, o.m. Raoul Hausmann (1886-1971) en de kunstenares Hannah Höch (1889-1978). Doch langzaam maar zeker ging het met hem bergafwaarts: armoede was troef, cocaïne en morfine kostten geld dat hij niet bezat en zijn gestel geraakte almaar meer ondermijnd. Na een woelige discussie met vrienden die hem weigerden drugs te bezorgen, werd O.G. in een steegje in comateuze toestand gevonden en naar het sanatorium van Pankow gebracht. Te laat: hij overleed aan een met ondervoeding (belangrijk om weten: O.G. was van kindsbeen af vegetariër) gepaard gaande longinfectie en werd – o ironie van het noodlot – op een joods kerkhof begraven… Een paar uitzonderingen niet te na gesproken lieten de Duitse kranten verstrek gaan, d.i. ze vertikten het een necrologisch artikel te brengen.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
14 octobre 2008 2 14 /10 /octobre /2008 21:16

De Oostenrijkse psychoanalyticus Otto Gross, een in leven en werk wat excentrieke en controversiële persoonlijkheid, was in menig opzicht een voorloper. De wat marginale maar niet minder reële invloed van deze sleutelfiguur op de ideeëngeschiedenis wordt nog altijd al te vaak gebagatelliseerd. Hoe men er ook tegenover moge staan, zijn baanbrekende inzichten getuigen meestal van een ongemene revolutionaire frisheid en creativiteit.

In de tweewekelijkse Mededelingen van het CDR publiceerde ik twee jaar geleden een boeiend opstel van prof. em. dr. Piet Tommissen over “Het geval Otto Gross”, (Mededelingen, nr. 77, de dato 31 augustus 2006, pp. 2-4; nr. 78, de dato 18 september 2006, pp. 5-13). De papieren afleveringen zijn niet meer leverbaar. Op vraag van belangstellenden wordt het opstel van Piet Tommissen hier gepubliceerd. De talrijke voetnoten, die vaak nieuwe pistes aanreiken, werden om louter technische redenen weggelaten.

Henri-Floris JESPERS

*

Men kan zich vergissen, ja zelfs schromelijk vergissen. Zo was ik enige tijd geleden begonnen documentatie te verzamelen met de bedoeling de vruchtbaarheid van het begrip ‘culturele groeipool’ voor de ideeëngeschiedenis aan te tonen. Iemand die zeker in dat betoog thuishoort, leek me Otto Gross (1877-1920) [voortaan: O.G.] Doch, zo vroeg ik me af, wie heeft in Vlaanderen al over die even zonderlinge als belangrijke man gehoord? Groot was dan ook mijn verbazing toen ik, bij het overlopen van de deelnemerslijst van het vierde internationaal O.G.-colloquium (Graz, 2003) op de naam “Mieke de Loof, Antwerpen” stiet. Ik herinnerde me in deze Mededelingen (2de jg., nr. 34, 26 oktober 2004, p. 10) te hebben gelezen dat anno 2004 een zekere Mieke de Loof (°1951) met haar boek Duivels offer de zevende Hercule Poirot-prijs in de wacht had gesleept. Bovendien viel me een interview te binnen, waarin verklapt werd dat deze dame sociologie en filosofie gestudeerd en sterk uiteenlopende beroepen uitgeoefend heeft.

Het had heel wat voeten in de aarde alvorens me het adres van mevr. De Loof kon meegedeeld worden. Toen ik er eindelijk over beschikte heb ik meteen mijn stoute schoenen aangetrokken en haar een brief gestuurd. En jawel, zij heeft aan dat O.G.-colloquium deelgenomen en in haar eersteling duikt O.G. op! In haar antwoord vertelde ze, een zevendelige cyclus op stapel te hebben staan: elk dezer misdaadromans speelt zich gedurende de periode 1913-19 in het decadente Wenen af; de hoofdpersonages zijn dezelfde maar spelen telkens een andere historische rol. De lectuur van Duivels offer bevestigde mijn vermoeden dat een nieuw genre detective-stories in de maak is, misschien onder invloed van In naam van de roos (1980) van de Italiaanse linguïst en hoogleraar Umberto Eco (°1932). Ik dacht aan De Rembrandtcode van de Nederlanders Dick van den Heuvel en Simon de Waal; ook aan Gib jedem seinen eigenen Tod van de Oostenrijker Veit Heinichen (°1957), de eerste van een reeks die zich allemaal in Triest afspeelt. Inmiddels spreekt men van de ‘roman policier érudit’.

En nu kom ik eindelijk ter zake. Welnu, de psychoanalyse in het algemeen en haar godfather Sigmund Freud (1856-1939) in het bijzonder, liggen momenteel onder vuur. Het is niet de eerste keer dat zulks gebeurt. Freud had van meetaf met dissidenten af te rekenen; Alfred Adler (1870-1937) en Carl Gustav Jung (1875-1961) zijn de meest bekende. Ook O.G. ontpopte zich als een renegaat, maar hij kreeg de rekening gepresenteerd: in het psychoanalytische milieu werden hij en zijn ideeën stante pede – en met succes – naar het verdomhoekje verwezen, volgens vermetele kenners omdat hij geen Jood was. Doch ook buiten dat milieu waren ze beide snel taboe. Waarom? Ernstige vorsers brengen een en ander in verband in verband met de door de Duitse tijdgenoten betoonde aversie voor het leven dat O.G. geleid heeft én voor zijn tegen hun normen en waarden indruisende revolutionaire opvattingen. Volgens mij dateerde die wrevel uit de tijd (circa 1910) dat in sociaal-democratische organen van leer getrokken werd tegen de aanval van O.G. op de familie – onder meer door de invloedrijke linkse cultuurfilosoof Gustav Landauer (1870-1919), die zelfs de joodse denker Martin Buber (1878-1965) in de discussie betrok.

Wat er verder ook van zij, het furore makende opus van Martin Green (°1927) over de gezusters Von Richthofen heeft beslist de (her-)ontdekking van deze merkwaardige man in de hand gewerkt. Voor zover ik kan beoordelen, volgde evenwel de echte doorbraak pas na de publicatie van het baanbrekende opus van de Zwitserse geneesheer en psychiater Emanuel Hurwitz (°1935), die op de zolder van de psychiatrische kliniek Burghölzli (Zürich) een dossier O.G. gevonden had. Weldra werd een eerste bibliografie samengesteld en volgde de oprichting van een Internationale Otto Gross Geselschafft, die reeds vijf colloquia organiseerde, waarvan de referaten gebundeld werden: het zesde colloquium grijpt in september 2006 in Wenen plaats. Het is verbazingwekkend wat vorsers zoals baron Albrecht Götz von Olenhusen (°1935), Gottfried Heuer (°1944), Raimund Dehmlow (°1952) e. a. m. , in een relatief korte tijdspanne aan het licht hebben gebracht, door o.m. in politie- en andere archieven te gaan snuisteren en zowel overlevenden te interviewen als de nalatenschap van overleden insiders tot in Australië toe op te sporen.

II

Na bijna dertig jaar als onderzoeksrechter in zijn geboortestad Graz actief te zijn geweest, ging de droom van Franz Gross (1847-1915), Otto’s vader, in vervulling: in 1898 werd hij gewoon hoogleraar voor straf- en strafprocesrecht, eerst in Czernowitz (thans Cernivci in Oekraïne) en dan (1902) in Praag – Franz Kafka (1883-1924) was er één van zijn studenten –, om van anno 1905 af aan de universiteit van Graz de leerstoel voor criminologie te bekleden. Hij schiep een soort van misdaadmuseum (sinds 2003 opnieuw toegankelijk), richtte het tijdschrift Archiv für Kriminalanthropologie und Kriminalistik op (1899) en schreef o.m. het op ervaring, observatie en reflexie steunende Handbuch für Untersuchungsrichter, Polizeibeamte, Gendarmen usw. (waarin sprake is van voet- en bloedsporen en van vingerafdrukken, een koffertje voor bewijsmateriaal aangeprezen wordt, de politiehond zijn intrede doet) dat tussen 1893 en 1913 zes oplagen kende en in ettelijke talen vertaald werd.

Als rechtgeaarde positivist zwoer vader Gross bij constateerbare, objectief meetbare en beschrijfbare gegevens, wat verklaart waarom hij het belang van het getuigenverhoor laag inschatte. Ik laat Green aan het woord:

He was not interested in penology, or in the sociology of crime; just in catching criminals and preventing them from committing more crimes.

Geen wonder dat hij de doodstraf billigde en voor gedegenereerden (landlopers, revolutionairen, homofielen, zigeuners, verstokte bedelaars, gewoontedieven e.a.m.), voor wie hem een normale straf inadequaat leek, de deportatie naar Zuid-West-Afrika bepleitte. Zou hij geweten hebben dat de Britse koningin Elisabeth I (1533-1603) in 1597 een wet heeft uitgevaardigd die de deportatie van bepaalde delinquenten regelde?

Deze geleerde was uiteraard een kind van zijn tijd. Men vergete niet dat de Italiaan Cesare Lombroso (1835-1909) aan L’uomo delinquente (1876) een ophefmakend boek gewijd had en de Hongaarse fysicus en protagonist van het zionisme Max Nordau (1849-1923) in zijn opus met de veelzeggende titel Entartung tegen de voortschrijdende degeneratie gewaarschuwd had. De tegenstelling massa/elite stond sowieso in het middelpunt van vehemente discussies en zowel voor het door de Zwitserse jurist Johann Jakob Bachofen (1815-1887) ‘aangetoonde’ primaat van het matriarchaat als voor de antifeministische en antisemitische opvattingen van Otto Weininger (1880-1903) bestond levendige belangstelling. Voorts was het monisme, het geesteskind van de sociaal-darwinist Ernst Haeckel (1834-1919), bezig tot een wereldbeschouwing uit te dijen, deden de anarchisten van zich spreken en doken in de kunst de eerste –ismen op.

Daar het in de eerste paragraaf van dit opstel over de misdaadroman ging en dit literaire genre in deze Mededelingen behoorlijk aan zijn trekken komt, kan ik er niet omheen te vermelden dat bekende beoefenaars van dat genre door vader Gross geïnspireerd werden, resp. worden. Zo vernoemt hem de Amerikaan S.S. Van Dine (ps. Van William Huntington Wright; 1889-1939), de schepper van de privé-detective Philo Vance, expressis verbis in The Greene Murder Case (1928). En wie de memoires (1951) van Georges Simenon (1903-1989) gelezen heeft, weet dat commissaris Maigret eveneens bij Gross in de leer is gegaan. Er zijn ook auteurs wier werk me volkomen onbekend is die hun schatplichtigheid aan Gross toegegeven blijken te hebben, o.m. de Engelsman H.R.F. Keating, de vader van inspecteur Ghote uit Bombay.

III

Uit het huwelijk van vader Gross met Adele Raymann (1854-1942) ontsproot slechts een kind, zoon Otto, die overbeschermd opgroeide in het ouderlijke huis en naar private scholen gestuurd werd. Zijn ouders waren veeleisend, zodat het niet verwondert dat Otto zijn studie aan het gymnasium van Graz en aan de medische faculteiten van Graz, München en Straatsburg magna cum laude afsloot. Na stage te hebben gelopen, promoveerde hij in 1899 in Graz tot doctor in de geneeskunde. Het jaar daarop reisde hij als scheepsarts naar Zuid-Amerika en het was tijdens deze tocht dat hij met drugs begon te experimenteren. Terug aan wal werd hij docent en schreef menige gespecialiseerde studie. Doch het duurde niet bijster lang of hij moest een eerste keer kortstondig worden geïnterneerd (1902). Genezen verklaard werd hij assistent in de universitaire kliniek van Graz en ging in 1903 (tegen zijn zin!) een kerkelijk huwelijk aan met de advocatendochter Frieda Schloffer (1876-1950), me wie hij een liaison had. Nota bene: in 1904 ontmoette O.G. voor het eerst Freud, die hem als een aanwinst voor zijn psychoanalyse beschouwde.

Het echtpaar Gross begaf zich in 1906 naar Ascona, een plaatsje in Zwitserland waar sinds ettelijke jaren een aantal (vaak geniale) zonderlingen, bohémiens zo men wil, woonden en er een alternatieve levensstijl (er liepen b.v. nogal wat nudisten rond) op nahielden. Frieda nodigde haar studievriendin Else von Richthofen (1874-1973), de echtgenote van de in München economie docerende professor Edgar Jaffé (1866-1921), uit om haar te bezoeken. Een jaar later brachten de beide dames een zoon ter wereld, die beide Peter genoemd werden en dezelfde vader hadden, namelijk O.G. Kort daarop bezweek op haar beurt Ilses zuster Frieda Weekley-von Richthofen (1885-1956), de latere echtgenote van de beroemde Engelse auteur David Herbert Lawrence (1885-1930), voor de charme van O.G.! Deze laatste was begonnen met het in de praktijk omzetten van wat hij zelf ‘erotisch immoralisme’ noemde, een waarheidsgetrouwere term dan het ingeburgerde ‘vrije liefde’. Onlangs dook een tot dusver onbekend artikel van O.G. op, waarin hij – in 1920! – als allereerste de uitdrukking ‘seksuele revolutie’ gebruikte.

Doch in Ascona gebeurde nog iets anders. Een zekere Lotte Hattemers (1876-1906) – de dochter van de burgemeester van een Berlijns district ? – pleegde zelfmoord, met de hulp van O.G. en diens vriend Johannes Nohl (1882-1963), een psychiater die o.m. de auteur Hermann Hesse (1877-1962) geanalyseerd heeft. Op grond van geruchten stelde de politie van Zürich een onderzoek in en kwam tot de bevinding dat het niet om een geval van euthanasie ging. Voorzichtigheidshalve waren Frieda en O.G. tijdig naar München afgereisd, alwaar Otto graag en vaak in het stadsdeel Schwabing vertoefde, door Jacques Le Rider (°1954) ‘le Quartier Latin munichois’ genoemd.

Het was de tijd dat het er op leek dat zich in Schwabing zowel marginalen van allerlei slag als bekende kunstenaars in spe elkaar rendez-vous gaven. Zelfs de ‘hofhouding’ van de grote dichter Stefan George (1868-1933), beter bekend als de Kreis, feestte er. Het staat buiten kijf dat O.G. in Schwabing de psychoanalyse geïntroduceerd heeft. Dag en acht analyseerde hij bezoekers van café Stephanie, zijn stamkroeg; één van hen was de anarchist Erich Mühsam (1878-1934), met wie hij reeds langer optrok. Hij leerde er Franz Jung (1888-1963) kennen, die weldra in zijn leven een belangrijke rol zou spelen.

Dat O.G. in vakmiddens gewaardeerd werd blijkt uit het feit dat hij op twee colloquia een referaat mocht houden: op dat van de neuro-psychiaters (Amsterdam, september 1907 – hier maakte hij wellicht kennis met C.G. Jung, mogelijk ook met Kropotkin [cf. infra] ) en op dat (het allereerste) van de psychoanalytici (Salzburg, april 1908). Over dit laatste, helaas verloren geraakt referaat over Culturelle Perspektive was Freud niet te spreken: ‘Wir sind Ärzte, und Ärzte müssen wir bleiben” [wij zijn geneesheren, en dat moeten wij blijven]. Toch leverde diezelfde Freud in mei 1908 een medisch attest af, waardoor O.G. in Burghölzli een nieuwe ontwenningskuur kon aanvatten. Het was C.G. Jung die hem analyseerde, doch O.G. klom medio juni 1908 over de muur van de instelling en werd weldra in Schwabing opgemerkt. Na amper twee weken (wat Freud verwonderde) had Jung als diagnose: dementia praecox (thans: schizofrenie); ze wordt sinds geruime tijd als volstrekt onjuist beschouwd en als het resultaat van een broedermoord geïnterpreteerd – maar ze is O.G. wel zijn verder leven blijven achtervolgen.

Prof. em. dr. Piet TOMMISSEN

(wordt vervolgd)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
28 septembre 2008 7 28 /09 /septembre /2008 07:12

Een boek krijgt uiteraard veel aandacht als de auteur Verhofstadt (Dirk) heet. Het mag dan het zoveel honderdste werk over Paus Pius XII en de Holocaust zijn. Het boekbedrijf zal er niet om rouwen en de vrijzinnige auteur positioneert zich als historicus bij  de non-believers. Dat heet:  ‘Pius XII had zich meer kunnen inzetten tegen de Holocaust langs meer dan de louter diplomatische weg’. Je kan van een vrijzinnige niet verwachten dat hij het andersom zou bekijken, tenzij hij een echt historicus is.

De confrontatie met Rik Torfs op Canvas (27 september) ging de andere richting uit. Torfs is zeker geen slippendrager van ‘Onze Moeder de Heilige Kerk’, maar kon uit parate kennis, teksten en feiten aanreiken ter verdediging van houding en optreden van Pius XII, waarop Dirk Verhofstadt geen antwoord had, ondanks zijn vele opsporingswerk en verwijzingen in de honderden voetnota’s.

Sommige argumenten deden de wenkbrauwen fronsen. Doet het nu echt terzake dat het proces van de zaligverklaring van Johannes XXIII rond is en van Pius XII nog steeds niet? Zelfs voor een historicus en kerkjurist blijkbaar wel. Echt verbazend is de gezamenlijke instemming over wat het boek beoogt of betracht (dat is niet duidelijk): moraal moet komen uit secularisatie, vooral niet uit één - dominante - religie. Alle heil wordt verwacht van multireligiositeit. En zo werpen de bestrijders van het christendom zich op als verdedigers van godsdienstvrijheid en moraal.

Walter Pauli geeft in De Morgen (24 september) bij de afsluiter van zijn bespreking een pijnlijke prik:

‘Dat Verhofstadt een paar evidente vallen niet vermijdt, komt omdat hij wel een geschiedenis schrijft, maar zich niet houdt aan de professionele “afstandelijkheid” van de historicus. Hij is en blijft een schrijvend politicus, “a man with a mission”. Hij wil niet zozeer weten, maar overtuigen. Vandaar de soms emotionele ondertoon.’

In onze huisbibliotheek zit John Cornwell met Le Pape et Hitler en ondertitel: ‘L’Histoire secrète de Pie XII’ (Paris, Albin Michel, 1999). Ik herinner me levendig de indrukken op de reis met de ‘Jezuïetentrein’ in 1950 zoals in zijn Prologue.

‘En 1950, en cette “Année sainte” qui vit des millions de pèlerins affluer à Rome pour faire allégeance à la papauté, Eugenio Pacelli, le Pape Pie XII, avait soixante-quatorze ans. Encore vigoureux, cet homme d’un mètre quatre-vingt-deux pour soixante-deux kilos et demi marchait d’un pas alerte et portait encore la robe avec élégance…’ 

Zo hebben we hem niet gezien. Wel als een mummie die rondgedragen werd op de sedes gestatoria, en beantwoordt aan het verdere beeld in de ‘Prologue’: ‘La première chose qui frappait les visiteurs, c’était son extrême paleur” en Cornwell citeert Pallenberg met

‘La peau tendue sur des traits saillants, presque gris cendre, maladive, faisait penser à un vieux parchemin, note un observateur, mais en même temps, elle avait un côté étonnamment transparent, comme reflétant de l’intérieur une flamme froide et blanche.’

De meeste adolescenten die we waren, hebben dat ook zo ervaren. Dat bleek duidelijk uit de spreekbeurten die elkeen moest geven.

Het is merkwaardig dat Cornwell op 485 pagina’s in totaal minder dan 25 pagina’s aan de Holocaust wijdt en nauwelijks evenveel aan de Joden in Rome, ondanks de titel van zijn werk. Wat niet beduidt dat hij de kwestie minimaliseert. Wat denkt u van deze uitspraak:

‘Après s’être rendu complice de la Solution finale en omettant de la condamner, il “aggrava”’ son cas en posant après coup au défenseur du peuple juif. Son plaidoyer pro domo de 1946 le montre clairement : le pape idéal pour la Solution finale se doublait d’un hypocrite.’

 

Wat kan Verhofstadt daar nog aan toevoegen? Als het nu nog Ludo Abicht was!

Jan VAN OOSTENDE

                                                                                                                                                                                                                         

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
21 août 2008 4 21 /08 /août /2008 06:43

Het laatste deel van Lode Wils’ uitermate boeiende studie “1830: van de Belgische protonatie naar de natiestaat” verscheen in Wetenschappelijke tijdingen (2007/4). Hij relativeert heel duidelijk de stelling dat vooral taal en godsdienst de oorzaak van de oppositie en van de scheiding waren. De verbittering in België ‘werd vooral gevoed door liberaal verzet tegen het “verlicht despotisch” regime.’

De opstand in Brussel, Leuven en Luik tijdens de laatste dagen van augustus 1830 viseerde de vervanging van het absolutistische regime door een liberaal regime. Dat werd door de unanieme Hollands-protestantse opinie gevoeld of tenminste voorgesteld als een poging om Holland via een parlementaire overmacht te onderwerpen. [De Belgen vormden 62 % van de bevolking van het Verenigde Koninkrijk.]

Het klerikale verzet tegen het Staatskirchentum speelde een heel belangrijke rol, maar duidelijk secundair tegenover de nationaal-liberale stuwing tegen het vorstelijk absolutisme in zijn geheel. De taal speelde daarin een geringe rol, evenals het belastingstelsel. De aangevoelde uitsluiting van de Belgen uit het openbare ambt en vooral uit de leiding van de staat, had er een veel groter aandeel in.

In een voortreffelijk geadstrueerde bijdrage over het tijdschrift Westland peilt Romain Vanlandschoot naar ‘de verhouding tussen literatuur, Vlaamse beweging en collaboratie 1940-1944’. Hij focust op de rol van Filip de Pillecyn en Jef van de Wiele en, van Duitse zijde, op Rolf Wilkening en Hans Teske. Bij de (lange) voorgeschiedenis van het tijdschrift waren ook vooral Gerard Walschap en uitgever Albert Pelckmans betrokken. Vermeldenswaardig is ook de betrokkenheid van Paul de Vree en René Verbeeck, twee redacteurs van het tijdschrift Vormen (1936-1940), zo ook de medewerking van Piet van Aken en Willy Vaerewijck. (Ik heb daar in de loop der jaren meerdere gesprekken over gevoerd zowel met De Vree als met Vaerewijck, en zal daar te zijner tijd aan de hand van mijn aantekeningen ’t en ’t ander over publiceren.)

Luc Vandeweyer publiceert brieven van Ward Hermans aan zijn familie, geschreven na 11 november 1918. Hij voorziet ze van commentaar en schetst aldus gaandeweg een revisionistische visie op het waarheidsgehalte van het ‘martelaarschap’ van de man die de Vlaams-nationalistische geschiedschrijving en hagiografie als ‘houthakker aan de Orne’ inging.

In zijn redactioneel gaat Frans-Jos Verdoodt in op die beeldvorming:

De zogenaamde ‘houthakkers van de Orne’ waren de enkele Vlaamsgezinde fontsoldaten die in 1918 van het oorlogsfront werden verwijderd en naar een (houthakkers)kamp in Normandië werden gezonden. Zij werden pas enkele maanden nà de wapenstilstand van 11 november 1918 gedemilitariseerd. Mede door de o.m. via Hermans verspreide beeldvorming, waren zij martelaren-van-de-goede-zaak, die uitgerekend vanwege hun Vlaamse idealen tot zware arbeid in Franse strafkampen werden verplicht.

Hij stelt vast dat ‘het slachtofferbeeld’ Hermans’ loopbaan ‘steeds heeft vergezeld als een aureool’.

Diezelfde status zou Hermans overigens toelaten om tot bij zijn dood in 1992 een recurrente financiële ondersteuning te verwerven, o.m. vanwege de organisatie Broederband.

&

Vorig jaar publiceerde Bert Govaerts in Wetenschappelijke tijdingen (2007/1) een revelerende bijdrage over ‘Wilfried Borms in Belgisch-Congo. Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie’ (zie Mededelingen, nr. 94 de dato 32 mei 2007, p. 15). Nu behandelt hij ‘De zaak van Rechter Grootaert en de strijd om het Nederlands in Belgisch-Kongo. Een symbooldossier uit de jaren vijftig’ (2008/1). Twee schrijnende dossiers waarin eens te meer onmiskenbaar blijkt hoezeer het Belgische establishment, enigszins schijnheilig verdoken maar alleszins hardnekkig, om politieke redenen weigerde afstand te doen van de impliciet als vanzelfsprekend aanvaarde Franstalige dominantie. Zowel de carrière als het persoonlijke leven van Wilfried Borms en  Jozef Grootaert werden verbrijzeld onder een administratieve pletmolen.

Chantal Kesteloot gaat grondig in op Het kraaien van de haan. Natie en nationalisme in Wallonië sinds 1880 (Gent, 2005), waarin kritiek wordt geleverd op de Encyclopédie du mouvement wallon. Ze komt tot een genuanceerde conclusie die meer dan ooit actueel is (cursivering: HFJ)

Côté wallon, il est en effet courant d’opposer les deux mouvements, insistant sur le caractère ethnique du mouvement flamand d’une part et sur le caractère citoyen du mouvement wallon d’autre part. Cette dichotomie semble d’autant plus justifiée qu’au-delà de la Belgique, l’approche ethnique est plutôt l’apanage du monde germanique tandis que la démarche citoyenne semble surtout privéligiée par le monde francophone. Derrière cette vision figure bien évidemment une vision positive de soi et négative de l’autre, vision qui, à la fois, cadre dans l’espace belge mais aussi au-delà. Le nationalisme de type ethnique est associé à une approche exclusive et anti-démocratique (et donc à l’extrême doite) et le nationalisme de type civique à une démarche inclusive, ouverte et donc démocratique. [...] Cette démarcation entre un nationalisme ‘positif’ et un nationalisme ‘négatif’ a récemment fait l’objet d’une relecture critique de la part de quelques grands spécialistes de la question qui ont montré avec pertinence combien cette opposition stricte était non fondée et combien chaque forme de nationalisme contenait à la fois des éléments de type ethnique et des éléments de type citoyen.

Over ‘Onderduikers en vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog’ publiceert Frank Seberechts, een aanzet tot diepgaander onderzoek. Hij behandelt ‘ODESSA’ als mythe en werkelijkheid; de Vlaamse politieke vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog; het bestaan al dan niet van een Vlaamse ‘ODESSA’-variant; en geeft een summier overzicht van de beschikbare bronnen. Seberechts en Verdoodt bereiden trouwens een studie voor over de uitwijking van Vlamingen naar Zuid-Amerika na de Tweede Wereldoorlog.

Met zijn bijzonder boeiend en vernuftig essay over Elsschot als politiek schrijver heeft Matthijs de Ridder een beslissende bijdrage geleverd (Aan Borms. Willem Elsschot een politiek schrijver, Antwerpen / Amsterdam, Manteau / Meulenhoff, 2007, 232 p., 28,95 €). Dat is ook het oordeel van Luc Vandeweyer, die er in zijn beschouwing over Elsschot en Cyriel Verschaeve op wijst dat Matthijs de Ridder aangetoond heeft hoezeer de romans van Elsschot “aansluiten bij het Vlaams-nationalistische wereldbeeld”.

Vandeweyer onthult dat de fameuze brief waarin Elsschot uitbundig hulde brengt aan Cyriel Verschaeve niet gericht was aan Karel Dillen, zoals tot nu toe algemeen aanvaard werd, maar aan Wies Moens. Hij stelt terecht dat Elsschot na de Tweede Wereldoorlog “meermaals voor toenadering tot de radicaalste vleugel van het Vlaams-nationalisme” koos. Het verbaast mij dat hij in dit verband de naam van Ward Hermans niet eens vermeld.

&

Pieter-Jan van Bosstraeten behandelt de splitsing van de Belgische Socialistische Partij (2008/2). In de literatuur wordt terecht als hoofdoorzaak van de scheiding de interne verdeeldheid inzake het communautaire dossier genoemd. Andere oorzaken worden echter veelal verzwegen of onvoldoende belicht. Van Bosstraeten maakt dankbaar gebruik van twee verklarende documenten die tot op heden nauwelijks behandeld werden in de historiografie, nl. de analyserapporten die door de socialistische partners werden opgesteld na hun scheiding. Die twee cruciale documenten tonen aan dat de grote onenigheid omtrent enkele andere dossiers (bijv. de waterverdragen met Nederland, de staalnijverheid en Zaïre) eveneens hebben bijgedragen tot de splitsing, zo ook het duidelijke verschil in stijl en aanpak.

Onder de neutrale titel ‘Het Belgische en Brusselse model ter discussie’ wijdt Harry van Velthoven een grondige, commentariërende bespreking van de bundel Waar België voor staat – een toekomstvisie  (Initiatiefnemers: Geert Buelens, Jan Goossens en David van Reybrouck, Antwerpen / Amsterdam, Meulenhoff / Manteau, 2007, 285 p., 19,95 €).

De initiatiefnemers van dit boek behoren tot de post-68 generatie, geboren in 1971. Uit het voorwoord blijkt een aantal van hun bekommernissen: verwerping van het Vlaams-nationalisme en het separatisme (de jongste jaren geen taboe meer, naar analogie met het ‘federalisme’ een paar decennia voordien), een post-Belgische reflex maar zonder heimwee naar het unitaire België, aan Franstalingen tonen dat ook in Vlaanderen genuanceerd over deze problematiek wordt gedacht. Inleidend worden een aantal rake kanttekeningen gemaakt. Met ‘Belgitude’ bouwt men geen samenleving op. België voorstellen als een “antidotum voor het bange, verzuurde en bruingebakken Vlaanderen” is een zwaktebod, want het “negeert de talrijke vormen van onverdraagzaamheid, misprijzen en racisme in Franstalig België”. De rekrutering van de auteurs gebeurde echter vooral in gelijkgezinde kringen, zoals de Pavia-groep, wat eerder tot een pensée unique dan tot intellectuele confrontatie aanleiding gaf.

‘Het officiële taalgebruik in Vlaanderen in de negentiende eeuw’ (zowel dus in het Verenigd Koninkrijk als in België) wordt door Lode Wils in kaart gebracht. Hij reageert daarbij op de hem zo kenschetsende manier op een aantal beweringen en stellingen van Roland Willemyns en het Centrum voor Linguïstiek van de VUB. De vlijmscherpe conclusie van zijn uiteenzetting, kennelijk bedoeld als magistrale les, luidt kort en bondig:

Het is nodig dat de sociolinguïsten kennisnemen van het vele werk dat door historici werd en wordt verricht. Alleen zo kunnen ze zelf een nuttige bijdrage leveren.

Toen Herman Vos voor de Belgische Werklieden Partij koos, koesterde hij wellicht de hoop dat een groep gelijkgezinde Fronters met hem de stap zou wagen. Tevergeefs. Luc Vandeweyer toont dit aan in een onthullende ‘De vertrouwelingen van Herman Vos in 1933. Een brief over zijn afscheid van het Vlaams-nationalisme’.

De literaire en politieke persoonlijkheid van Filip de Pillecyn (zie ook de studie van Romain Vanlandschoot over Westland in WT 2007/4 ) wordt door Pieter van Hees behandeld in een aantal kanttekeningen bij de derde aflevering van de Filip De Pillecyn Studies (hoofdredacteur is de slavist Emmanuel Waegemans).

 

Wetenschappelijke tijdingen op het gebied van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Driemaandelijks tijdschrift uitgegeven door het ADVN, jg. LXVI, nr. 4, september 2007; jg. LXVII, nr. 1, maart 2008; nr. 2, juni 2008. Abonnement: 20 €, over te schrijven op rekeningnummer KBC 733-0215290-77     BIC KREDBEBB     IBAN BE14 7330 2152 9077  t.n.v. ADVN vzw met vermelding “Wt-abonnement”. ISSN 0774532X.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche