Overblog
Suivre ce blog Administration + Créer mon blog
22 octobre 2011 6 22 /10 /octobre /2011 17:07

 

filmfestival 5

In een begeleidend schrijven bij zijn laatste verslag over het Filmfestival, bekent Guido Lauwaert:

'Het is genoeg geweest. Drukkere dagen en langere nachten zou mijn voortbestaan in gevaar kunnen brengen. Ik wil het mijn naasten niet aandoen, maar ook de dokters en verpleegkundigen niet die mij al zo vaak gered hebben van een gewisse dood. Ooit volgt een afscheid. Laat het zo zijn dat hij niet komt door een al te roekeloos spel van uw dienaar. Soms loopt deze stoute jonge tot de rand. Gelukkig wordt hij regelmatig door deze of gene teruggefloten. Het festival was nog maar een paar sfeerstukken oud of ik kreeg al een mail van een cardioloog. Kort, droog maar helder: ‘Blijf ook regelmatig je nachtrust nemen.’

DAGSLUITING
Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U

Gerard Reve [1965]

 

*

Donderdag 20 oktober. Na twee films in de voormiddag stond ik op het punt af te monsteren. Dip in aantocht. Even een pepmiddel. Op naar het marktplein van het festival, de Bar Ingmar, voor een Café Latte. O, zit daar niet Luc Roghe en zijn vrouw Betty. Even een praatje. Meningen uitwisselen. Nooit gossip. Film en theater, wat er op het scherm en het podium gebeurt, geen gekraai en sourdine van achter de schermen of uit de wandelgangen. Goed vijf minuten ver of ik zie in de rechterhoek van mijn blik de pontificale gestalte van mijn baas. Rik Van Cauwelaert in gesprek met mij nobele onbekenden. Later blijken het de hoofdredacteurs van De Standaard en de VRT Nieuwsdienst te zijn. Dat ze mij niet bekend zijn is een mediazonde. De stoelendans in de troonzalen van de pers gaat zo snel, dat je een uur per dag nodig hebt om de reidans te kunnen volgen. Dat Luc naar een film wil en Betty naar het toilet komt mij goed uit. Ik verhuis van tafel en wordt even later voorgesteld aan de tafelgenoten van Rik. Blijkt dat er een kwartier later de vertoning is van de documentaire Page One: Inside The New York Times. Meteen na de voorstelling volgt een debat met de kardinalen, waar, naast de al genoemden, Wouter Verschelde, Hoofd De Morgen, Roland Legrand, Mediamanager De Tijd, en mediawatcher Bart Beckx in New York en andere achterbuurten, in een lange zitbank zullen plaatsnemen. Moderator wordt Patrick Duynslaegher, festivaldirecteur. Nou, toch maar even meepikken. Je steekt er niet altijd wat van op, maar je mening neemt gegarandeerd in omvang toe.

 

Page One: Inside The New York Times

Eerlijk gezegd viel de film mij tegen. Aangekondigd als een documentaire over de moeilijkheden bij de beroemdste krant ter wereld. De nieuwste mediakanalen zorgden ook bij The Old Lady voor een dalende oplage en een forse terugloop van de reclame-inkomsten. Maar in plaats van een exposé over de oorzaak, het gevolg en de tegenaanval, verviel de film algauw in een verslag over een van de woeligste periodes uit de geschiedenis van de krant: het blindelings volgen van de mening van Bush II en zijn paladijnen bij de tweede Iraakse oorlog.

De blik op de redactie en zijn werking, de soms botsende meningen van redacteurs, managers en columnisten is interessant maar niet nieuw. Wat vertoond werd is al eerder gezien. Wat eigenlijk bevestigd werd, is dat sommige speelfilms, die als ‘de betere’ bestempeld worden ook werkelijk de betere zijn. Dat ze in hun speelfilmverhaal de waarheid en de werkelijkheid rigoureus overnemen.

De grootste schuiver van TNYT, verspreid over het middenstuk, nam meer dan de helft van de tijd die de documentaire duurt in beslag. Halverwege de film bekroop mij het gevoel dat ik naar een Mea culpa zat te kijken. Wat er aan de film ontbrak is de vraag: wat is de oplossing van het probleem? Een oplossing die natuurlijk geen kant en klare oplossing is, maar elke voorgestelde oplossing is een begin van een lange zoektocht naar een situatie waarin de krant zijn nieuwe plaats vindt en dus zijn voortbestaan gegarandeerd is.

 

Het debat

Ook dat viel mij tegen. Mijn voortbestaan in het mediawereldje is met die openingszin ondermijnd, maar zwijgen en slijmen heb ik nooit geleerd. Mijn moeder was de eerste om mij te wijzen op de beste manier om carrière te maken, en hoe dieper die daalde hoe meer mensen, goede vrienden die werkelijk bezorgd om me waren, me trachten te overtuigen dat mijn moeder een zeer wijze dame was, en dat was ook zo, maar de aard van het beestje laat je best de aard van het beestje of het beestje geraakt aan het brede scala van genotsmiddelen waarvan al gauw blijkt dat ze een vals genot bezorgen.

Wat ik van het debat onthouden heb – ik had een andere afspraak waar ik zelfs met de schitterendste sms-leugens niet onderuit kon, zodat ik voor het uitsmijter moest verdwijnen – is dat haast alle debaters twee zaken vooropstelden. Eén: promotie maken voor hun blad. Twee: een verdedigingspositie innamen. Een relevante combinatie over nieuwe en oude mediavormen was in geen velden of wegen te bekennen. Ja, in de verte was iets vaag ervan te zien, maar dat bleek enkel gebruiksmiddel om telkens weer te wijzen op decorwisselingen van hun uitgaven, in het bijzonder de recente verschijningen van hun nieuwe weekbladen.

Permitteer, maar die nieuwe weekbladen zijn je reinste Lijmen. Oppervlakkige reportages, het inspelen op de nieuwsgeilheid van de lezer, grote foto’s bij kleine artikels van stranden, bergen, citytrips, de mode en de ene na de andere ode aan een kok en zijn favoriete gerecht, vullen de achterkanten van de advertenties. Ronduit schandelijk is de wekelijkse rubriek van Herman Brusselmans en Christophe Vekeman in De Morgen. De keuring van een wagen, gespreid over twee pagina’s. Onlangs een BMW. Net voor hun gemekker had BMW twee advertentiepagina’s. Wat wordt hiermee aangetoond? Dat de krantenbonzen zich hebben verkocht aan de handel, de hoofdredacteurs dirigenten van verzoeknummers zijn en de redacteurs dienstboden.

Het huwelijk tussen de traditionele krant en de nieuwe mediavormen kwam nauwelijks tot niet ter sprake. Een bewijs dat ze hoegenaamd nog geen zicht hebben op het huwelijksfeest. Ze staan nog maar vóór de drempel van de verloving. De enige wijze dingen die ik heb gehoord kwamen uit de mond van Rik Van Cauwelaert en Roland Legrand. Helaas kwamen zij weinig aan bod omdat de kleine keizers van onze zelfbenoemde kwaliteitskranten maar niet ophielden het wierookvat in de eigen richting te zwaaien. Moderator Patrick Duynslaegher wist het – de blik sprak boekdelen - maar hij bleef beleefd, wat al te beleefd.

Ik vermoed dat het debat na mijn vlucht nog een kwartiertje heeft geduurd, maar belangrijk nieuws zal er niet gezegd zijn. Het slotkwartier is altijd voorbehouden aan het opentrappen van open deuren en het sluiten van gesloten ramen.

Tom Van Hout, Docent Journalistiek en Nieuwe Media van de universiteit van Leiden, mailde me over het debat, ‘In Page One zei NYT journalist David Carr: "The medium is not the message, the messages are the media". De boodschap die de vertegenwoordigers van de Vlaamse nieuwsmedia tijdens het debat verkondigden was alles behalve gevleugeld. Het debat verdronk namelijk in euforie over de mogelijkheden van nieuwe communicatietechnologieën (Storify, het onvermijdelijke Twitter) en de betrouwbaarheid en rendabiliteit van gedrukte media. Wouter Verschelden (De Morgen) feliciteerde zichzelf uitgebreid maar repte met geen woord over de commercialisering van zijn eigen krant. Koude pap dus.’

 

Closing Film

Daarvoor wordt altijd beroep gedaan op een blockbuster, een film voor het grote en brede en weinig kritische publiek, dat niet dom is, maar nood heeft aan ontspanning Hersens? Onbelangrijk! Ik zag hem net voor de bovengenoemde film + debat.

The Rum Diary past in dat plaatje, mede door de keuze van de hoofdacteur, een man – nooit een vrouw – met een mooi lijf, stralende glimlach, artificiële introspectieve gedachten met schone ogen, enfin, bandwerk. Johnny Depp is daarvoor de geknipte figuur en werd dan ook voor de hoofdrol geknipt.

Freelance journalist Paul Kemp [den Johnny] werkt voor een krant in Puerto Rico. De krant is op sterven na dood. Alleen een straf verhaal kan het voortbestaan redden. Maar de hoofdredacteur blijkt een praatjesmaker te zijn, de politie en rechters corrupt, de blanke handelaren zijn uitbuiters, de oorspronkelijke bevolking wordt vernederd en gepest. Enfin, het klassieke verhaaltje, mede door het obligate liefdesverhaal. Blonde Amber Heard, het liefje van de superoplichter kiest, na de bekende omzwervingen langs haar voorgebakken gevoelens, voor Johnny Depp.

De film speelt zich weliswaar af in Puerto Rico, met een knipoog naar Cuba, voor Fidel Castro het bewind overnam. Verder slaat hij ook op alle vormen van commerciële uitbuiting in de toeristische sector. En hij stinkt naar Chinatown. Waar het in dit meesterwerk van Roman Polanski om draait is water. In The Rum Diary gaat het om baksteen.

Wat ik vooral mis is acteerwerk met darmen en hersens. Is er dat wel herken je de magische synergie tijdens het productieproces tussen scenarist, regisseur en editor, zonder een breuk in de kabel.

Enfin, laat u door mijn mening niet misleiden. The Rum Diary is een leuke film en wie geen diepgang zoekt moet zeker gaan kijken. Nog dit, tot slot. Na het eindshot verschijnt op het scherm de mededeling dat de film is opgedragen aan Hunter S. Thompson [1937-2005]. Wie googlet ontdekt een journalist die beweerde dat objectieve journalistiek niet bestaat. Een journalist kiest altijd partij. Doet hij dat niet, dan is hij een lafaard.

 

Me Will Always Be Me

De laatste film op mijn lijstje. Vertoond op vrijdag 21 oktober. Een documentaire over Dirk Tanghe, gemaakt door zijn zoon Sjoerd. Dirk Tanghe is een theatermaker in hart en nieren. De verleden tijd in de vorige zin – gebruikt in de catalogus – is fout. Het is niet omdat je geen producties meer maakt dat je geen theatermaker meer bent. Dat toont de documentaire duidelijk aan.

De film begint in Pittem, waar Dirk Tanghe verbleef voor een ontwenningskuur. Al snel merk je dat de kuur geen bal geholpen heeft. Het voormalige wonderkind is nog steeds een kind. Teruggrijpend naar wonderlijke producties, waarvan fragmenten worden vertoond, in confrontatie met de man die op de Gentse Groentemarkt cuberdons [neuzen] verkoopt, zie je een eeuwige dromer. En zijn regisseurs dat niet? Hun productie is een droom die ze nooit helemaal waar kunnen maken. Die onmogelijkheid heeft Dirk Tanghe aan de rand van de waanzin gebracht. Een waanzin onderdrukt door medicatie maar nog latent aanwezig. Aan het slot van de film staat hij in een dode fabriek. De lege hallen ziet hij als de ruimte van een volgende productie. De gedreven theatermaker is een zwerver geworden. Hij regisseert, zegt wat waar moet komen. De zoon heeft deze scène vanuit de verte geschoten. Afstand gehouden. Uit eerbied voor zijn vader dolend door de lege ruimte. De lege ruimte, het begin en einde van elk theater- en filmproject.

 

The King of Devil’s Island

De film die de meeste indruk op me gemaakt heeft. Om het sociale aspect en de historische context, maar vooral om de wijze waarop hij gefilmd is. De Scandinavische landen hebben de laatste vijftien jaar een ervaring van verfilmde thrillers opgebouwd. Ze hebben een perfecte spanningsboog naast een rechtdoor lopend verhaal waarin de hoofdpersoon ook niet onbeschadigd te voorschijn komt. Hij/zij is integer en eerlijk, maar moreel krijgt hij een deuk. Uit het leven gegrepen, getoond, zonder er al te zeer de nadruk op te leggen.

Eenzelfde filmisch als moreel darmstelsel heeft The Kind of Devil’s Island.

Gebaseerd op waargebeurde feiten. Tussen 1900 en 1953 was er een gesticht op het Noorse eiland Bastøy, waar jongeren heropgevoed werden. De opvoeders waren in naam voorbeeldige kopieën van huisvaders, in werkelijkheid sadisten, die hun lusten en frustraties botvierden op de jongeren. Met de stem, de zweep en de penis.

De film schetst een voorval uit de geschiedenis van deze aardse hel.

Een 17-jarige jongen arriveert en accepteert de terreur niet. Zijn verzet leidt tot een grote opstand. Gebouwen worden vernield, ‘huisvaders’ geslagen en geschopt tot ze lijken op een blik hondenvoer, en de directeur moet zijn biezen pakken. Zijn vrouw heeft hem kort voordien al verlaten. Omdat hij een lafaard en een hypocriet is.

Een dag na de opstand arriveren 150 soldaten per oorlogsbodem, tevens ijsbreker. Vanuit kikkerperspectief lijkt de boot op het cruiseschip uit Amarcord van Fellini. Een paar jongeren vluchten over het ijs, maar de aanstoker van de opstand zakt door het ijs. De helpende hand van een maat kan hem niet redden. Het is de enige zwakke scène van de film. Hij lijkt op de slotscène van Romeo en Julia op de Titanic.

Terecht werd The King of Devils Island [Kongen av Bastøy] in thuisland Noorwegen vorig jaar verkozen tot Beste Film van het Jaar. Uitstekende acteerprestaties. Een helder scenario. Een regie zonder franje.

 

Het slotlied

En dat is het. Ik had nog graag enkele andere opmerkelijke films aan u voorgesteld, zoals The Invader van Nicolas Provost, Win Win van Thomas McCarthy, Cigàn van Martin Šulik, bescheiden maar eerlijke films, zuiver op de graat, terecht geselecteerd, maar door vermoeidheid neemt de concentratie af.

Het perscentrum loopt vrijdagmiddag leeg, de opruiming gaat van start. Ik denk dat ook voor mij het moment van afscheid gekomen is. Met plezier heb ik deze sfeerstukken geschreven. Het is niet alleen verwekt door een prachtprogramma, maar door een pracht van een staf. En last but not least door het personeel, de mensen die een naam hebben maar niet vernoemd worden. Of slechts zijdelings. Zoals in de aftiteling van een film. Door het groot aantal is er voor hen slechts plaats voor een lijst of een blok met kleine lettertjes die al te kort in beeld blijft. Veel toeschouwers vertrekken zodra de aftiteling van start gaat. Ik blijf altijd zitten tot het laatste beeld. Uit respect voor de medewerkers groot en klein.

We’ll meet again

is het slotlied van Doctor Strangelove.

Het lied weerklinkt

tussen de laatste zinnen.

Gaat nog even door

na het laatste woord.

Zaallicht langzaam aan.

Doek.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
19 octobre 2011 3 19 /10 /octobre /2011 04:38

 

filmfestival 5

Ilsa

Hallo, Sam.

Sam

Hello, Miss Ilsa. I never expected te see you again.

he sits down and is ready to play.

Ilsa

It’s been a long time.

Sam

Yes, ma’am. A lot of water under the bridge.

Ilsa

Some of the old songs, Sam.

Sam

Yes, ma’am.

Sam begings to play a number. He is nervous, waiting for anything.

[Casablanca – fragment scenario]

 

Als het deze prutser gelukt is, hebt u de kamer gezien waarin Isabelle Huppert tijdens haar verblijf in Gent geslapen heeft. De Franse steractrice is opgedaagd voor de Belgische première van haar nieuwste film, Mon Pire Cauchemar. De suite par excellence van het Gentse Marriott Hotel, Korenlei 10, Gent, was voor haar bestemd. Vanuit het raam uitzicht op de Leie en de Graslei, waar zelfs zonder zon de jeugd flaneert en een terrasje meepikt. Van de muren zeikt de geschiedenis de straat op en verspreidt zich tussen de kasseien. Langs beide kaden van de oorspronkelijk haven van de Arteveldestad staat in de boordstenen het gedicht van Paul van Ostaijen gegrift, Melopee.


Een kwestie van


Rond een uur of drie was ik in de lobby aanwezig. Om te loeren. Journalisten, camera- en geluidsmensen, fotografen lopen over en weer, hangen aan de pijpen, trekken aan de truien van de persploeg van het filmfestival. Iedereen wil een voorkeurbehandeling, de eerste zijn, want misschien geeft Mademoiselle Huppert, zoals zij graag aangesproken wordt, er na een uur de brui aan en wil ze douchen, dutten, uit het raam staren. Dames moeten dagelijks, vaak tweemaal per dag, zichzelf restaureren. Het is dus voor het journaille een kwestie van dringen en janken. De enige die er kalm bij blijft is Roel van Bambost, de voormalige steun en toeverlaat van Jo Röpcke, 30 jaar lang de filmjournalist van het NIR, vervolgens BRT, daarna BRTN en momenteel VRT. Een geboren Gentenaar, gestorven in Cannes, in het zadel. Roel weet dat hij hoe dan ook aan bod komt. Hij zit in de raad van bestuur van het filmfestival, haast sinds het ontstaan en is de ziel van een zeer gewaardeerd filmprogramma van AVS, de regionale reclamezender van Gent en omliggende streken.


Tati, Richard Burton en Elisabeth Taylor


De drukte tovert de Franse filmacteur, komiek en regisseur Jacques Tati te voorschijn, en in het bijzonder zijn film Trafic uit 1971. Waar het in essentie om draait in Tati’s films: veronderstelde misverstanden zorgen voor opperste verwarring, met als gevolg artificiële stress, waar men mee showt, want stress is een bewijs dat men iets betekent.

Acteurs die zich aanstelden voor de interviews en fotosessies zitten na afloop doelloos in de lobby van het hotel en zijn blij dat uw dienaar hen aanspreekt. Het ene moment is de mens een reus en het andere een dwerg. Ze zijn vergeten, want het journaille is haar wapens al voor een volgende prooi aan het invetten en scherpen. Straks, op de rode loper, staan zij nog even in het spotlicht. Daar snakken ze naar met gemengde gevoelens. Omdat de toeschouwers de gloriemomenten zien, maar niet de vele eenzame tijden. Beroemdheid is o zo relatief.

De rode loper doet me denken aan mijn tweede bezoek aan New York, in 1983. Ik had een via een vriend een kaartje weten te versieren voor de voorstelling Private Lives van Noël Coward. De hoofdrollen werden gespeeld door Richard Burton en Elisabeth Taylor. Na de voorstelling spoedde ik mij naar de artiesteningang. Ik wilde ze van nabij zien. Misschien zat er een praatje in. Nog maar net de hoek om of ik botste tegen een massa volk. Het leek wel een stilstaande betoging. Geen doorkomen aan. Tijdens de voorstelling waren er dranghekken geplaatst. Honderden mensen waren opgedaagd. Mensen die zich geen kaartje konden permitteren, want prijzig waren ze. Toen begreep ik dat er twee soorten publiek zijn, arme en rijke. Elke avond staan de armen halsreikend uit te kijken naar hun sterren. Meer mensen dan dat er in het theater waren. Die waren na afloop alle kanten uitgelopen. Naar hun auto’s, taxi’s, beide met chauffeurs. En wachtend op de sterren en loerend naar de armen begreep ik dat de filmsterren de Amerikaanse prinsen en prinsessen zijn. Sommigen, zoals Taylor en Burton, hebben het gebracht tot koningen en koninginnen. Eindelijk kwam Richard Burton naar buiten. De blik neerwaarts liep hij naar zijn limousine met draaiende motor. Een man opende het portier en Burton dook op de achterbank. De wagen schoot de nacht in. Een half uur later kwam eindelijk Elisabeth Taylor te voorschijn. Ze stapte fluks door, maar halverwege hield ze even halt, draaide in het rond, liet zich enkele seconden lang fotograferen om meteen daarna een andere limousine in te duiken. Lachende gezichten. Ja, de arme mensen zijn gauw tevreden.


Lobby


Issaka Sawaogo, de hoofdacteur van de film The Invader, vertelde me dat hij de ‘vergeten’ momenten wegdrukt door aan zijn volgende rol te denken, een nieuwe film, een ander project. Issaka is een rijzige Afrikaan. Ik breek het ijs met de opmerking, ‘Het blanke ras is het lelijkste ras ter wereld.’ Hij lacht, ik lach en een dialoog ontstaat die eindigt met het uitwisselen van geschenken, ’t is te zeggen, naamkaartjes, mobiele telefoonnummers en de beloften van eeuwige vriendschap. ‘Call me, man. You are always welcome. Sure.’

Hoe hotelmensen ook hun best doen, en ze doen werkelijk hun best, de gasten zitten liefst van al in de lobby. Zeker wanneer ze weten dat er gelijkgestemden te vinden zijn. Hotelkamers zijn luxecellen. Daar komen de logés toe, gooien wat spullen in het rond in een poging de ruimte te claimen, maar wennen doen ze er nooit aan. Daarom dat ze er geen gasten ontvangen. En ze blijven er niet voor hun plezier. Zodra het kan vluchten ze. Liever in de taxfree van de luchthaven. Het aantal mensen dat uit eenzaamheid zelfmoord pleegt in een hotelkamer, is niet te tellen. De beroemdste Belg in dat rijtje is Frank Pepermans, van 1963 tot zijn dood op 16 december 1976 directeur-generaal van Bell Telephone Compagny, Antwerpen.

Een jongeman lucht zijn hart. Hij is twee jaar journalist. Freelance. Een job waarin je je eigen werkritme kan bepalen, zeg ik. Vergeet het, zegt hij. Twee jaar werk, zeven dagen op zeven, tegenover vier dagen vakantie. Je moet je waarmaken en dat kost tijd en spanning. Een week weg en je kan opnieuw van vooraf aan herbeginnen. Er staan honderd wachtenden achter jou. Eén gat en ze springen er met z’n allen in.


De rode loper


Om zes uur laat ik de lobby voor wat hij is. Het gros van het journaille is naar Kinepolis verhuisd. Opzij van de ingang wacht mijn vriendin me op. Kom, zeg ik, hoewel ik tegen de parade van de rode loper ben, wil ik het toch eens proberen. Om te weten hoe het voelt. - Nog maar een voet op een trap gezet of het legertje fotografen schiet wakker. Een stortvloed van flitslichten. Ik ben nochtans maar een keizer zonder kleren. Maar nee, ach ja, het is mijn vriendin die ze in het vizier hebben. We belanden in bar van sponsor Jameson, waar de Ierse whiskey wacht. Met of zonder ijs, meneer, mevrouw? Wat later druppelen de usuals suspects binnen en het wordt verdomd nog gezellig ook. Zeker wanneer haast gelijktijdig Jan Fabre en Isabelle Huppert arriveren. Er wordt getoast, de sfeer is ontspannen, een grapje hier en een grapje daar en hup naar de zaal die afgeladen vol in spanning zit te wachten op de intrede van de gladiatoren. Applaus. Patrick Duynslaegher dankt het publiek en houdt een kort openbaar gesprek met Melle Huppert, om vervolgens de uitreiking van de Jozef Platteau Award voor haar hele oeuvre over te laten aan Jacques Dubrulle. En dan is het tijd voor de film. De lichten doven en de festivaltrailer, opgejaagd door een muziekscore die de Harry Potter-films voor de geest roept, begint aan zijn rijk geanimeerde galop langs sponsors, subsidiënten en partners. 99 minuten later een flink applaus en iedereen verheugd naar de bar, en dan naar huis, naar bedje toe, naar bedje toe, want men is zo blij maar o zo moe.

Voor mijn mening over de film, zie mijn vorige verslag.


Envoy


Geen filmimpressies vandaag. Toch een paar mooie gezien. Maar daarover in een volgende aflevering. Toch nog dit. Een aanrader, de tentoonstelling. Expo 'Ingmar Bergman: Over Waarheid & Leugen'
Op initiatief van en in samenwerking met het Filmfestival Gent, presenteert de Provincie Oost-Vlaanderen ‘Ingmar Bergman: Over Waarheid & Leugen’. De tentoonstelling, georganiseerd door de Deutsche Kinemathek – Museum für Film und Fernsehen, Berlijn in associatie met de Academy of Motion Picture Arts and Sciences, Beverly Hills, Cailfornië, graaft diep in de carrière en het persoonlijke leven van de legendarische Zweedse regisseur. Ze loopt van 14 oktober 2011 tot 15 januari 2012 in het Provinciaal Cultuurcentrum Caermersklooster, gelegen in het hart van het Patershol.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
17 octobre 2011 1 17 /10 /octobre /2011 01:45

 

filmfestival 5

Het is de moeite niet je druk te maken, wacht af, da’s voldoende, want alles moet in laatste instantie eindigen op straat. Eigenlijk is de straat het enige belangrijke. Dat staat vast. Zij wacht op ons. Eens zullen we de straat op moeten, het zal er toch moeten van komen, niet in ons eentje, of met tweeën of drieën, maar allemaal. We staan er wel omheen te draaien en ons aan te stellen, maar eens zal het zover zijn. – In huis is het waardeloos. Zodra een mens binnenkomt en de deur achter zich dit gaat, begint hij op slag te ruiken, en alles wat hij bij zich heeft, ruikt ook. Hij takelt er af, geestelijk en lichamelijk. Hij rot weg. Als de mensen stinken, dan hebben we t’er zelf naar gemaakt. Dan hadden we er iets aan moeten doen! Hadden ze naar buiten moeten jagen, eruit gooien, luchten. Alles wat stinkt bevindt zich binnenskamers, en ze kunnen zich wel mooi opdirken, de mensen, maar ze blijven toch stinken.

Reis naar het einde van de nacht [Louis-Ferdinand Céline]

 

Uit respect

Twee films op twee dagen. Mag het wat meer zijn? Het spijt mij, maar de vermoeidheid sloeg toe, mijn vriendin vroeg zich af of ik met haar samenleefde of met het filmfestival. Onze dochter had geld nodig en het was verdomd mijn beurt om te schuiven. De wekelijkse vergadering van de Illysionisten wachtte en als president voor het leven moet je present zijn of je bent je ambtsketting kwijt vóór de eerste slok koffie.

Bovendien! Bovendien is de zaterdagavond voorbehouden aan Britse thrillers. Weinig kunstverheffend, ik weet het, maar beter Britse dan Vlaamse, om maar te zwijgen van Hollandse.

Bovendien! Bovendien wil ik één avond op de zeven geen woord horen over kunst en hét wereldje. ‘Iedereen heeft recht op één afwijking’, zei Hugo Claus me ooit, welnu die kunstloze avond per week is mijn afwijking.

 

L’Hiver dernier

Johann [Vincent Rottiers] heeft de boerderij van zijn vader overgenomen. Zijn boerderij is onderdeel van een coöperatieve. De herfst maakt plaats voor de winter. De coöperatie verpoeiert. Een schuur brandt volledig af. De verzekeringsmaatschappij weigert de schade te vergoeden. Een expert vindt altijd wat, daarom is hij expert. De bankdirecteur weigert nog langer krediet te verlenen. Deurwaarders kloppen aan. De inboedel verhuist, de koeien opgeladen en verkocht. Morgen volgt de boerderij en het erf.

Hoe reageert een gedreven mens daarop? Volgens regisseur John Shank wordt hij een eenzaat die niet alleen terugplooit op zichzelf, maar ook op de reden van zijn bestaan. Hij verdwijnt in de natuur van zijn cultuur.

De neergang van de boerderij is voor John Shank, regisseur en driekwart scenarist, symbool voor de moord door het kapitalistisch systeem op het individu. Wat wil je, nu het socialisme, het communisme, ja zelfs het liberalisme zijn ziel heeft verloren, is verzet onmogelijk. Het kapitalisme heeft geen geweten, wat valt er dan nog te bestrijden, te discussiëren? ‘Het hebben’ heeft het gehaald op ‘het zijn’. Net als apparaten en gebruiksvoorwerpen zijn mensen wegwerpproducten geworden.

Het verhaal gaat traag, maar kent geen dipmoment. En de acteurs spelen goed, voortreffelijk zelfs. En ook de koeien waren goed. De scène die de meeste indruk op me heeft gemaakt is de winterse kale natuur, gezien vanuit het standpunt van de ankerloze Johann. Als muziek koos John Shank voor een lijntje hemelse muziek van Vivaldi: Et in terra pax. Het gezang wordt halverwege geramd door het exploderend gebrul van een aanstormende vrachtwagen. De laadruimte gevuld met koeien, mag/kan verondersteld worden.

Over Vivaldi gesproken. De componist was een wereldlijke geestelijke en had de bijnaam ‘Il preto rosso [De roodharige priester]. Uit de kerkelijke archieven is bekend dat hij eens ter verantwoording is geroepen, daar hij de bediening van de Mis onderbrak omdat hij een muzikale ingeving wilde opschrijven.

Maar terug naar de film. L’Hiver dernier  is een heel pijnlijke maar tegelijk zeer tedere film. Een combinatie die bijt. Dit speelfilmdebuut van John Shank, een Belg met Amerikaanse roots, is een absolute aanrader.

 

Mon pire Cauchemar

Na het bezoek vorig jaar van Catherine Deneuve is het nu de beurt aan Isabelle Huppert. Waar ik niet in ben geslaagd, al scheelde het maar een haar, haar de gedichten van Arthur Rimbaud op de 5de Nacht van de Poëzie te laten voorlezen, is het Jacques Dubrulle [geholpen door Patrick Duynslaegher, veronderstel ik] wel gelukt. De meest gelauwerde Franse actrice komt dinsdag a.s. haar nieuwste film voorstellen.

Agathe [Isabelle Huppert] is directrice van een chique stichting voor hedendaagse kunst. Patrick [Benoît Poelvoorde] is klusjesman en zwerver. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst op een ouderavond van de school van hun zoons. Niet meteen een ideaal koppel. Hij buffel, zij gazelle. Toch klikt het na een tijd en hoe een ander verder verloopt ga ik niet verklappen. Daarvoor is het verhaal te mooi.

De sterkte van deze film begint met een totaal gebrek aan pretentie. Als kijker kan je niet naast het spelplezier kijken, naar de inzet van alle acteurs en medewerkers, aan de sobere maar stijlvolle regie van Anne Fontaine. Het spel van Benoît Poelvoorde is beresterk, maar dat van Isabelle Huppert staat nog een trapje hoger.

Bijkomend amusement: de manier waarop Anne Fontaine en Nicolas Mercier, de scenaristen, het blasé van het hele kunstwereldje, tot en met de kunstenaar, ridiculiseert. Maar ook hoe ze de nuchterheid van de brute volksmens op het ereschavot zetten. Bravo! Chapeau!

Kort voor het einde is er, mijns inziens, een scheurtje in het scenario. Maar zoals de hooggewaardeerde danslerares Lea Daan* zei tot de vrouwelijke leden van haar school: ‘Meisjes, als je valt, maak er iets van.’ Wel, Anne Fontaine heeft er iets van gemaakt. Mon Pire Cauchemar zal nooit een klassieker worden, daarvoor is hij te bescheiden, en toch is hij het waard om hem meer dan eens te zien. Op een zaterdagavond bijvoorbeeld. Als alle Engelse thrillers verorberd zijn, en je nog geen zin hebt om naar bed te gaan.

 

Envoi

Ik hoorde dat de voorstelling van Mon Pire Cauchemarvan dinsdag a.s. uitverkocht is. De kans op een tweede voorstelling later op de avond is zo goed als uitgesloten. Hoewel de festivaldirectie het wel zou willen. Helaas, extra zaal, personeelskosten, rechten van deze en plichten van gene verhinderen een tweede projectie. Om de praktische problemen en morele afspraken op te lossen is het te kort dag. Voor de zekerheid, impossible n’est pas français **, blijf piepen op www.filmfestival.be

Guido LAUWAERT

 

* Het grafmonument van Lea Daan [1906-1995] bevindt zich op perk R, rij 6, Schoonselhof, Antwerpen. Het bevat het epitaaf "Rust is beweging, beweging is rust".

** De uitdrukking is afgeleid van een zin uit een brief van Napoleon: “Ce n’est pas possible, m’écrivez-vous; cela n’est pas français”

Partager cet article
Repost0
15 octobre 2011 6 15 /10 /octobre /2011 02:07

 

filmfestival 5

Ieder mens zegt wel eens iets onzinnigs. Ellendig is het alleen als hij er geleerd bij doet. Die komt vast met veel bombarie baarlijke nonsens verkopen. Dat slaat niet op mij. Ik debiteer mijn onzinnigheden met niet meer nadruk dan ze verdienen. Daar varen ze wel bij. Ik zou er meteen weer van afzien als ze me ook maar iets zouden kosten. Ik koop en verkoop ze voor niet meer dan ze waard zijn. Ik praat tegen het papier als tegen iemand die ik toevallig ergens ontmoet.

Over wat nuttig en wat eerbaar is [Michel de Montaigne]

 

Deze sfeerstukken brengen mij geen cent op. Integendeel. Ze kosten mij halve nachten. Ik schrijf ze uit respect voor het Filmfestival. En omdat ik een persbadge heb gekregen waarmee ik gratis naar alle previews kan gaan, hoewel ik geen filmcriticus ben. Mijn al voordien bestaande respect is in omvang toegenomen door dagelijks in de catacomben rond te lopen en te zien dat dit festival een zeer sociaal gebeuren is. Er zijn geen standen en iedereen is gelijke onder de gelijken. Dat vergemakkelijkt het onderling contact. Daniël Termont springt binnen in café Bar Ingmar en maakt een praatje met Janneke en Mieke. Wat verder staat Roel van Bambost te praten met een jonge filmsnoepers. Jacques Dubrulle passeert en houdt halt voor een praatje. Rechts achteraan is Patrick Duynslaegher in hevige discussie verwikkeld met mij nobele onbekenden. Ik wil hem een dezer aanspreken over een oud idee. Romans en films worden vertoneeld, waarom dan niet gedurende 24 uur toneelfilms. Een goed voorbeeld is De dood van een handelsreiziger van Volker Schlöndorff.

 

L’Oiseau Bleu

Honderd jaar is het geleden dat Maurice Maeterlinck de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Een Belg, een Gentenaar, een bourgeois die op rolschaatsen door zijn paleis in Nice reed, zijn hond achter hem aan, tong uit de bek. Hij is de man die het symbolisme in de literatuur introduceerde. Zijn sprookjestoneelstuk L’Oiseau Bleu uit 1908 dat nog hetzelfde jaar in Moskou werd opgevoerd, is al vaak verfilmd. De nieuwste versie is van filmregisseur Gust Van den Berghe. Hij heeft het gegeven naar Togo, Afrika verplaatst en de titel verengelst: Blue Bird.

Twee kinderen, broer en zus, ontdekken in hun huis een blauwe vogel, maar als ze na het ontbijt opnieuw naar de kamer gaan blijkt hij gevlogen. Dat doen nu eenmaal gezonde vogels, zelfs al zien ze blauw. Ze gaan op zoek naar de blauwerd. Onderweg verschijnen hun grootouders, woudgeesten en de meester van de Vreugde. En dan is er nog een lange stoet van nog niet geboren kinderen. Tussendoor moeten ze de kuip in voor een wasbeurt en zien ze hun vader in de verte of rustend onder een boom.

Het meesterschap van Maeterlinck zit hem in de onwaarachtigheid geloofwaardig te maken. Ook Gust Van den Berghe is daarin geslaagd. De toeschouwer begrijpt dat al die vreemde gebeurtenissen draaien rond die ene boodschap: het bestaan is niet enkel het leven, maar het leven, de dood en de tijd vóór de geboorte. Verleden, heden en toekomst zijn één geheel.

Door een blauwe filter op de lens, is niet alleen de vogel blauw, maar zijn alle zwarten blauw, de muren, de savanne, de doodskist achteraan op de motorfiets van hun vader. Mijn eigen water sloeg blauw uit, toen ik na 86 minuten een pitstop hield alvorens weer de baan op te gaan voor een volgende rit.

Een aanrader voor wie geen kwaad woord wil horen over blauw.

 

Stockholm Östra

Na een aantal afleveringen van tv-series te hebben geregisseerd heeft de Zweed Simon Kaijser da Silva dit jaar zijn eerste langspeelfilm gebaard.

Op een dag schept Johan [Mikael Persbrandt] met zijn wagen een 9-jarig meisje dat van achter een bestelwagen opduikt. In het ziekenhuis wacht hij op een verslag van de dokter. Door het raam ziet hij de ouders van het kind. Een dokter brieft hen. Je hoort het niet, maar vanuit het positie van Johan zie je aan de lichaamstaal van de ouders de afloop. Meteen daarna komt de dokter hem vertellen dat het kind dood is. Op weg naar huis en via voice over vertelt hij aan de kijker dat het beeld van de moeder hem diep geraakt heeft. Zo diep dat hij haar na lang aarzelen opzoekt. Johan en Anna [Iben Hjejle] maken kennis. Het komt tot een verhouding [wat had u anders verwacht?]. Als de man van de vrouw hen samen in het echtelijk bed betrapt, verneemt zij dat haar minnaar, hoewel door de rechtbank onschuldig verklaard, hun dochter gedood heeft. Zij kotst in de pot. Want hij is niet alleen haar minnaar maar ook de vader van het kind in haar buik. Anna overweegt abortus en verbreekt de band met Johan. Net voor de ingreep ontvlucht zij het ziekenhuis, haar huwelijk en spoedt zich naar Johan. Zij vindt hem in coma, door een mix van pillen en wodka. Door de vlugge ingreep van de dokters ontwaakt Johan. Anna zit naast zijn bed. Zijn hand zoekt haar hand. Als ze elkaar gevonden hebben begint de eindgeneriek te lopen.

Een niet zo origineel verhaal en toch strak gefilmd en spannend gemonteerd. Ook het acteerwerk is droog maar vlijmscherp. Typisch Scandinavische kijk op een driehoeksverhouding, zijnde een vrouw die moet kiezen tussen een dood en een [zij het nog ongeboren] levend kind.

Grote kans dat hij de Prijs van het Publiek krijgt.

 

Mourir auprès de toi

Een animatiefilm. Duur : 6 minuten. Realisators: Simon Cahn en Spike Jonze. Een oude Parijse boekenverkoper sluit op het gebruikelijk uur zijn winkel. De personages op de wikkels komen tot leven. Dracula’s verloofde, Mina, en het skelet van Macbeth raken verliefd. Hij springt van het blad en holt naar haar toe, maar struikelt en verliest zijn hoofd. Het rolt tegen de roman van Herman Melville en valt in de zee waarin de agressieve witte potvis Moby Dick rondtoert. Het skelet duikt in de zee, gaat op zoek naar zijn hoofd maar wordt op zijn beurt een lekkere hap voor Moby Dick. Mina er achteraan, geeft Moby een mep op zijn snoet zodat zijn kin als een luik open valt. Mina crawlt naar binnen, vindt Macbeth en hoef ik te vertellen wat er volgt?

Een bijzonder leuke kortfilm. En wie verder ziet dat zijn neus lang is, beleeft dubbel plezier. De naam van de boekhandel is Shakespeare & Co. De stichter en eerste uitbater was Sylvia Beach. Zij was de eerste uitgever van Ulysses van James Joyce. In het boek speelt water, en in het bijzonder de [Ierse] zee en de rivier, de Liffey [Iers: An Life] een belangrijke rol. Aan het eind is er even een boek van James Joyce te zien. Door het opblazen van video naar film is het beeld korrelig en is de titel wazig. Ik gok op Dubliners, het eerste boek van James Joyce. Korte verhalen. Het laatste is het beste en was de laatste film van John Huston. Het verhaal [en de film] heet: The Dead.

 

Poulet aux prunes

Heb ik niet gezien. Dat komt zo. Na de kortfilm startte meteen een andere film. Weer een kortfilm, dacht ik. Het bleek echter een langspeelfilm te zijn. Oslo, August 31. Goed, dacht ik, een Zweedse film, we zullen zien. Maar we zagen niks dan een afkicker die aan het zwerven en zweven en zeuren slaat. Na driekwartier hield ik het voor bekeken. Joachim Trier kan filmen maar moet nog leren hoe een verhaal in scène te zetten. Ondanks de prachtige muziek van Ola Flottum blijft deze film kruipen. Want op één been kan je niet lopen.

Buitenkomend was het te laat om alsnog Poulet aux prunes te zien. Die lag ruim een half uur ver. Het gegeven lokt aardig. Een muzikant schept geen plezier meer in het leven, sinds zijn viool werd vernield in Teheran. Zijn verdriet wordt nog groter wanneer blijkt dat een jeugdliefde hem niet meer herkent. De titel op zich is een verhaal en voorspelt goedaardig leedvermaak langs de kant van de kijker en kwaadaardig sarcasme langs de kant van de regisseur. Jammer. Onthouden: morgen in de festivalgids kijken of er nog een tweede voorstelling is.

 

Martha Marcy May Marlene

Een psychologische thriller. Amerikaans van makelij. Dit jaar geboren. Zal in Amerika geen blockbuster zijn/worden, maar in Europa zal hij lekker lopen. De stokoude Oude Wereld houdt van de versleten Nieuwe Wereld en zijn schuivers.

Achtervolgd door pijnlijke herinneringen en toenemende angstaanvallen ontsnapt Martha [Elizabeth Olsen] aan een gewelddadige sekte en keert terug naar huis om bij haar oudere zus Lucy en haar man Ted te gaan wonen. Martha probeert zich aan te passen aan de levensstijl van Ted en Lucy. Nachtmerries verhinderen een deftig gesprek tussen de twee partijen. Wanneer Martha's isolement groeit, escaleert haar ernstige paranoia. Uiteindelijk daalt ze af naar een duizelingwekkende staat van paniek wanneer de groeiende angst haar hele leven controleert. Na 115 minuten zijn Ted en Lucy de terreur beu en besluiten Martha te laten behandelen in een gesticht. Vijf minuten later zitten ze in de auto op weg naar de shrink. Martha kijkt om. Elke achterliggende wagen is een gevaar. Een tank, klaar om te vuren. Of is het een crèmekar?

Albert II, koning en nar, ’s lands eresschuinschaatser, maak van regisseur Sean Durkin een officier in de orde van Leopold II. Dit is een bevel.

 

Envoi

Tussendoor volgde ik een debat over de stand van zaken in de Belgische animatiefilm. Akela van dienst was Jan Verheyen. Vakkundig gaf hij iedereen het woord en maakte op tijd en stond een grap, waardoor de saaiheid gekielhaald werd en de verveling gekeeld. Aan het eind bleek dat de toestand van de animatiefilm niet verschilt met die van de andere kunsttakken. Veel kaf en weinig koren. Zonder geluk kom je er niet. In de kunstscholen leer je weinig maar ze helpen je wel een eigen koers te varen en een Nieuwe Wereld te vinden. Hard werken is leep handelen. Een goed netwerk is noodzakelijk. Wees vriendelijk tegen je vijanden, want echte vrienden heb je niet in de kunstwereld. Het is ieder voor zich en met gezeur kom je geen stap verder. Tien voor één uur, zaterdag. Ik stop ermee.

Voor nadere en ten minste betrouwbare informatie: www.filmfestival.be

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
14 octobre 2011 5 14 /10 /octobre /2011 01:06

 

filmfestival 5

Het lied roept op zijn beurt vluchtig de beelden op uit Marlows echte verhaal: de trein, zijn vader die op het kleine station staat te wachten, de kwellingen in de klas, het huisje in de bossen, het huisje in Londen, de sierlijke brug, de langzame rivier enzovoorts. En dan, terwijl ‘We’ll Meet Again’ bijna afgelopen is, zien we over de golvende bomen Philip in de kruin zitten. Hij kijkt ons strak en beschuldigend aan.

Het lied houdt abrupt op. We horen het gezang van de vogels. De jongen staart en blijft staren terwijl de wind zachtjes ruisend en suizend door de bomen streelt. Dan –

PHILIP: Als ik later groot ben, word ik mooi detective.

En onverwachts grijnst hij. Al die tijd worstelt Marlow zich steunend op Nicola door de gang naar de vrijheid. Ze verdwijnen uit het zicht. In del ege gang klinkt het gezang van de vogels en het geluid van de wind door het gebladerte.

The Singing Detective [Dennis Potter]

 

De Zingende Shakespeare

De beste tv-serie die ooit werd gemaakt is een BBC-productie. De naam die er onlosmakelijk mee verbonden is, is niet de naam van de regisseur maar van de schrijver, Dennis Potter. Een Engelse criticus noemde Potter ‘de Shakespeare van de televisie’. Midden de jaren tachtig werd de serie, The Singing Detective, voor het eerst in onze contreien uitgezonden door de VPRO. Uitgeverij Bert Bakker gaf het script uit. Van de achterflap:

Philip Marlow, de bedlegerige hoofdpersoon uit De Zingende Detective is detectiveschrijver en cynicus. Een acute aanval van psoriasis doet zijn bij tijd en wijle koortsachtig verhitte geest dwalen. Hij probeert zijn verstand te behouden door in gedachten een van zijn eerste trillers te herschrijven, De Zingende Detective, waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Hallucinaties worden haast onmerkbaar afgewisseld door herinneringen uit zijn jeugd, waarin traumatische gebeurtenissen de sleutel blijken te vormen voor zijn huidige depressies. Want Marlow is een man die wordt gekweld door zijn verleden en zich bedreigd voelt in de toekomst. De verdovende kracht van de verbeelding is zijn echte geneesmiddel.’

Michael Gambon speelde Phlip Marlow. Op een manier eigen aan Britse en Ierse acteurs: ingehouden, cryptisch, cynisch, droog, afstandelijk. Ze zwijgen al pratend en praten met hun ogen. Een hand grijpt naar een glas. Hand, glas en whisky worden één. De slok is het voorspel van een repliek die je de adem beneemt. Niet zozeer om de inhoud maar om de vorm. Vrouwen hebben geen glas whisky nodig. Zij hebben voldoende aan een sigaret. Al slaan zij een borrel niet af. Maar bij hen komt de slok ná de repliek. Hij polijst de vorm.

 

Smiley versus Karla

Wanneer het mij allemaal teveel wordt en de kunst mij de strot uitkomt [gelukkig overvalt me dat maar tweemaal per jaar], grijp ik niet zozeer naar thrillers maar naar spionageromans. Len Deighton, Graham Greene en last but not least John le Carré. Engelse spionisten schrijven beeldend met een filosofische ondertoon. Waarschijnlijk net daarom dat ze zo vaak verfilmd en herfilmd worden.

Door mijn voorliefde voor spionage was het niet meer dan logisch dat ik op de eerste rij stond voor de openingsfilm, Tinker, Tailer, Soldier, Spy. Binnen het oeuvre van John le Carré is het het eerste deel van een trilogie die draait rond George Smiley. Smiley is een oude rat in het vak. Begonnen bij MI6, de buitenlandse dienst van de Britse Geheime Dienst [de binnenlandse is MI5] tijdens de Tweede Wereldoorlog is hij aan het begin van de Koude Oorlog samen met een aantal collega’s op non-actief gezet, wegens een aantal tegenslagen. Hele netwerken in de USSR en haar satellietlanden, in het bijzonder Oost-Duitsland, werden opgerold door de Stasi, i.s.m. de KGB. Enkele jaren later wordt hij door de regering teruggehaald, buiten medeweten van de nieuwe top, want het gaat nog steeds niet de goede kant op. Het oude vermoeden dat er een mol in de top zit steekt weer de kop op. Met behulp van een zijn vroegere pupillen, Peter Guilliam, ontrafelt Smiley door het verbinden van al te vreemde toevalligheden een ingewikkeld netwerk. Het brein is Karla, een oude bekende van Smiley. Als jonge spion heeft hij getracht de toen al even jonge Karla, een Rus, te overhalen dubbelspion te worden, wat hem niet gelukte. De trilogie vormt een strijd tussen de twee meesterspionnen. Wie wint moet u maar zelf uitmaken door de trilogie te lezen.

De film, 127 minuten spanning gegarandeerd. De mol wordt ontmaskerd. Eindelijk een eerste overwinning voor MI6, én voor George Smiley. Aan het eind van de film zie je hem fier The Circus, zoals de wat naïeve codenaam van het gebouw van MI6 luidt, binnenstappen en plaats nemen aan het hoofd van de tafel, op de stoel van Control, de spin in het web.

 

Cambridge Five

De vier voorstellingen waren uitverkocht. Veel jong volk. Na afloop sprak ik enkele jonge mensen aan, studenten. Ik vroeg of ze de film hadden begrepen. Het antwoord: Steengoede regie, spannende montage, chapeau voor de acteurs, schitterende locaties en decors, maar nee, het verhaal hadden ze niet helemaal begrepen. De Koude Oorlog kennen ze als fenomeen. De realiteit en zeker de details zijn hun vreemd. Van de Cambridge Five hadden ze nog nooit gehoord. Ook niet dat zelfs de grote filosoof en professor van Cambridge, Ludwig Wittgenstein, verdacht werd een Russische spion te zijn, gezien zijn sympathie voor de USSR en het communisme in het bijzonder.

Het onbegrip van de studenten kan ik begrijpen. De schuld ligt bij de afbouw van het vak Geschiedenis in het Middelbaar Onderwijs en het verzwakken ervan in het Hoger. Enkel algemeenheden krijgen ze. De Muur van Berlijn, daar hebben ze al van gehoord. Maar waarom hij daar gebouwd is, nee, geen idee. Een op de vier slechts weet wanneer hij ‘gevallen’ is.

Wat de helderheid van het onderwerp ook niet ten goede komt, is dat in de film maar een schamel deel overblijft van het boek. Het scenario is slordig raamwerk. Om de Koude Oorlog en de plaats van de Britse Geheime Dienst beter te begrijpen heb ik naar de BBC-serie met dezelfde naam verwezen uit 1979. Zeven afleveringen, totaaltijd 290 minuten. Dat is haast 2,5 maal langer dan de film. Meer ruimte voor een helderder verhaal en duiding van de details.

George Smiley werd in de tv-serie vertolkt door de legendarische acteur Alec Guinness. In de film wordt George Smiley gespeeld door Gary Oldman. Uitstekend, maar hij kan helaas net niet tippen aan de vertolking van Alec Guinness. Een dikke pluim mag niet ontbreken voor John Hurt, als Control. O, wat houd ik van de man [als acteur].

Ondanks mijn kritiek op het scenario blijft Tinker, Tailor, Soldier, Spy een aanrader buiten categorie. Mijn verhaal verschaft wat meer klaarheid [hopelijk!]. Toch raad ik de kijker aan alvorens de film te gaan bekijken aan het googlen te slaan. Onder ‘Cambrigde Five’ vindt u de namen van de dubbelspionnen. Want John le Carré baseerde zijn trilogie op waargebeurde feiten, maar ging met ze de grote duistere wereld van de verbeelding in.

 

Slot en sleutel

Eindelijk heb ik mijn Europese film gehad. Vandaag ga ik naar twee andere uit ons continent. Daarover meer in een volgende aflevering. Sta mij toe tot slot een kort fragment te citeren uit het tweede deel van de Smiley-trilogie. In de tijd waarin The Honourable Schoolboy zich afspeelt is het centrale actieterrein Hong Kong, toen nog een kroonkolonie van het Britse Rijk. Het citaat benadert de reden van het verraad, je kan het ook haat tegen het kapitalisme en sympathie voor het communisme [niet de Sovjet!] noemen: ‘Maar het enige dat hij vandaag zag, was een zelfvoldane Britse rots, die werd bestuurd door een stelletje volgevreten handelaren wier horizon niet verder reikte dan hun buikomvang.’

Sleutel op het slot en ziehier de draaibeweging: Het zou mij niet verbazen moest over een paar jaar het tweede deel verfilmd worden. Ik duim nu al dat hij opnieuw de openingsfilm wordt. Misschien in wereldpremière. Een veertigste editie verdient dat. Begin alvast maar te lobbyen, Patrick Duynslaegher.

Guido LAUWAERT

www.filmfestival.be

Partager cet article
Repost0
12 octobre 2011 3 12 /10 /octobre /2011 22:06

 

filmfestival 5

Ik zal u leren dat ook de verloofde van een artiest geen onbeschermd wild is. Ik zou u kunnen uitdagen, ware het niet dat ik lid ben van de liga tegen duelleren. U moet niet denken dat ik laf ben. De mensen kennen mij. Ik heb de bekende Martin Popovics, zijn naam zal u vast wel eens gehoord hebben, de kunstglasblazer Popovics, twee keer een oorvijg gegeven, omdat hij een domme grap maakte. Overigens ben ik amateurbokser. U ziet dus dat ik niet laf ben. Maar ik verloochen mijn principes niet. Consequent zijn is het belangrijkste in het leven. Weest u een consequent man en draagt u de gevolgen!

Joseph Roth [Rebellie]

 

Mee bezig zijn

De rode loper heeft mij nooit wat gezegd. Een beetje het paradepaard spelen, daar pas ik voor. De officiële opening heb ik dus niet meegemaakt. Geef mij maar de klap vóór of na de voorstelling, tussen de mensen die zich niet opdirken. Met beide voeten op de grond blijven staan en eerlijk zeggen waar het om gaat. Maar opdirken doen de mensen wel, op dit festival. Is het niet letterlijk dan is het figuurlijk. Op dat gebied verschilt de toneelwereld niet zo’n klein beetje van die van de film. Wandelend door de catacomben van het festival, waar de ontmoetingsruimte voor de pers & vaklui gevestigd is, heb ik al heel wat dikke nekken gezien. Ze stonden op springen. Haast niemand die bescheiden blijft. Jonge mensen, studenten, vooral Nederlanders, meten zich een air aan van belangrijkheid. Ze doen zich voor als de toekomstige kunstpauzen, terwijl ze niet beseffen hoe belachelijk hun gedrag is. Dat hun spel ze vernedert in plaats van verheft.

Waar ben ik in godsnaam mee bezig! Ben ik voor de film gekomen of om mensen te beoordelen? Het een kan echter niet zonder het ander. Op straat, en daarmee bedoel ik de totaliteit van de openbare ruimten, vermengt zich het volk met de kunst. Het is het leven van het bestaan. Of zou het moeten zijn. Want de meeste mensen denken dat ze leven, terwijl ze enkel maar bestaan. De rest is show. Gisteren heb ik twee films gezien, en verdween toen de voorbereiding tot de feestelijke opening zijn laatste fase inging. Ziek ben ik thuisgekomen en ziek ben ik vandaag. Uitgeput, lichamelijk en geestelijk. In plaats van in mijn bed te blijven liggen, ben ik opgestaan en aan het werk geschoten. Ik kan het schrijven niet laten. Het is ook een medicijn. Misschien vindt u dit lachwekkend. Lacht u maar. Ik lach ook. De lach van elke mens klinkt niet alleen anders, hij zinkt ook verschillend. Let op de echo! Die vertelt u meer, het echte verhaal.

 

THE CONSPIRATOR

 

Een film van Robert Redford. Hij tekende voor de centen en de regie. Keurige films maakt hij. Ze zijn mij echter te salonfähig. Sociaal engagement is goed zolang het geen kanselgekraai wordt. En dat zit in de boeggolf van al zijn films, dus ook zijn laatste.

Een zwarte bladzijde uit de Amerikaanse geschiedenis is de notenbalk. Na de moord op Abraham Lincoln worden acht mensen gearresteerd. Zij hebben niet enkel een plan bedacht voor de moord op de president, maar ook de vice-president en de staatssecretaris. Ze troepen samen bij Mary Surratt, een pensionuitbaatster. Dat de samenzweerders bij haar thuis vergaderen komt omdat de moordenaar van de president bevriend was met de zoon. Omdat de zoon gevlucht is, wordt zij gearresteerd en beschuldigd van medeplichtigheid. De burgeroorlog woedt nog volop. Een militaire rechtbank is het gevolg.

Een jonge advocaat krijgt van een oudere collega de opdracht om haar te verdedigen. Aanvankelijk tegen zijn zin begint de lagere officier aan de zaak, gaandeweg raakt hij enthousiast. Onderdak verlenen is geen bewijs van medeplichtigheid. Helaas denkt de procureur, de rechter en de militaire raad er anders over. Hun oordeel lag trouwens al vast voor het proces begon. De advocaat krijgt het zelfs gedaan om het proces nietig te laten verklaren, op grond van het feit dat een militaire rechtbank onbevoegd is in burgerlijke zaken. Helaas legt de nieuwe president de nietigverklaring naast zich neer. Enkele uren later wordt zij met drie andere samenzweerders opgehangen.

Eind van het verhaal? Nee. De reputatie van de verdediger is om zeep. Hij is niet meer welkom in de officierenclubs. Slechts achter de hoek wil men nog met hem praten. Zelfs zijn verloofde laat hem in de steek.

Eind van het verhaal? Nee. Op het scherm verschijnt in enkele zinnen, om beurt geprojecteerd, de nawee van het verhaal. Kort na de ophanging geeft de laatste zuiderse generaal zich over. Een jaar na de ophanging komt er een wet die bepaalt dat burgers niet voor een militaire rechtbank gedaagd kunnen worden. De laatste zin is voorbehouden aan de advocaat. Hij is geen rechter meer maar jonge journalist bij de kort voordien opgerichte krant The Washington Post.

En zo is de cirkel rond. Voor Redford. Want was hij niet een van de twee stadsjournalisten van dezelfde krant in All the President’s Men, een film uit 1976, eveneens gebaseerd op een waargebeurde verhaal, de Watergate-affaire?

Robert Redford is tegelijk scout en schout. Hij is de Rudyard Kipling van de filmwereld. Zijn broeken werden met de jaren groter van maat, maar ze blijven kort. Kniehoogte.

 

MARGIN CALL

 

Een film over de wereld van Wall Street en de financiële crisis van 2008. Een investeringsbank gaat ten onder en rijst uit zijn as weer op. Alvorens het echter zo ver is, is iedereen het ene moment schuldig en het andere onschuldig, het is maar hoe je het bekijkt. Scheurde je zonet nog met een laptop naar de directiekamer, even later mocht je naar de uitgang sloffen met een kartonnen doos. Nog geen vierentwintig uur later word je weer binnengehaald, krijg je een nieuwe gsm, laptop, bureau, auto, secretaresse, allemaal van betere kwaliteit, want ben je niet bevorderd? Dat verdient beloond te worden. De geldhandel is virtueel geworden, maar wat er niet is veranderd, is de ruilhandel.

Het is allemaal zo bekend en geweten. Meer houdt het verhaal niet in dan the usual bad things of the well-known world of Money. En omdat deze film geen diepgang heeft en zelfs een kleine, nauwelijks met het oog waarneembare verrassing mist, is hij vervelend, ja, saai. Ondanks het goede acteerwerk van Kevin Spacey en Jeromy Irons. Zij krijgen van mij een goed glas wijn als ik ze tegen het lijf loop. Regisseur J.C. Chandor een flink glas van de beste azijn.

 

Uitsmijter

De tijden van de voorstellingen ga ik vanaf nu niet meer vermelden. Ze zijn te vinden op www.filmfestival.be

Staat u mij toe terug naar de previews te hollen? Ik heb dringend nood aan een Europese film.

Guido LAUWAERT

Partager cet article
Repost0
11 octobre 2011 2 11 /10 /octobre /2011 17:05

 

filmfestival-5.gif

Guido Lauwaert begint aan een nieuwe uitdaging. Aanleiding: het Filmfestival Gent, “een goede gelegenheid om het theater eens te ruilen voor de filmzaal”.

Indien zijn gezondheid het toelaat zal hij de volgende tien dagen een dagverslag publiceren. Het is namelijk niet zijn bedoeling filmkritieken te schrijven. Na een korte intro, een fragment gelicht uit een boek van zijn bibliotheek, volgt een sfeerstuk.

Plato zou als hij vandaag onverwacht bij een redactie langs zou gaan de lucratiefste aanbiedingen krijgen. Maar zodra de actualiteit van zijn wederkomst voorbij zou zijn, dan zou de hoofdredacteur hem alleen nog maar vragen om een leuk populair-wetenschappelijk artikel te schrijven, maar wel luchtig en vlot, met het oog op de lezerskring. En de eindredacteur zou eraan toevoegen dat hij een dergelijke bijdrage hoogstens eens per maand zou kunnen plaatsen.

Robert Musil [De man zonder eigenschappen]

 

THE HELP


Amerikaanse films zijn, op een klein aantal na, niet aan mij besteed. Ze moeten herfst en kelder hebben eer ik ze wat van mijn aandacht gun. En laat het nu net een Amerikaanse film zijn die ik als eerste van een hopelijk lange rij te zien krijg. Ik had mijn persbadge nog niet opgespeld of een lijst met previews werd mij aangereikt door een aardig meisje. Als ik mij haastte kon ik de nieuwe film van Tate Taylor halen, The Help. Ik twijfelde even, maar, ik had de tijd, de zaal was maar een etage hoger en het meisje was zo naturel vriendelijk dat ik plooide. Vijf minuten later zat ik onderuit gezakt, mijn schoenen netjes onder de luie stoel, mobiel toestel immobiel getoetst.

 

Het zaallicht dimt en hup, daar start de projectie. Met veel getoeter zit de naam en de logo van de coproducent in de kont van de producent, die op zijn beurt in de rug aangevallen wordt door de wereldwijde verdeler, die van het scherm geveegd wordt door een peloton geldschieters.

 

Met een goed gevoel, moet ik eerlijk bekennen, verliet ik 146 minuten later de zaal. ‘The Help is een adaptatie’ en nu pluk ik tekst uit de festivalcatalogus ‘van de gelijknamige bestseller van Kathryn Stockett… Het verhaal speelt zich af in Jackson, Missisippi, tijdens de jaren 60… Vastbesloten om schrijfster te worden besluit het welgestelde meisje Eugenia Skeeter Phelan [Emma Stone] de zwarte vrouwen te interviewen die in dienst zijn van de gerespecteerde rijke – blanke – families. Aibileen [Viola Davis] … is de eerste vrouw die openlijk durft te spreken.’

 

Een en ander loopt uiteraard niet van een leien dakje, maar gaandeweg laten andere zwarte huismeiden zich overhalen. Na meer dan honderd interviews is er een boek, dat verschijnt en uiteraard voor de nodige deining zorgt. Schandelijk dat een blank meisje het opneemt voor zwarte vrouwen. Maar eind goed al goed. Het boek is een bestseller, de huismeiden winnen aan respect en het brave blanke meisje mag naar de gouden stad, niet de valse, Las Vegas, maar de echte, New York, waar haar een hemelse toekomst wacht in de mediawereld.

 

Vakkundig gemaakt, en zoals gezegd, ik heb geen spijt van de zit, maar dat botst niet met een kritisch oordeel. Ondanks de mooie muziek – Johnny Cash met een liedje aan het begin en aan het eind Bob Dylan -, de mooie decors, is het camerawerk klassiek en het scenario zwak. Ik heb de roman niet gelezen, had dus geen bagage, maar wist al vrij vlug wanneer de voor- en tegenslagen er aan zaten te komen. De dialogen zijn zo voorspelbaar dat ik ze mompelde, als een souffleur. Zoals verwacht komt president Kennedy en zijn hele familie even piepen, net als Martin Luther King die naar Washington marcheert, en de witte puntmutsen van de KKK met op de achtergrond een stevig kampvuurtje. Kortom, aan clichés geen gebrek.

 

Ook het acteren is te dik aangezet. Een dikke laag karamel ligt op de rollen van de blanke actrices. Het zal wel de bedoeling geweest zijn maar trop is te veel. De zwarte actrices houden het bescheiden maar de blanke, oh my god! Opspelende darmwinden. Dat is niet gezond als ze zich naar de uitgang boren. Voor jezelf, maar evenmin voor het gebouw. Enfin, ondanks de zwakheden zal de film een breed publiek aanspreken. The Help huppelt en vermaakt.

 

The Help past in het schuifje van payment films. We hebben iets goed te maken. Jaarlijks verschijnen er wel enkele van dat soort films. Bezwaar heb ik er niet tegen, maar wel als ze gemaakt zijn vanuit een voor wat hoort wat gevoel. Met de rechterhand een kruisteken maken terwijl de linker voor bedelaarshand speelt.

 

Wie mijn oordeel in twijfel trekt en houdt van al wat de Disneyfactory voortbrengt, moet zeker gaan kijken. Roel van Bambost, een minzaam man en een filmkenner raadt hem aan. ‘Een warme en kleurrijke film’, noemt hij The Help in een folder. Hij zal de projectie inleiden en je krijgt na afloop een drankje én taart.

Guido LAUWAERT

Vrijdag 14 oktober – 14.30 u – Kinepolis 1 – Gent

Partager cet article
Repost0
7 septembre 2011 3 07 /09 /septembre /2011 23:22

 

Op zondag 4 september zond VRT ÉÉN de eerste aflevering uit van het monstertrilogie van Tom Lanoye. Tien weken later volgt de laatste. De stijl van de roman heeft een heldere lijn en een scherpe taal. Dat kan niet gezegd worden van de televisieserie. Het is een rommeltje geworden.

 

Het goddelijke monster koppelt de lotgevallen van de familie Deschrijver aan een tijdsbeeld dat stamt uit het laatste decennia van de twintigste eeuw. Een half oog en een laag IQ is voldoende om te snappen dat een West-Vlaamse familie geviseerd werd. Toch vond het productiehuis het nodig de hele serie, de scènes in West-Vlaanderen en in het bijzonder de clanscènes in een mix van plaatselijke dialecten te laten spelen. Het is het recht van de scenarist i.s.m. de regisseur, maar een foute beslissing. Niet enkel in Vlaanderen, maar in heel België, ja in elk land ter wereld, heb je soortgelijke families. Hadden de acteurs keurig Nederlands gesproken dan was de serie vanaf het eerste moment aannemelijk geweest. Nu is de spreektaal bij momententen lachwekkend. De acteurs moeten een tandje bijsteken om geloofwaardig te blijven, wat helaas niet lukt. Was de oorspronkelijke taal van het boek, het Nederlands met Lanoye’s specifieke idioom behouden, zou het de internationalisering van de serie bevorderen. Het Koewest, mijns inziens, zal echter remmend werken.

Bovendien wordt de serie ook voor de Vlaamse zender ondertiteld. Het stoort, het wringt en het klopt niet. De aandacht van de kijker wordt afgeleid en is een grens waar de inleving niet overheen geraakt.

 

De voorbije weken werd een megacampagne opgezet. De media volgden gewillig en plakten er een kwaliteitslabel op waar Hollywood jaloers op moet zijn. Het resultaat is echter van zulke schabouwelijke kwaliteit dat de hele zwik onder het niveau van Bollywood is beland. De eindverantwoordelijken zijn de scenarist en de regisseur, Rik D’hiet en Hans Herbots. De eerste heeft zich beperkt tot knip en plakwerk. Wat restte was een puzzel waarmee hij aan het werk schoot. Het enige dat hij bereikt heeft is het bewijs dat zijn talent tekortschiet voor een complex en geraffineerd verhaal, wat de roman van Lanoye in wezen is. In plaats van soberheid na te streven heeft Rik D’hiet de meester willen overstijgen. Met als gevolg een verlooplijn zonder logica. Televisieseries mislukken altijd wanneer van de hak op de tak gesprongen wordt, zonder scherpe aandacht voor de sprong.

 

Regisseur Hans Herbots zal wat aan bijsturing hebben gedaan, maar heeft het scenario grotendeels gevolgd. Wat een grove fout is. In een poging de meubelen te redden is hij leentjebuur gaan spelen bij David Lynch, Stanley Kubrick, Dennis Potter, ja zelfs Walt Disney. Flashbacks, split screen, off screen, zalf op de lens, een blauwe filter om van dagscènes spookbeelden te maken, en al dat moderne spul struikelen over elkaar en werken nefast op het tempo en de structuur. Hans Herbots heeft daar zijn handen vol mee gehad dat hij geen tijd heeft gevonden voor een uitgekiende acteursregie. De acteurs moesten in hun eigen laden graaien om een personage te creëren. Dat is soms gelukt en vaak mislukt. Het beste voorbeeld is de drie ongetrouwde tantes. Drie vrouwen met een sterk karakter die samen één dagschotel moesten verzinnen. Wat ze gebakken hebben is een gerecht waar de domste idioot uit de Disneyfactory zijn neus zou voor ophalen.

 

Laat dit duidelijk wezen: de cast is sterk. Helaas kon niet elke acteur de slordigheid van het scenario en de pretentie van de regisseur aan. Marc Van Eeghem [onderzoeksrechter Willy De Decker] heeft een harde hand nodig om boven zichzelf uit te stijgen. Het verlopen personage, geboren vanuit een minderwaardigheidscomplex, is door zijn vormgeving krom en scheef. Hetzelfde geldt voor Greet Verstraete [secretaresse Leo Deschrijver]. Zij speelt zichzelf en dat is dus weinig. Zelfs de kleinste rol eist een toetje, een toegift. Het naïeve kind uithangen is bandwerk. Over de belangrijkste rollen van de serie geen kwaad woord. Ze hebben werkelijk hun uiterste best gedaan om de lekke boot drijvend te houden.

 

Tom Lanoye heeft zich ver van het scenarioproces gehouden. Als reden gaf hij op dat hij niet nog eens vijf jaar van zijn leven in de monstertrilogie wilde steken. Had hij dat maar gedaan. En een jaar zou voldoende zijn geweest, zijn kunde en handigheid kennende. Toneel en televisie hebben hun eigen wetten, maar ze zijn wel verwant. De beste toneelstukken van Lanoye zijn deze met een regisseur die hem op de vingers keek. Voor Ten oorlog was dat Luk Perceval, voor Mama Medea Gerardjan Rijnders, voor Fort Europa Johan Simons, voor Atropa, Mefisto for ever en Bloed & Rozen Guy Cassiers, voor De Russen Ivo van Hove. Als hij het basisconcept van het scenario zelf had gemaakt, met als peter een regisseur die niet naar hem opkeek maar naast hem stond, dan was een stijlvollere serie gemaakt, door een logischer cohesie.

 

Wat nu het scherm heeft gehaald is het gevolg van een reeks foute beslissingen. Het goddelijke monster is, als televisieserie, een duivelse draak geworden, in zijn groeiperiode verkracht, vernederd en verknoeid.

Guido LAUWAERT

 

Partager cet article
Repost0
22 août 2011 1 22 /08 /août /2011 06:15

 

Althans Tom Lanoye’s trilogie Het goddelijke monster. De drie delen werden verfilmd, op de kast gelegd, verlegd, maar na heel wat soebatten vloog eindelijk de kogel door de kerk van de VRT. De eerste aflevering komt op zondag 4 september op EEN. Tien weken later wordt de laatste aflevering uitgezonden. Laat dat nou net tijdens het laatste weekend zijn van de Boekenbeurs 2011. De voornaamste rollen worden vertolkt door Johan Van Assche, Marc Van Eeghem, Michel Van Dousselaere, Katelijne Verbeke, Ianka Fleerackers, Jan Hammenecker, Kevin Janssens, Gilda De Bal en Vic De Wachter. Een prachtcast, maar de hoofdrol is voor Joke Devynck als Katrien Deschrijver, de vrouw die al in de eerste alinea van het eerste hoofdstuk van het eerste deel opduikt. Het eerste hoofdstuk heet: De jonge jaren van een triest serpent. De lezer weet dus al na één bladzijde voorspel, oorzaak en milieu, en kent in grove lijnen het karakter van het hoofdpersonage.

 

Het luidt geen twijfel dat de serie de winkel van Tom Lanoye zal doen draaien. Een betere reclamecampagne kan je niet bedenken. Op de boekenbeurs zal hij op z’n minst drie handen nodig hebben om te signeren en via zijn uitgever te incasseren. Maar Tom Lanoye verdient de roem en het geld. Door de gezamenlijke inspanningen van cultuurambtenaren en een uitgever kan een boek vertaald worden en dan moet je afwachten. De vlucht die het werk van Lanoye in het buitenland kent, wijst er echter op dat er meer aan de hand is. Zijn schrijfstijl is eigenzinnig, op z’n Lanoye’s, maar ontstijgt de steedse Vlaamse boerenlucht, iets wat Hugo Claus helaas niet lukte, en de belangrijkste oorzaak waarom onze masterchef het nooit verder heeft gebracht dan een afgedwongen plaats op de shortlist van de Nobelprijs Literatuur. Zijn succes heeft Lanoye dus niet zozeer te danken aan zijn neus voor publiciteit, zoals de eeuwige en voorspelbare kwatongen beweren. Want een barnumcampagne kan de omzet doen stijgen, zonder geestelijke kracht en macht is er geen sprake van bewerkingen voor film en televisie en geen kans op een internationaal doorbraak.

 

Het mooiste voorbeeld van dit laatste is het succes op het Festival van Avignon van dit jaar. Zijn toneelstuk Bloed & Rozenkende staande ovaties. De mindere bijval kwam van mindere toneelkenners. ‘You could almost hear the sighs of satisfaction and relief rippling round Avignon’s medieval Palace of the Popes as this production unfolded: historical substance with overt contemporary echoes, interesting structure, a sterling cast, innovative scenography and rich choral polyphony.’ schreef Claire Shine van The Financial Times. Haar lof betrof het hele opzet, maar die kon er maar zijn door een magistrale basisstof, en dat was de toneeltekst. Fabienne Darge van Le Monde kopte ‘Jeanne d’Arc enflamme la Cour d’honneur’ en sprakvan ‘un texte de très haute tenue poétique.’ En dat voor een stuk dat in het Nederlands werd gespeeld, met Franse boventiteling.

 

Luidt de titel van dit artikel Tom Lanoye op TV, dan wil dat niet zeggen dat Lanoye tijdens het aanstormend nieuw seizoen niet in levende lijve in het theater te zien zal zijn. Lanoye is nu eenmaal een slagerszoon met een brilletje. En dat brilletje is zowel letterlijk als figuurlijk te nemen. Als hij op de markt staat bemant en runt hij op z’n minst de helft van de stalletjes.
Op 6 oktober gaat Sprakeloos op de planken van start in de KVS. Centraal staat de roman over zijn moeder, maar dat randanekdotes de voorstelling zullen verfraaien staat als een paal boven water. Welke randanekdotes? O, die het boek niet haalden, over de uitgave gaan en reflecties bevatten over de reacties na de verschijning.
Momenteel zijn er gesprekken gaande om de tournee te laten eindigen in de tempel van de Zeventien Provinciën. Een oude droom van conferencier Lanoye zou dan in vervulling gaan. 1700 gevulde pluchen zitjes in de meest tot de verbeelding sprekende theaterarena, het Amsterdamse Carré.

 

Uiteraard zal deze onemanshow een politiek sausje krijgen. Want Lanoye heeft een haat-liefdeverhouding met België. Een bewijs daarvan is het slot van de flaptekst van de drie delen van Het goddelijke monster:’Wie is uiteindelijk het goddelijke monster? Katrien, of de invloedrijke familie die haar heeft opgevoed? Katrien, of het land dat haar heeft voortgebracht?’

 

De vraag die bij velen op de lippen ligt luidt: Wat is nu eigenlijk het geheim van Lanoye’s literair succes? Het antwoord is eenvoudig: Tom Lanoye heeft een klassieke opleiding gevolgd in zijn geboortestad Sint-Niklaas. Via zijn leraar Latijn en Nederlands Cyriel Coupé, in de poëziegangen bekend als Anton van Wilderode, is de liefde voor het Groot-Nederlandse literaire veld, de Vlaamse in het bijzonder, in zijn bloed gekropen. Dat zijn moeder een voorname rol speelde in het vrijetijdscircuit van het toneel is een bijkomende reden, maar belangrijkste blijft zijn scholing. Hij heeft in een periode van zes jaar drie tragedieschrijvers nader tot heel goed leren kennen, van wie de eerste, Aisschulos met reden archaïsch genoemd mag worden, Sophocles klassiek en Euripides modern. Daar kan je nog twee komedieschrijvers aan toevoegen en dan is het plaatje compleet: Aristofanes en Plautus. De invloed van de tweede is zeer groot geweest. Niet alleen bij Lanoye. In de middeleeuwen werd zijn werk op de Latijnse scholen gelezen en vaak ook gespeeld. De invloed van deze vijf schrijvers is de reden waarom zelfs Lanoye’s romans zich lenen tot verfilming. Bovendien heeft Lanoye iets wat Shakespeare en Molière ook hadden: een inzicht en dus macht vanuit een instinctmatig gevoel. De evolutie van de gemeenschap in breder Europees verband voelt hij automatisch aan. Dat talent maakt dat hij sterke personages kan creëren binnen een maatschappelijk actueel verhaal.

Uitsmijter bij het antwoord op de vraag. Het proza van Lanoye heeft een staalharde pathetiek, maar niet van het gehalte waarmee je op de tast op zoek gaat naar de tissuedoos. Je ziet er scherpe beelden mee. Het mooiste voorbeeld is het slot van Sprakeloos, bij het sterfbed van zijn moeder, ‘…, de laatste scène. Het echte afscheid.’ Je hoort het hem, na haar overlijden off screen zeggen aan het eind van de verfilmde versie die er staat aan te komen, dankzij Hilde Van Mieghem.
’En daar en dan heb ik mezelf gezworen dat ik voortaan, van nu af aan, één roeping heb één doel, één godverloren zelfgekozen plicht, omdat ik weinig anders kan, niets anders heb geleerd en nergens anders in geloof. Dat ik, wanneer en waar ik er de kans toe zie, de stilte zal bestrijden met mijn stem, de leegte zal proberen te betwisten met mijn woord, al het beschikbare papier zal proberen te bevechten met mijn taal. Laat dat mijn rebellie zijn, mijn revolte, tegen slijm, tegen gereutel. Laat me minstens dit als muiterij. Dat er geen tel meer zij, geen blad, geen boek, dat niet in honderdduizend tongen spreekt, dat niet getuigt van woordenschat. Nooit meer zwijgen, altijd schrijven, nooit meer sprakeloos. / Begin.’

 

Tussendoor is Tom Lanoye volop aan het schrijven aan het Boekenweekgeschenk, naar aanleiding van de Nederlandse Boekenweek in maart 2012. Maar daarover later meer. Eerst gaan we kijken naar Het goddelijke monster. Veel kijkplezier.

Guido LAUWAERT

 

Partager cet article
Repost0
1 août 2011 1 01 /08 /août /2011 16:45

 

Toen ik de klassieke humaniora volgde en me moest (vond ik toen)/mocht (vind ik nu) onderdompelen in de Ἰλιάς ende Ὀδύσσειαvan Homerus, herkende ik daar veel verhalen uit. Ik mocht als jongetje regelmatig met mijn vader mee, die filmoperateur was in het Roxy Theater. Dat was in een tijd dat nog vrijwel niemand televisie had, en de pepla(de zogenaamde sandalenfilms) hun hoogtijdagen kenden. Vandaar dat ik hele stukken uit de Griekse mythologie al op het witte doek had gezien, veelal tijdens matineevoorstellingen.

Nog steeds kijk ik af en toe met graagte naar historische spektakelfilms. Dikwijls waren die behalve op de Griekse en Romeinse mythologie overigens ook op bijbelverhalen geënt. Zo toverde ik dezer dagen The Last Days Of Sodom And Gomorrah (1962) van Robert Aldrich en The Fall Of The Roman Empire (1964) van Anthony Mann op mijn scherm. De eerste bleek erg gammel, hetgeen me zwaar tegenviel van Aldrich. De man tekende, in 1954, immers ook voor Vera Cruz. En dat vind ik nog steeds een van de beste westerns die er ooit gemaakt zijn. Stewart Granger verheft in The Last Days Of Sodom And Gomorrah als Lot overacteren tot een kunst. De ondergang van de twee steden, overduidelijk maquettes, is dusdanig knullig in beeld gebracht (je kunt zién dat alles van karton is) dat het op de lachspieren werkt. The Fall Of The Roman Empire (die overigens model stond voor de latere kaskraker Gladiator) is een heel wat betere rolprent. De begrafenis van keizer Marcus Aurelius bijvoorbeeld wordt er ontroerend mooi in geëvoceerd.

 

Wat later kwam ik, al surfend op het internet, via allerlei omwegen (het leven zit vol verrassingen!) terecht op de geschiedenis van de stijgbeugel. In onze contreien werd die 'uitgevonden' ten tijde van de Slag bij Poitiers, in 732. Nader speurwerk leerde dat de Chinezen het instrument al in de 4de eeuw kenden, en dat ook Attila de Hun ermee vertrouwd was. Dat was in de 5de eeuw. Attila's succes berustte voor een belangrijk deel op de stijgbeugel, die zijn krijgers de mogelijkheid bood vanaf hun paard de wapens doeltreffender te gebruiken.

 

Ineens was ik benieuwd of Aldrich en Mann hun huiswerk goed hadden gedaan. Ik nam er de films nog eens bij, en ha: wat ik al vermoedde bleek te kloppen. Aldrich was als westernregisseur natuurlijk zo gewend aan ruiters die hun voeten in stijgbeugels hadden, dat hij de bereden strijders in The Last Days Of Sodom And Gomorrah daar ook maar van had voorzien. Even spoelen in The Fall Of The Roman Empire bracht aan het licht dat ook Mann dezelfde fout maakte. Commodus (Christopher Plummer) en Livius (Stephen Boyd, zie de foto) hebben de voeten stevig in de stijgbeugels. Sodom en Gomorrah vielen ver voor onze jaartelling, en Marcus Aurelius leefde van 121 tot 180. Hetgeen de stijgbeugels in deze (en waarschijnlijk veel meer andere) films tot een anachronisme van de eerste orde maakt....

Bert BEVERS

Anachronisme.JPG



Partager cet article
Repost0

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche