Overblog Suivre ce blog
Administration Créer mon blog
27 janvier 2013 7 27 /01 /janvier /2013 01:42

 

JetJorssenenKareldeCat.jpg

Jet  Jorssen en Karel de Cat in hun tuin te Kapellen (1970)

De publicatie van wat nu volgt is het rechtstreekse gevolg van de lezing van Jan Lampo's bijdrage in Zuurvrij  over de trilogie van Jet Jorssen (zie vorige blog).

Na het overlijden van Jet Jorssen (30 mei1919 – 27 juli 1990) werd door enkele vrienden het Jet Jorssen Genootschap gesticht om via een jaarboek en een prijs van aanvankelijk 150.000 BF (later 4.000 €), haar naam en gedachtegoed levendig te houden. De Kempense auteur Willy De Bleser (auteur van een monografie over Jet Jorssen) was er voorzitter van. Haar weduwnaar (en bij mijn weten sponsor van het Genootschap) Karel De Cat secretaris. Na het overlijden van Karel De Cat (14 februari 1920-22 november 2005) werd besloten het Genootschap te ontbinden.

In het Jaarboek 2005 ging Frans van Campenhout gedetailleerd in op Jet Jorssens oorlogsjaren (De Vlaamse Jeugd, Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen, Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, Kinderlandverschickung, Diets Opvoedkundige Beweging (later: Volks Opvoedkundige Beweging), DeVlag…) en op de repressie (zowel Jet Jorssen als haar man werden efficiënt bijgestaan door mr. Carlos de Baeck, vriend van Maurice Gilliams, die ook de verdediging voerde van Jef de Belder).

In diezelfde aflevering (pp. 11-16) publiceerde ik herinneringen aan mijn omgang met Jet die, scripsit Karel de Cat, opvallen door “de onbevangen en eerlijke weergave van een jarenlange vriendschap. Het is een getuigenis uit eerste hand en bevat gegevens die nog niet aan bod kwamen in onze Jaarboeken. Daarom is dit artikel zo belangrijk.” (Die memoires verschenen ook in Mededelingen van het C.D.R. , nr. 50, pp. 9-15).

De 85-jarige Karel de Cat schuwde de moeite niet bij mij thuis op de koffie te komen om mij te overtuigen die herinneringen aan het papier toe te vertrouwen. Het werd een hartelijk gesprek, maar ik maakte hem duidelijk dat ik hete hangijzers niet uit de weg zou gaan en dat de principiële en kritiekloze verdediging door dik en dun van het Grote Gelijk van de collaboratie iets was dat mij bij de nuchter denkende Jet Jorssen steeds bevreemd heeft. Hij verzekerde mij dat ik carte blanche kreeg. Ik heb daar sereen en hoffelijk gebruik van gemaakt.

De lezing van Jan Lampo's bijdragen over de “slechte vrienden” van Jet Jorssen (zie: janlampo.com/) en de wederwaardigheden van haar trilogie (in Zuurvrij) hebben mij aangezet die memoires uit 2005 ongewijzigd hier online te plaatsen. ■


Enkele maten voor Jet Jorssen

Na een vergadering van de provinciale commissie voor letterkunde vroeg collega Jan Vorsselmans of ik iets wilde schrijven voor een van de komende jaarboeken van het Jet Jorssen Genootschap: tijdens mijn (al te lang) voorzitterschap van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen had ik Jet toch geregeld meegemaakt?

Ik had en heb de beste herinnering aan Jet, een innemende persoonlijkheid en kameraadschappelijk bestuurslid, en aarzelde dus geen moment. Gaandeweg rijpte echter het inzicht dat het per slot van rekening weinig zin heeft een aantal beschouwingen aaneen te rijgen over het wel en wee van het verenigingsleven of over hoe gewetensvol en objectief Jet haar bestuursmandaat uitoefende. Dank zij Fred Germonprez beschikten we destijds over een vergaderzaaltje in het gebouw van Sabam. Dat was ruwweg in de tweede helft van de jaren tachtig. Na de maandelijkse bestuursvergadering gingen we dan steevast op een steenworp van de Aarlenstraat nakaarten in een taverne die vooral bezocht werd door pendelaars. Zonder dat hartelijke en stimulerende, vaak uren uitdijende samenzijn zou het trouwens maar een saaie (en vaak frustrerende) bedoening zijn geweest.

Was het niet Heinrich Böll die me tijdens een congres van de PEN-Club in Dublin met veel ironische overtuiging zei dat het maar best was meteen naar de bar te gaan?

*

Toen ik Jet leerde kennen had ik haar trilogie gelezen (Och, Siemeniskinderen, 1974; Wat nu, Sinjoor?, 1975; En toch, Brabo, 1976). Elke kunstenaar heeft het recht beoordeeld te worden op zijn beste werk, en zij was dus in mijn ogen een volwaardige literaire présence. Ze had vanzelf een plaats in mijn bibliotheek gevonden, naast De vierde wijk gevolgd door Achter de frontlijn, het beste boek van Eugenie Boeye. Veel over haar wist ik evenwel niet, op een korte aantekening na in de inderdaad erg kronkelende maar onvolprezen gedenkschriften van Ger. Schmook, een ware “Fundgrube”:

Een oorlog, een wereldoorlog is een wreed ding, nog meer wanneer hij de ideologische waarden aanvreet en wanneer men de intrinsieke betekenis van de eigen mensen op gouden schaaltjes gaat willen afwegen. (…) Er zijn verliezen geleden, zware tol betaald, beroving van persoonlijke vrijheid en goederen heeft diep gekwetst. Verschillende van de hier gestelde problemen leven voort in de bladzijden – reeds enkele honderden – die Jet Jorssen er in haar werken aan wijdde: uit het ‘zonnige’, jolige en mededeelzame kind hebben de omstandigheden (en daarna niet het minst het feit, dat haar man, Karel de Cat, in het heerlijkste onzer heidelandschappen, onverhoeds door een vrachtwagen in de rug aangereden werd, zodat haar schattig enig Elsje onder het zware wiel terecht kwam) een ernstige vrouw geteeld met vele metafysische complexen. De aard van haar positief karakter – een vaderlijke gave – deed haar door een vredebrengende evangelische omzwaai opgaan in de sociale activiteiten van de ‘Bond zonder naam’.” (1)

*

Reeds in de jaren zestig had ik heel wat contacten gehad met (al dan niet belangrijke) actoren uit de (vooral culturele) collaboratie.

Met de beminnelijke en belezen Geo van Tichelen, de broer van jeugdschrijver Hendrik van Tichelen, ging ik geregeld koffie drinken in Mazarin, een deftig koffiehuis aan de Frankrijklei, op een steenworp van de Nationale Bank (thans een filiale van de Kredietbank), waar ook Michel Oukhow stamgast was. Na mijn polemiek met Gerrit Borgers had hij me kopieën bezorgd van de brieven die hij vanuit Berlijn van Paul van Ostaijen had gekregen. Onze gesprekken gingen over zijn jeugdvriend, die hem een gedicht opgedragen had, over de roemrijke Vlaamsche Bond van het Koninklijk Atheneum te Antwerpen, waarvan hij voorzitter was geweest, en over de invloed van Duitse tijdschriften als Die Aktion en Die Weisse Blätter op de activistische generatie. Ik wist wel dat hij na de oorlog jaren in de gevangenis had gezeten, dat vader na zijn vrijlating hem nog wat vertaalwerk had bezorgd, maar dat hij tijdens de bezetting hoofdredacteur was geweest van Belgapress vernam ik pas in 1973. (2) Geo was toen drie jaar dood.

De rol van Ward Hermans in de collaboratie leek me onderschat, en dat hoorde hij uiteraard graag zeggen. Zo hebben we een tijdlang gecorrespondeerd en zag ik hem af en toe in het Blazoen, in de buurt van het Atheneum.

Toen ik Pol le Roy begin de jaren zestig in “Le petit rouge” ontmoette, een artistiek trefpunt in Brussel, kende ik hem al als dichter en vooral als de alerte poëzierecensent van De Periscoop. In die legendarische Brusselse kroeg maakte ik ook kennis met Marc. Eemans en Aubin Pasque. Ze minimaliseerden hun daadwerkelijke betrokkenheid bij de Nieuwe Orde: Eemans had gezeten omdat hij om den brode kunstkritieken in kranten gepubliceerd had, Pasque zweeg als een graf, en Pol le Roy, die ik ook als medewerker van De Tafelronde kende, was mogelijk nog discreter over zijn verleden dan Pasque. Hij vertelde graag dat op het bureau van Joris van Severen een foto van André Breton prijkte. Wanneer je Pol hoorde praten, was zijn collaboratie een louter lyrische aangelegenheid. Het zou nog jaren duren eer ik te weten kwam dat hij lid was geweest van de Landsleiding, de Vlaamse marionettenregering in Duitse ballingschap, waar nog zoveel fraais over te vertellen valt.

In de tweede helft van de jaren zestig was de (nieuwe) heksenjacht nog niet ontketend. Pol le Roy kon probleemloos publiceren bij een uitgeverij als Phantomas, die in het brede vaarwater opereerde van het (linkse, Belgische) surrealisme en van wat in de literatuurgeschiedenis geboekstaafd staat als “la Belgique sauvage”. En toen hem in 1970 een huldealbum werd aangeboden, leverden ook experimentele en “progressieve” dichters als Lionel Deflo, Ben Klein, Willem M. Roggeman, Willy Spillebeen, Jan van der Hoeven, Marcel van Maele, Gerd Segers en Bert Verm een bijdrage. (3) Vandaag zou iemand als Pol le Roy taboe zijn, punt. In het postmoderne tijdperk werden de ideologieën doodverklaard en hun tegenstellingen afgevoerd ten bate van een zichzelf bestendigend en bevestigend anoniem systeem van perverse politieke correctheid. Zo verdween langzaamaan de verdraagzaamheid, tot er niets meer over was.

Ook de vaak zo zachtmoedige dichter Bert Peleman had er een handje van zijn rol te bagatelliseren en met de wind mee te draaien. Na bij de mobilisatie een liedboek samengesteld te hebben voor het Belgisch leger, schreef hij het Oostfronterslied “Het Vlaamsch Legioen” en strijdliederen als “Zet nu aan de grauwe motoren”. Tijdens zijn proces pleitte hij domheid als verzachtende omstandigheid. Vanuit de cel stuurde hij bezonken gedichten naar zijn krijgsauditeur. Ik heb dat altijd nogal sneu gevonden, maar heldhaftigheid mag je van niemand eisen. Terwijl een aantal zwarten zich witwasten door rood te worden, werd Peleman almaar roomser. Hij was joviaal maar erg zelfbewust in de omgang (al kon je soms ook iets van schuwheid in zijn houding ontwaren), en ik herinner me een gedenkwaardig luchtige woordenwisseling tussen Louis Paul Boon en hem, tijdens een banket van de VVL onder voorzitterschap van Bernard Kemp.

De rondborstige, erudiete en strijdvaardige Jan d’Haese, ook al stamgast in “Le petit rouge”, wond er geen doekjes om: ja, hij was Kriegsberichter geweest, en dan?

Ik had trouwens twee Oostfronters in mijn kennissenkring: de minzame Toon van den Eynde en de onverwoestbare Toon van Overstraeten. Nostalgie was hen vreemd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Marc. Eemans waren ze niet mentaal gecontamineerd of aangetast door de nazistische ideologie. Ze voelden zich al bij al goed in hun vel, hun verwerkt verleden was wat het was.

*

Na die niet altijd even boeiende maandelijkse bestuursvergaderingen van de VVL gingen we dus, zoals gezegd, meestal nog wat nakaarten in een café dicht bij het Sabam-gebouw.Hoe het in zijn werk was gegaan, herinner ik me niet, maar de televisie-uitzendingen van Maurice de Wilde over collaboratie, die jaren voordien zoveel stof hadden doen opwaaien, waren een tijdlang het recurrente thema van breed uitgesponnen discussies waar, buiten Jet en ik, ook Clara Haesaert, Jacques van Baelen en Tony Rombouts zich allerminst onbetuigd lieten.

Jet vond die uitzendingen eenzijdig en kon zich daar behoorlijk over opwinden. Ik was het met haar grondig oneens. Naar mijn gevoel hadden ze in hoge mate bijgedragen tot de nuancering van de destijds gangbare gemeenplaatsen over de collaboratie. Maurice de Wilde was natuurlijk niet de eerste om de bereidheid tot collaboratie van een groot deel van het Belgisch establishment vast te stellen en in de verf te zetten, maar nooit eerder was die zo breed uitgesmeerd voor het groot publiek, laat staan op de staatszender. Het clichématige “Belgische” beeld dat de collaboratie diende gesitueerd te worden in de Vlaams-nationalistische, en dus bij uitbreiding vooral katholieke en bijgevolg rechtse hoek, werd met een groter impact dan ooit door De Wilde doorbroken. Per slot van rekening bleef hij trouwens vrij gematigd tegenover het Vlaams-nationalisme (een aantal jaren voordien was hij trouwens gepolst om namens de Volksunie in de senaat gaan zetelen).

De echte kritiek zou pas later geleverd worden, wanneer een generatie jongere historici vanuit een veelal “zwarte” familiale achtergrond, genadeloos, haarscherp en onweerlegbaar zullen aantonen dat de historiografische Vlaamse beeldvorming over het recente verleden niet alleen verdoezelend, maar tevens op heel wat punten zoniet vlakaf leugenachtig dan toch erg vergoelijkend was. Het destijds klassieke beeld dat je aan de ene kant het VNV had, in wezen een democratische partij (zij het aangetast door de autoritaire trekjes die nu eenmaal links en rechts het merkteken waren van het tijdsgewricht) en aan de andere kant de ideologen van de De.Vlag, kortom, enerzijds de naïeve Vlaams-nationalisten die het goed meenden en anderzijds de boze nationaal-socialisten die, op zoek naar een nieuw vaderland, voor annexatie bij het Germaanse Rijk pleitten, werd deskundig aan gruizelementen geslagen.

*

In onze gesprekken over Maurice de Wilde ontpopte de beminnelijke Jet Jorssen zich als een waarachtige passionaria. Door haar onwrikbare rechtlijnigheid ging ze zo gaandeweg in mijn ogen alle dubbelzinnigheden, paradoxen en misverstanden belichamen, eigen aan en voortspruitend uit de problematiek van collaboratie en de repressie. Maar aan Jet Jorssen wist je wat je had. Haar rotsvaste inzichten stak ze niet onder stoelen of banken. Tot besluit van Vlucht en repressie (1987) kwam ze tot een slotconclusie die eerder een geloofsbelijdenis is:

De grote schuldige van de collaboratie is de Staat België. Niet wij zijn "fout" geweest, toen wij tweemaal - in W.O. I en W.O. II - ons lot in eigen handen wilden nemen, met hulp van de Duitsers. Hun militaire nederlaag betekende evenwel de totale mislukking van onze toekomstplannen voor Vlaanderen. Tweemaal hebben wij onze kans gewaagd, tweemaal hebben we verloren. De hoofdschuldige is en blijft de unitaire staat België die mee in stand gehouden wordt door de beschamende toegeeflijkheid, laksheid en stelselmatige capitulatie van Vlaamse politici van allerlei strekking, meer bekommerd om de belangen van de partij, het Belgisch establishment en hun eigen carrière, dan om het welzijn en het lot van Vlaanderen. En het Vlaamse volk, met een haast onbegrijpelijk gebrek aan fierheid en weerbaarheid, laat zich doen, al maakt het de meerderheid van de Belgische bevolking uit. Bovendien heeft, vooral de "gewone man in de straat", niet veel interesse voor de Vlaamse Beweging en staat soms onverschillig en zelfs vijandig tegenover de strijd van de Vlaams-nationalisten. Gewoon door onwetendheid en verkeerde voorlichting. Er wordt immers, in de scholen bijvoorbeeld, zelden of nooit iets positiefs verteld over de Vlaamse ontvoogdingsstrijd.

Nog iets willen wij tot slot onderstrepen: de strijd van de Vlaams-nationalisten is praktisch altijd geweldloos geweest. Ze hebben steeds slagen gekregen, nooit gegeven. Toen echter tijdens de oorlog terreuracties werden gevoerd door gewapende weerstanders en partizanen, zijn sommigen onder de collaborateurs éénmaal afgeweken van deze stelregel. Ze hebben zich en hun familie verdedigd door een tegenterreur. En wat is gebleken? Eens te meer werden alleen zij, de verliezers, na de oorlog hiervoor ter verantwoording geroepen, vervolgd en zwaar gestraft, meestal met de dood. Zij, die met sluipmoorden en gewelddaden begonnen waren, gingen vrijuit en werden als helden geëerd. Ook dat is een aspect van de onrechtvaardige en in zijn geheel verwerpelijke repressie geweest.”

Die principiële en kritiekloze verdediging door dik en dun van het Grote Gelijk van de collaboratie is iets wat me bij de nuchter denkende Jet steeds bevreemd heeft.

*

Dichter en kunstkenner Lambert Jageneau (1925-1984), ooit getypeerd als “Kuifje in het Derde Rijk”(4), was een gemeenschappelijke vriend. Jet nam het avontuurlijke verhaal van zijn excentrieke familie – met Lamberts moeder als hoofdpersonage - als uitgangspunt voor een sleutelroman, Ballingschap (1986), die ik destijds in De VOSrecenseerde. Eens te meer wist ze, aan de hand van haar toevertrouwde verhalen, een goed gecomponeerde roman te schrijven, waarin een complex verhaal en dito problematiek bevattelijke verwerkt worden. De creatieve werkwijze van Jet werd me achteraf des te duidelijker, wanneer ik zelf een verhalend essay over Lambert Jageneau schreef.(5)

*

Toen de ongecensureerde uitgave van het oorlogsdagboek van Cyriel Verschaeve verscheen, werd Manu Ruys door het Jozef Lotensfonds uitgenodigd het boek voor te stellen tijdens de jaarlijkse algemene vergadering in de abdij van Steenbrugge. Na lezing van dit wel onthutsend en bij wijlen schokkend document, zag Ruys daarvan af: zijn beeld van Verschaeve was voorgoed aangetast door wat hij nu te verwerken kreeg. Op voorstel van mijn diep betreurde vriend pater Emiel Pil heb ik dan dat lijvig boek toegelicht en gesitueerd binnen het klimaat van romantisch pan-germanisme waarin het wereldbeeld van Verschaeve zo diep wortelde. Het viel me toen op dat de abt van Steenbrugge en historicus Albert de Jonghe veel hardere woorden spraken en een scherper oordeel velden dan ik ooit had durven doen in dat ingetogen gezelschap.

Ik had daar nog graag met Jet over gesproken, maar kort daarop overleed ze.

*

Achteraf sta ik nu wat onwennig tegenover de onwrikbare rechtlijnigheid waarmee Jet de hele problematiek van de collaboratie hardnekkig eenzijdig belichtte. Getekend door oorlog en repressie heeft ze tegelijk willen getuigen en overtuigen. Als geëngageerde schrijfster heeft ze m.i. bewust gekozen voor een eenvoudige, eenduidige voorstelling van zaken. Geen politiek getouwtrek tussen de verschillende fracties van de collaboratie (en hun zelfgeproclameerde leiders) in haar boeken, geen (al dan niet haalbare) poging tot genuanceerde weergave van een complexe realiteit. Het was er haar gewoon om te doen een menselijke getuigenis te brengen (en dan nog wel vanuit het perspectief van de “kleine man”) en haar overtuiging te belijden. Problematiseren zou immers de kracht van haar vertoog schaden. Die bewuste egelstelling vloeit voort uit een onvoorwaardelijke solidariteit, over alle tegenstellingen heen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Bovendien: het Hogere Doel weegt altijd zwaarder dan de praktische bezwaren.

Die idealistische geestesgesteldheid werd door Geert Buelens treffend aan kritisch onderzoek onderworpen in zijn merkwaardige lezing in de KVS te Brussel, in december vorig jaar. De geschiedenis van het activisme en van de collaboratie “biedt een heel gedifferentieerd verhaal”, betoogt Buelens, een verhaal

van fanatieke Vlamingen, nuchtere Vlamingen, idealistische Vlamingen, pragmatische Vlamingen, opportunistische Vlamingen, gewilde Vlamingen, ongewilde Vlamingen, separatistische Vlamingen, Belgicistische Vlamingen, democratische Vlamingen, fascistoïde Vlamingen, linkse Vlamingen en rechtse Vlamingen – alles behalve een natuurlijke eenheidsstam dus, die geboren is om te collaboreren of eensgezind ervan droomt de Franstalige gemeenschap uit de bestaande staatsstructuur te schoppen.

Dat kluwen van idealisme, verblinding, verlichting en onenigheid - dat is Vlaanderen, dat zijn de Vlamingen, dat is ons kruis, dat is onze eigen geschiedenis.”

*

We hebben alle tijd van de wereld, tot het te laat is. Ik had al destijds zo vaak zoveel met Jet willen bespreken. Het mocht niet zijn. Ons gesprek is niet voltooid, zet zich voort. Ik suggereer hier enkele bedenkingen, die ogenschijnlijk haaks staan op wat haar diepste overtuiging was, omdat ik weet dat ze dat op prijs zou hebben gesteld. Eerlijkheid en openhartigheid voerde ze hoog in het vaandel, en haar rechtlijnigheid stond nooit begrip uit voor standpunten en overtuigingen die niet de hare waren. Met een knipoog naar Walschap, met wie ze in de jaren 1950-1951 druk correspondeerde, kan Jet best bestempeld worden als een mens van goede wil. Recht voor de raap, zoals in haar beste proza.

*

Een paar zonder meer aanstootgevende uitspraken van Jet Jorssen in haar autobiografische kroniek Vlucht en repressie (Merksem, Were di, 1987) heb ik destijds uit schroom bewust (maar achteraf bekeken ten onrechte) met de mantel der liefde bedekt. Van een andere pijnlijke contradictie maakte ik al evenmin gewag. Je leest hierboven hoe Jet Jorssen stond tegenover België, en dan merk je dat ze in alle geautoriseerde biografische nota's met trots vermeldt dat ze ridder is in de Orde van Leopold II (1971) en in de Kroonorde (1984)....

 

(1) Ger SCHMOOK, Stap voor stap langs kronkelwegen, Antwerpen/Amsterdam, De Nederlandsche Boekhandel, 1976, p. 391.

(2) Els DE BENS, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944), Antwerpen/ Utecht, De Nederlandsche Boekhandel, 1973..

(3) Neer VANTINA (samenst.), Prometheus geboeid, Brecht, Uitgeverij De Roerdomp, 1970..

(4) Guido LAUWAERT, 'Vlaamse Helden. Kuifje in het Derde Rijk', in: Het Parool, 27 augustus 1994.

(5)  Henri-Floris JESPERS, Artis amore, Antwerpen, The Private Press, 1994.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
26 janvier 2013 6 26 /01 /janvier /2013 19:16

 

Zuurvrij23.jpg

Met aandacht volg ik de bijzonder aanbevelenswaardige blog van Jan Lampo. Woensdag 23 januari las ik zijn bijdrage over “De slechte vrienden van Jet Jorssen”. Donderdag viel dan Zuurvrij in de bus. Net zoals bij de ontvangst van de jongste aflevering van Wetenschappelijke tijdingen mijn aandacht prioritair ging naar de bijdrage van Armand van Nimmen over Duysan en Van Ostaijen, las ik nu eerst Jan Lampo's onthullende studie over “De lotgevallen van een trilogie. Het archief van Jet Jorssen en Och, Siemeniskinderen!”.

Met belangstelling nam ik aldus kennis van Jorssens' perikelen met uitgevers. Haar trilogie is m.i. haar beste werk en de historie van de uitgave is zonder boeiend, ook in een bredere context. Jan Lampo typeert Jorssen gevat als “een eigenzinnige schrijfster die nooit twijfelde aan haar gelijk, en op het voorbestaan van het extreemrechtse gedachtegoed in Vlaanderen”.

Ik heb de beste herinneringen aan Jet. In 2005 schreef ik mijn herinneringen aan die merkwaardige vrouw (verschenen in de rubriek 'Memoires' van de Mededelingen van het C.D.R. , nr. 50, pp. 9-15). Ze verschenen niet online. Dat gebeurt nu wel straks in mijn volgende post (met enig toegevoegd commentaar).

Henri-Floris JESPERS

(wordt vervolgd)

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire de la littérature
commenter cet article
25 janvier 2013 5 25 /01 /janvier /2013 06:56

 

2012-Frank-De-Vos-040.jpg

Frank De Vos

Maar liefst acht bladzijden volzinnen worden mij toebedeeld. Opnieuw ben ik zeer vereerd dat er aan mijnen lustige nederigheid aandacht wordt besteed.

Voorwaar, mijn stilaan legendarisch snor krult voortaan niet alleen van de wax waarmee ik elke morgen mijn flou artistique insmeer. Alleen de zes rollen Scottex (16.78 €) zijn ondermaats en dus ver onder de gordel. Ik gebruik namelijk drie-lagig toiletpapier van Aldi.

 

Ach, polemieken dienen om het eigen groot gelijk groter te maken. Niettemin…

"Wie niet met Mij is, is tegen Mij" (Mt.12, 30, Lk.11, 23) of You're either with us, or against us".Frans Depeuter kent zoals George Bush met zijn “coalition of the willing” de geopenbaarde klassiekers.

Primo: de Nestorprijs vind ik een schitterend initiatief. Ik trek er geen woord van terug. Ik blijf dus enthousiast over deze prijs. Maar wat dit nu in dit geHeibel komt doen is me een raadsel. Ik blijf dus volmondig vereerd door de geboden gelegenheid mijn vriend Herman Elegast te mogen eren in 2011. Mijn bedenkingen en bezorgdheid over het voortbestaan van deze prijs, heb ik toen geformuleerd. Het doet hier echter niet ter zake.

Secundo: Frans Depeuter slaagt er niet in om een onderscheid te maken tussen man en pen. In alle bescheidenheid en met vallen en opstaan, tracht ik dit wel te doen. Zo bewonder ik de pen van Louis-Ferdinand Céline; als mens een afschuwelijk antisemitisch gedrocht. Zo bewonder ik evenzeer de bijzondere en grootse stijl van een bekende hedendaagse auteur, eveneens een beslagen grafredenaar van literaire monumenten die het niet kon laten om de onfrisse aftakeling van Gerard Reve te schilderen. Een even onfrisse profileringdrang, Heibel waardig? Eveneens bewonder ik het snedige talent van Jef Geeraerts die meer schreef dan alleen maar zijn controversiële Congo-cyclus (Tien brieven over liefde en dood, Dood in Bourgondië  enz). Bij de mens Geeraerts of beter wie hij in zijn Congo-tijd was, kun je alleen maar een walgend vraagteken plaatsen. Ook bij Van den Broeck geldt Il n’y a d’homme plus complet que celui [...] qui a changé vingt fois la forme de sa pensée et de sa vie.  (Alphonse de Lamartine) Wie hij als mens is, of was zal me worst wezen. Ik kan nog doorgaan over een gevierde dichter die op prepensioen kon gaan voor het woord werd uitgevonden. Ik hoop dat ik hiermee niet alleen Frans Depeuter “tackle”…

Tertio: Zo komen we bij het letterenbeleid waar ik alleen maar kan vaststellen dat het lettergeknetter in dit armlastig lastig land kreunt van afgunst, nijd, en kliekvorming. (Voor dit laatste is Facebook overigens een wonder instrument om dit te volgen.) Dit geldt voor Heibel, voor de opmerkelijke maatschappelijke invalshoek van de Arkprijs enzovoort, etc. Zoals bij Heibel  wordt het vrije woord er nu ook weer niet zo vrij ingekleurd. Het moet “passen” En eerlijk toegegeven, de oneerlijke sneer naar mijn dierbare vriend Peter Holvoet-Hansen deed mijn pen steigeren.

Om het bloedende leed van al die frustratie en magerzucht naar erkenning te stelpen, stel ik voor dat het Vlaams Fonds der Letteren jaarlijks het Antwerpse sportpaleis afhuurt om er tijdens een gigantisch mediaspektakel iedereen die maar iets met literatuur te maken heeft, in het midden van de wielerpiste laat plaats nemen om ze vervolgens van egovervullend applaus te voorzien. Ik raad hierbij zelfs een applausmeter aan zodat iedere deelnemer een gelijk aantal decibels krijgt toegemeten.

Tot slot. Étant farouchement attaché à ma liberté de pensée et de création, je ne veux rien recevoir, ni du pouvoir actuel ni d'aucun autre pouvoir politique, quel qu'il soit. C'est donc avec la plus grande fermeté que je refuse cette médaille", aldus Jacques Tardi, Frans striptekenaar die de « Légion d’honneur » weigerde. Mijn bewondering voor zulke mensen is mateloos.

 

Zoals Guido Lauwaert drijf ik even gelukkig in mijn eigen bootje. Wannes van de Velde omschreef dit nog sierlijker: Het is een goed teken dat je aan de kant van de weg zit. Blijf weg van de middenberm: je kunt er alleen je poten verbranden.

Dus zal mijne illustere onbekendheid er in het sportpaleis zeker niet aanwezig zijn.

Tot zover deze Heibel-lezing. Amen.

Frank DE VOS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
24 janvier 2013 4 24 /01 /janvier /2013 14:00

 

Frans-Depeuter.jpg

Frans Depeuter

Beste Frank,

Met knikkende knieën in het "oerdegelijk droog Kempisch zand" danken wij je vooreerst voor je abonneeschap van Heibel, dat je toch gedurende vier jaar volhield en nu op hoffelijke wijze beëindigt. Ook dank voor je medewerking aan een paar nummers van onze "Story op Kempische ezelspoten", waarvoor je "zeer vereerd" verklaarde te zijn. Ten derde male dank voor de laudatio die je in 2011 uitsprak bij onze Nestoruitreiking, tijdens dewelke je ook nog enkele van je Italiaanse liedjes hebt gezongen, waarmee je terecht succes oogstte bij de zowat 350 aanwezigen in het nokvolle cc 't Schaliken.

Ook in 2010 was je al present geweest bij de Nestoruitreiking en het weze gezegd: ook toen schuimde je over van enthousiasme. "Vorig jaar was ik hier in ’t Schaliken," zo begon je laudatio. "Het was de eerste editie van de Nestorprijs die ik kon meemaken. Ik was verrukt" (zie in deze blog: 'Frank de Vos huldigt Herman Elegast'). Je toespraak was overigens gedegen naar inhoud én vorm. Alleen jammer van die éne bok. In de tekst die je mij doormailde voor opname in Heibel, schreef je: "Plus êtes en vous", wat ik, beleefde jongen als ik ben, discreet veranderde in "Plus est en vous", zoals Lodewijk van Gruuthuse in zijn paleis te Brugge liet beitelen.

Dat je in 2012 prominent afwezig was op de Nestoruitreiking, is te begrijpen. Wij hadden immers de onvergeeflijke zonde begaan de Strangers te huldigen. De Strangers, stel je voor! Die schavuiten die in 1992 voor het Vlaams Blok hadden opgetreden, waarvoor ze terstond werden overgoten met pek en veren en verbannen naar de hel. Ondertussen, 20 jaar later, mede door hun deelname aan een benefietconcert voor de bijna failliete De Morgen eind jaren '80 en aan de opluistering van het bal van Patrick Janssens in 2005, was de fatwa een beetje geluwd, maar gelukkig was jij hun misdaad niet vergeten.

Maar nu heeft Heibel een nieuwe zonde begaan. Ik heb namelijk schennis gepleegd op de gestaatsprijsde roman Black Venus van Jef Geeraerts. Om er het pornografische karakter van aan te tonen citeerde ik uitvoerig, teneinde niet het verwijt te krijgen dat ik zo maar iets uit mijn nek klets. Of Jef daardoor de door jou gesuggereerde titel van "negerinnen-neuker" mag voeren, laat ik over aan het wijze oordeel van de Heibellezers… en aan de creatieve visie van Frank De Vos natuurlijk. Door al dat gecitater wordt alleszins één ding duidelijk: in Black Venus gaan geen vijf bladzijden voorbij zonder dat de borsten, piemels, ballen, clitorissen en ander dienstdoend gerei je om de oren flappen. De term "opgezwollen clitoris", die je op mijn tekst meent te moeten plakken, is inderdaad best toepasselijk. Op Black Venus welteverstaan. Wat ik overigens net wou aantonen.

Jouw wissewasje lezend moet iemand die Geeraerts' genitaliëncatalogus niet behoorlijk heeft ingekeken, vast de indruk krijgen dat ik uitsluitend heb gefocust op de pornografische aard van het boek. Er staat echter ook nog wat anders in mijn 'essay'. Aan de hand van andere allegaties toon ik nl. eveneens aan dat het werk uitgesproken seksistisch en racistisch is. Dat de vrouwen in Black Venus als "primaire seksmachines", "Lybische slavinnen" en "essentieel een kut" worden betiteld en dat de zwarte mannen "godverdomde nikkers" en "bavianen" worden genoemd, vind je evenwel de moeite niet waard om er een melding of grapje over te plegen. Het past immers niet in je plaatje dat mij als een gefrustreerde Kempense lijpkikker moet voorstellen.

Kijk, mijn beste Frank, die DRIE  zaken vormen de essentie van mijn Heibelstuk: racisme, seksisme en pornografie. Het was geenszins mijn bedoeling een oordeel te vellen op grond van de literariteit van Black Venus. Bij het verschijnen ervan erkende ik al dat "het tentoongestelde vakmanschap onbetwistbaar is: Geeraerts kán schrijven, kan verdomd goed schrijven" (Heibel  VI, 3-4). Overigens laat de titel van mijn 'essay' geen twijfel: "Black Venus revised op morele gronden". Aan die ethische gronden heb jij blijkbaar een broertje dood, want op je blog belijd je: "Ik heb een hartstochtelijke afkeer voor () ethisch gezwets ()". Welnu, mij was het erom te doen bij de waardebepaling van Black Venus de parameter 'ethiek' toe te voegen. Want hoe dan ook – en daar kunnen geen tien Vossen wat aan veranderen – élke tekst, élke schepping is tegelijk een esthetisch én ethisch verschijnsel, al bestaat de 'ethica' maar uit de intrinsieke erkenning van het prioriteitsrecht van de esthetica.

En daar is nu juist het kalfje gebonden, zie. Wat ik beoogde met mijn 'essay', is aan de kaak te stellen dat Orchis Miltaris van Ivo Michiels het moest afleggen tegen Black Venus. Tussen die twee romans ging het in de finale voor de literaire staatsbeker 1969. Tussen "het voorname, zuiverende, stijlvolle Orchis Militaris  van Michiels, dat naar vrede en schoonheid zocht, of het immorele, seks- en racistische Black Venus van Geeraerts, dat geweld en ongebreidelde promiscuïteit uitdroeg" (uit 'Black Venus revised op morele gronden'). Jammer toch dat je ook dat niet aanraakt in je 'kritiek'…

Een ander varkentje dat je laat knorren, is mijn 'feuilleton' (sic) over Walter van den Broeck, dat inderdaad een lijvig dossier vormde, alweer opdat ik niet zou moeten horen dat ik zo maar wat blaasjes sta te pissen én omdat er aldoor en alom gemord wordt over het gebrek aan grondigheid in de literaire kritiek. Net zoals mijn andere kritische teksten gaat dat dossier uit van mijn Du-Perroniaanse overtuiging dat leven en schrijven van een literator dienen samen te vallen. M.a.w. dat er geen discrepantie mag bestaan tussen zijn teksten en zijn realia, tussen wat hij zegt en wat hij doet, tussen de Vorm en de Vent.

De "pittige weetjes", zoals jij het noemt, maken deel uit van de ganse persoonlijkheid van de auteur en kunnen wel eens een genuanceerd licht werpen op zijn werk. De karikatuur die jij ervan maakt, nl. dat het zou gaan over "zijn schoenmaat, de kleur van zijn onderbroek met frontstreep, de belle vue op zijn arbeiders-decolleté, zijn vuile sokken, de curryworst special", zullen we maar vergeten, zeker? Het is er 'over', Frank, en niet zomaar een klein beetje! Temeer omdat je alweer met geen woord rept over de essentie van mijn tekst, t.w. het echec van Van den Broecks roman Terug naar Walden, – die je toch ook wel gelezen hebt, mag ik aannemen? – die door zijn gekunsteldheid, zijn gebrek aan authenticiteit, zijn historische onnauwkeurigheid, zijn rommelige opbouw, zijn bombastische stijl, zijn schoolvosserige wijsneuzigheid, zijn clichématige taal en beelding, zeg maar: zijn globale flauwekul niets meer is dan “een rommelig kettingverhaal” met een “onwaarschijnlijke, rocamboleske plot”, “wriemelende, potsierlijke personages” en een “sputterende motor”, zoals Dirk Leyman het in De Morgen uitdrukt (21-10-2009).

Evenmin toucheer je de inconsequenties van de 'vent' Van den Broeck, die zowat alles geworden is wat hij vroeger aanklaagde. Zo noteerde hij ooit: “Het wordt tijd dat men alle subsidies aan kunstenaars onverbiddelijk afschaft. Kunstenaars die om een subsidie vragen lijken mij eenvoudig een boel sufferds die niet schijnen te beseffen wie of wat zij vertegenwoordigen in een staat. Een kunstenaar is een pretentieus iemand die zich op een bepaald ogenblik buiten en boven de maatschappij stelt. Hij eigent zich het recht toe die maatschappij te bekritiseren, ja zelfs te hervormen. Het komt mij nogal lachwekkend voor dat men dan voor zijn kritiek en zijn geplande revolutie nog centen gaat vragen van die maatschappij." Dat soort uitspraken heeft echter niet belet dat VDB zich intussen tot een van de hoogst gesubsidieerde auteurs heeft opgebedeld en met graagte meespeelt in de iconodoulie die hem vroeger zo tegen de borst stuitte.

Bovenstaand citaat dateert van Van den Broecks Heibeltijd in 1966, maar jij was toen nog maar een gezonde koter van tien die liever met matchboxjes speelde dan met literatuur. Overigens heb je overschot van gelijk: je kan beter een Depeuter tackelen dan kritiek te leveren op vedetten als Van den Broeck en Geeraerts. Je gratuite tekstje illustreert perfect wat ik bedoel in het laatste Heibelnummer: "De Vlaamse Literatuur bestaat bij de genade van Monumenten en Heiligenbeelden. () Wie één negatieve gedachte over deze Hemelsen durft te uiten, krijgt meteen een hele zwik zeloten over zich heen. En dus: over hen zegt men geen scheef woord, niemand durft de nimbus van hun hoofd te trekken, niemand waagt het zelfs maar aan hun tenen (want die hebben ze, en in grote maten!!) te kriebelen. () Zolang er nog rook uit hun pijp komt, () kun je er best met eerbied over praten of er hoogstens over zwijgen. De sanctis nil nisi bene, om het met een variante van Chilo, een der zeven wijzen van het Oud-Griekenland, te zeggen."

 

Genoeg over de Heiligen. Er is ook nog Peter Holvoet-Hanssen, die zonet op de Arkprijs van het Vrije Woord werd bijgezet. Laat me eerst toch even zeggen dat ik de poëzie van HaHa erg waardeer en dat ik in mijn gewezen hoedanigheid van jurylid van de provinciale commissie met gloed de subsidiëring ervan heb verdedigd. Ik ga dus volledig akkoord met de motivatie van de jury, nl. "de ongedwongen en anarchistische manier waarop hij met taal en taalgebruik omgaat". Wat mij daarom des te meer verbaast is dat een anarchistische dichter, zoals hij door iedereen wordt betiteld, bereid is om mee te spelen in een toch wel burgerlijke bedoening.

Als in die Ark nu nog een serieuze geldprijs besloten zat, dan zou ik het een armlastige auteur niet ten kwade duiden dat hij/zij zich eventjes leent tot dat soort ijdele honneurs. Maar nee hoor, niks geld, alleen een beetje literaire symboliek: je naam wordt gegrift in een miniatuurark die wordt bewaard in het Letterenhuis in Antwerpen. En als supplementje mag de winnaar dat kleinood even vasthouden en eventueel in de hoogte steken, wat de anarchistische dichter HaHa niet naliet. Zoals "een coureur die de Trofee van de Kermiskoers van Schellebelle heeft gewonnen", inderdaad. Of was het toch een satirisch en dus ondergravend gebaar van HaHa?…

Ik weet niet wat je het meest heeft geërgerd, dat ik me een beetje vrolijk maak over de inconsequentie van Peter HaHa of dat ik luchtig doe over de Arkprijs. Mag ik in verband met dit laatste misschien Guido Lauwaert even aanhalen: " De jaarlijkse uitreiking van de Arkprijs van het Vrije Woord is verworden tot een pronkgebeuren van arkbroeders en -zusters. Het is een braaf gebeuren dat vooral aantoont wat het in oorsprong wilde belijden, desnoods met de vuist op de tong: het vrije woord. Want als één ding duidelijk is, is dat de Arkprijs enkel oog en gravering heeft voor wie in zijn kraam past. Wie bevestigt wat al gedacht is." (zie in deze blog, 13 mei 2010). En Lauwaert eindigt met: "Ik geloof dat met dit artikel ik voor eens en voor goed de kans heb verkeken op een plaats op de Ark. Gelukkig heb ik al jaren mijn eigen bootje. Dat er verdomd nog stevig uit ziet. Ondanks de vele stormen."

Dat zijn woorden die evengoed in Heibel hadden kunnen staan. Want ook Heibel is wars van gekruip en gelik. Ook Heibel laat zich niet sussen door eerbetuigingen en doet niet aan kansberekening. Ook Heibel stelt zijn "eigen bootje" als hoogste doel. Ja, beste Frank, al je klakkeloze spot ten spijt. Je gratuite oprisping dat Heibel "zich trots presenteert als 'een blad zonder blad (voor de mond)', () als 'onafhankelijk-kritisch-satirisch-polemisch tijdschrift'", zou ik kunnen counteren met de even gratuite bewering: "Frank de Vos pretendeert met trots: 'Ik heb een hekel aan schraal gelal, woorden zonder daden (). Ik sta ook bijzonder op mijn onafhankelijkheid.'" Zo stel je jezelf toch voor in je blog, niet? Maar wat bewijs ik daarmee? Niets noppes nada. Evenmin als jij iets bewijst met je zure 'boerke'. Wie de satirische-kritische (on)waarde van mijn Heibelbijdragen wenst te kennen, moet zelf Heibel maar lezen in plaats van blindweg een klakkeloze uitlating van om het even wie na te praten.

Het verwijt dat Heibel niet onafhankelijk zou zijn, kan ik echter niet blauwblauw laten. Omdat het zelfs geen oordeel meer is, maar een plompe leugen. Om niet gemuilband te worden wijzen wij immers alle subsidies af – zo staat het ook in elk nummer van ons blad –, maar ook van politieke partijen, van het literaire wereldje, van uitgeverijen, ja, zelfs van elkaar zijn wij onafhankelijk. En om het eens brutaal uit te drukken, mijn beste Frank: je slaat er met de klos naar wanneer je schampert: "Heibel, de blauwe hemel voor geliefde knuffelberen, de brandstapel voor verketterden." Je draait de zaken om, je zet ze op hun kop. Wié wordt er in het literaire wereldje geknuffeld? Toch niet de Depeuters en Hannelores, dacht ik. Wiens werk wordt in allerlei media doodgezwegen? Wie krijgt alle faciliteiten bij de voor-het-zeggen-hebbers? Wie? wie? wie? Komaan, zeg, een beetje ernst, hè. Een man als jij moet toch weten dat zo'n ongegronde uitspraak je reinste populisme is. Vervang Heibel bij voorbeeld door Humo en je bekomt: "Humo, de blauwe hemel voor geliefde knuffelberen, de brandstapel voor verketterden", enzovoort. Uiteraard zou dit uitspreeksel niet minder populistisch zijn dan het jouwe, maar misschien ligt het toch een beetje dichter bij de waarheid.

Frans DEPEUTER

P.S. Dat je je abonnement op Heibel niet meer betaalt, daar moet je niet te zwaar aan tillen, Frank. Één abonnee minder maakt heus de zaak niet, we hebben er nu nog 334 (waarvan 104 mecenassen, ereleden, beschermende of steunende leden) en dat is ruim voldoende om het blad ongesubsidieerd in leven te houden. En voor wat betreft je 'kleine kamertje', je zit daar nu toch niet zonder papier je ding te doen, hoop ik. Na een degelijk poepje moet een mens zich toch kunnen 'verschonen', niet? Anders is er nog altijd je krant, die kun je in vier knippen en de velletjes aan een spekhaak prikken zoals mijn ouders het vroeger deden op het 'huiske' van hun 3-koetjes-boerderijtje. Als het je kan helpen: mijn ouders gebruikten daarvoor de Gazet van Antwerpen. Zij waren katholiek, zie je, en die was dat toen ook. Als hygiënisch alternatief kan je ook altijd Scottex gebruiken (pak van 6 rollen van 600 vellen, geparfumeerd, 2-lagig, thuis geleverd voor € 16,78)." )

*

Bovenstaande tekst is een verkorte versie van een gedeelte van de repliek die Depeuter schreef naar aanleiding van "'Heibel' tot in den treure" dat op 9 januari 2013 op deze blog verscheen. In de eerstvolgende aflevering van de Mededelingen van het CDR(nr. 203) verschijnt het volledige opstel, waarin Depeuter het ook nog heeft over brandstapels, ijdelheid, champagnedrinkers, literaire paria's, grote geesten, kaviaarlinks en kaviaarrechts, stadsdichters, witte olifanten, subsidies, mesquinerie, Bergen-Belsen en dat soort dingen.  

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
24 janvier 2013 4 24 /01 /janvier /2013 06:00

 

Ruud-De-Ridder--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers


Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
23 janvier 2013 3 23 /01 /janvier /2013 18:26

 

PaironMinnedichter.jpg

Vanochtend werd in Club Lange Wapper te Antwerpen de nieuwe dichtbundel van Marc Pairon aan de pers voorgesteld: Minnedichter zkt Muze.

Wegens familiale omstandigheden liep Marc Pairon (°1959) maar tot zijn vijftiende school en bracht hij zijn verdere tienerjaren als clochard door, zwervend door Europa. Wanneer hij nu en dan in België was, voorzag hij in zijn levensbehoeften door het verkopen van gestencilde teksten in Antwerpse cafés. Hij trok de aandacht van Nic van Bruggen pp, en dat leidde in 1981 tot de publicatie van de bundels Splinters en Kousen wassen, beide uitgegeven door Walter Soethoudt. Hoewel Pairon talrijke lovende kritieken kreeg en een graag geziene gast was op literaire voorstellingen, hield hij het dichtersleven snel voor bekeken. Hij wendde zijn creativiteit nadien vooral in het zakenleven aan.

Pairon zou de volgende twee decennia niets meer publiceren, zelfs geen letter meer schrijven. In 2006 kwam van hem het drietalige, 750 pagina's tellende kunstboek Art Deco Ceramics - Made in Belgium. Hij was immers ondertussen ter zake een notoir expert geworden en het naslagwerk was binnen het genre dan ook een absolute bestseller. Het werd in meer dan 40 landen verdeeld. Intussen verschenen meer dan 200 recensies en reportages over dit kunstboek in internationale magazines en binnen de vakliteratuur. 

In maart 2008 greep Pairon terug – “in een opgewonden roes” – naar de pen van de poëzie en maakte begin 2009 een opmerkelijke comeback. Hij werd door de pers uitgeroepen tot “Vlaanderens meest gelezen dichter”: van zijn verzenbundels gingen immers datzelfde jaar ruim 60.000 exemplaren over de toonbank.

Minnedichter zkt Muze wordt ingeleid door de Chinees-Nederlandse romanschrijfster Lulu Wang, die haar “diepe bewondering” voor de dichter uitdrukt:

Ik weet niet sinds wanneer dit zo is, maar ik heb de indruk – ik hoop dat ik ernaast zit – dat vandaag de dag de regel geldt dat wanneer een gedicht voor de gewone man of vrouw te begrijpen valt, men het niet te serieus moet nemen. Poëzie moet volgens sommigen een raadsel zijn, een raadsel dat door niemand anders dan de dichter zelf en de literatuurkeurmeesters ontrafeld kan worden. Literatuur moet volgens hen zuur, cynisch of deprimerend zijn.

Gelukkig is dit niet helemaal zo en hebben wij nog dichters zoals Marc Pairon. Zijn poëzie spreekt een heldere taal. Verstaanbaar voor lezers van verschillende pluimages. Zijn stijl is verfrissend en fijnzinnig. […] Met plezier lees en herlees ik ze. Ze ontroeren mij, brengen mij aan het lachen, huilen, denken en nadenken.

Pairons poëzie wordt door een groot publiek gesmaakt. De toegankelijkheid van de gedichten, de herkenbaarheid van de onderwerpen en de – wegens de hoge oplagen – correcte verkoopsprijzen van de verzenbundels zijn daar niet vreemd aan.

HFJ

Marc PAIRON, Minnedichter zkt Muze, Aartselaar, Stichting Charles Catteau, 2012, 62 p., 5 €. ISBN 978 94 9121 803 3.

Zie op deze blog:

http://mededelingen.over-blog.com/article-marc-pairon-bewijst-dat-niet-alle-bestsellers-kookboeken-zijn-113193960.html

 

http://mededelingen.over-blog.com/article-aleidis-dierick-walter-soethoudt-en-marc-pairon-over-maris-bayar-70357136.html

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
22 janvier 2013 2 22 /01 /janvier /2013 14:30

 

Michael.JPG

Michaël Vandebril

Gaat het goed met de poëzie, in deze tijden van crisis? Nee, het gaat niet goed met de poëzie, het gaat héél goed met de poëzie. Nooit piekte de verkoop van dichtbundels zo sterk dan de voorbije twee jaar en de lezingen rijzen de pan uit. Een nuance is wel op zijn plaats.

De meeste dichtbundels halen geen 200 verkochte exemplaren. Bij 150 spreken ze van een doorbraak en, met dank aan Gerrit Komrij [De dichter], zwelt hun borst tot slagschiphoogte, ‘En daarvan wilde hij leven!’ Maar de dichters die wel verkopen, verkopen veel beter dan verwacht. Al worden ze er ook niet rijk van. Ze hebben enkel een pak meer zakgeld. Maar laten we het financiële buiten beschouwing en concentreren we ons op het artistieke aspect van het dichter en het dichterschap. De gemiddelde oplage van een bundel is 500 exemplaren, en dan moet het al over een dichter gaan die zichzelf weet te verkopen, of waar journalisten op geilen. En eenmaal er eentje zijn geilheid met kreten van bewondering heeft geëtaleerd, volgen de anderen.

Wat zeker ook meespeelt is een prijs – de nominatie voor de C. Buddinghdebuutprijs is al goed voor meer interesse en de meest versierde lauwerkroon voor een flinke meerverkoop. Ook de Herman de Coninckprijs binnenhalen betekent extra media-aandacht en dus meerverkoop. Tevens blijkt dat jonge dichters zelf de nieuwe media gaan bespelen en een strategie bedenken. Dat gaat van facebook over eigen blog tot de goeie ouwe klassieke LP. Na jaren van stagnatie zie je dat dichters niet langer enkel en alleen rekenen op de uitgever. Hij verstuurt recensie-exemplaren, verzorgt de distributie en laat de rest over aan de auteurs. Want door bezuinigingen staan de promotiepotten bij het klein huisvuil. Maar genoeg waarheden als casselkoeien, cijfers en feiten.

Tegen veler verwachting was de eerste dichtbundel van Michaël Vandebril, directeur van Antwerpen Boekenstad, een succes. Het vertrek van Maeterlinck verscheen bij De Bezige Bij Antwerpen begin vorig jaar in een oplage van 500 exemplaren. Nu er een tweede druk verschijnt betekent dat, rekening houdend met de sluitingsdagen van de boekhandels, meer dan twee per dag. De kwaliteit van de gedichten staat uiteraard voorop, maar niet onbelangrijk is de grafische verzorging. Meer en meer zie je dat kopers daar rekening mee houden. De smaak van de poëzieliefhebber gaat er dus op vooruit. Applaus voor de lezer.

 

Evengoed vergaat het Stijn Vranken. Zijn eerste bundel, Vlees mij, verscheen bij Meulenhoff Ι Manteau in 2008 en zit al aan zijn derde druk, in totaal 2.250 exemplaren. De tweede bundel, verschenen bij De Bezige Bij Antwerpen, dateert van 2011. Wees gerust, maar niet hier zit aan zijn tweede druk, terwijl een nieuwe dichtbundel zo goed als afgewerkt is. Over de titel twijfelt de dichter nog. Was dat niet zo geweest had hij hier gestaan. Zo goed als zeker verschijnt hij in het najaar. Aan de telefoon beloofde Stijn Vranken een nieuw gedicht. Komt dat eraan voor dit artikel per satelliet bij de redactie belandt, plakt het onderaan.

De meest succesvolle dichter van de het moment is ongetwijfeld Delphine Lecompte. Na twee dichtbundels bij Uitgeverij De Contrabas, succesvol ondanks de afgrijselijke vormgeving, werd zij vorig jaar binnengehaald bij De Bezige Bij Antwerpen. In nauwelijks tien maanden tijd waren er drie drukken, goed voor 1.500 exemplaren. De derde druk is nog niet uitverkocht of een nieuwe dichtbundel staat op het punt de drukkerij te ruilen voor de boekhandel. De presentatie is voorzien voor donderdag 21 februari op de zolder van het Poëziecentrum. Naast enkele bevriende dichters zal de creator voorlezen uit haar nieuwste bundel, Schachten en amuletten, en naast muziek zullen er rijkelijk versierde schotels en goed gevulde flessen zijn. Er is dus geen enkele reden om niet aanwezig te zijn. De eerste druk is meteen goed voor duizend exemplaren. Dat ze snel een bestemming zullen vinden, is zo zeker als dat Poetin uit is op vierde tsarentroon.

Lecomptes poëziesucces is te vinden in een mix van lucide toonzetting en morbide afrekening met de zelfbenoemde verlichte generatie van ’68, haar dartele verschijning gelardeerd met plagerig gestuntel, en een gedrag dat op zich weer een samenstelling is van Virginia Woolf, Gertrude Stein, Wislawa Szymborska en nader bij ons wijlen Fritzi Harmsen van Beek. Ook vind je elementen van François Villon en Arthur Rimbaud in de ondertoon van haar poëziebrieven, wat elk gedicht in wezen is.

De belichting van deze drie succesvolle dichters wil niet zeggen dat de anderen honger lijden. Hun succes is echter van bescheidener omvang. Bovendien moet benadrukt worden dat de factor succes grotendeels aan hen voorbijging. Hoe goed de poëzie ook is, het blijft een feit dat succes slechts mogelijk is door het precies in mekaar haken van tijd, ruimte en geluk. Als dat lukt is een snelle en vooral felle doorbraak gegarandeerd.

In primeur, als cadeau aan de lezers, niet eerder gepubliceerde gedichten van de drie succesvolle poëten. Het gedicht van Michaël Vandebril is geïnspireerd op een instrumental, Theme for great cities, van de popgroep Simple Minds.

Guido LAUWAERT

 

Delphine Lecompte

 

Er was een park en daar dribbelde een engel

 

Op de stilstaande bus zit een dermatoloog te klappertanden

Het is de dermatoloog van mijn moeder

Haar huid is nochtans gekmakend gaaf

Het klappertanden klinkt als verkalkte geitenhoeven

Op een kurkdroog basketbalterrein.

 

Nu moet ik een keuze maken:

Schrijf ik verder over wijn

Of over een dribbelende engel

Op het basketbalplein van mijn elfjarige sensualiteit?

 

Elf is jong genoeg

Om verliefd te worden op een engel

Wist ik veel dat hij niet geslachtloos was

Hij noemde mij Marjolijn met een lange ‘ij’

Iedere vrijdag kocht hij goudvisvoer voor mij.

 

Ik kon het niet over mijn hart krijgen

Het goudvisvoer te weigeren

Nadat mijn goudvis was gestorven

Heb ik nog tien maanden het goudvisvoer aanvaard

Daarna is hij verhuisd.

 

Mijn vader heeft toen een knaagdier gekocht

Om mij te troosten

Toen mijn vader hem kocht had hij een kater

Maar de cavia was kerngezond

Ik heb hem Plato genoemd en blindgemaakt

Wist ik veel dat hij niet zingen kon.

 

Michaël Vandebril

 

Refrein voor een stad

 

in een stad die dichters zuigt

tot zachte geraamtes glijd ik

 

met de snelheid van een luipaard 

langs warme natte tuinen waarin stenen

 

pauwen en paden zich als draden

gedragen van een cocon 

 

langzaam opgegeten door struiken

en kruinen en het tergend trage

 

zwellen van schelpen in het vijverwater 

slechts een voorbode 

 

van grotere tuinen waarin stenen

pauwen en paden zich als stralen

 

gedragen van een zon 

langzaam opgezogen door struiken

 

en kruinen en het tergend trage

zwellen van schelpen in het vijverwater 

 

slechts een zucht

van andere tuinen waarin stenen

 

pauwen en paden zich als deining

gedragen van een bron 

 

langzaam opgedronken door struiken

en kruinen en het tergend trage

 

zwellen van schelpen in het vijverwater 

slechts een zweem de stad kleedt

 

dichters in doorzichtig vel

ik leef hoog boven de tuinen

 

met de gratie van een zwaluw 

en zie straten van geluk

 

Stijn Vranken

 

een vermoeden

 

Was ik niet liever een vermoeden geweest?

Iets waarvan sommigen wel eens hebben gehoord

omdat al de anderen erover hebben verteld?

 

Een hardnekkige twijfel, een universeel gerucht,

een waan, iets onsterfelijks vaag, iets dat kan

worden geloofd net omdat het niet bestaat, en

 

niet dit lichaam dat mij elke dag meer verraadt.

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
22 janvier 2013 2 22 /01 /janvier /2013 10:00

 

Lies-Van-Gasse--foto-Bert-Bevers-.JPG

Foto: Bert Bevers

Zie: www.detafelvan1.blogspot.com

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans littérature
commenter cet article
21 janvier 2013 1 21 /01 /janvier /2013 15:21

 

In de jongste aflevering van WT werd een maximum aan beklijvende recensies opgenomen. De kritische analyse van publicaties “draagt immers aanzienlijk bij tot het inzichtelijk kennismaken met de verscheidenheid aan hoogtes, breedtes en dieptes van de geschiedenis”, aldus Frans-Jos Verdoodt.

Ik beperk mij hier tot het signaleren van recensies van recente boeken die ik zelf las. Harry Van Velthoven beoordeelt de studie Leopold I (1790-1965). De eerste koning van Europa van de Gentse historica Gita Deneckere. De vorst was protestant en vrijmetselaar, “maar de door hem gevoerde Belgisch-nationale identiteitspolitiek steunde op Kerk en katholicisme, op een verstrengeling van religie en patriottisme”. Want “het katholicisme was het nationalisme van België”. Ook Leopolds houding tegenover het opkomende flamingantisme wees op een “belangenparallellisme met de Vlaamse beweging”, die noodzakelijk was bij de handhaving van zijn nationale verzoeningspolitiek en bij zijn verweer tegen de dreigende annexatieplannen vanuit Frankrijk. Nico Van Campenhout beschrijft en beoordeelt het themanummer van Zacht Lawijd, gewijd aan Paul-Gustave van Hecke (jg. 11, 2012, nr. 2, 291 p.), waarover hier later meer.

Uiteraard komt ook de actualiteit aan bod: Harry Van Velthoven recenseert Werkbare waarden van Bart De Wever, Frank Seberechts vestigt de aandacht op Land op de tweesprong. Manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen (red. Jean-Pierre Rondas) en Ludo Abicht signaleert Demain la nation van Jean Daniel, stichter en editorialist van Le Nouvel Observateur.

*

't En regent niet, het zevert/ in dit land in de klem van het verleden”, schreef Hugo Claus. WT draagt beslissend bij tot de bevrijding uit die klem. In elke aflevering wordt ook de ten ijs beslagen lezer immers geconfronteerd met ontmythologiserende bijdragen die genadeloos nieuw licht werpen op de politieke en culturele geschiedenis van Vlaanderen.

Wat verraste mij in 2012? Het opstel van Matthijs de Ridder over Rob van Genechten (een vriend van Paul van Ostaijen), de bijdrage van Brecht Klein over de veelzijdige Jef van Bilsen en de reflectie van Andreas Stynen op vier recente studies over filmbeleving in Vlaanderen. Dit gezegd zijnde: ik lees elke aflevering van WT van A tot Z...

De pas afgesloten 70ste jaargang (vier nummers) van WT telt 383 pagina's en is deskundig geïllustreerd met vaak onuitgegeven documenten en foto's. Dat alles voor slechts 23 € per jaargang (buitenland: 28 €). Het abonnementsgeld dient overgeschreven op rekeningnummer KBC 733-0215290. Een afzonderlijk nummer kost 7 €. Verdeling: Story-Scientia / Academia Press (Gent).

Henri-Floris JESPERS

Wetenschappelijke Tijdingen, Lange Leemstraat 26, BE-2018 Antwerpen.

 

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans histoire
commenter cet article
20 janvier 2013 7 20 /01 /janvier /2013 23:20

 Tijgers-in-Wessex.jpg

Op mijn gemakje Alfred the Great van Clive Donner, uit 1969, weer eens gekeken. Blijft een geloofwaardige historische film met een zeer overtuigende David Hemmings in de rol van de Alfred de Grote, van 871 tot 899 koning van Wessex en ondertussen heilig verklaard. Ook Michael York is goed in vorm als de Deen Guthrum. Vroeg me deze keer wel af of ik nu een scenariofoutje ontdekte of niet: op zeker moment zegt Aelhswith (bij monde van de mooie Prunella Ransome) tegen Alfred “You’re like a tiger!”. Zou een Angelsaksische uit de 9de eeuw een vergelijking met een dergelijk exotisch dier hebben gemaakt? Hoe zou zij in die tijd in Wessex van het bestaan ervan geweten moeten hebben?

Bert BEVERS

Repost 0
Published by CDR-Mededelingen - dans cinema
commenter cet article

Présentation

  • : Le blog de CDR-Mededelingen
  • : Nederlandse en Franse literatuurgeschiedenis, onuitgegeven teksten, politieke en culturele actualiteit
  • Contact

Recherche